Posts tonen met het label Frans Deschoemaeker. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frans Deschoemaeker. Alle posts tonen

vrijdag 7 november 2025

Een zomerochtend - Frans Deschoemaeker

Een zomerochtend
op de Centrale Begraafplaats te Brugge 

Onder de beukenkruinen kromt zich het licht
tot gotische nissen.
Al bijna uit de steen gewiste namen duren
onder mos.
Hier bloeien woorden breed en ongericht, hier
zingen zich betekenissen van de dingen los.

Hondsroos, agave, akelei,
lamsoor, guldenroede, dalkruid, lelietje-van-dalen.
Besloten hof, beloken tijd. Akelei.
Agave, gaver agave geen, aldus de dichter.
Wijnruit, kleine ratelaar, naakte lathyrus,
glad parelzaad, rapunzelklokje.

En Uw maagdenpalm, Dame,
Uw rozetsteenkers,
Uw tongvaren, Uw nachtsilene, Uw gebroken hart.

© Frans Deschoemaeker

Uit “Oude duivelse maan”, een bundel in voorbereiding.

Frans Deschoemaeker op Wikipedia

Frans Deschoemaeker - foto: © Gie Devos


De foto dateert uit het Jaar 2012 toen de Literaire Vereniging ‘Het Penhuis’ 10 jaar bestond.
Frans Deschoemaeker hield toen een wervende toespraak die je hier nog kuntnalezen.

 


donderdag 6 november 2025

Een merkwaardige vondst - Frans Deschoemaeker

Een merkwaardige vondst


Op zolder, op de plank
met de vergeelde jaargangen
Eigen Haard en Onze Almanak,

in het krimpend licht 
van een dag laat in december,
vindt onze held,

onder een bestofte stolp
star wuivend
met zijn biedermeierbolhoed, 

en in zijn laatste tik vertikt;
het mechaniekje
van de romantiek.


© Frans Deschoemaeker

Uit “Oude duivelse maan”, een bundel in voorbereiding.

Frans Deschoemaeker op Wikipedia

Frans Deschoemaeker - foto: © Gie Devos


De foto dateert uit het Jaar 2012 toen de Literaire Vereniging ‘Het Penhuis’ 10 jaar bestond.
Frans Deschoemaeker hield toen een wervende toespraak die je hier nog kuntnalezen.

 


woensdag 5 november 2025

Mijn bohème - Frans Deschoemaeker

Mijn bohème

Niets is ooit volbracht; het besef komt met de jaren.
Rotan, rijstpapieren lampions, heldere chianti,
de lentenacht die in de kop tekeer gaat
en het verlangen naar alweer een ander lief. 

Rotan, rijstpapieren lampions, heldere chianti,
vinyl van Carla Bley, Monk en Charlie Mingus
en het verlangen naar alweer een ander lief.
De poëzie van morgen, die wij morgen zouden schrijven. 

Vinyl van Carla Bley, Monk en Charlie Mingus,
het stadskoertje, de straal urine splijtend door de buxus.
De poëzie van morgen, die wij morgen zouden schrijven,
het hoorbaar slapend burgerdom alom. 

Het stadskoertje, de straal urine splijtend door de buxus.
Geknutsel aan de republiek der nieuwe romantiek.
Het hoorbaar slapend burgerdom alom,
de afdronk bitter bij het ochtendkrieken. 

Geknutsel aan de republiek der nieuwe romantiek,
landjonker van de bruine kroeg, de kale bel-etage.
De afdronk bitter bij het ochtendkrieken,
in vreemde straten, ver van het ontoereikend bed. 

Landjonker van de bruine kroeg, de kale bel-etage.
Niets is ooit volbracht, al kwam het in de buurt;
in vreemde straten, ver van het ontoereikend bed.
Ik danste met Katrien de nacht weg.

Niets is ooit volbracht, al kwam het in de buurt;
blootvoets over dauwbeparelde pelouses
danste ik met Katrien de nacht weg -
er trok een roze gloed doorheen de zwarte zomen.  

Blootvoets over dauwbeparelde pelouses,
en boven de parktuinen van Rodenburg, ik zweer het,
trok een roze gloed doorheen de zomen van de nacht. 
Maar niets is ooit volbracht, al kwam het in de buurt.

© Frans Deschoemaeker

Uit “Oude duivelse maan”, een bundel in voorbereiding.

Frans Deschoemaeker op Wikipedia

Frans Deschoemaeker - foto: © Gie Devos

De foto dateert uit het Jaar 2012 toen de Literaire Vereniging ‘Het Penhuis’ 10 jaar bestond.
Frans Deschoemaeker hield toen een wervende toespraak die je hier nog kuntnalezen.

 


donderdag 14 januari 2021

De reis naar Italië - Frans Deschoemaeker

Met zijn zevenhonderd in kleine letter dicht bedrukte pagina’s is Le voyage d’Italie, dictionnaire amoureux van Dominique Fernandez een oeverloos boek. Naar de vorm, maar ook naar de inhoud, want ook het brede spectrum dat de auteur bestrijkt en zijn overstelpende eruditie maken het boek oeverloos. Of hij nu schrijft over zijn stokpaardjes (de Italiaanse opera, de schrijvers van de Mezzogiorno), over Pavese en Pasolini, over Piëmontese koekjes, over baroktuinen en uit marmer gehouwen mannelijk naakt, of over de Goddelijke Erectie in de iconografie van Middeleeuwen en Renaissance, altijd weer zijn de beschouwingen van de Franse académicien en notoire efebenliefhebber erg persoonlijk, eigenzinnig, soms controversieel. Met de frisse blik van de flaneur trekt hij nonchalant en quasi terloops uitdagende parallellen en legt hij door niemand opgemerkte verbanden bloot. En af en toe gaat hij heerlijk kort door de bocht (La Sardaigne n’a fourni à l’Italie que des socialistes et des boxeurs).

Meer dan om het land, zijn geografie en zijn bewoners (of zijn keuken godbetert), is het Fernandez te doen om de Italianità, zoals ze uit de geschiedenis gegroeid is en in volksaard en cultuur tot uiting komt. Hierbij toont hij zich de volmaakte italianisant. Ik heb zelden empathischer bladzijden gelezen over pakweg de Siciliaanse maffia, het masochisme van de Italiaan of zijn steriele trots, dan bij deze Fransman. Een boek om altijd bij de hand te hebben, als je het schiereiland aan gene zijde van de Alpen bereist, en zeker als in deze winterse dagen waarin de pandemie nog steeds woedt alleen de reis rond de kamer (de reis rond de bubbel) een verstandige optie is.

Mijn exemplaar is een handzame pocketuitgave van de éditions Perrin (Collection Tempus, 2004). Enkele bladzijden vertonen vlekken veroorzaakt door het zout van de Tyrreense Zee, en een inscheeppas voor de lijn Genua – Palermo op datum 12 september 2005 doet dienst als bladwijzer. Ik kocht het boek in een opwelling nadat ik er tijdens het vluchtig bladeren in de boekhandel een stukje over de dichter Sandro Penna in aantrof, alsof dit het waarmerk moest wezen voor de kwaliteit van het boek.

Sandro Penna. Op het Nederlandstalige grondgebied gaan nu weinig belletjes aan het rinkelen. Net als Gerard Reve hield Sandro Penna (Perugia 1906 – Rome 1977) van matrozen en jongens van de militaire kapel (in smetteloos witte uniformen en met Grote Instrumenten), maar hij heeft die liefde oneindig subtieler en impliciet tot uiting gebracht. Doorgaans stelde hij zich tevreden met hun verre nabijheid, aan het water, op het openbaar vervoer of in het openbaar urinoir. Zijn verlangen bracht hij onder in breekbare en naar absolute zuiverheid strevende gedichten. Alhoewel de maatschappelijk onaangepaste en vereenzaamde dichter zich mocht verheugen in de waardering van prominente literatoren als Umberto Saba, Natalia Ginzburg en Pier Paolo Pasolini, rinkelden ook in Italië de belletjes lange tijd niet. Op latere leeftijd vielen hem belangrijke prijzen ten deel, maar ze konden de zieke en teruggetrokken dichter toen al niet meer uit de marginaliteit tillen.

Het zesde nummer (lente 1997) van het door Alain Delmotte opgerichte literaire tijdschrift Facture Baroque was integraal aan Sandro Penna gewijd. Bart Vonck schreef de inleiding en verzorgde de vertalingen. Hiermee behoren deze heren tot de zeer weinigen die Sandro Penna bij ons onder de aandacht gebracht hebben. Het nummer werd voorgesteld op 23 mei 1997 in de panoramische zaal van het chique Hotel Damier op de Grote Markt te Kortrijk. Het was in meer dan één opzicht een gedenkwaardige avond. Ten eerste: ik betrad voor het eerst de Damier, van oudsher een tabernakel van de Kortrijkse hoge burgerij, en de panoramische zaal stelde niet teleur. Ten tweede: het zou die avond over Sandro Penna gaan, maar tijdens de borrel was alleen maar Herman de Coninck, die de dag voordien op een stoep in Lissabon zomaar doodgevallen was, onderwerp van gesprek. Ten derde: er werden die avond ook gedichten van Penna in het Italiaans voorgelezen (zeer mooi, door een dame van wie men de naam op de uitnodiging vergat te vermelden, dit merk ik vandaag bij het raadplegen van de archieven). Die avond in de Damier besloot ik Italiaans te gaan studeren, die avond begon mijn Italiaanse reis voorgoed.

Overigens; Sardinië heeft Italië alleen socialisten en boksers opgeleverd, deze moet ik onthouden, om er bij gelegenheid die andere Sandro, een Waals familielid met Sardische stamboom, mee te confronteren. Ik verkneukel mij nu al in zijn sardonisch Putain! Je te tue!

© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang. 



 


 


donderdag 30 april 2020

Het schrift van de Indiaan - Paul Rigolle

Schrijven in tijden van Corona. Een antwoord aan Frans Deschoemaeker.

Dag Frans,

Veel dank voor jouw mooie ansichtkaart 'uit Wortegem-Petegem' van 25 maart 2020 en daarop aansluitend jouw mailbericht van 13 april 2020. In eerste instantie was het mijn bedoeling om hier in de buurt een even mooie landelijke prentbriefkaart op de kop te tikken om er jou – liefhebber en connaisseur van onder meer beschreven rariteiten - in deze donkere en bizarre coronatijden mee te verblijden. Helaas blijkt uit een inderhaast ingesteld particulier onderzoekje van mij dat mijn Bruegheldorp Zwevezele-Wingene, dat men steevast als Breugheldorp pleegt te schrijven, tegenwoordig op de prentbriefkaart-markt enkel de grootte heeft van een grote blinde vlek.

In Pinocchio, de nochtans excellente plaatselijke krantenzaak annex kantoorboek- en speelgoedhandel, bekeek men mij eerder scheef en, zo leek het mij even, met een lange neus, toen ik de vraag stelde. Van die vraag had men niet meteen terug. Het was duidelijk dat ze in jaren niet meer over de toonbank was gekomen. Een toonbank die tegenwoordig keurig en volgens de Corona-regels met plexiglas erg degelijk van het publiek wordt afgeschermd. Betaling kan – zoals wellicht ook bij jullie – enkel nog elektronisch. Voor wie dat wil, zijn er, om de cijfertoetsen te beroeren, wattenstaafjes die na gebruik keurig in een afvalbakje gedeponeerd moeten worden. Uiteraard is er ook geheel en al terecht de obligate spuitbus met ontsmettingsalchohol waarvan iedere klant voor en na het bezoek geacht wordt er oordeelkundig gebruik van te maken. Het zijn, zei ik al, bijzonder vreemde en nooit eerder meegemaakte tijden. Smetvrees neemt het stilaan van ons over. Wellicht betekent dat, dat we – de virologen knikken instemmend - hélemaal op de goeie weg zijn.

Niettemin hoop ik met jou dat we nu toch wel stilaan over de piek van de crisis heen zijn. Ik kreeg laatst nog een bemoedigende uitnodiging vanuit ons vertrouwde Boekenoord in Harelbeke voor de tentoonstelling “Ars Grafica III”. Die zou doorgaan van 5 tot 30 mei 2020. De vernissage op donderdag 7 mei 2020 leek mij een uitstekende gelegenheid om elkaar – al dan niet uitgerust met een mondmasker dat ons helemaal niet past of staat- weer ’s rendez-vous te geven. Temeer ook omdat de toelichting zou worden gegeven door Emiel Hoorne, ere-artistiek docent bij het KASK en een door mij gewaardeerd kunstenaar. Maar jammergenoeg heeft ook het bericht dat de tentoonstelling uiteindelijk toch wordt afgeblazen mij intussen bereikt. Het wordt dus, verstoken van hartverwarmende poëtische en kunstzinnige uitstapjes, stilaan nagelbijten. In ons eigen kot uiteraard – hoe een banale Maggie-uitspraak voor maanden vleugels kan krijgen - en intens hopend op betere en kiemvrijere tijden. Laten we daar samen naar uitkijken! Maar daarbij ook en vooral dankbaar zijn dat niemand uit onze nabije omgeving getroffen is door dit valse vuige virus. Ik zag gisteren een bijzonder imponerende getuigenis van acteur Axel Daeseleire die gelukkig uit zijn kunstmatige coma is ontwaakt en het allemaal nog kan navertellen. Er wacht hem wel een maandenlange revalidatie.

Ondertussen heb ik naar aanleiding van jouw Ansichtkaartje het boek ‘Ansichten’ van de Amerikaanse schrijfster Annie Prouxl dat ik zowat – het lijkt wel eeuwen - twee decennia geleden las, nog ’s uit mijn boekenkast opgediept. Daarin staat, zo herinnerde ik mij, een in mijn geheugen aangestreepte passage over “tumbleweed”, tuimelkruid ook nog stepperoller of amarant genoemd, die mij lief is. Daaruit dit fragmentje:

“De laatste week van oktober: de bonen zaten nog aan de staken, de wind was als een vloedgolf die zich vanuit het westen over de aarde stortte. Het huis stond te schudden op zijn grondvesten. Loyal zat op de rand van zijn bed in het schrift van de Indiaan te schrijven…”

En kijk, laat dit nu net de wens zijn die ik mij in deze Covid-quarantainetijden graag voor ogen hou en waarmee ik dit schrijven wil afronden. Dat ik, en dat ook jij, dat wij in deze barre onuitgegeven periode van onze geschiedenis soelaas mogen blijven vinden om onverdroten en met tussenpozen in het Schrift van de Indiaan te blijven schrijven!

Zeer graag tot een dezer, In Harelbeke of elders, Stay safe! We komen er doorheen!

Paul

Ps. Nog dit: jouw ansichtkaart past perfect in mijn ‘Klare fontein’-notitieboekje dat ik sinds begin dit jaar bij Pinocchio kocht (jawel!) en nu gebruik als alternerend ding voor mijn vroegere Moleskine-boekjes. Daarvan getuigt ook bijgaande foto.


© Paul Rigolle

#demanmetdeleesbril #schrijvenintijdenvanCorona

'Een ansichtkaart uit Wortegem-Petegem aan Paul Rigolle' van Frans Deschoemaeker lees je hier.




















Een ansichtkaart uit Wortegem-Petegem - Frans Deschoemaeker

Schrijven in tijden van Corona. Een ansichtkaart aan Paul Rigolle.

Woensdag 25 maart 2020, in de derde week van de Corona/Covid-19-crisis.  



















"Groeten uit Wortegem-Petegem met vijf dorpsgezichten uit de deelgemeenten; de Gotstraat te Wortegem, de abdij van Beaulieu te Petegem-aan-de-Schelde, het hoevegebouw van het domein de Ghellinck te Elsegem, het Dombos te Ooike en de Sint-Pietersstoelkerk te Moregem."


Dag Paul,

Ja, we beleven onwezenlijke tijden. Het zal nu gauw oorlog worden, zoude Reve verzucht hebben. Herinner jij je nog dat een paar jaar geleden vanwege de vogelgriep het pluimvee diende opgehokt te worden? Vandaag geldt die ophokplicht niet het pluimvee maar de bevolking zelve (blijf in uw kot!, zoals onze fijnbesnaarde minister van Volksgezondheid verordende). Al die geannuleerde feestjes en evenementen, al die afgesloten microfoons en dichtgedraaide tapkranen, al die niet eens opgebouwde podia, al die opgehokte artiesten en dichters, dat moet toch, na Corona, een ongehoorde uitbraak, een tsunami van nieuwe teksten gaan opleveren! Want nu hebben we volop de tijd, tussen onze vier muren, of uit de wind op ons terras, om te bezinnen, te herbronnen, te schrijven. Of werkt het zo niet? Zelf kreeg ik altijd al de grootste aanvechting tot schrijven als het leven riep, als ik het te druk had met andere dingen, en deksels goed wist dat ik niet de tijd zou vinden om de pen op het papier te krijgen.

Veel mensen schijnen te lijden onder deze gedwongen retraite. Zelf ondervind ik daar weinig last van. De tuin eist zijn rechten op, ik orden mijn archief, ik herschik mijn bibliotheek (om mij na tien minuten te verliezen in een vergeten boek; nu weer De taal der liefde/Lieve jongens. Wie leest Reve nog, behalve in tijden van Corona? Ik. Reve is onze grootste Decadent, en puur stilistisch gezien is dit door sommigen verguisde, maar door mij hoog gewaardeerde, tweeluik hiervan een meesterproef). En ik sleutel verder aan mijn nieuwe dichtbundel, die ik dit jaar nu toch echt tot een goed einde moet zien te brengen.

Een blik in het laboratorium van de dichter. Wat ligt daar momenteel allemaal ter werktafel? Een verhelderende tekst van Jos de Haes over zijn Ardennencyclus Le vieux moulin, een meanderende tekst van Julien Gracq uit zijn Carnets du grand chemin over de Semois, een toeristische brochure over het patrimonium van Gedinne en omstreken, een afschrift van mijn Brief uit het Ardense woud aan kunstbroeder Carette (8 juni 2010), een stuk of wat gedichten van Oscar-Vladislas de Lubicz-Milosz, een wandelkaart van het plateau van Croix Scaille. Wat al panorama’s en vergezichten ontrollen zich hier ter tafel! Alles is in gereedheid gebracht voor de reis rond mijn kot! Dit oordeelkundig samengebracht amalgaam van teksten (ik vergeet nog het essay over Félicien Rops van Huysmans) zou de vonk moeten ontsteken tot een donker gedicht (liever nog een donkere gedichtencyclus) over de grote god Pan. Maar het valt, zoals altijd, af te wachten wat er uiteindelijk uit de alambiek zal opborrelen. Als er überhaupt iets zal opborrelen. Je weet het nooit.

In wezen verandert Corona weinig aan mijn bestaan, dat ook in andere omstandigheden al aspecten van het kluizenaarsbestaan vertoonde. Al blijft het jammer dat ik nu enkel door middel van dat ellendig kleine schermpje de kleinkinderen kan zien, niet de trein kan nemen naar Brussel of op dit eigenste moment niet met Marie-Myriam naar het donkere hart van de provincie Namen kan rijden, en dat de bijeenkomsten van mijn leesgenootschap (gepaard aan nachtelijke conclaven in de bar van het hotel Leopold) tot nader order geannuleerd zijn.

En ja, zo onwezenlijk rustig als op de ansichtkaart liggen er dezer dagen onze Vlaamse Ardennen bij. Geen wielergekte, geen lelijke VIP-tenten, geen landschapsverbouwingen, geen helikopter boven de tuin op Palmzondag! Een rust die historisch (en ecologisch) zal worden genoemd in de annalen. Zelfs mijn dagelijkse autorit naar het kasteeldomein van Elsegem (centrale foto) waar ik mij met de hondjes Pistache en Pollux pleeg te vertreden, is nu tot een niet essentiële verplaatsing verordend, en bijgevolg illegaal.

En natuurlijk blijft het ook jammer dat al onze (vage) afspraken van dit voorjaar in het water gevallen zijn, beste Paul, maar ooit wordt alles weer anders, inmiddels blijven we in ons kot, en verblijf ik met warme groet.

Frans


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

"Het Schrift van de Indiaan", het antwoord van Paul Rigolle lees je hier.



dinsdag 25 februari 2020

Een commentaar bij 'Zwart lam', een gedicht van Hubert van Herreweghen - Frans Deschoemaeker


 Zwart lam
Op de wandelingen

        in mijn klein leven
zag ik grote dingen
de wolf van Gubbio
het lam dat stond te zingen
op de Chaussée Brunehaut
een zwart lam – en het zong.
´t Was winter nog de korte maand
         het regende ijs
een boogscheut achter Edingen
         waar een geheim begint
         van taal en tijd
van vliezen nat en jong.
Zie me daar dan
gebeeldhouwd in de kou
staan wenen om een lam
dat uit zijn moeder kwam
         te vroege vrolijkheid
in de armen van een man
die het schoonwreef met stro.
Een zwart lam. En het zong
                                    lamsgewijs.

Het gedicht Zwart lam van Hubert van Herreweghen illustreert treffend de uitspraak van Schopenhauer: de opdracht van de schrijver is niet grote voorvallen te vertellen, maar kleine interessant te maken.

De dichter is de schrijver bij uitstek die oog heeft voor het kleine, het ogenschijnlijk banale, dat waar iedereen achteloos aan voorbij gaat. Het lijkt er sterk op dat hij zijn lezer wil treffen met het besef: kijk ik wel goed genoeg naar de werkelijkheid, dring ik er wel diep genoeg in door? Is wat ik groot en belangrijk vind in het leven wel echt zo groot en belangrijk?

Zelf lijkt Hubert van Herreweghen het onderscheid gemaakt te hebben: op de wandelingen in zijn klein leven zag hij grote dingen. Hij is begonnen met zijn eigen leven kleiner te maken, dienstbaarder, ontvankelijker voor de dingen, ook de onaanzienlijke, die hij met plezier uitvergroot, grootheid toedicht. Hij is tot het besef gekomen dat bescheidenheid de verwondering voedt. Verwondering om de geboorte van een lam, een zwart lam bovendien, in een verlate winter, onder natte sneeuw, op de zompige hoek van een weiland; dat bijvoorbeeld.

De dichter verhevigt dit op zichzelf banale feit met enkele vervreemdende, in al hun concreetheid toch raadselachtige elementen (waarom inderdaad moeten wij het gedicht herlezen voor het zich begint te openen?). Vervreemdende elementen die de kleine gebeurtenis breed kaderen en een haast mythische dimensie meegeven.

Die vervreemdende elementen zijn bij nader inzien helemaal niet vreemd. De wolf van Gubbio komt uit de legende van Sint-Franciscus van Assisi. Sint-Franciscus kon met de dieren spreken en bracht de wolf die het stadje Gubbio teisterde tot betere gedachten. Gubbio staat daar natuurlijk omdat het rijmt op Brunehaut, de wolf omwille van de tegenstelling wolf-lam. Merk op dat van Herreweghen op zijn wandelingen een plaasteren beeld of een bidprent van Sint-Franciscus met Broeder Wolf in een veldkapelletje gezien kan hebben.

Of was Gubbio eerst, en staat Brunehaut daar omdat het rijmt op Gubbio? Het straatnaambordje Chaussée Brunehaut kan je her en der in België en Frankrijk nog aantreffen. De naam verwijst naar Brunhilde (of Brunichilde) van Austrasië, die in de zesde eeuw stukken Romeinse heirweg zou hebben laten restaureren en in ere herstellen. Een dergelijke steenweg loopt van Mons naar Enghien (Edingen) en passeert zodoende, het Pajottenland schampend, aan de achterdeur van de dichter Hubert van Herreweghen (ik ontleen een klein, medeplichtig genoegen aan het feit dat ook aan mijn achterdeur een Chaussée Brunehaut de Vlaamse Ardennen schampt: de Romeinse heirweg die zich in het Waalse Blicquy afsplitst naar de kust van de Noordzee loopt via Frasnes-lez-Anvaing, Ronse en Kwaremont naar Kaster, waar het spoor doodloopt in het veld).

Waar een geheim begint van taal en tijd: wie moet hier niet denken aan de taalgrens, en aan donkere, Visigotische tijden? En aan oude wegen die doodlopen in het veld?

Het lam zingt, maar het zingt lamsgewijs, op de wijze van het lam. We kunnen er dus rustig van uitgaan dat het gewoon mekkert, of krijst, zoals een zwart lam op zijn tocht van de warme baarmoeder naar een ijskoude wereld, een wereld van alleen maar witte soortgenoten bovendien, krijst. Maar onder de pen van de dichter wordt dat krijsen een zang, iets groots, iets wat het gemoed beweegt (een vrolijk maar al te vroeg lentelied?, een hymne op het leven?, een existentiële wanhoopskreet?, een geheim van taal en tijd?).

Hoe dan ook, je moet het gedicht een paar keer lezen voor het helemaal aanslaat, maar dan kan je het verder alleen maar wonderlijk en mooi vinden (en deze commentaar moet nu dringend ophouden). Op mijn dwaaltochten door mijn kleine bibliotheek kom ik grote dingen tegen.





Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


























zaterdag 23 november 2019

Domein - Frans Deschoemaeker

De wereld stond nog te gebeuren.
De geuren, de glimpen, de duizend
lichtinvallen, die ons in later dagen
weer in zouden vallen. Loom

lagen er de bossen bij, onder zonloos
middaglicht, met geile afdrukken
van hoefjes aan hun zoom en
plastisch in de klei geplette keutels.

Verdroomde dag. Vanuit het lover
sloegen bosnimfen ons fluitspel gade.
Elysium, de peplos los, zijdezacht
de petticoat neerzijgend op het mos.

Wij voerden er op zondag, ritueel
gebaad, op Vergiliaanse vespas
onze weerspannige verloofdes heen
als avondwind op rilde rieten blies.

Ver van het vaderlijke erf sloten dreven
hun bronsgroene deuren. Uit nissen
klonk stampvoetend snuiven. Wij liepen,
heel in de ban van de grote god Pan.


© Frans Deschoemaeker


Dit gedicht is ook vertegenwoordigd op het 2° Stadsfestival van Damme. Onder de noemer 'het nest tussen waarheid en herinnering' kun je het festival nog bezoeken tot en met 8/12/2019!


dinsdag 1 oktober 2019

Terug naar Buda - Frans Deschoemaeker

In het zicht van de Kortrijkse binnenstad splitst de Leie zich, uit Frankrijk komend, in tweeën, om het Buda-eiland te vormen.

1.

Daar lag in het licht van de oostelijke zon Buda, het île de la Cité van Kortrijk, als een boot. Niet als een blank karveel of een feestelijk bewimpeld fregat, maar als een ietwat haveloze woonschuit, een onderkomen aak, een Kon-Tiki.
Wellicht waren aan zijn kaden nog goede visplekjes te vinden, wellicht hechtten zich aan zijn romp nog zoetwatermosselen, toen ik daar, meer dan een halve eeuw geleden, krijsend en met de helm ter wereld kwam.
Wie op een eiland geboren is, kan de wereld alleen maar zien als een onbekende, maar lokkende overoever. Wie op een boot geboren is, is voor altijd een migrant. Altijd weer worden in zijn hoofd trossen losgegooid, ankers gelicht, riemen geheven. Daar vaart de ark, voorbij het ezelsbruggetje en de dikbuikige torens, onder verdere bruggen door, naar waar het zeegat aanzuigt, naar waar het licht een belofte inhoudt, naar waar het waait. Wind -
wind voert wereld aan. Woorden.

2.

Een vers van Mallarmé dat zich verzwijgt in het marmer. Een lied dat wegwaait in de nacht, op de laatste straathoek voor de vlakte. Gregoriaans in de kloostergang van Moissac op een late wintermiddag, en muziek van Miles Davis' tweede kwintet, waarin je de broeierige New Yorkse zomer hoort -
de gedachtestreep. De gedachtestreep van Gerrit Kouwenaar, die uitzicht laat op uiterwaarden, omstreeks het riet. De middag van een faun, diep in het Siciliaanse rietland, en de middag van een leraar, diep in de provincie, diep in de jaren zestig, in een vergeten Franse film. Een hippiemeisje met een zware rugzak dat, gezeten op de trappen van de Collegiata Santa Maria Assunta, tussen haar tenen peutert en de voorbijganger haar slodderige slipje toont.
Een voorgrond met een fles wijn. Verre, in sfumato wijkende bergen.
Tabaksrook die roerloos in de avond hangt. In Ticino.
Een uitzicht op een eiland in de rivier, dat daar ligt, en doet alsof het nooit ergens anders lag. Benedenwinds -

3.

de wind die woorden aanvoert, beelden, muziek. Daarom ben ik altijd al een groot en eenzaam wandelaar geweest. In de cadans van het stappen vinden indrukken woord, ritme en elan. Wandelen stileert de gedachte. Wind ciseleert de idee. En bij gebrek aan een steppe is de nomade een flaneur geworden onder de arcaden van een stad.
Ik herinner mij de steeds wijdere cirkels die ik trok omheen het île de la Cité van Kortrijk. Ik herinner mij de niet eindigende zondagmiddagen in de uiterwaarden van een stad die zich verloor in voorstedelijk gebied. Diepe straten, getekend Giorgio de Chirico, getekend Jorge Luis Borges, getekend Patrick Modiano. Nooit betreden wijken, gevat in een patroon van lange slagschaduwen, met egale, naoorlogse gevels, okerkleurig oplichtend in de avondzon. Okerkleurig, van leven ontdaan - leven voltrekt zich op zondag altijd elders. Ik wandelde meestal alleen, later soms met mijn dochtertje, dat nog te jong was om zich af te vragen wat haar pa in deze troosteloze, in de nazomer verloren gelegde buurten najoeg. Je kunt je persoonlijke hemel of hel overal menen gevonden te hebben; te Kortrijk, te Florence, te Aix-en-Provence, in een mercantiele bocht van de Schelde, maar in de herinnering verrijst een stad allereerst als een okergele façade; opdat slechts langzaam zichtbaar worde, het peilloos perspectief, de peilloze afgrond van zijn straten, pleinen, stegen, kades en arcades.

 


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


zaterdag 17 augustus 2019

Les jours d'antan (1)

Tijdschrift Filter - Najaar 1976

























Af en toe iets opduikelen uit de literaire oude doos, het moet kunnen. Les jours d’antan!

Bovenstaande foto werd in het najaar van 1976 genomen tijdens een bijeenkomst van het toenmalige literaire tijdschrift Filter. Niet te verwarren evenwel met het huidige tijdschrift voor vertalen Filter. Op het ogenblik van de foto werd ergens in Gent (in de buurt van de huidige boekhandel Limerick?) de poëzieprijs van het tijdschrift uitgereikt. Laureaat was toen Fil Hantko, maar waar ter wereld zou zich nu Fil Hantko, een alias van Filip Denijs, en ooit nog samensteller van de verzamelde gedichten van Jotie 't Hooft, bevinden?

Vooraan op de foto: Frans Deschoemaeker (l) die aan de laatste maanden van zijn militaire dienst bezig was en Paul Rigolle (r) die toen blijkbaar nog ongegeneerd Bastos-filter mocht roken. O ja, wat wij ons ook nog afvragen: wie zouden die mannen achteraan op de foto kunnen zijn? In de coulissen moet toen ook Willem Debeuckelaere rondgelopen hebben, nu bekend als (gewezen) voorzitter van de Privacycommissie, toen verantwoordelijke uitgever van Filter, maar daar zijn geen foto's van.

(Notitie van Frans Deschoemaeker die tot onze Digtherlijke vreugde af en toe op melancholische wijze doorheen zijn literair archief mag wandelen. Daarbij het motto hanterend: “Wij schrijven voor de bibliotheken van de eeuwigheid, wij fotograferen voor de archieven van de eeuwigheid”.)

Aanvulling:
De man tussen Frans Deschoemaeker en Paul Rigolle blijkt Karlon Tijm te zijn, destijds net als Deschoemaeker redactielid van Filter.