Posts tonen met het label Verslag. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Verslag. Alle posts tonen

donderdag 18 september 2025

Damse Auteursdagen - verslag door Jacob van Maerlant

Verslag over de Damse Auteursdagen door Jacob van Maerlant

Op zaterdag 16 augustus was ik eindelijk terug in mijn geliefde Damme. Ik, Jacob, door Jan van Boendale zaliger ‘vader der Dietse dichtren algader’ genoemd, was op uitnodiging van de Vereniging der Westvlaamse Schrijvers (VWS) vanuit mijn Maerlant naar aldaar gekomen om er tijdens de Damse Auteursdagen op de VWS-stand mijn boek ‘Van neghen den besten’ aan te bieden. Ik stalde mijn ros bij herberg De Smisse en stapte gezwind naar de Markt waar ik de stand voorbehouden voor de VWS vond. Groot was mijn verwondering daar niet met de nodige waardigheid, in verhouding tot mijn historische bekendheid, verwelkomd te worden door de bestuursleden van de VWS. Ik trof er enkel mij twee minder belangrijke vertegenwoordigers aan. Misschien is het woord ‘vertegenwoordigers’ hier zelfs ongepast. De ene, Andreas van Rotslandt, een weliswaar ware boekenridder, bleek een Brabander te zijn. Gelukkig verwelkomde die mij met een variatie op de ooit door mezelf ten konde gemaakte uitdrukking ‘die scone Walsche valsche poeten die meer rimen dan si weten’. Nu in zijn mond als het zoveel Keltischer’ ‘Ach scone poëet die rijmt en weet’.

De andere, de Heer van Kappaert, een vanuit een Zuid-West-Vlaams dorpken met zijn toren aangespoelde charlatan, wiens troubadourstaaltje menig onkundige weet te ontroeren. Hij schaamde er zich zelfs niet voor daar in ‘mijn Damme’ een tweetalige dichtbundel ten aanschouwe van de voorbij slenterende zaterdagtoeristen bloot en schaamteloos op de VWS-tafels ten kijke te leggen. Waar waren toch die voorzitter en ondervoorzitter en secretaris en privémilitie van de VWS om orde op zaken te stellen? Ach, ik troostte me met het idee dat wat eens gebeurt voor eeuwig en altijd ‘gebeurd blijft’, ook deze Damse Auteurszaterdag, en dat het niet regende. Want terwijl ook de burgervader even langskwam en zijn liefde voor de poëzie getuigde, doch niets las noch kocht, werd de hemel wat donkerder. Maar het bleef droog en onze schatkist bleef leeg. Niemand kocht iets.

Tot een zekere bard, Chevalier M., ook auteur bij de gratie Gods ons driemanschap vervoegde, en nadat de Heer van Kappaert iets van hem ook iets van de Heer van Kappaert kocht. Later schonk Chevalier M., gratis doch niet wanhopig, nog één zijner poëziebundels aan de Heer van Kappaert. In de omringende boekhandels gingen ze daarop allen, elk om beurt, op wie-zoekt-die-vindt-en-koopt-tocht. Hun ledige beurs was dan nog lediger. Er was sprake van een negatief saldo. Maar zoals het voor VWS-schrijvers en -dichters hoort: wij bleven Rotselaarsvast geloven in wat de engelen en duivels der inspiratie ons bij dage en bij nachte dwingen op te schrijven, al dan niet met pen en inkt op papier, of met pc-klavier ‘into the cloud.’ Naar men mij vertelde zou zelfs de magie van het virtuele de VWS ondertussen bereikt hebben. 

In mijn brievenbus heb ik alvast sinds heugenis niets van hen mogen ontvangen. Toen ik mij terug te paarde naar Brughe Die Scone wou begeven, dit na het terug inpakken van al de eigen onverkochte en bij anderen gekochte boeken, en het gedrieën bevestigen van ons schoon en dapper bestaan, wachtte me nog meer ‘blues at Damme’: bij mijn ros teruggekeerd zag ik namelijk hoe aan zijn tuig een papiertje met melding van een parkeerboete ten bedrage van plusminus twee onverkochte dichtbundels bevestigd was. Nog te betalen in deze eeuw, waar alles mij veel te vlug gaat. Enigszins verbitterd door zoveel vooruitgang, galoppeerde ik dan maar allegro ma non troppo naar Brugge, waar ik overnachtte bij een vriendelijke dame die me liet vergeten dat ik die dag gekocht maar niet verkocht had. Ook zij vroeg me enige dukaten voor haar liefde voor mij en het hooi voor mijn paard. Ze verklapte me haar naam ‘de Markiezin’, maar smeekte me dat niet verder te vertellen. Iets wat ik U edele lezers al even uitdrukkelijk vraag.

De volgende dag besloot ik, om verdere paardenkracht-parkeerboetes te vermijden, met de Lijnbus naar Damme te reizen. Helaas heeft de Vlaamse Regering de bediening van de lijn naar Damme centrum op weekend- en feestdagen afgeschaft. Dit ter verbetering van de Vlaamse mobiliteit, waarbij men het gebruik der elektrische auto’s ten zeerste aanmoedigt en de paardenkrachten van het openbaar vervoer liever op stal houdt. Waarschijnlijk ook om op hooi te besparen? Maar dat is geen materie voor een artikel over de organisatie van hedendaagse Nederlandstalige literatuur.

Dus ik liet me met een toeristisch bootje over de Damse Vaart tot bij de VWS-stand naast mijn fier standbeeld varen. Nu was de dag zonniger, zijn naam ‘zondag’ waard. De verkoop bleef dezelfde: Zéro. Waarbij we een der boeiende periodes in de Vlaamse literatuur herdachten. We kregen een belegd broodje en een flesje drinkwater, voor mij zoals ik gevraagd had: bruisend. Gelaafd en gevoed bereikten we aldus het einde van de Damse Auteursdagen 2025, die roemloos ten onder gingen, terwijl Sidney Smith ( Londen 1845) vanuit het portiek van het Damse stadhuis ons stond toe te roepen ‘dat sommige mensen maar één boek in zich hebben en anderen een hele bibliotheek’ (zie C. Buddingh’s Citatenboek, citaat n° 539). Dat op de muziek van Gavin Bryars: ‘The Sinking of the Titanic’.

We besloten dat we nooit meer zouden terugkeren. Vaarwel Damme! Zij terug naar hun verlichte 21ste eeuw, met zijn overvloed aan publicaties, de ene al onmisbaarder en onbekender dan de andere, naar hun vaderland, en ik richting per beau navire naar Brugge, waar ik de trein naar Kortrijk nam, hopende aldaar de strijd te kunnen voortzetten. Helaas de Guldensporenslag was er nog niet begonnen. Alles was er nog vredig ende proper. De gilden betaalden er nog gelaten hun bijdrage aan een te verre koning. Met het idee dat men alles wat men in een goed boek leest, vroeg of laat, achteraf in zijn dromen zelf echt en waarachtig beleeft, ging ik slapen in Den Damier. Naast mij op het nachtkastje lag ‘Vrolijke verhaaltjes’ van de Heer van Rotslandt, en mijn platte beurs. Die ochtend zou ik in het uur van de wolf naar buiten sluipen en zonder de rekening te vereffen, met achterlating van een briefje waarop in sierlijk handschrift ‘siet hier Uylenspieghel; bidt Godt voor hem, hy was een recht cluytspeelder’, naar mijn heerlijk verduisterde middeleeuwen terugkeren. Dat zonder enige schaamte, want met mijn laatste 30€ had ik plichtbewust mijn lidmaatschap bij de VWS hernieuwd.

 

Jacob van Maerlant, eind augustus 1295+730

De Damse auteursdagen is een initiatief van:
Uitgeverij Zors Books, Uitgeverij Zorro, Stad Damme

Damse auteursdagen - met vlnr Bart Madou, Andreas Van Rompaey en José Vandenbroucke

zaterdag 5 oktober 2024

Breedschrift van Alain Delmotte voorgesteld

Donderdag laatst 3/10/2024 werd 'Breedschrift', een essaybundel van Digther-redacteur Alain Delmotte voorgesteld.

De alomtegenwoordige Jan 'Bib' Van Herreweghe schreef een verslagje over de boekvoorstelling in Boekhandel Limerick.



Alain Delmotte (°1957) krijgt vandaag eindelijk de aandacht die hij verdient. Hij publiceerde zijn gedichten eerder in eigen beheer en bij diverse uitgeverijen als Yang Poëzie Reeks, Groeninghe, Nerudafonds, Poëziecentrum, Stanza en Chapbooks. Zijn poëzie bleef echter in de marge van het literair gebeuren. Alleen echte poëziekenners weten wat Delmotte in zijn mars heeft. Enkele maanden geleden zette uitgeverij P, Leuven, haar schouders onder de publicatie van zijn bundel ‘Elementen van Warhoofdigheid’. Deze bundel bevat een verzameling leerdichten uit de periode 1997-2022. Deze leerdichten zijn prozagedichten met als centrale (taal)figuur “Warhoofd”, een personage dat meer wil zijn dan de dichter zelf.

Thans presenteerde diezelfde uitgeverij op donderdagavond 3 oktober 2024 in boekhandel Limerick, Gent, zijn essaybundel ‘Breedschrift’. Dit boek bevat beschouwende teksten over poëzie, recensies, dagboekfragmenten, overpeinzingen, filosofische bedenkingen uit de periode 1998-2020 … kortom een amalgaam van teksten over het onderwerp poëzie en in velerlei opzichten over het specifieke genre van het prozagedicht. Deze teksten verschenen eerder in verschillende tijdschriften en op blogs. Sommige teksten gelden nog steeds. Anderen zijn door de tijd achterhaald en werden door Delmotte herzien en waar nodig bijgewerkt. Omdat bepaalde vaststellingen en beweringen van destijds nu niet meer gelden en omdat het denken van een mens nu eenmaal evolueert.

Uitgeverij P neemt in Vlaanderen een unieke positie in. Nu al enkele decennia stuurt deze uitgeverij poëtische uitgaven de wereld in en dit onder het leiderschap en de niet aflatende bezieling van Leo Peeraer. Deze tomeloze inzet mag stilaan op hoger echelon erkend worden. De uitgeverij telt ondertussen al om en bij de 500 publicaties. Alain Delmotte heeft er nu ook onderdak gevonden en dat bevalt hem zeer.

Alain Delmotte is al jaren verknocht aan het prozagedicht. Die belangstelling kwam er door zijn interesse voor de Franse literatuur en in het bijzonder door het lezen van dichters als Charles Baudelaire, Arthur Rimbaud, Francis Ponge, André du Bouchet, René Char, Stéphane Mallarmé, Pierre Reverdy, André Breton, Henri Michaux, Paul Éluard en ga zomaar door. De Fransen hebben het genre van het ‘prose en poème’ wel degelijk onder de knie. En Delmotte verdiepte zich in een genre dat hij inmiddels tot het zijne heeft gemaakt. In onze lage landen is het genre van het prozagedicht zo goed als onontgonnen gebied. Op enkele uitzonderingen na. Het probleem is wellicht dat het genre zowat tussen twee stoelen valt. Enerzijds is het een gedicht, anderzijds is het wijdlopig en breedvoerig, weliswaar zonder de saaiheid die aan beide woorden kleven. Het prozagedicht neigt naar proza, ook al omwille van de typografie, de bladspiegel, de witregels enz. Maar de precieze afbakening blijft vooralsnog niet te vatten.

In zijn diepgaand gesprek met interviewer em. prof Dirk De Geest poneerde Delmotte op de avond van de voorstelling dat schrijvers als Erwin Mortier en Luuk Gruwez in hun prozateksten bij uitstek poëtisch schrijven en dat sommige passages uit hun oeuvre als prozagedichten kunnen worden beschouwd. Er is ook Paul van Ostaijen. Wat destijds als een groteske werd gepubliceerd — bv. ‘Het bordeel van Ika Loch’ en ‘De bende van de stronk’ —, kan evengoed als een prozagedicht worden beschouwd.

Maar hoe kunnen we het genre van het prozagedicht het best omschrijven? Een prozagedicht is een gedicht in proza, met andere woorden een gedicht dat niet in versvorm is geschreven. Uiterlijk gezien heeft het dus de vorm van een doorlopende tekst. Anderzijds hecht Delmotte wel belang aan witruimtes en hanteert hij stijlmiddelen als ritme en assonantie en voegt hij daar nog eigen kenmerken als melancholie en ironische humor aan toe. Het prozagedicht wordt soms wel eens als experimenteel beschouwd, maar dat stadium is het zijns inziens allang voorbij.

Voorts buigt Alain Delmotte zich eveneens over de vraag wat het nut is van het publiceren van poëzie. ‘Is het literaire ambitie of gewoon “ambitie”? Is het ijdelheid? Is het een vorm van hoogmoed? En ja, waarom nog poëzie publiceren in een tijdperk waarin “niemand” nog poëzie leest. En wie is die “niemand” dan? En met hoevelen moet men zijn om van die “niemand” een “iemand” te maken? De moeilijkheid is dat poëzie zich richt tot een “lezer” en niet tot een zo groot mogelijke statistische doelgroep. Poëzie consumeer je niet, je moet het lezen. Je moet het geven. Je moet het ontvangen. Ik beschouw poëzie als een fundamentele menselijke interactie.’

Geachte lezer, wie zich wil laven aan deze poëtische bron, wie zich wil vermeien in het wezen van de poëzie moet Breedschrift’ van Alain Delmotte lezen. En ik ga het geen twee keer zeggen.

In de rand: Alain Delmotte signeerde mijn exemplaar van zijn ‘Breedschrift’ met de zin: ‘In alle boeken wordt hetzelfde verzwegen’. Deze zin zindert na. Daar valt serieus over na te denken. Daar heb ik gisteren, vrijdag, de hele dag mijn hoofd over gebroken.
 
 
© Jan 'Bib' Van Herreweghe
Zaterdag 5 Oktober 2024

Dit verslagje verscheen ook op de Facebook-Bladzijde van Jan Bib


 
Alain Delmotte (l) in gesprek met Dirk De Geest
Foto c. Georges Hoet
Een heel geïnteresseerd publiek in Boekhandel Limerick
foto c. Georges Hoet