donderdag 18 juli 2019

er leven spreeuwen - Shari Van Goethem

er leven spreeuwen onder haar huid
tijdens één van haar slapeloze nachten trekt ze de vogels eronderuit

’s ochtends vind je haar onder veren, botten, bekjes. haar handen
onder het bloed. ze kijkt je aan alsof ze je wilt zeggen dat ze nu wel
blijven moet

zo liggen jullie samen

wakker in het grote bed

jij wacht op een winter die zich aan ramen zet. gelooft

dat spreeuwenwolken in eeuwige nevel
ontstaan

aan verlangen alleen groeien nochtans zelden vleugels


© Shari Van Goethem


Uit het typoscript van 'Tere Stengels, de tweede bundel van Shari Van Goethem'. De bundel verschijnt in oktober bij Uitgeverij Vrijdag en wordt op 12 oktober 2019 voorgesteld in De Groene Waterman.
Een tweede voorstelling is gepland voor 20 oktober 2019 in het Stadspark van Sint-Niklaas

Net als in haar poëziedebuut ‘Een man begraaft een boom’ vertelt Shari Van Goethem in ‘Tere stengels’ aan de hand van gedichten één verhaal. In haar gloednieuwe bundel geeft de dichteres de leegte armen en benen..


woensdag 17 juli 2019

mijn dochter heeft ogen - Shari Van Goethem

mijn dochter heeft ogen als steenkoolmijnen
dof. geen enkele schittering. ze kijkt me aan
alsof er iets in haar blik verborgen ligt
dat opgedolven wil worden

ik wil het niet

de trekken in haar gelaat verraden dat er in haar
te veel op te graven is. hoe zij daar nu starend
in lagen ligt –

ik wil het niet


© Shari Van Goethem















Uit het typoscript van 'Tere Stengels, de tweede bundel van Shari Van Goethem'. De bundel verschijnt in oktober bij Uitgeverij Vrijdag en wordt op 12 oktober 2019 voorgesteld in De Groene Waterman.
Een tweede voorstelling is gepland voor 20 oktober 2019 in het Stadspark van Sint-Niklaas

Net als in haar poëziedebuut ‘Een man begraaft een boom’ vertelt Shari Van Goethem in ‘Tere stengels’ aan de hand van gedichten één verhaal. In haar gloednieuwe bundel geeft de dichteres de leegte armen en benen..


vrijdag 28 juni 2019

Over Passages van Onno Van Gelder Jr. – Frank Decerf

Onno Van Gelder Jr. is moeilijk in één hokje te stoppen. Hij is regisseur, acteur en auteur.
Van hem heb ik nog nooit iets gelezen, maar met het ontvangen van Passages is daar verandering in gekomen.

In de introductie lezen we: … Sommige verhalen zijn geïnspireerd op een foto, andere op een herinnering of kunstwerk. Telkens hebben ze gemeen dat het over slechts een kort moment uit iemand leven gaat. Een ‘ tranche de vie ‘ als het ware

Van Gelder Jr. brengt 6 kortverhalen samen. Elke titel is de naam van het hoofdpersonage. De stijl is zeer beschrijvend. Hij vertelt tot in de kleinste details zonder daarbij te veel te dralen. Zijn observaties werken niet remmend. Ze verrijken het visuele van het verhaal. Is hiervoor de invloed van theaterregisseur Van Gelder de reden? Zijn fotografische beschrijvingen maken van hem een voyeur die de lezer laat mee genieten.

Marcel


“Waar moet u zijn, mevrouw? Waar komt u vandaan?”
Na enkele woorden bleek de verwarring te groot bij het fragiele oudje.
Gezien de barre kou en haar schaarse kledij stelde ik voor om samen de parfumerie binnen te stappen en de politie te bellen.
De twee treden aan de inkom van de winkel waren hoog. Gracieus legde ze haar vrije hand op mijn uitgestoken arm. De deur gleed voor ons open en bevrijdde een efemeer bouquet zoete geuren dat, eens buiten, uit elkaar viel door de ijzige wind. Een korte uitleg volstond voor de begripvolle en vriendelijke verkoopsters. Ze haalden gezwind een gemakkelijke stoel en plaatsten die dicht bij een radiator. De deugddoende warmte flakkerde iets op in het dametje. Haar ogen glansden als de gouden gloed van een Dior J’adore-reclameposter en ze gleden over alle schappen van de winkel.


De verhalen zijn qua lengte perfect voor wie niet graag leest of weinig tijd heeft. Maar de kwaliteit is van die aard dat die luie lezers zeker naar meer zullen vragen. Onno Van Gelder Jr. trekt zijn lezers mee en gunt hen constante wendingen die nooit voorspelbaar zijn. De woordenschat is rijk en stijlvol. Vaak is nostalgie de voedingsbodem voor zijn teksten. De tijd staat stil en het verval wordt mooi in beeld gebracht. Hij benadert zijn personages respectvol, geduldig en met een gemeende empathie. Humor komt vaak om de hoek kijken.

Lees “Louis”; het relaas over een aimabele priester. Van Gelder geniet er van om zijn publiek bij de neus te nemen. Hij creëert een aangehouden spanning. Dat kenmerkt de rasechte verteller die hij is. Hij is de onderhoudende causeur die de lezer vasthoudt of plots laat vallen. Hij ontwijkt evenmin sociale thema’s zoals in zijn verhaal i.v.m. pesterijen. Hij is een warme humane schrijver met oog voor de mensen die het met wat minder moeten doen. Passages is een reeks betere kortverhalen die ik de laatste tijd heb gelezen. Het boek is verrijkt met fijne illustraties van Stijn Felix.


Passages, Onno Van Gelder Jr.,2018, Uitgeverij Ambilicious Breda/Kalmthout,
ISBN 978 94 92551 29 0


© Frank Decerf


Deze recensie van Digther-redacteur Frank Decerf verscheen eerder ook op “De Boekhouding-blog”.

woensdag 26 juni 2019

Dagboeknotities van een grande dame - Antoon Van den Braembussche

Over Souvenirs III van Lucienne Stassaert

“Alles laat sporen na.
Willen vergeten is ook je altijd blijven herinneren”

(Elisabeth Barillé)

Onlangs verscheen van Lucienne Stassaert Souvenirs III, het derde en laatste deel van een gelijknamige autobiografische trilogie, die als een apotheose kan worden beschouwd in het werk van deze grande dame van onze literatuur.
Lucienne Stassaert (geb. 1936) maakte aanvankelijk in de jaren zestig naam als neo-experimentele dichteres en prozaschrijfster, een periode waarin zij nauw verbonden was met het tijdschrift Labris, een herkomst waarmee zij ten onrechte zeer lang mee geassocieerd zou worden. Naarmate de tijd verstreek, schreef zij immers een steeds meer uitgebalanceerde poëzie, waaraan een indringende natuurlyriek en een hang naar het mystieke niet vreemd waren. Zij publiceerde met grote regelmaat dichtbundels die getuigden van een benijdenswaardig metier: bevlogen, gedragen, bewogen, uitermate expressief en tegelijk beheerst. In bundels als Als later nog bestaat, Keerpunt, Drempeltijd, Nabloei, Zangvlucht en zeer recentelijk Intermezzo heeft Lucienne Stassaert een meesterschap bereikt dat qua vorm herinnert aan haar alom geprezen vertalingen van Emily Dickinson, Sylvia Plath en Hadewijch. Haar poëzie verschijnt nooit vanuit het luchtledige, maar is stevig verankerd in wezenlijke, existentiële thema’s die door de gedichten zelf altijd boven het puur-persoonlijke wedervaren worden uitgetild naar een meer universele, tijdeloze dimensie. De draagwijdte van haar poëzie is overigens steeds herkenbaar, doordrongen van een opvallende eigengereidheid, een heel eigen hardnekkigheid. Wat Sarah Posman in Poëziekrant schreef over Zangvlucht brengt dit goed onder woorden: “Van een ademloze rouw neemt ze ons mee naar een gevecht met de stilte en een liefdevolle dans met het verleden. Ze doet waar ze goed in is: ze wringt levendige poëzie uit de dood en geeft ons zo flagrante melancholie als koppige wijsheid”.

Veelzijdigheid

Ademloze rouw, gevecht met de stilte, de dans met het verleden, de flagrante melancholie: dit zijn allemaal kenmerken die ook perfect van toepassing zijn op de Souvenirs-trilogie. Maar er is meer. De trilogie toont meer dan elk ander geschrift van Lucienne Stassaert haar veelzijdigheid. Naast dichteres is zij ooit een zeer beloftevolle pianiste geweest. En ofschoon zij al vrij vroeg resoluut in een cruciale droom koos voor het schrijverschap ten nadele van een pianistenbestaan zou de klassieke muziek haar blijven vergezellen als een basso continuo in haar dagelijks leven. Daarnaast is Lucienne Stassaert ook al jaren kunstschilderes: zij schilderde reeds een imposant oeuvre bij elkaar, waarin de blauwe schilderijen (de laatste jaren vaak verbonden met het vluchtelingenthema) een onuitwisbare indruk nalaten.

Existentiële thema’s

Het is deze veelzijdigheid die de trilogie een heel eigen karakter geeft. In de drie delen duiken inderdaad overal beschouwingen op over poëzie, muziek en schilderkunst. Maar daarnaast is er de rijkdom aan existentiële thema’s, waarin de pijn en het lijden niet uit de weg worden gegaan. Zo begint Souvenirs I met het misbruik door haar grootvader, een schrijnend trauma dat in haar familie tegelijk als een taboe van eerste orde werd doodgezwegen. Na veertig jaar breekt het trauma op: het is een herinnering die letterlijk is besmeurd: “Zelfs als ik in gedachten aan zijn portret zou beginnen, druipt het slijm al van mijn vingers af”.

Daarnaast komt in de trilogie de moeilijke relatie met haar vader als een waar leidmotief terug: “Zijn wensdroom dat ik voor een leven als concertpianiste zou kiezen, was zo goed als een bestaansreden voor hem geworden, die ik hem had ontnomen”. Een ander leidmotief is tevens de liefde voor haar poezen. Deze passages behoren wellicht tot de beste en meest ontroerende bladzijden die ooit in de literatuur over poezen zijn geschreven. Andere, vaak terugkerende thema’s zijn: het eigen, aftakelend lichaam, de evocatie en de duiding van haar indrukwekkende dromen, de miskenning, de natuur, de angst, de dood, het sublieme en het onzegbare. Beklijvend tenslotte zijn ook de portretten van vaak bevriende kunstenaars en schrijvers, niet zelden in hun levenseinde. De zelfmoord van Johan Sonneville, de tragische teloorgang van Wilfried Adams, het wegkwijnen van Ann Salens, deze en andere portretten maken van Souvenirs bijna een cultuurhistorische exploratie van de hedendaagse doodsbeleving.

Souvenirs III

Wat opvalt in de ganse trilogie is de absolute eerlijkheid ten aanzien van het eigen leven, de compromisloze zelfanalyse. Zelfcensuur is niet aan Lucienne Stassaert besteed, wel integendeel, soms is zij niet weinig onbarmhartig voor zichzelf. De diepe spadesteken waarmee ze het verleden naar boven woelt, zijn vaak pijnlijk en ook niet zonder zelfverwijt of schuldbesef. Haar huidige eenzaamheid is voelbaar en tastbaar aanwezig. Steeds is er ook het pijnlijke verval van het lichaam, de spastische darmen, de verlammende uitwerking van de ouderdom, de vaak afgrondelijke angst, het doodsverlangen. Maar desalniettemin is er steeds opnieuw het schitterende tegenwicht: de schoonheid, de tomeloze creativiteit, de verkenning van het sublieme in woord en beeld die de obsessies van het verleden als het ware zin geven en zelfs transfigureren. Hier fungeert de scheppende overgave als tegenwicht voor fysieke en geestelijke verwording en ontsluit zij een onvermoede terugkeer van een buitengewone, geestelijke veerkracht. Op dergelijke ogenblikken komt er een geluksgevoel over haar, een geluk dat haar ook met indringende ogen doet kijken naar de werkelijkheid om haar heen, het sociale weefsel waarin zij vertoeft.

Deel 3 begint dan ook met een prangende “brief aan mijn dochters”. Ook hier begint zij met een onbuigzame zelfanalyse, een schuldbekentenis: “ik heb jullie als opgroeiende kinderen onvoldoende moederwarmte en bemoedigende aandacht gegeven”. Zij vraagt vergiffenis. En dan luidt het in een prachtige wending: “De intimiteit die jullie jarenlang hebben gemist, zou ik nu aan jullie willen doorgeven vanuit de verte, als is mijn leven bijna voorbij”. Uit latere passages blijkt dit te leiden tot een ware transformatie, want zij schrijft uiteindelijk dat zij het oceanische gelukgevoel dat haar katten haar schenken enkel nog kan vergelijken met de tederheid waarmee haar dochters haar benaderen! Hoewel ook in Souvenirs III de vertrouwde thema’s aan bod komen, houden ook hier dagboeknotities de lezer in de ban. Het onzegbare verdriet om de vermiste kater Robbi, het tergend-trage en hartverscheurende stervensproces van haar vriend en compagnon de route Henri-Floris Jespers, de uitvoerige en pakkende beschrijving van de wijze waarop Stanislawa Przybyszewska aan een morfineverslaving leed, als schrijfster van de revolutie doorbrak, vervolgens ten prooi aan reumatische pijn op handen en voeten rondkroop om tenslotte op vierendertigjarige leeftijd te sterven aan ondervoeding en tuberculose als een mystica zonder god, zonder hinterland.

Hier komen we uit bij een niet onaardig ingrediënt van de gehele trilogie, dat ik nog niet heb aangeraakt, namelijk de bespreking van tal van boeken en auteurs. Tal van dichters, schrijvers, beeldende kunstenaars worden voor het voetlicht gebracht. Lucienne Stassaert doet dit niet om haar eruditie te etaleren, integendeel. Deze beschouwingen doen nooit geforceerd aan en vertonen altijd een organische samenhang met de rest van haar leven, de rest van haar dagboek. Alles wat zij in Souvenirs schrijft is geschreven vanuit het nu-moment. On the spur of the moment. Wat zij schrijft is niet bedacht, het gebeurt. Ook de herinnering is hier een gebeurtenis. Daarom is Souvenirs ook een literaire gebeurtenis van de eerste orde, waarin de taal het monument belichaamt waarin verleden en toekomst, eenzaamheid en liefde, droom en werkelijkheid op een natuurlijke wijze samenvallen.

De trilogie eindigt met De Jonkvrouw met de spade, een tekst waarmee zij ooit debuteerde in 1964, een tekst die haar vader ooit wél las en die zij bij zijn begrafenis neerlegde aan de voet van zijn graf. Hiermee is de cirkel rond. Maar wat overeind blijft is de humane kracht, het existentieel appél van Souvenirs, waarin - en dit is misschien de meest verregaande eigenschap – de neurose en het lijden niet als hinderpaal maar als noodzaak verschijnen voor een tastbare vorm van bevrijding, tegen de tijd bestand, mystiek van aard ook. In deze zin is Lucienne Stassaert allesbehalve een mislukte mystica, zoals ze haarzelf nogal eens typeert, maar een volbloed mystica, waarvan de geschriften mijns inziens nog grotendeels echt ontdekt en ontsluierd moeten worden.


© Antoon Van den Braembussche


Lucienne Stassaert, SOUVENIRS III, Leuven, Uitgeverij P., 2019.

Thuissite Lucienne Stassaert





zaterdag 22 juni 2019

Commentaar bij 'Leerdicht over het aanbieden van excuses' - Alain Delmotte

Commentaar bij ‘Leerdicht over het aanbieden van excuses’.

Toen ik voor het eerst deze tekst voorlas, verbaasde het me dat na de eerste zin gelach uit de zaal was te horen.

Veel van mijn teksten zijn meer dan eens doordrenkt met (zelf)spot en ironie. Zoals bevoordeeld in fragment 3 van dit leerdicht. Maar die eerste zin is dat niet. Integendeel: die zin is intriest, doorkerfd met een oppermachtige melancholie.

Deze tekst gaat over onze nalatigheid. Het tekort aan aandacht voor de dingen die om ons heen gebeuren maar waarbij we nauwelijks nog bij betrokken (willen - kunnen) worden. Dit zijn zowel de ander als de anderen, de details die onze omgeving mee bepalen en kleuren, de discrete gebaren, de kleine rituelen die ons tot mens en medemens zouden moeten maken. Een minimale basis aan verwondering.

Maar vervreemding overheerst. We beschikken niet meer of nauwelijks over het vermogen tot ‘aandacht’. We bezitten neurotisch aandoende fixaties: de routines die ons een leiband omdoen. We sluimeren constant. We houden ons niet meer aan rituelen, we zitten in conditioneringen vast. We leven van dag tot dag – dag in, dag uit: dagen die zich wezenlijk in tijdverlies laten omrekenen. Het nu wordt ons afgebeeld als een lapidair consumptieartikel terwijl het een indringende ontologische kwestie betreft. En dus een heel complexe zaak. Ik ervaar het nu als ‘een voorlopigheid’, niet als een absoluutheid. Het nu is wat ons overkomt – en dat is niet altijd als iets positief te ervaren. Het nu moet je afdwingen, wil je het in de diepte ondergaan. Het nu is een duel. Wie wint hangt van de omstandigheden af. En wie wint is vaak op langere termijn de verliezer.

Procedures namen steeds meer de plaats in van wat we vroeger ooit als wellevendheid of beschaafdheid omschreven. Brutaliteit in en met de taal wordt meer en meer toegestaan. In de eerste plaats in de politiek. De rest volgt.

Onze nalatigheid. Elke dag die we zomaar laten voorbijgaan is een overwinning van de routine, van het systeem waarin we hebben te roderen.

We moeten proberen er de aandacht weer bij te houden: dit lijkt me wat in feite leven in het nu zou moeten betekenen. We leven te weinig in het nu: we blijven beate, passieve toeschouwers van wat er om ons heen gebeurt. We worden er wezenlijk en onwezenlijk niet langer bij betrokken: zo langzamerhand worden selfies onze enige herinneringen. We zijn de toeristen van ons eigen leven geworden: en wat valt er in ons leven nog te bezichtigen?

Poëzie biedt noodweer.


© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback





vrijdag 21 juni 2019

Leerdicht over het aanbieden van excuses – Alain Delmotte

1.

Bied bij het opstaan je bed je spijtbetuigingen aan. Omdat het ook dit keer je slechte slaap een onderdak had te geven, je lichaamsgewicht aan nare en onbillijke dromen had te dragen.

Dank het omdat het je met die dromen toeliet om veilig op een matras te landen.

Beloof het voor vanavond liefde, overwegend, nauwelijks doorwegende liefde.


2.

Excuseer bij het ontbijt, voor je eerste hap, het brood: dat je het zomaar en brutaal doorslikken moet, het is de haast nietwaar.

Wees niet nalatig: vergeet de kruimels niet. Wees genadig: geef ze een kans tot een tweede leven. Schud het tafellaken uit het raam uit.

Briesjes en vogels zullen die kruimels graag zien komen.

Daar zijn ze al.


3.

Verschoon op het werk je loyale aanwezigheid.

Praat je ijver en werklust aan je collega’s goed – hoe zuur ze er ook bij staan te kijken.

Vraag hen om gratie en leg je neer bij hun koffiepauzes, hun roddels en hun mêlee.


4.

Zie door de vingers dat het op het middaguur regent.

Bij een toevallige opklaring vergoelijk je tegenover een zonnestraal dat je haar ongevraagd in je hoofd durft binnenhalen.


5.

Verdedig de chaos op het einde van je werkdag en doe naarstig aan overuren. Je trein zal je toch niet meer halen. Niemand die je mist.

Tenzij je eenzaamheid en die hou je altijd op zak.


6.

’s Avonds vraag je aan de avond je misschattingen te vergeven.

Dat je je weer van dag hebt vergist.

Dat het vandaag op geen enkel moment ‘nu’ was maar tiksgewijs straks-straks, straks-straks.


7.

Maar niet getreurd, avond, heel de tijd dat je duurt, mag je avond blijven.

Dat het voor altijd avond mag blijven en dat je je nergens nog voor iets hoeft te rechtvaardigen.

Wees volop het donker dat gestaag aan het worden is en dat zich als wijn doet smaken.


8.

Verontschuldig je verlangen om het gemis, de vervullingen die het steeds weer, onomkeerbaar moet ontberen.

Wijn moet het goedmaken en wijn vult zelf je glas voor de hoeveelste keer bij.


9.

Het is laat. Zwenk naar bed, zonder je bed in de ogen te durven kijken, met berouw om wat je het vanmorgen beloofde, het deed geloven.



© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback




donderdag 20 juni 2019

Commentaar bij 'Leerdicht over de kern van de catastrofe' - Alain Delmotte

Commentaar bij ‘Leerdicht over de kern van de catastrofe

Kort na zijn dood verschenen van E.M. Cioran (1911-1995) postuum nog enkele geschriften. Zo onder meer ‘Anthologie du portrait’ waarin een virtuoze inleiding van Cioran (in stilistisch prima conditie) en een verzameling in de loop der jaren genoteerde gesprekken onder de titel ‘Entretiens’- ‘Gesprekken’.

In deze vraaggesprekken had Cioran het vaak over ‘een komende catastrofe’. Je vraagt je voortdurend af over welke catastrofe hij het heeft. De atoombom, de derde wereldoorlog, nieuwe totalitaire regimes? De klimaatveranderingen en wat daarmee samenhangt?

Dat laatste zal het niet zijn: in Ciorans topjaren was het niet meteen een ‘hot item’. In mijn ‘Leerdicht over de kern van de catastrofe’ speelt de op ons afkomende ecologische drama’s tussen de regels wel een rol. Voor die drama’s zijn we in min of meerdere mate medeverantwoordelijk en dus niet meteen vrij te pleiten. Bijvoorbeeld door onze manier waarop we ondoordacht blijven consumeren. In dit leerdicht dik ik dat met het nodige sarcasme tot een schuldgevoel aan. Ik denk dat we best wel mogen aanvoelen dat we met een slecht geweten moeten zitten.

Maar er is meer aan de hand. Wie Cioran wat kent, weet dat met ‘catastrofe’ eerder iets van ‘mystieke’, ‘metafysische’ en ‘ontologische’ aard wordt bedoeld. Pas laat in de reeks interviews is er iemand die aan Cioran vraagt wat voor catastrofe hij eigenlijk voor ogen heeft. Cioran aarzelt en zegt dan: ’On ne peut plus être seul’. ‘Men kan niet meer alleen zijn.’ De interviewer gaat er niet verder op in. Het is me dan ook niet echt duidelijk wat Cioran wil aangeven.

Bedoelt hij dat ‘afzondering’ niet meer mogelijk is? Omdat de ruimte voor die spirituele (?) afzondering nergens nog te vinden is? Of bedoelt hij dat we niet meer over de innerlijke durf en kracht beschikken om die afzondering aan te kunnen?

Wat ik hieruit voor mezelf concludeer is dat voor Cioran – in Westerse zin - ‘het menselijke’ en ‘het menselijke zelf’ is aangetast, geërodeerd.

De ‘catastrofe’ heeft iets maken met het begrip ‘zijn’, met een gebrekkig geworden ‘zijn’: het ontologische failliet waarbinnen we ons bevinden, herleid het menselijk wezen tot een statistisch wezen. De catastrofe is die van het menselijk bestaan zelf. We zijn onwetend geworden over ‘het zijn’.

We worden meer en meer gereduceerd tot enkel ‘omhulsel’: onze kwetsbaarheid wordt weggecijferd. Voor poëzie is die kwetsbaarheid levensnoodzakelijk: het is de bron van haar taal, van onze talen. En zie: de taal wordt continu in haar binnenste geraakt. Het gevaar dreigt dat we niet meer in staat zullen zijn om volmondig te spreken, enkel nog om wat na te bauwen. Voor het gedicht zal dit wel de kern van de catastrofe zijn.


© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback




woensdag 19 juni 2019

Leerdicht over de kern van de catastrofe - Alain Delmotte

Leerdicht over de kern van de catastrofe

1.

De catastrofe neemt haar tijd, ze neemt je langzaam in beslag met tijd. Van je geboorte tot je dood, de catastrofe heeft alle tijd.

Daag je haar uit, je bekoopt het met een nog grotere catastrofe. Laat haar liever betijen, laat haar haar beloop, bemoei je er niet mee.

Wees blind: zo laat de catastrofe haar niet zien.

Overleg kan haar gestolen worden. Redevoering noch pamflet kan haar verjagen. Ze vond haar onderkomen in het woord. Ze belemmert je het vrije woord: het gegeven woord is de kern van elke catastrofe.


2.

Je kunt haar alles toevertrouwen: op een venijnige manier houdt ze het geheim. Ze is jouw geheim. Ze zwijgt en wat ze zwijgt is jouw reuma van de dag.

Al denk je daar anders over: je bent haar stoutmoedigste atout. Je hulpeloosheid is haar sterkte: voor jou wordt ze daarmee onoverkomelijk. Haar kiespijn doet je kniezen.


3.

Haar einddoel is de inertie. Waarvan je vermoedt dat ze tot lang na je dood blijft duren. Haar einddoel is jouw inertie.

4.

Vraag je kinderen, je kleinkinderen naar de kern van de catastrofe: rampzalig want zonder aarzelen wijzen ze jou aan – het is hun zekerheid.


© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback




dinsdag 18 juni 2019

Commentaar bij 'Leerdicht over hoe aan het gedicht te beginnen' - Alain Delmotte

Commentaar bij 'Leerdicht over hoe aan het gedicht te beginnen'

Ik schreef ooit een gedicht dat ik ‘Ode aan de beginregels’ heb genoemd en waarin ik het verlangen uit naar een gedicht dat ‘exclusief uit beginregels’ zou bestaan.

Ik las hier en daar dat dichters soms ervaren dat de eerste regel van een gedicht vanuit het ongewisse opduikt en dat de rest van het gedicht een kwestie van zwoegen is.

Dat zwoegen is er. Zeker. Maar ik vind dat au fond niet erg interessant: wegens te veel moeite. Dat ongewisse trekt me meer aan. Ik omschreef het als een soort (al)chemie tussen ‘huid, lust, en weerlicht’. In dat ongewisse vallen lichaam, taal en wereld samen en wellen vanuit de laagste trap van de extase en onze diepste psyché op. Aan het einde van ‘Ode aan de beginregels’ stel ik die extase (niet die psyché) in vraag. Ik merkte op dat ‘ontnuchtering heel vaak de enige verwondering is achteraf’. De meeste dichters (en ik reken me daar zelf bij) hebben inderdaad te korte beentjes om geniaal te zijn – om eens Louis Paul Boon te citeren. Gedichten worden heel vlug uiteengeklapte luchtballonnetjes, vrees ik.

In dit leerdicht doe ik de zaak nog eens over. Met dit verschil dat ik het niet langer over beginregels heb maar over ‘invallen’. Meteen de basis van mijn werkwijze: met invallen ga ik te werk, bouw ik de tekst op. Die invallen – waarover ik geen controle heb of wil - lijken soms ongerichte projectielen: ze hebben geen contexten. (Ik vraag me trouwens af of ze nood hebben aan contexten: ze komen op je af en daarmee basta.) In ieder geval probeer ik ze in een context te plaatsen. Zwoegen is voor mij het moeilijke, neurotische zoeken naar de juiste juxtapositie voor de bergen notities die ik her en der heb ‘opgevangen’.

Zeker: de ene notitie vloeit meer dan eens uit een andere voort, zodat er toch wel zoiets als een context of een geheel gevormd wordt. Maar voor een groot deel is dat niet zo. De notities die ik maak zijn erupties die nergens het begin van zijn en nergens een eindpunt van willen zijn. Het zijn kristallisaties, vertakkingen van een gemoed, van een humeur, van een reflexie, van een menszijn.

Over de mensheid – en dat zit volop in deze bundel - hou ik er geen edelmoedige gedachten op na. Het is geen misantropie, al heb ik voor dit gegeven toch wel enige sympathie – als het tenminste ook auteurs zijn, geen zuurpruimen. De mens is niet goed, niet slecht. In de meeste gevallen banaal: ik vind geen reden om dat de mensheid te verwijten omdat die banaliteit iedereen eigen is. Vaststelling: de mens is er. Hij ‘is’ er meestal heel vluchtig. In een ander leerdicht uit de bundel noteer ik dat de faam van een mens zijn sterfelijkheid is. We zijn te kortstondig om de eeuwigheid proberen te halen. Net als de dieren en de appelboompjes in mijn tuin. En de muggen, en de ratten.

Dit belet niet dat ik poëzie geen onzin vind. Al lijkt mijn houding in dit gedicht anti- of a-poëtisch. We moeten uitkijken over wat we schrijven, het steeds weer relativeren. Maar het nooit afschrijven of er de brui aan geven. Enkel inzien dat woorden eigenlijk vol schijnbewegingen zitten. Woorden kunnen o zo gemakkelijk prooien worden voor demagogen en ander kwaad volk. Een dichter moet volgens mij voor de woorden opkomen in het besef dat het maar woorden zijn: breekbaar, kwetsbaar, ziekjes. Dichters waken over de taal – dixit Auden.

Het is de aard van het beestje: poëzie is dubbelzinnig, dialectisch, niet vast te grijpen, bij momenten hulpeloos en dissident. Poëzie wordt geschreven vanuit een dissident veld.

Waarvan ik verder overtuigd bent: poëzie – ik loop hier Lautréamont achterna - heeft zich in iedereen een plaats gezocht en gevonden. Ze laat zich zien zoals we zijn: en dat zijn we, shit, haast nooit. Poëzie is van voor de woorden, van voor het verloop. De woorden komen te laat. De ervaring haalt het op de verwoording.

Wat de poëzie ons te bieden heeft, dat krijgen we niet, we moeten er constant op zoek naar gaan. Waar het voor mij op aankomt is de vitale dynamiek die deze zoektocht opwekt.
© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback




maandag 17 juni 2019

Leerdicht over hoe je aan het gedicht begint - Alain Delmotte



Leerdicht over hoe je aan het gedicht begint

1.

Er is geen beginnen aan. Het is klaar: het gedicht beschikt over kop noch staart! Bespaar je dus de moeite, hou het bij wat je invalt.

Laat het gedicht zelf het vuile werk doen. Laat het komen, onderga het.

Vervloek het nadien als louter toonbeeld van vergankelijkheid.


2.

Geloof: ga er in de eerste plaats van uit dat het hiernamaals wel, wellicht of niet bestaat, dat in ieder geval ook ontreddering in gebreke blijft.

Schrijf. Blijf geloven dat het hiernamaals zal worden wat je schrijft. Echt waar: de hemel is wat iemand overdrijft - als hij met een mondvol begeert.

Daarom: beperk je. Geniet van het nietszeggende immanente: dat zegt meer.


3.

Ga uit van een vermoeden aan taal. Hou daarin vol. Sluit de onrust die je zwijgen is af.

Vlug, vlug: betrap verwarring op een regel die je nu eens niet ontglipt. Pieker niet over de goede afloop ervan - dat lukt je niet, want het wordt geen gedicht: het gedicht begon nooit.

Ga helemaal lukraak. Wees er gerust in.


4.

Blijf in de buurt van het disparate: het loopt zo ontroerend verkeerd uit dat zelfs het gedicht het zo wilt.

(Waarschuwing: laat het gedicht je niets opdringen! Blijf mens - blijf kluns.)


5.

Toon je woede niet openlijk. Wring het, dwing het tussen de regels.

Zo koelt die woede nooit af.


6.

Trek je van sirenenzangen niets aan: stop was in je oren, gebruik je hersenen.

Besef dat zingen iets is uit je vorige levens.

Voor zingen ben je vandaag te schor geboren. Het gedicht is achterhaald: blijf doof.

(En troost je met de gedachte dat je met die stellingen geen rekening hoeft te houden: zing, maar hoor het niet zelf.)


7.

Geloof in wat je ogen voor je zien en heb alle redenen om aan te nemen dat je blind bent. Pronk met wat jezelf ontmoedigt. Delf het onderspit: dan pas zal het gedicht je misschien kunnen lukken.

Wacht daarvoor op betere tijden, al komen die nooit.

Voor grootse gedichten moet je wachten op grootse tijden: die zijn nu echter voorbij.


8.

Ultiem advies: ‘Er valt enkel klatergoud te rapen. Ontnuchter.’


9.

Elk begin is een valse start. Onthoud dat de woorden je meestal te vlug af zijn. Leg op tijd het gedicht weer je zwijgen op.

Nog voor je het de kans gaf zich te laten beginnen en nog voor je lezer het zich toe eigent, nog voor het gedicht jennend dichtklapt.


10.

Het hogere doet te veel hopen op het onverhoopte. Het lagere is niet pluis.

De middelmaat kreeg je klein. Hou je daarom aan de middelmaat en wees op die manier je middelmaat wraakzuchtig de baas.


11.

Besef dat je te moe bent geboren. Poëzie? Nooit raak je verder dan wat eraan voorafging.

Verzoen je.

En nogmaals: schrijf - dag in, dag uit - wat je invalt.

Maar val er niet in - val er niet over.

En uit.


© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback





Warhoofds leerdichten 1 van Alain Delmotte

vrijdag 31 mei 2019

De Vallei-nr 40, jrg 9

In het nieuwste nummer van 'De Vallei', literair e-zine, is de redactie van De Schaal van Digther dit keer wel heel erg goed vertegenwoordigd.
Er zijn immers gedichten van de Digther-redactieleden Paul Rigolle, Alain Delmotte en Herlinda Vekemans terwijl Hugo Verstraeten met 'Dead Poets Society' in de rubriek 'De afsluiter' voor een treffende column zorgt. Voorts zijn er bijdragen van Jana Arns, Bert Bevers, Frank Pollet, René Hooyberghs, Mark Van Tongele (Poëzie) en Mikael Josephsen (in een vertaling van Romain John van de Maele), Niels Hav (vertaling Jan Baptist), Maria Rousseau, Annette*Akkerman, LeenRaats en Mike Jansen. De cover was, en is, van de zeer recent overleden Ben Klein.
De samenstelling van het nummer was voor wat betreft het proza in handen van hoofdredacteur François Vermeulen en Philippe Cailliau tekende verantwoordelijk voor de selectie van de dichters.

Het nummer is in pdf-vorm integraal na te lezen via de navolgende link:  
De Vallei, nr 40, jrg 9, mei 2019
De Vallei, literair e-zine


donderdag 30 mei 2019

De recensent als openbare aanklager - Alain Delmotte

In de poëziekrant van mei/juni 2019 las ik een recensie van Koen Vergeer over de bundel ‘Een goudvis’ van Arjen Duinker. Wat ik hier ter sprake wil brengen gaat niet meteen over die recensie maar over de intro van die recensie. Die luidt als volgt:

‘Gedichten moeten zonder vraagteken’, las ik onlangs bij Cees Nooteboom. En ik ben het roerend met hem eens. Gedichten met vragen zijn halve gedichten, die eigenlijk niets durven te zeggen. Want vragen, hoe lastig, onbeantwoordbaar of verontrustend ook, houden altijd het veilige midden. Het kan dan nog altijd twee kanten op, of meer. Gedichten die dingen beweren zijn effectiever, spannender, kunnen je veel directer raken en verbaasd, ontroerd of in vertwijfeling achterlaten.’

Deze zinnen laten zich verklaren in het licht van Duinkers bundel waarin elke zin eindigt met een vraagteken. Voor Vergeer is dat van het goede te veel: de bundel met al die vraagtekens erin heeft hem even aan het schrikken gebracht: zoiets kan en mag blijkbaar niet.

Ik kan hem voor een deel volgen. Deze bundel van Duinker (hoezeer ik ook van zijn werk hou) heeft mij ook niet kunnen bekoren. Zij het op andere gronden dan deze van Vergeer. Wat Vergeer in zijn intro schrijft, is voor mij dan weer te veel van het goede. Ik ben het roerend met Vergeer on-eens.

Het lijkt wel alsof Vergeer zich in deze paragraaf op een stellingoorlog voorbereidt. Hij dekt zich meteen in met een uitspraak van een van onze groten: Cees Nooteboom. Hoe en in welke context Nooteboom deze uitspraak heeft gemaakt weet ik niet. Ik hoop dat die als een persoonlijk poëticaal standpunt van Nooteboom is te interpreteren. Zo niet betreft het een bijzonder apodictisch statement – door Vergeer meteen als wapen, slogan en dogma geponeerd.

Waarmee het woord van één van onze groten tot autoritaire Wet wordt: gedichten tolereren geen vraagtekens – of het zijn maar halve gedichten. Waarmee alle mogelijke nuanceringen once and for all worden uitgesloten. (Probeer dat maar eens maatschappelijk te vertalen: waar komen we dan uit, denkt u?)

Vergeers argument is dat vragen zich altijd aan het veilige midden zouden houden. (Let op het woord ‘altijd’- ik vind dit wel gevaarlijk eenzijdig en absoluut klinken. Uitzonderingen worden hiermee – net als de nuanceringen van daarnet – ontoelaatbaar en onaanvaardbaar geacht.) Wat duidt dat ‘veilige midden‘ aan? Een plek waar het volgens Vergeer, ‘altijd’ twee of meer kanten op kan. Een plek waar veel openblijft: een schemerzone dus. Ik ken er die zo’n vage openheid nooit als ‘veilig’ zullen ervaren en het nooit als een midden zullen omschrijven. Eerder als een mistige plek kantje boord een afgrond.

Ik zou dus met evenveel bravoure en vrijblijvendheid als Vergeer kunnen stellen dat vragen ons nu net van het ‘veilige midden’ afhouden. Want dat ‘veilige midden’ zou wel eens één van onze vele verkeerde inschattingen kunnen zijn. Vragen kunnen illusies doorbreken: ook deze van de poëzie.

Wie bepaalt wat het terrein van de poëzie is? Wie weet te zeggen dat dit en dat, zus en zo specifiek en exclusief tot het domein van de poëzie behoort en al de rest niet? Waarom zou poëzie zichzelf niet in vraag mogen stellen?

Elke dichter bakent zijn terrein met een eigen poëtica af. Het is niet aan Nooteboom (hoe groot hij ook is) of Vergeer (die op een renommee als recensent kan rekenen) om dat te bepalen. Poëzie heeft geen nood aan juristen Als Nootebooms woord wet zou zijn, dan meet Vergeer zich de houding van een openbare aanklager aan.

Welke terreinen en domeinen mogen gedichten met Vergeers goddelijk goedvinden beheren? Volgens hem werken gedichten effectief als ze ‘dingen beweren’. Gedichten moeten de lezer direct raken, verbazen, ontroeren en hem of haar in vertwijfeling achterlaten.

Vertwijfeling? Alsof vragen dat niet zouden kunnen – ze kunnen trouwens niets anders: het is in hoofdzaak hun taak, kwaad en nut. Er zijn vragen die beroeren, ons direct in ons diepste kernen kunnen raken: als dat niet effectief is.

Wat ik in de aanklacht van Vergeer mis, is de kritische reflectie. Want dat kunnen vragen toch uitlokken: ze kunnen aanzetten tot nadenken. Waarom zou poëzie niet reflexief mogen zijn?

Ik ga meer voor gedichten die vragen stellen dan voor gedichten die ‘dingen beweren’ – het gedicht mag wel eens stilgelegd worden. Het gedicht mag wel zich eens wel de vraag laten stellen waar het aan toe is.

In mijn poëtica moeten gedichten geen ‘dingen beweren’. Maar dingen ‘bezweren’. Gedichten stellen ons in al hun taligheid iets voor. ‘Voorstellen’ in alle mogelijke betekenissen van het woord. ‘Beweren’ laat ik liever aan openbare aanklagers over. Niet aan gedichten.

Uiteraard mag Vergeer best eigen voorkeuren hebben. In het besef dat het maar een voorkeur blijft. Hier spreekt hij vanuit het voor mij irritante standpunt van ’het grote gelijk’. Vanuit de veralgemening. Vanuit een vooringenomenheid. Deze intro laat meteen een verdict horen: Duinker was bij voorbaat kansloos. Deze recensie is geen literaire kritiek maar een rechterlijke dwaling.

Vragen behoeden ons ervoor om zomaar wat dingen te beweren. Inderdaad, vragen remmen af. Zoals gesuggereerd: ze tasten het lyrische élan aan. Ze stellen zich snedig op. Maar kan er van daaruit niet een andere dynamiek ontstaan die het gedicht weer in de startblokken brengt? Een vraagteken is geen eindpunt maar een beginpunt. Zeg maar: een vertrekpunt.

En als vragen afschrikken is dat niet omdat ze vaak meer te zeggen hebben dan antwoorden die uitblijven?

Ik weet het: éénieder is vrij om te schrijven wat hij wil. Niemand wil ik een mening onthouden. Maar flagrante onzin moeten we te lijf gaan.

Ik beschouw Vergeer als een deskundig recensent maar deze slip of the tongue kon ik niet zomaar aan mij laten voorbijgaan. Hier ‘beweert’ hij maar wat loze dingen, slaat de bal mis, gaat uit de bocht en plaatst geen vraagtekens bij wat hij beweert. I rest in my case.


© Alain Delmotte


woensdag 29 mei 2019

Werkwoord - Bert Struyvé

negeer de aanzuigende werking van water
breek een golfbeweging met de scherpte van stenen
vierendeel stadspanden met schuimende koppen

voer tuinvogels voor het vestigingsklimaat
overvraag en vermijd de vraag naar een waarom
zigzag om een hoefijzer te ontwijken

beitel initialen nog nat in de oksels
ontvriend bomen die huidzweet gaan vertonen
hevel kuddegedrag over naar robotklonen

gezegend zijt gij..

kan jij de Heilige Antonius misschien vragen
waar je vruchtwater kunt vinden
om werkwoorden op voorhand te verdunnen?

de bijsluiter bij een werkwoord werkt niet, uitroepteken


© Bert Struyvé


dinsdag 28 mei 2019

Ik Vertrek - Bert Struyvé

Ik Vertrek *


Ver weg staren ze naar een plastic tafelkleed, een mobieltje
doorbreekt het dalmatiërpatroon van weerstippen.
Nergens hoogglans, geen scherf kan het licht breken.
Ze harken brood uit meegenomen kruimels. Behoedzaam

begint het wachten, ze horen de ringtoon, verstaan het niet
en dan ˂toch nog onverwacht˃ vallen alle steunbalken.

Het fundament breekt, het hoofd van de tafel kiest
in een reflex de verkeerde taal, zijn blik gericht op het raam
waar natte sneeuw een eigen weg zoekt.

En wij,
wij hebben alvast een serie hagelstenen voorbereid,
een serie die we nog even met rode konen in onze wintervuist houden.
De anonieme soldaat. Pas na de intro twitteren wij
een salvo en stenigen het gouden kalf.

Ver weg wenkt eveneens een tv, zwart met kamerantenne.
Ja, ik vertrek komt nu héél dichtbij.


© Bert Struyvé


* tv-programma


maandag 27 mei 2019

De einder - Bert Struyvé

De einder *


ooit stroomden de brede rivieren traag
door laag rivierland met ijle populieren
het had een doel, het gaf de einder aan

zij knipten kapsels als omgekeerde pannen
bewaarden landwegen tussen landerijen
zij plantten klassieke bomen vol met klompen
begroeven de zon in mistige dampen
en nog nergens een granaatappelboomgaard

nu twitter jij in termen van straatmeubilair
kiest cyberafkortingen bij gebrek aan woorden
dekt shinen af met Instagram en verdrinkt
in het algoritme van de zee in Google Earth

zij vochten met water en bleven staan, jij vindt
de einder sowieso te dichtbij maar het bord
EINDE HORIZON misschien weer té analoog


© Bert Struyvé


* vrij naar Herinnering aan Holland – H. Marsman 1936


zaterdag 25 mei 2019

Iedereen Dichter in Oostkerke





















Uitnodiging:
Op zoek naar de poëzie van de Westhoek
Iedereen dichter!

Zaterdag 1 juni 2019
Workshop: Schrijf je eigen gedicht!
Laat je inspireren door het poëtische dorp Oostkerke en schrijf samen met schrijfster Astrid Haerens je eigen gedicht!
Ervaring is niet nodig.
OC Volcraven, 15 uur, gratis

Met medewerking van Hugo Verstraeten, redacteur van De Schaal van Digther. Zoals bekend is Oostkerke ook de thuisbasis van Digther!

Je kunt Astrid Haerens volgen via www.iedereendichter.be. Check waar ze nog passeert!

Iedereen Dichter is een initiatief van Achthoek, het cultureel samenwerkingsverband in het noorden van de Westhoek: Nieuwpoort, De Panne, Houthulst,Veurne, Diksmuide, Alveringem, Koksijde en Lo-Reninge. In samenwerking met Poëziecentrum Gent.

Astrid Haerens was deze week nog in het nieuws dankzij "Dit is voor mijn lichaam", haar fijne nachtelijke plakactie met gedichten ten strijde tegen seksueel geweld. Dit in samenwerking met de "Partij voor de Poëzie".
Lees daarover hier het VRT-bericht.

Extern:  
Bericht op Poëzie Centraal
Astrid dicht de kloof met poëzie en houdt halt in Diksmuide.

'Dit is voor mijn lichaam' © Astrid Haerens