Toespraak van Alain Delmotte op zondag 26 april 2026 in 'De Snuffel' in Brugge bij de voorstelling van 'Spiegel van de ziel', de nieuwste dichtbundel van Antoon Van Den Braembussche.
Vooraleer ik de bundel Spiegel van de ziel van Antoon Van den
Braembussche wat meer probeer te belichten, laat ik hem eerst zelf aan het
woord. Hij situeert zijn bundel op volgende manier: “‘Spiegel van de ziel’ kan
als een sluitstuk worden beschouwd van een mystieke trilogie, die begon met de
bundel Alles komt terug, die aan de eeuwige terugkeer van het gelijke
was gewijd, en De schaduw van Morandi, waarover de Nederlandse
criticus Johan Reijmerink schreef: ‘Wetend dat “het onzegbare onuitroeibaar
is”, heeft hij in deze nieuwe bundel het motto van Vasalis overtuigend gestand
gedaan: “Een dichter vertaalt. Geeft taal aan datgene uit zijn binnenwereld dat
zelf geen woorden heeft.” Van den Braembussche heeft aan het onuitsprekelijke
ingetogen, lichtgevende, loepzuivere woorden gegeven.’”
Laat me toch nog even een omweg maken. Ik vertrek vanuit de vraag: wat is
poëzie? Ik zal het daarbij niet over de formele kanten van de poëzie, d.w.z.
over de poëtica, hebben. Mijn vraag is ontologisch: wat is het wezen van de
poëzie? Wat maakt haar universeel?
In de bundel van Antoon lezen we evenwel:
Wat poëzie zou kunnen zijn
is met geen pen te beschrijven.Ik ben me ervan bewust dat het antwoord op de gestelde vraag enkel
persoonlijk, onvolledig en relatief zal zijn. Poëzie is een complex, vaak
dubbelzinnig gegeven, maar ik durf het in één woord samen te vatten: poëzie is
‘taalritualisatie’. Ik haal het woord bij Christine D’Haen, in een tekst waarin
ze het over James Joyce heeft.
Taal en ritueel. Rituelen appelleren aan de diepste wortels van ons
mens-zijn. Ze typeren de allereerste menselijke beschavingen. Het waren meestal
groepsgebeurtenissen. We weten het ondertussen wel: wat we thans kunstvormen
noemen, maakte toen deel uit van een geheel – het picturale, de enscenering, de
zang en de dans. De poëzie is de erfgename van de zang. Van de adem.
Bij een ritueel kwamen de deelnemers in het sacrale terecht. Ze beleefden en
herbeleefden het sacraal-mythische. Energieën en dynamieken werden opgewekt. Er
is sprake van transgressie, transformatie en trance. Men ging van een
overlevingsmodus naar een staat van exaltatie over. Initiaties, louteringen,
bezweringen en aanroepingen werden betracht. Er werd naar verbondenheid
gestreefd: met de gemeenschap, met de natuurlijke omgeving, met het kosmische.
Ik schreef ‘transgressie’ omdat er grenzen werden overschreden: die van de
werkelijkheid en die van de tijd. In een gedicht uit Antoons bundel met als
titel Black out staan drie regels die ik even uit hun context licht.
Ze schetsen volgens mij de kern van het ritueel gebeuren:
Iedereen verkeerde even
in een andere dimensie.
Een andere toonaard van de tijd.
Wat blijft er in het geseculariseerde Westen van die sacraliteit over? Welke
betekenis heeft die voor de poëzie? Zeker, er is een strekking in de moderne
poëzie waarbij dichters expliciet het rituele opzoeken: de poeta vates, de
dichter-sjamaan, de ethno-poetry en de daarbij horende performance. Hoe
interessant ook: ik breng die hier niet ter sprake. Ik houd me aan het soort
poëzie dat Antoon bedrijft: de traditie van de geschreven poëzie. Ook het
papier kan namelijk als een sacrale plaats fungeren. Zoals het citaat van
Maarten Embrechts, dat vooraan in de bundel staat, suggereert: ‘Le papier, c’est un dieu absent qui nous regarde’. ‘Het papier is een afwezige god die ons aankijkt’.
Algemeen genomen zijn we wellicht voor de absolute sacraliteit veel te
kritisch geworden. Is de band tussen poëzie en het sacrale (het religieuze, het
spirituele, het mystieke) dan verbroken? In begrippen als ‘trance’, ‘extase’ en
‘inspiratie’ komen mystiek en poëzie elkaar tegen. Volgens de Mexicaanse
dichter Octavio Paz zou de mystieke ervaring een kanalisering van de poëtische
ervaring zijn. Een wat te strikte uitspraak. Ik houd me liever aan wat Van
Ostaijen poneerde: poëzie is de laagste trap van de extase. De processen die
zich tijdens een ritueel voltrokken, kunnen we herkennen in het schrijfproces,
zij het in mineur, minder geëxalteerd. Van de zang blijft de stem over. Het
betreft de innerlijke stem, de stem die in de dichter spreekt en die de dichter
zich eigen wil maken, een eigen vormgeving wil meegeven. Een stem overigens die
zich in allen verscholen houdt. Iedereen kan een dichter zijn.
De poëzie vertegenwoordigt thans een soort tussenwereld die we eigenlijk
niet meer in haar volheid als sacraliteit kunnen omschrijven, maar die de
sporen ervan onuitwisbaar in zich draagt. In een recente nota schrijft Antoon:
‘Men kan zonder overdrijving beweren dat grote poëzie eruit bestaat een
optimale balans te vinden tussen inspiratie en bewerking, tussen hartstocht en
distantie, tussen extase en vormbewustzijn, tussen improvisatie en langzame
perfectiedrang.’ Ik zou daaraan willen toevoegen dat de poëzie zich laat
aanvoelen als een tussengebied waar roes en ontnuchtering, intuïtie en
intellect, het profane en het gewijde, het lyrische en het lucide, het
individuele en het collectieve met elkaar al dan niet dialectisch in conflict
gaan of elkaar aanvullen.
Poëzie begint van zodra we worden geconfronteerd met ervaringen waarbij we
vaststellen dat er voor die ervaring geen woorden bestaan. Wanneer het
sprakeloze ons overvalt, daar begint de poëzie, daar begint onze nood aan
poëzie: momenten van verbijstering, verrukking, passie, vervreemding. Zou dit
de ware, paradoxale uitdaging van de poëzie zijn: woorden vinden voor het
sprakeloze? Waarbij en waarmee de poëzie een grenservaring wordt tussen spreken
en zwijgen? Elke dichter bouwt zich op het witte blad een eigen stilistisch
ritueel op waarbinnen de taal kan worden geregenereerd, herladen en daarmee
weer dichter bij het organische en het fysieke aansluit, dichter bij ‘de ziel’.
De woorden ontmoeten elkaar binnen de context van het gedicht en krijgen een
vrijgeleide. Het woord gaat dan over de schreef van zijn lexicale betekenissen.
Zoals Martinus Nijhoff het formuleerde: woorden zingen zich los van hun
betekenis.
Antoon gaat wat verder en koppelt er een ontmoeting aan:
Woorden die zich
onderling herkennen,
zich als in een droom
aaneenrijgen tot gedicht.
Of wat sterker uitgedrukt – al is het in vraagvorm genoteerd:
Liefde tussen woorden
die elkaar nog nooit
hebben ontmoet?
Het gedicht is voor het woord een adem- en resonantieruimte, een klankbord,
waarbij het sprakeloze zo dicht mogelijk kan worden benaderd – totdat het woord
erin opgaat, stilte wordt en in zijn radicaliteit een ‘unio mystica’ is. Het
sprakeloze is een soort geheimschrift dat door de dichter moet worden
ontcijferd. Zo lezen we in de bundel:
En langzaam, langzaam,
omhels ik het geheimschrift
van je lichaam
als een mild en sprakeloos dier.
Dit kan dan zowel het lichaam van de geliefde zijn als het wezenloze, maar
niet zielloze lichaam van de poëzie.
Spiegel van de ziel.
Het woord ‘ziel’ komt een
aantal keren in de bundel terug. Het wordt een ‘echokamer’ genoemd. Het
wezenloze zou zich in de ‘zijkamers van de ziel’ bevinden. In iedereen schuilen
‘de lome kantooruren van de ziel’. En de muziek van Arvo Pärt, die een eerbetoon
is aan de stilte, welt uit de spiegel van de ziel op. De ziel is de immateriële
essentie van de mens, zijn levenskracht. De hele bundel laat ons een
innerlijkheid in beweging zien. We lezen hoe in deze poëzie de taal een weg
volgt die naar het onzegbare leidt.
De eindbestemming waarin het zwijgen
niet langer onwerkelijk is.
…
De indrukwekkende bijna-stilte
waarbij het denken
wegdroomt en zwijgt.
Een punt waarin
(...) het niet-gezegde,
in een niet weten (wordt) ingedamd.
Wat aansluit bij wat ik eerder een grenservaring noemde. We komen met het ‘niet gezegde’ en het ‘niet weten’ in een mystieke ervaring terecht. Het ‘ik’ valt weg, wordt gelouterd:
Ik ben niet langer
de vele ego’s
waarin het leven
zich verdeelde
Een gegeven dat de vijf cycli
vruchtbaar en vitaal doordesemt. In ‘Zij herinnert zich’ wordt de liefde en
haar fluctuaties geëvoceerd. In ‘Franse suite’ kregen de gedichten een Franse
titel mee. Een deel ervan suggereert wisselende gemoedstoestanden: cafard,
mélancholie, ‘cycle d’amour’. ‘Momentenopnames’ verzamelt gedichten die
getuigen van de ‘hartslag van de verwondering’. De reeks ‘Zo bleef ik spreken’
beschrijft hoe gedichten een weg afleggen totdat alles ‘vreemd wordt en
meerduidig’. ‘Zegswijzen’ sluit daar min of meer bij aan en concludeert wat ik
al eerder opperde:
Niets anders rest me
dan een onbewogen zwijgen in mystiek.
In ‘Modus vivendi’ lezen we
gedichten waarin dromen een blijvend verlangen zijn. Dromen die al onze
verlangens in zich dragen, die voor ons een levensnoodzaak zijn:
In iedereen
schuilt een oude droom
die maar niet sterven wil.
In ‘Ars musica’, zoals de titel aangeeft, staat muziek centraal. Dat kan een Japanse fluit zijn (een shakuhachi), een onthechtende stilte en Arvo Pärt. Een reeks die wordt ondersteund door een citaat van Jankélévitch en dat volledig in de lijn ligt waarnaar deze poëzie streeft: ‘Waar woorden ontbreken, begint de muziek.’
Zoals in al zijn bundels
vormen kunst en kunstenaars de terugkerende lijn in ‘Spiegel van de ziel’:
Johan Clarysse, Paul Klee, fotograaf Christian Clauwers, Sofie Muller, Billie
Holiday, Leonard Cohen, Arvo Pärt. Gedichten zijn opgedragen aan Paul Rigolle,
Wittgenstein, Joannes Késenne, compagnon de route Gerrit Anquinet, poolreiziger
Sam Deltour en vriend Pierre Dumont – die op zijn manier ook grenzen heeft
overschreden. Aan elke cyclus gaat een citaat vooraf.
Opvallend is dat de Franse
surrealistische en later communistische dichter Paul Éluard (1895–1952)
geciteerd wordt en dat een gedicht aan hem is opgedragen. Het is vooral de
liefdesdichter die de aandacht krijgt, niet de politieke dichter. Éluard
schreef ooit een memorabele poëziebundel, een van de hoogtepunten van de
surrealistische poëzie (en zelfs de slogan van de beweging): L’amour la
poésie (1929). Zonder komma ertussen, want ze vormden een onverbrekelijk
geheel. Poëzie is liefde en liefde is poëzie. Geliefde en gedicht vallen samen.
Is de eindbestemming van het gedicht het zwijgen, wat is dan de richting die de wezenloze ziel (die ik eerder een bewegende innerlijkheid heb genoemd) uitgaat? Leidt die naar het ‘midden van nergens’, naar ‘de grondeloze omarming/ van leegte? En waar bevindt zich dat ‘nergens’? Kan dat ‘overal’ zijn? Of bevindt het zich in het onbestemde van het hier en nu:
In één en hetzelfde
onbestemde ogenblik.
…
Onder een sluier van wit,
zit de Boeddha gevangen in het ogenblik.
…
En soms is er enkel nog het nu:
een blij en eeuwig vergeten
De poëzie van Antoon blijkt in zekere zin eenvoudig en leesbaar. Ik bedoel dat ze nimmer etherisch klinkt, hoewel zijn thematiek hem daartoe zou kunnen verleiden. Ze is verfijnd maar nooit onnodig duister.
Al bij al stel ik vast dat
deze bundel in het verlengde ligt van zijn vorige bundels. We herkennen de
thematiek, die we ook in zijn essayistisch-filosofisch werk terugvinden. Maar
ik moet bekennen dat Antoon ook tot iets anders in staat is. Recent verraste
hij vriend en vijand met de publicatie van een bundel kindergedichten,
kleurrijk geïllustreerd door Marieke Janssen. Gedichten voor kinderen van 5 tot
105 jaar. Hij gaf die uit onder zijn vroegere schuilnaam Tonko Brem. Een kort
gedicht daaruit, ‘Toverformule’. Misschien niet het meest representatieve, maar
wel het meest speelse:
Virga Jesse.
Potjandorie. Vaste flesse.
Vispandoerie. Pontiplesse.
Poerkieblomme. Blankiebomme.
Pontipaste. Van der domme.
De poëzie van Antoon staat
niet los van de werkelijkheid. Zijn poëzie gaat vele wegen uit. Ook in deze
bundel laat hij zich van een andere kant zien, met name in het gedicht ‘Nooit
meer oorlog’ (dat eerder al in een Engelse vertaling verscheen) en dat de
epiloog van de bundel vormt. Een rijmend gedicht waarin uitdrukking wordt
gegeven aan de verontwaardiging over wat er in Gaza is gebeurd en nog altijd
gebeurt. En dat ongewild vooruitloopt op wat er thans in Iran gaande is. En we
vergeten Oekraïne niet. Het beschrijft hoe oorlog de menselijke ziel doet
ontaarden en hoe machteloos dichters moeten toezien:
En wij dichters, kijken toe, losgezongen van de tijd.
En desondanks schrijven wij de waanzin kwijt.
Als zachte verspreking van het heilig vuur.
In salvo’s van verzet. In verzen van azuur.
‘Desondanks’ lijkt me hier het
belangrijkste woord: desondanks alles moet er verder poëzie geschreven worden.
Onlangs las ik bij de Franse dichter Pierre Garnier het volgende: ‘Le mot n’est
pas un outil, c’est un être.’ ‘Het woord is geen gebruiksvoorwerp, maar een
zijn.’ De huidige situatie maakt het nog erger: het woord is opnieuw een te
misbruiken voorwerp geworden, waarbij het onderscheid tussen leugen en feit op
cynische, retorische wijze wegvalt. Hadden we dat al niet eerder meegemaakt?
Wat is oorlog? Onder meer dat
de taal de mond wordt dichtgesnoerd. In dergelijke oorlogstijden moeten
dichters blijvend de waakhonden van de taal zijn. Een wereld zonder enige vorm
van poëzie is een geamputeerde wereld, een niet-wereld.
Poëzie lezen, dames en heren,
dat zijn twee lichamen, twee innerlijkheden die elkaar ontmoeten: de ziel van
poëzie is een uitgestoken hand. Zo ook de poëzie van Antoon Van den
Braembussche.
 |
| Antoon Van Den Braembussche - Foto © Sammy Roelant |
 |
| De Snuffel- zo 26/4/2026 |
 |
'Na de voorstelling' - Antoon Van Den Braembussche (l) en Alain Delmotte - Foto ©
|
© Alain Delmotte
Spiegel van de ziel – Antoon Van den Braembussche – uitgeverij P 2026
Klavertje vier - Tonko Brem - Marieke Janssen (illustraties) – Uitgeverij de Wispeltuin Brugge 2025