dinsdag 3 december 2019

Negentien nuchtere notities - Hendrik Carette

Daarom blijft de naïviteit het staatsiekleed van het genie,
zoals naaktheid dat is van de waarheid.
Arthur Schopenhauer, In de tuin der letteren
*
Bij de dood van Gaston Durnez (en ook bij de dood van de dichters Serge Largot en Ben Klein) dacht ik wie zal de volgende zijn? En ik durf geen namen noemen, want soms ben ik een echte profeet.
*
Een mooie alliteratie: In Raqqa resteren nu ruïnes.
*
Was Erich Wichman een Nederlandse fascist? Jazeker en de geleerde Arnold Heumakers schreef een relevant essay over deze fascinerende figuur in De Witte Raaf (nr. 193) van juni 2018 met als titel ‘De kunst om niet te bevriezen’ en als ondertitel ‘Erich Wichman tussen avant-garde en fascisme’.
*
De schilderijen van de mystieke kunstschilder Louis Baretta (Elsene,1866 – Schaarbeek, 1928) staan letterlijk te verrotten achter de wandkasten in het stadhuis en de scholen van de provinciale slaapstad Veurne.
*
Ik zou graag eens een toneelstuk willen zien van Henry de Montherlant. Bij voorbeeld ‘La Reine morte’…Of van Michel de Ghelderode. Bij voorbeeld ‘La Balade du Grand Macabre’…en van Jean Anouilh. Bij voorbeeld ‘Antigone’. Maar de vraag die rijst is de volgende: Moet ik daarvoor nu echt met een tijdmachine terug naar Parijs?
*
In de overvolle trams en in de overvolle ondergrondse metrolijnen zie ik veel volk maar weinig mensen (het woord is van de poète maudit Marcel van Maele). En bijna allen staren verdwaasd naar een klein apparaat dat zij bevingeren.
*
Het tijdschrift Rijmtijd van de Guido Gezellekring publiceerde in de maand juli mijn gedicht ‘De laatste Vlaamse IJslandvaarders’ en dit vermoedelijk om dat boven dit gedicht een citaat van Guido Gezelle staat: “o Grondig groene zee,/ ‘k ben visschende op de baren / van uwe oneindigheid.”
*
De negen bollen van het Atomium blinken onder de aanhoudende miezerige regen.
*
Nee, ik moet niet naar Amerika, want ik beluister het muziekstuk Amériques (Original 1921 Version) van de Franse componist Edgard Varèse.
*
De Franse geograaf, anarchist, dichter en schrijver en ecologist (avant la lettre) Elisée Reclus stierf in Torhout op 4 juli 1905. Hij was een groot man. Zijn laatste grote vreugde was toen hij hoorde van de revolte van de matrozen of de muiterij op de Russische pantserkruiser Potemkin.
*
De beste dichters zijn vrijwillige of onvrijwillige bannelingen: de dichter Stefaan van den Bremt woont nu in het koude Koudekerke in Zeeland. Benno Barnard waant zich een Engelsman in het landelijke East Sussex en ik woon al jaren tussen de moslims in mijn getto in Schaarbeek in Huize De Drie Tulpen.
*
Margot Vanderstraeten (°Hasselt, 1967) is nu onze mooiste en charmantste schrijfster. En daarom ben ik van plan haar boek Mazzel Tov te lezen. En ja, niet die absurdistische gedichten van ons lelijk eendje Delphine Lecompte.
*
Na een operatie of een medisch ingrijpen in mijn neus las ik het verhaal ‘De Neus’ van Nikolaj Gogol en daarna las ik Vladimir Nabokov over Gogol. Zo werd ik a.h.w. de stille luisterende gespreksgenoot van twee Russische genieën.
*
De duivel bestaat echt. Ik heb hem gezien: het is de Rostenduvel van Michel de Ghelderode die in Gent en omstreken rondwaart als een spook. En hij woont in Oostakker waar hij de Oostakkerse gedichten van Hugo Claus probeert te lezen.
*
De dichter Ben Zwaal is de zwaluw van onze taal. En dit is niet zomaar een taalgrapje of een goedkope woordspeling.
*
O gruwel! De Indische nationalist Mahatma Gandhi schreef een brief aan kanselier Adolf Hitler en de aanhef van deze brief, gedateerd op 24 december 1940, luidt als volgt: “Beste vriend, Dat ik u aanpreek als vriend is geen formaliteit. Ik bezit geen vijanden.“
*
Ik lees en herlees nu Bomans. Hij was toch een subliem en subtiel schrijver en hierbij een goede les voor alle literaire jury’s en pseudo-letterkundigen; hij won of ontving niet één literaire prijs.
*
Wilt u een echte valabele geheimtip in de letteren van de Lage Landen: lees dan alles van Anneke Brassinga. Al haar gedichten en essays en neem meteen ook haar vertalingen erbij. Ik denk dan bij voorbeeld aan De dood van Vergilius (het boek van Hermann Broch, uit het Duits) en haar keuze en vertalingen uit de Memoires van de beruchte Franse hertog Saint-Simon.
*
De zoon van de dichteres Christine D’haen is Sylvester B. Hij is een lachende langharige musicoloog en ook hij woont in een huis in Schaarbeek. Wat een troost en wat een vreemd toeval; want ook in Brugge woonden wij al lang geleden beiden recht over elkaar in dezelfde Jerusalemstraat. Zijn zus Anna-Livia B. is een Iranologe die het oude Perzisch beheerst en de Perzische dichters in het Perzisch bestudeert. Maar zij woont in Leiden.


© Hendrik Carette
Schaarbeek, november 2019


maandag 2 december 2019

Heiden - Frédéric Leroy

Heiden

De zon scheen vaker. Aan de dingen kleefden
nog de namen, uitnodigend, uitwisselbaar
als losse plaatjes, zodat ik rozenstruiken
krokodillen ging noemen, mezelf krijger.

Wreedheid was een deugd, rauw geweld
iets voor helden (dat wat heerste onder
de zomerzon, triomfeerde, regenwormen
in stukken hakte). Ik lachte vaker toen.

In een wereld van gras en pluizen was ik
heidens blond, wist van god noch gebod
maar hield van het witgekalkte kapelletje
verderop – plukte plechtig kruisspinnen.

Ik schiep een pantheon van gedrochten,
krioelend in glazen confituurpotten.


© Frédéric Leroy

Uit de bundel: "Lucifer en het grote belang (van kleine rituelen)"
Uitgeverij De Contrabas,Utrecht, Leeuwarden 2008

Vandaag wordt Digther-redactielid Frédéric Leroy 45!
(Vijfenveertig!). De voltallige redactie zet hem dan ook graag even
in de bloemen... Mét, kan het anders, een gedicht!


vrijdag 29 november 2019

Synchroonliefde IV - Peter Mangel Schots

Het bed een ziekte breed
waarin ze aanspoelt bij zijn eroderend lijf
dat koers houdt in het midden

Af en toe schudt ze de lakens tot golven
een zijsponde als wrakhout in haar rug

Een arm als roerpen in de vering
met de andere strijkt ze over het spuigat
onder zijn sleutelbeen

Hem niet loslaten nu
niet de laatste heldere woorden klanken adem
missen

Hem voorbij de klip voeren van nog een nacht
nog een ochtend

Hem niet loslaten nu niet
loslaten


© Peter Mangel Schots


Uit 'Synchroonliefde', de nieuwe bundel van Peter Mangel Schots
die op zaterdag 7/12/2019 in Leuven wordt voorgesteld.

donderdag 28 november 2019

Reizen - Peter Mangel Schots

Je stapt naar de andere kant
je hebt in gedachten je koffers gepakt

met ochtendlucht, de geur
van appelmoes, het kraken van de trap

Je weet van reizen dit: het is
niet elders zijn maar anders zien

polderwolken situeren diep in Amerika
zwemmen in Oostzeeën als een zelfverzonnen personage

Reizen is ergens anders thuiskomen
verbeelding neemt de plaats in van beleving

zoals je telkens wordt verrast door het gezicht
van een geliefde die op geen foto wil bestaan


© Peter Mangel Schots


Uit 'Synchroonliefde', de nieuwe bundel van Peter Mangel Schots
die op zaterdag 7/12/2019 in Leuven wordt voorgesteld.


woensdag 27 november 2019

Schennis - Peter Mangel Schots

Je leeft in iets dat leeft
dat grommelt en snakt van spouwmuur tot koelkast

Je weet: je moet het overwinnen, het ongerepte
binnendringen, durven
aan de knoppen draaien, de tegels betasten

Liever zou je over de vloeren zweven
de klinken ontzien, de toestellen ontslaan
van hun elektrische bestaan

Van het nieuwe koester je de tijdelijkheid,
de peertjes in de fittingen – de zwakste lichten
de grootste kamers bij

Het plafond spreekt je vloeiend toe, je kent het
beter dan de muren, kijkt bewuster waar er minder is


© Peter Mangel Schots


Uit 'Synchroonliefde', de nieuwe bundel van Peter Mangel Schots die op zaterdag 7/12/2019 in Leuven wordt voorgesteld.


dinsdag 26 november 2019

Synchroonliefde van Peter Mangel Schots

"Er zijn hoekjes van ons af
waardoor we aan elkaar blijven haken
"














Op zaterdag 7 december 2019 wordt in "La Conserve" in Leuven 'Synchroonliefde', de nieuwe bundel van Peter Mangel Schots voorgesteld. Drie jaar na zijn debuut ‘We zijn er nog allemaal’ brengt de Leuvense dichter nieuwe gedichten samen die het in deze tijd onder meer hebben over ‘het laatste dat overeind blijft: de liefde’.
Synchroonliefde is een uitgave van het Poëziecentrum.

De komende dagen publiceert 'De Schaal van Digther' bij wijze van voorpublicatie drie gedichten uit de nieuwe bundel.
- Schennis (woe 27/11/2019)
- Reizen (do 28/11/2019)
- Synchroonliefde IV (vr 29/11/2019)


Het programma van de voorstelling op 7/12/2019:
Stijn Devillé leidt in
Charlotte Van den Broeck en Peter Mangel Schots lezen een selectie van de gedichten voor.
Muzikanten Cyrille Obermüller en Karel Cuelenaere zorgen voor jazzy intermezzi
Toegang gratis. Wel graag uw komst melden op 30cc.be

Het laatste wat overeind blijft is de liefde. Over de dood heen linkt ze generaties aan elkaar: vaders, moeders, kinderen, minnaars. De ene dag struikelt ze door de beslommeringen van het leven, de andere schittert ze als zonlicht op het water. In zijn debuut toonde Peter Mangel Schots de kleine mens in het raderwerk van de geschiedenis. In deze tweede bundel verlegt hij de blik meer naar intimiteit onder verschillende omstandigheden: na een verhuis, op de werkvloer, tijdens reizen, aan een ziekbed of in het spel van geliefden. Een zachte vinger aan de pols van de tijd.

Extern:
Thuissite Peter Mangel Schots
Synchroonliefde bij het Poëziecentrum
Voorstelling 7/12/2019 in Leuven
Peter Mangel Schots eerder bij Digther



























zaterdag 23 november 2019

Domein - Frans Deschoemaeker

De wereld stond nog te gebeuren.
De geuren, de glimpen, de duizend
lichtinvallen, die ons in later dagen
weer in zouden vallen. Loom

lagen er de bossen bij, onder zonloos
middaglicht, met geile afdrukken
van hoefjes aan hun zoom en
plastisch in de klei geplette keutels.

Verdroomde dag. Vanuit het lover
sloegen bosnimfen ons fluitspel gade.
Elysium, de peplos los, zijdezacht
de petticoat neerzijgend op het mos.

Wij voerden er op zondag, ritueel
gebaad, op Vergiliaanse vespas
onze weerspannige verloofdes heen
als avondwind op rilde rieten blies.

Ver van het vaderlijke erf sloten dreven
hun bronsgroene deuren. Uit nissen
klonk stampvoetend snuiven. Wij liepen,
heel in de ban van de grote god Pan.


© Frans Deschoemaeker


Dit gedicht is ook vertegenwoordigd op het 2° Stadsfestival van Damme. Onder de noemer 'het nest tussen waarheid en herinnering' kun je het festival nog bezoeken tot en met 8/12/2019!


zondag 17 november 2019

Over ‘Epiloog’ van Jan Vanriet – Romain John van de Maele

Epiloog (Winter in Noord-Brabant)’ van Jan Vanriet

In het verlengde van zijn recente recensie op Meander van 'Kouwe kleren' de nieuwe verzamelbundel van Jan Vanriet staat Romain John Van de Maele in een reflectie stil bij het gedicht 'Optocht' van Jan Vanriet. Uit de bundel 'Geen hond die brood lust', daterend uit het gezegende jaar 1984.

Jan Vanriet is niet alleen een ‘literair schilder’, hij is ook een schilderende en tekenende dichter. Twee versregels uit het gedicht ‘Ars poetica’ maken duidelijk dat de dichter de taal gebruikt zoals een schilder of tekenaar borstels en potloden in de hand neemt: ‘… De schouw van een verre fabriek / schaduwt de lucht als een potlood, / een somber grafiet’ (Vanriet, 1984, 5). De dichter kent de iconische beelden uit de kunstgeschiedenis en uitdrukkingen uit de wereld der letteren, zoals blijkt uit de laatste versregel van het zelfde gedicht: ‘We blaffen, woorden trekken voorbij.’ Deze woorden herinneren aan de Franse uitdrukking van Arabische oorsprong: ‘Les chiens aboient et la caravanne passe.’ Blaffende honden die een nomadenkamp bewaken, maken geen indruk op de kamelen die hun tocht rustig voortzetten. De uitdrukking wijst niet alleen op zelfvertrouwen, ze maakt ook duidelijk dat men, zelfs als er kritiek wordt geuit, zich niet van de wijs zal laten brengen. In de context van het gedicht betekent ‘We blaffen’ dat de dichter zijn poëticale uitgangspunten zal blijven bewaken, en dat de woorden van critici hem niet zullen aanzetten tot een koerswijziging. Het gedicht staat als een vingerwijzing op de eerste bladzijde van de bundel Geen hond die brood lust.

Het tekenend schrijven blijkt ook uit het tweede deel van het korte gedicht ‘Sterven’: ‘Sterven op het voetpad / in de regen. // Een appel gevallen / uit het krat’ (8). Hier wordt een verhaal samengebald in
een schets: er ligt een appel te rotten op het voetpad. Dat schilders met appelen bijna magische dingen kunnen doen, heeft Cézanne afdoende bewezen, al schikte hij het fruit op een tafel. Jan Vanriet heeft geen kleur vermeld in zijn snapshot, zijn visueel geheugen heeft duidelijk genoeg aan het stenografisch verslag van een waarneming. De vervlechting van literatuur en beeldende kunst werd al vroeg benadrukt in het gedicht ‘Literatuur’: ‘wanneer ik met iets langere haren / de straat afren / zeggen vrienden: je lijkt net een jood / met mijn zonnebril op / begroeten ze me echter lachend / (klopje op de schouder) // dag Remco!’ (In: Deflo, 1972, 94). De dichter beschrijft een beeld dat nauwelijks wijzigingen ondergaat, maar toch op verschillende manieren gelezen wordt. De aandacht voor de visuele werkelijkheid, de waarneming en de verbeelding van die werkelijkheid in woord en teken is een van de belangrijkste kenmerken van het werk van Jan Vanriet. Dezelfde visuele gedrevenheid valt ook op in het vroege werk van de iets oudere Roland Jooris en in een aantal gedichten van een dichteres die tot de generatie van Vanriet behoort: Patricia Lasoen. Ik denk aan haar gedicht ‘Winter in het dorp’ dat als volgt begint: ‘In het veld van de laatste der boeren / staan de rabarbers stokstijf / en kraken hoorbaar onder de zon…’ (In: Deflo: 1972, 80). In het gedicht ‘Dit is echt’ verwijst ze zonder omwegen naar een schilderij: ‘Je zou zeggen / net een schilderij van Willaert: / de weg recht naar de kerk…’ (In: Vanriet, 1974, z.p.). De generatie die in de tijdschriften KreatiefYang en Revolver aan de weg timmerde, was bijzonder visueel georiënteerd.

De sterke verstrengeling van taal en beeld is in het werk van een aantal nieuw-realisten in de loop der jaren minder dominant geworden, maar bij Vanriet is de band onverbrekelijk. Het laatste gedicht in de bundel Geen hond die brood lust illustreert op een zeer toegankelijke manier de kruisbestuiving. Het gedicht ‘Epiloog (Winter in Noord-Brabant)’ bestaat uit vier korte strofen waarin naar kleuren en rechte lijnen wordt verwezen. Het gedicht is bovendien zo gestructureerd dat zowel de horizontale als de verticale dimensie wordt aangetoond: de lucht is een breedtefenomeen dat aan de horizon met het land samensmelt, maar dat land bevindt zich toch onder de lucht, vandaar de visuele en logische ordening: een lucht en daaronder het land. Men mag niet uit het oog verliezen dat een schilder drie dimensies moet suggereren op een doek of een blad dat slechts twee dimensies heeft: hoogte en breedte. De tweede strofe benadrukt de verticaliteit: donkergroen op somberbruin, gestructureerd in drie regels waarbij het voorzetsel op de lagen scheidt en tegelijkertijd verbindt. In de derde strofe schetst de dichter aken op de rivier en hij verwijst naar rechte lijnen: een spoor in het ijs. In de eerste versregel wordt de lucht vergeleken met glanspapier of sitspapier, een vergelijking die aan het metier van de schrijver-schilder herinnert. Papiersoorten spelen een grote rol in de praktijk van aquarellisten, en glanspapier bestaat in vele tinten. Door glanspapier met aquarelpapier te combineren, door gebruik te maken van een gemengde techniek (mixed media), kan een kunstenaar bijzondere effecten oproepen. Jan Vanriet maakt geen gebruik van een metafoor: de lucht is geen glanspapier, de lucht is als glanspapier. De kleur wordt niet vermeld.

Een lucht als glanspapier
En daaronder het land

Donkergroen
op
somberbruin,

het rooster van rechte lijnen,
en aken op de rivier:

een spoor in het ijs
dunner als voorheen.

‘Epiloog’ verwijst duidelijk niet naar een van de vele schitterende winterlandschappen van Johan Jongkind, Jacob Ruisdael, Jan van Goyen, Hendrick Avercamp, Esaias van de Velde, of eventueel Pieter Bruegel de Oude. ‘Winter in Noord-Brabant’ is een vlugge schets die ijs en een spoor in het ijs vermeldt, maar geen schaatsers of feestvierders. De schilder en/of de dichter heeft ook aken opgemerkt. Een aak is een groot vaartuig dat wordt gebruikt op de binnenwateren en grote rivieren. Het is een vaartuig met een platte bodem die voor en achter omhoog is gebogen en maar weinig smaller wordt. Het tijdstip waarop de schets is vervaardigd kan niet uit het gedicht worden afgeleid: gaat het om een recent beeld, of denkt de dichter aan de Gouden Eeuw? Op 10 oktober 2019 schreef Jan Vanriet me: ‘toen ik het [gedicht] schreef dacht ik (onder andere) aan een eenvoudige lijntekening van Rembrandt, de ets van een landschap.’ Op de ets heeft Rembrandt genoteerd: Mynheer Six en Brugh. Jan Six was vanaf 1640 een vriend en beschermer van de schilder. De ets verbeeldt twee personen op een brug, twee vaartuigen, een kerktoren en bomen die hun bladeren nog niet hebben verloren. Het is belangrijk te onderstrepen dat Jan Vanriet de nuancering ‘onder andere’ heeft gebruikt. Hij had toen hij het gedicht schreef figuurlijk ook andere schetsen voor ogen.

In tegenstelling tot Roland Jooris is Jan Vanriet dichter en schilder, maar zoals het werk van Jooris zijn de gedichten van Vanriet in de woorden van Jooris ‘meestal de neerslag van kijkervaringen, visuele toestanden.’ Omdat Jooris het penseel niet gebruikte, liet hij een aantal gedichten op doek aanbrengen. ‘Hetgeen de vraag ontlokt: zijn dat nog gedichten of zijn het nu schilderijen? Om die vraag gaat het wel ergens, niet om een expliciet antwoord erop’ (In: Vanriet, 1974, z.p.). Bij beide dichters valt voortdurend de kruisbestuiving tussen beeldende kunst en poëzie op, maar de schilder Vanriet heeft het voordeel dat hij aan de oude stelregel ut pictura poesis in twee richtingen gestalte kan geven. Jan Vanriet noemt zichzelf niet ten onrechte een literair schilder, maar de typering is niet volledig wanneer niet tegelijkertijd aan de tekenende en schilderende dichter wordt herinnerd. Het gedicht ‘Epiloog (Winter in Noord-Brabant)’ getuigt van de vruchtbare wisselwerking tussen woord en beeld.


© Romain John van de Maele


Freddy de Vree (1996) Jan Vanriet. Schilderijen 1984-1996. [Tielt]: Lannoo
Lionel Deflo (1972) Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen. Een dokumentaire bloemlezing.
Brugge: Uitgeverij Orion / Desclée De Brouwer.
Jan Vanriet (1974) ‘Omtrent de werkelijkheid’, Kreatief, jrg. 8, nr. 1.
Jan Vanriet (1984) Geen hond die brood lust. Antwerpen: Uitgeverij Manteau.


donderdag 14 november 2019

Valavond - Erika De Stercke

Het landschap deint uit tot een oeverloze
vlakte. Vijf ooievaars waden door waaiers
riet, laten kikkers schrikken. Droge stroken
haken in elkaar. Schapen vullen de weide
met wol.

Als ontsnapte pluizen vliegen ze over net
lichte lucht, de andere nestelen zich vast
tijdens het broedseizoen, snavels in
éénzelfde richting. Het lijf strak gespannen.
Vogels die geen landkaart lezen.

Net een wolf die verzwakt uit de roedel weg
blijft, tuurt de man naar buiten. Verwonderd
hoe de dag zich naar de aarde rolt. Zijn hart
kent de weg. Volgt de afstand om stiltes te
bewaren wanneer het licht uitgaat.


© Erika De Stercke


woensdag 13 november 2019

Natuurlijke parel - Erika De Stercke

Het heuvellandschap spreidt zijn armen
naar de stad. De taal klinkt er zo rollend
zacht en leeft tussen het groen.

In tuinen en parken ravotten kinderen.
Feestelijk lopen ze met de stoeten mee.
Groeien van schooltijd naar groot zijn.

De geest van vervlogen textielindustrie
huist op de pleinen en in de gebouwen.
Hier schreef de tijd geschiedenis.

In de crypte rust het schrijn van Hermes
patroonheilige tegen ziektes en onheil.
De oude beuk weet drassig veel.

Met groot elan verzamelt het station
de verhalen van hoe een stad verrijst als
de parel van de Vlaamse Ardennen.

Vanuit het Muziekbos zweeft de mooiste
melodie naar de bewoners en bezoekers.
Vogels glunderen, dag en nacht.


© Erika De Stercke


dinsdag 12 november 2019

Huldiging - Erika De Stercke

Dat ze ons voor gingen met de blik
naar het thuisland, angst in de aders
en hoop op eeuwigdurende vrede.

Weggerukt geluk onder de grafstenen
als gesneuvelde bloemen in de groei.
De dagen verduisteren in zwijgen.

Het licht prikkelt de stilstand wakker
in nieuwe kansen en overtuigingen.
Het verleden wordt niet vergeten.

Er komt een tijd waarin vogels zachte
woorden spreken en de vissen vliegen.
De liefde dragen we op onze handen.


© Erika De Stercke


maandag 11 november 2019

We zijn wat we achterlaten. Altijd een masker, altijd een spoor.

Zaterdag 9/11/2019 laatst werd in zijn thuisstad Diksmuide de nieuwe dichtbundel
van Hugo Verstraeten voorgesteld. Onder de titel HiEr verzamelt Digther-man van het eerste uur Verstraeten, eindelijk nog ’s een fractie van de gedichten die hij in de voorbije decennia schreef.

Mede-Schaal van Digther-kompaan Paul Rigolle zorgde zaterdag voor een passende inleiding. Het werd, kan het anders met hun gezamenlijk Digtherlijk verleden, een licht sympathiserende tekst. De inleiding geven we hier integraal weer.

.../...

Een heel goeie avond beste mensen, vrienden van Hugo,
vrienden van de poëzie… Welgekomen!

Het is altijd fijn om iets te mogen voorstellen dat niet eerder bestond. Vanavond valt mij dat genoegen te beurt. Met dank aan die ouwe Digtherlijke gabber van mij, Hugo Verstraeten.

Vanavond mag ik u wat meer vertellen over de nieuwe dichtbundel van hem die de korte, duidelijke maar uiteindelijk ook wat cryptische titel HiEr meekreeg. Aanvankelijk vond ik die titel eerlijk gezegd maar niks. HiEr… Wat moest ik met deze vlakke titel… Wat daar aan vastgeknoopt? Maar toen ik even later het bijhorend kaftontwerp te zien kreeg en zag dat er ook grafisch wat met de titel aan de hand was; en toen ik ook de gedichten ging lezen… besefte ik dat het net zoals bij een geboorte altijd eerst wat wennen is aan de naam tot men vaststelt dat het kind geen andere naam kon hebben dan diegene die het effectief gekregen heeft. Dat kaftontwerp vind ik overigens een van de mooiste die ik de voorbije jaren onder ogen kreeg. Het is van de hand van Cornelia Boudens die het werk speciaal voor deze bundel heeft gemaakt.

Zelf heb ik Hugo persoonlijk leren kennen in Strombeek-Bever in het gezegende jaar 2002. We waren beiden met nog een pak andere dichters genomineerd voor de poëzieprijs van ‘de Blauwe Engel’. Mooie naam toch. Er waren 500 gedichten ingestuurd door niet minder dan 192 dichters. Uiteindelijk ging de prijs naar Erik Heyman, toen al vrij bekend als dichter, maar die ons helaas enkele jaren later al veel te vroeg zou ontvallen. De tweede prijs was voor ene Hugo Verstraeten uit Oostkerke waarmee ik die avond kennis maakte. Zijn bekroonde gedicht droeg als titel ‘In de dingen’. Het was een intrigerend en indringend gedicht.


In de dingen


Alles is er nog. In de dingen.
Beeld van een tafel, kamer waarin iemand licht vergat.

Alles is er nog. Stoel die in het eeuwige hapert.
Brood dat ons verzamelt. Muren waarop het
zichtbare speelt met iets daarachter:
verte, honger die het kijken niet stilt.

Stoelen verschuiven.

Namen waarin het afwezige roept.
De vochtvlek op het behang wrijft haar betekenis open:
oksel, arm. Wat zich wegwast in water.

Alles is er. Het rustige ademhalen, het blijven.
Het schuilen van vogels in de angst
van een stem.

Het raam in de nacht waait de dromen nog open.


© Hugo Verstraeten

Ik herinner mij dat ik er samen met een aantal collega’s na afloop van overtuigd raakte dat, met alle respect voor Erik Heyman, de prijs eigenlijk naar Hugo had moeten gaan. Het gedicht ‘In de dingen’ is ook nu nog altijd een van de mooiste die vandaag in zijn nieuwe bundel HiEr zijn verzameld.
Na die avond in Strombeek heb ik het genoegen gehad om Hugo nog veel beter te leren kennen. In 2007 vroeg hij mij om deel uit te gaan maken van de redactie van Digther, het tijdschrift met die vreemd geschreven naam, waarvan hij medeoprichter en hoofdredacteur was en dat nu nog steeds bestaat. Weliswaar niet meer op papier maar in de e-versie van ‘de Schaal van Digther’. Ik kon hem dat niet weigeren. Sindsdien maakte ik Hugo mee in veel hoedanigheden en omstandigheden. Als filosoof en therapeut. Als lesgever. Als dubbeltalent. Als de schilder die steevast meewerkt aan Buren bij Kunstenaars, en als de dichter waarmee ik af en toe het podium of zoals in oktober van 2015 de studio van Radio Kompas mocht delen. Ik was er zelfs getuige van hoe hij, ook in 2015, in Bambroek, Ophasselt in Zaal De Kat, de gedaante aannam van veilingmeester bij de verkoop van de duiven van zijn vader. De duivensport wist Hugo overigens ooit ’s dichterlijk te omschrijven als ‘cyclocross op vleugels’.

Maar nog even terug naar Strombeek en het jaar 2002. Hugo was met zijn gedicht ‘In de dingen’ toen al niet aan zijn proefstuk toe. In 1994 immers was zijn eerste bundel ‘Er zijn geen koningen meer‘ verschenen. Drie jaar later, in 1997, was de opvolger er al, ‘Verzamelde gezichten’. Beide bundels waren een uitgave van de Dilbeekse cahiers. Het zag er bij de uitreiking van de Blauwe Engel -prijs dan ook naar uit dat die eerste twee bundels van Hugo, die toen ook al aan het schilderen was, vlug opvolging zouden krijgen. Wel… Dat had je maar gedacht… Het heeft uiteindelijk meer dan twee decennia geduurd, tot vanavond dus, vooraleer er van Hugo nog ’s iets in boekvorm is gepubliceerd…

Wat niet belet dat hij al die tijd is blijven schrijven. En ook her en der en op internet publiceerde. Columns, proza, kortverhalen, vakteksten, gedichten… Hij is het vanuit zijn
Oostkerkse pastorie allemaal blijven schrijven. De bundel van vandaag is met zijn 54 gedichten slechts een hele kleine fractie van wat hij aan gedichten in de voorbije jaren schreef. Dat wil wat zeggen! Bij de samenstelling heeft Hugo geprefereerd om, rechttoe rechtaan, zonder afdelingen, gewoon de chronologie van hun ontstaan te volgen. Waar de gedichten in zijn eerste bundels nog vrij smal en vrij sober een verticale indruk maken en aandoen als briefgedichten waaieren veel gedichten nu breed en ongegeneerd over de hele bladspiegel. Bij nader inzien geeft het gedicht ‘In de dingen’ eigenlijk al veel van de thematiek prijs die we verder in de hele bundel aan bod zien komen: Muren waarop het zichtbare speelt met iets daarachter: verte, honger die het kijken niet stilt

Het kijken, de honger naar het kijken en de verte, het komt heel vaak in de gedichten terug. Enkele voorbeelden.

Soms was er enkel dit kijken. Een blik, een geur,
wat altijd verwaaide.
(In Amores Perros)

…/…
Om naar een dorp te kijken. En hoe je dat doet.
Met afstand en inzicht van ogen. Met vogels
die inbreken in kooien.

Om naar een verte te kijken en hoe ze daar
in voorkomt. Stip zonder elders. Met verhalen
die dichtsneeuwen telkens iemand ze vertelt.

(in een titelloos gedicht)

…/…
Verte staart langzaam in
de ogen. De spiegel luistert
naar de vuistslag van zwijgen

staat er in ‘Slak’ het gedicht dat de bundel opent…

Omdat tijd een afstand is in het verteloze van haar kijken (Bij bewustzijn)

Ook de woorden wit, sneeuw, zwijgen, stilte en al hun equivalenten worden vaak door de dichter gehanteerd. Alsof de dichter verlangt naar het op- en ondergaan in de witte mist van woorden… Sporen ook, het nalaten van sporen ook daarover heeft de dichter het in deze bundel soms letterlijk. Enerzijds sporen achterlaten en anderzijds toch helemaal achter de gedichten willen verdwijnen… Het is en blijft een schijnbare dualiteit bij dichters en zeker ook bij Hugo.


zoals elk beeld 
in steen wil verdwijnen 
en dan blijft. (Delphi)

Ook al zijn zijn gedichten soms zeer persoonlijk, of is de aanleiding waartoe ze geschreven zijn, zoals de dood van de moeder, afscheid en scheiding, zeer persoonlijk toch verdwijnt ook de dichter Verstraeten op een perfecte manier uit zijn gedichten. Het ik is een ander geworden. Het ik zijn jij en ik geworden… Een kenmerk van alle goeie poëzie!

Hugo staat vaak en graag stil ,en dat kan natuurlijk moeilijk anders bij iemand die zelf schildert, bij de dingen van de schoonheid en de troost. In HiEr steken gedichten die geïnspireerd zijn op de kunst die hij op zijn weg tegenkomt maar evenzeer gedichten die refereren naar zijn eigen creatief plastisch werk. En net als in de schilderkunst gaat het er minder om om wat je schildert, maar hoe je dat doet. De verhouding schilder – dichter speelt heel vaak mee. Dat Hugo zelf ook een schilder is laat zich hoedanook in de gedichten gevoelen. Er zijn gedichten waarin Magritte, Da Vinci, Brancusi en Caravaggio figureren en er is zelfs een gedicht met als titel ‘Schilderij’.

De bundel bevat voorts een pak verwijzingen naar de wereld van de cultuur, de geschiedenis en de actualiteit. Er zijn gedichten met als titels Saigon, Naar Auschwitz willen, Delphi, Hindemith, Orpheus of Piaf. Er is een leuke ode aan Cecilia Bartoli en er zijn drie hommages aan Humphrey Bogart. Er zijn ook een aantal mooie reisgedichten opgenomen zoals Les Hauts de Véroncle, Nîmes, Colline en Ascaso, punta d’as Diez. In de bundel steekt zowaar ook een selfiegedicht met als verhelderende titel H.V. Daarin staat de passage

(Hij) Schrijft veel
rood door het bloed om
het nooit meer te stelpen -



De eeuwigheid duurt bij Hugo Verstraeten vaak een gedicht lang. ‘Wij zijn gebeurd verklaard’ schrijft hij in het gedicht ‘Merkelijkheid’ en in ‘Beast of burden’ noemt hij de dichters: boekhouders van wat herinneringen, verzamelaars van hiaten.

Dichters schreeuwen hun verzen tegen de stilte in, liet Hugo optekenen in zijn voorwoord in Watermerk, een mooi boek dat in 2010 uitkwam bij het tienjarig bestaan van Digther. En ook: Hun woorden enkel tijdelijke onderbreking van een eeuwig zwijgen. Poëzie als opschorting van stilte, van leegte. Tot de stilte alles weer heelt en er enkel wat littekens blijven

Na decennia poëtische praktijk weten wij met Hugo Verstraeten dat poëzie de wereld niet zal redden. Maar wel dat de wereld zonder de heldere geheimtaal van de poëzie reddeloos verloren is.

In het mooie, al geciteerde Les Hauts de Véroncle staat:

We liepen van verte tot verte verloren
tot diep in elkaar. Daartussen iets
wat we nooit in konden halen.

We zijn wat we achterlaten. Altijd
een masker, altijd een spoor. Altijd
een begin van verwarring.

Het zou zowaar een epigram of een poëtische grafsteen kunnen zijn: ‘We zijn wat we achterlaten’.

In een recente column in het literair tijdschrift De Vallei, niet toevallig ‘Dead Poets Society’ getiteld, schreef Hugo:

Dichters blijven het antwoord schuldig op de vragen die ze zelf stellen. Zij laten hun gedichten wijd open staan voor wie er binnen wil treden. Goede gedichten zijn nooit af. Ze laten de lezer verder schrijven. Goede dichters schrijven niet a- priori onleesbaar of gesloten, maar tonen ons het anders zijn van de dingen. Hun woorden zingen, brullen, fluisteren of vallen zwijgend in.

Ik hoop alvast dat Hugo uit zijn dichterlijke reserves blijft putten en ons in de toekomst nog minstens een paar bundels te lezen geeft…

Maar laat ik HiEr (en nu) vooral eindigen met jullie veel leesgenot te wensen in deze mooie nieuwe bundel. HiEr is waar het gebeurt. En niet alleen vanavond. Maar nog voor heel lange tijd.


© Inleiding - Paul Rigolle


HiEr, Hugo Verstraeten, Uitgeverij Partizaan, 2019, 64 pagina's, ISBN 9789492007841





vrijdag 8 november 2019

Dode link

Dode link... Het lijkt wel de titel voor een of andere internet-thriller. Dit alleen maar om even te zeggen dat we bij Digther eindelijk nog 's tijd gevonden hebben om onze linkjes-kolommen wat te updaten.

Zie helemaal onderaan rechts van deze pagina bij de rubriekjes: "Bij ons en in de wereld" en "En nog meer wereld". Wie nog een link zou weten of kennen die hier ook best op zijn plaats zou zijn, laat dat uiteraard maar weten!


Extern:
Wat is een dode link?

dinsdag 5 november 2019

Vier gedichten - Bert Bevers

Passim
Van eigen falen heilig overtuigd zijn niet de danklozen.
Terwijl ik onuitgesproken woorden op hun lippen zie
weet ik dat ze niet samen bang kunnen zijn. Herkenbaar
vreemd ogen ze, als fotoalbums van onbekenden. “Hela,
morgen, behoor ons toe!” schreeuwen ze de nacht in.


Haardstede
Die terloopse schaduwval over treden naar verleden. Hoe
lang ik hier al lang wonen wilde, en er zoveel tijd reeds ben
nu er andere dagen zijn, andere, vol onbezoedelde warmte.
Ik leer hier in rustig betrouwen nog steeds veel. Dat alles
elders anders klinkt, dat bomen maar langzaam terug groeten.


Waarachtig
Doorkijkjes vanuit zwaarte: zonder raadselen lichten
aangrenzende verschijningen op. Waarachtig smeult
hondstrouw hun rotsvaste twijfel. In het leeftijdloze
zwijgen van de hemel dromen ze van lege speelplaatsen
niet meer. Wat zijn ze vergeten toen wij even niet keken?


Kleine uren
Soms zijn geruchten er al nog voor er ook maar iets is
gebeurd. Ze maken geen afspraken om na te komen,
dat is het. Holle woorden in het donker. In de randen
van de vrijdag maanlicht over trossen te over. Hier, waar
augustusuren wegtikken onder mintgroen klokgelui.


© Bert Bevers, 2019







donderdag 31 oktober 2019

Over 'In de maat van de zee' van Lieve Desmet - Bart Vonck

Op zaterdag 14/9/2019 stelde Lieve Desmet in het Wagehuys in Leuven haar nieuwste dichtbundel ‘In de maat van de zee’ voor. Eerder publiceerden we op ‘de Schaal van Digther’ al een aantal gedichten uit de bundel. ‘In de maat van de zee’ werd in Leuven uitvoerig en boeiend ingeleid door dichter Bart Vonck. De ruime inleiding plaatsen we hierna in haar geheel.


























Dames en heren, vriendinnen, vrienden, beste Lieve,

De manier waarop ik doorgedrongen ben tot je nieuwe bundel, heeft veel te maken met hoe jij schrijft. Ik moest lezen en herlezen om in je bijna altijd gewone woorden thema’s en poëtische procedés te onderkennen die je maken tot de bescheiden maar trefzekere dichteres die je bent. Langzaam lezen, herlezen, en woorden en manieren van zeggen samenbrengen die niet echt spectaculair zijn maar die, met een volgehouden diepgang en bij nader inzien onvermoede, ongewone parallellen, teksten naar de lezer brengen die uiteindelijk slechts bij een oppervlakkige lezing gewoontjes kunnen overkomen.

Het woord ‘parallel’ kan in het Nederlands de betekenis hebben van een loopgraaf die evenwijdig aan het vijandelijke front loopt. Ik zie jou, Lieve, al zitten, in het zand bij de zee, kijkend naar hoe anderen, vaak kinderen, soms ook je jonge zelf, hun fantasie loslaten op het kneedbare zand en de kastelen bouwen die even later niet meer bestand zullen blijken tegen het regelmatige maar koppig voortschrijdende water van de vloed. In gedachten zie ik je daar zitten, en je graaft in je hoofd, op het witte blad, onderaardse gangetjes die ook onder het water zullen verdwijnen maar eerst een stramien vormen – onnadrukkelijk – dat jij in taal hebt omgezet. Nee, ik bevind mij, als ik je lees, niet op een effen en vlak terrein - dat is de schijn waaraan de lezer niet mag toegeven -, maar op een ondermijnd en ribbelig oppervlak dat jij geduldig maar ongenadig aanbrengt op papier. Daarin kom je heel dicht bij de visser die verhuld zit in het eerste gedicht ‘Op het uur van de visser’ dat je laat voorafgaan aan de vijf cycli van je nieuwe bundel. Daarover straks meer. Eerst ga ik even de filosofische toer op.

(1) We lezen de bundel als een bewust, secuur gecomponeerd geheel, maar paradoxaal genoeg berust deze constructie op een ‘gebrokenheid’ die er de voorwaarde van is. Wat de lezer bijblijft van het geheel, van de constructie, is iets anders dan het geheel op zich, dat laat zien hoe diep het is verdeeld, hoe het eerst in breuken tot de dichter is gekomen, die zijn leven-in-gebrek naar een geheel heeft gedragen dat het gebrek vastlegt maar ook op een talige wijze verzelfstandigt. Het geheel, de bundel, is een geheel-uit-gebrek. Het geheel heeft het gemis dat voor de dichter zo tastbaar in-het-leven is, opgeslorpt maar niet verteerd. Jouw taal draagt er in bijna elk vers de tekens van. Het gebrek moet in het geheel blijven leven; beide hebben elkaar nodig om te blijven zijn wat ze zijn.

Zo, in diepe verdeeldheid, in haast peilloos gemis, schept de dichter - die vindingrijke vreemdeling - een geheel, dat niet alleen meer is dan de som van de delen maar dat ook maar aanspreekt als het beseft – en de arbeid van de dichter is het uitwerken van dat besef – dat ‘gebrokenheid’ het bouwplan, de plattegrond, het ontwerp van het geheel is. De lezer wordt gegrepen door de som van het geheel waarin hij gebrek ziet spelen als een kind op het strand. Het geheel wordt onthuld door het gemis en daarin lezen we de handtekening van de dichter. Het kind op het strand weet dat zijn zandkasteel ongenadig door het water wordt vernietigd, maar precies die vernietiging-na-het-spel laadt het spelen zelf op met een aantrekking-afstoting waaraan we niet kunnen ontsnappen.

Het gedicht is het geschreven besef van het zich steeds opnieuw manifesterende feit dat iemand voorgoed vertrokken of nooit gekomen is. In het gedicht lezen we een geheel waaraan iets ontbreekt, maar we lezen dat geheel niet op die wijze, niet als een geheel-waaraan-iets-ontbreekt, maar als een gebrek dat het geheel nodig heeft om geheel te zijn. Als je de bundel leest, krijg je eerst oog voor een als het ware onverstoord discours dat in onopvallende woorden doorgaat. Bij een tweede lectuur wordt duidelijker dan het geheel barstjes vertoont die ook in de taal van het gedicht aanwezig zijn. Het is zoals het dagelijks leven: alles verloopt zogezegd normaal, tot er iets onverwachts gebeurt dat de normaliteit onderuit haalt. Wat een vreemde gang van zaken; gebrek (verstoring) en geheel (normaliteit) hebben elkaar intiem nodig, elk heeft de ander broodnodig om zichzelf te zijn en groter dan zichzelf. En om voor de lezer de valstrik te worden, het gedicht, waarin hij maar al te graag verstrikt geraakt. Tot zover mijn filosofische excursie.

(2) De dichteres heeft in haar nieuwe bundel een motto opgenomen dat eigenlijk in poëtische woorden uitdrukt wat ik zojuist heb gezegd. De twee verzen zijn van de hand van de in 1933 geboren ZuidAfrikaanse actrice, roman- en toneelschrijfster, en dichteres Wilma Stockenström. In 2000 verscheen bij uitgeverij Atlas in A’dam een bloemlezing van haar werk in een vertaling van Robert Dorsman. De titel van dat boek luidt: ‘Voor de bijziende lezer’. Het is ook de titel van Stockenströms allereerste bundel uit 1970. De bijziende lezer is een lezer die genoegen heeft leren nemen met het onscherp zien van voorwerpen in de verte, maar kan, letterlijk, ook duiden op een lezer die iets ‘bijziet’, iets meer of anders ziet dan de doorsneelezer. Een poëzielezer misschien?

Naar deze titel verwijst m.i. ook het fragment van het motto, dat ik hier vertaal: “maar ik verkies de schemer en de schemermensen/ die voor de droom van dromend leven zwichten”. Het zijn mensen die aan iets hebben toegegeven, ze hebben gecapituleerd, ze zijn voor de droom door de knieën gegaan, en zelfs twee keer: niet alleen verkiezen ze de droom maar zelfs de droom in het kwadraat, “de droom van dromend leven”. In die schemer leven zij, in die bijziendheid die hen de dingen laat zien die ertoe doen, in de droom die kan ontspruiten aan een angst (een nachtmerrie), maar ook aan een verlangen. Ook hier een beperking van leven (een gebrek) én een voller leven, dat door een verlangen kan worden gestuurd. Het gemis dat het geheel onthult kan dus negatief zijn, maar ook positief. Door minder goed te zien kun je iets erbij zien.

Nogmaals, het lezen van deze poëzie Desmet doet beroep op geduld, op het geduld van de dromer die languit in zijn droom ligt, maar ook op alertheid wanneer de droom een kwade droom is waaruit je opschrikt. Het geheel kan wel bestaan, het is door de dichter zelfs tot bestaan gebracht, maar het leeft in de schemer, minder ziend of meer. We dromen de droom omdat het gedroomde alleen zo tot ons kan doordringen. De oorzaken van angst of verlangen blijven zo in de schemer, want een directe confrontatie ermee zou ons ten diepste kunnen schaden. De woorden en de manier waarop Lieve Desmet ze aanwendt (scherpzinnig gericht op alle lagen van de taal, op alle mogelijkheden die het gedicht voor de dichter in petto heeft) zijn belust op de maximale maar niet dodende scherpte die de leesgewoontes van de lezer verstoort.

Het gedicht is een stukje dromend leven, waarin de afwijkingen van de ‘gewone taal’ aanduidingen zijn van de energie - positief, negatief - waarvan de droom de uitdrukking is. Een in de omgangstaal uitgehakte nis waarin een wel heel speciaal beeld staat, het gedicht. De poëzie in ‘In de maat van de zee’, alle verzen in hun rechtlijnigheid en vertakkingen, zijn als het ware een droom, een schemervisioen, dat bijziendheid nodig heeft om ten volle te kunnen zeggen aan welke angst of verlangen ze zijn ontsproten. Het ‘geheel’ – dat als een droom functioneert – is de droom waarin kan worden gezegd wat anders onzegbaar zou blijven, want te wreed, te hard, te conflictueus en uiteindelijk niet uit te drukken. Alleen in het geheel van de teksten van deze bundel kunnen de ware drijfveren van deze poëzie van een schemermens de rust en de deining vinden die tot hun geschreven woordcode leiden. Het gedicht is een code in woorden.

(3) Zou de zee dan het beeld zijn van het geheel? De golven van de zee de grootst mogelijke beweging die aanbrengt wat alleen in de deining, ‘in de maat van de zee’ gezegd kan worden? Wat ‘Op het uur van de visser’ (de titel van het eerste gedicht) gebeurt - en eigenlijk in alle gecodeerde berichten in deze bundel - moet een plek hebben in die machtige, rustgevende én tegelijk overweldigende deining van de zee, die, naar recent neurologisch onderzoek aantoont, de beweging is van het functioneren van onze hersens. Wij denken in de maat van de zee. De deining van de zee is de beweging in ons hoofd. Onze gedachten zijn letterlijk eb en vloed, de getijden van een majestueuze beweging waarin gebrek en conflict opgaan zonder te verdwijnen, en in het schrijven van poëzie net niet onbeschrijflijk blijven.

Dat is voor mij de betekenis van de titel van deze bundel. We spelen ‘in de maat’ van de zee, we lopen ‘in de pas’ van het water, in de versmaat van het gedicht. Ik wil nog iets zeggen over het eerste gedicht, ‘Op het uur van de visser’, dat als een titelgedicht functioneert. Het staat apart, het gaat vooraf aan de vijf cycli die het lichaam van de bundel zijn. Het verbeeldt, in mijn aanvoelen, de figuur van de dichter die later ‘ik’ zal zeggen, maar die persoonlijke inzichten hier in een derde persoon geobjectiveerd heeft. De visser staat ‘aan het hoofd’, zijn gedwongen handeling (hij moet het “zeegat in”) staat in het teken van de roep van het water. En die verlokking wordt in de eerste strofe negatief gekleurd: de visser is geblinddoekt door de elementen water en lucht én door een absoluut geformuleerde aanmaning: als een aan het vasteland verslaafde die honkvast dreigt te worden, moet hij “af” van het middel dat hem van het water weghoudt.

Hij moet de enge wereld verlaten, hij moet zich nat maken, het droge van zich afschudden. Maar weg uit de nauwe wereld is hij niet voorgoed verlost van het benauwende. Hoe onverdroten hij ook maar in het brede water te werk gaat, hoe steil hij met zijn vracht ook oplaveert, als hij aan land wil moet hij weer door de engte. Hij moest er broodnodig uit, hij moet er noodwendig weer in. Hij moet, op zijn uur, juist als het genoemde tijdstip er is, juist als de gebeurtenis voorvalt, gedurende het uit- en invaren, door het gebrek om er een spoor (zijn vangst) van achter te laten. Hij moet door het gemis naar het geheel, de zee, en weer terug, naar het vasteland, waar hij het resultaat van zijn “stormspoeling” mag laten zien. En ook dan is nog niets vanzelfsprekend. Wat hij ook aan wal brengt, de visser, de dichter, wat hij ook verklankt, het lied dat hij “nagejaagd” heeft moet nog het oor bereiken, moet zich nog vastzetten in wie toevallig voorbijkomt en gefascineerd raakt door de stem. Maar hier is die fascinatie een kenmerk van het lied. Het gedicht gaat op zoek naar een lezer, het moet als het ware “van het droge af”, het moet de engte in van het gehoor van de toevallige passant. Zoals u ziet: gemis en verlangen spelen op elkaar in, blinddoek en roeping maken de dichter die zijn vangst moet roken (zijn gedicht moet aftasten, spoelen, verklanken, de wereld insturen); zoveel werk dat daarna op zoek gaat naar een oor.

(4) Wat hier niet onvermeld mag blijven is het precisiewerk van de dichter dat de lezer aantrekt. Geen groot, bombastisch vertoon van techniciteit maar een innig, fijnzinnig spel met de taal. Een spel dat uit de noodzaak van de expressie is ontstaan. Een spaarzaam aanwenden van woordspelingen, enjambementen, dubbele betekenissen. Een bewerking van de taal die de muzikale soliste die de dichteres is, in alle fraseringen aanbrengt, in de spanning die de bundel draagt, in het detail dat uit het gevecht met de werkelijkheid opgesprongen is. Een “zich nabij zwijgen”; “nabij” door het betrappen van de vele lagen van de taal (de dichteres zit op de lip van de taal), “nabij” door de “verklankte stem” die op zoek gaat naar een “passant” en met hem wil oplopen.

De dichter neemt het werk over van de moeder zoals die in ‘Buffet’ geportretteerd staat (“ze moet een bodem vullen”), en wie weet is zij zich daarvan niet helemaal bewust. Het motief van het gemis komt hier als volgt uit de verf: de dichteres is een dochter die zelf geen moeder zal worden, ze ziet andere kinderen dan de hare zandkastelen maken, ze is ook een dochter die in het reine is moeten komen met haar moeder (en zich gewend heeft naar de zorg van de grootmoeder), met haar vader (als hij nog jong was, als hij aftakelt en sterft – leeftijden, levensfasen die ook de moeder tekenen), met wie tot het gezin behoort, met haar eigen bevreemdende kindertijd, met de personages van het afscheid, met de dochter of de zoon die ze nooit zal hebben, met de ‘ik’ die een plek zoekt, en met de politieke rampen van haar huidige levensfase (in de vijfde en laatste cyclus).

De dichter werkt pregnant aan een “aanwezigheid vanuit de marge”, ze zoekt “vergeefs/ een ander woord voor vondeling”. Alleen in de laatste afdeling komt een ‘wij’ opzetten, natuurlijk, onopzettelijk, gewoon deel uitmakend van het geheel-in-gebrek dat de dichteres hier heeft neergezet. een ‘wij’ dat ooit ook bevochten is, maar nu integraal deel uitmaakt van ‘de maat van de zee’, van de existentiële deining. Lees deze bundel nauwlettend. Taal is er aan wereld gescherpt. Het gebrek tast erin naar een geheel. Als “iets waakt bij het barrevoetse” is het de dichteres, in haar omgeving, in het netwerk waartoe zij ooit behoorde en nog behoort, in “de bedding van ons gedicht”. Het gedicht van Lieve Desmet is een laboratorium van taal waarin afwezig op aanwezig inwerkt. Het is, met de woorden van wat mij betreft het indringendste gedicht (op p. 22), het titelloze “Deze schreeuw moet tegen de bergen slaan”: “de echo/op zoek naar zijn bereik”. Klank van gemis dat naar weerklank taalt.



© Bart Vonck, Leuven, 14/09/2019



maandag 28 oktober 2019

Lucienne Stassaert over 'Liefde is een ander land' van Maarten Embrechts

Inleiding bij Liefde is een ander land 

De nieuwe dichtbundel van Maarten - Liefde is een ander land - valt alweer op door de vernuftige compositie: een Partita van gedichten in plaats van dansen. De hoofdtoon is in mineur en bepaalt de sfeer van de zeven cycli die, telkens met een gewijzigd perspectief, met veel zeggingskracht en weinig woorden een ingetogen levensgevoel in kaart brengen.

In de eerste cyclus, gericht aan iemand die hem na aan het hart ligt, komt al meteen in het gedicht Hinkelen de taal ter sprake: Tussen de woorden loert het niets... Het verleden is onafscheidelijk van het heden; het dringt zich op als een motief dat overal opschiet als wild kruid: Ik kom alleen maar doden tegen... Als tegenwicht verschijnen in de volgende cyclus, Jongens op één been. De bekentenis dat hij niet kan genezen van Rimbaud leidt naar een Hinkelspel, een metafoor voor het leven. Wat daarop nog zal volgen, namelijk het gedicht Pikhouweel, verwijst naar een mystieke geestesgesteldheid:

PIKHOUWEEL


Ik ben bang voor de man
In het koren heeft-ie lang gelegen
Soms met een pikhouweel

(Er is altijd een leegte)
Maar ik kom als hij spreekt

Als een mis is mijn lichaam ingedeeld
(Ik kan het ook niet helpen)
Hem drinken moet ik om aan te sterken

Geen wonder dat deze thematiek tot een uitzonderlijk ondubbelzinnig slotsom zal voeren:


KRUIS


Ik ben zozeer met God besmet
dat het met bloed is dat ik denk en schrijf
(Ik hang weer aan zijn kruis)

Hij is het lichaam van de wereld

Met al mijn zintuigen wil ik betekenen
Niet met een letter

Drie daaropvolgende gedichten bevestigen die tendens met als conclusie: God komt achteraf. Na Triptiek voor Lucienne, die aan mij is opgedragen, en waarin hij mijn vaderbinding alsook mijn schilderijen evoceert, in zijn typisch gefileerde zegging, brengt de cyclus Love Letters, opgedragen aan de dichter William Cliff, een ommekeer teweeg. Tot nu toe was de ander tegelijk een winst- en een verliespunt: iemand die hem vooral het besef bijbrengt hoe ontoereikend een alles omcirkelend maar vergeefs verlangen blijft. En zoals was te verwachten is juist deze liefde vanop afstand onverbeterlijk in haar platonische dimensie. Er schuilt niet de minste bitterheid in deze gedichten waarvan er een rechtstreeks in het Frans tot de ontvanger is gericht.

Onwel en Italiaans toerisme zorgen op een minder bevlogen manier voor afwisseling, met als afscheidsname het gedicht:


NASCHRIFT


Liefde is een ander land
Ik kan er niet heen
(Ik ben niet heel)

Met d’ oude Grieken wil ik spreken
en in mezelf gaan zitten
of op een punt nog verder weg
waar dieren spreken

De bundel eindigt met de cyclus Uitgewist, waarvan ik het tweede en allerlaatste gedicht tot slot nog wil voordragen. Het bevat een allusie op zijn plastisch werk.


POLDERZICHT


Dit landschap opdat ik
de hand zou kunnen leggen
op wat is Verf misschien
Zeer zeker kwelling in mijn polsgewricht
Opdat mijn hand zou kunnen weten
wat voor land een polder is

En dit alles op voorwaarde
dat ik die lange zin zou kunnen zeggen
waarin de polder en ik zichtbaar zijn
en toch uitgewist


© Lucienne Stassaert


Extern:
'Liefde is een ander land' bij Digther
Maarten Embrechts bij Digther

woensdag 23 oktober 2019

Recensie: 'Gewoon Logisch' van Janine Jongsma

Frank Decerf las de debuutbundel van Janine Jongsma

Sinds 2010 is Janine Jongsma serieus met poëzie bezig. Daarvoor geselde ze andere katjes : proza, columns, blogs en artikelen voor online magazines gericht op jonge ouders. Schrijven is voor haar dus geen nieuwe hobby. Voor mij ligt Gewoon Logisch, haar poëziedebuut. Qua vormgeving is de bundel geslaagd. Keurig, strak, respectvol.

In een reeks van 5 cycli brengt de auteur precies 50 gedichten samen. Toevallig?
Haar poëzie is, bij de eerste lezing, vooral anekdotisch. Ze portretteert haar wereld rondom. Ze analyseert daarbij de anonieme mens in al zijn grote en kleine kwetsbaarheden. Definieert diverse vormen van eenzaamheid en communicatiemoeilijkheden. Vaak worden dat chaotische, intrigerende en vooral verrassende familietaferelen. Ze zoekt naar acceptatie van de aftakeling die ze overal ziet. Daarbij schuwt zij het morbide niet. Ze speelt met absurde tegenstellingen en maakt raakvlakken met aparte, zwarte humor. Jongsma lapt de interpunctieconventies aan haar laars en volgt haar eigen inzichten. Ze is een gepassioneerde dichteres. Thema’s als de dood , het kind en de sterfelijkheid doen vaak hun intrede in Gewoon Logisch. Maar het kan ook luchtiger, fijner, speelser:


Twaalfde zomer


Het was mijn twaalfde zomer
die rook naar chloor en gevulde koek
In mijn nieuwe bikini voelde ik mij anders
anders dan alle zomers daarvoor

Toen waaiden de dagen speels weg uit mijn ogen
mepte ik met mijn handdoek naar muggen
Maakte ik een handstand in het gras
deed bommetje vanaf de duikplank

Nu knoopte ik plots een handdoek om mijn heupen
was ik mij bewust van beweging
Dook naar de bodem van het diepe
hield mijn adem in tot het niet meer ging

Voor het eerst liet ik twee mieren over mijn arm kruipen
enkel en alleen om mijn huid te voelen
Volgde ik met mijn ogen een wesp
die hoog wegvloog tussen sluiers van wit en blauw

En toen jij mijn blik ving
voelde ik dat mijn wangen niet gloeiden van de zon
Die zomer liet de dagen vertragen
en alles in mij moest zich nog bevrijden


© Janine Jongsma


De parlando-poëzie van Janine Jongsma heeft de juiste cadans. De keuze van een eenvoudig vocabularium maken haar gedichten bijzonder leesbaar. Ze schrijft helder. Haar werk knelt nergens door hoogdravende boodschappen. Ze gaat onder de opperhuid van haar personages op zoek naar wat hen echt determineert. De isolatie van de vergeten mens is het die Jongsma in de verf wil zetten. En dat kan heel simpel door vanuit alledaagse toestanden tot analyses te komen die de vinger op de wonde van deze eeuw leggen. Er steekt bij het werk van Janine Jongsma een gelaagdheid die pas na lezen, herlezen en overdenken aan de oppervlakte komt. De gedichten bevredigen de oppervlakkige lezer, maar ook de kritische onderzoekende lezer zal beloond worden. De selectie gedichten uit de laatste cyclus Plaatsbepaling krijgen mijn voorkeur.

Janine Jongsma zal wellicht nog meer bundels op de markt brengen. Ze heeft een talent voor het schrijven van poëzie dat nog verder ontwikkeld moet worden. Ze heeft de smaak te pakken, gewoon logisch. Toch?


Gewoon Logisch, Janine Jongsma, Stichting Voetnoot, Deurne (Nl),2019,ISBN 978 94 91738 55 5


© Frank Decerf

Deze recensie verschijnt ook op het webtijdschrift 'Barbarus'

Extern:
Website Janine Jongsma
Janine Jongsma bij Uitgeverij Voetnoot
Janine Jongsma bij Epo