De mot en de maan
De greep van letters die de juiste snaren
van de woorden opspant en pijlen richt
naar een knikkende maan die in het donker
dicteert hoeveel noten ditmaal vallen mogen
uit de boom belast met jaren en blaren
alsook het wel en het wee van wassen
en zee en woelen en baren – onrust
als de mot de schijn van de maan kust.
Verleden verhalen vergeten, wat rest
te grabbel gooien en met dezelfde hand
naar de nieuwe maan te reiken
en haar daardoor dichter te weten.
Steden passeren te hooi en te gras.
Wakende weilanden, slapende zee.
Geborchte, gebergte, vlakte, legenden.
Ronkende namen als Argos en Atlas.
De ruis van stilte en diepe slaap
spint een dichte vacht omheen de nacht,
waar zonet met zacht geleid geknetter
’s mensen waan alweer werd omgebracht.
De mot is nimmer moe van de maan,
lantaarn der hemelhoge dichters,
die het fijne poeder van hun vleugels
in het vage vuur van verzen strooien.
Rust, rust als de maan de mot sust.
Wie slaakt de laatste zucht?
Wie geeft de eerste schreeuw?
Wie dicht de nacht genadig toe?
Wie kan de honingmaan weerstaan?
De maand is moe van domme dagen;
het bleke jaar vergeelt alweer gestaag.
Verzot op licht probeert de mot
de vale weerschijn van de maan
te lezen als kompas. Wijzer wordt zij niet:
in ’s dichters walm van vuur en vlam
en kaars aan het gesperde zolderraam,
een zucht te ver van de stille notelaar,
wordt alras met ongenood geflakker
het gevleugelde gedicht gesmoord.
Woorden doven in het ongerijmde;
noten ploffen hersendood terneer.
Wolken schuiven schielijk voor de maan.
Het raam moet dicht; het vers geschrapt.
Morgen zal de dichter dapper herbeginnen,
zodat een hemellichaam alsnog onbekend
tot in de eeuwigheid der nachten en der dagen
bijwijlen flonkerend zijn naam zal dragen.
Het zal de zon niet zijn, noch een maan.
Geen planeet, komeet of verre ster.
Misschien een suizende meteoriet,
maar helemaal in vlammen mag dan niet.
Anders herleidt het lezersgild naam en faam
van de poëet tot zichzelf verbrandend ruimtepuin,
niersteen van een alsnog onbekende Behemoth.
Eenzelfde lot wachtte immers de mot.
