woensdag 2 september 2026

Gedicht#1 uit “steen, vuur, zee” van Jan Geerts

Mensen volharden in geluk.
Ze lopen hand in hand over straat,
kijken links en rechts en wachten
tot het veilig is.
 
Iedereen is op weg.
Iedereen verzint woorden
voor wat er is en wat er niet is.
Iedereen maakt gebaren, droomt
van vleugels en gelooft
tot in de kleinste dingen.
 
Iemand schreef ooit dat niets bestaat
dat niet iets anders aanraakt.
 
(Ik dacht aan jou.)
 
Zo is er altijd wel iets;
de regen, of de koude wind
bijvoorbeeld, die niets
onaangevoeld laat.
 
Ik wil je omhelzen en zeggen
dat wij gemaakt zijn om te verliezen,
maar vind geen woorden
die niet al verloren zijn.


Voorpublicatie uit "steen, vuur, zee" de nieuwe bundel van Jan Geerts. De bundel, een uitgave van Uitgeverij P, wordt op zaterdag 26 september 2026 om 20:00 uur voorgesteld in de Groene Waterman in Antwerpen.

Jan Geerts (Hoogstraten, 1972) publiceerde in diverse literaire tijdschriften en bloemlezingen. Hij debuteerde in 2004 bij Uitgeverij P met Tijdverdriet en andere seizoenen. Daarop volgden Een volle maan met onze handen ernaast (2005), De n van iemand (2008), Zwerfsteen (2012), Dat het blijft duren (2017) en Hoe er dan iets helders ontstaat (2022). Jan Geerts is ook actief als plastisch kunstenaar.

Jan Geerts bij Uitgeverij P
Weblogvan Jan Geerts







dinsdag 1 september 2026

Het vitrinekastje - Lieven Vandekerckhove

Het vitrinekastje

Het witgelakte vitrinekastje is niet hoger en niet breder dan vijfentwintig  centimeter. Het is ongeveer vijf centimeter diep, en de plankjes waarmee het is samengesteld, zijn ongeveer twee centimeter dik. Veel hout dus, waardoor het kastje vrij zwaar is en stabiel staat. Binnenin is tegen de bordeauxrode rug een sneeuwwitte passe-partout geplaatst, waarin centraal  een vierkantige opening is uitgespaard als een venster waardoor het felle rood van de rug minstens wat kleur brengt in het kadertje.

Ik heb dat ding gekocht op een markt voor hobbykunstenaars als verjaardagsgeschenk voor Lode, mijn tweelingbroer. Immers, tegen de rode achtergrond heeft de schepper van het werkje het gebombeerde restant van een gebroken eierschaal gekleefd, waaruit de plastic kopjes van twee lachende borelingen tevoorschijn komen. De kopjes zijn identiek, ze hebben dezelfde grote oren en eenzelfde kleine bolletje dat hun neusje voorstelt; en daaronder laat eenzelfde rode streepje de twee baby’s lachen van blijdschap, nu ze eindelijk uitgebroed zijn. Dat kan nog niet lang geleden gebeurd zijn, want bij beiden kleeft nog een stukje van de eierschaal op het hoofd. 

Boven de tweeling fladderen twee spierwitte duifjes, in de lucht geworpen om het feestelijk gebeuren kracht bij te zetten.  Links van het rode venster staat op de witte passe-partout in potlood de handtekening  van de kunstenaar, onleesbaar zoals een handtekening moet zijn. Onder het venster lees ik:  ‘Happy Birthday’. Treffender kon in dit geval een verjaardagsgeschenk niet zijn, vond ik.

Maar hoe gaat dat met geschenken die men aankoopt lang vóór ze dienstig moeten zijn? Ze komen voorlopig in een lade terecht, in een koffer, in een kast, waar ze zelfs het risico lopen de vergetelheid in te duiken. Het presentje voor mijn broer verging het zeker niét zo. Ik had het dan wel gekocht lang vóór zijn verjaardag, maar het domweg vergeten op die dag kon in principe niet, want juist om dat te voorkomen – en er ook zelf een beetje van te genieten - had ik het op mijn buffetkast geplaatst, van waarop ik elke morgen door de net verloste tweeling lachend begroet werd. Maar goed dat er geen geluidsopname in verwerkt werd. Helaas, toen onze gemeenschappelijke verjaardag aanbrak, waren we onvoorzien zo ver van elkaar verwijderd, dat het contact van lieverlee beperkt bleef tot een telefonische uitwisseling van gelukwensen - zonder veel poespas, zoals dat gaat bij mannen die elkaars binnenste binnen sinds jaar en dag kennen, en het met sentimenten graag kort houden. 

Dus bleef de plastic tweeling vooralsnog op mijn buffetkast staan wachten op de volgende verjaardag. Want er weken, laat staan maanden later mee komen aandraven vond ik nu ook niet bepaald de juiste manier van doen, ik hou niet van vijgen na Pasen. En er bij een andere feestelijke gelegenheid mee uitpakken is nóg zinlozer: een geschenk dat zo exclusief als verjaardagsgeschenk in de verkoop gezet was, kon bezwaarlijk als kerst- of nieuwjaarsgeschenk dienen - gegeven dat we tegen elke verwachting in elkaar in de kersttijd met een geschenk zouden verrassen. Ik zou dus maar beter mijn ongeduld nog een jaar langer verbijten. Helaas liep het ook met dat plan weer mis. 

Die ‘volgende verjaardag’ was niet alleen – zoals steeds - ook mijn verjaardag, het was daarenboven voor beiden een ronde verjaardag: een verjaardag die maar om de vijf jaar gevierd wordt. Daar had ik zelf geen schuld aan, en mijn broer ook niet, maar die samenhang was er wel verantwoordelijk voor dat ik ook die keer niet met mijn presentje naar Lode kon afzakken om het hem ‘op het juiste moment’ te schenken. Mijn eigen familiale aanhang had immers thuis enig feestgedoe geprogrammeerd, waardoor er voor een bezoek aan mijn broer geen ruimte was. Dus bleef het vitrinekastje weer eens staan waar het nu al zo lang was blijven staan. 

Les excuses sont faits pour ’s en server, n’est-ce pas? Dat zich maar één keer per jaar de juiste gelegenheid voordeed om met dat kastje te doen waarvoor ik het gekocht had, was een aanvaardbaar excuus om er zelf al die tijd van te genieten. Op de duur vond ik het zelfs alleen nog maar een beetje vervelend dat mijn attentie de oorspronkelijke bestemmeling niet bereikte. Hoe langer dat kastje bij mij thuis bleef staan, hoe méér de urgentie leek af te zwakken om het daadwerkelijk ook te geven aan het feestvarken voor wie het oorspronkelijk bedoeld was. Maar dit jaar was er plots wél haast bij. Lode was ziek, ernstig ziek, en het was zelfs de vraag of hem nog een verjaardag gegund was. 

We bezochten hem enkele keren, telkens bang afwachtend hoe we hem zouden aantreffen. Ik kon het niet helpen dat vóór we de rit aanvatten, mijn blik iedere keer op het vitrinekastje viel waarin de plastic tweeling  lachend tegen het leven aankeek. Maar twijfel overviel me. Of het überhaupt nog zinvol was dit mee te nemen? En bovenal knaagde de wroeging, hem dat plezier niet te hebben gedaan op een moment dat hij er nog kon om lachen. Maar die kans was verkeken, het lachen was hem vergaan – uitgerekend hij, die moppen tappend door het leven was gegaan. 

Zijn verjaardag haalde hij nog - de laatste, dat wist hij, dat wisten we allen. Hij zat aan tafel toen we toekwamen. Zijn ogen waren glazig. Een slangetje dat zich splitste onder zijn neus voerde vanuit een apparaat dat centraal in de woning stond opgesteld zuurstof naar zijn longen. De lange plastic slang die de zuurstof aanvoerde, krulde van onder zijn stoel naar de machine waaraan zijn leven vasthing. Toen ik al een poosje naast hem zat, haalde ik het vitrinekastje boven en plaatste het opzij van het bord dat vóór hem stond. Ik wist niet wat ik kon zeggen. 

Hij bekeek het kastje, en zweeg eveneens. Hij legde zijn hand op de mijne, ik voelde al zijn warmte, de warmte die hij zijn hele leven had uitgestraald. Ook deze keer kon hij niet uitspreken wat hij voelde, dat had hij nooit gekund. Maar hij toonde het, met dat simpele gebaar waartoe hij nog in staat was. Zelfs dat verraste me, want ik had hem als volwassen man nooit ofte nooit zijn diepste gevoelens zien uitdrukken, op welke wijze dan ook. Hij kon het niet, ook niet wanneer hem pijn werd gedaan, wat al te vaak is gebeurd. Als kleine jongen reeds was hij constant op onbegrip gebotst omdat de wereld zijn onrust niet begreep. Hij heeft zijn leven lang veel moeten incasseren. 

Nog immer word ik opstandig als ik eraan denk dat zelfs een zielenknijper naar wie ze hem hadden meegenomen, hem ooit de mantel had uitgeveegd in plaats van hem te helpen. Ik  vrees dat zijn onuitputtelijk gekscheren het ultieme kapitaal was waarmee hij geleerd had erkenning te kopen. En dat, terwijl hij de goedheid zelve was. Ik heb er weet van, ook al verborg hij het, hoe hij tot zijn eigen scha en schande anderen uit de brand heeft geholpen. Ja, ik kende hem. Nooit ofte nooit zou hij iemand in de steek hebben gelaten. 

We zwegen. Ik besefte dat zijn reis ten einde liep, een reis die we nog vóór de geboorte samen waren begonnen en daarom over alle mogelijke wissels heen ook onze reis geweest was. We zwegen. Lang was het bezoek ons niet gegund. Spijts de zuurstoftoevoer werd het ademen hem te moeilijk, zodat professionele interventie dringend noodzakelijk werd. Toen er werd aangebeld, zocht hij met beide handen steun op de tafel, duwde zich recht, en liet zich in de rolstoel zakken. Hij verliet de woonkamer zonder nog om te kijken. Buiten keek ik de ziekenwagen na die hem voor de laatste keer naar de kliniek bracht. Een immense droefheid kreeg mij in de greep, het was alsof ik in twee gesneden werd.  

Rust jij nu maar in vrede, mijn goede, goede broer. Ik draag je verder mee tot op het einde van mijn weg. Ook voor mij tikt de klok, ik kom je achterna. En ik weet het, Lode, je zal daar staan, wachtend op mij.    

Het vitrinekastje is terug bij mij beland, mijn neef zegde dat het mij toekwam. Het staat weer op mijn zwarte buffetkast, van waarop de plastic tweeling mij elke morgen toelacht. Het zal wel kitsch zijn, zeker? Allicht is het dat, maar wel dierbare kitsch.

© Lieven Vandekerckhove
Uit het typoscript “Eerst koffie, dan de waarheid” van
Lieven Vandekerckhove.

De auteur schreef eerder de bundels kortverhalen en cursiefjes: In schuinschrift (2019), Van A tot Z, of toch bijna (2022) en Koorddansen (2024).



 

donderdag 27 augustus 2026

Nachtgeluiden - Leo Stilma

Nachtgeluiden

Op  haast alle plaatsen waar
ik heb  geslapen in mijn leven
waren er  geluiden te horen:

gefladder van vogels gezoem
van koelkasten krakende treden 
en gedruppel van een kraan.
 
Maar nóóit  zal  ik de geluiden 
van die nacht in het ziekenhuis
vergeten: stemmen die steeds 

luider om  hun moeder riepen 
geruis van buisjes die de dood
moesten verjagen

én  de  nachtzuster die zacht
Billy Holiday,s  "Summertime" 
zong in alle vroegte, zó mooi

dat zelfs een stervende lag  te 
hummen onder zijn lakens in de 
ademloos zwijgende kamer.

© Leo Stilma

Leo Stilma op de Meander-site


Leo Stilma ( 26-4-1953) schrijft sinds 1990 poezie. Hij publiceerde veel in tijdschiften en verzamelbundels en er verschenen vier bundels van zijn hand,
Kaalslag in 1995 (Uitgeverij de Beuk),Steenslag in 1998 (uitgeverij Callenbach),In Woord en Beeld in 2000(uitgeverij  Humanitas) en in 2008  -Al ben je nog zo licht- bij uitgeverij de Brouwerij.

Met zijn Rotterdamse poëziegroep heeft hij in de lente van 2025 een bundel van Albanese en Nederlandse poëzie in Albanië gepromoot. Hij is lid van het Rotterdamse collectief Dichters voor Vrede.
Zijn gedichten gaan over liefde,leven en de dood en  moeten voor hem “als een bijl in de bevroren vijver van de ziel zijn”.



 

woensdag 26 augustus 2026

Moderne tuin der lusten - Leo Stilma

Moderne tuin der lusten
 
In de gangen van Oncologie klinkt
elke dag het sombere getik van hakken
op weg naar de dood.
 
Wat je ook hoort: het gefluister
van stervende tongen en zwijgende
baarmoedermonden.
 
Bij de liften tilt een moeder haar kind
op dat ze niet groter zal zien groeien.
Een man trouwt morgen met een vrouw
die over een paar weken gaat sterven.
 
O Heer laat Jeroen Bosch nog  één keer
opstaan en de beelden schilderen van
deze nachtmerries in ons hoofd als er
geen woorden meer voor zijn. 

© Leo Stilma 

Leo Stilma op de Meander-site

Leo Stilma ( 26-4-1953) schrijft sinds 1990 poezie. Hij publiceerde veel in tijdschiften en verzamelbundels en er verschenen vier bundels van zijn hand, Kaalslag in 1995 (Uitgeverij de Beuk),Steenslag in 1998 (uitgeverij Callenbach),In Woord en Beeld in 2000(uitgeverij  Humanitas) en in 2008  -Al ben je nog zo licht- bij uitgeverij de Brouwerij.

Met zijn Rotterdamse poëziegroep heeft hij in de lente van 2025 een bundel van Albanese en Nederlandse poëzie in Albanië gepromoot. Hij is lid van het Rotterdamse collectief Dichters voor Vrede.
Zijn gedichten gaan over liefde,leven en de dood en  moeten voor hem “als een bijl in de bevroren vijver van de ziel zijn”. 



 

dinsdag 25 augustus 2026

Afdeling Duinzicht - Leo Stilma

Afdeling Duinzicht

Hier mag je tegen een boom vloeken
schreeuwen dat giftige slangen in je
hoofd zijn geslopen dat elke nacht
je genen in brand worden gestoken.

Hier mag je huilen om een gebroken
pop om een sprookje over een blinde
prinses of fluisteren dat je overvallen
bent door een stoet wilde kraaien.

Hier staan op de muren van toiletten
tekeningen van mensen zonder gezicht
en regels die als een beeldenstorm 
door het bos van de taal zijn gegaan.

Hier zie je bekenden in de spiegel  
die je lang niet hebt gezien.

© Leo Stilma

Leo Stilma op de Meander-site

Leo Stilma ( 26-4-1953) schrijft sinds 1990 poezie. Hij publiceerde veel in tijdschiften en verzamelbundels en er verschenen vier bundels van zijn hand, Kaalslag in 1995 (Uitgeverij de Beuk),Steenslag in 1998 (uitgeverij Callenbach),In Woord en Beeld in 2000(uitgeverij  Humanitas) en in 2008  -Al ben je nog zo licht- bij uitgeverij de Brouwerij.

Met zijn Rotterdamse poëziegroep heeft hij in de lente van 2025 een bundel van Albanese en Nederlandse poëzie in Albanië gepromoot. Hij is lid van het Rotterdamse collectief Dichters voor Vrede.
Zijn gedichten gaan over liefde,leven en de dood en  moeten voor hem “als een bijl in de bevroren vijver van de ziel zijn”. 



vrijdag 21 augustus 2026

Perron 5 - Lennart Vanstaen

Perron 5 

Vandaag rijd ik achterwaarts 
van bestemming naar waar ik ontstond 
Ik laat mensen verdwijnen
één voor één uiteenspatten als bellen
Wie of wat doet me bewegen? 
Wie of wat maakt het perron leeg en laat
de trappen trillen?
Wie draagt mij en dit zware vlees
naar een nieuw oord?
Een wereld tussen stem en echo -
Wie laat me hier bestaan
tussen de sporen van de tijd glijden?
Waar ik ook land, ik schrijf je een brief
als bedanking
als herinnering 
aan wie ik was 

© Lennart Vanstaen




donderdag 20 augustus 2026

ADDA V is verschenen

 

Pas verschenen:  V. Cahiers voor concrete & visuele poëzie

Samen met Willy Tibergien, Andreas Van Rompaey en Lieve Terrie heeft Renaat Ramon de cahierreeks  opgericht, die aan de verdere bekendmaking en beoefening van de iconische (concrete en visuele) poëzie wil bijdragen.

In V staat Andreas Van Rompaey stil bij de pas gepromoveerde Philip Meersman en zijn vernieuwende (planetarium)poëzie. Vaste waarden, onder wie Sérgio Monteiro de Almeida, Renaat Ramon, Sven Staelens en José Vandenbroucke, worden versterkt door internationale talenten als Gregory Betts, Andrew Brenza, Johanna Drucker, Christian Gastaldi, Stephen Nelson en Nico Vassilakis.

Het vijfde deel is pas verschenen en kost 10 euro. Wie een nummer wil bestellen, dient zich te richten tot het redactiesecretariaat (Betferkerklaan 187, 8200 Brugge - ram.lam@skynet.be).


woensdag 19 augustus 2026

Het scherpe concentraat

Daniël Franck in kort bestek over 'Want straks komen de wolven' van Liesbeth D’Hoker.

In kort bestek - Notities van de redactie (6)  

Als maatschappelijk fenomeen is ook poëzie aan de slingerbeweging van de mode onderhevig. Toch heb je altijd dichters die zich precies op het snijpunt van traditie (de bundel opent met ‘altijd weer nesten’ en ook onderweg stuit je regelmatig op externe verwijzingen) en vernieuwing weten te positioneren. Deze poëzie is ruw en teder. Gedichten kunnen helder als bergwater klateren of opgestapelde beelden torsen. Het lukt haar allemaal.

Als klimaatdichter schrijft Liesbeth D'Hoker vanuit een zekere urgentie, maar ze heeft de hoop zeker nog niet opgegeven. Een aantal gedichten zijn ook geïnspireerd door de landschappen die ze bezocht.

De taal zoekt en vindt altijd een geconcentreerde uitdrukking, staat ook onder een voortdurende spanning. De vele beelden zijn met de nodige accuraatheid uitgezocht. Elk gedicht bijt zich woord na woord in je vast. De bundel zelf is vooral heel consistent van taal, beeld en gevoel en laat zich, ondanks de lijvigheid, met veel plezier in één lange beweging  lezen. 

 

Helder

 

knisperkoud vanmorgen

 

als helder ook

een smaak heeft

moet het zoiets zijn,

zeg je

 

dieper en vrediger

met aangescherpte zin,

zak ik

in warmwollen omhelzing,

dingen die mooi zijn,

kinderstemmen, witblauwe ijlte,

een wild opspringend hart

 

we blazen ademwolkjes,

ik reis in minuscule druppels

jouw kant uit

           © Liesbeth D'Hoker


uit Want straks komen de wolven van Liesbeth D’Hoker, Poëziecentrum, 2025
  

dinsdag 18 augustus 2026

Ina Stabergh overleden

De redactie van De Schaal van Digther houdt er aan om haar deelneming te betuigen aan de familie en vrienden van Ina Stabergh. Ina overleed zaterdag 15/8/2026 laatstleden.

In 2024 verscheen van haar nog het boek "In het oog van de stilte: een parel".
Enkele fragmenten kun je nalezen via deze Schaal van Digther-Link.






donderdag 13 augustus 2026

Hommage aan Leonard Nolens - Luc C. Martens

Zeg aan de kinderen dat wij niet deugen
Voor Leonard Nolens                     

zeg aan de kinderen dat wij niet deugen,    
dat wij ze maakten in de nacht
om ze uit te besteden,
dat we geen tijd hadden
om een sprookje te vertellen
of een wiegelied te zingen
dat zij hun oortjes moesten instoppen
of scrollen op het scherm 

zeg hen dat wij knielden voor een god
die ons op het rechte pad hield, onze zonden vergaf
maar dat wij de hemel niet meer verdienen. 

zeg hen dat wij gedichten lazen en boeken verslonden,
dat wij naar schrijvers opkeken die wij ontleedden
maar vergaten ze door te geven 

zeg aan de kinderen dat leiders niet deugen,
dat ze in spiegelpaleizen wonen, slagschip spelen,
zeg hen dat ze Paul Snoek en Herman de Coninck
voor anker moeten leggen in de straat van Hormuz
en dat ze mogen huilen om het meesje
dat tegen het raam vloog

© Luc C. Martens


Vandaag mogen we Luc C. Martens  namens de redactie en alle vrienden van De Schaal van Digther van harte gelukwensen met zijn 70° verjaardag. Proficiat Luc!

Overigens wordt ook in het festivalhuis van de huidige editie van het kunstenfestival “Gemene wegen” in Watou hulde gebracht aan Leonard Nolens.    

Luc C. Martens - foto FB


Luc C. Martens - Foto Website auteur

maandag 10 augustus 2026

Een afgemeten spreidstand - Daniël Franck over 'Randschade' van Johan Clarysse

 

 

Een afgemeten spreidstand.

Daniël Franck over ‘Randschade’ van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3)

Johan Clarysse maakte faam als kunstschilder in binnen- en buitenland, maar was ook al vroeg gebeten door het woord. In de jaren ’80 publiceerde hij even in enkele tijdschriften om vanaf de jaren 2020 het dichten terug een prominente plaats te geven. Na zijn gesmaakte debuut ‘Het geduld van water’ (2024) volgt nu ‘Randschade’.

Een dichter en zijn bundel laten zich kennen door het woordgebruik en dat treedt in deze bundel wel heel prominent naar voren. Sommige woorden springen er immers door hun veelvuldige herhaling (al dan niet in samenstellingen) echt uit. De clusters die zo ontstaan gunnen ons een blik op de inhoud van de bundel: een grote cluster rond licht, leven en het vasthouden hieraan, kleinere clusters rond kijken en spreken. We zullen een dichter ontmoeten die gedwongen door externe factoren vol in het leven staat, maar tegelijk een positie vindt om te beschouwen.

Licht’ is het meest dominante woord in deze bundel. Dat kan bovendien nog worden gelinkt aan woorden als ‘dag’ en ‘ochtend’. Dat is niet verwonderlijk. Voor een schilder is dat het essentiële element, het dansen van het licht en hoe dat binnen te trekken in je beeld. Maar het is hier helemaal vervlochten met het dominante thema van de bundel, namelijk ziekte, afscheid en het gretige vastklampen aan het leven.

De openingsregels van de bundel luiden

Er groeien tubes in mijn holtes.

De QR-code rond mijn pols weet niet wie ik ben.

Parameters wachten op hun digitale score.

Zo weten we meteen waar we aan toe zijn. De dichter zelf moet vaststellen “ik lig erbij / en kijk ernaar als naar de ruïnes van een tempel // krijg mijn lichaam niet gezegd”. In deze zware omstandigheid waarin het lichaam zich bevindt, zoekt Johan Clarysse aan de hand van die beelden naar het licht, met de taal als toorts en houvast, vatbaar voor alle prikkels die hij ontvangt en opvangt, gaande van de nauwelijks geregistreerde woorden van een dokter tot de geestelijke confrontatie met demonen. Nergens ontwaar je een zweem van fatalisme, slechts af en toe steken “opstandige vragen” nog eens de kop op. Eerder is er een gulzigheid alles nog te omvatten en dus maakt de patiënt zich sterk: “De klaagstoel / aan mijn bed / schroef ik los”. De zieke bezweert zichzelf. Door woorden te vinden voor het moeilijk aanvaardbare kan een begin worden gemaakt van aanvaarding. In die blik vullen objectieve en subjectieve benaderingen elkaar aan.

We zijn allen onderweg naar het verdwijnen. Wie zich daar bewust van wordt gemaakt, zal scherper kijken. Al gaat daar zeker een strijd aan vooraf:

 

Weerstaan of meedeinen

gebalde vuist of golf:

een spreidstand die mij kiest

En er is die ene belangrijke strijdmakker: “Tot jij de kamer binnenkomt, zuurstof / pompt in de zieke lucht.” Het zal leiden tot de cyclus ‘Baken’ waar in het samenzijn met de geliefde even rust kan worden gevonden.

De cyclus ‘Doodgewoon’ brengt de dood tastbaar aanwezig; “Welk masker draagt hij wanneer hij / zijn mond tegen je rechterwang drukt?” klinkt het in het lichtelijk beklemmende ‘Schim’ dat niet zomaar besluit met een sprankeltje als ironie vermomde hoop: “Stemmen vriendelijke dichters hem milder?

‘Tussentijdse berichten’ is de meest contemplatieve cyclus en biedt ook ruimte voor herinneringen, onder meer aan de grootmoeder, en vooral ook voor de mini-reeks ‘Anoniem’ opgedragen aan de vrijwilligers van Tele-Onthaal en waar de dichter zijn maatschappelijk masker laat vallen.

Ook de schilder is prominent aanwezig, zie onder meer de weerkerende woorden ‘oog’ of ‘blik’, ‘zien’ of ‘kijken’. Dit komt letterlijk aan de oppervlakte drijven in de cyclus ‘Wie niet kijkt, ziet niet’. Hier trekken we nog eens de wereld in, naar de tuin, naar zee, naar het om zijn megalieten bekende Wéris. Uitgerekend in deze cyclus besluit een gedicht met de woorden “Het hevigst leeft hij in het woord”. Cyclus en bundel eindigen in een treffend kleinood:


Nomadisch

 

Je voert een gesprek met de eik

waaronder je languit rust:

over een tweede heelal

waar alles eindeloos begint

en waar nomadische zielen

naar buitenaardse woorden zoeken.

 

Je bereidt je voor.

Johan Clarysse schrijft poëzie zoals ik me voorstel dat een schilder schildert: met rust, aandacht en afstand.

Deze bundel biedt een coherent en open verhaal, waar de woorden adequaat hun werk mogen doen in een direct toegankelijke en heldere taal. Voortdurend wordt de spanning opgezocht tussen de blik van de dichter en zijn gevoelswereld. Dat gebeurt aan de hand van vrije verzen, in een opvallend rustig ritme, die zich met hoorbaar gemak tot een lezer richten, met korte, afgemeten observaties, sober maar helder en raak van taal, gevat in makkelijk behapbare strofes. De bundel is ook netjes opgedeeld in vijf cycli, zodat je als lezer altijd op adem kunt komen. Overal is de zegging welluidend en de gedichten vertonen een opvallende rijkdom aan treffende zinnen en observaties: “het manuscript van de avond”; “de ochtend die tussen de lakens klimt”; “een vertrouwde nacht die tegen de ramen tikt”; “oktober ligt als een natte dweil aan je stoep”; “ergernis krult in mij als een verbrande lucifer”.

Het is geen hogere filosofie die hier wordt beleden. Daarvoor is er geen tijd meer. Als de dood al in het steegje staat, tel je je stappen, je kijkt om je heen, reflecteert nog wat, weet dat de randschade deze keer jou zal treffen en stapt met een mengeling van aarzeling, nieuwsgierigheid en moed verder.

De bundel evolueert van zeer concreet naar eerder contemplatief. Daar zit een beweging van loslaten in. De lezer daarentegen blijft alert voor het ganse gebeuren en tracht mee te dragen wat ondraagbaar is. Voor later.

 

Kiezel

 

Gekortwiekt tussen bedstijlen

heb ik je lang gevreesd.

Al had je iets onschuldigs.

 

Even herkende ik je gezicht

toen je met de armen zwaaide. Ik vroeg me af

of jij ook uit vlees, bloed en slijm bestond.

 

Je bekende dat je een kiezelsteen bent

in de laars van al wat leeft en beweegt.

Ik sprak je niet tegen, wist dat ik niet

dezelfde meer zou zijn.

 

Nu bespied ik jou

op veilige afstand

verstil je tot achtergrondruis.

 

Als een kauw hang je

boven mijn oranjerode dak.

Ik zie hoe je glanst op de nok.

© Daniël Franck


Johan Clarysse - Foto c. Paul Rigolle

Randschade van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3

 


donderdag 6 augustus 2026

Talige empathie

Herlinda Vekemans in kort bestek over Kratermond van Sara Eelen

In kort bestek - Notities van de redactie (5)

Op het poëziefestival Knisper en Knal in Aarschot laatst las ik samen met o.a. Sara Eelen en beluisterden we elkaars werk. Qua thematiek zaten we met haar Kratermond en mijn Appelblauwzeegroen bij enkele gedichten op eenzelfde lijn van talige empathie voor dieren groot en klein. Thuis las ik haar bundel en vond haar prachtige gedicht over een glassnijder (Brachytron pratense), een libel uit de familie van de glazenmakers. Hieronder een fragmentje van bij de geboorte van de libel in het mos tot ze de vlucht vindt. Knap omvattende titel van de bundel ook, Kratermond, met zowel suggesties van dode leegte, dreiging als van zeediepe taal van nieuw begin.

Glassnijder

Je adem als wind door het trilveen
nu ben je nog kwetsbaar, nog nimf. 

Urenlang zul je je vleugels uitrollen
en dan schiet je weg, de hoogte in. 

Wat niet zichtbaar was in de vlucht, maar wel toen je landde
het zachte donshaar op je borst 

Het patroon van vlekken
langs je lenden, in je ogen, de blik van piloten.


Fragment uit Kratermond van Sara Eelen, Querido, 2025.

© Herlinda Vekemans

Rubriek "In kort bestek"




woensdag 5 augustus 2026

De Genen - Philippe Cailliau

De Genen
 
I.
 
Geen Gen
Geen Begin
Geen Waarheid
Geen Wraak
Geen Deo Volente
Geen Klank
Geen Fake News
Geen Nooit 
Geen Vreugde
Geen Woord
Geen Swastika
Geen Twijfel
Geen Toekomst
Geen Medicatie
Geen Schuilkelder
Geen A.I.
Geen Dictatuur
Geen Water
Geen Solidariteit
Geen Verrotting
Geen Gezondheid
Geen Virus
Geen Spijt
Geen Haat
Geen Volk
Geen Buikloop
Geen Geschiedenis
Geen Bloeding
Geen Droom
Geen Begrafenis
Geen Verlies
Geen Tijd
Geen Taal
Geen Adem
Geen Meineed
Geen Geheugen
Geen Schaamte
Geen Darm
 
 
II.
 
Geen Wokeness
Geen Intolerantie
Geen Genezing
Geen Identiteit
Geen Waterboarding
Geen Herinnering
Geen Schaduwvloot
Geen Sarin
Geen Ouder
Geen Overwinning
Geen Hart
Geen Geloof
Geen Medelijden
Geen Onwetendheid
Geen Geheugen
Geen Halsmisdaad
Geen Spiegelbeeld
Geen Geur
Geen Einde
Geen Geschiedenis
Geen PTSS
Geen Laster
Geen Vlucht
Geen Bescherming
Geen Hoop
Geen Gender
Geen Verdoving
Geen Eten
Geen Polarisering
Geen Verhaal
Geen Overlevenden 
Geen Veldslag
Geen Licht
Geen Negationisme
Geen Slaap
Geen Executie
Geen Apathie
Geen Delirium
Geen Agressie  
Geen Novitsjok
 

III.
 
Geen Vervloeking
Geen Discriminatie
Geen Wondvocht
Geen Geluk
Geen Verrassing  
Geen Drones
Geen Proxy
Geen Kennis
Geen Dumdum
Geen Stank
Geen Bloedprop
Geen Wanhoopsdaad
Geen Moord
Geen Orewoet
Geen Terreur
Geen Beroving
Geen Duimschroef
Geen Tyfus
Geen Armoede
Geen Afscheid
Geen Barricaden
Geen Ziekte
Geen Genocide
Geen Begrafenis
Geen Ander
Geen Braaksel
Geen Geweten
Geen Dumdum
Geen Massagraf
Geen Einde
Geen Nederlaag
Geen Eén
Geen
Geen Gen
 

© Philippe Cailliau

 Uit 'Habitus', typoscript in wording 

Philippe Cailliau in Oostende (foto: Paul Rigolle)


 

dinsdag 4 augustus 2026

Chaos Gaaz - Philippe Cailliau

Chaos Gaaz

I.

MEELTRUCKDEEPWATERFAKEVOORHEMELPOORT
AMPUTATIEWATERDORSTIGGIFNARCOSELEEGTE
CALORIETEKORTBOMBARDEMENTVERRADERLIJKTAPIJT
VOEDSELBEHULPZAAMDUREEDENENBELOFTEN
VELOVERBEENSUIKERVOCHTMETER
HONGERHULPVERDIENSTEÜNIFORM
UITROEIMITRAILLEURREGERINGWOORDVOERDER
HONGERDOODMEDAILLECEREMONIËN
FAKENEWSBESTELMOORDGRONDDIEFSTALALLESISONSRECHT
BLOEDTANKBULLDOZERBLOEDKAALSLAGDRONE
ERISGEENHONGERGEENDORSTGÉÉNHONGER
VOEDSELDROPPINGSMARSLIEDERENUNISONO
OFGENOCIDEOFGENONIETCIDEOF
AZGMEDEMEDICIJNSTOPPROCLAMATIEOPERATIESTOP
WAPENSTILSTANDSUIKERVOEDSELLOKKER
UITHONGERINGSWERELDKAMPIOENSCHAPPEN
VLUCHTENJACHTPARTIJVOORGROOTENKLEIN
KARTONNENBEKERSPLASSENZUIGDRANK
AANSCHUIFEXECUTIEUITAGRESSIEFANTASIE

 

II

CALORIEËNDROOMFASE1ENDROOMFASE2ENTROTSEFASE3
RIJSTENMEELVERDRIETOPHEMELSEMUZIEK
WACHTENSCHIETSCHIJFMEDAILLEUITREIKING
NONFOODDODENDANSWACHTLIJSTONGEDULD
WATERZUIVERINGSBELOFTEMANTRA
CALORIEËNMOORDNONSTOPOUTFIT
LEGEBORSTVOEDINGSFESTIVITEITENABOVO
FOPSPEENRANTSOENMETBELOOFDLEEFVOORSCHOT
VOEDSELVERNIETIGINGSVERHAALINBLIK
RADELOOSHEIDSPUNTENMETPRIJSOPGAVE
EETENDRINKMERRIEBIJDAGENNACHTNEDERZETTING
UITDROGINGSDROOMTRANSFUSIEMATERIEEL
HONGERSCHIETSCHIJFPRIJSKAMPGRIEZELAARS
DODERCARROUSELMETSCHERPSCHUTTERMAALANGST
LEGERDIENSTGODSPRIJSVOORHETHIERNAMAALS
HERHAALZIEKENHUISWEGUITROEIHERHAALDOORNOODZAAK
GODSBELOFTEGEBEDMETEEUWIGEGARANTIE
WERELDSTILTEVERDOOFTOORMAAGENBLOEDVERLIES
ANNEXEERINCHAOSISGEENNOTENDOPINPUINHOOP

III.

GELIJKGEHEIDGELIJKADVITAMAETERNAM
GIJZELAARSWIEUITTEROEIENZIJDEGIJZELSZIJ
TRAGESTILTETUNNELLUXELEEFCOMPLEXEN
WAPENSOPSLAGEXPLOSIEVENSTANK
EXECUTIETRAININGSBRAAKMEDAILLEMETLINT
VROUWENKINDERENOPBEDDENINGESTORT
BLOEDENBEENENHANDENOOGPIJNSPUITZICHTBAARSLIJM
ZONNESCHIJNONTKENNINGSDAGELIJKSGEBED
AMBULANCEVOORLOSSELEDEMATENMETDORST
WIEISWIEINDEWOENTIJNSEZEEËNZOUTEMEREN
FATAGRENSOVERGANGMORGANAOPSTUIFSTOF
MIJLENTUNNELMIJNENADEMNOODSELABYRINT
SOORTENHULPVERLENERSSCHIETSCHIJF
AFSLACHTSELTELRAAMTELLINGOP∞TOTNUL
UITGEHONGERDWORDTECHTNIEMANDECHT
RACKETSTELLINGDRONERANCUNEPOLONAISE
EEUWIGEGELIJKISGODSPERKAMENTENVLAGGENHONGER
EXPLOSIEVENOPSLAGPLAATSRESORT
MODDERMETSTEENGRUISWORDTBESTEDRANK

 

© Philippe Cailliau

 
Uit 'Habitus', typoscript in wording 

Philippe Cailliau in Oostende (foto: Paul Rigolle)

 


zondag 2 augustus 2026

Oproerkraaiers in het hoofd

In kort bestek - Notities van de redactie (4)

Alain Delmotte in kort bestek over Randschade van Johan Clarysse

(fragment recensie)

Foto: Alain Delmotte

Wie de hogergenoemde oproerkraaiers in het hoofd zijn of wie het geritsel in het hoofd veroorzaakt, wordt duidelijk in het gedicht ‘Demonen’. Ze stapelen zich op in de stoffige kelders van onze psyché. In nare dromen grijpen ze het woord en de dichter verleent hun spreekrecht in een gedicht. Daar horen ze thuis. Ze kunnen zich er schuilhouden in de taal. Op die manier wordt de taal zelf tot een demon. Het is een feit: demonen maken deel uit van onze duisterste plekken:

Vandaag geef je hun spreekrecht
omarm je ze als een vertrouwde nacht.

Johan Clarysse Randschade – uitgeverij P – Leuven 2026 - Isbn 978 94 93534 06 3 

Facebook-bericht van Alain Delmotte - 29/07/2026

Dit is een fragment uit een uitvoerige recensie die Alain Delmotte in november 2026 publiceert in het Jaarboek 2026 van de VWS.

Rubriek "In kort bestek"


donderdag 30 juli 2026

Intertekstueel spel

In kort bestek - Notities van de Redactie (3)

Alain Delmotte in kort bestek over Wildnissen van Xavier Roelens

Er wordt een intertekstueel spel gespeeld. Roelens heeft nogal wat teksten en boeken geassimileerd. Een lijst hiervan vinden we in het nawoord terug. Hij maakt er dus geen geheim van. De verwijzingen zijn vaak spitsvondig. Het gedicht ‘Bevolkingsgroei in 1972’ (dat zich in Duffel situeert) refereert aan het boek van Geert Buelens ‘Wat we toen al wisten – de vergeten groene geschiedenis van 1972’. Er zijn expliciete verwijzingen naar Boon, Ter Balkt en Jan de Roek. De namen Pernath en Claus vallen. Ik kon het niet laten om in het gedicht ‘Short term song’ waarvan alle strofen beginnen met ‘Gisteren nog’, om iets te horen resoneren van de ritmiek uit de gedichtenreeks ‘Nu nog’ van Claus.

Onderhuids meende ik hier en daar ook Lucebert, Rilke, Shakespeare te herkennen. Maar opvallend is dat hij twee dichters wat demystifieert: Hans Andreus en Rutger Kopland. Van Andreus pakt hij het beroemde gedicht ‘Voor een dag van morgen’ aan.

vertel het aan de bomen dat we vreeën zonder
condoom vertel het desnoods aan
de angsten van
steen
Deze passus eindigt met volgende oplawaai:
wanneer je morgen doodgaat zeg het aan de
maden wat je mij zei