Posts tonen met het label De waterlelies van Montparnasse. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De waterlelies van Montparnasse. Alle posts tonen

donderdag 14 januari 2021

De reis naar Italië - Frans Deschoemaeker

Met zijn zevenhonderd in kleine letter dicht bedrukte pagina’s is Le voyage d’Italie, dictionnaire amoureux van Dominique Fernandez een oeverloos boek. Naar de vorm, maar ook naar de inhoud, want ook het brede spectrum dat de auteur bestrijkt en zijn overstelpende eruditie maken het boek oeverloos. Of hij nu schrijft over zijn stokpaardjes (de Italiaanse opera, de schrijvers van de Mezzogiorno), over Pavese en Pasolini, over Piëmontese koekjes, over baroktuinen en uit marmer gehouwen mannelijk naakt, of over de Goddelijke Erectie in de iconografie van Middeleeuwen en Renaissance, altijd weer zijn de beschouwingen van de Franse académicien en notoire efebenliefhebber erg persoonlijk, eigenzinnig, soms controversieel. Met de frisse blik van de flaneur trekt hij nonchalant en quasi terloops uitdagende parallellen en legt hij door niemand opgemerkte verbanden bloot. En af en toe gaat hij heerlijk kort door de bocht (La Sardaigne n’a fourni à l’Italie que des socialistes et des boxeurs).

Meer dan om het land, zijn geografie en zijn bewoners (of zijn keuken godbetert), is het Fernandez te doen om de Italianità, zoals ze uit de geschiedenis gegroeid is en in volksaard en cultuur tot uiting komt. Hierbij toont hij zich de volmaakte italianisant. Ik heb zelden empathischer bladzijden gelezen over pakweg de Siciliaanse maffia, het masochisme van de Italiaan of zijn steriele trots, dan bij deze Fransman. Een boek om altijd bij de hand te hebben, als je het schiereiland aan gene zijde van de Alpen bereist, en zeker als in deze winterse dagen waarin de pandemie nog steeds woedt alleen de reis rond de kamer (de reis rond de bubbel) een verstandige optie is.

Mijn exemplaar is een handzame pocketuitgave van de éditions Perrin (Collection Tempus, 2004). Enkele bladzijden vertonen vlekken veroorzaakt door het zout van de Tyrreense Zee, en een inscheeppas voor de lijn Genua – Palermo op datum 12 september 2005 doet dienst als bladwijzer. Ik kocht het boek in een opwelling nadat ik er tijdens het vluchtig bladeren in de boekhandel een stukje over de dichter Sandro Penna in aantrof, alsof dit het waarmerk moest wezen voor de kwaliteit van het boek.

Sandro Penna. Op het Nederlandstalige grondgebied gaan nu weinig belletjes aan het rinkelen. Net als Gerard Reve hield Sandro Penna (Perugia 1906 – Rome 1977) van matrozen en jongens van de militaire kapel (in smetteloos witte uniformen en met Grote Instrumenten), maar hij heeft die liefde oneindig subtieler en impliciet tot uiting gebracht. Doorgaans stelde hij zich tevreden met hun verre nabijheid, aan het water, op het openbaar vervoer of in het openbaar urinoir. Zijn verlangen bracht hij onder in breekbare en naar absolute zuiverheid strevende gedichten. Alhoewel de maatschappelijk onaangepaste en vereenzaamde dichter zich mocht verheugen in de waardering van prominente literatoren als Umberto Saba, Natalia Ginzburg en Pier Paolo Pasolini, rinkelden ook in Italië de belletjes lange tijd niet. Op latere leeftijd vielen hem belangrijke prijzen ten deel, maar ze konden de zieke en teruggetrokken dichter toen al niet meer uit de marginaliteit tillen.

Het zesde nummer (lente 1997) van het door Alain Delmotte opgerichte literaire tijdschrift Facture Baroque was integraal aan Sandro Penna gewijd. Bart Vonck schreef de inleiding en verzorgde de vertalingen. Hiermee behoren deze heren tot de zeer weinigen die Sandro Penna bij ons onder de aandacht gebracht hebben. Het nummer werd voorgesteld op 23 mei 1997 in de panoramische zaal van het chique Hotel Damier op de Grote Markt te Kortrijk. Het was in meer dan één opzicht een gedenkwaardige avond. Ten eerste: ik betrad voor het eerst de Damier, van oudsher een tabernakel van de Kortrijkse hoge burgerij, en de panoramische zaal stelde niet teleur. Ten tweede: het zou die avond over Sandro Penna gaan, maar tijdens de borrel was alleen maar Herman de Coninck, die de dag voordien op een stoep in Lissabon zomaar doodgevallen was, onderwerp van gesprek. Ten derde: er werden die avond ook gedichten van Penna in het Italiaans voorgelezen (zeer mooi, door een dame van wie men de naam op de uitnodiging vergat te vermelden, dit merk ik vandaag bij het raadplegen van de archieven). Die avond in de Damier besloot ik Italiaans te gaan studeren, die avond begon mijn Italiaanse reis voorgoed.

Overigens; Sardinië heeft Italië alleen socialisten en boksers opgeleverd, deze moet ik onthouden, om er bij gelegenheid die andere Sandro, een Waals familielid met Sardische stamboom, mee te confronteren. Ik verkneukel mij nu al in zijn sardonisch Putain! Je te tue!

© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang. 



 


 


donderdag 30 april 2020

Een ansichtkaart uit Wortegem-Petegem - Frans Deschoemaeker

Schrijven in tijden van Corona. Een ansichtkaart aan Paul Rigolle.

Woensdag 25 maart 2020, in de derde week van de Corona/Covid-19-crisis.  



















"Groeten uit Wortegem-Petegem met vijf dorpsgezichten uit de deelgemeenten; de Gotstraat te Wortegem, de abdij van Beaulieu te Petegem-aan-de-Schelde, het hoevegebouw van het domein de Ghellinck te Elsegem, het Dombos te Ooike en de Sint-Pietersstoelkerk te Moregem."


Dag Paul,

Ja, we beleven onwezenlijke tijden. Het zal nu gauw oorlog worden, zoude Reve verzucht hebben. Herinner jij je nog dat een paar jaar geleden vanwege de vogelgriep het pluimvee diende opgehokt te worden? Vandaag geldt die ophokplicht niet het pluimvee maar de bevolking zelve (blijf in uw kot!, zoals onze fijnbesnaarde minister van Volksgezondheid verordende). Al die geannuleerde feestjes en evenementen, al die afgesloten microfoons en dichtgedraaide tapkranen, al die niet eens opgebouwde podia, al die opgehokte artiesten en dichters, dat moet toch, na Corona, een ongehoorde uitbraak, een tsunami van nieuwe teksten gaan opleveren! Want nu hebben we volop de tijd, tussen onze vier muren, of uit de wind op ons terras, om te bezinnen, te herbronnen, te schrijven. Of werkt het zo niet? Zelf kreeg ik altijd al de grootste aanvechting tot schrijven als het leven riep, als ik het te druk had met andere dingen, en deksels goed wist dat ik niet de tijd zou vinden om de pen op het papier te krijgen.

Veel mensen schijnen te lijden onder deze gedwongen retraite. Zelf ondervind ik daar weinig last van. De tuin eist zijn rechten op, ik orden mijn archief, ik herschik mijn bibliotheek (om mij na tien minuten te verliezen in een vergeten boek; nu weer De taal der liefde/Lieve jongens. Wie leest Reve nog, behalve in tijden van Corona? Ik. Reve is onze grootste Decadent, en puur stilistisch gezien is dit door sommigen verguisde, maar door mij hoog gewaardeerde, tweeluik hiervan een meesterproef). En ik sleutel verder aan mijn nieuwe dichtbundel, die ik dit jaar nu toch echt tot een goed einde moet zien te brengen.

Een blik in het laboratorium van de dichter. Wat ligt daar momenteel allemaal ter werktafel? Een verhelderende tekst van Jos de Haes over zijn Ardennencyclus Le vieux moulin, een meanderende tekst van Julien Gracq uit zijn Carnets du grand chemin over de Semois, een toeristische brochure over het patrimonium van Gedinne en omstreken, een afschrift van mijn Brief uit het Ardense woud aan kunstbroeder Carette (8 juni 2010), een stuk of wat gedichten van Oscar-Vladislas de Lubicz-Milosz, een wandelkaart van het plateau van Croix Scaille. Wat al panorama’s en vergezichten ontrollen zich hier ter tafel! Alles is in gereedheid gebracht voor de reis rond mijn kot! Dit oordeelkundig samengebracht amalgaam van teksten (ik vergeet nog het essay over Félicien Rops van Huysmans) zou de vonk moeten ontsteken tot een donker gedicht (liever nog een donkere gedichtencyclus) over de grote god Pan. Maar het valt, zoals altijd, af te wachten wat er uiteindelijk uit de alambiek zal opborrelen. Als er überhaupt iets zal opborrelen. Je weet het nooit.

In wezen verandert Corona weinig aan mijn bestaan, dat ook in andere omstandigheden al aspecten van het kluizenaarsbestaan vertoonde. Al blijft het jammer dat ik nu enkel door middel van dat ellendig kleine schermpje de kleinkinderen kan zien, niet de trein kan nemen naar Brussel of op dit eigenste moment niet met Marie-Myriam naar het donkere hart van de provincie Namen kan rijden, en dat de bijeenkomsten van mijn leesgenootschap (gepaard aan nachtelijke conclaven in de bar van het hotel Leopold) tot nader order geannuleerd zijn.

En ja, zo onwezenlijk rustig als op de ansichtkaart liggen er dezer dagen onze Vlaamse Ardennen bij. Geen wielergekte, geen lelijke VIP-tenten, geen landschapsverbouwingen, geen helikopter boven de tuin op Palmzondag! Een rust die historisch (en ecologisch) zal worden genoemd in de annalen. Zelfs mijn dagelijkse autorit naar het kasteeldomein van Elsegem (centrale foto) waar ik mij met de hondjes Pistache en Pollux pleeg te vertreden, is nu tot een niet essentiële verplaatsing verordend, en bijgevolg illegaal.

En natuurlijk blijft het ook jammer dat al onze (vage) afspraken van dit voorjaar in het water gevallen zijn, beste Paul, maar ooit wordt alles weer anders, inmiddels blijven we in ons kot, en verblijf ik met warme groet.

Frans


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

"Het Schrift van de Indiaan", het antwoord van Paul Rigolle lees je hier.



dinsdag 25 februari 2020

Een commentaar bij 'Zwart lam', een gedicht van Hubert van Herreweghen - Frans Deschoemaeker


 Zwart lam
Op de wandelingen

        in mijn klein leven
zag ik grote dingen
de wolf van Gubbio
het lam dat stond te zingen
op de Chaussée Brunehaut
een zwart lam – en het zong.
´t Was winter nog de korte maand
         het regende ijs
een boogscheut achter Edingen
         waar een geheim begint
         van taal en tijd
van vliezen nat en jong.
Zie me daar dan
gebeeldhouwd in de kou
staan wenen om een lam
dat uit zijn moeder kwam
         te vroege vrolijkheid
in de armen van een man
die het schoonwreef met stro.
Een zwart lam. En het zong
                                    lamsgewijs.

Het gedicht Zwart lam van Hubert van Herreweghen illustreert treffend de uitspraak van Schopenhauer: de opdracht van de schrijver is niet grote voorvallen te vertellen, maar kleine interessant te maken.

De dichter is de schrijver bij uitstek die oog heeft voor het kleine, het ogenschijnlijk banale, dat waar iedereen achteloos aan voorbij gaat. Het lijkt er sterk op dat hij zijn lezer wil treffen met het besef: kijk ik wel goed genoeg naar de werkelijkheid, dring ik er wel diep genoeg in door? Is wat ik groot en belangrijk vind in het leven wel echt zo groot en belangrijk?

Zelf lijkt Hubert van Herreweghen het onderscheid gemaakt te hebben: op de wandelingen in zijn klein leven zag hij grote dingen. Hij is begonnen met zijn eigen leven kleiner te maken, dienstbaarder, ontvankelijker voor de dingen, ook de onaanzienlijke, die hij met plezier uitvergroot, grootheid toedicht. Hij is tot het besef gekomen dat bescheidenheid de verwondering voedt. Verwondering om de geboorte van een lam, een zwart lam bovendien, in een verlate winter, onder natte sneeuw, op de zompige hoek van een weiland; dat bijvoorbeeld.

De dichter verhevigt dit op zichzelf banale feit met enkele vervreemdende, in al hun concreetheid toch raadselachtige elementen (waarom inderdaad moeten wij het gedicht herlezen voor het zich begint te openen?). Vervreemdende elementen die de kleine gebeurtenis breed kaderen en een haast mythische dimensie meegeven.

Die vervreemdende elementen zijn bij nader inzien helemaal niet vreemd. De wolf van Gubbio komt uit de legende van Sint-Franciscus van Assisi. Sint-Franciscus kon met de dieren spreken en bracht de wolf die het stadje Gubbio teisterde tot betere gedachten. Gubbio staat daar natuurlijk omdat het rijmt op Brunehaut, de wolf omwille van de tegenstelling wolf-lam. Merk op dat van Herreweghen op zijn wandelingen een plaasteren beeld of een bidprent van Sint-Franciscus met Broeder Wolf in een veldkapelletje gezien kan hebben.

Of was Gubbio eerst, en staat Brunehaut daar omdat het rijmt op Gubbio? Het straatnaambordje Chaussée Brunehaut kan je her en der in België en Frankrijk nog aantreffen. De naam verwijst naar Brunhilde (of Brunichilde) van Austrasië, die in de zesde eeuw stukken Romeinse heirweg zou hebben laten restaureren en in ere herstellen. Een dergelijke steenweg loopt van Mons naar Enghien (Edingen) en passeert zodoende, het Pajottenland schampend, aan de achterdeur van de dichter Hubert van Herreweghen (ik ontleen een klein, medeplichtig genoegen aan het feit dat ook aan mijn achterdeur een Chaussée Brunehaut de Vlaamse Ardennen schampt: de Romeinse heirweg die zich in het Waalse Blicquy afsplitst naar de kust van de Noordzee loopt via Frasnes-lez-Anvaing, Ronse en Kwaremont naar Kaster, waar het spoor doodloopt in het veld).

Waar een geheim begint van taal en tijd: wie moet hier niet denken aan de taalgrens, en aan donkere, Visigotische tijden? En aan oude wegen die doodlopen in het veld?

Het lam zingt, maar het zingt lamsgewijs, op de wijze van het lam. We kunnen er dus rustig van uitgaan dat het gewoon mekkert, of krijst, zoals een zwart lam op zijn tocht van de warme baarmoeder naar een ijskoude wereld, een wereld van alleen maar witte soortgenoten bovendien, krijst. Maar onder de pen van de dichter wordt dat krijsen een zang, iets groots, iets wat het gemoed beweegt (een vrolijk maar al te vroeg lentelied?, een hymne op het leven?, een existentiële wanhoopskreet?, een geheim van taal en tijd?).

Hoe dan ook, je moet het gedicht een paar keer lezen voor het helemaal aanslaat, maar dan kan je het verder alleen maar wonderlijk en mooi vinden (en deze commentaar moet nu dringend ophouden). Op mijn dwaaltochten door mijn kleine bibliotheek kom ik grote dingen tegen.





Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


























dinsdag 1 oktober 2019

Terug naar Buda - Frans Deschoemaeker

In het zicht van de Kortrijkse binnenstad splitst de Leie zich, uit Frankrijk komend, in tweeën, om het Buda-eiland te vormen.

1.

Daar lag in het licht van de oostelijke zon Buda, het île de la Cité van Kortrijk, als een boot. Niet als een blank karveel of een feestelijk bewimpeld fregat, maar als een ietwat haveloze woonschuit, een onderkomen aak, een Kon-Tiki.
Wellicht waren aan zijn kaden nog goede visplekjes te vinden, wellicht hechtten zich aan zijn romp nog zoetwatermosselen, toen ik daar, meer dan een halve eeuw geleden, krijsend en met de helm ter wereld kwam.
Wie op een eiland geboren is, kan de wereld alleen maar zien als een onbekende, maar lokkende overoever. Wie op een boot geboren is, is voor altijd een migrant. Altijd weer worden in zijn hoofd trossen losgegooid, ankers gelicht, riemen geheven. Daar vaart de ark, voorbij het ezelsbruggetje en de dikbuikige torens, onder verdere bruggen door, naar waar het zeegat aanzuigt, naar waar het licht een belofte inhoudt, naar waar het waait. Wind -
wind voert wereld aan. Woorden.

2.

Een vers van Mallarmé dat zich verzwijgt in het marmer. Een lied dat wegwaait in de nacht, op de laatste straathoek voor de vlakte. Gregoriaans in de kloostergang van Moissac op een late wintermiddag, en muziek van Miles Davis' tweede kwintet, waarin je de broeierige New Yorkse zomer hoort -
de gedachtestreep. De gedachtestreep van Gerrit Kouwenaar, die uitzicht laat op uiterwaarden, omstreeks het riet. De middag van een faun, diep in het Siciliaanse rietland, en de middag van een leraar, diep in de provincie, diep in de jaren zestig, in een vergeten Franse film. Een hippiemeisje met een zware rugzak dat, gezeten op de trappen van de Collegiata Santa Maria Assunta, tussen haar tenen peutert en de voorbijganger haar slodderige slipje toont.
Een voorgrond met een fles wijn. Verre, in sfumato wijkende bergen.
Tabaksrook die roerloos in de avond hangt. In Ticino.
Een uitzicht op een eiland in de rivier, dat daar ligt, en doet alsof het nooit ergens anders lag. Benedenwinds -

3.

de wind die woorden aanvoert, beelden, muziek. Daarom ben ik altijd al een groot en eenzaam wandelaar geweest. In de cadans van het stappen vinden indrukken woord, ritme en elan. Wandelen stileert de gedachte. Wind ciseleert de idee. En bij gebrek aan een steppe is de nomade een flaneur geworden onder de arcaden van een stad.
Ik herinner mij de steeds wijdere cirkels die ik trok omheen het île de la Cité van Kortrijk. Ik herinner mij de niet eindigende zondagmiddagen in de uiterwaarden van een stad die zich verloor in voorstedelijk gebied. Diepe straten, getekend Giorgio de Chirico, getekend Jorge Luis Borges, getekend Patrick Modiano. Nooit betreden wijken, gevat in een patroon van lange slagschaduwen, met egale, naoorlogse gevels, okerkleurig oplichtend in de avondzon. Okerkleurig, van leven ontdaan - leven voltrekt zich op zondag altijd elders. Ik wandelde meestal alleen, later soms met mijn dochtertje, dat nog te jong was om zich af te vragen wat haar pa in deze troosteloze, in de nazomer verloren gelegde buurten najoeg. Je kunt je persoonlijke hemel of hel overal menen gevonden te hebben; te Kortrijk, te Florence, te Aix-en-Provence, in een mercantiele bocht van de Schelde, maar in de herinnering verrijst een stad allereerst als een okergele façade; opdat slechts langzaam zichtbaar worde, het peilloos perspectief, de peilloze afgrond van zijn straten, pleinen, stegen, kades en arcades.

 


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


zaterdag 8 december 2018

De stille zomer - Frans Deschoemaeker

Pimpelmezen die zich baden in het door een roestige putto boven het hoofd geheven waterbekkentje, op een hoge sokkel, in een perspectief van lindenkruinen. Hun woest gespetter in fel tegenlicht. In het wijd openstaande raam van de tuinkamer waar de prikkelende pittigheid van de vroege ochtend de studieuze geur ontmoet van boeken, pennen, inkten, verven, Italiaanse koffie uit het zilverkleurig kannetje.

Een atmosfeer in woorden tot tastbaarheid dwingen. Proberen met smaak te schrijven; over de gladde buik van een terracottakruik, de nerven in het hout, het korstmos op oude Bourgondische witsteen, de pontificale gang van de kat (die met grote minachting die mezen gadeslaat), over hoe een rookpluim zich verhoudt tot een beboste heuvelkam bij avondlijk strijklicht, ergens in oktober in de Elzas, ergens in de herinnering, en al de daaruit voortvloeiende bewegingen van ’t gemoed.

Hoe zeemleer aanvoelt, en hertogelijk brokaat, hoe koel de in de diepte van een colonnade wegijlende tegelvloer wel is, hoe de opkomende zon een borstkuras ontsteekt; dat wisten onze schilders haarfijn en zinnelijk te vatten in verf. Waarom zou het niet in inkt te vatten zijn?

Proberen met smaak te schrijven. Zo schrijven dat uit dat schrijven het plezier in het schrijven spreekt. Schrijven als levenskunst, als uiting van liefde voor het leven. De opdracht van de schrijver is niet grote voorvallen te vertellen, maar kleine interessant te maken, schreef Schopenhauer. Onder interessant versta ik graag: intens, geladen (gelaagd) en sensueel. Niets is, dat er niet om vraagt indringend, op zinnelijke wijze beschreven te worden, en zodoende begrepen te worden, aanwezigheid te verwerven. De geur van benzinestations in de zomernacht, langs alle autostrada’s naar het zuiden, verdient het zijn eindbestemming te vinden op de pagina’s van een mooi boek.


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang. 



dinsdag 25 september 2018

Het oog van de dichter, kleine anekdotiek rond Clara Haesaert († 15.IX.2018) - Frans Deschoemaeker

En nu de lange hete zomer van 2018 op zijn einde loopt, is plots Clara Haesaert dood. En weer knetteren zachtjes de letteren. In zijn mooie in memoriam (in het online
tijdschrift voor taal- en letterkundig onderzoek Neerlandistiek) vertelt Jos Joosten hoe hij ooit als jongeman meereed met Clara Haesaert naar de Poëziezomer van Watou. Zeer herkenbaar, want Clara reed gráág met jonge autoloze mannen rond – ooit was ik één van hen. Tijdens de terugrit in de vallende avond, stelde Joosten vast dat Clara voor haar doen (zij was ook op gevorderde leeftijd nog altijd een goed chauffeur) opmerkelijk onzeker reed. Ze klaagde dat haar zicht bij afnemend daglicht toch langzamerhand verslechterde. Aangekomen te Brussel, het was inmiddels nacht, stelde ze vast dat ze bij het instappen vergeten was haar zonnebril af te zetten. Had je dat dan niet gezien, Jos?, reageerde ze licht verwijtend. Jos had het niet gezien. Nu, niets aan de hand, we zijn er geraakt, stelde ze tevreden vast.


Deze anekdote doet mij denken aan die andere, die Clara Haesaert mij zelf vertelde, Brussel, jaren tachtig, in de Cirio, in de Archiduc, of in één van die andere eet- en drankgelegenheden waar wij elkaar bijna dagelijks ontmoetten. Clara keerde huiswaarts van een literair evenement in de provincie, in het gezelschap van Karel Jonckheere. Karel bestuurde de wagen. Nu was het geen geheim dat het gezichtsvermogen van de bejaarde dichter met de jaren allengs slechter geworden was, maar wie stond daar toen bij stil? In het holst van de nacht, ergens in de omgeving van Boortmeerbeek, reed Jonckheere plots een plein op en bracht hij de wagen abrupt tot stilstand vlak voor een knalrood en op dit nachtelijke uur al lang gesloten frietkraam.
– Waarom stop je hier, Karel?, vroeg Clara.
– Zie je dat dan niet, Clara?, antwoordde de dichter ietwat gepikeerd, ik moet toch die autobus laten voorgaan!


© Frans Deschoemaeker


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang. 

Extern:
In memoriam Clara Haesaert (1924-2018) – Jos Joosten - Neerlandistiek
Dichteres en literaire feministe Clara Haesaert overleden – Bericht Poëziecentrum
Clara Haesaert overleden - Passa Porta-bericht
Vaarwel Clara Haesaert - Martin Pulaski
Hete truffel. Een terzijde bij het overlijden van Clara Haesaert - Kurt Deswert.

Het afscheid van Clara vindt plaats op donderdag 27 september 2018, om 13.30 uur op de gemeentelijke begraafplaats van Kraainem, haar laatste rustplaats. (Kerkhoflaan, 1950 Kraainem)
Iedereen is welkom.



zondag 13 mei 2018

Vergeefs, maar opgemerkt – Frans Deschoemaeker

1.

Elke bijeenkomst van ons leesgenootschap begint met de bespreking van een gedicht, dat bij toerbeurt door de leden gekozen wordt. Volgende keer ben ik aan de beurt. Niet iets om van wakker te liggen. Uit de gedichtendatabank in mijn hoofd weet ik ogenblikkelijk een gedicht op te diepen dat het genootschap een kwartier lang vermag te animeren. Nieuwjaarsbrief van Leonard Nolens bijvoorbeeld, het is tenslotte de eerste bijeenkomst van het jaar, of het kwinkelerende Lilalente van Ilja Leonard Pfeijffer, daarmee jaag ik gegarandeerd enkele genoten op de kast, of Torso van Joseph Brodsky, of Onder nul van Tomas Tranströmer, dat komt allemaal ogenblikkelijk in me op.
Maar het voorwendsel is te mooi om te laten liggen: wil ik mij gewetensvol van mijn opdracht kwijten, dan moet ik toch minstens weer eens een hele (regenachtige) namiddag lang door mijn poëziebibliotheek ploegen, op zoek naar dat ene, voor het leesgenootschap onvervangbare en noodzakelijke gedicht. Ja, toch?
Naderhand blijkt dat evenwel geen goed idee. De oeverloosheid van een ruim gesorteerde poëziebibliotheek werkt verlammend. Honderden noodzakelijke en onvervangbare gedichten betwisten elkaar hun onvervangbaarheid en noodzakelijkheid. Het schiet bovendien niet op, je blijft overal vasthaken, bijvoorbeeld nu weer aan dit :

2.

Levenseinde van een spin

net voor het doodgaan
ging hij verzitten, zette zich schrap
om zo waardig te sterven
in een houding van
dreigende waakzaamheid

het heeft nu
een dag geregend en er is
niets over van al
die waardigheid

lijf gekanteld, poten
slordig gespreid, een poot
zelfs al los verderop
gespoeld

hoe vergeefs ook de houding
het is niet onopgemerkt gebleven

Leo van der Zalm


3.

Ik weet niet eens of ik dit zo’n goed gedicht vind. Het heeft een hoog haiku-gehalte. Het lijkt in één lange haal van de pen geschreven te zijn. Het wekt de indruk dat er nog heel even verder moet worden aan gesleuteld. Moest dat slotakkoord, bijvoorbeeld, nu zo nadrukkelijk Reviaans?

Toch is dit een intrigerend gedicht. Dat de dichter oog heeft voor het kleine, het onaanzienlijke, het triviale, het nietige, dat waar iedereen overheen kijkt, wordt zelden zo pregnant als hier tot uitdrukking gebracht. Wie zag ooit een spin sterven? Behalve onder een samengevouwen krant of een schoenzool, maar daar gaat het nu even niet om. Een oude spin, die er de brui aan geeft, een jonge spin die in een territoriumschermutseling dodelijk gewond raakte en zich opmaakt om de laatste adem uit te blazen? Niemand, ook Leo van der Zalm niet, daar verwed ik mijn hoed om.

Maar Leo van der Zalm kan een erbarmelijk hoopje spin gezien hebben, dat al een dagje dood was, op de rand van ontbinding en verstrooiing, na de regenbui (zelfs om dàt te zien moet je al goed kijken), en omdat hij zich met die deerniswekkende aanblik niet kon verzoenen, laat hij in zijn gedicht die spin alsnog, met terugwerkende kracht, weerbaar, en dus waardig, sterven. En nog staat er niet wat er staat.


4.

Leo van der Zalm. Wie? Leo van der Zalm (1942-2002) was een schilderachtig figuur uit de Amsterdamse bohème. Zijn woonboot, die afgemeerd lag aan de Oudeschans, was een opvangcentrum voor daklozen, zwervers, hippies. De kleurrijke (en groezelige) troep vormde geruime tijd een attractie voor de rondvaartbootjes. Leo organiseerde happenings en vrije podia en dichtte in de marge. Diep in het ruim van zijn boot had hij een negentiende-eeuwse degelpers waarop hij zijn gedichten zette. Het was zaak korte gedichten te schrijven, want het bakje met loden letters raakte altijd snel leeg.

In die gedichten: veel aandacht voor het kleine, het onzichtbare, het geleedpotige, het wriemelende.

Leo van der Zalm publiceerde twee dichtbundels bij een reguliere uitgever. Hij haalde de grote bloemlezingen niet. Wel een kleintje: Gedichten 1992, een keuze uit de tijdschriften (Davidsfonds, Leuven). Daarin ontrukten de samenstellers Hubert van Herreweghen en Willy Spillebeen het Levenseinde van een spin, aangetroffen in het literaire tijdschrift De Tweede Ronde, aan de vergetelheid. Meteen ook het kanaal waarlangs ik dat gedicht vijfentwintig jaar later, op een regenachtige namiddag in januari, onder ogen kreeg.

5.

Chanson de geste. Staande sterven. Sterven in het harnas. Ik herinner mij stuk voor stuk de plaatjes van de historische reeks ‘s Lands Glorie, die ik als kind verzamelde, en die de iconen waren van de geschiedenislessen van mijn generatie. Op die plaatjes werd vaak in het harnas gestorven. Ik herinner mij het plaatje dat de dood van Roeland voorstelt. De zwaargewonde Roeland die rugdekking zoekt tegen een Pyreneeënrots, bloed spuwt, een laatste vijand velt, de Olifant aan de korstige lippen zet om het vierde noodsignaal te trompen over de pas van Roncevaux, en in die houding verstart, zijn houding in overeenstemming brengt met het historisch moment. Voor de ooggetuigen, de chroniqueurs, de illuminatoren, de mythomanen, de dichters. Voor de terugwerkende kracht.

Ga niet gedwee die verlokkelijke nacht in. Weer je. En dat het zo geboekstaafd zij.

Vergeefs, maar opgemerkt. In het grote, vergeefse, heroïsche verhaal van het verzet tegen de dood schreef Leo van der Zalm een klein vignet.


6.

Het werd uiteindelijk Nolens niet. Het werd de kwinkelerende Pfeijffer niet. Het werd Tranströmer niet, noch Brodsky. Het werd ook Leo van der Zalm niet, maar Rutger Kopland, met Beekdal, een gedicht zo mogelijk nog minimalistischer dan Het levenseinde van een spin. Maar ook dat is de reden niet.




© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


dinsdag 13 maart 2018

In de Kamer van Koophandel te Kortrijk - Frans Deschoemaeker

(een nagezonden postscriptum bij mijn brief aan Hendrik Carette van maandag 10 april 2017 Over goede dichters & kikvorsstilte)


Op zondagmorgen 23 april 2017 richtte ik mijn schreden naar de Kortrijkse boekhandel Theoria, waar de auteurs Charlotte Van den Broeck en Michael Bijnens in gesprek gingen met journalist Rik Van Puymbroeck tijdens de laatste Penhuis-matinee van het seizoen. Traditiegetrouw vaart die laatste matinee onder de vlag Jonge Gasten.

Het waren niet zozeer de jonge gasten die mij naar Kortrijk hadden gelokt, maar de nieuwe locatie van de boekhandel: het Casinogebouw, dat met zijn neoclassicistische pronkgevel het gelijknamige plein domineert. Het gebouw uit 1844 (in vroegere dagen kwam ik er dagelijks voorbij, want ik woonde tien jaar lang net om de hoek) was in de loop der tijden concertzaal, school, Kamer van Koophandel, en het is vanaf nu, met voorsprong, de mooiste boekhandel (het mooiste Boekenhuis) van Vlaanderen, Nederland, en nog enige kilometers daarbuiten, en dat is geen misplaatst chauvinisme ten opzichte van mijn geboortestad. Maar al het voorgaande eventjes terzijde.

Want wat tekende ik daar op uit de mond van podiumbeest Charlotte Van den Broeck (in mijn zwart Moleskine-opschrijfboekje met soepele kaft, dat - zonder dat ik daar erg in had - door mijn buurman Paul Rigolle, samen met mijn hand, mijn pen en mijn glas, op de gevoelige plaat werd vastgelegd ter stoffering van zijn online rubriek Het boekje van de dichter)? Uit die fraai gevormde mond van de dichteres die heur haar in een zeer Aziatisch aandoend knotje bovenop haar hoofd droeg, kwam het volgende:

Als ik op een podium sta, kan ik controleren hoe mijn boodschap tot de mensen komt. Dan ben ik de baas. Ligt die boodschap op papier in iemands living, dan ben ik daar niet meer. Dan is er enkel het papier. Ik hoop dat dat genoeg zal zijn.

vlnr Rik Van Puymbroeck, Michael
Bijnens, Charlotte Van den Broeck
Controle? Boodschap? Baas? Genoeg? Ik viel nog net niet van mijn stoel. Maar ook Michael Bijnens liet zich niet onbetuigd:

Het zal een deel van mijn job als schrijver worden om de receptie van mijn werk te sturen, te manipuleren, daar intelligent mee om te gaan. Er is geen rechtlijnige relatie tussen zender en ontvanger, zoals schoolfrikken dat zo graag op het bord schematiseren. Ruis zit er altijd op. De receptieve media zullen mij nooit zien, of presenteren, zoals ik zou willen dat ze mij zien, of presenteren. Ik moet op dat punt dus ingrijpen.

Ruis? Ruis is allicht te mijden in professionele communicatie. Maar in literatuur, in kunst? Kan kunst zonder ruis?

Receptie, controle, monitoring, management van het eigen talent, dat zijn blijkbaar de nieuwe ordewoorden. Schrijvers zullen cool, doortrapt en mercantiel zijn, of ze zullen niet zijn. Rare jongens, die jonge gasten!

En de uitgever, die leunt vergenoegd achterover, en dut in, bij zoveel ondernemingszin.




© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


zaterdag 27 januari 2018

Portret van de dichter als ambtenaar in ruste - Frans Deschoemaeker

(Brief aan Herwig Verleyen)

Oudenaarde, dinsdag 3 juli 2015

Waarde correspondent Herwig,

Een dichter die ook ambtenaar is, hoor je de dichters denken, kan dat wel een goede dichter wezen? Een ambtenaar die ook dichter is, hoor je de ambtenaren denken, kan dat wel een goede ambtenaar wezen? Vanaf 1 mei is deze vraag ten aanzien van zijn persoon alvast academisch geworden. Vaarwel, tweeslachtigheid!

Zie hem daar zitten. De dichter als ambtenaar in ruste. Definitief dichter nu. Op het terras onder de hazelaar. In de hitte van de hondsdag. Puffend, voorovergebogen, de ellenbogen steunend op de knieën, maar desalniettemin decent, want geen geruite zakdoek met vier knopen op het hoofd maar een hagelwitte panama, de bilspleet niet half ontbloot maar goed opgeborgen in geklede beige shorts, het al licht grijzende borsthaar omkaderd door een wit hemd van Seidensticker. Zo zit de dichter dus.

Hij nipt van zijn koele Loire-wijn en staart in het diepe groen van de tuin. Daar moeten het gras gemaaid, het onkruid gewied, de paden aangeschoffeld, de buxus en haagbeuk gesnoeid.

Maar in de tuin komt hij niemand tegen. Het praatje met de bakkersvrouw, het praatje met de kassierster van de superette, straks, wint aan belang.

Elke dag rijdt hij de zeven kilometers naar het kasteeldomein van Elsegem om er zich met de hondjes Pistache en Pollux een uur te vertreden. Ook daar komt hij zelden iemand tegen, of het moest de plaatselijke heemkundige Frans Vandenhende zijn, die van het domein zijn biotoop lijkt te hebben gemaakt, en in het fraai gerestaureerde hoevegebouw (het kasteel bestaat niet meer) de ooit vermaarde Bibliotheca Elseghemensis opnieuw probeert op te richten. Ook de dichter is donateur (van eigen werk) en hij mag met zijn hondjes de statige bibliotheek betreden om de nieuwste aanwinsten te bekijken.

Om de paar weken, als de stilte van het graafschap Oudenaarde te oorverdovend wordt, stapt hij op de trein naar Brussel, om weer eens de adem van de grootstad om zich heen te voelen. Hij heeft die adem te lang om zich heen gevoeld om lang zonder te kunnen.

Hij probeert te schrijven, in de koele ochtenduren, met koffie uit het werkelijk onmisbare Bialetti-espressokannetje, maar in de plaats daarvan leest hij meestal, en wanneer hij leest, herleest hij meestal. De al decennia binnen handbereik gehouden, altoos troost, stichting en verstrooiing biedende leesmeesters Proust, Borges, de late Huysmans, Sebald, Reve, Joyce & Co, Modiano & Nescio.

Of als het een dichter wezen moet: H. H. ter Balkt (stoppelveld, hoe herkende ik toch zo vroeg al/in jou mijn troosteloos leven & regenachtig einde), of de Litouws-Franse dichter Oscar-Vladislas de Lubics-Milosz (Tous les morts sont ivres de pluie vieille et sale/Au cimetière étrange de Lofoten of car je n’ai connu dans la vie/Que le nom d’une seule fleur petite et triste, le myosotis,/Vieux dormeur des ravins au pays Cache-Cache…). Of dat vers van Herwig Verleyen dat hem in die lang vervlogen, arcadische zomer van 1973 in het geboortedorp voor het eerst onder de ogen kwam, en waarvan de slotregels nog steeds in zijn hoofd nazinderen: Het verdwijnt niet vlug, mijn satijnen lief,/de zoutlaag die wij zó mondig hebben aangeboord.

Warme zomergroet, Herwig, vanuit het graafschap,

Je

F.D.


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


zondag 24 december 2017

Het mooiste meisje van de klas - Frans Deschoemaeker

Voor zover ik mij kan herinneren heb ik altijd al gedichten geschreven. Dichters situeren het begin van hun dichterschap vaak in de adolescentie, al dan niet getriggerd door een onbereikbare liefde, al dan niet gestuurd door een bevlogen poësisleraar. Zo ook ik, de clichés hebben hun rechten. Maar als ik er goed over nadenk, kwam ik ook veel vroeger al in de ban van het rijm, de cadans, het repetitieve refrein, het muziekje dat in de versjes zat die we als kind moesten opdreunen, en ja, durfde ik, zodra ik kon schrijven, al eens enig zelfgemaakt rijm aan het ruitjespapier van mijn kladblok toevertrouwen.

Als men mij vraagt waarom ik poëzie schrijf, geef ik soms als antwoord: Omdat zoveel woorden elkaar nog nooit hebben ontmoet. Dit lijkt me een afdoende reden. Uitdagend is het: hoe kan ik woorden op zodanige wijze bij elkaar brengen dat uit de chemie van hun samengaan nieuwe betekenissen ontstaan. Dat een vergezicht zich ontplooit in de baaierd. Dat een inzicht vluchtig oplicht in de woordenbrij.

Joseph Brodsky: soms slaagt een dichter erin met behulp van één woord daar te komen waar nog nooit iemand is geweest.

Opwindend is het ook: ervaren hoe de tekst die ik schrijf, of de tekst die zichzelf schrijft (waar eindigt het ene, en begint het andere?), mij verandert. Hoe ik iets onder mijn pen zie ontstaan dat ik nog niet wist, waar ik verwonderd naar staar. Avontuurlijk is het: waar zal ik uitkomen, als ik aan de slag ga met die eerste aanzet, die eerste regel, die ik soms, vanuit het ongewisse, cadeau krijg? Want vaak loopt het natuurlijk ook op niets uit, en blijkt die gekregen regel na een nachtje slapen en het wegebben van de roes dan toch niet zo’n fantastisch cadeau.

Maar natuurlijk doen wij, dichters, het in de eerste plaats uit zucht naar meesterschap. Wij doen het voor de flonkerende formulering, voor het gebeitelde beeld, voor de fraai gedraaide krul, voor de Vorm. Dichters zijn mislukte muzikanten. Dichters zijn mislukte redenaars. Want alle poëzie is muziek, alle poëzie is retoriek. Poëzie hengelt naar de instemming van het publiek, poëzie wil overdonderen, verleiden, binnendoen. Dat jongetje dat niet goed is in voetballen en dan maar gedichten schrijft om dat mooiste meisje van de klas in te pakken, weet je wel.


© Frans Deschoemaeker


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

vrijdag 17 november 2017

Over goede dichters en kikvorsstilte - Frans Deschoemaeker

(aan Hendrik Carette)

Oudenaarde, maandag 10 april 2017


Waarde Hendrik, goede dichter,


Het is een misvatting te denken dat goede dichters podiumgeile brulboeien moeten zijn, immer met een microfoon voor hun kop, immer breed het publiek en het volle leven omarmend, immer met de vinger aan de pols van (de waan van) de dag hun parlandoverzen staccato scanderend, immer prominent aanwezig op de digitale platformen, ja, immer lobbyend voor dat stadsdichterschap. Geef mij ook maar, geef mij misschien vooral maar, de zonderlingen, zij die opereren vanuit het verborgene, zij die stil leven, ver van de polsslag en de podia, in de contemplatie van een bos, een water, een in kreupelhout verzonken spoorwegbedding, een kalklijn op een voetbalveld einderwaarts, een besloten stadstuin onder mos en motregen, hinkelende meisjes in een in de nazomerzondagavond verloren gelegde achterafstraat. Zij die in de traditie leven, zo je wilt, met de boeken van hun vertrouwde meesters, hun pennen, hun papier, hun kat, hun nonchalant in de hand gehouden drankprobleem, en zich bekwamen in de schriftuur van de bedachtzaamheid.

Anno 2017 staat de Nederlandse dichter Jacques Hamelink Poëziekrant een interview toe. Dat toestaan heeft al iets. Het is een misvatting te denken dat dichters altijd hengelen naar, en blij zijn met, de belangstelling van een glossy poëziemagazine. Hamelink staat dat interview toe. Hij staat dat interview bovendien slechts toe op voorwaarde dat het schriftelijk afgenomen wordt. Per brief. Nee, niet per e-mail, wat dacht je?

Hamelink in dat geschreven interview: laten we niet uit het oog verliezen dat het over poëzie hebben, in proza, sowieso een vervalsing inhoudt. Hier mag ook gedacht worden aan mijn oude meester Maurice Gilliams, de Man voor het Venster, die gebeurlijk wél een normaal interview toestond, maar inzage eiste in de persklare kopij om deze vervolgens nagenoeg helemaal te herschrijven, en zodoende toch nog de bedachtzame monoloog te herstellen.

Hamelink: de dichter is een taalmaniak, dat staat vast. Overigens geeft zijn taalbeheersing, hoe groot die ook moge zijn, nergens een garantie voor. Zijn taal moet iets nooit-zo-gezegds (geziens, gehoords), iets nieuws dus, tot uitdrukking brengen. Daarin slaagt hij alleen wanneer wat ze vroeger noemden de geest over hem vaardig wordt. Het is dus tevens een misvatting te denken dat die dichters met hun fenomenale taalbeheersing per definitie goede dichters zijn.

Overigens, zelfs tegen brulboeien is principieel niets in te brengen. Toen Johnny “the Selfkicker” van Doorn midden jaren zestig van de vorige eeuw op het podium steevast overging tot dierlijk, bloedstollend gegil en gekrijs (zodat vertwijfelde zaaluitbaters op het punt stonden geüniformeerde ordehandhavers of een ambulance op te bellen) toen dus, was ongetwijfeld de geest over hem vaardig en verzette hij een baken. Alleen; lang bleef het niet boeien. Na Johnny verwaaide de geest en verwaterde het procedé. Performance, dunne spoeling is dat. Dichters horen zich niet in stuiptrekkingen op het podium te manifesteren, of gekke bekken te trekken, of bij voortduring geestig te doen. Dichters horen zich niet te gedragen als gemankeerde stand up comedians. Verwar de minnestreel niet met de nar!

Het moet geen verbazing wekken; Uit de vallende kikvorsstilte van Jacques Hamelink is het beste gedicht dat er in die Poëziekrant van maart-april 2017 te ontdekken valt (en er staan er zoals steeds veel, ondraaglijk veel in).

Moge de geest ook enigszins over deze brief vaardig geworden zijn, waarde Hendrik. Wees Welgemoed, Stap Immer Voorwaarts, Verwar de Minnestreel niet met de Nar.

Een groet uit de Oudenaardse gouw, waar nu de kikvorsstilte valt,


Je
FD



© Frans Deschoemaeker


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

dinsdag 12 september 2017

25 maart 1982 - Frans Deschoemaeker

Niet ver van het wit geblakerde skelet van een geit zitten wij in de stenige bedding van een uitgedroogde rivier en proberen bij wijze van tijdverdrijf ronde witte keien kapot te kloppen in de hoop pyrietkernen te vinden (pyriet dat Berberkinderen ons gisteren langs de weg door de Hoge Atlas probeerden te verkopen). Daarnet hebben wij geluncht: koud gebraden konijn, deze morgen door onze hotelhouder in Ouarzazate toebereid, met ronde roggebroden, tomaten, en de laatste biertjes uit België.

Achter onze Renault R4, twee kilometer van de rivierbedding vandaan, rijst de oudheid op, in de vorm van de rode lemen vestingstad Aït-Benhaddou; bijbels, Assyrisch, voorwereldlijk, een stad zoals Borges hem in zijn eeuwigdurende nacht moet hebben gedroomd. Jo vertelt dat Pier Paolo Pasolini hier heeft gefilmd voor zijn Edipo re. Later in mijn leven zou ik deze locatie nog vaker als decor zien opduiken, in dromen, en in Amerikaanse spektakelfilms.

Rechts van Aït-Benhaddou strekt zich de woestijn uit. Verder naar het zuiden ligt Zagora, ons reisdoel, waar de karavaanweg naar Timboektoe begint, en nog verder Goulimine, Tan-Tan en het witte gebied van de Westelijke Sahara. Er beweegt niets. Het is onwezenlijk stil. De hitte trilt boven de vlakte. Het is 25 maart 1982.

Deze dag behoort nu tot de geschiedenis. Tot mijn geschiedenis. De dingen waren er toen. Onder het harde, unieke licht van 25 maart 1982. Misschien moet ik dat moment vasthouden, want wat voorbij is, wint later, niet in het minst door de gebreken van het geheugen en de nostalgie, aan betekenis: een middag in het niets, bij het wit geblakerde skelet van een geit, een willekeurige plek in de mij toegemeten tijd. Misschien moet ik deze dag alleen vasthouden omwille van de formule, waar ik nu, wikkend en wegend, zit aan te sleutelen. Wat niet is opgeschreven zal later blijken niet te zijn gebeurd. Misschien moet ik deze dag vasthouden omwille van de verdichting, het gedicht, want meer hebben wij niet.


© Frans Deschoemaeker


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

maandag 10 juli 2017

Hemel en Hel - Frans Deschoemaeker

Wordt op oude fresco's het lot van de gelukzaligen die bij het Laatste Oordeel hemelwaarts stijgen doorgaans zoet, conventioneel en stereotiep uitgebeeld, met des te meer verve, verbeeldingskracht en perverse zin voor detail worden de verschrikkingen geëtaleerd die de hel voor de verdoemden in petto heeft. Brian de Palma's killer met de kettingzaag krijgt een verre voorafschaduwing in het duiveltje dat met een soort houtbewerkersboor het geslachtsdeel van een kermende verdoemde bewerkt. Het is, naast vele andere verfijnde folteringen, te zien op het fresco van Taddeo di Bartolo uit 1393 in de kapittelkerk van San Gimignano.

Volgde de vroege renaissancekunstenaar slaafs de kerkelijke ordonnantie dat de muren van het gebedshuis een donderpreek moesten zijn, zodat de gelovige zich huiverend tot God wendde, of vond hij in de bestraffing van het kwaad een onderwerp dat zijn onderbuik prikkelde en zijn verbeelding vleugels gaf? Vond zijn heimelijke genoegen het kwaad te stileren en te esthetiseren hier een geoorloofde uitweg? Liggen de verre wortels van het kunstenaarschap in romantische, modernistische zin, onder de bloemen van het kwaad, lang vóór die bloemen een naam en een boek kregen? Wie de demonische figuren uit het erotisch prentenkabinet van Félicien Rops bekijkt, ziet de baarlijke, gevleugelde duivel van Luca Signorelli uit 1500, die de Hoer van de Apocalyps op zijn rug meevoert door het luchtruim, door de plaat heen schemeren.

Na de tientallen kerken tijdens elke Italiëreis, waarbij Dantes inferno steevast tot leidmotief uitgroeit, met als hoogtepunten de extatische visioenen van Luca Signorelli in de kathedraal van Orvieto en van Michelangelo in de Sixtijnse kapel, weet ik het wel: het moet verdomd saai zijn in de hemel.


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

vrijdag 9 juni 2017

Brief uit Normandië - Frans Deschoemaeker

(aan Hendrik Carette)

Crépon, zaterdag 18 juli 2009

Cher Henri,

Ik schrijf je deze brief vanuit de blauwe kamer van onze suite in de Manoir de Crépon. Wij zijn hier deze namiddag aangekomen na een voorspoedige reis vanuit Bourgtheroulde, een oordschap ten zuidwesten van Rouen, waar we een aantal dagen de gasten waren van Madame du Plouy op het Château de Boscherville.

Niet met de diligence zijn wij hier aangekomen, maar met onze kleine en zilverkleurige automobiel, die ons in deze dagen over de Normandische wegen voert. Ach, ik vind het best leuk zo; aan een rustig tempo, met vrouw, hond en boek over Frankrijks wegen struinen, een beetje doelloos, van Honfleur naar Barfleur, van Lisieux naar Bayeux, door het appelgroene land van Flaubert, Proust, Maupassant, Barbey d’Aurevilly.

Logeren in een kasteeltje uit de achttiende eeuw, waar de zoon des huizes, die zichzelf peintre-artiste noemt, het hele jaar door zijn werken in een salon van het kasteel exposeert (het wordt donker en gotisch, de honden bassen, de eeuwenoude bomen van de zeer lange oprijlaan ruischen onder een opkomend onweer, wanneer hij ons rondleidt en uitvoerig commentaar geeft bij zijn onhandige doeken).

Of logeren in een manoir, eveneens daterend uit de achttiende eeuw, waar de patronne, tevens brocanteuse en burgemeester van het tweehonderd zielen tellende Crépon, op zondagmorgen haar drie kleinzonen appelconfituur leert maken (en geen Calvados!). Er zit een soort vanzelfsprekende eenvoud in het bestaan, die wij nog slechts bij momenten verwonderd kunnen of willen constateren.

Op meer gesofistikeerde wijze genieten wij echter ook intens van een zekere Normandische tristesse: een afbladderend badplaatsje als Arromanches, zielig verkoolde worstjes van de barbecue op een rommelmarkt onder breed zeilende wolkenformaties en steeds dreigende buien in de buurt van Ste-Honorine-des-Pertes, of de kade van Isigny-sur-Mer, met de roestige vissersboten diep onder ons in de smalle geul, bij eb, het is nog bijlange Bretagne niet.

Te Giverny, langs de grillig tussen kalkrotsen meanderende Seine, ligt het domein van Monet, waar hele busladingen academiestudenten gedropt worden om er de waterlelies op de vijver na te schilderen. Hier mag ook aan Proust gedacht worden. Ik raakte bijzonder gecharmeerd door het heldere, snelstromende beekje dat het domein omspoelt (en waarschijnlijk de vijvers voedt). Er loopt een pad langs de lage oever, dat je onder bomen een tijdlang kunt volgen. Dat beekje, met zijn op de stroming mee wiegende wieren en onderwaterplanten, met zijn vlekken dansend zonlicht en libellen, deed mij op de een of andere manier denken aan dat riviertje dat door de eerste delen van A la recherche du temps perdu meandert; de Vivonne. En even verliezen we ons, man, vrouw, hond en boek, op dat pad, dat de kant van Guermantes opgaat.

De Vivonne van Combray (of de Loir van Illiers zo je wilt) is in werkelijkheid breder, eerder een riviertje dan een beek, maar op de een of andere manier valt de Vivonne die ik via de lectuur van Proust in mijn hoofd heb, volmaakt samen met dit beekje te Giverny: Mais plus loin le courant se ralentit, il traverse une propriété dont l’accès était ouvert au public par celui à qui elle appartenait et qui s’y était complu à des travaux d’horticulture aquatique, faisant fleurir, dans les petits étangs que forme la Vivonne, de veritables jardins de nymphéas. Comme les rives étaient à cet endroit très boisées, les grandes ombres des arbres donnaient à l’eau un fond qui était habituellement d’un vert sombre mais que parfois, quand nous rentrions par certains soirs rassérénés d’après-midi orageux, j’ai vu d’un bleu clair et cru, tirant sur le violet, d’apparence cloisonnée et de goût japonais (Marcel Proust, A la recherche du temps perdu/Combray).

De beek als idee. De emblematische, mythische beek! Nu eens in de gedaante van Prousts Vivonne, dan weer in die van Claude Monets impressionistische onderwaterwereld of in die van mijn op heden sterk vervuilde Vlietebeek (Bavikhove, jaren zestig van de vorige eeuw, de jacht op vlinders en stekelbaarzen, geheime spelletjes, knapenjaren, onrust). Que voulez-vous, mon cher, je suis et je resterai toujours un Proustien et un Proustomane!

Waaruit kan worden besloten dat uiteindelijk Marcel Proust als mijn geheime gids zal gefungeerd hebben tijdens deze Normandische trip, zoals Jan Morris dat voor jullie zal zijn in Triëst. Zelf ben ik nooit in Triëst geweest, maar ik heb het wazige silhouet van de stad gezien vanuit het Sloveense Koper (of Capodistria – Caput Istriae, het hoofd van het aloude schiereiland Istrië) en ik herinner me nog goed de onwezenlijke rust van het water van de baai van Triëst waarop de vrachtschepen voor anker lagen als op een matglanzende glazen plaat.

Naast Morris kan ik je nog twee kortere teksten over Triëst aanbevelen, die mij hier en nu spontaan te binnen schieten: Triëst: eenzaam in het midden van Stefan Hertmans (uit Steden) en Een roker uit Triëst/Het vogeltje en de kooi van Luc Devoldere (uit Grand Hotel Italia).

Wat je nieuwe bundel betreft, je drijft de spanning op, mon cher! Wanneer ik als een van de eersten een kopie zal ontvangen, zal ik zeer vereerd zijn (verguld, zegt de Hollander). Ik beloof je dan ook mijn spontaan opwellende en meer bezonken leeservaringen in een brief vast te leggen. Zover zijn we nog niet. Nu wens ik jullie beiden, jij en Bea, ook vanwege Myriam en Pistache (die tijdens deze reis merkwaardig volwassen geworden is en met haar voorpootjes krabbend op het papier ijverig aan deze brief probeert mee te schrijven) buon viaggio!


Cordialement, ton


François de Crépon


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

zondag 7 mei 2017

Verklärte Nacht - Frans Deschoemaeker

In deze heldere vriesnacht moet ik denken aan de ontelbare woorden van de ontelbare gedichten in de hoge donkere zalen, kelders, depots en oubliëtten van de grote bibliotheken.

Verzonken in papier, velijn of perkament, verzonken in hun rijmen, hun duisternis, hun metaforen, lang niet meer gelezen of voor immer ongelezen, slapen zij.

In deze heldere vriesnacht door bewustzijn aangeraakt, gaan de oude gedichten in de oude, koude bibliotheken vorsthelder knisperen, zoals gras en kreupelhout knisperen onder rijp in de witte bermen van de autostrada’s van de grote landen in de nacht.

En wat betekent voor jou, verre vriend, (even niet denkend aan Schönberg, Delvaux, Piero della Francesca), het begrip Verklärte Nacht?



© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.