woensdag 20 oktober 2021

Vijanden - Guido Eekhaut

Die ochtend bereikte de Dow Jones een eenzame hoogte, maar mijn kat was nog steeds niet terug. Twee evenementen zonder verband grijpen elkaar bij de kraag, althans in mijn eigen, kleine en verontruste wereld. Per toeval noemde ik mijn kat ook Jones, zonder er bij nagedacht te hebben. De ene Jones piekt, de andere Jones verdwijnt.

       Tegen de middag ben ik radeloos. Jones blijft nooit zo lang van huis. Hij heeft zijn gewoontes en ook zijn onafhankelijkheid. Net als ik heeft zijn leven een vast stramien. Hij miauwt mij wakker om half acht en eet samen met mij zijn ontbijt. Dan overweegt hij de status van het universum — of wat katten ook doen wanneer ze niet slapen of eten.

        Wolken schuiven voor de zon en er dreigt regen. Passanten in de straat dragen regenkledij, soms een gesloten paraplu. Aan de overkant doet een koffieshop goede zaken. Stoom ontsnapt uit een stalen grille. Ik sluit de ramen, tegen de opkomende kilte. Jones kan altijd binnen langs het raam in de slaapkamer. Dat staat de hele dag open, net als de tussendeuren. Wordt het winter, dan moet hij binnen blijven.

        Het komt wel in orde met hem, maar hij moet af en toe teken van leven geven.
        Ik probeer een nieuwssite, maar buiten de situatie met de Dow Jones valt er niets te melden. Niets van belang. Er gebeuren helemaal niets in de wereld. Het is een lege dag, zo zonder oorlogen en rampen en misdaden. Niemand doet wat, behalve geld verdienen met aandelen. De wereld erkent alleen maar monetaire waarde.

        Ik eet lunch in de koffieshop aan de overkant van de straat, een bagel met kaas en een groene salade, en drink daar thee bij. Astrid belt me. “We kunnen elkaar vanavond zien,” zegt ze. Het klinkt zo vanzelfsprekend. Ze belt me alleen maar wanneer haar echtgenoot op reis is. Ze is niet gelukkig bij hem, maar ze kan niet elders naartoe, zeker niet naar mij, want ik verdien slechts een schijntje. Ze is bezorgd dat onze relatie ontdekt wordt, maar kan de spanning en de passie niet missen. “Anders zit ik de hele tijd alléén thuis, niks te doen.” Haar man wil niet dat ze werkt. Boeken lezen doet ze niet.
        We zien elkaar in de kleine bar, vier blokken van haar huis vandaan. Jones is nog niet teruggekeerd. Ik laat het slaapkamerraam open. We zitten aan een tafeltje achterin. Ik wil best naar een stadje in de buurt om haar te zien, om het risico te verkleinen. “Nee,” zegt ze, “ik hou van deze plek. Dit zal altijd van ons beiden zijn.”

        Het is haar risico, niet het mijne.
        Maar toch voel ik me verantwoordelijk voor haar toekomst, en voor haar beslissingen.
        Onze gesprekken zijn nooit fundamenteel. We hebben geen toekomst samen en nemen daar genoegen mee. We kletsen als goede vrienden en gaan dan samen naar bed, bij haar thuis. De seks met mij is beter dan die met haar man, zegt ze. Ik vraag me af of ze liegt. Ze beloofde me nooit te zullen liegen. Dat zei ze me helemaal aan het begin van onze verhouding. Ik heb tot nog toe geen reden gehad om haar van een leugen te verdenken.
        Net zoals ik is ze een vluchteling uit de jaren negentig. We hebben de middelmatige muziek en de slechte smaak in kapsel en kledij overleefd, net zoals we dat verschrikkelijke eerste decennium van deze eeuw hebben overleefd. Haar man doet iets in de financiële wereld. Misschien zijn ze rijk, maar ze praat daar nooit over.
        “De reële economie heeft geen enkel belang meer,” zegt ze. “Al die winkels en warenhuizen, de loonslaven en de fabrieken. Het is alleen nog maar de beurzen, de aandelen, de fondsen. Daar gaat het om.”
        Nooit kinderen gehad.
        “En op zeker moment is het verkeerd gegaan,” zegt ze. Ze heeft het niet over de Dow Jones. Toch is ze bij haar echtgenoot gebleven. En hij bij haar. “Het hoeft geen winnend team te zijn,” geeft ze toe. “Als het maar werkt.”
        De platitude verbaast me. Als het maar werkt? Dat lijkt mij onvoldoende. Maar zoals zovele mensen, neemt ze daar genoegen mee. Ze nemen genoegen met wat alleen maar werkt.
        En toch is er die verhouding.
        De ochtend erop is Jones plots terug. Hij zit in de keuken en likt zijn pels. Vraagt om eten, en krijgt dat ook. Geeft geen uitleg over waar hij was. Hij kan soms zo’n schooier zijn. We hebben echter een regeling: ik geef hem te eten, en hij zorgt ervoor dat de wereld niet ten onder gaat.


De dag erop passeert een luidruchtige vrachtwagen in de straat, vroeg in de ochtend al. Jones verschuilt zich. Ik kan hem weer lokken met eten. Astrid stuurt me een bericht: haar man is terug en heeft een goede deal afgesloten. Hij wil een huis ergens in de Provence kopen. Zij is er van overtuigd dat hij geen tijd heeft om daar op vakantie te gaan. “Het zal alleen voor mij zijn,” zegt ze. Ik hoor een suggestie in haar stem die een invitatie inhoudt. Een trip naar het zuiden van Frankrijk en elke weken met haar in de zon, terwijl haar man elders is.

        Het loopt op een dag verkeerd af, daar vrees ik voor. Hij zal geen vuurwapen in huis halen, dat belooft ze. Maar — zo denk ik — er zal wel een keukenmes zijn. Soms volstaat een keukenmes.
        Mijn verbeelding maakt soms overuren.
        We zitten de dag erop weer samen, nu op een terras in een winkelcentrum. “Ik ben niet jaloers op de jeugd,” zegt ze. “Het allemaal opnieuw moeten doen, lijkt me geen goed idee.”
       “Niemand krijgt die kans,” zeg ik.
        “Wat? Een tweede jeugd? Een tweede leven? De eerste keer wisten we niet waarmee we bezig waren. We hadden nergens een idee van. Denk je niet dat we recht hebben op een tweede kans?”
        “Jammer genoeg werkt het leven zo niet,” zeg ik. “Daarom is spijt over wat we gemist hebben zinloos.”
        “Onze wil verandert wie wij zijn,” zegt ze.
        “Alleen voor wat de toekomst betreft.”
        Daar zit ze even over na te denken. Maar morgen komt haar man terug thuis, en ze belooft hem opnieuw eeuwige trouw.

        Na elke afspraak, elke ontmoeting, passeert deze gedachte: ik zie haar niet meer terug. Dit was de laatste keer. Maar dat definitieve afscheid hebben we nog niet gehad.
        De Dow Jones zakt, de hausse is voorbij. Er is weer veel geld verdiend. Het systeem wordt steeds vetter. Jones daarentegen blijft een slanke kater. Hij weet dat hij negen levens heeft, maar ook daaraan komt een eind, en misschien is dit al nummer negen.
        Ik hoor enkele dagen lang niets van Astrid. Pas na een week duikt ze op, zomaar in de straat buiten mijn flat, alsof ze precies weet wanneer ik buiten kom. Ze kijkt in mijn geest, zoveel is zeker, of Jones is haar spion. Dat laatste is beslist een mogelijkheid: hij bekijkt mij al enkele dagen met zo’n indringende blik.
        “Weet je,” zegt ze, “dat de hoofdbibliothecaris van de Nationale Bibliotheek in Buenos Aires een oudere, blinde man moet zijn? Is wettelijk zo vastgelegd. Ter ere van Jorge Luis Borges, die ooit deze functie had.”
Ze vervolgt: “Ik weet zo van die dingen, waar geen mens verder wat aan heeft.”
Vanochtend lijkt ze me melancholisch. Misschien heeft het met het licht te maken. Ze draagt ook geen make-up, wat ze anders wel doet. We drinken een cappuccino op een terras waar voornamelijk jonge mensen komen. Dit is een stad van jonge mensen.
“Hij komt elke keer terug,” zegt ze. “En ik kijk daar niet naar uit. Het is alsof hij een vreemde geworden is, die alleen maar op bezoek komt. Een huurder. Een man in het lichaam van een ander.”
“Jullie zijn uit elkaar gegroeid,” zegt ik. Ik laat het klinken alsof ik haar wil troosten. Al bij al mag ik haar wel, maar ik ga me niet te vast aan haar binden.
“Wanneer hij op reis gaat, verwijdert hij zich steeds verder van mij,” zegt ze. “Elke keer lijkt het alsof hij méér en méér een vreemde wordt.”

Ik weet niet wat te zeggen. Misschien beseft ze het niet, maar is hun huwelijk voorbij. Hij heeft een ander, en ze neemt signalen waar bij hem waarvan hij zich niet eens bewust is. Dat zij hem ontrouw is, lijkt voor haar geen rol te spelen. Maar dat is wél het geval. Zij heeft evengoed afstand van hem genomen, door een verhouding met mij aan te gaan.
Niet dat ik me schuldig voel.
Waarom zou ik me schuldig voelen?
Het is haar keuze. Het is altijd haar keuze geweest.


Ze belt me. Het is half vijf in de ochtend. “Hij is weggegaan,” zegt ze. Ze klinkt ontzet. Ze heeft misschien gehuild, en zo ken ik haar niet. Misschien, alles wel beschouwd, ken ik haar helemaal niet. Nu is Jones ook wakker: hij sluipt om mijn bed heen. “Je bent alleen?” vraagt ik. Het is een absurde vraag, want wie zou er bij haar zijn? Is er iemand bij haar, waarom zou ze me dan bellen?        Een vraag die geen antwoord vereist.
        “Kun je komen?”
        Ik kan. Maar of ik het ook wil, is een kwestie van overwegen. Ik weet zo weinig over haar, en nog minder over hem of over hun verhouding. Er is een val waarin ik trap, op z’n minst een emotionele. We hebben het altijd leuk samen gehad, en ze was steeds aangenaam gezelschap, maar nu moet ik haar problemen oplossen. Daar rekende ik niet op. Er is een reden waarom ik zelf geen vaste relatie heb, of die niet wil. Vroeg of laat moet je de scherven oprapen. Daar kun je niet omheen.
        Jones klaagt. Hij wil slapen.
        Ik ook.
        De stad is stil en fris, al komt het verkeer in de verte op gang, ook op dit onwaarschijnlijke uur. Ik ga te voet, het is uiteindelijk niet ver en zo kom ik bij haar aan met een frisse kop. Ik bel aan. De zoemer zoemt en ik kan meteen naar boven. De deur van haar flat staat open. Ze zit in de keuken bij een kop koffie. Ik heb de deur van de flat weer gesloten, en zit nu neer naast haar. Ze staat op en maakt mij ook een koffie, en zit dan weer neer. Het is bijna een huiselijk tafereel, maar dat zal het tussen ons nooit zijn. Huiselijk. Dat lukt nooit. Wat ik onder huiselijk versta, is waarschijnlijk niet wat zij in gedachten heeft.
        “Komt hij terug?” vraag ik. Tegen beter weten is, eigenlijk, maar ik weet niet hoe ernstig de ruzie of de scheiding is.
        “Ik ben hem lang geleden al kwijtgeraakt,” zegt ze. “De man die hier de voorbije maanden kwam, was iemand anders.”
        “Jullie zijn van elkaar vervreemd,” zeg ik.
        “Nee, hij is werkelijk iemand anders. Hij lijkt op mijn man, heel sterk zelfs, maar hij is het niet. Ik begrijp niet dat ik me al die maanden door hem in de luren liet leggen, terwijl ik eigenlijk béter had moeten weten.”
       Haar verhaal is onwaarschijnlijk. Waarom zou iemand zich als een bijna perfecte kopie van haar man vermommen?
        “Misschien moet ik ermee naar de politie,” zegt ze. “Het is waarschijnlijk een misdaad.”
        “Laten we nog even wachten met de politie,” sus ik haar. Zo dadelijk doet ze domme dingen. Iets anders verontrust me. “Hij is toch wel degelijk vertrokken,” zeg ik. “Ik bedoel: hij hangt toch niet in de buurt rond, met kwade bedoelingen?” Mijn vraag is absurd, want ze kan dat niet weten. Ze kan niet weten wat haar plannen zijn.
        “Hij weet niet van ons,” zegt ze.
        Of zo vermoedt ze. Ze vermoedt dat haar man niet weet van onze verhouding. Hoe kan ze dat weten? Hoe heeft ze die zekerheid? Die heeft ze niet, en dus moet ik op m’n tellen passen. Zo’n jaloerse echtgenoot is tot heel wat in staat. Geen relatie is mijn leven waard.
        Ze kijkt me aan. “Soms twijfel ik ook aan jou,” zegt ze.
        Daar kijk ik van op. “Wat bedoel je? Waarom twijfel je aan mij?”
        “Jij bent jezelf niet,” zegt ze. “Je lijkt het wel, maar vanochtend… Wel, het zal aan het licht liggen. En aan wat ik meemaak.”
        “Ik wil wat voor je doen. Of is er iemand anders die je bij je wil hebben?” Ik heb geen idee van familie, vriendinnen, collega’s, wat dan ook. Ben ik de enige andere in haar leven? Leef ze sociaal geïsoleerd? Heeft ze iedereen verstoten, heeft ze iedereen van zich vervreemd? Ik besef dat ik zo weinig van haar weet. Mijn belangstelling ging alleen maar uit naar ons beiden, onze relatie, onze veel te oppervlakkige gesprekken, onze vrijpartijen.
        De prijs die ik betaal om te zijn wie ik ben, is dat ik mensen niet te dichtbij laat komen.
        Haar probleem is van een andere aard.
        We spreken af dat we elkaar die avond nog zien. “Kan ik je alleen laten?”
        “Ik doe geen domme dingen,” belooft ze.


Jones twijfelt aan mijn oprechtheid. Hij krijgt elke dag zijn voedsel, waarvan ik vijf variaties in huis heb. Hij deelt nooit het mijne. Dat is niet goed voor katten: ze verdragen eigenlijk geen menseneten. Zeker geen melk. Maar soms klaagt hij wanneer ik mijn eten klaarmaakt.
        De Dow Jones ziet er niet goed uit. Het middagjournaal vertelt van investeerders die uit het raam van hun kantoor springen, wat ik een laffe oplossing vindt, want de familie kan de problemen daarna zelf oplossen. Enkele fortuinen worden gestaag kleiner, andere groeien.
        Die avond eten we in een restaurant niet ver van haar flat. Ik vind dat geen goed idee, wil zoveel mogelijk afstand tussen mij en de plek waar haar man kan komen. “Hij is echt wel wég,” zegt ze. “Wat is er met jou aan de hand?”
        “Wat is er met mij aan de hand?”
        “Je ziet er anders uit.”
        “Dat zei je vanochtend ook. Toen zal het aan het licht gelegen hebben. En aan je emoties.”
        “Nee, echt,” dringt ze aan, en ze stopt met eten. “Je bent een andere man dan diegene die ik ken.”
        Dit verontrust me. Er is iets aan de hand, want ze meent het ernstig. “In welk opzicht ben ik anders?”
        “Ik weet het niet. Dat is het gekke. Ik kan niet echt zeggen waar de verschillen zitten met wat ik me herinner. Maar het is… anders.”
        “Ik kan je ervan verzekeren dat ik nog altijd dezelfde ben.”
        “Maar dat zou je dan ook zeggen, toch?”
        “Wat bedoel je?”
        “Als je iemand anders bent dan de man die ik de voorbije maanden heb leren kennen, dan zou je me toch ook proberen te overtuigen dat er niets aan de hand is? Je zou toch niet zeggen: ik ben niet die man, ik ben een bedrieger, een invaller, een substituut, een…”
        Ik leg vork en mes neer. We zitten in een hoek, een eindje van andere gasten vandaan. Niemand let op ons. “Je zegt hetzelfde over je man. Dat hij… Dat hij iemand anders geworden is.”
        “Hij is niet iemand anders geworden,” zegt ze met nadruk. “Net zomin als jij. Er is iemand in jullie plaats gekomen. Iemand die lijkt op de man die ik leerde kennen. Uitzicht, stem, gebaren. Helemaal hetzelfde, oppervlakkig althans. Maar jij bent hém niet. Jij bent hier in zijn plaats gekomen. Als iemand die jullie huid draagt. Waarom doen jullie dat?”
        Dit wordt ernstig, besef ik. Er is iets aan de hand met haar, en waarschijnlijk is haar man daarom vertrokken, omdat ze hem niet meer wilde herkennen.
        Het is een afwijking, meen ik. Ze heeft hulp nodig. Hulp die ik haar niet kan bieden.
        Wat een vreselijke gedachte.
        “Heb je dat ook met andere mensen — buiten mijzelf en je man? Hoe je opeens merkt dat ze niet meer… dat er iemand voor hen in de plaats is gekomen?”
        “Ik heb niemand anders,” zegt ze.
        Ik weet niet meer wat te zeggen. Ze eet niet meer. De ober blijft gelukkig uit de buurt. Ik wil geen scène. Ik wil haar terug naar haar flat brengen, en misschien moet ik een dokter bellen. Ze is overspannen, depressief, en ze lijdt misschien aan waanvoorstellingen. Dat is vreselijk, maar er moet wat aan gedaan worden.
        “Ik reken af en ik breng je terug naar je flat,” zeg ik. Daarna, denk ik, zien we wel. De dokter en zo.
        “Jullie zijn gewoon allemaal vijanden,” mompelt ze.
        “Ik kan je ervan verzekeren,” zeg ik, “dat ik je vriend ben. Maar je hebt hulp nodig.”
        Ze laat zich zonder problemen naar haar flat brengen. Daar installeer ik haar in de fauteuil. Geen alcohol, dat heeft ze in haar conditie niet nodig. Moet ze zelfs vermijden. Ik ken een dokter, en bel die. Hij zegt dat hij meteen komt, omdat hij mij kent en weet dat ik niet zomaar voor een prul bel. Hij is er binnen een uurtje, belooft hij.
        “Misschien moet ik toch je man ook bellen,” zeg ik, eigenlijk tegen beter weten in.
        “Nee,” zegt ze.
        “Je kunt hier niet alleen blijven. De dokter komt zo meteen, maar daarna ben je hier alleen.”
        “Alleen ben ik veilig,” zegt ze.
        Behalve voor jezelf, denk ik.
        In de flat, zo merk ik nu, hangt een vreemde geur. Een onaangename geur, die ik niet herken. Heeft ze voedsel te lang laten liggen op het aanrecht in de keuken? Mensen verwaarlozen soms hun hygiëne. Zeker wanneer ze depressief zijn.

        Ik kan beter wachten op de dokter. Daarna zien we wel.
        Maar de geur verontrust me. Misschien kan ik iets doen, nu ik hier toch ben. Opruimen. En dan een paar ramen openzetten. De boel verluchten.
        Ik laat haar achter in het salon en vindt de keuken. Daar is de stank scherp en pertinent. Maar er ligt geen voedsel op het aanrecht. Er is wel bloed, in de (link, wasbak), en enkele druppels op de kast eronder, en enkele vegen op de vloer. Ze heeft geprobeerd het op te kuisen.
        Ik probeer de bron van de stank te vinden, terwijl ik het raam opengooi. Er is een grote kast achterin de keuken. Daar liggen nog wat druppels bloed. Ik verwacht het ergste. Ik hoop op het beste.
        Wat in de kast hangt, is geen pak. Wat in de kast hangt, moet haar veel moeite gekost hebben. En anatomische kennis. En zoiets als een scherp mes. En doorzetting, dat ook. Ik vraag ze af wat ze met de rest gedaan heeft, de beenderen, de schedel, de ingewanden. Want dit is alleen de huid. Dit is wat de mens draagt aan de buitenzijde. Dit is het pak. Dit is waarmee we ons vermommen. Dit is ons hele uiterlijk. Dit is wat ze wilde verwijderen, om uit te zoeken welke mens daaronder schuil ging.

        Dit is wat er overblijft van de vijand.
        Dit is wat ze ongetwijfeld ook met mij van plan is.
        En dus zal ik meteen alle messen uit de keuken verwijderen. Misschien heeft ze er elders verstopt. Scalpels, fileermessen, wat dan ook. Ik zal proberen ze allemaal te vinden. Want ik wil niet dat ze mijn ware aard ontdekt. 


© Guido Eekhaut







dinsdag 19 oktober 2021

Director's cut - Patrick Auwelaert

Haar beeld drukt hem met de neus op het raadsel

glas. Knipt zij het licht aan, wordt de spiegel
aan zijn kant een venster op haar lichaam,
het venster aan haar kant een spiegel

die haar afsluit van zijn silhouet. Zijn stem
alleen dringt nog tot haar door, als gedubd.

Geen hand van herinnering raakt haar aan.
Haar verleden: een vraagteken geplaatst
achter de vergeten zin van haar bestaan.

Haar toekomst: een krijtstreep in de regen,
een tekst neergepend met kleurloze inkt.

Daar klinkt zijn stem weer, een voice-over
bij de trillende still van haar gestalte.
Haar verweer is zwak. Zij knipt het licht uit

en wordt nabeeld, zwaar wegend op zijn blik.


© Patrick Auwelaert


Dit gedicht werd door Patrick Auwelaert geschreven bij een scène uit de film "Paris,Texas" uit 1984 van Wim Wenders. Zie de still uit de film hieronder met Nastassja Kinski.

 




zaterdag 16 oktober 2021

Modaliteit #3 - Levi Jacobs

Ik ben er niet. Je kan zogezegd door me heen kijken. Of denken. Ik ben uitermate geschikt in ontbreken.
        houding is belangrijk, maar ik heb geen rug om rechtop te zitten
        een loze graat
        geen haar op mijn hoofd
        er is niet genoeg tijd om te zeggen wat ik niet heb
Ik heb ook geen tong. Laat staan taal om me in uit te drukken.
         het verschil zal ik dan ook niet maken
         hoewel ik soms word aangesproken, gewoon, door de taal zelf, dan zegt de taal: ‘hé, jij daar.’
En dan ben ik er even. Zoals nu.

© Levi Jacobs

Een van de ZKV's (Zeer kort verhaal) die Levi Jacobs schrijft.

Levi Jacobs woont in Den Haag. Hij schrijft korte verhalen die o.a. in De Gids, Deus ex Machina en literair tijdschrift Liter zijn verschenen. 

 

 

vrijdag 15 oktober 2021

Modaliteit #2 - Levi Jacobs

Modaliteit #2
opmaat of aftocht


       Ze staat op één been. Haar linkervoet verstopt zich in een sok. Een zwart jurkje snijdt haar bovenbeen in tweeën. Ze staat duidelijk op het punt van aan-, of toch uitkleden?
      blijkbaar is er veel aan dit moment voorafgegaan, want ze staart me aan met een blik van dit hadden we afgesproken
      toch?
      wist ik het maar!
      voor hetzelfde geld loopt ze zo de deur uit
      of
      bedenkt ze zich
      ik zou moeten weten waar ik het naar gemaakt heb
Haar voet in de sok. Ze neemt er wel de tijd voor, mijn doodstille verbeelding op één been.

© Levi Jacobs

Een van de ZKV's (Zeer kort verhaal) die Levi Jacobs schrijft.

Levi Jacobs woont in Den Haag. Hij schrijft korte verhalen die o.a. in De Gids, Deus ex Machina en literair tijdschrift Liter zijn verschenen. 

 

 


 

 

 

vrijdag 8 oktober 2021

Bij tij en ontij - Toon Vanlaere

De val is uit het vangnet gescheurd. Met hangende poten
bijt de hond zich in zijn hoest vast. Jij diept potten uit
met pollepel en spatel.

Er ligt een mijnenveld in onze tuin. Brokstukken van
een uitkijktoren zoeken onder de grond hun binnenkant op.
De oorlog lekt uit zijn hulzen. Een koperen muntstuk

koopt zijn vinder om. Tussen je vingers is de aarde grijpbaar.
Je koestert de gevarenzone. Elk ogenblik kan er iets afgaan.
Een eierschaal kraakt in haar voegen.


© Toon Vanlaere

Uit: ‘Schreeuw mijn aarde’, de vijfde bundel van de dichter
die op vandaag vrijdag 8/10/2021 wordt voorgesteld.

Meer info via dit Schaal van Digther-bericht


donderdag 7 oktober 2021

Hechting - Toon Vanlaere

De aarde: dakloze en straatventer.
Klamme, lege hand. De kosmos
bedelt. Met de beste bedoeling

raakt de bodem uit ons niet meer weg.
Akkers die landlopers willen aanklampen.
Aarde die onder een huid wil kruipen.

We vergeten de wegcode bij gebrek aan een uitzicht.
Ik had aardwoorden. Ze werden ingetrokken
nog voor ze werden uitgesproken.


© Toon Vanlaere

Uit: ‘Schreeuw mijn aarde’, de vijfde bundel van de dichter
die op vrijdag 8/10/2021 wordt voorgesteld.

Meer info via dit Schaal van Digther-bericht


woensdag 6 oktober 2021

Aderen in zaad - Toon Vanlaere

We zijn het aaien verleerd. Met droge ogen
wrijven we zaad tussen onze handen tot een wonde.
Het oerbegin van zaaien: kijken wat het sterkst is,

de huid of het zaad. Een ijzeren wet:
wat het eerst bloedt, zal niet overgaan.
Als de grond maar gloeit en de zaaier

op blote voeten zijn stappen telt.
Aarde, ik loop met pezen uit jouw hiel.
Mijn aderen zitten tussen aardlagen gekneld.


© Toon Vanlaere

Uit: ‘Schreeuw mijn aarde’, de vijfde bundel van de dichter
die op vrijdag 8/10/2021 wordt voorgesteld.

Meer info via dit Schaal van Digther-bericht


dinsdag 5 oktober 2021

Schreeuw mijn aarde - Nieuwe bundel van Toon Vanlaere

Komende vrijdag 8 Oktober 2021 wordt in het West-Vlaamse Pittem waar de dichter ook woont en werkt, de nieuwste bundel van Toon Vanlaere voorgesteld. Schreeuw mijn aarde is de titel en de bundel wordt met de bekende passie voor poëzie uitgegeven door Uitgeverij P

Eerder verschenen van deze dichter bij Uitgeverij P al de bundels "Notaris van de kleine akker (2000), De rok van de archeologe (2006), Menigte (2012) en Op een rand van elkaar (2015).

'Schreeuw mijn aarde' is een bundel geworden op het scherp van het bestaan. Werk van een ouder geworden dichter die niets of niemand ontziet; en daarbij zeker zichzelf niet uit de weg gaat.

De voorstelling gaat op vrijdag 8 Oktober 2021 om 20:00 u. door in 'De Blekerij', Hoogrokersstraat 6, Pittem. Er is muziek van harpist Luc Vanlaere. Björn Soenens zegt vanuit New York iets over de bundel en Digther-redacteur Paul Rigolle is inleider van dienst.

De meer dan sprekende cover is het werk van plastisch kunstenaar Paul de Doncker.

Vanaf morgen t.e.m. vrijdag publiceert DSvD in voorpublicatie drie gedichten uit de bundel.

(P.R.)
 











maandag 4 oktober 2021

Poëziepad van A tot Z-Editie 2021-De uitreiking

Gisteren werd in Outrijve, een dorp dat wat ons betreft helemaal model kan staan voor alle lieflijke dorpen van de wereld, de poëzieprijs “Poëziepad van A tot Z” uitgereikt. Laureaat werd de Nederlandse dichter, Hans Rothuizen, die doorheen de plensregen helemaal vanuit Nijmegen naar dit adorabel stukje Scheldeland was afgezakt. Dit jaar was het thema ‘Halte’ en de curator van de wedstrijd en voorzitter van de jury was Joris Denoo. Andere juryleden waren: Lut de Block, Philip Hoorne, Karlijn Sileghem, Barbara Delft en op uitnodiging van de curator gastdichter Paul Rigolle.

Na de verwelkoming namens Marnixring door Piet Sileghem las Joris Denoo het juryverslag. Een greep daaruit: “Uit de indrukwekkende collectie van 182 poëtische haltemomenten plukte de jury, na grondige individuele lectuur annex gezamenlijk overleg, een primus. We riepen het gedicht ‘KV 466', een titel die verwijst naar een pianoconcerto van Mozart, van Hans Rothuizen uit Nijmegen uit tot winnaar. Deze mooie ‘muzikale’ halte, waarin muziek en landschap verweven worden, haalde het nipt van het donkerder getinte maar zeer gewaardeerde gedicht ‘Zonde van het leven’ van Etienne Colman uit Hamme, waar de jury ook erg van onder de indruk was. Op de derde plaats eindigde de gesmaakte inzending ‘Schelf’ van Frédérique Bijl uit Gassel.

Behalve de drie prijzen waren er nog een aantal andere gedichten die op een bijzondere manier de aandacht van de jury trokken en waarover gediscussieerd werd. Op die manier gingen er eervolle vermeldingen naar de navolgende dichters (in willekeurige volgorde): Ann Slabbinck, Mieke Thienpont, Nikki Petit, Katrien De Nil, Bob Boswinkel, Bo Vanluchene, B.P. Arend, Erwin Claeys, Hein van der Schoot, Hugo Verstraeten, Leen Raats, Nanny Luijsterburg, Patrick Cornillie, Wim Vandeleene en Johan Clarysse.

Ook hun gedichten staan afgedrukt in een verzorgde uitgave die zoals elk jaar door de organisator Marnixring ‘De Vlasschaard’ , bijgestaan door de gemeentes Avelgem (A) en Zwevegem (Z), en met het Poëziecentrum en Creatief Schrijven in steun, wordt uitgegeven. Het winnende gedicht werd – en dat is dan ook het bijzonder charmante van deze wedstrijd – mooi en deskundig ‘gematerialiseerd’ door Frederic Lietaer. Het gedicht van Rothuizen staat ongeveer ‘voor de rest van de dagen’ op het Fietsknooppunt nr 68 met Trimaarzate Av (zie foto). Dat van gastdichter Paul Rigolle met als titel ‘Jaagpad’ staat voor eeuwig en een dag, direct uit te kijken op de Schelde. En nog wel langs het Jaagpad, wat had je gedacht (Fietsknooppunt nr 71) (zie eveneens foto). De onthulling van de twee nieuwe Poëziepad-gedichten diende gisteren wel jammergenoeg door te gaan onder – dixit Nikki Petit, een van de eervol vermelde dichters - enkele forse voorbeelden van een ‘drache nationale’. Geluk mag dan in poëtische momenten zoals in het gedicht van Paul Rigolle ‘een jaagpad in de regen’ zijn, af en toe mag het gutsen van de regen toch ook wel ’s ophouden.

Gisteren werd tot slot van een fijne poëtische voormiddag door Philip Hoorne, die in 2022 als curator zal optreden, ook de komende editie van de wedstrijd voorgesteld. Als gastdichter koos hij Jan van meenen. De opdracht voor 2022 luidt: Schrijf een gedicht (1) met als thema “Je wordt geboren, je gaat dood, en de rest is gewoon tijdverdrijf”. Einddatum voor inzending: 3 maart 2022. Meer info volgt op onder meer de sites van Azertyfactor, Het Poëziecentrum en De Schaal van Digther.

In de komende weken plaatsen we hier, met bereidwillige toestemming van de dichters, ook de winnende gedichten van de drie laureaten van 2021.


Extern:
Poëziepad van A tot Z (Facebook-bladzijde)
Poëziepad van A tot Z bij het Poëziecentrum
Marnixring De Vlaschaard Avelgem-Zwevegem
Peter J.R. Vermaat op Meander over Hans Rothuizen
Etienne Colman
Frédérique Bijl
Philip Hoorne
Jan van meenen

Enkele foto's van de uitreiking:



















































































donderdag 30 september 2021

Tik tak - Frank R Renders

blijft de tak die buigt
een volwaardig deel

knikt of knakt hij
droomt hij nog

hoe hoog de kruin kan gaan

hoe diep de wortels sappen halen
krijgt hij evenredig veel

takken tobben niet
ze breken

of bestaan


© Frank R Renders


Uit ‘Sporen van rood’, de debuutbundel van Frank R Renders. Met tekeningen van Marieke Eggermont. De bundel wordt op 17 oktober 2021 (16u) voorgesteld in Cultuurcafé 'The Preacher' te Geraardsbergen. Met gastdichters Marleen De Smet, Hilde De Cock, Maurits van Liedekerke, Mario Demesmaeker en William Deraedt.
Muzikale tussenkomsten van Eric Martens en pianist (Gigant).

Sporen van Rood bij ‘EditiePajot’



woensdag 29 september 2021

Zomers weerbericht - Mark Meekers

het landschap vergaapt zich aan de wolken,
doorluchtig en voorbij. een minimaal verhaal.

amper voorgrond of verte, enkel zomerhitte,
graanveld en aarde. virtuoos in eenvoud.

zijn vrijgevochten hand rent weg van rede
en verstand, gaat met de grove borstel o-
ver de akkers, voor na voor, om het ritme
van aarde, de wellust van maairijp graan,
de adem die alles voortblaast vast te leggen.

hij pookt het licht op, zet het in reliëf.
het oerlicht aan de bron, meesterlijk in zijn
wisselvalligheid, met iets van altijd.

materie over materie, nat in nat,
tot de dreigende donderwolk er in al haar
vluchtigheid voor eeuwen lijkt te staan.

niets heeft vaste voet, alles
gaat onverstoorbaar voort met vergaan.

© Mark Meekers


Voorpublicatie uit ‘In het oog van de stilte’ van Mark Meekers, gedichten rond leven en werk van kunstschilder Jakob Smits (54 gedichten, 12 kleurenreproducties). De bundel, een uitgave van Uitgeverij P wordt op zaterdag 2/10/2021 om 15:00 u. voorgesteld in de Sint-Bernarduskerk van Mol Sluis (naast het Jakob Smitsmuseum). 

Inschrijven is verplicht en kan via contact@uitgeverijp.be.
Meer info: Uitgeverij P. en dit Facebookbericht van het Jakob Smits-museum

#jakobsmits #museum #jsmuseum #jakobsmitsmuseum #mooimol #visitmol #markmeekers #uitgeverijp #jakobsmitsleeftenhoe



dinsdag 28 september 2021

Verwoest dorp - Mark Meekers

een penseel heeft niet de snedigheid van
een bajonet. schreeuwende kleuren kunnen
niet op tegen het geblaf van Dikke Bertha’s.

de scheuren in de lucht niet te mazen met
ultramarijn. elk salvo slaat gaten in de vrede.
rood verbleekt bij zoveel onverdoofd slachten.
huizen en burgers ingestort, miserabel zoals
gekwetste wezens kunnen zijn.

de schilder wordt medemens,
legt het penseel opzij want verf vult geen
magen, schept soep. spichtige kinderen
zingen luidkeels van viva bomma.
hongerige wolven zijn de wrekers van morgen.

de hondsdolle wapens eindelijk uitgeraasd.
de kleuren klapperen vrijuit: zwart-geel-rood.

er zijn geen winnaars. nergens. nooit. enkel
mislopen minnaars van een verbrand vaderland.


© Mark Meekers


Voorpublicatie uit ‘In het oog van de stilte’ van Mark Meekers, gedichten rond leven en werk van kunstschilder Jakob Smits (54 gedichten, 12 kleurenreproducties). De bundel, een uitgave van Uitgeverij P wordt op zaterdag 2/10/2021 om 15:00 u. voorgesteld in de Sint-Bernarduskerk van Mol Sluis (naast het Jakob Smitsmuseum). 

Inschrijven is verplicht en kan via contact@uitgeverijp.be.
Meer info: Uitgeverij P. en dit Facebookbericht van het Jakob Smits-museum

#jakobsmits #museum #jsmuseum #jakobsmitsmuseum #mooimol #visitmol #markmeekers #uitgeverijp #jakobsmitsleeftenhoe



maandag 27 september 2021

Josine - Mark Meekers

het is of mijn schaduw weggesneden is.
elke dag praat ik nog met Malvina,
schreeuw tot de keien splijten, de vlam in
de lamp opfladdert als een angstig vogeltje.

het lot blijft doof. het is glimlachen tegen
scherven. soms geloof ik in een God met
grote oren, alhorend, die zin geeft aan mijn
bede “geef me…”

en plots treffen wij elkaar: dodelijk verliefd. 

jij zet mij zachtjes terug op de wereld. het is
zo’n dag waarop de dauw een zilversmid is,
we ons omarmd weten, van alles houden.

zo gelukkig om er bang van te worden.

ik pak elk uur met jou uit als een geschenk,
zing in al mijn vingers.
de kleuren zijn in ’n uitgelaten bui. eindelijk
kan ik met de dood weer door dezelfde deur.


© Mark Meekers


Voorpublicatie uit ‘In het oog van de stilte’ van Mark Meekers, gedichten rond leven en werk van kunstschilder Jakob Smits (54 gedichten, 12 kleurenreproducties). De bundel, een uitgave van Uitgeverij P wordt op zaterdag 2/10/2021 om 15:00 u. voorgesteld in de Sint-Bernarduskerk van Mol Sluis (naast het Jakob Smitsmuseum). 

Inschrijven is verplicht en kan via contact@uitgeverijp.be.
Meer info: Uitgeverij P. en dit Facebookbericht van het Jakob Smits-museum

#jakobsmits #museum #jsmuseum #jakobsmitsmuseum #mooimol #visitmol #markmeekers #uitgeverijp #jakobsmitsleeftenhoe



woensdag 22 september 2021

stilte - Francis Cromphout

het leven gaat oorverdovend verder
wij blijven achter, gestold in de stilte
met jouw beeld gekleefd op ons netvlies

losgerukte bloesemtak, knak in deze lente
je lichaam is uit je ziel getuimeld
neerwaarts nog éénmaal

je leed dat weggleed
wordt opgevangen
door het dons van ons verdriet
tot dit geruisloos uitgeraasd zal zijn
en jij voor altijd rust zal vinden binnen in ons


© Francis Cromphout

Voorpublicatie uit de nieuwe bundel 'Tijdscapsule'. Meer info via dit Digther-bericht.


dinsdag 21 september 2021

twee - Francis Cromphout

twee lichamen
die elkaar rakelings scheren
in de zee van nacht

fabrieksboten van de slaap

als zij onderduiken
maken bizarre kwallen
zich van hen los

zij stijgen naar het oppervlak
waar zij dobberen
ten prooi aan plukgrage winden

op de kust wachten geduldig
twee andere lichamen nog

zij bieden zich aan
gewillig
voor het smeltwerk van de zon

als zij samenvloeien
zijn zij vrij


© Francis Cromphout

Voorpublicatie uit de nieuwe bundel 'Tijdscapsule'. Meer info via dit Digther-bericht.


maandag 20 september 2021

eerste gedicht - Francis Cromphout

glijdend op het nachtwater zoals toen de maan
een lichtbaken achter de grote sprong

bij het raam, in de kille kamer, een jongen
hij kijkt verlamd toe
hoe de bol schuift en schuift
tot het volledig nacht wordt in zijn hoofd
en hij in het gedicht belandt
waarbinnen hij zich wakker droomt


© Francis Cromphout

Voorpublicatie uit de nieuwe bundel 'Tijdscapsule'. Meer info via dit Digther-bericht.


zondag 19 september 2021

'Tijdscapsule' van Francis Cromphout-De voorstelling

Francis Cromphout is al zijn hele leven lang actief als cultureel journalist en schrijver van romans en poëzie. Daarnaast waarderen velen in hem ook een gedreven muzikant-saxofonist. Cromphout schrijft in het Nederlands, Frans en Spaans. Zijn bekendste dichtbundel is wellicht ‘Als een pas vernielde stad’, verschenen in de legendarische Yang-Poëziereeks.
In 2017 publiceerde Cromphout de roman ‘Al die tijd hield de berg de adem in’ waaruit De Schaal van Digther een fragment publiceerde.
Nu nodigt Francis Cromphout de belangstellende lezer uit op de voorstelling van Tijdscapsule, zijn nieuwste dichtbundel, net als zijn roman een publicatie van Beefcake Publishing. De voorstelling gaat door op donderdag 30 september 2021 in de kapel van het oud O.-L.-Vrouwehospitaal te Oudenaarde. Aanvang om 20 uur.
Samen met gitarist Juri Cosman zorgt Francis Cromphout zelf ook voor de muzikale intermezzo's als duo Barrio Latino. Ze brengen Latijns-Amerikaanse songs en Franse chansons, maar deze avond vooral eigen nummers.

Wie niet aanwezig kan zijn op de voorstelling en toch de dichtbundel wil ontvangen kan u die bestellen door 15€ + 5€ (verzendingskost) te storten op de rekening BE12 2900 2472 2792 (Francis Cromphout “Tijdscapsule”) met de vermelding van uw adres.

In de nieuwe bundel speelt de dood van zijn dochter een centrale rol.

De komende dagen publiceert de Schaal van Digther in voorpublicatie drie gedichten uit de bundel.

Extern:
Recensie ‘Al die tijd hield de berg de adem in’ (André Oyen)
Al die tijd hield de berg de adem in (fragment bij Digther)
Francis Cromphout bij De Schaal van Digther
Beefcake Publishing
Blog Francis Cromphout (Frans)

donderdag 9 september 2021

Poëzie blijft voor het leven

Over ‘Woestijnzucht’ van Geert Jan Beeckman 

Wie de bundel ‘Woestijnzucht’ van Geert Jan Beeckman bij een eerste kennismaking oppervlakkig doorbladert, zal wellicht de indruk krijgen dat er hier gedichten te lezen staan

waarin reisindrukken worden verwoord. Maar van zodra het boek wat geconcentreerder wordt benaderd, wordt het duidelijk dat er meer aan de hand is. Dat wordt al aangebracht in het citaat van Rilke dat de bundel opent: ‘Er is maar één reis/de reis naar binnen.’ Deze bundel speelt zich af op de tweespalt tussen een binnenwereld en een buitenwereld. Ze worden beide geëxploreerd. Ze assimileren elkaar. Ze reiken elkaar de hand in de taal. Een buitenwereld wordt getoetst aan een binnenwereld en vice versa. Elke geëvoceerde plek houdt een verkenning van een innerlijkheid in.

Met deze bundel situeert Beeckman zich als een dichter voor wie de poëzie een pelgrimage is, een zoektocht - die de vorm van een (zelf)bevraging aanneemt - naar betekenis. En meestal is in dit soort poëzie die betekenis te vinden in de zoektocht zelf: waarmee de betekenis open en weifelend blijft. De betekenis van de weg die in deze reeks gedichten wordt afgelegd zou dus de weg zelf kunnen zijn. Ik laat hier bewust wat Taoïsme in doorklinken want ik sluit niet uit dat die weg, in brede zin, ook een spirituele weg zou kunnen zijn. Er is dus geen sprake van een of andere specifieke bestemming: enkel van ‘verplaatsingen’, van beweging. Waarmee de beweging van de tijd wordt meegerekend. De gedichten zijn verwoordingen van het proces dat de verplaatsingen, beweging en tijd teweeg brengt. Ze geven fases aan, het zijn onderdelen van wat zich aan het ontwikkelen is. In deze bundel meen ik die ontwikkeling als volgt te onderkennen: het vertrek, de tocht, de doortocht, de overtocht. In die overtocht blijkt er zich toch zoiets als een ‘aftiteling’ voor te doen: een finale stilte en leegte.

Het openingsgedicht ‘De eerste voorwaarde’ stipuleert de modaliteit of de nodige ingesteldheid voor iemand aan de ‘reis’ begint. Er worden repetities gehouden: ‘Wij denken lezen en schrijven stelt alles voor’. Er moet een verlangen zijn naar verte (dat later in de bundel ‘Woestijnzucht’ zal worden genoemd): ‘de kop die wij opkijken/is er voor verte in het hoofd’. Verte, gedachten, dromen worden in het boek terugkerende stramienen, telkens in andere contexten geplaatst. Ze werken de grote en open meerduidigheid van deze bundel in de hand. In de eerste cyclus worden voorbereidingen getroffen, plannen gemaakt, dromen uitgewerkt. Het wordt de reis van iemands leven. Hij of zij ‘vult de bagage met sterrenbeelden/voor alles wat werkelijk kan’. Voor het vertrek wordt afscheid genomen van het huis in het opvallende vierluik ‘Het huis blijft achter’. ‘Stap uit de toeloop van de laarzen’ wordt ons geadviseerd. ‘Begraaf nu de manieren van leven’. Je moet ‘uitvouwbaar’ blijven. Je zo deconditioneren dat er vrije ruimte ontstaat, dat er ruimte wordt toegestaan ‘voor alles wat werkelijk kan’ en voor wat later in de bundel als ‘andere werkelijkheden’ wordt omschreven. En dat impliceert andere manieren van denken. De muren van het vertrouwde worden gesloopt. Wie het huis verlaat, begeeft zich in het ongewisse dat door de dichter als ‘wit’ wordt aangewezen.

Deze deconditionering begint zich langzaam te voltrekken in de tweede cyclus ‘Plaats en tijd’. ‘Wie in zijn hoofd ontstaat laat zich door rust/verplegen al zijn dat zijn geen manieren van leven’. De cyclus vangt aan met het gedicht ‘Puri Rinjana’. Volgens wat google me vertelt zou dit een vakantiepark in Indonesië zijn. Een typisch reisgedicht (maar het wordt het enige in de bundel). Een prentbriefkaartje, charmant, zorgeloos. Er wordt een ‘zee van tijd op iets losgelaten’. Enkel buitenwereld dus, waarbij de binnenwereld tot een milde gemoedstemming beperkt wordt. Maar binnen de cyclus komt daarin al een kentering. Zo onder meer in het gedicht ‘Josfov, Praag’. Een slotrede aan een onbekend graf. Er is hier van tijdloosheid geen sprake meer. Veeleer van het temporele, het anonieme (waarmee het blijkt dat we als figuranten in ‘de stomme film van het passeren’ blijken): ‘Duizend keer op de wereld geregend/worden wij een ruïne van tijd.’ Een besef dat gaandeweg in de bundel steeds beklemmender zal worden.

En ook het poëtische wordt gerelativeerd: ‘ook woorden opgezocht in schoonheid/worden weerloos en wak. ’ Overigens is er in al deze gedichten een grote laag aan een metapoëtisch discours aanwezig. Met de tocht wordt het gedicht geschreven. De tocht is het gedicht. De tocht is een metafoor voor het schrijfproces. De buitenwereld is de schriftuur van de binnenwereld: ‘Omdat het uitzicht zo goed is in schrijven’. Het woord speelt hierbij een centrale rol. In het gedicht ‘Ten huize van Rimbaud’ wordt de grote meester geëerd. De woorden worden aanroepen: ‘woorden richt je op de aarde/de schedels het model dat voor altijd heeft bewogen.’ In dit citaat worden we geconfronteerd met het stilistische eigen van Beeckman: het zoveel mogelijk weglaten van interpunctie op het punt na. Geïsoleerd ving ik wel eens een eenzaam deelteken en vraagteken op. Het schrappen van de komma e.d., gecombineerd met een regelafbreking zorgt voor storingen binnen de syntaxis waarmee meer interpretaties de kans krijgen. Of waarmee interpretatie zich niet meteen laat vangen en zelfs aan de lezer kan ontsnappen. Beeckman houdt dit goed in de hand. Af en toe laten de regels op die manier binnen de zinsbouw ‘plooien in het spreken’ na. Nee, nieuw of vernieuwend is dit niet, maar Beeckman gaat er vakkundig en intelligent mee om, met een hem typerende subtiele touch.

Het lijkt soms dat het niet de dichter is die de woorden begeleidt maar dat het de woorden zelf zijn die de wegen binnen het gedicht uittekenen. Het zijn de woorden die het gedicht tot beweging dwingen. De woorden zijn het kompas van de dichter.

In de volgende cyclus worden we geconfronteerd met wat ik hierboven als ‘andere werkelijkheden’(titel van deze cyclus) duidde. ‘Kijken’ - een voortdurend terugkerend begrip – wordt geproblematiseerd. Een kijken dat een zien wordt. Hier denk ik onvermijdelijk terug aan Rimbaud voor wie de dichter een ziener moet zijn. Mits hij in staat is tot een ontregeling van alle zintuigen: le dérèglement de tous les sens. Zien als fysieke beleving. Zien ontwaart meer dan kijken: ‘Kijk een gedicht kijkt de wereld bloot’. Zien: ‘Een gedicht kan dat beter beschrijven’. Zien is geen statisch kijken maar een kijken metterdaad. Het aanwezige zichtbare en het vermoedelijke onzichtbare, het metapoëtische en het metafysische, het woord en de stilte vloeien in elkaar samen.

In deze complexe en geschakeerde reeks vol schaduw, winter, tijdsbesef en verweesdheid wordt de vraag gesteld naar wat gedichten vermogen: ‘Troost bieden met wit./Wonden genezen met zacht./Een gebied leggen rond navelstrengen./ Hoe ze ook dieren het zwijgen opleggen.

Het zien wordt verder uitgediept in de cyclus ‘Kijken tot je het ziet’. ‘In een verte zien/wat men ons niet laat weten. ’ Zien is verte exploreren. Deze tocht leidt ons langs een landschap (Andalusia) en brengt drie schilderwerken (één van de Staël, twee van Hopper) in het vizier. ‘In de verf verdwijnt de tijd schreef de dichter’. Vooral desoolaatheid en het tijdelijke worden in deze gedichten beklemtoond: ‘Wat reist er behalve tijd nog door hun kamer?/Elke vraag vult weglating aan./ Elke eenzaamheid blijft uit verte bestaan./Wat het minst te zien is valt het meest te raden.

Kwantitatief gesproken vormt de cyclus ‘Woestijnzucht’ de hoofdmoot van de bundel en is er de diepste grondtoon van het geheel in terug te vinden. De tocht gaat ‘eeuwige richtingen’ uit. Men gaat ‘op weg naar nergens’ en men vraagt zich af: ‘Wat weten we over wat we blind volgen’? We bevinden ons midden in het ongewisse, een niemandsland, het thuisverblijf van lacunes. ‘Een buitenpost’, ‘Voorbij de huizen’: titels van gedichten die voor zichzelf spreken. Landschappen, uitzichten: waar de dichter is aanbeland, valt er weinig te communiceren: ‘Wij weten niet hoe wij met de inwoners/moeten praten. ’ Leegte, schraalheid, verwijdering: ‘Breng mij geen mensen zei de vlakte’. (Een versregel die me het gedicht ‘Winter te Schilde’ van Maurits Gilliams in herinnering bracht.) Het tijdsbesef staat hier op zijn scherpst. ‘Wie woorden neerzet/ziet ze leegwaaien sneller dan het schreeuwen/tegen de tijd in’. De tocht kantelt tot een doortocht in de tijd: de doortocht is de tijd, een doortocht naar de nachtzijde, het eroderende, het vergankelijke, de entropie toe: ‘oude gestrande muziek restvuur/van ceremoniën en karkassen/zij verzamelen veel dood.

Foto’s van de dichter horen bij deze reeks gedichten. Ze zijn niet illustratief, ze vertonen in hun sober- en somberheid verwantschappen met de gedichten. Maar is somber het woord dat hierbij past? Veeleer suggereren deze foto’s perturbaties, vervreemding, onrust. Het is de menselijke afwezigheid die erin opvalt – op een halve selfie na. Ook op de voor- en achterflap kwamen er foto’s die de dichter nam terecht. Al is die op de voorflap bijzonder donker. Ook hier geldt ‘kijken tot je het ziet’.

Na deze zucht slaat de bundel om tot een treurzang, zoals blijkt uit de elegische cyclus ‘De overtocht’ waarbij Beeckman zich behoedt voor al te riskante beladenheid. ‘Zie vandaag hoe morgen gisteren wordt/en sterf.’ De dichter maakt zelf de conclusie over waar de zoektocht op uitmondde: ‘Ik doe iets wat lijkt op het zoeken/naar de hersenstam van de dood zelf. ’ Het laatste gedicht de ‘aftiteling’ kan beginnen: ‘Elders is zoals elders het zelfde/dus laat de gedichten hier eindigen/het is wat het is/als noodzaak te pijnlijk voor taal/als huis te leeg voor bed stoel/en tafel.

Met deze mooie bundel brengt Beeckman een met vele motieven doordesemde en gestructureerde compositie. Ik bracht hier niet alle motieven te berde. De bundel is heel breed, in geen geval oppervlakkig en vraagt om meerdere lezingen zoals dat moet zijn bij goede gedichten. Het is vooral de wijze waarop hij gewetensvol over het wezen van de poëzie reflecteert dat mij heeft aangesproken. Hoe hij waakt over al te apodictische uitspraken in verband met poëzie. Voor Beeckman is poëzie gelijklopend aan het bestaan: het is het bestaan zelf. Poëzie en leven : ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze vormen een pact: ‘het is de som van de plek/het huis dat op geluk past/hoe poëzie de bestemming naar je toe haalt’. Zijn poëzie heeft iets van een heroïsche daad – het is verweer en uithouding, ‘Een laatste plooi voor je van de wereld valt. ’ Er is in dit geval voor het gedicht één zekerheid die overeind blijft: ‘Maar de dood zorgt dat het poëzie blijft/voor het leven.


© Alain Delmotte

WoestijnzuchtGeert Jan Beeckman – uitgeverij P, Leuven, 2021 ISBN 978 94 93138 41 4

Geert Jan Beeckman - Foto © Christophe Ywaska