De redactie van De Schaal van Digther houdt er aan om haar deelneming te betuigen aan de familie en vrienden van Ina Stabergh. Ina overleed zaterdag 15/8/2026 laatstleden.
In 2024 verscheen van haar nog het boek "In het oog van de stilte: een parel".
Enkele fragmenten kun je nalezen via deze Schaal van Digther-Link.
De schaal van Digther
literair e-zine
dinsdag 18 augustus 2026
Ina Stabergh overleden
donderdag 13 augustus 2026
Hommage aan Leonard Nolens - Luc C. Martens
Zeg
aan de kinderen dat wij niet deugen
Voor
Leonard Nolens
zeg
aan de kinderen dat wij niet deugen,
dat
wij ze maakten in de nacht
om
ze uit te besteden,
dat
we geen tijd hadden
om
een sprookje te vertellen
of
een wiegelied te zingen
dat
zij hun oortjes moesten instoppen
of
scrollen op het scherm
zeg
hen dat wij knielden voor een god
die
ons op het rechte pad hield, onze zonden vergaf
maar
dat wij de hemel niet meer verdienen.
zeg
hen dat wij gedichten lazen en boeken verslonden,
dat
wij naar schrijvers opkeken die wij ontleedden
maar
vergaten ze door te geven
zeg
aan de kinderen dat leiders niet deugen,
dat
ze in spiegelpaleizen wonen, slagschip spelen,
zeg
hen dat ze Paul Snoek en Herman de Coninck
voor
anker moeten leggen in de straat van Hormuz
en
dat ze mogen huilen om het meesje
dat
tegen het raam vloog
Vandaag mogen we Luc C. Martens namens
de redactie en alle vrienden van De Schaal van Digther van harte gelukwensen
met zijn 70° verjaardag. Proficiat Luc!
Overigens wordt ook in het festivalhuis van de huidige editie van het kunstenfestival “Gemene wegen” in Watou hulde gebracht aan Leonard
Nolens.
![]() |
| Luc C. Martens - Foto Website auteur |
maandag 10 augustus 2026
Een afgemeten spreidstand - Daniël Franck over 'Randschade' van Johan Clarysse
Een afgemeten spreidstand.
Daniël Franck over ‘Randschade’ van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3)
Johan Clarysse maakte faam als kunstschilder in binnen- en buitenland, maar was ook al vroeg gebeten door het woord. In de jaren ’80 publiceerde hij even in enkele tijdschriften om vanaf de jaren 2020 het dichten terug een prominente plaats te geven. Na zijn gesmaakte debuut ‘Het geduld van water’ (2024) volgt nu ‘Randschade’.
Een dichter en zijn bundel laten zich kennen door het woordgebruik en dat treedt in deze bundel wel heel prominent naar voren. Sommige woorden springen er immers door hun veelvuldige herhaling (al dan niet in samenstellingen) echt uit. De clusters die zo ontstaan gunnen ons een blik op de inhoud van de bundel: een grote cluster rond licht, leven en het vasthouden hieraan, kleinere clusters rond kijken en spreken. We zullen een dichter ontmoeten die gedwongen door externe factoren vol in het leven staat, maar tegelijk een positie vindt om te beschouwen.
‘Licht’ is het meest dominante woord in deze bundel. Dat kan bovendien nog worden gelinkt aan woorden als ‘dag’ en ‘ochtend’. Dat is niet verwonderlijk. Voor een schilder is dat het essentiële element, het dansen van het licht en hoe dat binnen te trekken in je beeld. Maar het is hier helemaal vervlochten met het dominante thema van de bundel, namelijk ziekte, afscheid en het gretige vastklampen aan het leven.
De
openingsregels van de bundel luiden
Er groeien tubes in mijn
holtes.
De QR-code rond mijn pols
weet niet wie ik ben.
Parameters wachten op hun digitale score.
Zo weten we meteen waar we aan toe zijn. De dichter zelf moet vaststellen “ik lig erbij / en kijk ernaar als naar de ruïnes van een tempel // krijg mijn lichaam niet gezegd”. In deze zware omstandigheid waarin het lichaam zich bevindt, zoekt Johan Clarysse aan de hand van die beelden naar het licht, met de taal als toorts en houvast, vatbaar voor alle prikkels die hij ontvangt en opvangt, gaande van de nauwelijks geregistreerde woorden van een dokter tot de geestelijke confrontatie met demonen. Nergens ontwaar je een zweem van fatalisme, slechts af en toe steken “opstandige vragen” nog eens de kop op. Eerder is er een gulzigheid alles nog te omvatten en dus maakt de patiënt zich sterk: “De klaagstoel / aan mijn bed / schroef ik los”. De zieke bezweert zichzelf. Door woorden te vinden voor het moeilijk aanvaardbare kan een begin worden gemaakt van aanvaarding. In die blik vullen objectieve en subjectieve benaderingen elkaar aan.
We
zijn allen onderweg naar het verdwijnen. Wie zich daar bewust van wordt
gemaakt, zal scherper kijken. Al gaat daar zeker een strijd aan vooraf:
Weerstaan of meedeinen
gebalde vuist of golf:
een spreidstand die mij kiest
En er is die ene belangrijke strijdmakker: “Tot jij de kamer binnenkomt, zuurstof / pompt in de zieke lucht.” Het zal leiden tot de cyclus ‘Baken’ waar in het samenzijn met de geliefde even rust kan worden gevonden.
De cyclus ‘Doodgewoon’ brengt de dood tastbaar aanwezig; “Welk masker draagt hij wanneer hij / zijn mond tegen je rechterwang drukt?” klinkt het in het lichtelijk beklemmende ‘Schim’ dat niet zomaar besluit met een sprankeltje als ironie vermomde hoop: “Stemmen vriendelijke dichters hem milder?”
‘Tussentijdse berichten’ is de meest contemplatieve cyclus en biedt ook ruimte voor herinneringen, onder meer aan de grootmoeder, en vooral ook voor de mini-reeks ‘Anoniem’ opgedragen aan de vrijwilligers van Tele-Onthaal en waar de dichter zijn maatschappelijk masker laat vallen.
Ook
de schilder is prominent aanwezig, zie onder meer de weerkerende woorden ‘oog’
of ‘blik’, ‘zien’ of ‘kijken’. Dit komt letterlijk aan de
oppervlakte drijven in de cyclus ‘Wie niet kijkt, ziet niet’. Hier trekken we
nog eens de wereld in, naar de tuin, naar zee, naar het om zijn megalieten
bekende Wéris. Uitgerekend in deze cyclus besluit een gedicht met de woorden “Het
hevigst leeft hij in het woord”. Cyclus en bundel eindigen in een treffend
kleinood:
Nomadisch
Je voert een gesprek met
de eik
waaronder je languit
rust:
over een tweede heelal
waar alles eindeloos
begint
en waar nomadische zielen
naar buitenaardse woorden
zoeken.
Je bereidt je voor.
Johan Clarysse schrijft poëzie zoals ik me voorstel dat een schilder schildert: met rust, aandacht en afstand.
Deze bundel biedt een coherent en open verhaal, waar de woorden adequaat hun werk mogen doen in een direct toegankelijke en heldere taal. Voortdurend wordt de spanning opgezocht tussen de blik van de dichter en zijn gevoelswereld. Dat gebeurt aan de hand van vrije verzen, in een opvallend rustig ritme, die zich met hoorbaar gemak tot een lezer richten, met korte, afgemeten observaties, sober maar helder en raak van taal, gevat in makkelijk behapbare strofes. De bundel is ook netjes opgedeeld in vijf cycli, zodat je als lezer altijd op adem kunt komen. Overal is de zegging welluidend en de gedichten vertonen een opvallende rijkdom aan treffende zinnen en observaties: “het manuscript van de avond”; “de ochtend die tussen de lakens klimt”; “een vertrouwde nacht die tegen de ramen tikt”; “oktober ligt als een natte dweil aan je stoep”; “ergernis krult in mij als een verbrande lucifer”.
Het is geen hogere filosofie die hier wordt beleden. Daarvoor is er geen tijd meer. Als de dood al in het steegje staat, tel je je stappen, je kijkt om je heen, reflecteert nog wat, weet dat de randschade deze keer jou zal treffen en stapt met een mengeling van aarzeling, nieuwsgierigheid en moed verder.
De
bundel evolueert van zeer concreet naar eerder contemplatief. Daar zit een
beweging van loslaten in. De lezer daarentegen blijft alert voor het ganse
gebeuren en tracht mee te dragen wat ondraagbaar is. Voor later.
Kiezel
Gekortwiekt tussen
bedstijlen
heb ik je lang gevreesd.
Al had je iets
onschuldigs.
Even herkende ik je
gezicht
toen je met de armen
zwaaide. Ik vroeg me af
of jij ook uit vlees,
bloed en slijm bestond.
Je bekende dat je een
kiezelsteen bent
in de laars van al wat
leeft en beweegt.
Ik sprak je niet tegen,
wist dat ik niet
dezelfde meer zou zijn.
Nu bespied ik jou
op veilige afstand
verstil je tot
achtergrondruis.
Als een kauw hang je
boven mijn oranjerode
dak.
Ik zie hoe je glanst op
de nok.
![]() |
| Johan Clarysse - Foto c. Paul Rigolle |
Randschade van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3
donderdag 6 augustus 2026
Talige empathie
Herlinda Vekemans in kort bestek over Kratermond van Sara Eelen
In kort bestek - Notities van de redactie (5)
Op het poëziefestival Knisper en Knal in Aarschot laatst las ik samen met o.a. Sara Eelen en beluisterden we elkaars werk. Qua thematiek zaten we met haar Kratermond en mijn Appelblauwzeegroen bij enkele gedichten op eenzelfde lijn van talige empathie voor dieren groot en klein. Thuis las ik haar bundel en vond haar prachtige gedicht over een glassnijder (Brachytron pratense), een libel uit de familie van de glazenmakers. Hieronder een fragmentje van bij de geboorte van de libel in het mos tot ze de vlucht vindt. Knap omvattende titel van de bundel ook, Kratermond, met zowel suggesties van dode leegte, dreiging als van zeediepe taal van nieuw begin.
Glassnijder
Je adem als wind door het trilveen
nu ben je nog kwetsbaar, nog nimf.
Urenlang zul je je vleugels uitrollen
en dan schiet je weg, de hoogte in.
Wat niet zichtbaar was in de vlucht, maar wel toen je landde
het zachte donshaar op je borst
Het patroon van vlekken
langs je lenden, in je ogen, de blik van piloten.
Fragment uit Kratermond van Sara Eelen, Querido, 2025.
woensdag 5 augustus 2026
De Genen - Philippe Cailliau
Geen Begin
Geen Waarheid
Geen Wraak
Geen Deo Volente
Geen Klank
Geen Fake News
Geen Nooit
Geen Vreugde
Geen Woord
Geen Swastika
Geen Twijfel
Geen Toekomst
Geen Medicatie
Geen Schuilkelder
Geen A.I.
Geen Dictatuur
Geen Water
Geen Solidariteit
Geen Verrotting
Geen Gezondheid
Geen Virus
Geen Spijt
Geen Haat
Geen Volk
Geen Buikloop
Geen Geschiedenis
Geen Bloeding
Geen Droom
Geen Begrafenis
Geen Verlies
Geen Tijd
Geen Taal
Geen Adem
Geen Meineed
Geen Geheugen
Geen Schaamte
Geen Darm
Geen Intolerantie
Geen Genezing
Geen Identiteit
Geen Waterboarding
Geen Herinnering
Geen Schaduwvloot
Geen Sarin
Geen Ouder
Geen Overwinning
Geen Hart
Geen Geloof
Geen Medelijden
Geen Onwetendheid
Geen Geheugen
Geen Halsmisdaad
Geen Spiegelbeeld
Geen Geur
Geen Einde
Geen Geschiedenis
Geen PTSS
Geen Laster
Geen Vlucht
Geen Bescherming
Geen Hoop
Geen Gender
Geen Verdoving
Geen Eten
Geen Polarisering
Geen Verhaal
Geen Overlevenden
Geen Veldslag
Geen Licht
Geen Negationisme
Geen Slaap
Geen Executie
Geen Apathie
Geen Delirium
Geen Agressie
Geen Novitsjok
III.
Geen Discriminatie
Geen Wondvocht
Geen Geluk
Geen Verrassing
Geen Drones
Geen Proxy
Geen Kennis
Geen Dumdum
Geen Stank
Geen Bloedprop
Geen Wanhoopsdaad
Geen Moord
Geen Orewoet
Geen Terreur
Geen Beroving
Geen Duimschroef
Geen Tyfus
Geen Armoede
Geen Afscheid
Geen Barricaden
Geen Ziekte
Geen Genocide
Geen Begrafenis
Geen Ander
Geen Braaksel
Geen Geweten
Geen Dumdum
Geen Massagraf
Geen Einde
Geen Nederlaag
Geen Eén
Geen
Geen Gen
dinsdag 4 augustus 2026
Chaos Gaaz - Philippe Cailliau
Chaos Gaaz
MEELTRUCKDEEPWATERFAKEVOORHEMELPOORT
AMPUTATIEWATERDORSTIGGIFNARCOSELEEGTE
CALORIETEKORTBOMBARDEMENTVERRADERLIJKTAPIJT
VOEDSELBEHULPZAAMDUREEDENENBELOFTEN
VELOVERBEENSUIKERVOCHTMETER
HONGERHULPVERDIENSTEÜNIFORM
UITROEIMITRAILLEURREGERINGWOORDVOERDER
HONGERDOODMEDAILLECEREMONIËN
FAKENEWSBESTELMOORDGRONDDIEFSTALALLESISONSRECHT
BLOEDTANKBULLDOZERBLOEDKAALSLAGDRONE
ERISGEENHONGERGEENDORSTGÉÉNHONGER
VOEDSELDROPPINGSMARSLIEDERENUNISONO
OFGENOCIDEOFGENONIETCIDEOF
AZGMEDEMEDICIJNSTOPPROCLAMATIEOPERATIESTOP
WAPENSTILSTANDSUIKERVOEDSELLOKKER
UITHONGERINGSWERELDKAMPIOENSCHAPPEN
VLUCHTENJACHTPARTIJVOORGROOTENKLEIN
KARTONNENBEKERSPLASSENZUIGDRANK
AANSCHUIFEXECUTIEUITAGRESSIEFANTASIE
II
CALORIEËNDROOMFASE1ENDROOMFASE2ENTROTSEFASE3
RIJSTENMEELVERDRIETOPHEMELSEMUZIEK
WACHTENSCHIETSCHIJFMEDAILLEUITREIKING
NONFOODDODENDANSWACHTLIJSTONGEDULD
WATERZUIVERINGSBELOFTEMANTRA
CALORIEËNMOORDNONSTOPOUTFIT
LEGEBORSTVOEDINGSFESTIVITEITENABOVO
FOPSPEENRANTSOENMETBELOOFDLEEFVOORSCHOT
VOEDSELVERNIETIGINGSVERHAALINBLIK
RADELOOSHEIDSPUNTENMETPRIJSOPGAVE
EETENDRINKMERRIEBIJDAGENNACHTNEDERZETTING
UITDROGINGSDROOMTRANSFUSIEMATERIEEL
HONGERSCHIETSCHIJFPRIJSKAMPGRIEZELAARS
DODERCARROUSELMETSCHERPSCHUTTERMAALANGST
LEGERDIENSTGODSPRIJSVOORHETHIERNAMAALS
HERHAALZIEKENHUISWEGUITROEIHERHAALDOORNOODZAAK
GODSBELOFTEGEBEDMETEEUWIGEGARANTIE
WERELDSTILTEVERDOOFTOORMAAGENBLOEDVERLIES
ANNEXEERINCHAOSISGEENNOTENDOPINPUINHOOP
III.
GELIJKGEHEIDGELIJKADVITAMAETERNAM
GIJZELAARSWIEUITTEROEIENZIJDEGIJZELSZIJ
TRAGESTILTETUNNELLUXELEEFCOMPLEXEN
WAPENSOPSLAGEXPLOSIEVENSTANK
EXECUTIETRAININGSBRAAKMEDAILLEMETLINT
VROUWENKINDERENOPBEDDENINGESTORT
BLOEDENBEENENHANDENOOGPIJNSPUITZICHTBAARSLIJM
ZONNESCHIJNONTKENNINGSDAGELIJKSGEBED
AMBULANCEVOORLOSSELEDEMATENMETDORST
WIEISWIEINDEWOENTIJNSEZEEËNZOUTEMEREN
FATAGRENSOVERGANGMORGANAOPSTUIFSTOF
MIJLENTUNNELMIJNENADEMNOODSELABYRINT
SOORTENHULPVERLENERSSCHIETSCHIJF
AFSLACHTSELTELRAAMTELLINGOP∞TOTNUL
UITGEHONGERDWORDTECHTNIEMANDECHT
RACKETSTELLINGDRONERANCUNEPOLONAISE
EEUWIGEGELIJKISGODSPERKAMENTENVLAGGENHONGER
EXPLOSIEVENOPSLAGPLAATSRESORT
MODDERMETSTEENGRUISWORDTBESTEDRANK
Uit 'Habitus', typoscript in wording
![]() |
| Philippe Cailliau in Oostende (foto: Paul Rigolle) |
zondag 2 augustus 2026
Oproerkraaiers in het hoofd
In kort bestek - Notities van de redactie (4)
Alain Delmotte in kort bestek over Randschade van Johan Clarysse
(fragment recensie)
![]() |
| Foto: Alain Delmotte |
Wie de hogergenoemde oproerkraaiers in het hoofd zijn of wie het geritsel in het hoofd veroorzaakt, wordt duidelijk in het gedicht ‘Demonen’. Ze stapelen zich op in de stoffige kelders van onze psyché. In nare dromen grijpen ze het woord en de dichter verleent hun spreekrecht in een gedicht. Daar horen ze thuis. Ze kunnen zich er schuilhouden in de taal. Op die manier wordt de taal zelf tot een demon. Het is een feit: demonen maken deel uit van onze duisterste plekken:
Vandaag geef je hun spreekrecht
omarm je ze als een vertrouwde nacht.
Johan Clarysse – Randschade – uitgeverij P – Leuven 2026 - Isbn 978 94 93534 06 3
Facebook-bericht van Alain Delmotte - 29/07/2026
donderdag 30 juli 2026
Intertekstueel spel
In kort bestek - Notities van de Redactie (3)
Alain Delmotte in kort bestek over Wildnissen van Xavier Roelens
Er wordt een intertekstueel spel gespeeld. Roelens heeft nogal wat teksten en boeken geassimileerd. Een lijst hiervan vinden we in het nawoord terug. Hij maakt er dus geen geheim van. De verwijzingen zijn vaak spitsvondig. Het gedicht ‘Bevolkingsgroei in 1972’ (dat zich in Duffel situeert) refereert aan het boek van Geert Buelens ‘Wat we toen al wisten – de vergeten groene geschiedenis van 1972’. Er zijn expliciete verwijzingen naar Boon, Ter Balkt en Jan de Roek. De namen Pernath en Claus vallen. Ik kon het niet laten om in het gedicht ‘Short term song’ waarvan alle strofen beginnen met ‘Gisteren nog’, om iets te horen resoneren van de ritmiek uit de gedichtenreeks ‘Nu nog’ van Claus.
Onderhuids meende ik hier en daar ook Lucebert, Rilke, Shakespeare te herkennen. Maar opvallend is dat hij twee dichters wat demystifieert: Hans Andreus en Rutger Kopland. Van Andreus pakt hij het beroemde gedicht ‘Voor een dag van morgen’ aan.
Xavier Roelens – Wildnissen – uitgeverij Atlas contact Amstedam/Antwerpen – 2026 isbn 978 90 254 7786 8
Facebook-bericht van Alain Delmotte - 28/07/2026
Dit is een fragment uit een uitvoerige recensie die Alain Delmotte in november 2026 publiceert in het Jaarboek 2026 van de VWS.
Rubriek "In kort bestek"
![]() |
| Foto: Alain Delmotte |
dinsdag 28 juli 2026
Samenspraak als alternatief
In kort bestek - Notities van de Redactie (2)
Met ecologische verloedering worden we in deze bundel meer dan eens geconfronteerd. Maar de dichter stelt zich ook de vraag hoe je hieruit komt. Het sluimert in een titel van een gedicht: ‘Hoe hou je de meisjes wakker?’ Zou ‘samenspraak’ een alternatief zijn? De dichter is er naar op zoek. Al weet hij niet hoe je dat feitelijk moet doen:
© Alain Delmotte
Geert Viaene - Remedies tegen onverschilligheid – Uitgeverij P – Leuven - 2026 – ISBN 978 94 6475 97 2
Facebook-bericht van Alain Delmotte van 27/7/2026
Rubriek-In Kort bestek-Notities van de redatie
donderdag 23 juli 2026
Vijftien augustus - Achilles M. Surinx
Vijftien Augustus
Van alles wat moeders geven,
laat warmte rijkdom na,
brengt kou ontbering mee.
Als jouw handen een pop halsstarrig
strelen en daarmee grijze gevoelens wekken,
breekt zijn hand meedogenloos
jouw bange vingers open.
Als jouw mond waanzinnig
lieflijk vragend woorden beroert,
brengt zijn mond een graf-
stem bovengronds.
Als jouw hart je onverholen argeloos
in een meesterlijk web verstrikt,
ontkent zijn haatdragend hart
de glans van een onmogelijk sprookje.
Als jouw onthullende lenden
de binnen- en buitenwacht betrekken,
blijft zijn harde lijf calvinistisch
onbewogen bij het meeuwengekrijs.
Van alles wat moeders geven,
laat warmte rijkdom na,
brengt kou ontbering mee.
© Achilles M. Surinx
woensdag 15 juli 2026
Palimpsest: Aap tussen de apen - Jef Boden
Palimpsest:
aap tussen de apen
Jef Boden over de Oekraïnse dichter die onverwacht een band met België blijkt te hebben...
Mogen we de
tijd van Vasyl Stus als een eerder onbekend dichter in onze contreien stilaan
opbergen? Enkele weken geleden veroverde hij de voorpagina van de boekenbijlage
van Le Monde naar aanleiding van Palympsestes.
600 blz. Zijn verzameld werk. Dacht ik. Na Taras Chevtchenko de nummer twee van
de Oekraïense dichters, verkondigde de achterflap van het lijvige boek. Is er
meer nodig om het werk van de man wat nauwkeuriger te verkennen?
Zijn eerste
bundel Winterbomen werd al door de
Sovjetcensuur verboden en als gevolg daarvan in 1970 in België in het Oekraïens
gedrukt en zo uitgegeven. De oorsprong van Winterbomen
is te vinden in een winterse wandeling met zijn geliefde Valia. De rijm op de
naakte bomen deden hem opmerken dat poëzie zo hoort te zijn: vrij van ieder
omhulsel, vrij van alle stof van het dagelijkse leven en vrij van het slijk van
toevalligheden. Slechts de kern wil hij: de menselijke ervaring van ieder
ogenblik dat een man in deze wereld is overkomen.
In 1968
voltooide hij een eerste versie van de bundel. Een uitgever nam die prompt op
in de uitgaveplanning. Na een lezersbrief van Stus aan de Oekraïense
schrijversbond verdween de bundel evenwel uit de lijst. Daardoor kregen
gedichten tijd om te groeien en de nieuwe selectie vond dus een alternatieve
weg. Zijn nuchterheid, zijn passie en
het boven alles plaatsen van vaderland en waardigheid deden hem in zijn
binnenste al beseffen dat de gevangenispoort voor hem openstond. Het verwijt
van een publicatie in een vijandig land sprak hij bij de onderzoeksrechter
tegen door te stellen dat het zonder zijn toestemming gebeurde en dat de bundel
had moeten gepubliceerd worden bij de uitgever van de Sovjet-schrijvers.
Je kan de censoren veel verwijten naar het hoofd slingeren, niet de gedachte dat hun begrijpend lezen niet op peil zou zijn. Dit gedicht stond in die bundel. Laat je door de aap verrassen, of hap naar adem.
Zo leef ik, aap tussen de apen,
Mijn zondige voorhoofd getekend door smart,
Eindeloos beukt het tegen de harde muur;
Slaaf, hun slaaf, hun onbeduidende slaaf.
Rondom mij passeren de apen in een rij,
Een ernstige pas, zonder haast,
Woede kost minder moeite dan jezelf zijn.
Schaarpunt, hamerslag!
Oh, rechtvaardige Heer! Zwaar valt de wrok –
Niet meer dan één blind seizoen om te oordelen.
Hier beneden zijn slechts scherven van pijn,
Verspreid, ongevoelig, als kwikzilver.
Het lachen met het aapje tussen de andere exemplaren zal snel vergaan zijn als je jezelf als koning aap herkent in de dictatoriale maatschappij, of zelfs in de strafkampen. Zo over apen schrijven was voldoende om met andere dichters in 1972 tot vijf jaar strafkolonie te worden veroordeeld. De echte verrassing is niet dat zo’n straf een slag in het water was. Het haast ongelooflijke is dat Stus daar bleef schrijven en vertalen. Er mag dan veel vernietigd zijn, er is veel bewaard.
Vasyl Stus
had het allicht in de genen. Zijn overgrootvader kreeg als kind van lijfeigenen
op zeer jeugdige leeftijd een levenslange dienstplicht in het leger van de
tsaar. Werd het lijfeigenschap in 1858 door Nicolas I afgeschaft, dan ontvingen
de verlosten toch nog de omschrijving “landbouwer, eigendom van de staat”. Vanzelfsprekend
dat legerdienst voor (groot)ouders tijdens de
volgende oorlogen hun deel was.
Dialogen, de
stilte van gedichten, de duisternis, de talloze verwijzingen naar mythes,
bijbelverhalen en auteurs allerhande tonen dat zijn leven in zijn gedichten
verankerd is. Voor hem geen gecontroleerde luxe-ballingschap in Moskou of
Sint-Petersburg zoals dat auteurs in de tsarentijd kon overkomen. Dit klinkt
anders:
Voor het leven moet je
betalen:
stap in het open graf
…
Ik vecht niet voor een
verleden
dat door ongeloof is
opgevreten.
…
Een cel reikt niet tot
de hemel
De aarde zal onder de
cel verdwijnen.
Vaak duikt
in zijn poëzie een dialoog op tussen de realiteit en het gedroomde, tussen
geliefden. In talloze voetnoten legt de vertaler – dankbaar meegenomen - het
verband tussen een naam, een symbool, een plaats en de verzen van dé dichter
des vaderlands Chevtchenko. Reeds die eerste bundel blijkt een verzameling vol
verwijzingen naar het verleden. In Laatste
brief van Dovjenko klinkt het helder:
Dan, heerlijke
donderslag
Die aan de hemel zijn
schichten zaait,
Vogels van Taras, over
de Dnipro –
En de woorden van de
profeten laten de lucht klieven.
Het hoofd
buigen zat er voor deze strijder voor land en volk niet in. De nacht mag
duister zijn, wreed de realiteit, maar doorbreekt elke ellende die hem
overkomt. Wie meent dat het lijden eeuwig duurt, mag sterven. Hoe
onverdraaglijk het leven ook is, zij zullen overwinnen, de uiteindelijke
vrijheid zal hen toebehoren. Door dat in zijn gedichten te blijven herhalen,
tekende hij als het ware voor een volgend verblijf, ditmaal in het kamp Perm-36
waar hij in 1985 zal overlijden.
Kan het anders dan dat hij reeds in 1978 in een brief aan vrienden stelt: “Alles is in gereedheid gebracht opdat ik een artikel vol zelfkritiek zal schrijven… ze mijn vrijwillige zelfdoding zullen bekomen…. Om mijn naam tegen hen te beschermen: voor mij volstaat het dat enkele personen Vasyl niet in twijfel trekken.”
Er is geen Heer meer op deze aarde!
God verdraagt het niet
langer – trok zich terug –
Wil dit onmenselijke
onrecht niet langer zien,
Dit duivelse martelen,
deze wreedheden,
Afgrijselijke landen,
afschuwelijke god!
Meester van de gruwel,
aanjager van waanzinnige
Woestenij. Welke
tevredenheid kan hij voelen
Bij deze daden? In
bloedbaden,
Het vernederen, het
langzaam neerhalen
Van de hemel naar de
aarde – zodat een wereld
Zonder hemel
achterblijft. Een krankzinnig land
Waar beulen aan beulen
zijn overgeleverd.
Heer-God, in alle
ernst, je bent dood.
Zo klonk het
ook, naast spot en geloof in de toekomst. Hier beken ik dat ik me in dit
lijvige boek op dit ogenblik nog niet verder bevind dan net na die eerste
bundel. Zijn zoon noemde de volgende periode in zijn vaders schrijven “een tijd
van creativiteit” die een aanvang vond onmiddellijk na zijn eerste arrestatie.
Herinneringen dienden om een nieuwe wereld op te bouwen. Het werd zijn
“Palimpsest-periode”. De volgende 500 bladzijden van het boek liggen beloftevol
voor me.
Vasyl Stus: Palimpsestes. Poésie et lettres du Goulag,
Les Editions noir sur Blanc, 2026, ISBN 978-2-88983-195-1
Aanvullende opmerking van Jef Boden:
Vanaf september staat de dichter op een nieuw bankbiljet in Oekraïne. Mooi toch.
vrijdag 10 juli 2026
Poëzie als meditatieve vluchtheuvel
Marc Bruynseraede bespreekt 'Spiegel van de ziel' van Antoon Van den Braembussche
Stel: je wandelt nietsvermoedend de boekhandel binnen en je ziet daar een dichtbundel liggen, onder de titel ‘Spiegel van de ziel’ van ene zekere Antoon Van den Braembussche. Dat wekt al dadelijk het vermoeden dat het hier over het binnenwerk van de mens gaat. Wellicht zelfs over het diepste wat in iemand leeft.
Je koopt – geïntrigeerd door
de thematiek -, je wandelt naar huis en begint te lezen. Gaandeweg word je
meegenomen in de gedachtewereld van Antoon Van den Braembussche. Als je dan
even gegoogled hebt naar wie die Antoon Van den Braembussche is, kom je op het
pad van de filosofie, de kunst van het denken, terecht. En verder, op de weg
van ‘Denken over kunst’ en ‘De stilte en het onuitsprekelijke’, boeken
geschreven door de betrokken Antoon, die gemeenzaam omschreven wordt als
professor in de kunstgeschiedenis en kunstfilosofie, met een biezondere
interesse voor mystiek in de kunst. De metafysische laag, dus.
Dan verneem je dat deze ‘Spiegel
van de ziel’ eigenlijk het sluitstuk is van een poëtische trilogie, waarin
naar het mysterie van het onzegbare (l’indicible), het onuitsprekelijke
(l’inexprimable) gepeild wordt. Het blijkt dus interessant te worden, zij het
dat we in ijlere regionen terecht komen. Lezend word je deelgenoot van deze
zoektocht.
Het onzegbare,
onuitsprekelijke is in wezen de kern van het denken en zijn. Aan het einde van
een lange weg, over het Westerse en Oosterse denken, langs filosofen,
universiteiten, dichters en denkers, plooit de dichter zich terug in meditatie,
om tot de ultieme bevrijding - los van kennis en wetenschap – tot harmonie met het
zijn te komen.
Het beeld staat mij voor ogen
van de grote Tian Tan Boeddha (1), op
het eiland Lantau bij Hong Kong: 34 meter hoog, 250 ton zwaar, pas bereikbaar
na het beklimmen van 268 treden naar sereniteit. Je kan je voorstellen wat voor
moeite het moet gekost hebben om deze Boeddha daar boven op de heuvel op zijn
plaats te krijgen. Vredig rustend op zijn hoogte. Zichtbaar bij mooi weer
vanuit Macau, aan de Zuid-Chinese kust.
Boeddha – of moet ik zeggen
Antoon Van den Braembussche – troont
woordeloos, voorbij alle denken, boven het braambos, omringd door offerende
godinnen (2). Zij bieden hem hun schaal van leegte, van het niets en van
wording aan. Je leest en je ziet. En je weet niet wat je leest of ziet. Je kan
het enkel maar ervaren. De lectuur is, op het pad van het leven, de enig
mogelijke therapeutische ervaring.
De poëzie van Antoon Van den
Braembussche moet bijgevolg niet gelezen maar ervaren worden : als een
wandeling doorheen het denken. Peripatetisch, zou ik zeggen, zoals de Griekse
filosofen die al denkend rondwandelden, ware het niet dat het Antoon’s eigen concept
is.
‘Spiegel van de ziel’ lees je als de belevenis van een droom, een
herinnering, een reis door de ijlte van gewichtsloze gedachten, boven tijd en
ruimte. Een vredige streek over de taal.
Zij
herinnert zich
Zij herinnert zich
heuvels,
rotsen, mergelgrotten
en goddelijke
valleien.
De
indrukwekkende bijna-stilte
waarbij het
denken
wegdroomt en
zwijgt.
Zij herinnert
zich de lage mist,
de
legendarische lage mist.
De eerste,
tijdeloze kus
en de muziek
van Leonard Cohen.
Het
onuitwisbaar verlangen
naar
onsterfelijkheid.
In bovenstaand gedicht, uit
de eerste cyclus ‘Zij herinnert zich’ worden die herinneringen opgevoerd
als meditatief voorbij drijvende wolken. De som van de wolken is het verlangen
naar onsterfelijkheid, ontijdelijkheid. Ik zie het als een hunkering naar de
oneindigheid van de liefde.
De gedichten van deze bundel
spreken de taal van innigheid, van introspectie naar de diepere lagen van de
taal aan de oppervlakte. Liefde, als een harnas van sereniteit, levert
gedichten op van grote intensiteit.
‘Zij herinnert zich’ is een dialoog van
goed verstane stilte en kostbare momenten met de geliefde, zoals het gedicht ‘Geheimschrift’
het uitdrukt :
Geheimschrift
Ik ben één en al verlangen:
een rivier
die eigengereid
door mijn
aderen stroomt.
Niet langer
het woord
dat haperde
in het onzegbare.
Niet langer
de
rouwvlinder die weg fladderde
in
verbijstering.
Niet langer
de denker
die
onverhoeds strandde
in de
sublieme brandschildering
van het
beeld.
En langzaam,
langzaam,
omhels ik het
geheimschrift
van je
lichaam
als een mild
en sprakeloos dier.
Cyclus 2 ‘Franse suite’ legt de klemtoon op de tonaliteit van de
dialoog. Dominant is de aanwezigheid van een elegante melancholie. Gedichten
als ‘Le Cafard’ en ‘Algorithme, mon amour’ zijn daar goede
voorbeelden van. Melancholie is tastbaar aanwezig in ‘de wandeling in de
lenteregen’ en ‘het late middaglicht in je natte haar’.
Cyclus 3 is dan weer een
verzameling van ‘Momentopnamen’ : losse kiekjes van contemplatie die, op
de weg langs artistieke en filosofische verkenningen, ontdekt en vastgelegd
worden. Zoals bij de besneeuwde Boeddha: ‘Het is niet de sneeuw die valt,
maar de wereld die hem draagt’ of gedichten over de stilte van Antarctica
en het fietsend wielergeluk.
Cycli 4, 5 en 6 zijn
variaties van de tedere liefdestaal die de filosoof spreekt als hij niets zegt.
In ‘Zo blijf ik spreken’ (Cyclus 4)
zegt hij, in het gedicht ‘Dicht bij jou’ : ‘Ik ben dichter bij jou /
omdat jij al zingend / elke dissonantie liet verdwijnen’. Poëtische pareltjes voor het rapen.
Bijvoorbeeld in ‘Aanspraak’ : ‘Het takkenbos van de taal / waar betekenis
bleef haperen / en voor het rapen lag’. In het gedicht ‘Meervoudig
licht’ lezen we ‘Leegte waarin we desondanks / onszelf ontmoeten’.
In Cyclus 6 ‘Modus
Vivendi’ staat het gedicht ‘Iedereen’ dat een duidelijke verwijzing
inhoudt naar het academische verleden van Antoon Van den Braembussche.
Iedereen
In iedereen schuilen
uitgestrekte schuiframen
van
vergetelheid.
De lome
kantooruren
van de ziel.
In iedereen
schuilen
bergruimtes
vol weemoed,
archiefmappen
met heimwee.
De zachte,
meetlatlange dwang
naar
perfectie.
In iedereen
schuilen
inktpatronen
van het noodlot,
toners van
vergeefse hoop.
In
iedereen
schuilt een
oude droom
die maar niet
sterven wil.
Een goede, Portugese vriendin
van de dichter, die vertrouwd is met de carrière van Antoon Van den
Braembussche in de academische wereld,
schreef dat zij diep getroffen was door dat gedicht. Zij schreef dat zij
in deze verzen ‘de melancholie herkende van iemand die de diepte van het
intellectuele en academische leven van binnenuit kent.’ Zij dacht aan ‘de
professor die je jarenlang bent geweest, met zijn plichten,
verantwoordelijkheden, routines, eisen en stille vormen van discipline’. Beelden
als ‘de lome kantooruren van de ziel’, ‘archiefmappen met heimwee’,
‘inktpatronen van het noodlot’ en ‘toners van vergeefse hoop” doen denken aan ‘een bestaan waarin het
innerlijke leven lange tijd heeft samengeleefd met het institutionele leven :
colleges geven, afspraken, papieren, perfectie, verwachtingen en intellectuele
ernst’. ‘Vandaag, op emeritaat, heeft de institutionele ruimte plaatsgemaakt
voor het schrijven : de herinnering, het denken, de gevoeligheid en oude
dromen. Het schrijven, waar de academische loopbaan niet langer om vraagt, maar
waar de ziel nog steeds om verzoekt. De oude droom die maar niet sterven wil.’
Ze vertaalde op slag het
gedicht ‘Iedereen’ naar het Portugees ‘Em todos’, wat me meteen
de herinnering bijbracht aan de Portugese dichter Fernando Pessoa die schreef
:’ Ik ben niets / Ik zal nooit iets zijn / Ik kan ook niet iets willen zijn
/ Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.’
Op zijn graf, gelegen in het
Mosteiro dos Jerónimos in Lissabon, staat een citaat van één van de
dichterlijke heteroniemen van Fernando Pessoa : Ricardo Reis: “Para ser
grande, sê inteiro : nada / teu exagera ou exclua”. Om groot te zijn, wees
geheel: overdrijf of sluit niets uit dat van jou is.
Over ‘Spiegel van de ziel’ zou Fernando Pessoa een geanimeerde
discussie kunnen voeren met Antoon Van den Braembussche, daar, op het terras
van A Brasileira in Lissabon. Niet met dooddoeners als ‘een belangrijke
bijdrage tot het hedendaags poëtisch gebeuren’ maar, bijvoorbeeld, over de filosofische
betekenis van de leegte in zijn gedichten. Of, meer nog, over de gevolgen van
oorlog, in het slotgedicht van de bundel ‘Nooit meer oorlog’ ter
nagedachtenis van de slachtoffers van de oorlog in Gaza.
(30 juni 2026)
‘Spiegel van de ziel’ – Antoon
Van den Braembussche – Uitgeverij P – ISBN 978 94 93534 05 6 – Prijs : € 19,50
![]() |
| (1) Tian Tan Boeddha op het eiland Lantau (Hong Kong) |
![]() |
| (2) Offerende Godinnen bij de Boeddha op het eiland Lantau |
















