maandag 15 juni 2026

Van scherven het raam, dan het licht

Vincent Van Gelder bespreekt Lagen van glas, de nieuwe bundel van Daniël Franck



Wit
is een zee van verhalen
voor er talen bestonden.

Zo opent ‘het wit’, het tweede gedicht uit de cyclus ‘De getijden’. De dichter gaat verder:

Het behoedzame gebaar
waarmee je een perzik van je afhoudt,
het monsteren van zachtheid
dat jou toebehoort.

Eenzelfde perzik als in T.S. Eliots ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’?

Shall I part my hair behind? Do I dare to eat a peach?
I shall wear white flannel trousers, and walk upon the beach.

Nu weet ik niet of Daniël Franck aan Eliot dacht, en of hij soms een witte flanellen broek draagt op het strand… Eigenlijk weet ik heel weinig van de auteur. Misschien dit: hij ligt in zijn taal “als in een naakt lichaam”, zoals hij schrijft in het openingsgedicht ‘nulpunt’; een lichaam dat echter nooit zonder onbehagen zal zijn, een taal die steeds tekortkomt, of, zoals we zo treffend lezen in het gedicht ‘vormelijkheid’:

het concept gevoel gevat in een lichaam
dat niet ophoudt
zichzelf uit zijn constructie te willen bevrijden.

Zouden we in dat licht nog herbeginnen?

Het deed me denken aan wat ik Peter O’Toole (‘Lawrence of Arabia’) eens hoorde zeggen over de woestijn: “It is so vast and unremittingly hard, and you can’t win, and you know you can’t win… and then you have a go.” De dichter weet dat hij nooit kan ‘winnen’ van de taal, maar kan niet anders dan het gevecht aan te gaan. “Er zijn / woestijnen die eens in een mensenleven tot bloei komen,” schrijft Franck in het gedicht ‘geen woorden’; dat weet de dichter, of houdt de dichter zichzelf voor om door te kunnen gaan.

De binnenflap van ‘Lagen van glas’ spreekt over “beeldende gedichten” en die duiding staat er niet voor de vorm. Die beelden kunnen heftig zijn (“Jij velde mij stripte mij vilde mij, / strekte mij in lange stroken uit”); verzachtend (“Dat ik beleven kan / hoe een kind een bal opgooit / en de verwondering dat iets daarbuiten / de bal heeft teruggebracht”); of ergens daartussenin (“We trekken het huiveren van de nacht / als een deken van spinnende katten over ons heen”). Daniël Franck bedient zich in elk register van originele metaforen en durft hierin ver én breed te gaan, wat een vampirische lezer lekker veel hals geeft om de oogtanden in te zetten.

Zo’n ‘film’ die wel erg dicht op de huid kwam, en er zelfs doorheen ging, vond ik in het openingsgedicht van de cyclus ‘Scherven’:

Met een hamertje sloeg je het glas uit de deur,
koos een stralende scherf uit, recht, scherp,
plaatste die aandachtig op de rand van het bad.

Eerst bestudeerde je de polsen,
stijfwitte pilaren met blauwe ondergrondse kanalen
vol verwachting.

Toen je uithaalde
pulseerde je bloed gelijk met je ademhaling,
je gedachten al neergeslagen.

Ik belde,
je rende de leefkamer in,
zei niets aan de hand,
je tenen bleek in de vloeiende bloedplas.

“Vraagt ge de weg naar de vrijheid? Gij kunt hem vinden in elke ader van uw lichaam,” horen we Seneca zeggen. Maar dit is een eenrichtingsweg. "Suicide is, after all, the opposite of the poem," wist ook Anne Sexton. Anders gezegd zet de dichter de scherven van dit bestaan niet tegen de polsen, maar snijdt de stukken zorgvuldig bij om in loodlijsten te passen; en bij het vallen van het licht door dit unieke en veelkleurige raam, kunnen ook anderen zich hieraan vergapen. Wat mij betreft toont Daniël Franck zich met zijn bundel een meester-glazenier.

Om in de beeldtaal van het aangehaalde fragment te blijven, wil dit echter niet zeggen dat ieder gedicht inkijk verschaft. Ook bij herlezing blijven bepaalde deuren gesloten; wat de lezer evenwel niet belet de sierlijke klinken te bewonderen en met de vingers langs het secure reliëfsnijwerk in het hout te strijken. We kunnen immers “lang oefenen in thuiskomen”, bevestigt de auteur ons.

Maar ik wil niet eindigen voor een gesloten deur. In het laatste gedicht van de bundel laat het lyrisch ik zich meedrijven “op gedweeë golven”, “naakt” en “krachteloos” (zo beeld ik mij in) als in het eerste gedicht. Zo wordt eindpunt nulpunt, en – in de woorden van René Gude – “Amor fati, hups daar gaat-ie!”; al zullen we met elke herlezing halt houden bij andere knappe versregels…

“Wij werken vanuit een gebroken wereld, en het enige wat we doen, is de scherven bijeenvegen… en te laten zien dat het scherven zijn,” dixit Lucebert. Dat de dichter meer doet, meer moet doen, hoop ik in deze korte beschouwing te hebben aangetoond. Daniël Franck heeft in ieder geval meer gedaan.

© Vincent Van Gelder

Daniël Franck, Lagen van glas, Uitgeverij P, 2026, 72 pagina’s, ISBN 978-94-93534-00-1

Geen opmerkingen: