maandag 8 augustus 2022

Beminde - Achilles M. Surinx

Bij het gelijknamige boek van Toni Morrison

Jij bent mij mooier dan de zon.
Jij bent mijn levend licht,
mijn warmte, mijn tegenwicht.
Jij bent mij zachter dan zijde.
Jij bent het die mijn naaktheid
dekt. Jij bent mijn muziek,
mijn stilte, mijn slaap, mijn droom.
 
Jij bent mij zwarter dan de nacht.
Jij bent mijn vlammende vloek,
mijn dodenkar, die wakker wacht.
Jij bent mij heter dan het vuur.
Jij bent het die mijn ijzeren handen
smeedt. Jij bent mijn verre land,
mijn storm, mijn stof, mijn as.
 
Jij bent mij dichter dan de dood.
Jij bent mijn vroomste brood,
mijn bestaan, mijn wilde waterval.
Jij bent mijn glinsterend kristal.
Jij bent het die mijn twijfels
breekt. Jij bent mijn eeuwige echo:
mijn vrees, mijn hoop, mijn zijn !


© Achilles M. Surinx  
Leeskring Lectura


zaterdag 16 juli 2022

Zeef Poëzieprijs-Editie 3

De "Zeef Poëzieprijs" is aan haar 3° editie toe! De prijs is en blijft één van de interessantste poëzieprijzen voor debutanten! En Uitgeverij De Zeef een bijzonder publicatieforum voor 'beginnende' dichters.
Winnaars van Editie 1 en 2 waren  Mahlu Mertens ('Ik tape je een bed') en Kenneth Swaenen ('Witte Dwergen').

Bezoek www.uitgeverijdezeef.be om je in te schrijven voor deze poëziewedstrijd.

Het reglement

Je bundel inzenden voor de 3de Zeef Poëzieprijs.

1) De winnaar ontvangt 500 euro en de bundel zal worden uitgegeven door uitgeverij De Zeef. Deze 2 beloningen kunnen niet van elkaar losgekoppeld worden.

De Zeef-poëzieprijs staat alleen open voor debutanten.

2) Uitgeverij De Zeef is een erkende, onafhankelijke uitgeverij met universele contracten. Uitgeverij De Zeef werkt nauw samen met uitgeverij P.

3) Dichters die al deelnamen aan de eerste of tweede Zeef Poëzieprijs, mogen opnieuw inzenden.

4) De ingezonden bundels zullen ten minste 30 gedichten moeten tellen. De bundel mag gedichten bevatten die al werden gepubliceerd in tijdschriften.

5) Uiterste inzenddatum: 1 augustus 2022, maar je kan al vanaf nu inzenden. Als je bundel voldoende kwaliteit heeft om mee te dingen zal je naam al vermeld worden op onze site. Je komt dan op een shortlist van mogelijke winnaars.

6) Mocht het peil van de inzendingen heel hoog zijn, dan kan het dat behalve de winnaar nog andere dichters in aanmerking komen voor uitgave. Anderzijds kan het ook dat de prijs niet wordt toegekend.

7) Inzenden kan alleen digitaal. Mailadres: info@uitgeverijdezeef.be

8) Vermeld in je mail ook uitgebreid wie je bent en waar je woont.

Bezoek ook www.uitgeverijdezeef.be

 

 


 

vrijdag 15 juli 2022

De sublieme somberman Remco Campert

(Kleine hommage aan Remco Campert van Hendrik Carette

De grote Drie van de Nederlandse poëzie zijn volgens mij Jacques Hamelink, Herman Hendrik ter Balkt en H.C. ten Berge, maar daarvoor waren er toch ook nog Adriaan Roland Holst, Hendrik Marsman en Jan Slauerhoff. En achter deze twee beroemde trio’s zweeft de schim van Remco Campert. Wat was ik fier en trots toen in hij in 1975 of 1976 in zijn tijdschrift Gedicht (uitgegeven door De Bezige Bij, waarvan hij de enige redacteur was) gedichten van mij opnam.

Ik was toen amper dertig jaar oud. Campert publiceerde drie gedichten van mij in dit tijdschrift (het was nummer zes en het waren mijn drie eerste Friesland-gedichten die voordien werden geweigerd door Dietsche Warande & Belfort!) waarvan er maar twaalf nummers hebben bestaan. En niet zozeer uit ijdelheid maar omdat dit feit voor mij een persoonlijke bevestiging was of een bewijs dat ik altijd maar gedichten moest schrijven. Altijd maar. Want hij was de enige redacteur van dit unieke tijdschrift.

Zoals hij de woorden altijd maar liet voorkomen in zijn prachtig en triest gedicht ‘Lamento’ dat hij zo goed zèlf kon voorlezen. Zonder stemverheffing, zonder literaire pose. Zonder enige valse sentimentaliteit, zonder hoogdravendheid. Met gevoel voor timing en met zijn heel eigen stem. Licht sardonisch en altijd maar en sourdine. Een groot dichter in zijn kleine open cocon. En deze twee laatste woorden zijn zijn woorden.

© Hendrik Carette
Schaarbeek, Zondag 10 juli 2022

Hendrik Carette op de Schaal van Digther



I.M. Remco Campert


woensdag 6 juli 2022

Tifosi in alle vormen, maten en kleuren

Recensie van ‘Tifosi’ van Guy van Hoof. (Paul Rigolle) 

Even een overweging ter inleiding! Nee, ik hou niet van het predikaat “wielerdichters”. Er zijn nu eenmaal goeie wielergedichten en er zijn lang niet geslaagde, zelfs kompleet mislukte wielergedichten. Net zomin hou ik van, noem het maar, termen als “natuurdichters”, “taaldichters”, “belijdenisdichters”, “slamdichters”,“jazzdichters” of godbetert “doemdichters”… Want ook hier kunnen we het uiteindelijk enkel hebben over dichters die gedichten schrijven die een bepaald onderwerp aanraken en daarbij ook kwaliteit en matigheid met elkaar laten afwisselen. 

Ik begrijp dat het soms behelpen is en mensen hun toevlucht nemen tot dit soort beperkende omschrijvingen. Maar wat mij betreft – hier volgt een statement! - zijn er enkel gedichten – één voor één gemaakt van intensiteit en taal - waarvan ik hou en gedichten waar ik niet van hou omdat ze bij mij eenvoudigweg niets weten los te maken. Te veel of te weinig glazuur… Te veel of te weinig ijzer... Té opgepoetst of al te blinkend aangekleed in hun doorzichtigheid. 

In ‘Tifosi’, de nieuwste bundel van Guy van Hoof staan drieëndertig gedichten. En ze gaan één voor één over wielrennen. Maar netzogoed gaan ze, zoals het hoort, over de dichter die zijn taal en zichzelf au sérieux neemt. Een voorbeeld: 

Voor een dag 

Vanaf je bank in de woonkamer
bekijk je het groen van uitpuilende landschappen,
knotwilgen en landerijen
terwijl ergens kolossen tegen de grond gaan
en hun ribben breken of een sleutelbeen
maar voor je het verwacht weer op hun fiets zitten
soms aangereden door een volgauto of motard
en anderen gaan kopje over en belanden in
de groene gracht. Wie wil er nu geen held zijn,
al is het maar voor één dag,
een hele natie laten dromen, de hoop
van vele politici 

© Guy van Hoof

In deze reeks wielergedichten baseert Guy van Hoof zijn poëtische reis op zijn eigen queeste doorheen al die jaren dat hij als volger van nabij geboeid is geraakt door het wielrennen en het fietsen als een mogelijke daad van identiteitsbepaling. Er worden cols beklommen (Colle delle finestre, Marmolada…), er is applaus en er zijn de ‘Tifosi’ uit de titel van zijn bundel, waarmee uiteraard heel mooi in het Italiaans de fans worden bedoeld. Voorts wordt er uitgebreid over winst en verlies beslist, er wordt gestorven op de fiets, er worden rekeningen gepresenteerd en altijd weer is de slotsom “Het is niet altijd wat je ziet”, zoals ook de titel van een van zijn gedichten luidt. (“Sport is een mythe, men ziet niet alijd/wat de ogen waarnemen…”) 

In zijn uitleiding op de bundel (“Uitrijden. Uitgereden”) verduidelijkt Guy van Hoof voor ons nog ’s waarom hij zo graag (als een halve buitenstaander) naar het wielrennen kijkt en waarom hij niet zonder de nodige zin voor heroïek als de jongen van toen terugblikt op zijn oude helden. Om zich blijvend de aanblik van die fabelachtige fiets van Stan Ockers te herinneren, schrijft van Hoof wielergedichten en blijft hij die schrijven: 

“In mijn archief, een map met krantenknipsels, zit de foto van een renner met open mond die brult als een kind dat op de knieën is gevallen. Het onderschrift vat goed een stukje wielrennen samen: 39ste Ronde van Spanje. Donderdag kwam het op een paar kilometer van de aankomst in Valladolid tot enkele valpartijen. Bij de slachtoffers onder meer de Spanjaard Jaime Salva. In de buurt van de tribunes schreeuwde de brave Salva luidkeels zijn miserie uit. Een bloedstollend beeld. Hoe zou het nu zijn met die brave pechvogel, heeft hij nog de moed gehad om het wielrennen te volgen? Wielrennen is een gedicht op de fiets. En op dit ogenblik hoor ik een commentator in een filosofische bui zeggen: Het is bijna nooit wat je denkt dat het is. Dat zou best zo maar eens kunnen.” (pagina 46). 

Nee, Guy van Hoof mag dan in ‘Tifosi’ gedichten samenbrengen die hij schreef over en naar aanleiding van ‘de koers’, een wielerdichter noem ik hem niet. Daarvoor is hij te veel een dichter die ook wielergedichten schrijft. Getuige daarvan waren ook zijn laatst, beide in 2019, verschenen ‘reguliere’ bundels 'Het licht achter de deur' en 'De man die (altijd) terug kwam’ die niet minder dan 35 jazzgedichten bevatte. 

Als cinéfiel en bovendien (als inleider en essayist) ook een verregaande passie koesterend voor alles wat met plastische kunst te maken heeft, schrijft van Hoof poëzie door het leven en de muziek van de wereld getekend. In ‘Het licht achter de deur’ staat ter illustratie navolgend gedicht: 

De oorsprong van de taal 

De nacht is een paarse spiegel
die lacht en leugens verzint en je ogen stukbijt,
beelden verzwijgen de waarheid
en verwijzen naar ooit en toen.

De eerste letters die we schreven
alle dagen in een andere taal
en we sliepen niet
want de tijd wordt te duur betaald.

Licht straalde uit de kruin van onaardse bomen
en daar lag de stad met duizend namen en gezichten,
geven en nemen, vergeten, drinken, verdrinken,
de stukken aan mekaar lijmen
en God als een pocket in je jaszak meenemen
naast Jack Kerouac.

© Guy van Hoof

(Uit: ‘Het licht achter de deur’, p41)

Ondertussen is het volop zomer en komt vandaag de vijfde rit van de Tour de France #editie2022 aan in Arenberg, middenin ‘de Hel van het Noorden’, een magisch oord voor wieleradepten. De tifosi houden zich vandaag in alle vormen, maten en kleuren al van in de vroege ochtend klaar. Misschien heeft Guy van Hoof wel gelijk en is wielrennen – zeker op dagen als vandaag - wel degelijk niets minder dan een gedicht op de fiets.

© Paul Rigolle
(woensdag 6 juli 2022) 


Tifosi
, Guy van Hoof, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers/Antwerpen-Rotterdam, 2021, ISBN 978 90 6174 121 3, 48 pagina’s 

Extern:
Website Guy van Hoof 
Uitgeverij C. de Vries-Brouwers
Wikipedia-pagina Guy van Hoof

 #wielergedichten #guyvanhoof #tifosi


woensdag 29 juni 2022

Levensvraag - Miel Vanstreels

Zonen van mij,

had ik op internaat in Lier
beter mijn best gedaan

dan had ik, zo goed als zeker
mijn middelbare school
afgemaakt

dan was ik, zo goed als zeker
in 1970 niet in Maastricht
beland

dan had ik, zo goed als zeker
jullie moeder nooit
ontmoet

dan waren jullie,
zo goed als zeker
nooit verwekt

de vraag is dus:

had ik op internaat in Lier
beter mijn best gedaan
 


© Miel Vanstreels






maandag 20 juni 2022

Dwalend door het labyrint van de tijd

Recensie ‘Wat is er van de nacht?’ van Richard Foqué

Opgedragen aan/allen die reizen door de nacht/
die zoeken en vragen

Eind 2018 stelde Bert Bevers in ‘Alleen maar later’ een bloemlezing samen uit ‘het werk tot dusver’ van de Antwerpse dichter Richard Foqué (°1943). Het boek verscheen in de Parnassus-reeks van Uitgeverij P  die er alsmaar imposanter gaat uitzien. In elk geval was


Alleen maar later’, voor wie dat nog niet had gedaan, een mooie opstap om het hyper-geconcentreerde werk van deze waardige en vaardige dichter alsnog én tijdig te ontdekken. In een verhelderend essay dat bij de Parnassus-bundel hoort licht dichter en filosoof Antoon Van Den Braembussche het werk van Foqué toe. Hij heeft het daarin onder meer over de eerder ongewone plaats die Foqué inneemt in de hedendaagse Nederlandstalige poëzie: “De gelaagdheid van de verzen samen met het compacte taalgebruik maakt van deze poëzie een aangrijpende leeservaring. Het is alsof elk woord een overwinning belichaamt op het krijtwitte nihil van de stilte, van de bestaansangst.”

Ook Pierre-Jean Brassac die eerder van Richard Foqué de bundel ‘Hier staan wij’ naar het Frans vertaalde maakt in zijn nawoord bij het verzameld werk duidelijk dat Foqué het soort poëzie schrijft dat rakelings langs het onzegbare scheert.

In zijn nieuwste bundel ‘Wat is er van de nacht?’ (2) zet Richard Foqué die na een beroepscarrière als architect en hoogleraar met overtuiging is teruggekeerd naar de poëzie als naar zijn eerste grote liefde, zijn intense en metafysische reis verder. Nauwelijks drie jaar na het verschijnen van zijn verzameld werk voegt hij met zijn nieuwe bundel een uitgepuurd en prangend boekdeel aan zijn oeuvre toe. En het mag meteen gezegd worden: 'Wat is er van de nacht?' is een erg bijzondere dichtbundel geworden in groot formaat die er ook nog 's fantastisch uitziet. Het nieuwe boek is immers een hechte samenwerking geworden van de auteur met kunstenares Els Vos (°1963) die de gedichten illumineerde met 21 unieke aansluitende en toch ook op zichzelf staande etsen. En illumineren is hier wel het juiste woord: de bundel is door het werk van Els Vos feestelijk verlicht en verlucht.
Het is overigens niet de eerste keer dat Foqué die, zo lezen we, ook curator is
van “Dichter bij Beeld”, een permanente poëziewandeling in het Middelheim, samenwerkt met een plastisch kunstenaar.
Bij eerdere bundels gebeurde dat al met onder meer werk van André Goezu (Equinox in 2011) en Christian Clauwers (Foto’s bij Waves, 2019)

Met ‘Wat is er van de nacht?’ verrast de dichter ons met een in elkaar klinkend gedicht dat één indringend geheel vormt en waarbij de verzen van begin tot einde doorlopend genummerd zijn van 1 tot 542. De titel van de bundel, zegmaar van het gedicht, is ontleend aan het boek Jesaja. Daarin vraagt het volk aan de profeet hoelang de wereld nog in duisternis zal gehuld blijven: Wat is er van de nacht? Ook het fragment uit Shakespeare’s Hamlet waarin de opkomende wachter een vraag stelt aan de dienstdoende en als antwoord krijgt “Sta en zeg het zelf”, een antwoord dat de dichter al sinds zijn jonge jaren betovert, ligt aan de basis van deze meerstemmige tekst.

Het resultaat is een dreun van een episch gedicht waarin de dichter het duister van het leven en van de nacht poogt te vatten. Het is een poëtisch verhaal in verzen dat in een lange queeste verslag uitbrengt van de dolende, reizende mens op zoek naar het einde van de nacht. De opdracht vooraan in het boek is meer dan duidelijk: ‘Opgedragen aan/allen die reizen door de nacht/die zoeken en vragen’.

Met de eerste drie verzen wordt meteen de toon gezet: Schaduwen/in falend licht/als vallende messen. Wat hierop volgt kan enkel scherpte en knappe krapte in de woorden aanbrengen.
Alles ademt sterven. Alles adem kwaad.” “Zie/hoe blauwe sluiers/drijven over zinkend land.”.  De lezer wordt aangesproken, als getuige genomen van de tocht – een doorgang in de Nacht -  die zal worden ondernomen. Zie, Hoor, Weet…  Het reizen tussen tijd en plaats wordt blind genoemd. Bij vers 102 verschijnt voor het eerst de echo van de tweespalt, de paradox ook, die nog verschillende keren in de bundel terug zal komen “Het is vluchten/het is blijven

In korte, afgemeten verzen baant de dichter zich met de reiziger een weg. De taal naaktgeslagen. De gedichten maken een langgerekte en verticale indruk,  in 1 ruk door geschreven lijken ze wel. Een enkele keer bevat een vers vijf of zes woorden maar da’s ook het maximum. De meeste verzen bestaan uit drie of minder woorden.

Zo pleit de blinde schuldig
voor wat de stomme ziet.
Zo zijn de vingers
gebroken verbrijzeld.
Ze glijden langs het leven (120)
in scherven tussen stenen.
Verdwijnen.

Zo dwaalt de reiziger
door kruisende wegen
in het labyrint van de tijd,
de weg teneinde
de grenzen bereikt.

Wachter, ze dan:
Wat is er van de nacht?

(het gedicht op pagina 21)

Een existentië excursie, een archetypische doorgang, een doorheen gaan tot op het bot is wat aan de hand is hier. Met reminiscenties die de hele cultuurgeschiedenis van de mens oproepen. De toon is bezwerend. Waar komen we vandaan? Waar gaan we heen?

Bij vers 308 bakent Richard Foqué in zijn bundel een tweede deel af met als titel, alweer dat resonerende vers ‘Het is vluchten. Het is blijven.’ Het komt niet toevallig als een mantra, als ik goed geteld heb op niet minder dan zes plaatsen terug.

Hoor,
het kermen
van instortende rijken.
Opkomst en ondergang
in alle tijden.
Want elk Atlantis zal zinken.
Alle weten steeds opnieuw naar nul.

Zie,
hoe zij komen,
strompelen uit hun holen.
Profeten van zelfverzonnen goden,
kakelende sjamanen.
Ze orakelen haat, verdelen.
Offer, boete, geen genade.
De zegels zijn verbroken.
De ruiters rijden.
Het eindigt nooit.
Alles is altijd overal
de weg teneinde.

Het is vluchten.
Het is blijven.

(gedicht op pagina 45)


De dood en de geschiedenis waarin de dood prominent aanwezig is, is alomtegenwoordig in de bundel. Foqué evoceert een limbo-wereld ‘tussenin’ die nauw en verrassend actueel aansluit bij de tijdservaring van het huidige tijdperk van pandemie, klimaatontregeling en oorlog. Een bevreemdend droom- en doemlandschap plooit zich voor onze ogen open. Waar was je toen de bommen vielen? De dichter is een kind van de jaren zestig van de vorige eeuw, opgegroeid doordesemd van de filosofie van de existentialisten.

Het universum en het mensbeeld is in geen geval lieflijk te noemen in dit boek. De pregnante en uiterst compacte poëzie die Foqué hier – misschien wel aansluitend bij de denkbeelden van de architect en de ingenieur die hij in zijn beroepsleven was (3) - schrijft is dat evenmin. De waarheid wordt belegerd, laarzen macheren. In het tweede deel van de bundel treedt de oorlog nog meer naar voor. Stalingrad, Warschau, Flanders Fields, Hiroshima… De verwoesting dicteert de verzen.

De vlakte versteent, de zee verglaast (Hoor, p 15). Er zijn toornige goden, er zijn weeklagende vrouwen. De reiziger van alle eeuwen is gewond van binnen. De arend zwijgt, tergend, spiedend naar de prooi in de diepte (p25). Tussen de heuvels stijgt het water. De condor spreidt zijn vleugels, wolven huilen, dijken breken… De reiziger is gewond van binnen:

Zo is de reiziger
in alle euwen,
gewond van binnen,
koortsig de ogen
in vlies gewikkeld
glas.
Want waar wegen snijden
heerst het lot.
(p18)

Eerder al wees de dichter zelf op het feit dat zijn eerder verschenen afzonderlijke bundels 1  geheel vormden. Ook in deze bundel ‘draait alles, cirkelt om het andere…’. Verzen, ontkleed tot hun essentie.
Weinig dichters schrijven inderdaad een zo aaneensluitend oeuvre aan elkaar. De ene bundel grijpt als een hoeksteen in de vorige. De dichter: “Mijn drie bundels (De grote rokade – Hier staan wij – Vermoeden van licht) vormen eigenlijk een eenheid. Daarbij beschouw ik ‘Vermoeden van licht’ als het sluitstuk van een trilogie rond de menselijke existentie. Ik poog thema’s als lot en bestemming, zin en zinloosheid van het leven, ondergaan en zelfbeschikking poëtisch te onderzoeken en er betekenis aan te geven.(2)

De knappe etsen van Els Vos, vaak een maanelement bevattend en een gloeiende en een intense gloed verspreidend, doen meer dan recht aan de verzen.
Bij de bundel hoort ook een cd waarop Richard Foqué 7 teksten uit de bundel voordraagt en het avant-garde ensemble SCHiM (Tom Bessemans, Lize Blauw en Tim Jacobs) voor een soundscape zorgt.

Deze nieuwe bundel van Richard Foqué is een veelgelaagd gebeuren. Doorheen alle tijden. Donker en dwingend!


© Paul Rigolle

(1) Alleen maar later, Richard Foqué. Verzameld werk in de Parnassusreeks van Uitgeverij P, Leuven, 2018, 192 blz, ISBN 9789492339652
(2) Wat is er van de nacht?, Richard Foqué, grafisch werk Els Vos, Uitgeverij P, Leuven, 2021, ISBN 978 94 9338 62 9
(3) Foqué dichter-achitect
https://issuu.com/lucifer/docs/vat_83_issuu_/s/10505106


Extern:
Weblog Richard Foqué      
Website Els Vos– Grafica in etsen en tekeningen
Uitgeverij P - Passie voor Poëzie

Het avant-garde ensemble SCHiM (Tom Bessemans, Lize Blauw en Tim Jacobs) componeerde bij de bundel een beklemmende soundscape bij. Dit is de link.

 

Wat is er van de nacht?




"De dichter Richard Foqué in 7 covers"















Voorstelling 'Alleen maar later' - 20/10/2018 - Foto © Guy Foqué