Posts tonen met het label Johan Clarysse. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Johan Clarysse. Alle posts tonen

maandag 10 augustus 2026

Een afgemeten spreidstand - Daniël Franck over 'Randschade' van Johan Clarysse

 

 

Een afgemeten spreidstand.

Daniël Franck over ‘Randschade’ van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3)

Johan Clarysse maakte faam als kunstschilder in binnen- en buitenland, maar was ook al vroeg gebeten door het woord. In de jaren ’80 publiceerde hij even in enkele tijdschriften om vanaf de jaren 2020 het dichten terug een prominente plaats te geven. Na zijn gesmaakte debuut ‘Het geduld van water’ (2024) volgt nu ‘Randschade’.

Een dichter en zijn bundel laten zich kennen door het woordgebruik en dat treedt in deze bundel wel heel prominent naar voren. Sommige woorden springen er immers door hun veelvuldige herhaling (al dan niet in samenstellingen) echt uit. De clusters die zo ontstaan gunnen ons een blik op de inhoud van de bundel: een grote cluster rond licht, leven en het vasthouden hieraan, kleinere clusters rond kijken en spreken. We zullen een dichter ontmoeten die gedwongen door externe factoren vol in het leven staat, maar tegelijk een positie vindt om te beschouwen.

Licht’ is het meest dominante woord in deze bundel. Dat kan bovendien nog worden gelinkt aan woorden als ‘dag’ en ‘ochtend’. Dat is niet verwonderlijk. Voor een schilder is dat het essentiële element, het dansen van het licht en hoe dat binnen te trekken in je beeld. Maar het is hier helemaal vervlochten met het dominante thema van de bundel, namelijk ziekte, afscheid en het gretige vastklampen aan het leven.

De openingsregels van de bundel luiden

Er groeien tubes in mijn holtes.

De QR-code rond mijn pols weet niet wie ik ben.

Parameters wachten op hun digitale score.

Zo weten we meteen waar we aan toe zijn. De dichter zelf moet vaststellen “ik lig erbij / en kijk ernaar als naar de ruïnes van een tempel // krijg mijn lichaam niet gezegd”. In deze zware omstandigheid waarin het lichaam zich bevindt, zoekt Johan Clarysse aan de hand van die beelden naar het licht, met de taal als toorts en houvast, vatbaar voor alle prikkels die hij ontvangt en opvangt, gaande van de nauwelijks geregistreerde woorden van een dokter tot de geestelijke confrontatie met demonen. Nergens ontwaar je een zweem van fatalisme, slechts af en toe steken “opstandige vragen” nog eens de kop op. Eerder is er een gulzigheid alles nog te omvatten en dus maakt de patiënt zich sterk: “De klaagstoel / aan mijn bed / schroef ik los”. De zieke bezweert zichzelf. Door woorden te vinden voor het moeilijk aanvaardbare kan een begin worden gemaakt van aanvaarding. In die blik vullen objectieve en subjectieve benaderingen elkaar aan.

We zijn allen onderweg naar het verdwijnen. Wie zich daar bewust van wordt gemaakt, zal scherper kijken. Al gaat daar zeker een strijd aan vooraf:

 

Weerstaan of meedeinen

gebalde vuist of golf:

een spreidstand die mij kiest

En er is die ene belangrijke strijdmakker: “Tot jij de kamer binnenkomt, zuurstof / pompt in de zieke lucht.” Het zal leiden tot de cyclus ‘Baken’ waar in het samenzijn met de geliefde even rust kan worden gevonden.

De cyclus ‘Doodgewoon’ brengt de dood tastbaar aanwezig; “Welk masker draagt hij wanneer hij / zijn mond tegen je rechterwang drukt?” klinkt het in het lichtelijk beklemmende ‘Schim’ dat niet zomaar besluit met een sprankeltje als ironie vermomde hoop: “Stemmen vriendelijke dichters hem milder?

‘Tussentijdse berichten’ is de meest contemplatieve cyclus en biedt ook ruimte voor herinneringen, onder meer aan de grootmoeder, en vooral ook voor de mini-reeks ‘Anoniem’ opgedragen aan de vrijwilligers van Tele-Onthaal en waar de dichter zijn maatschappelijk masker laat vallen.

Ook de schilder is prominent aanwezig, zie onder meer de weerkerende woorden ‘oog’ of ‘blik’, ‘zien’ of ‘kijken’. Dit komt letterlijk aan de oppervlakte drijven in de cyclus ‘Wie niet kijkt, ziet niet’. Hier trekken we nog eens de wereld in, naar de tuin, naar zee, naar het om zijn megalieten bekende Wéris. Uitgerekend in deze cyclus besluit een gedicht met de woorden “Het hevigst leeft hij in het woord”. Cyclus en bundel eindigen in een treffend kleinood:


Nomadisch

 

Je voert een gesprek met de eik

waaronder je languit rust:

over een tweede heelal

waar alles eindeloos begint

en waar nomadische zielen

naar buitenaardse woorden zoeken.

 

Je bereidt je voor.

Johan Clarysse schrijft poëzie zoals ik me voorstel dat een schilder schildert: met rust, aandacht en afstand.

Deze bundel biedt een coherent en open verhaal, waar de woorden adequaat hun werk mogen doen in een direct toegankelijke en heldere taal. Voortdurend wordt de spanning opgezocht tussen de blik van de dichter en zijn gevoelswereld. Dat gebeurt aan de hand van vrije verzen, in een opvallend rustig ritme, die zich met hoorbaar gemak tot een lezer richten, met korte, afgemeten observaties, sober maar helder en raak van taal, gevat in makkelijk behapbare strofes. De bundel is ook netjes opgedeeld in vijf cycli, zodat je als lezer altijd op adem kunt komen. Overal is de zegging welluidend en de gedichten vertonen een opvallende rijkdom aan treffende zinnen en observaties: “het manuscript van de avond”; “de ochtend die tussen de lakens klimt”; “een vertrouwde nacht die tegen de ramen tikt”; “oktober ligt als een natte dweil aan je stoep”; “ergernis krult in mij als een verbrande lucifer”.

Het is geen hogere filosofie die hier wordt beleden. Daarvoor is er geen tijd meer. Als de dood al in het steegje staat, tel je je stappen, je kijkt om je heen, reflecteert nog wat, weet dat de randschade deze keer jou zal treffen en stapt met een mengeling van aarzeling, nieuwsgierigheid en moed verder.

De bundel evolueert van zeer concreet naar eerder contemplatief. Daar zit een beweging van loslaten in. De lezer daarentegen blijft alert voor het ganse gebeuren en tracht mee te dragen wat ondraagbaar is. Voor later.

 

Kiezel

 

Gekortwiekt tussen bedstijlen

heb ik je lang gevreesd.

Al had je iets onschuldigs.

 

Even herkende ik je gezicht

toen je met de armen zwaaide. Ik vroeg me af

of jij ook uit vlees, bloed en slijm bestond.

 

Je bekende dat je een kiezelsteen bent

in de laars van al wat leeft en beweegt.

Ik sprak je niet tegen, wist dat ik niet

dezelfde meer zou zijn.

 

Nu bespied ik jou

op veilige afstand

verstil je tot achtergrondruis.

 

Als een kauw hang je

boven mijn oranjerode dak.

Ik zie hoe je glanst op de nok.

© Daniël Franck


Johan Clarysse - Foto c. Paul Rigolle

Randschade van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3

 


zondag 2 augustus 2026

Oproerkraaiers in het hoofd

In kort bestek - Notities van de redactie (4)

Alain Delmotte in kort bestek over Randschade van Johan Clarysse

(fragment recensie)

Foto: Alain Delmotte

Wie de hogergenoemde oproerkraaiers in het hoofd zijn of wie het geritsel in het hoofd veroorzaakt, wordt duidelijk in het gedicht ‘Demonen’. Ze stapelen zich op in de stoffige kelders van onze psyché. In nare dromen grijpen ze het woord en de dichter verleent hun spreekrecht in een gedicht. Daar horen ze thuis. Ze kunnen zich er schuilhouden in de taal. Op die manier wordt de taal zelf tot een demon. Het is een feit: demonen maken deel uit van onze duisterste plekken:

Vandaag geef je hun spreekrecht
omarm je ze als een vertrouwde nacht.

Johan Clarysse Randschade – uitgeverij P – Leuven 2026 - Isbn 978 94 93534 06 3 

Facebook-bericht van Alain Delmotte - 29/07/2026

Dit is een fragment uit een uitvoerige recensie die Alain Delmotte in november 2026 publiceert in het Jaarboek 2026 van de VWS.

Rubriek "In kort bestek"


woensdag 22 april 2026

Keerpunt - Johan Clarysse

Keerpunt
 
Voor P. Bonnard
  
Van kleuren meet hij het soortelijk
gewicht. Hij ordent ze, verstoort ze
zet ze op hun kop.
 
Soms liggen ze er uitgestrekt bij
dan weer richten ze zich op
en staan ze op hun strepen.
 
Paarsen zonder naam legt hij te slapen in de heuvels.
Onder het Engels rood van daken zit venijn.
Het groen van gras springt alle kanten op.
 
Een tafel in wit verliest
haar zwaartekracht, een rand in rood
plaatst haar stevig op de grond
 

© Johan Clarysse


Voorpublicatie uit de bundel ‘Randschade’ van Johan Clarysse.

De bundel wordt voorgesteld op zondag 3 mei 2026 om 11:00 u. e.k. in de Snuffel in Brugge (Ezelstraat 42)

Het programma:
Herman Leenders, auteur en gewezen stadsdichter van Brugge leidt de bundel in. Johan Clarysse leest voor. Gastdichters Astrid ArnsAnnika Cannaerts en Elise Vos lezen hun voorkeursgedicht uit de bundel en reageren met een eigen gedicht. Componist en muzikant Wout Clarysse zorgt met zijn soundscapes voor de muzikale input. Uitgever Leo Peeraer reikt de eerste exemplaren uit.

Tijdens de nababbel in café De Snuffel signeert Johan graag zijn bundel.

Gratis inkom. Inschrijven doe je via: contact@uitgeverijp.be (of brugge@masereelfonds.be)
Meer info over de voorstelling vind je via deze link op de website van Johan.

Johan Clarysse is, zoals bekend ook plastisch kunstenaar. Momenteel loopt een retrospectieve met werk van hem uit de nineties in de Brugse Speelmanskapel: Back to the Nineties.

Ook in de Brugse Poortersloge is nog tot 7 juni in de Antwoordtentoonstelling op het muurwerk 'Vivid'  van de huiskunstenaar van het CC Brugge, Joke Raes, werk van Clarysse te zien.
Zie hiervoor deze Air-Biekorf-link.





 


dinsdag 21 april 2026

Levenslied - Johan Clarysse

Levenslied

Voor mijn vriend Peter


Dat het nooit de lading dekt
hoeveel levens je ook leeft 

dat het op stelten loopt
als het water tot aan de lippen reikt.

Dat het stroomt en stokt en raast
dat je er veel kan van houden zoals het is:
kraakwit als een vers laken
zwart als verkoold ivoor 

een afgedragen jas
die is blijven hangen in de kast
een stadsduif die zijn weg niet vindt
en dronken rondjes loopt. 

Dat je er kan doorgaan als een komma
vermomd als vraagteken. 

Dat het nooit de lading dekt.

© Johan Clarysse


Voorpublicatie uit de bundel ‘Randschade’ van Johan Clarysse.

De bundel wordt voorgesteld op zondag 3 mei 2026 om 11:00 u. e.k. in de Snuffel in Brugge (Ezelstraat 42)

Het programma:
Herman Leenders, auteur en gewezen stadsdichter van Brugge leidt de bundel in. Johan Clarysse leest voor. Gastdichters Astrid ArnsAnnika Cannaerts en Elise Vos lezen hun voorkeursgedicht uit de bundel en reageren met een eigen gedicht. Componist en muzikant Wout Clarysse zorgt met zijn soundscapes voor de muzikale input. Uitgever Leo Peeraer reikt de eerste exemplaren uit.

Tijdens de nababbel in café De Snuffel signeert Johan graag zijn bundel.

Gratis inkom. Inschrijven doe je via: contact@uitgeverijp.be (of brugge@masereelfonds.be)
Meer info over de voorstelling vind je via deze link op de website van Johan.

Johan Clarysse is, zoals bekend ook plastisch kunstenaar. Momenteel loopt een retrospectieve met werk van hem uit de nineties in de Brugse Speelmanskapel: Back to the Nineties.

Ook in de Brugse Poortersloge is nog tot 7 juni in de Antwoordtentoonstelling op het muurwerk 'Vivid'  van de huiskunstenaar van het CC Brugge, Joke Raes, werk van Clarysse te zien.
Zie hiervoor deze Air-Biekorf-link.





 

maandag 20 april 2026

Baken - Johan Clarysse

 
Baken
 
Als vraagtekens liggen we in bed.
We filteren herinneringen, spalken
beloftes met taal, warmen elkaars botten.
 
Wanneer de avond dichtslaat
verklaren we elkaar tot baken.
Licht blijft hangen onderweg.
 
Laat ons het firmament uitrollen
in de beslotenheid van deze kamer
zwijgt ze.
 
Als haar hand een wig drijft
tussen tong en taal tast ik
in het duister.

Buiten wordt het zachter
hoor ik een piano
geeft regen de toon aan.

© Johan Clarysse


Voorpublicatie uit de bundel ‘Randschade’ van Johan Clarysse.

De bundel wordt voorgesteld op zondag 3 mei 2026 om 11:00 u. e.k. in de Snuffel in Brugge (Ezelstraat 42)

Het programma:
Herman Leenders, auteur en gewezen stadsdichter van Brugge leidt de bundel in. Johan Clarysse leest voor. Gastdichters Astrid Arns, Annika Cannaerts en Elise Vos lezen hun voorkeursgedicht uit de bundel en reageren met een eigen gedicht. Componist en muzikant Wout Clarysse zorgt met zijn soundscapes voor de muzikale input. Uitgever Leo Peeraer reikt de eerste exemplaren uit.

Tijdens de nababbel in café De Snuffel signeert Johan graag zijn bundel.

Gratis inkom. Inschrijven doe je via: contact@uitgeverijp.be (of brugge@masereelfonds.be)
Meer info over de voorstelling vind je via deze link op de website van Johan.

Johan Clarysse is, zoals bekend ook plastisch kunstenaar. Momenteel loopt een retrospectieve met werk van hem uit de nineties in de Brugse Speelmanskapel: Back to the Nineties.

Ook in de Brugse Poortersloge is nog tot 7 juni in de Antwoordtentoonstelling op het muurwerk 'Vivid'  van de huiskunstenaar van het CC Brugge, Joke Raes, werk van Clarysse te zien.
Zie hiervoor deze Air-Biekorf-link.





 

donderdag 15 januari 2026

Anoniem - Johan Clarysse

Anoniem *

Voor oproeper A

 
Je stopt het ouderlijke huis als verfrommeld 
papier in je broekzak.
Iets kan groeien in een hoofd
tot het geen ruimte meer laat. 

Je sloopt jezelf tot kraakpand
met een survivalkit bivakkeer je 

leest de stapelwolken boven het dakraam
– hoe ze moe van het drijven
gaan rusten in het stadspark.

Het regent gedachtestrepen, herinneringen
verliezen contouren. Je ondervraagt
de langgerekte schaduw van je vader
hertekent hem.

 
*Vrijwilligers van Tele-Onthaal bieden via telefoon of chat – anoniem en 24 op 24 uur - een luisterend oor, opvang en ondersteuning aan oproepers met levensmoeilijkheden of in crisis.

 
II

Voor oproeper J


Gedachten kiezen de verkeerde kant.
Je verzint een wachtwoord om tot ze
door te dringen, een onderduikadres.
Kansloos je gok. 

Kilo’s huwelijk hangen
als keien rond je nek. 

De regie van je leven
een vermoeiende leugen.
Je knijpt de vingers tot vuist
in het theater dat je opvoert.

Publiek heeft de zaal verlaten.


 

III

Voor oproeper Z


Te lang geschommeld in
een hangmat van geluk. 

Je maakt een bilan op
tekent harde omtreklijnen
op een doek dat valt. 

Oude charmes heb je naast je
neergelegd. Verlangen op stal gezet. 

Je loopt een record
in afstand tot elkaar. 

Opgelucht val je door de mand.

© Johan Clarysse 

Uit 'Randschade', typoscript in wording van de tweede bundel van Johan Clarysse.
De bundel zal worden voorgesteld in de Brugse Snuffel op 3 mei 2026. Herman Leenders zal de bundel inleiden.

Johan Clarysse - foto © Paul Rigolle



 

dinsdag 23 december 2025

In het letterlabyrint van de liefde

Openingstoespraak van Antoon Van den Braembussche bij de voorstelling van 'Verdraaide liefde”  van Jan M. Meier.

Jan M Meier is een jong dichter. Een erg jong dichter. Dit mag een beetje vreemd klinken, maar het is pas sinds 2017 dat hij regelmatig dichtbundels het licht laat zien. Inderdaad, onder zijn echte naam Jean-Marie Maes debuteerde hij in 1972 reeds met Figuratie , een beloftevolle bundel die meteen werd bekroond met de debutantenprijs voor poëzie van de provincie Oost-Vlaanderen, Toen bleef het stil, 45 jaar lang stil, op enkele sporadische en tussentijdse gedichten na. 

In 2017 dus, op 66 jarige leeftijd, verraste hij vriend en vijand met een nieuwe bundel Engelenspoor. Deze bundel stond grotendeels in het teken van het onverwachte verlies van een eigen kind. De bundel belichaamde een prangende, aangrijpende, poëtische verkenning van dood en vergankelijkheid. Dit zette meteen de toon voor een nieuw beginnend oeuvre, waarin, aldus Dirk de Geest, de grote, existentiële vragen niet uit de weg worden gegaan. Naast een paar bundels die minder aandacht kregen, zijn het vooral Grote Gevoelens  (2020) en de dubbelbundel Verstrengelingen (2024) die zeer goed ontvangen werden en hem als dichter definitief op de kaart hebben gezet.

En nu is er Verdraaide liefde (2025), de bundel die vandaag verschijnt en die tevens opmerkelijke schilderijen en tekeningen van Johan Clarysse bevat. En zoals steeds heeft uitgeverij P voor een erg fraaie uitgave gezorgd. In feite is Verdraaide liefde een onderdeel van een ooit geplande trilogie, waarvan deel 2 Verstrengeling en deel 3 Taalslag al in de reeds genoemde dubbelbundel Verstrengelingen (2024, 144 p.) verschenen. Nu pas kan de trilogie in zijn geheel worden gelezen. De oorspronkelijk geplande volgorde is dus: Verdraaide liefde, Verstrengeling en Taalslag.

Centrale thematiek

Vanuit deze trilogie kan men gemakkelijk een centrale thematiek duiden, die meteen ook de unieke identiteit van Jan M. Meier als dichter belichaamt. Er zijn immers maar weinige dichters waarvan de liefdesgedichten zozeer verankerd zijn in het lichaam. De verstrengeling van beide lichamen tijdens de liefdesdaad wordt steevast geassocieerd met klank, muziek, bespiegeling, stilstand van de tijd en vooral ook met taal, het “letterlabyrint”, waarover de dichter spreekt. Elke vraag, elk antwoord gaat van het lichaam uit. De gedichten zijn een ode aan de lichamelijke verkenning en extase, maar tegelijk is er altijd onderhuids aanwezig: de teleurstelling, de tastbare paradox, de ironische kwinkslag, de negatieve weerslag, het nuchtere ontwaken in de tijd. Het is precies aan de dualiteit tussen ode en verwording, tussen bevrijding en verdraaiing dat deze poëzie haar unieke spankracht ontleent. Dit is ook de reden waarom de gedichten menig lezer blijvend zullen ontroeren en intrigeren. 

Verdraaide liefde

Laat ons nu een vijftal aspecten toelichten van Verdraaide Liefde die deze centrale thematiek nader toelichten en gestalte geven.

Een eerste aspect is de ode aan de lichamelijke liefde. Een aantal gedichten hebben als grondtoon de erotische betovering, Een lofzang van de liefdesdaad, de paringsdaad, letterlijk “nahijgend in schor gekrijs”, zoals het in één van de gedichten luidt. Hier wordt het dionysische karakter van de liefde beklemtoond als een (ik citeer) “storm over het slagveld van je lijf”, die uiteindelijk eindigt met (ik citeer) “hij de gemerkte man”, “doorzichtig als dubbelspiegelglas”. De minnaar bestaat haast niet meer! Hij verdwijnt in het niets. Hij is letterlijk overgeleverd aan de liefde, het verlangen, de roes, het heidens genieten, de drift als een (ik citeer) “een blinde aalscholver die duikt”. De paringsdaad wordt tegelijk niet zelden geëvoceerd als een bevrijdend oponthoud, een “dijk tegen de tijd”. 


Een tweede aspect, dat ik al her en daar aanraakte, is de dualiteit van de liefde. Het is aan deze dualiteit dat de voorliggende bundel onder meer zijn titel Verdraaide liefde ontleent. De verdraaiing slaat in de eerste plaats op de ambiguïteit van de liefde. De liefde verwijst evengoed naar goden als naar demonen, evengoed naar wellust als naar weemoed. Deze tweespalt van de liefde is bijna overal aanwezig. Het is een spanningsveld dat ook als prikkel kan worden gezien tot het dichten zelf. De tweespalt leidt ook tot een omkering van de liefde, Het gedicht vertolkt als het ware deze omkering, deze “verdraaide liefde”. Wat overblijft is, zoals de dichter getuigt, “de hapering van onze harten/in woorden bevroren”. Of nog: We zijn “tot in winterwortels bevroren”. De liefdesvervoering is “zo weer weggewist” en eindigt met “de witte kilte binnenin”. De dualiteit van hitte en ijs is overal aanwezig: zo zijn, aldus de dichter, “de fata morgana/al in het ijs verankerd”. De liefde lijdt letterlijk aan een onderhuidse verdraaiing, “een tot schaduw herschreven zon”, zoals de dichter prachtig verwoordt. “Scheur het kleed van de stilte”, zo protesteert de dichter die gevangen blijft in de tweespalt, in wat hij dooikoorts noemt, of een vagevuur dat hij als compromis omschrijft. Soms kristalliseert zich de dualiteit in een ware paradox, zoals in: “in de rechte straten van het geheugen/ blijf jij op spoorafstand/onbereikbaar binnen bereik”!?

De dualiteit wordt niet altijd even dramatisch verwoord. Dit leidt me tot een derde aspect van de bundel, namelijk de ironie van de liefde. Inderdaad, soms is de stap van tragiek naar ironie heel nadrukkelijk aanwezig. Verdraaide liefde betekent hier wat men in eerste instantie zou associëren met de titel: de dekselse liefde, de verdomde liefde, de vermaledijde of verrekte liefde. De dichter lacht met de liefde, kaffert haar uit, bekijkt haar met een ironische toets. Zo schrijft hij: “de lijn van je wang zigzagt/van kin naar oogkuil/zon en zwart gat tegelijk/dit moet liefde zijn!”. Elders wordt de liefde beleefd met “een toets van anijs”. Soms krijgt hij als minnaar “een koekje van eigen deeg”. De lach en de humor is niet zelden een mooi tegengewicht tegen de meer zwaarwichtige, soms bittere, verwrongen, wanhopige omkering van de liefde.  

Een vierde belangrijk en erg relevant aspect van de bundel is de verstrengeling van taal en liefde. Vaak is de verstrengeling van lichamen verbonden met dans, muziek en vooral de taal van het gedicht. Liefdesdaad is taal: “Hijskranen takelen letters op het blad”, zo luidt het. Zeer origineel in de bundel is de iconische band tussen liefde en schrijven, tussen liefde als opening naar taal en expressie in en door het gedicht. Zo schrijft de dichter: “het vel van liefde niet vlekkeloos/een stafrijm voor haar stotter/het witte blad onthult zijn verhaal/pas als het beschreven is”. Een ander voorbeeld is het schitterend begin van Dooikoorts I: liefde in je naam getaald/zo vangen aan de ongeschreven brieven”. Toch is de taal vaak machteloos. Zo ontgraaft de dichter naar eigen zeggen het alfabet, de taal, het gedicht, en toch blijft alles sprakeloos en in flagrante tegenspraak.

Andere, opvallende aspecten van de bundel zijn de locatie van de liefde in de ruimte en de innige band tussen eten en liefde. Ik kan de vaak dansante ruimtelijke verkenning van de ruimte (“een lichaam dat zich laaft aan pirouettes”) en de culinaire dimensie van de erotiek  hier enkel aanstippen, echter niet uitwerken. Ik zou willen eindigen met een vijfde, fundamenteel aspect van de bundel dat men niet meteen zou verwachten, namelijk de mystieke dimensie van de liefde. Naast de hapering, de vergankelijkheid, de omkering van de liefde wordt deze vergankelijkheid zelf omgekeerd. Dit is een prachtige paradox die een diepere laag van de bundel blootlegt. Liefde is enerzijds het “tederste bedrog”, maar het is tegelijk datgene wat ongrijpbaar is, In sommige gedichten, zoals in vouwmeester van woorden, wordt liefde niet zelden en vaak onverwachts geassocieerd met “oneindigheid”, “eeuwigheid” “grenzeloosheid”. Deze mystieke dimensie ligt aan gene zijde van de hapering, de verdraaiing, het vergankelijke, zelfs van de taal zelf. Liefde en de geliefde behoren uiteindelijk tot het domein van het onzegbare. En wellicht is het het onzegbare, het onbereikbare dat niet enkel de liefde maar ook het gedicht letterlijk in beweging brengt.  

Ik eindig met een zeer gaaf gedicht waarin de verstrengeling van taal, muziek en beeld zich uiteindelijk veruitwendigt in  het spanningsveld tussen hitte en ijs. Van dualiteit gesproken! Het is een dualiteit die hier opnieuw verwijst naar de “verdraaiing van de liefde”!

dooikoorts

1

liefde in je naam getaald
zo vangen aan de ongeschreven brieven 

het is een aloud verhaal
dat ik bedenk met de bekende klanken 

tot je kleuren beken ik me
met de lijnen van je lichaam

lees ik samen
van turkse baden de tedere hitte
de lafenis van lavendel 

de fata morgana
al in het ijs verankerd

© Antoon Van den Braembussche

 

Collage van de voorstelling. Van LnrR en van boven naar 
onder: gesprek met Paul Rigolle, Leo Peeraer, Jan M. Meier
en Groepsfoto met Antoon Van den Braembussche, Jan M. Meier,
Diane Ruthgeerts, Paul Rigolle, Johan Clarysse en Niels Poppe.


Antoon Van den Braembussche (foto: Paul Rigolle)

donderdag 20 maart 2025

Lijfspraak @Roes in P.T. Barn Roeselare


Op zaterdag 29 maart 2025 organiseert Collectief Obsidiaan i.s.m. stadsdichter #vanrsl Steven Van Der Heyden om 20:00 uur een nieuwe Roes-voorstelling en dit in de intieme setting van P.T. Barn (Roeselare). De dichters Johan ClarysseElke CouchezPaul RigolleLudwien Veranneman en de stadsdichter Steven Van Der Heyden gaan er aan de slag rond het thema ‘Lijfspraak’ dus zak gerust af, laat je raken door de woorden, lijfelijk, intens en onverbiddelijk! Muzikale intermezzi worden verzorgd door Sam Vandamme.


Setting: P.T. Barn



zondag 23 februari 2025

Hartenjagen - Johan Clarysse

 Aangetroffen gedichten in het straatbeeld

(en overal elders in de wereld) (25)



Hartenjagen

Zo licht en vrij is het
om ons te zijn.

We tekenen het gebaar 
waarmee de dag begint
en de nacht uit onze huizen valt,

tellen de zeges
en de verdragen in het warme
rekenstelsel van onze handen,

spelen kaart, hartenjagen, schaak
in de vriendenclub van onze vingers.
Later zetten we de lopers in, 

leggen we dezelfde vingers
op oude, naamloze wonden.


© Johan Clarysse

Dit gedicht werd op 20/2/2025 aangetroffen op een raam van de woning van de dichter. 'Hartenjagen' staat ook in de debuutbundel van Johan Clarysse: 'Het geduld van water'.

Foto Paul Rigolle - donderdag 20 februari 2025.


dinsdag 17 december 2024

Chroniqueur van badend licht

Alain Delmotte bespreekt 'Het geduld van water' van Johan Clarysse


Het geduld van water’ is de eerste bundel van Johan Clarysse (1957). Een laat maar ook een van maturiteit en vakbekwaamheid getuigend debuut. Lectuur- en levenservaring kristalliseerden zich tot poëtische, taalbewuste, geraffineerde teksten. Clarysse is eveneens schilder. Maar ik wens niet in de verleiding te komen om zijn dicht- en schilderwerk met elkaar te vergelijken of in verband te brengen.  Zijn plastisch werk ken ik overigens enkel via zijn facebook, waarop hij regelmatig een foto van een van zijn werken toont. Op het gevoel af zou ik durven stellen dat zijn figuratieve schilderwerken iets verontrustends, bedreigends, vervreemdends in zich uitdragen. Ze bevinden zich tussen licht en duisternis, chimère en wezenlijkheid.

Zonder dat ik er een etiket op wil plakken, lijkt het me dat de gedichten in deze bundel zich ergens tussen het confessionele en het reflexieve bevinden. Enerzijds belijdend, anderzijds beschouwend. En vooral in combinaties van beide. Ze brengen de ‘breuklijnen’ tussen de twee in (taal)beeld. ‘Breuklijn’ is de titel van één van de gedichten uit de bundel die ondertussen zijn eigen weg naar het publiek heeft gevonden. We lezen er de volgende regel: ‘een raam/waaruit het uitzicht is verdwenen’. Hij lijkt me typisch voor wat er (onder meer) in deze bundel gebeurt: een zoektocht naar wat is verdwenen en een poging tot reconstructie van wat is verdwenen. Tot ‘behouden’. Mag ik dat raam interpreteren als metafoor voor een wit blad (of een wit doek)? Je zou kunnen stellen dat het begrip ‘herinnering’ binnen het geheel centraal wordt gesteld: iets wat we in heel veel poëzie terugvinden maar Clarysse werkt het op een authentieke manier uit.

‘Herinnering’ is niet het enige gegeven binnen deze bundel. Ik had het al over maturiteit en vakbekwaamheid. Dat blijkt in de wijze waarop de dichter in zijn gedichten verschillende gelaagdheden heeft weten in te bouwen. Indien ik hier de focus zal leggen op de ‘herinnering’ dan doe ik dat in het besef dat het maar één van de leesmogelijkheden betreft.

De bundel bestaat uit vijf afdelingen die elk voorafgaan worden met citaten van auteurs die ons veel vertellen over welke boeken de dichter in zijn kast heeft staan. Kopland, Auden, Pessoa, Char, Szymborska en Nietzsche passeren de revue.

De eerste afdeling ‘Afscheid’ portretteert een moeder en een vader. Bij uitstek een cyclus over de herinnering. In het gedicht over de moeder lezen we de drijfveer van de dichter al af: ‘namen in de schors van het geheugen schrijven’.

Herinneringen aan herinneringen 
graven wij op als nieuwe vondsten.

In de gedichten over de vader staat er:

Gelukkig zit het lichaam vol geheugen.
Van sporen neem ik afdrukken
stapel ze laag op laag

Het lijkt op een poëticaal statement. Er wordt naar het al hoger genoemde raam verwezen:

Huizen hadden weinig ramen in ons dorp.
Uitzicht, zei je, is iets wat je maken moet.

Het uitzicht moeten de dichter en de lezers zelf bedenken.

Ook viel mij de confrontatie tussen de broze binnenwereld en de boze buitenwereld op. De werkelijkheid bedreigt de moederlijke vertrouwelijkheid:

(…) We praten over appeltaart, de kunst
van het ontvlekken, roze bietenmousse
en in de boze wereld buiten:
schaliegas, wir schaffen das, oorlogsgedruis. 

Bij het reflecteren over het heengaan van die moeder en die vader voelt de rouwende dichter zich ‘een gevangene op vrije voeten’.

In de volgende cyclus ‘Spiegel’ is hij ook een gevangene van de tijd. Tijd is het medium waaraan we herinneringen te danken hebben. En de tijd is de omstandigheid die zowel aanwezig als afwezig kan maken. Herinneren is ook het enige mogelijke verweer tegen de jaren die de tel verloren hebben. We houden er ‘naamloze wonden’ aan over. Een ander verweer dat mogelijk is en dat houvast kan bieden is het samenzijn met een ander, met een geliefde: het komt tot een symbiose (met een aan Nolens refererende echo erin).

Zo licht en vrij is het
om ons te zijn.

Het jij en ik zijn in staat elkaar aan te kijken alsof ze er nooit eerder waren. Stel dus niets uit - lezen we. Het is niet nodig om tot morgen te wachten. Het jij en ik worden een alziend oog.

Was ik een orkaan, je zou schuilen
in mijn alziend oog

Zien is een motief dat meer dan eens opduikt.

De titel van de derde reeks spreekt voor zich ‘Breinmist’. Er is sprake van een confrontatie tussen een ik en een demente persoon. Iemand bij wie geleidelijk aan ‘vergeten’ de plaats inneemt van de herinneringen, of die op losse schroeven zet:

(…) Herinneringen

Tast ze af op de grens tussen haar en mij.
Heel even zijn ze er, dan weer niet. 

Er ontstaat een duistere zone:

Geef mij de nachtkant zegt ze
in een vonk van helderheid.

De tijd schommelt heen en weer, dagen vloeien in elkaar, gaan uit elkaar ‘in een wirwar van tijdlijnen’. De tijd heeft geen richting meer: ‘Alles is te veel en eeuwig is te lang’. Ook wordt hierbij de taal aangetast. Betekenissen slaan op hol, worden hol. Een aantal citaten in dat verband kunnen dit bewijzen: ‘Zij laat zich niet beteugelen door de taal/ waarin ik haar vangen wil’ - ‘Woorden zijn niet veilig in haar mond’ – ‘Woorden jongleren met hun boodschap.’ – ‘ze leeft in een vogelvrije taal’- ‘een alfabet dat ze steeds opnieuw voor mij verzint’.

Een mooie reeks. Mooi in de zin van ‘beklemmend’.

De cyclus ‘Uitzichten’ heeft duidelijk een wat meer reflexief karakter. Zo onder meer wordt er nagedacht over het schildersvak. De schilder wordt raak als  een ‘chroniqueur van badend licht’ omschreven. De reflexie leidt tot een metafysische vraagstelling :

Zo kijk ik om me heen:
als een schilder die in zijn schakeringen
het wit van de dood legt.

Het begrippenpaar ‘Zien en kijken’ wordt geproblematiseerd. 

Het vreemde aan zien is
dat het ophoudt met kijken
en dat we er stil van worden.

Is zien terugvinden naar wat werd gekeken? Is zien een soort restauratie van kijken, een dieper peilen naar wat er werd bekeken? Gaat zien op zoek naar wat er bekeken werd? Maakt zien sprakeloos? Beschikt zien over het vermogen tot verwondering? Tot liefde?

Ogen glijden over de stam
van een zilverspar:
hoe hij naar de hemel snakt
die niet raakt en toch
tevreden blijft bestaan.

In deze reeks wordt het motief van de onvermijdelijkheid van de dood scherper gesteld, zoals gebeurt in het gedicht ‘Voorschot op geluk’ dat doordrenkt is met een pijnlijk tijdsbesef: de eerste regel van het anaforisch gedicht luidt: ‘Laten het gangbare voor wat het is’ en de laatste regel concludeert:

Voordat we terloops de weg verliezen,
Onze monden struikelen in de taal.

In het gedicht ‘Mogelijkheid’ wordt met enig ironie de balans opgemaakt van wat rest aan levensmogelijkheden:

We kunnen zelfs thuiskomen
in de dood.

En wat in die omstandigheid de herinnering betreft: de dichter schikt ze ‘in de lades van (z)ijn routines’. Wat rest: ‘het naakte niets dat kijkt/ met een haast menselijke blik’.

De laatste cyclus ‘Vergetelheid’ ervaarde ik als een synthese van de thema’s die we eerder in de bundel terugvinden. Ze stralen een grote luciditeit uit wat het menselijk bestaan betreft en de conclusie daaruit: er is enkel vergetelheid. Jaren zijn niet na te jagen, ze gaan in volle vaart, ze dringen ongevraagd op:

Loyaal blijf ik zoek naar hun licht
ook al komen ze langs de achterdeur
zonder aan te kloppen,
grijpen ze je beste vriend,
etsen ze zijn aders dicht.

Herinneringen worden gefileerd. Ze worden omschreven als ‘virussen die zich gedragen als oude kolonialen’. Je kunt er eigenlijk nergens mee terecht:

Herinneringen bestaansrecht zoeken
in de mazen van een afscheid£
en ze vinden nergens een plek.

Tijd is doorlopende blessuretijd. De gedichten in deze afsluitende cyclus getuigen van een nauwgezet existentieel besef en, onvermijdelijk, van het menselijk ‘tekort’.

Het loopt niet rond in onze gedachten.
Geen maatpak draagt het, geen das

het vertoont zich waar het maar kan;
aan de achterkant van onze zielen

De lectuur van deze bundel verveelt niet. We hebben te maken met een overtuigende verzameling waarin een paar prangende, in hun ritme dwingende teksten zijn te lezen. We mogen spreken van een geslaagd en intelligent debuut.

© Alain Delmotte

Het geduld van water - Johan ClarysseUitgeverij P Leuven, 2024 – isbn 978-94-64757-56-9 18 euro

 

 

donderdag 24 oktober 2024

Het geduld van water - De inleiding van Bart Stouten


Zondag laatst, 20 oktober 2024, werd in De Snuffel in Brugge 'Het geduld van water' de debuut-dichtbundel van schilder-dichter Johan Clarysse voorgesteld.

Bart Stouten sprak bij die feestelijke gelegenheid de navolgende inleiding uit waarin hij toelicht waarom hij 'Het geduld van water' uiterst lovend onthaalt en begroet. Deze tekst was en is niet bedoeld als proza maar als een inleidende lezing wat het vertrouwelijk register verklaart.

Bart Stouten: 

"Ik ben geen Tom Poes-personage en houd niet van Dorknopertaal, maar toch wil ik met een glashelder statement beginnen, door niemand mis te verstaan: voor mij ligt een heel geslaagde bundel, een prachtige bundel die het niveau van de allergrootsten bereikt. Ik wil dat ook in deze inleiding heel duidelijk markeren, opdat mijn enthousiasme diep in uw gedachten kan doordringen. Elk begin is tenslotte niet meer dan een vervolg en het boek der gebeurtenissen ligt altijd open in het midden, citeert Johan halverwege zijn bundel de Poolse dichteres Wislawa Szymborska. Ik las deze dichtbundel zelf ook als het vervolg op een rijk visueel oeuvre. 

We kennen Johan Clarysse als een begenadigd visueel kunstenaar met schilderijen die op een heldere manier raadselachtig zijn, net zoals deze poëzie trouwens. We kennen Johan Clarysse bovendien als de auteur van een tekst, ‘Walden and other suspicions’, waarin Johan, in een reflectie op zijn eigen artistieke output, concepten van identiteitsconstructie, communicatie en non-communicatie onderzoekt, samen met de drijfveren en aspiraties van de menselijke conditie. Daarin treffen we alle clues aan die ons kunnen helpen bij de interpretatie van zijn nieuwe verzen, zo immens mooi van visuele ondersteuning voorzien. De cover alleen al – midscheeps de essentie van ‘Het Geduld van Water’ geraakt. De aanwezigheid van het afwezige, om het in de kortst mogelijke uitdrukking te vatten. 

De menselijke conditie is er meteen, ook in deze bundel. De eerste verzen van deze prachtbundel lijken te gaan over een doodgewone zondagochtend, waarin de spreker zich bevindt in een huis waar de aanwezigheid van een geliefde voelbaar of, want het is heel dubbel, ‘nog’ voelbaar is. Het mooie is dat de aanwezigheid daadwerkelijk ook een afwezigheid is: is het een leven of de liefde die verzwonden – het kan allebei. Dat wordt zo vaak ervaren via de (in fine vooral louterende) filter van een diepgaand ‘condition humaine’-gevoel. De afwezige wordt in elk geval voelbaar aanwezig, lijfelijk én spokerig, als een schaduw die je volgt. Dus misschien is het toch niet zo’n ‘doodgewone’ zondagochtend, eerder een voorbode van een innerlijke revolutie. En dankzij deze verzen met de vivisectische geest van Henrik Ibsen worden we ook uitgenodigd om er een heel ‘bijzondere’ zondag in te zien.

De zondag-tijd wordt in elk geval, net zoals het tijdsgevoel dat deze poëzie zelf bestiert, een rustige, contemplatieve ‘vrije’ tijd. ‘Vrije’ moet ik dan cursief uitspreken, zoals u merkt. Er wordt gesuggereerd dat er een gevoel van hoop of verwachting in de lucht hangt, maar dat is misschien slechts schijn, en daardoor is de vrijheid aanvechtbaar, kwestieus. De dichter probeert die valse hoop te vangen en weg te sturen. De geliefde lijkt daarop bezorgd te reageren en vraagt zich af wat de toekomst zal brengen. De dichter begrijpt de situatie volkomen, zelfs paradoxaal genoeg zonder woorden, wat haast miraculeus aanvoelt, in deze poëzie met het aan-uit-bewustzijn van een quantumwereld, waar elke waarneming de werkelijkheid verandert.

Toon mij maar je moederziel, zwijg ik, zegt Johan.

Hij wil de innerlijke gevoelens van de ander zien, maar zwijgt erover, op een erg mooie manier. Om dat zwijgen te laten voelen hanteert hij stijlpuzzelstukjes, fragmenten die me aan het geserreerde en de diepe emotionele lagen van de (met innerlijke gedachten zwangere) William Faulkner deden denken.

Samen ruimen we de kasten op, schrijven namen in de schors van ons geheugen: Johan bezingt het opruimen van herinneringen – waarbij het geheugen dus een afschilferende buitenlaag is – en het vastleggen van geliefde namen, in poëzie die in elk geval iets anders betracht dan daar romantisch of schwärmerig-sentimenteel mee om te gaan. De geliefde is nog steeds aanwezig in het huis, zelfs als ze er fysiek niet meer is. De geliefde wil voorkomen dat de dichter in emotie verdrinkt. Het is prachtig om te merken hoe virtuoos Johan erin slaagt te zingen over verlies, herinnering en de aanwezigheid van een geliefde, zelfs na de fysieke afwezigheid.

Met grote verbeeldende kracht roept Johan een gevoel op van nostalgie en tederheid. Dan zoekt hij de beschrijving van een intiem moment tussen twee mensen, een beetje à la Vladimir en Estragon in Waiting for Godot, waarbij de natuur en de tijd hun louterende rol spelen. Wij zitten op een bank, de mist hangt laag en grijpt ons bij de nek: De openingsscène toont twee mensen die samen op een bank zitten, omringd doorv mist. De mist wordt symbolisch gebruikt om de onzekerheid of het mysterie van het moment te vangen, te benadrukken. 

In het gedicht ‘Veterloos’ ontmoeten we een persoon die, 
opnieuw als een Beckett-personage, in de war is, maar toch met ons een vertrouwde riedel uit het verleden deelt. Beide, de verwarde en de geliefde, wandelen hand in hand en verlangen naar een bos in elke boom. Het spanningsveld tussen neergang (enerzijds) en het streven naar het hogere (anderzijds) wordt voelbaar, de geest van René Char indachtig, die trouwens ook een opdracht krijgt toebedeeld.

Kinderen, dat is geweten, kunnen genieten van de beeldende taal en metaforen in René Chars gedichten. Ze kunnen hun verbeeldingskracht gebruiken om de betekenissen te verkennen. Zijn poëzie kan dienen als inspiratie voor kinderen om zelf creatief te schrijven. Ik vermoed dat René Char één van de achterliggende inspiratiebronnen was voor Johan om prachtige gedichten OVER de open, nog niet gemanipuleerde, verbeeldingrijke, geest van een kind te schrijven. Sta me toe een van de mooiste gedichten uit de bundel te citeren. Heel veel LEVEN in die verzen, temidden van alle afwezigheid die de bundel doordesemt.

Kinderboek I.
Voor Robin.

Een middag zonder 
aandacht.
Het landschap laat zich lezen als een 
kinderboek.

We vallen samen met elkaar,
de wereld en 
onszelf.

Zij kijkt op. De hemel
is voor haar een 
onbeschreven blad.

Haar lippen bootsen
geritsel in de 
bomen na.

Ze wijst naar dun gezaaide, witte huizen.
En 
naar de paarsblauwe glans

in zeepbellen die zij blaast - 
als voor een laatste verjaardag. 

Het gedicht dat erop volgt, ‘Voorschot’, lijkt te gaan over het verlangen om het alledaagse en gangbare te overstijgen. De dichter nodigt ons uit om de wereld nog maar eens anders te bekijken, om te ontsnappen aan de gewone en geruststellende dingen die ons omringen, de zachte terreur van het alledaagse. De kaal geplukte teddybeer naast het kussen symboliseert misschien de leegte of het gemis dat we soms voelen. Maar dan suggereert Johan dat we een andere weg kunnen inslaan: we kunnen van Rodins denker een dichter maken à la Rilke, de aarde als een zevende hemel beschouwen en vrijheid als een kostbaar geschenk zien. We moeten geloven in de kracht van kunst, verhalen en symbolen (zoals de feniks, de kat en het kind) om ons te bevrijden van de verdovende beperkingen van taal en conventie. En uiteindelijk, voordat we de weg kwijtraken en onze woorden verliezen, kunnen we een voorschot nemen op geluk – en zoals u hoort laat ik bewust het lidwoord weg: ik spreek niet over ‘het’ geluk, dat bestaat niet, misschien wel ‘een’ geluk, een geluksmoment, vergankelijk, versmeltbare binnen- en buitenwereld zoals de cover van deze bundel suggereert. Het gedicht lijkt te pleiten voor een poëtische en creatieve benadering van het leven, waarbij we de gewone dingen transformeren en dan betekenis, een nieuwe betekenis, geven aan onze ervaringen.

Tijd is er in overvloed in deze bundel die heen en weer beweegt tussen zichtbaarheid en onzichtbaarheid, aan- en afwezigheid. Maar zijn het ook tijdlijnen, zijn ze stratificeerbaar, kun je spreken van een gelaagdheid? In het gedicht ‘Onderbelicht’ reist de persoon in elk geval door tijdlijnen die haar langzaam beter zichtbaar maken. Verdriet en herinneringen vormen in die tijdlijnen, als in de 365 lijnen van een oud zwart-wittoestel, de wereld, terwijl er intelligent gespeeld wordt met taal en rituelen.

Het is altijd donderdag voor de persoon. Ze leeft in een taal die de spreker verrast en de wereld anders maakt. Ze snijdt de zwaarte in schijfjes, als een personage van Milan Kundera, dat heen en weer geslingerd wordt tussen ondraaglijke lichtheid en verpletterende gravitas.

In “Zondags kleed” ervaart de geliefde het bestaan als een ‘niet-werkend’ werkwoord. Mist symboliseert haar zondagse kleed, en ze verzet zich tegen de verwachtingen van orde en getallen. Mist heeft hier de kracht van de mist in de kortverhalen van Gianni Celati, ik denk aan zijn ‘Verhalen van de Po-vlakte’ waarin kinderen de mist in verdwijnen, maar de taal zelf is allesbehalve mistig, ze blijft ‘de eenvoud waarop je vertrouwen kan’, zoals Turgenyev dat zegt.

Ja. Er is mist, in deze bundel. Mist, maar ook veel visuele poëzie. Het wegvallen van de tijd, het overgaan in de broze herinnering is vooral ook een visueel proces. En dat verbaast nauwelijks, rekening houdend met de bloedmooie visuele kunst van Johan Clarysse. Aan het visueel woord-proces nemen zowel de dichter als de geliefde deel. In “Alfabet” tast de geliefde herinneringen af en schildert een zelfportret in een nauwe lijst. Ze benadrukt het belang van benoemen en creëert een nieuw alfabet voor de spreker.
De geliefde deed me denken aan Esther Greenwood in de coming-of-age roman van Sylvia Plath, the Bell Jar. Een hint naar het moeizame volwassenwordingsproces van een jonge vrouw, heel teder verwoord door Johan.

Een bosduif zoekt de zon die zich verschuilt: De zoektocht van de bosduif naar de zon lijkt me symbool te staan voor een verlangen naar iets dat moeilijk te bereiken is. Haar ogen leggen mij voortdurend in de luren, leren mij dat kijken een vorm van aanraken is: De ogen van de ander hebben een diepe impact op de spreker. Kijken wordt hier als een intieme handeling beschouwd. Zij gelooft dat toeval orde is die wij niet zien, de dag een nacht die onbegrepen blijft:

De geliefde, zoveel is duidelijk, heeft een filosofische kijk op toeval en tijd. Misschien gelooft ze dat er een verborgen orde is in wat wij als toeval beschouwen. De twee mensen delen herinneringen en koesteren ze als kostbare vondsten. Dit kan verwijzen naar gedeelde ervaringen en geschiedenis. Wanneer de dag zich terugtrekt hangen resten hemel in haar grijze haar: De avond valt en de hemel laat sporen achter in het grijze haar van de geliefde. Dit kan zowel een poëtisch beeld zijn als een verwijzing naar vergankelijkheid. Samen vallen we uit de tijd en uit de taal: Het gedicht eindigt met een gevoel van tijdloosheid en eenheid tussen de twee mensen. Ze zijn buiten de normale grenzen van tijd en taal. Dit gedicht lijkt een moment van intimiteit, reflectie en verbondenheid te beschrijven.

Verderop beschrijft Johan opnieuw een intiem moment tussen twee mensen, waarbij ze praten over alledaagse dingen, maar ook de wereld buiten bespreken. De geliefde wordt mooier wanneer ze de spreker ziet, en er komt dan een gevoel van tegelijk tijdloosheid en verbondenheid. Een vrouw wordt beschreven die stilte in zichzelf kan vouwen en het niets kleiner kan maken. Ze heeft een dromerige en fragiele blik, en ondanks haar geloof in een goede god, is ze bang voor de oneindigheid. Steeds is er het eerbetoon aan een persoon die niet meer fysiek aanwezig is. De spreker bewaart herinneringen aan deze persoon en voelt hun aanwezigheid in hun botten.

Ik moest tijdens het lezen van deze bundel vaak aan Remco Campert denken en zijn mooie roman Liefdes Schijnbewegingen. Het verhaal verkent, zoals Johan in zijn poëzie, menselijke relaties, verlangens en de complexiteit van onze emoties. Maar altijd is die verkenning er één die een minimum minimorum van trefzekere woorden volhoudt. Het onderwerp, het complexe onderwerp, midscheeps geraakt met dat minimum minimorum.

In een ander onderdeel beschrijft Johans poëzie de terugkeer naar een geliefde die afwezig is. De spreker kijkt door die afwezigheid heen en herinnert zich specifieke elementen die met de geliefde te maken hebben. De tuin wordt als een centrale metafoor gebruikt, waarin de geliefde soeverein verdwijnt en de wereld op zijn kop keert om beter te begrijpen of alles wel klopt. Het gedicht lijkt, soms wat surrealistisch meanderend à la Rimbaud, te gaan over het verlangen naar verbinding en het zoeken naar betekenis in de afwezigheid van de ander.

Het derde onderdeel lijkt te gaan over een persoonlijke relatie met iemand die afwezig is, maar wiens aanwezigheid nog steeds voelbaar blijft. De spreker bevindt zich op een plek waar de afwezige geliefde ooit stond. De stofjas fungeert als een tastbare herinnering. Johan voelt de grond en ruikt de geur van thuis, wat doet denken aan de geliefde en hun gedeelde ervaringen. Hij vindt beelden die symbolisch zijn voor de lessen en inzichten die de geliefden samen hebben geleerd. Water dat zijn weg zoekt naar iets groters kan verwijzen naar verlangen, groei en het streven naar meer. Een bibliotheek symboliseert kennis en ervaring. Het boek dat de geliefde was, wordt langzaam gelezen alsof het voor het eerst in handen wordt gehouden. Dit lijkt me indicatief voor een frisse, creatieve herontdekking van oude herinneringen. Niets zo moeilijk als het bewaren van herinneringen aan een geliefde, niets zo tartend als het verlangen om die herinneringen vast te houden. De handleiding bij jouw verpakking leest als een vreemde taal: De geliefde wordt vergeleken met een complexe handleiding die moeilijk te begrijpen is.
Gelukkig is er het lijf dat vol geheugen zit: Het lichaam wordt gezien als een opslagplaats van herinneringen, waarin sporen van de geliefde worden bewaard. Van sporen neem ik afdrukken, stapel ze laag op laag: De spreker verzamelt herinneringen als afdrukken en legt ze op elkaar, waardoor ze een gelaagde betekenis krijgen. En dat deed me dan weer aan het simultaneisme, de gelijktijdige vervlechting van beelden bij Blaise Cendrars denken, een dichter die trouwens ook graag samenwerkte met visuele kunstenaars, ik denk aan zijn sublieme samenwerking met Sonia Delaunay.

Johan verkent als geen ander, en daarin is hij oppermachtig eigenlijk, de manier waarop herinneringen ons verbinden met degenen die we liefhebben, zelfs als ze fysiek afwezig zijn. Zijn herinneringen aan diepe verbondenheid voelen cruciaal aan. Maar ook de reacties van de geliefde op wat de hoogmoed van de spreker lijkt. Hoe ze hem desondanks aanmoedigt om creatief te zijn, zelfs als het onderwerp niet gemakkelijk te verwoorden is.

Deze prachtige poëzie verkent, met een perspicaciteit die mij af en toe aan Fernando Pessoa doet denken, de complexiteit van het geheugen, in een poging de verbondenheid en het voortleven van iemand in de afwezigheid zinvol te maken of te houden, in een poging om continuïteit te geven aan een bemind leven. Zo bereiken we misschien, om het met het prachtige beeld te zeggen dat ik in deze bundel ontmoette, ‘een marmeren Zuidpoolzee’ in een achterhoek van onze herinnering.

Als het hart kon denken, stond het stil. Zo citeert hij Fernando Pessoa aan het begin van een volgende afdeling, ‘Spiegel’. Eerst beschrijft Johan een intiem moment waarin de spreker en een geliefde samen zijn, zich aanpassend aan verschillende stemmingen en registers. De tijd lijkt minder belangrijk te worden. In ‘Bray Dunes’ worden de zee en de geliefde met elkaar verbonden. De zee brengt rust en verandert perspectieven, terwijl de geliefde als een uitbundige stilte naast de spreker ligt. In “Middag in Auvergne” wordt het landschap vergeleken met een lichaam dat zich vertakt. De geliefde kijkt naar de spreker alsof deze het landschap is, en er ontstaat een gevoel van nieuwheid. Het volgende gedicht, “Hartenjagen”, gaat over de lichtheid en vrijheid van samenzijn. De spreker en de geliefde spelen kaartspellen en delen oude wonden. In “Ik zal niet wachten” vraagt de geliefde aan de spreker om niet te wachten en zich uit te spreken. Er is een verlangen naar begrip en nabijheid. In “Spiegel” beschrijft de spreker hoe de geliefde hen zou zien in verschillende vormen (een boek, een wiskundig vraagstuk, het heelal, etc.) en hoe ze in de spiegel naar elkaar zouden kijken.

Breinmist beschrijft dan weer de verwarring en onrust in het hoofd van een persoon die worstelt met de tijd en het verlangen om lichter te leven. De geliefde lijkt opnieuw afwezig en de spreker probeert opnieuw te helpen.

Dames en heren, u voelt het aan mijn woorden. Ik was diep onder de indruk van deze poëziebundel van Johan Clarysse. In conjunctie met zijn andere teksten en visueel werk mag ik gewagen van een zeer geslaagd veelkantig artistiek ondernemen dat niemand onverschillig zal laten. Ik wens hem namens ons allen te danken voor de verrijking van zoveel onuitwisbare verzen, die echt een feest inluiden voor uitgeverij P. Ik dank u."

© Bart Stouten

Johan Clarysse (2024). Het geduld van water. Uitgeverij P, 64 blz. ISBN 978-94-64757-56-9

Uitgeverij P
Website Johan Clarysse
Website Bart Stouten 


Bart Stouten leidt in - © foto Willy Brandt



Johan Clarysse leest 'Alziend oog' -© foto Jasper Clarysse


Een blik op de zaal De Snuffel - © foto Willy Brandt



Uitgever Leo Peeraer leest een gedicht - © foto Willy Brandt


Johan Clarysse signeert - © foto Willy Brandt

Met Willy Brandt - fotograaf van dienst - © foto Willy Brandt


"Na de voorstelling" - Ook de vijf gastdichters poseren - vlnr Astrid Arns,
Steven Van Der Heyden, Paul Rigolle, Antoon Van den Braembussche
en Tania Verhelst - © foto Willy Brandt