woensdag 15 juli 2026

Palimpsest: Aap tussen de apen - Jef Boden

Palimpsest: aap tussen de apen

Jef Boden over de Oekraïnse dichter die onverwacht een band met België blijkt te hebben...

Mogen we de tijd van Vasyl Stus als een eerder onbekend dichter in onze contreien stilaan opbergen? Enkele weken geleden veroverde hij de voorpagina van de boekenbijlage van Le Monde naar aanleiding van Palympsestes. 600 blz. Zijn verzameld werk. Dacht ik. Na Taras Chevtchenko de nummer twee van de Oekraïense dichters, verkondigde de achterflap van het lijvige boek. Is er meer nodig om het werk van de man wat nauwkeuriger te verkennen?

Zijn eerste bundel Winterbomen werd al door de Sovjetcensuur verboden en als gevolg daarvan in 1970 in België in het Oekraïens gedrukt en zo uitgegeven. De oorsprong van Winterbomen is te vinden in een winterse wandeling met zijn geliefde Valia. De rijm op de naakte bomen deden hem opmerken dat poëzie zo hoort te zijn: vrij van ieder omhulsel, vrij van alle stof van het dagelijkse leven en vrij van het slijk van toevalligheden. Slechts de kern wil hij: de menselijke ervaring van ieder ogenblik dat een man in deze wereld is overkomen.

In 1968 voltooide hij een eerste versie van de bundel. Een uitgever nam die prompt op in de uitgaveplanning. Na een lezersbrief van Stus aan de Oekraïense schrijversbond verdween de bundel evenwel uit de lijst. Daardoor kregen gedichten tijd om te groeien en de nieuwe selectie vond dus een alternatieve weg.  Zijn nuchterheid, zijn passie en het boven alles plaatsen van vaderland en waardigheid deden hem in zijn binnenste al beseffen dat de gevangenispoort voor hem openstond. Het verwijt van een publicatie in een vijandig land sprak hij bij de onderzoeksrechter tegen door te stellen dat het zonder zijn toestemming gebeurde en dat de bundel had moeten gepubliceerd worden bij de uitgever van de Sovjet-schrijvers.

Je kan de censoren veel verwijten naar het hoofd slingeren, niet de gedachte dat hun begrijpend lezen niet op peil zou zijn. Dit gedicht stond in die bundel. Laat je door de aap verrassen, of hap naar adem.

Zo leef ik, aap tussen de apen,
Mijn zondige voorhoofd getekend door smart,
Eindeloos beukt het tegen de harde muur;
Slaaf, hun slaaf, hun onbeduidende slaaf.
Rondom mij passeren de apen in een rij,
Een ernstige pas, zonder haast,
Woede kost minder moeite dan jezelf zijn.
Schaarpunt, hamerslag!
Oh, rechtvaardige Heer! Zwaar valt de wrok –
Niet meer dan één blind seizoen om te oordelen.
Hier beneden zijn slechts scherven van pijn,
Verspreid, ongevoelig, als kwikzilver.

Het lachen met het aapje tussen de andere exemplaren zal snel vergaan zijn als je jezelf als koning aap herkent in de dictatoriale maatschappij, of zelfs in de strafkampen. Zo over apen schrijven was voldoende om met andere dichters in 1972 tot vijf jaar strafkolonie te worden veroordeeld. De echte verrassing is niet dat zo’n straf een slag in het water was. Het haast ongelooflijke is dat Stus daar bleef schrijven en vertalen. Er mag dan veel vernietigd zijn, er is veel bewaard.

Vasyl Stus had het allicht in de genen. Zijn overgrootvader kreeg als kind van lijfeigenen op zeer jeugdige leeftijd een levenslange dienstplicht in het leger van de tsaar. Werd het lijfeigenschap in 1858 door Nicolas I afgeschaft, dan ontvingen de verlosten toch nog de omschrijving “landbouwer, eigendom van de staat”. Vanzelfsprekend dat legerdienst voor (groot)ouders tijdens de  volgende oorlogen hun deel was.

Dialogen, de stilte van gedichten, de duisternis, de talloze verwijzingen naar mythes, bijbelverhalen en auteurs allerhande tonen dat zijn leven in zijn gedichten verankerd is. Voor hem geen gecontroleerde luxe-ballingschap in Moskou of Sint-Petersburg zoals dat auteurs in de tsarentijd kon overkomen. Dit klinkt anders:

Voor het leven moet je betalen:
stap in het open graf

Ik vecht niet voor een verleden
dat door ongeloof is opgevreten.

Een cel reikt niet tot de hemel
De aarde zal onder de cel verdwijnen.

 

Vaak duikt in zijn poëzie een dialoog op tussen de realiteit en het gedroomde, tussen geliefden. In talloze voetnoten legt de vertaler – dankbaar meegenomen - het verband tussen een naam, een symbool, een plaats en de verzen van dé dichter des vaderlands Chevtchenko. Reeds die eerste bundel blijkt een verzameling vol verwijzingen naar het verleden. In Laatste brief van Dovjenko klinkt het helder:

Dan, heerlijke donderslag
Die aan de hemel zijn schichten zaait,
Vogels van Taras, over de Dnipro –
En de woorden van de profeten laten de lucht klieven.

Het hoofd buigen zat er voor deze strijder voor land en volk niet in. De nacht mag duister zijn, wreed de realiteit, maar doorbreekt elke ellende die hem overkomt. Wie meent dat het lijden eeuwig duurt, mag sterven. Hoe onverdraaglijk het leven ook is, zij zullen overwinnen, de uiteindelijke vrijheid zal hen toebehoren. Door dat in zijn gedichten te blijven herhalen, tekende hij als het ware voor een volgend verblijf, ditmaal in het kamp Perm-36 waar hij in 1985 zal overlijden.

Kan het anders dan dat hij reeds in 1978 in een brief aan vrienden stelt: “Alles is in gereedheid gebracht opdat ik een artikel vol zelfkritiek zal schrijven… ze mijn vrijwillige zelfdoding zullen bekomen…. Om mijn naam tegen hen te beschermen: voor mij volstaat het dat enkele personen Vasyl niet in twijfel trekken.”

Er is geen Heer meer op deze aarde!
God verdraagt het niet langer – trok zich terug –
Wil dit onmenselijke onrecht niet langer zien,
Dit duivelse martelen, deze wreedheden,
Afgrijselijke landen, afschuwelijke god!
Meester van de gruwel, aanjager van waanzinnige
Woestenij. Welke tevredenheid kan hij voelen
Bij deze daden? In bloedbaden,
Het vernederen, het langzaam neerhalen
Van de hemel naar de aarde – zodat een wereld
Zonder hemel achterblijft. Een krankzinnig land
Waar beulen aan beulen zijn overgeleverd.
Heer-God, in alle ernst, je bent dood.

Zo klonk het ook, naast spot en geloof in de toekomst. Hier beken ik dat ik me in dit lijvige boek op dit ogenblik nog niet verder bevind dan net na die eerste bundel. Zijn zoon noemde de volgende periode in zijn vaders schrijven “een tijd van creativiteit” die een aanvang vond onmiddellijk na zijn eerste arrestatie. Herinneringen dienden om een nieuwe wereld op te bouwen. Het werd zijn “Palimpsest-periode”. De volgende 500 bladzijden van het boek liggen beloftevol voor me.

© Jef Boden

Vasyl Stus: Palimpsestes. Poésie et lettres du Goulag, Les Editions noir sur Blanc, 2026, ISBN 978-2-88983-195-1

Aanvullende opmerking van Jef Boden:
Vanaf september staat de dichter op een nieuw bankbiljet in Oekraïne. Mooi toch.


vrijdag 10 juli 2026

Poëzie als meditatieve vluchtheuvel

Marc Bruynseraede bespreekt 'Spiegel van de ziel' van Antoon Van den Braembussche


Stel: je wandelt nietsvermoedend de boekhandel binnen en je ziet daar een dichtbundel liggen, onder de titel ‘Spiegel van de ziel’ van ene zekere Antoon Van den Braembussche. Dat wekt al dadelijk het vermoeden dat het hier over het binnenwerk van de mens gaat. Wellicht zelfs over het diepste wat in iemand leeft.

Je koopt – geïntrigeerd door de thematiek -, je wandelt naar huis en begint te lezen. Gaandeweg word je meegenomen in de gedachtewereld van Antoon Van den Braembussche. Als je dan even gegoogled hebt naar wie die Antoon Van den Braembussche is, kom je op het pad van de filosofie, de kunst van het denken, terecht. En verder, op de weg van ‘Denken over kunst’ en ‘De stilte en het onuitsprekelijke’, boeken geschreven door de betrokken Antoon, die gemeenzaam omschreven wordt als professor in de kunstgeschiedenis en kunstfilosofie, met een biezondere interesse voor mystiek in de kunst. De metafysische laag, dus.

Dan verneem je dat deze ‘Spiegel van de ziel’ eigenlijk het sluitstuk is van een poëtische trilogie, waarin naar het mysterie van het onzegbare (l’indicible), het onuitsprekelijke (l’inexprimable) gepeild wordt. Het blijkt dus interessant te worden, zij het dat we in ijlere regionen terecht komen. Lezend word je deelgenoot van deze zoektocht.

Het onzegbare, onuitsprekelijke is in wezen de kern van het denken en zijn. Aan het einde van een lange weg, over het Westerse en Oosterse denken, langs filosofen, universiteiten, dichters en denkers, plooit de dichter zich terug in meditatie, om tot de ultieme bevrijding - los van kennis en wetenschap – tot harmonie met het zijn te komen.

Het beeld staat mij voor ogen van de  grote Tian Tan Boeddha (1), op het eiland Lantau bij Hong Kong: 34 meter hoog, 250 ton zwaar, pas bereikbaar na het beklimmen van 268 treden naar sereniteit. Je kan je voorstellen wat voor moeite het moet gekost hebben om deze Boeddha daar boven op de heuvel op zijn plaats te krijgen. Vredig rustend op zijn hoogte. Zichtbaar bij mooi weer vanuit Macau, aan de Zuid-Chinese kust.

Boeddha – of moet ik zeggen Antoon Van den Braembussche  – troont woordeloos, voorbij alle denken, boven het braambos, omringd door offerende godinnen (2). Zij bieden hem hun schaal van leegte, van het niets en van wording aan. Je leest en je ziet. En je weet niet wat je leest of ziet. Je kan het enkel maar ervaren. De lectuur is, op het pad van het leven, de enig mogelijke therapeutische ervaring.

De poëzie van Antoon Van den Braembussche moet bijgevolg niet gelezen maar ervaren worden : als een wandeling doorheen het denken. Peripatetisch, zou ik zeggen, zoals de Griekse filosofen die al denkend rondwandelden, ware het niet dat het Antoon’s eigen concept is.

 Spiegel van de ziel’  lees je als de belevenis van een droom, een herinnering, een reis door de ijlte van gewichtsloze gedachten, boven tijd en ruimte. Een vredige streek over de taal.

                                  Zij herinnert zich

 

                                   Zij herinnert zich

                                  heuvels, rotsen, mergelgrotten

                                  en goddelijke valleien.

 

                                  De indrukwekkende bijna-stilte

                                  waarbij het denken

                                  wegdroomt en zwijgt.

 

                                  Zij herinnert zich de lage mist,

                                  de legendarische lage mist.

 

                                  De eerste, tijdeloze kus

                                  en de muziek van Leonard Cohen.

 

                                  Het onuitwisbaar verlangen

                                  naar onsterfelijkheid.

 

In bovenstaand gedicht, uit de eerste cyclus ‘Zij herinnert zich’ worden die herinneringen opgevoerd als meditatief voorbij drijvende wolken. De som van de wolken is het verlangen naar onsterfelijkheid, ontijdelijkheid. Ik zie het als een hunkering naar de oneindigheid van de liefde.

De gedichten van deze bundel spreken de taal van innigheid, van introspectie naar de diepere lagen van de taal aan de oppervlakte. Liefde, als een harnas van sereniteit, levert gedichten op van grote intensiteit.

 Zij herinnert zich’ is een dialoog van goed verstane stilte en kostbare momenten met de geliefde, zoals het gedicht ‘Geheimschrift’ het uitdrukt :

 

                                  Geheimschrift

 

                                   Ik ben één en al verlangen:

                                  een rivier die eigengereid

                                  door mijn aderen stroomt.

 

                                  Niet langer het woord

                                  dat haperde

                                  in het onzegbare.

 

         Niet langer

                                  de rouwvlinder die weg fladderde

                                  in verbijstering.

  

                                  Niet langer de denker

                                  die onverhoeds strandde

                                  in de sublieme brandschildering

                                  van het beeld.

 

                                  En langzaam, langzaam,

                                  omhels ik het geheimschrift

                                  van je lichaam

                                  als een mild en sprakeloos dier.

 

Cyclus 2 ‘Franse suite’  legt de klemtoon op de tonaliteit van de dialoog. Dominant is de aanwezigheid van een elegante melancholie. Gedichten als ‘Le Cafard’ en ‘Algorithme, mon amour’ zijn daar goede voorbeelden van. Melancholie is tastbaar aanwezig in ‘de wandeling in de lenteregen’ en ‘het late middaglicht in je natte haar’.

Cyclus 3 is dan weer een verzameling van ‘Momentopnamen’ : losse kiekjes van contemplatie die, op de weg langs artistieke en filosofische verkenningen, ontdekt en vastgelegd worden. Zoals bij de besneeuwde Boeddha: ‘Het is niet de sneeuw die valt, maar de wereld die hem draagt’ of gedichten over de stilte van Antarctica en het fietsend wielergeluk.

Cycli 4, 5 en 6 zijn variaties van de tedere liefdestaal die de filosoof spreekt als hij niets zegt. In ‘Zo blijf ik spreken’ (Cyclus 4)  zegt hij, in het gedicht ‘Dicht bij jou’ : ‘Ik ben dichter bij jou / omdat jij al zingend / elke dissonantie liet verdwijnen’.  Poëtische pareltjes voor het rapen. Bijvoorbeeld in ‘Aanspraak’ : ‘Het takkenbos van de taal / waar betekenis bleef haperen / en voor het rapen lag’. In het gedicht ‘Meervoudig licht’ lezen we ‘Leegte waarin we desondanks / onszelf ontmoeten’.

In Cyclus 6 ‘Modus Vivendi’ staat het gedicht ‘Iedereen’ dat een duidelijke verwijzing inhoudt naar het academische verleden van Antoon Van den Braembussche.

 

                                  Iedereen

 

                                   In iedereen schuilen

                                   uitgestrekte schuiframen

                                  van vergetelheid.

 

                                  De lome kantooruren

                                  van de ziel.

 

                                  In iedereen schuilen

                                  bergruimtes vol weemoed,

                                  archiefmappen met heimwee.

 

                                  De zachte, meetlatlange dwang

                                  naar perfectie.

 

                                  In iedereen schuilen

                                  inktpatronen van het noodlot,

                                  toners van vergeefse hoop.

 

                                  In iedereen

                                  schuilt een oude droom

                                  die maar niet sterven wil.

 

Een goede, Portugese vriendin van de dichter, die vertrouwd is met de carrière van Antoon Van den Braembussche in de academische wereld,  schreef dat zij diep getroffen was door dat gedicht. Zij schreef dat zij in deze verzen ‘de melancholie herkende van iemand die de diepte van het intellectuele en academische leven van binnenuit kent.’ Zij dacht aan ‘de professor die je jarenlang bent geweest, met zijn plichten, verantwoordelijkheden, routines, eisen en stille vormen van discipline’. Beelden als ‘de lome kantooruren van de ziel’, ‘archiefmappen met heimwee’, ‘inktpatronen van het noodlot’ en ‘toners van vergeefse hoop”  doen denken aan ‘een bestaan waarin het innerlijke leven lange tijd heeft samengeleefd met het institutionele leven : colleges geven, afspraken, papieren, perfectie, verwachtingen en intellectuele ernst’. ‘Vandaag, op emeritaat, heeft de institutionele ruimte plaatsgemaakt voor het schrijven : de herinnering, het denken, de gevoeligheid en oude dromen. Het schrijven, waar de academische loopbaan niet langer om vraagt, maar waar de ziel nog steeds om verzoekt. De oude droom die maar niet sterven wil.’

Ze vertaalde op slag het gedicht ‘Iedereen’ naar het Portugees ‘Em todos’, wat me meteen de herinnering bijbracht aan de Portugese dichter Fernando Pessoa die schreef :’ Ik ben niets / Ik zal nooit iets zijn / Ik kan ook niet iets willen zijn / Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.’

Op zijn graf, gelegen in het Mosteiro dos Jerónimos in Lissabon, staat een citaat van één van de dichterlijke heteroniemen van Fernando Pessoa : Ricardo Reis: “Para ser grande, sê inteiro : nada / teu exagera ou exclua”. Om groot te zijn, wees geheel: overdrijf of sluit niets uit dat van jou is.

Over ‘Spiegel van de  ziel’ zou Fernando Pessoa een geanimeerde discussie kunnen voeren met Antoon Van den Braembussche, daar, op het terras van A Brasileira in Lissabon. Niet met dooddoeners als ‘een belangrijke bijdrage tot het hedendaags poëtisch gebeuren’  maar, bijvoorbeeld, over de filosofische betekenis van de leegte in zijn gedichten. Of, meer nog, over de gevolgen van oorlog, in het slotgedicht van de bundel ‘Nooit meer oorlog’ ter nagedachtenis van de slachtoffers van de oorlog in Gaza.

© Marc Bruynseraede

(30 juni 2026)

Spiegel van de ziel’ – Antoon Van den Braembussche – Uitgeverij P – ISBN 978 94 93534 05 6 – Prijs : € 19,50

Antoon Van den Braembussche is dichter en filosoof. Gisteren 9/7/2026 werd hij overigens 80 jaar. De gelukwensen van de redactie delen we met die van talloze lezers. Meer info vind je via zijn Wikipedia-pagina.

(1) Tian Tan Boeddha op het eiland Lantau (Hong Kong)


(2) Offerende Godinnen bij de Boeddha op het eiland Lantau



dinsdag 7 juli 2026

Een roadtrip als Cri du Coeur

Over Zwermkoorts van Kristien Dieltiens.


Op zaterdag 20/6/2026 werd in Beernem, het thuisdorp van Kristien Dieltiens waar ze sinds 1995 woont, Zwermkoorts, voorgesteld. Het boek is uitgegeven door Borgerhoff & Lamberigts, 2026.

 

Zwermkoorts met als ondertitel ‘Een roadtrip met de dood op de hielen, is geen historische roman, zoals onder meer De stille pijn van Lucca (2005), Papinette(2009) Kelderkind (2012), nu met een nieuwe, algemenere titel ‘Kelderkinderen’,,  Kortgeknipt (2017) of Carlota (2023), maar wel een confronterende, harde psychologische eye-opener. 

 

De titel Zwermkoorts’ is tweeduidig. In de eerste plaats slaat ze op een waanzinnige zwerftrip van moeder Pearl met haar dochter Daisy en zoontje Willow.  Zij ‘zwermen’ vanuit het grensgebied van de  Verenigde Staten langs allerlei stadjes, dorpen en onderkomens, ‘ helemaal door ‘Trump’-land, naar Mexico.

Maar ‘zwermen’, een bijenterm,  slaat ook op het gedrag van de bijen die in het verhaal een belangrijke rol spelen. Je kan ze zien als  metafoor  voor het ‘zwerven of ‘zwermen’  van de moeder en kinderen. 

 

Her  voornaamste thema van ZWERMKOORTS is de  fascinatie voor gevaarlijke moeders die aan het ‘Münchhausen by proxy-syndroom’ lijden en de invloed daarvan op haar kinderen.

Met dit syndroom is Kristien Dieltiens als leraar een paar keer geconfronteerd, en het ligt haar nog  altijd nauw aan en op het hart.  Vanuit haar verontrustende ervaringen geeft ze haar blijvende  betrokkenheid gestalte in een  fictief verhaal.

 

Moeder Pearl, ex-verpleegster, houdt Daisy en Willow bewust kwetsbaar. Ze prent ze in dat ze doodziek zijn en dient hen dagelijks onnodige medicijnen toe.

Zij moeten dankbaar zijn voor deze ‘fantastische moeder’, die met hen en voor hen de dood ontvlucht, op zoek naar de meest geschikte dokter die hen kan helpen.

Zij moeten haar tonen  dat ze van haar houden. Zo gedragen ze zich ook. 

Tegenover de buitenwereld wil ze bewonderd worden als de zeer bezorgde, perfecte moeder.

Kristien Dieltiens laat Daisy aan het woord en leeft zich diep in de kinderen in. Ook in haar eerdere jeugdliteratuur en romans   (106 in totaal  nu al!) toonde  zij  een groot hart voor kwetsbare kinderen.

 

In de roman worden afwisselend witte en grijze bladzijden gebruikt.

De witte bladzijden slaan op het heden.  Daisy, de verteller, overdenkt de acht jaar waarin  ze als kind, na hun laatste stopplaats in Monterrey, Mexico,  gescheiden leefde van haar moeder en broer. Therapeute Cassandra geeft haar de raad om het dikke glas tussen haar heden en verleden te doorbreken. .Dat probeert ze in zeven stappen die Cassandra haar opdraagt.

Ieder stap levert flashbacks op die we lezen in de  grijze bladzijden. Die duidelijke structuur maakt de roman heel toegankelijk. 

 

In versneld  tempo herneemt de volwassen Daisy  de tocht vanuit Amerika  terug naar hun laatste verblijfplaats in Monterrey. Daar erfde ze van de imker Saturnino, voor haar ‘de vader die ik nooit gekend heb’,  een  grote som geld, zijn huis en imkerij. Ook naar haar broer Willow die ze in Monterrey achterliet en die ze mist, wil ze op zoek.

Bij aankomst wordt ze opgevangen door Rodrigo en zijn zoon Jesüs.   Dank zij het gewezen  nauwe contact van Jesüs met de overleden Saturnino én diens logboek  zorgt hij voor de laatste schakel tussen verleden en heden. 

Jesüs is het ook die haar (en Kristien Dieltiens ook ons,  in heel mooie bladzijden!)  laat kennismaken met  het gedrag van de bijenwereld. Hun gedrag heeft het kind Daisy van de dood gered.

En Daisy beseft: ‘De bijen van Saturnino hadden een deur geopend‘ en ‘Alles wat hij (Saturnino in zijn logboek) ) had beschreven, klopte met mijn leven’.

 

De flashbacks in de grijze bladzijden brengen ons naar verschillende personen die Daisy’s leven beïnvloedden.

 

Vooreerst is er moeder Pearl (what’s in a name..), een fysiek aantrekkelijke vrouw. Een narcistische  vrouw ook die verslaafd is aan zichzelf, die zichzelf verheven voelt  boven leraars (ze is bewust thuislerares) en dokters.

 

Behalve het Münchhausen by Proxy syndroom, vertoont Pearl nog  meer psychopatische trekken.

Als borderliner is ze emotioneel instabiel en impulsief,  met terugkerende relatieproblemen. De mannen met wie ze om de haverklap relaties aangaat, dumpt ze meteen wanneer  ze zwanger wordt. Telkens laat ze het kindje verdwijnen. Om mogelijke vragen te vermijden, ‘vlucht’ ze met haar kinderen naar een volgende bestemming.. 

 

Als eerste bant ze  haar moeder Granny uit hun leven.. Granny vermoedt een en ander en protesteert tegen de behandeling van de kinderen. Zij missen haar.

Op verschillende vluchtplaatsen proberen mensen de kinderen te beschermen, mensen waarbij de kinderen zich té goed voelen volgens Pearl en die haar doorzien: Rose, ,een buurvrouw Gladys , Little Liam …Daar loopt het mis wanneer Willow en  Daisy ontdekken wat er gebeurt  en verplicht worden om een baby, die ze liefdevol Big Liam noemen, te begraven. Op hun laatste bestemming gebeurt hetzelfde met de baby van Pearls laatste ‘geliefde’ Renzo. De roadtrip gaat vanaf dan naar een versneld einde toe. .

 

Dat Daisy en  Willow van hun moeder blijven houden,  haar (weliswaar verplicht) dankbaar blijven ‘als mama maar gelukkig blijft’, is aannemelijk lezen we: (…)  een moeder in je hoofd, in je lijf, kan nooit geamputeerd worden.’  

Daisy neemt pas jaren later afstand, wanneer ‘mama’ voor haar ‘Pearl’ wordt .

 

Willow, Daisy’s jongere broer, is volgens moeder Pearl laagbegaafd en plast nog in zijn bed. Dat wordt telkens door een woedende Pearl hardhandig afgestraft.

Laag begaafd is de teruggetrokken Willow niet. Hij verzamelt insecten  in glazen potjes  en  bestudeert ze.  Om zichzelf te beschermen leeft hij in zijn gedachten en praat hij weinig, behalve met een fictief vriendje Bear. Daisy beschermt  hem en waakt over hem, zoals ook hij haar beschermt en redt uit een benarde toestand met hangjongeren.

 

Daisy vertelt Willow over de boeken die ze stiekem uit een plaatselijke bibliotheek ontleent.  Zij fantaseren  er verder over,  blijven eigen verhalen vertellen en bouwen een eigen schatteneiland. Zo  overleven ze hun gedwongen gevangenis.

Ook hierin herkennen we het vaste geloof  en pleidooi van  Kristien Dieltiens voor de kracht van woorden,  boeken en verhalen.

 

Andere personen van grote betekenis voor de kinderen vermeldde ik al eerder: de vaderfiguur Saturnino, Rodrigo en Jesüs die Daisy inleiden in de wereld van de bijen.  Door hem  beseft Daisy tenslotte dat ze leefde zoals de insecten van Willow: ‘achter dik glas, starend naar wat zich aan de andere kant afspeelde.’.

Ze is klaar voor de laatste stap van Cassandra’s 7 opdrachten: en nieuw levensverhaal schrijven.

 

Voor dit levensverhaal ging Kristien Dieltiens ging niet over eén nacht ijs. Drie jaar opzoekingswerk en schrijven gingen aan de publicatie vooraf

Samen met haar Mexicaanse schoondochter en diens zus en zoontje maakte ze  een roadtrip in de Zuidelijke Staten van de VS en Mexico. Zij beschrijft de vele bezochte locaties en haar  indrukken en ervaringen  gedetailleerd,  beeldrijk, zintuigelijk  en vaak heel poëtisch.

 

Daarnaast heeft ze ook oog voor de politiek in Texas en Mexico. Ze portretteert zijdelings de

Trump die ze ziet op billboards en op MAGA- T-shirts en die Daisy  hoort in de gedreven pro-Trump reacties van moeder Pearl.  Daisy laat ze kritisch krantenartikelen lezen waardoor haar een licht opgaat over de Amerikaanse politiek. Haar goudvis noemt Daisy ‘Donald’: ook hij ziet alles achter dik glas.

Kristien Dieltiens liet zich daarnaast door imkers grondig inlichten over de wereld van de  bijen en hun gedrag. Daisy ziet de paralellen met haar leven.  Lange gesprekken met psychiater Dirk Adriaenssens over het psychopatische gedrag van de moeder en het effect op de kinderen leidde tot diepgang van de personages.   

 

Op de voorstelling van Zwermkoorts vertelt Kristien Dieltiens: :

 

Het anonieme van die eindeloze landschappen, het idee dat je er kunt verdwijnen zonder dat iemand het merkt, bleef bij mij hangen”  “Daarnaast las ik veel over bijen. Dichter Maurice Maeterlinck zei ooit dat de mens nog maar vier jaar te leven heeft als de bijen uitsterven“. Zwermkoorts is een begrip uit de bijenwereld en de poëzie, en ik wilde daar graag mee aan de slag.”

 

Hoe heb ik Zwermkoorts beleefd?

 

Zwermkoorts is naar inhoud een a-typische Dieltiensroman. Anders dan de vorige  is hij niet vanuit een historische, maar wel vanuit een  zeer persoonlijke ‘cri du coeur’ geschreven. – Ik las hem met stijgende verwondering, onrust en ongemak.

Hoe zeer heeft Kristien Dieltiens mij in haar eye-opener betrokken! Dat ik, een leek in dit probleem  en dit soort situatie, niet aan de geloofwaardigheid twijfel, daarvoor staan  de diepgang van de personages, het goed gedocumenteerde en  gedetailleerde verhaal garant. Haar vlotte, toegankelijke stijl en zintuigelijke rijke taal  trokken mij iedere bladzijde verder. Het is geen roman om in ‘l’heure bleue’ te lezen, maar mijn ‘verwondering’ eindigde in een grote bewondering.

Ik ben ervan overtuigd en ik hoop dat dit ook voor heel veel lezers zo zal zijn.

 

In boekenvriendschap, Jet


© Jet Marchau
 

Deze recensie verschijnt ook op "Dun lied donkere draad" de blogsite van de VWS:
Dit is de link. 
 

donderdag 2 juli 2026

Everybody hurts - Pieter Drift

Pieter Drift: "Growing Head"-2025

Everybody hurts 

Er zijn nu drie dagen voorbij. Het is stil in huis sinds jij weg bent. Hoeveel van de lucht in dit huis heb jij nog in je longen gehad? Ik houd de deuren van de slaapkamer angstvallig dicht in de hoop nog iets van je binnen te krijgen als ik slaap. Afgelopen nacht kwam je weer langs. Je zat op me en boog over me heen. Je zag me in je hemdje kijken en moest er om glimlachen. De hals was wijd en ik zag je borsten vrij hangen. Mijn handen stopte ik onder het hemdje maar toen verdween alles. Alsof je uit lucht was opgebouwd.

‘Je weet toch wel dat ik voor jou dood ben,’ zei je. Toen bleef het stil. Ik werd wakker dus ik moet geslapen hebben.

Everybody hurts klinkt door het huis. Als het niet zo treurig was, had ik het misschien mooi gevonden. Het nummer staat al dagen op repeat. Dit zette je op toen je me zei dat je bij me wegging. Ik heb het nog niet aangedurfd om  andere muziek op te zetten.

Zelden ontwikkelt een mens zich echt. We zijn dat steentje dat over het water keilt. In het begin grote sprongen, maar al snel kleinere sprongen tot je naar de bodem zinkt. Het stelt allemaal niet zo veel voor. Karakters in verhalen moeten zich psychologisch ontwikkelen, zegt men. Bij mij gebeurt dat amper. De personen blijven dezelfde omdat ik denk dat het zo is. Natuurlijk verandert een mens, maar niet omhoog. Tussen je vijftiende en vijfentwintigste moet je een beetje uitharden, maar daarna moet je het doen met wat je bent. Geen karakterontwikkeling meer. Je leert wat bij, maar vergeet weer andere zaken.

Don't let yourself go ‘cause everybody cries
Everybody hurts sometimes

Je had de elpee uit de hoes gehaald en legde hem op de draaitafel. Ik denk dat je hem al twintig jaar niet meer gedraaid had. R.E.M. was een band uit onze begintijd. We dachten dat onze liefde alleen maar groter zou worden.

Je neuriede zachtjes mee met het eerste nummer. ‘Ik houd van deze elpee.’

‘Vinyl.’ Ik wist niet waarom ik dat zei, want vroeger noemen we het allemaal een elpee. Er was niets mis met het woord, maar ik kon het niet laten. Op jouw gezicht zag ik de vermoeidheid die ik de laatste tijd steeds vaker zag.

‘Waarom?’

Ik begreep de vraag niet.

Nobody tells you where to go, baby

Jouw gevoel voor dramaturgie was altijd al perfect. Uit het tweede nummer zong je alleen de regels

I will try not to breathe
This decision is mine

De rest liet je voorbij gaan. Toen kwam Everybody hurts. Je pakte mijn handen alsof je gewacht had op dit nummer. Je keek me aan en zei dat je wegging. Ik stootte een lachje uit, maar je ogen bleven serieus.

‘Ik ga echt weg,’ zei je. ‘Je hebt me te veel pijn gedaan.’

Ik liep naar de draaitafel, haalde de naald van het vinyl, nam het vinyl tussen duim en wijsvinger en sloeg het stuk op de tafel. Je leek niet eens verbaasd. Uit je zak haalde je je telefoon en zette op Spotify Everybody hurts opnieuw op.

‘Ik wist al dat je dit zou doen. Altijd hetzelfde liedje.’’

Je draaide je om en liep naar de slaapkamer. Daar kwam je uit terug met twee koffers.

‘Ik ga.’

Nu zijn er drie dagen voorbij. De gebroken elpee heb ik op tafel gelegd. Vanaf nu zal ik een langspeelplaat geen vinyl meer noemen maar dat mag niet baten. Jij bent weg en ik weet waarom.

Sometimes everything is wrong
Now it's time to sing along


© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 


woensdag 1 juli 2026

Alle zomers - ZKV van Jos Rouw

Alle zomers

Eerst de lange busreis naar het westen, als een rits die het landschap achter je opentrok. Dan het strand, al het zand dat daar zo rustig bleef liggen, ondanks de warme wind. De lucht blauw zoals je je van kinds af aan een blauwe lucht had voorgesteld. En jij zonder leeftijd.

Je at friet met korrels zout als minuscule ballonnetjes, je voelde ze knappen tussen je tanden. De zon was een hand op je schouder, alles wat je zei was waar. De tijd was een trap die alleen maar naar boven ging. Tot je de bus naar huis nam en er steeds een trede bijkwam aan de andere kant. Omlaag. Sindsdien zijn alle zomers op zoek naar die ene. Goed, ik maak het misschien wat mooier dan het was, maar dat was het ook. 

© Jos Rouw

Jos Rouw - Instagram-foto


Jos Rouw

maandag 29 juni 2026

Geregeld - Miel Vanstreels

Geregeld
 
Mijn lief en ik hebben
met de begrafenisondernemer
afgesproken hoe onze uitvaarten
eruit moeten zien,
 
het was een hele puzzel
om een evenwicht
te vinden
 
tussen onze
in-alle-stilte-wens
en het rouwen
van onze zonen,
 
mijn urnschrift
heb ik klaar:
 
hierin rust wat rest
van het lijf van Miel – ergens
fietst vast nog zijn ziel
 
 
© Miel Vanstreels
 


zaterdag 27 juni 2026

Poëzie die niet op poëzie lijkt

Tip van de redactie (1)

Daun van Kreek Daey Ouwens


Poëzie die niet op poëzie lijkt.
Voor wie haar nog niet zou kennen of haar werk (poëzie op kop) nog niet zou hebben ontdekt ligt de poëzie van Kreek Daey Ouwens (°1942) met ongeduld te wachten. In 2020 schreef de schrijfster met de Zuid-Afrikaans ogende naam uit het Nederlandse deel van Zuid Limburg de fel opgemerkte dichtbundel ‘Guillaume’.  

De bundel werd toen onder meer genomineerd voor de Grote Poëzieprijs en de Herman de Coninck-prijs en won de vierjaarlijkse KANTL-poëzieprijs in Gent. In ‘Guillaume’ bracht ze hulde aan haar overleden broer die leefde met een beperking. In ‘Daun’ haar nieuwe bundel geeft ze opnieuw stem aan zo’n jongen uit de rand van de mensen. Maar dit keer schrijft ze helemaal vanuit de figuur van Daun zelf, een jongen met het syndroom van Down.

De taal die de dichter hanteert is de taal die Daun zelf gebruikt, en spreekt. Simpel en toch weer heel poëtisch. Dit is poëzie die niet echt op poëzie lijkt maar het met veel bravoure wel degelijk is:

Ik slaap bij het raam
ik zie alleen donker
van donker voel ik me alleen

Vader liep weg
Het was midden op de dag
De zon scheen

Ik wil naar vader toe

Ik weet niet hoe ik hier waarom ik hier
Ik heb wel een vriend – Jossie
Jossie heeft bloed in zijn onderbroek
Hoe dat komt vraag ik
Jossie zegt: ‘Ssttt’

(pag.53)

De bundel is prachtig uitgegeven door het Poëziecentrum en is gelardeerd met rudimentaire maar des te sterkere tekeningen van Felix Sonnenschein, zelf een jongen met Down.

© Paul Rigolle

Wie graag ‘s de stem wil horen van de dichter verwijs ik naar de podcast van het poëziecentrum. In aflevering 52 van Beeldspraak wordt ze geïnterviewd door Matthijs de Ridder.

Dit is de Beeldspraak-link:
https://www.poeziecentrum.be/nieuws/beeldspraak-aflevering-52-kreek-daey-ouwens-daun


Wikipedia-pagina Kreek Daeys Ouwens
https://nl.wikipedia.org/wiki/Kreek_Daey_Ouwens

vrijdag 26 juni 2026

Vrouwen van het verlangen

Aantekeningen van Jet Marchau over Erosie van Astrid Haerens


Erosie
(2026) is, na de roman Stadspanters (2017), en na haar bekroonde  poëziebundel Oerhert (2022), de tweede roman van Astrid Haerens (Zwevegem, 1989).

Om maar meteen in huis te vallen: Ik heb de roman twee keer gelezen.

Een eerste keer vol bewondering voor haar poëtische taal, en nieuwsgierig naar het experimenteren met bladspiegels en de  muziek die achter de speciale interventies van de O-o-klank zaten. Waren ze louter als commentaar op haar woorden bedoeld, of kon ik er een melodie uit halen?

En een tweede keer: een beetje uit onvrede. Zat er een definitieve ommekeer in de evolutie in van de hoofdpersoon Helle? En waar dan?

Ik verklaar me nader: de korte inhoud:

Helle en Alma zijn van in hun kindertijd hartsvriendinnen; Helle (de schrijvende ‘ik’) is een introverte, onzekere persoon, die evolueert tot een internationaal succesvolle kunstenaar. Ze is ook een jutter, een verzamelaar van onder andere  stenen, die ze verwerkt in haar schilderijen.

De extraverte Alma omarmt uitbundig het leven, waar ze ook Helle probeert in te betrekken. Zij groeit uit tot een succesvolle fotografe.

De vriendschap tussen de twee is heel hecht, op het randje af van een liefdesrelatie. Ze genieten van hun exclusieve samenzijn, van mekaars lichaam, en Helle, die nooit iemand in de ogen kijkt, laat toe dat Alma haar bekijkt en honderden foto’s van haar maakt.

Ze beloven elkaar dat ze samen hun leven zullen uitbouwen, nooit gaan trouwen, nooit kinderen krijgen, niet worden als hun ouders.

Ze dromen over hoe ze hun toekomstige leven samen. Waar, welk huis, hoe ze de dagen zullen vullen etc.

Alma, fluisterde ik, wij zullen altijd vrouwen van het verlangen blijven’. Die typische pubergedachte blijft duren, tot Alma toch plots, na jaren, dan zijn ze al dertigers, hun allesoverheersende contact verbreekt.

Helle begrijpt er niets van: ‘naast onze vriendschap was mijn werk het enige waaraan ik nooit had getwijfeld’.

Ze  valt in een donker gat, probeert zich recht te houden door te experimenteren met nieuwe vrienden en geliefden, door zich volledig op haar kunst te werpen, tot ze opgebrand is volgens de dokter en niets nog zin heeft. Een totale burn-out.

Ze vlucht naar een weinig gekend Duits waddeneiland:

Het niet-weten begon me op te jagen als een dier’.

Daar gaat ze, op het zeggen van de oudere wijze eilandvrouw Hetty, op zoek naar helende barnsteen, ‘ de opgedroogde tranen van de Heliaden..’ ‘Afstand geeft inzicht’ zegt Hetty.

Erosie, ook al zit ‘eros’ erin verborgen, meer nog vind ik in het woord de geleidelijke ‘slijtage’ van de vriendschapsrelatie én de evolutie, de transformatie van Helle. Water, wind en haar gebogen zoektocht naar stenen eroderen haar genadeloze zoektocht naar het ‘waarom?’.

Net zoals de stenen in het motto van Maguerite Yourcenar vooraan, bevindt Helle zich op een kruising van ‘snijdende lijnen’ die in het oneindige verdwijnen, vanuit een knooppunt van krachten die te onvoorspelbaar zijn om te meten en die wij onhandig als geluk, toeval of noodlot bestempelen.

Die onvoorspelbaarheid probeert Helle net te begrijpen.

Dat doet ze in gedachten in fictieve (soms reële) brieven aan Alma.

Ze stalkt haar met emails en telefoontjes, tot Alma laat weten: ‘Ik wou dat ik het beter uit kon leggen, maar ik ben er niet klaar voor. Hier stopt het. Het ga je goed.

Helles verhaal wisselt tussen (chronologische) flashbacks en haar verblijf en zoektochten op het eiland. Heel poëtisch, ook in korte zinnen en  klanken verwoord.

Ik kon me volledig inleven in de hechtheid van de, gedeeltelijk herkenbare, vriendschapsrelatie, maar, bij de tweede lezing merkte ik de hints die de ommekeer voorspelden en groeide het besef: Helle is een verhalenvertelster. Haar herinneringen zijn ingekleurd. Ook Helle beseft dit: ’hoe ouder ik word, hoe minder ik weet wat herinnering, wat verbeelding is’. En: ‘Ik verzin, verzin opnieuw. Ik herhaal. Ik hou vast. Hoe ging het verhaal? Wanneer begon het einde?’

Zo is Erosie ook een roman over een gekleurde vriendschap, waarover ik  nooit eerder zo intens las.

Hoewel, naar het einde toe, merkte ik dat ik sneller en sneller over de (hoewel prachtige) beschrijvingen heen las. ‘Trop’ was’trop’.

En net als ik dacht: dit is het keerpunt, ze komt er, ze krijgt weer zin in het leven en in haar kunstwerken, komt er toch nog een terugval, de twijfel. Dit kan, er blijft altijd een wrang gevoel achter bij een zo heftig verlies,  maar ik haakte af bij teveel uitgespitte herhaling.

Toch blijft ook voor mij EROSIE, een bijzonder intense, poëtisch verwoorde roman over een verterende vriendschap. En voor velen wellicht over hier en daar herkenbare gevoelens. 

In boekenvriendschap, 

© Jet Marchau.

Deze tekst verscheen ook op "Dun lied donkere draad", de Blog van de VWS.

www.AstridHaerens.be