dinsdag 31 maart 2026

Inleiding op 'Lagen van glas' - Alain Delmotte

Glas is een bron van scherven

Op zaterdag 21 maart 2026 stelde Digther-redacteur Daniël Franck in het Gentse Paulushuis met 'Lagen van Glas' zijn nieuwe dichtbundel voor. Alain Delmotte (eveneens Digther-redacteur) was inleider van dienst. Zijn integrale inleiding lees je in het bericht hieronder. 

Dames en heren, vandaag, op de werelddag van de poëzie, verschijnt na een stilzwijgen van 30 jaar een nieuwe bundel van Daniël Franck. Aangezien Daniël van zijn vroegere bundels afstand lijkt te nemen, is ‘Lagen van glas’ een vernieuwd debuut. Ik weet van Daniël weinig af. Ik heb alleen zijn gedichten voorhanden. Mijn lectuur vertrekt vanuit een wit blad. Hetzelfde witte blad waarop gedichten hun aanvang nemen. Dichter en lezer vertrekken vanuit dezelfde positionering.

Er staan in de bundel twee gedichten waarin het ‘wit’ (een essentieel stijlmiddel voor de poëzie) wordt geëvoceerd. In het eerste gedicht wordt het wit voorgesteld als ’een zee van verhalen/voor er talen waren’. Alsof het wit de prenatale staat van de taal is. En laat ik hier meteen ook signaleren dat het motief van de zee in de bundel sterk aanwezig is. De zee en de daaraan verwante woordvelden: getijden, water, rivieren, meer, kust, strand, vloed. Opvallend daarbij is dat het element ‘water’ niet altijd als positief wordt ervaren. Het water biedt geen solide consistentie: ‘stap het water in en je verliest houvast’.

In het tweede gedicht bevindt het wit zich, voor de dichter, ‘midden in ons’. Daar waar ‘bestaansrecht, ongerepte lichamelijkheid’ verborgen ligt. Het wit verkrijgt de status van een ‘zijnstoestand’. Die uitspraken over het wit hebben hun repercussies binnen het geheel.

Laten we de buitenkant van de bundel bekijken. De inhoudstafel geeft aan dat de bundel bestaat uit een introgedicht en vier cycli: met name ‘De getijden’,  ‘Scherven’ (bestaande uit een gedichtenreeks van 11 gedichten en één los gedicht), ‘hoe bij leven afscheid te nemen’ en ‘tot stof’.

Het introgedicht kreeg als titel ‘nulpunt’ mee. Het laatste gedicht uit de bundel heet ‘eindpunt’. De bundel legt een traject af, volgt een neerwaartse beweging die me van onder meer existentiële aard lijkt: van geboorte tot dood. Er wordt gaandeweg afscheid genomen: ‘Afscheid is dat ding dat met stenen verzwaard neerzinkt in het meer.’ Het draagt ook iets spiritueels in zich. Ik kom er op terug.

De laatste regel van ‘eindpunt’ luidt: ‘het slotakkoord dat zich om mij sluit’. Het eindpunt als een dood punt. Het introgedicht vertelt ons iets over hoe de dichter de taal ervaart: ‘Ik lig in mijn taal als in een naakt lichaam’.  Resoneren hier de regels van Van Ostaijen mee: ‘ik wil naakt zijn en beginnen’? Het deed mij denken aan een uitspraak van de controversiële, Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Volgens hem zouden we tweemaal geboren zijn: de eerste keer is dat onze biologische geboorte, de tweede keer is dat de geboorte in de taal en/of de geboorte van de taal in ons. In het geval van de dichter valt die geboorte als een miskraam uit. De taal lijkt hem te veel voorgezegd. Ze zit krachteloos vast in een ‘rudimentaire ritmiek’. Die taal is niet zijn taal. Een door de dichter hopeloos genoemde positie.

Dit is een constante in heel wat poëzie. Het is misschien één van de kernen van de poëzie: het onbehagen in en van de taal, de ontoereikendheid, het voortdurende echec. (Vandaar dat prenatale wit dat soms meer betekenis in zich kan dragen dan de taal zelf).

Van dit motief vond ik in de bundel een aantal sporen terug. Vier citaten.

‘Ik zoek letters
om mijn onkunde mee te bekleden’    

‘ Woorden zijn wolken.
Eer je ze aan kunt raken muteren ze’

‘ik kon geen woorden vinden voor de wereld’ 

de woorden willen niet mee’

‘Filosofen meanderen zich naar een uitspraak.
Zelf kon ik niet verder dan een positie
en de onderwerping eraan.’

Voor de dichter is daar maar één ding tegen te doen: hij gaat op zoek naar een eigen taal, naar een  andere taal binnen de conventionele taal. Het impliceert dat hij zich in een soms zeer afwijkende taal uitdrukt, een taal vanuit een psychofysische constitutie gerijpt, een soort lichaamstaal.

De taal van Daniël Franck is een heel aparte, hoekige, soms vreemde al dan niet associatieve sprongen makende taal waarin de dichter zich compact en verdicht te kennen heeft. Het is een taal in het verweer, een taal die zich beschut. (Of hiermee het daarnet opgemerkte onbehagen is verdwenen, durf ik te betwijfelen.)

Poëzie is iets wat je moet herlezen. We hebben namelijk de neiging om in een gedicht naar een omlijnd verhaal te zoeken. Dit wil zeggen: we zoeken naar eenduidigheid. Bij deze bundel is dat geenszins het geval: meerduidigheid is er troef.

Hoe herlees je dan poëzie? Door het spoor van de woorden te volgen. Laten we de weg van de woorden uit de titel volgen. Zoals die titel suggereert, zijn er verschillende ‘Lagen’ te ontdekken in deze gedichten. Het woord komen we aantal keren in de bundel tegen: ‘kleilagen vallen van mij af’- ‘Diep onder de laklaag van de aarde’ – Jacob (de bijbelse figuur) ‘trekt de dag als een laklaag over zijn gezicht’. Hieruit blijkt dat de dag een laklaag van de tijd is. Die laklaag bevindt zich onder de grond, onder kleilagen, onder ‘bodemlagen’ zoals die in het gedicht ‘Archeologie’ genoemd worden. De lagen moeten bij lectuur worden opgegraven. Zou dit een metafoor zou kunnen zijn voor onze psyche waarin allerlei lagen vanuit een persoonlijk ervaren tijd werkzaam zijn? Onze psyche brengt onze ‘getijden’ in beeld. Onze herinneringen, trauma’s, verlangens. Alles wat zijn tijd heeft gehad. Ik zinspeel op de titel van een gedicht. Waarvan hier de eerte strofe:

Hebben we de tijd gehad tussen heden en verleden 
bestendigheid na te streven of lieten we onszelf na
als een donkere veeg op het gordijn? Wat we zien
bij het vertrekken komt altijd op het moment 
van het onherstelbare, het houvast dat ons ontglipt
terwijl we slaperig in samen liepen te dwalen.

Ik stel vast dat die ‘lagen’ tegen elkaar aanbotsen. Ze hebben geen lineair verloop. Ze lopen uit op een warrig kluwen.

Het woord ‘glas’ komt in de bundel slechts tweemaal voor. Ik zocht naar definities voor het woord ‘glas’. Op het internet vond ik in een puzzelwoordenboek waarin een prachtige omschrijving. Glas wordt ‘een bron van scherven’ genoemd. Van het doorzichtige glas blijven slechts in deze bundel de verspreide scherven over.

De woorden ‘scherf’ en scherven’ komen regelmatig terug. Een gedichtenreeks kreeg de titel ‘scherven’mee. Die scherven worden in de reeks als ‘Vertakkingen, spinsels, vlechtwerk’ beschreven. Ze vormen ‘grafische lijnen’ die, naar de dichter schrijft, ‘vertrouwen inboezemen’ en een toestand creeëren ‘om aan vast te klampen’. Opnieuw die nood aan solide consistentie.

Al lezend kunnen we dit alles ‘scherf na scherf bot na bot’ proberen op te graven. Opgraven wat ‘de kaken van de tijd hebben vermalen’. Het is duidelijk dat ondergronds al dan niet persoonlijke herinneringen opwellen. Het zijn wel eens pijnlijke herinneringen. ‘Herinneringen bijten zich vast in spijt’. ‘In het lange vergeten heb ik mij nooit bekwaamd’.

Het is natuurlijk niet de bedoeling om hier de hele bundel op die manier verder te ontsluiten. Het is daarvoor niet het moment. Een aantal zaken zijn overigens niet te ontsluiten. Een versregel stelt dat er ‘sleutels (zijn) waaraan het slot blijft ontbreken’.

Een aantal zaken hebben me geïntrigeerd. Onder meer de vaststelling dat er in deze verzameling een soort bestiarium verscholen zit. Ik telde er een twintigtal: van de kleine mier tot het imposante edelhert. Ze lijken alweer een vast element in de wereld aan te bieden: ‘ik zal blijven/voorbijgaan en niet zoals de ganzen in het veld jaar na jaar verrijzen’.

Eén van centrale patronen in de bundel zijn een ik, een je, een we. De ik en de je zijn een liefdespaar. Al rijst er een moeilijkheid:

‘Dat wij bij de liefde niet parallel bewegen 
maar hakend klauwend stuttend ontvangend’ 

Tot een symbiose tussen de ik en de je komt het niet: 

‘Dat je beweert mij al een beetje te kennen 
maar nog nooit vroeg je mij een zintuig te leen’

Niettemin, in al hun lichamelijkheid heeft het paar nood aan elkaar. Ze zijn een schuiloord voor elkaar. Ze bieden elkaar onderkomen. Zoals in volgende regels:

‘Voorzichtig vlei ik mijn hoofd aan je buik,
hoog boven me de horizon van je hart en borsten,
van mijn onderkomen het dak,
schuilplek van een verblindende zomer’

Het paar modelleert zich een binnenwereld die zich afsluit van een buitenwereld die als bedreigend en angstig wordt ervaren.

‘Van geen kwaad bewust 
laten wij, wanneer het donker begint 
en wij van belofte op herstel
verstoken blijven,
de rolluiken neer.’

Het motief van het beschuttende huis duikt meer dan eens op:

‘Diep gebunkerd
bedrijven we het huis’. 

Het paar blijft dus van herstel verstoken. In het gedicht ‘geen herstel’ blijkt waaruit er geen herstel mogelijk is:

‘(…) Geklonken aan elkaar janken
wij: hier schuilt vergankelijkheid.’

De gedichtenreeks ‘scherven’ lijkt ‘een kwade droom’. De ‘je’ haalt met een scherf naar haar polsen uit en staat in een bloedplas. Er volgt een vlucht naar buiten: de weg leidt door een bos, naar een zee. Na een grote vloed spoelen ze aan op een kust. Op dat stuk land ‘moeten wij beginnen’ maar er is een ‘verlatenheid, die ons blijft bezitten’. De ik loopt van de ‘je’ weg: ‘Jij velde mij stripte mij vilde mij’. Maar is het wel de ik die vertrekt? ‘Jij was het die uiteindelijk mij zou laten’. De ik vraagt zich af: ‘hoe verklaren dat ik op haar bleef wachten? Want ‘het alledaagse bleef me versplinteren’.

Wat mij aansprak in deze pregnante reeks was de vlucht, de dwaaltocht. Dit is het laatste wat ik thans ter sprake wil brengen. Ik had het in het begin over spiritualiteit. Er vallen met name verwijzingen naar het religieuze in brede zin te onderkennen. Leven wordt een heidens ritueel genoemd. Een godswonder, orakels en een meditatie worden te berde gebracht. Goden worden aangeroepen. Er is het gevecht van Jacob met de Engel. Laserstralen kruisigen een hoofd. Het ironische gedicht ‘verboden onderwerp’ brengt de machteloze ziel in beeld.

Vanwege die passussen kan ik het niet laten om in het afgelegde traject die de bundel uitlijnt, als een archetypische spirituele pelgrimage te ervaren.  Bij een pelgrimage ligt de klemtoon op het onderweg zijn: een mentale tocht ‘van uitzicht naar inzicht’ –  vanuit de nacht naar het licht. Er staat: ‘ik weet niet zeker of de richting/juist werd uitgezet. Ik zoek licht.’ - ‘de kromme routes van het licht voor één keer recht’ - ‘Zouden we in dat licht nog herbeginnen?’- ’Uit onherbergzame oorden/wordt het licht verwacht’.

De dichter ‘hangt de mystieken aan’. Wat als iemand stelt dat het wit zich midden in ons bevindt of die kleilagen van zich laat afvallen? Wat blijft er dan over? Het mystieke nulpunt: de leegte.

Wat ik bedoel is dat je in de leegte
kunt afdalen en tekens vinden
in een schaduw, in roerloosheid. 

Wat kan er van die leegte worden verwacht? De dichter is duidelijk:

‘Vormen van helderheid, ochtenden
in het leven geroepen om kwade dromen te verjagen,
het concept gevoel gevat in een lichaam
dat niet ophoudt zichzelf uit zijn constructie te willen bevrijden.’

‘Zichzelf uit zijn constructie bevrijden’. Hieruit spreekt een nood aan transcendentie. In de schaduw en in de roerloosheid van deze gedichten zijn er momenten die getuigen van transcendentie. Er kan een link gelegd worden naar het citaat van Wallace Stevens (één van de groten uit de twintigste eeuw) die vooraan de bundel staat. Een fragment uit het gedicht ’The idea of Order in Key West’. Ik citeer uit een commentaar die ik van dit gedicht vond: ‘In dat vermaarde gedicht verkent Wallace Stevens het concept van transcendentie door middel van kunst en verbeelding, waarbij de menselijke daad om orde te scheppen uit chaos de ervaring verheft boven het louter fysieke bestaan.’

In ‘lagen van glas’ lezen dergelijke, sublieme ogenblikken van transcendentie. Zoals bijvoorbeeld in volgende regels uit ‘drijvend gedicht’:

 ‘Ik blijf verlangen naar meer water om in te drijven, 
zacht deinend water dat zich lui uitstrekt,
rustig dalend zonder plan of vooruitzicht
tot alles rondom kleur krijgt, een geschenk.’

Hiermee zijn we evenwel niet op een eindpunt aangekomen. Ik heb zelfs het gevoel dat ik niet verder geraakt ben dan het nulpunt. De bundel is een blijvend herbegin. Deze rijke en taalbewuste bundel is tot in de puntjes gestructureerd. Ik liet onvermijdelijk een aantal aspecten onbesproken. Ik hoop u wel enkele handvaten voor verdere lectuur te hebben aangereikt. Ik laat verdere verkenning graag aan u over en wens u veel herleesgenot.

© Alain Delmotte


Daniël Franck, Lagen van glas, Uitgeverij P, 2026, 72 pagina's, ISBN 978-94-93534-00-1

Lees ook het bericht over de voorstelling van de bundel.



Daniël Franck signeert


Achterflap 'Lagen van glas'

zondag 29 maart 2026

Zure melk - Kira Wuck

Aangetroffen gedichten in het straatbeeld 

(en overal elders in de wereld) (37)



Als de aarde is opgebrand
hoelang duurt het dan voordat er opnieuw leven ontstaat
bossen zijn teruggegroeid

eencelligen voeten krijgen
rechtop leren staan
beschutting zoeken

misschien is er voor een lange tijd
alleen heel veel zwart
doet iemand vanaf een andere planeet
met zaklampen de sterren na


© Kira Wuck

#weesgedichten
Uit het gedicht 'Zure melk'

in de bundel 'Koeiendagen'

 

Aangetroffen op zaterdag 28/3/2026 in de Montanusstraat 
in Diksmuide - op weg naar de expo 'Revisited' in 'Montanus 5'

Alle "Aangetroffen gedichten in het straatbeeld

Kira Wuck op Instagram


donderdag 26 maart 2026

Bezoekers - Geert Barbier

Torreborre. Wanneer hij aan Fred en Marieke dacht, dook automatisch het beeld van hun hond op. Torreborre, een slome basset die rustig achter hem aansjokte. Hoe lang was dat geleden? Veertig jaar?

Zes maand lang had hij bij hen gewoond, in die oude boerderij in Koekelare. Het was zijn redding geweest, toen. Werkeloos, net uit het leger ontslagen en aan het scheiden.

En nu kwamen ze op bezoek naar Thailand. Lang, heel lang hadden ze geen contact meer gehad. Wanneer was de vriendschap afgebroken? Hij zocht vruchteloos in zijn herinneringen. Wel wist hij nog hoe ze opnieuw aansluiting vonden: hij had, op bezoek bij zijn ouders in Oostende, opgebeld en ze hadden afgesproken in het café van het Hotel du Parc.

Hij zag hen binnenkomen. Hij herkende hen meteen, maar zij hem niet. Marieke was nog wat uitgedijd, maar nu zat een blonde streep in haar kapsel die de aandacht trok, en ze droeg een kleed in gewaagde kleuren. Fred zag er nog eender uit, gewoon ouder, zoals hijzelf. Hij zwaaide, en hij zag de gezichten optrekken…

En nu kwamen ze op bezoek. Vijf dagen, dan zouden ze verder reizen naar Chiang Mai, in het Noorden.

Hij had het goed voorbereid: twee weken lang had hij gewerkt aan reisbestemmingen voor hen. Niet de klassieke toeristenplekken, nee, dat was niet hun ding. Had hij gedacht, maar nu was hij niet zo zeker. Hij had voorgesteld hen aan de luchthaven af te halen, maar ze wilden naar Kanchanaburi. De brug over de Kwai rivier, toeristische trekpleister bij uitstek.

Ooit waren ze, hij en Sue, het stadje doorgereden, na een weekend in een rivierhotel verderop. Lelijk als elk Thai provinciestadje, was het in zijn herinnering, en zo zag het ook er ook nu uit. En verbazend druk: je kon over de koppen lopen.

Hij had in hetzelfde mooie hotelletje aan de rivier twee kamers besteld, maar die had hij – gelukkig tijdig – weer moeten cancelen: ze hadden zelf al een kamer in een rivierhotel in de stad gehuurd. En nu zaten ze ergens aan “het museum”. Ze hadden op zijn aanraden wel een lokale SIM gekocht en hij had hen net gebeld. “Met Marieke. Ben jij dat, Paul?”

Ja, Paul, dat was hij. Een museum? Was hier een museum? Meer kon ze hem ook niet vertellen, maar hij en Sue zouden hen wel vinden.

Het bleek een heel karwei om hen te vinden: er waren drie musea. En plaatsen om te parkeren waren er nauwelijks. Tenslotte zag Paul hen, op een pleintje aan de rivier. Fred droeg een knalgeel T-shirt waar iets Engels op geprint was, en Marieke een lichtblauw jeanskleed. Ze waren vanmorgen na een nacht Bangkok hier gearriveerd.

Fred vroeg zich af wat ze hier wilden doen. De brug over de rivier Kwai? De rivier was mooi, zeker verderop, waar ze door een bucolisch landschap stroomde, maar hier?

De kennismaking met Sue ging wat stroef, maar dat was normaal: ze hadden haar nooit eerder ontmoet. Of wacht, toch, niet? Die keer dat ze mee naar België was gekomen een zestal jaar eerder, in die vreselijk koude oktobermaand.

Ze besloten samen iets te eten aan het pleintje waar ze mekaar vonden. Op het terras kwam net een tafel vrij, en Sue bestelde kleine hapjes.

Hoe was de reis verlopen? Ja, een lange vlucht was het, zeker als je via een tussenstop vloog. Doha? Drie uur tussentijd?  En ja, hij en Sue woonden een tweehonderd kilometer hier vandaan. Toch wel een drieënhalf uur rijden.

Fred bleek verbaasd dat ze niet in hetzelfde hotel logeerden. Even bleef het stil, nadat Paul zei dat hij eerst voor hen allemaal geboekt had in een ander hotel dat ze kenden, verder langs de rivier.

“Wist jij dat, Marieke?”

Ze knikte en keek ingespannen naar het loempiaatje tussen haar vingers. Ja, dat wist ze, maar dat hotel stond niet in de Trotter.

“In de Trotter? Wat is de Trotter?”, vroeg Paul.

Ze keek hem verwonderd aan. Nee, de Trotter kende Paul niet. Nooit van gehoord.

“Zoiets als ‘Le Guide du Routard’, maar in het Nederlands.”

Ze diepte een boek met een kleurige kaft uit haar tas. Reissuggesties door en voor reizigers. Over de reissuggesties die hij hen gestuurd had, repte ze niet. Nu niet, en ook niet in de komende dagen.

Paul voelde zich wat verongelijkt. Al die moeite voor niets?  Hij knabbelde nadenkend op de viskoekjes die minder scherp smaakten dan gewoonlijk. Hij had uiteindelijk een B&B geboekt even buiten de stad.

Voor twee jaar waren Fred en Marieke gedurende zes maanden door Zuid-Amerika gereisd. Paul had de regelmatige verslagen gelezen, maar nu vroeg hij zich af: waren die ook met de Trotter uitgestippeld?

Ze praatten over de kinderen, maar dat waren verre schaduwen. Zelf had hij twee zoons, zij drie zoons en een dochter. Een van hun zoons was met een Mexicaanse getrouwd en woonde ginder, tegen Vera Cruz. Wout, zo heette ie, hoe kon hij het vergeten? Maar ook de andere namen schoten hem niet meteen te binnen, enkel die van de dochter, Luce. Ook al drie kinderen? Wat ging het snel! Hijzelf had nog maar twee kleinkinderen, twee meisjes. En zij tien!

Na het eten namen hij en Sue hen mee buiten de stad en gingen wandelen langs de rivier, op een wegje zonder toeristen. Ze passeerden een gammele, half-verroeste brug over de rivier. Sommige planken ontbraken en beneden zag je het modderkleurige water in snelle kolken voorbijstromen, in het midden onderbroken door glanzende, witte strepen. Fred sprong er onverwacht op. Hij zette enkele wankele stappen en draaide zich ineens met een dramatisch gebaar om. Marieke lachte en nam enkele foto’s, maar Paul en Sue waren danig geschrokken.

Ineens vloog voor hen uit een prachtige blauwe vogel op. Paul herkende hem uit zijn boek over vogels in Zuidoost-Azië: een Indian roller. Hij keerde zich om naar hun gasten, en zag hoe Fred een kleinere uitgave van hetzelfde boek doorbladerde.

“Ook vogelliefhebber?” vroeg Paul. Fred toonde hem zijn exemplaar, dat enkel over vogels in Thailand ging. Hij had het op de luchthaven gekocht.

Toen de zon schitterend begon neer te dalen over de bergen die de grens met Myanmar vormen, keerden ze naar de stad terug. Ze aten samen in het hotel van Fred en Marieke. Niet slecht, maar toeristenkost. Pad Thai, Pad Kappa, Tom Yam in verschillende versies. Soms viel een stilte. De draad terug opnemen was minder eenvoudig dan gedacht.

Ze moesten ook nog naar hun B&B, en dat was ingewikkelder dan verwacht. Toen ze de kamer zag, vroeg Sue waarom hij niet in hun vorig hotel aan de rivier geboekt had. Dat vroeg hij zich nu ook af. Een grote ongezellige ruimte met drie vermoeide bedden, en de elektriciteit viel uit terwijl ze een minimum uitpakten.

---

De volgende morgen reed Sue, met hun gasten achter in de Yaris geperst, in een ruk dezelfde weg die ze gekomen waren. Op de radio speelde luide Isaanse tjingel-tjangelmuziek. Paul zag hen in de achteruitkijkspiegel bedenkelijk naar elkaar kijken. Ook niet zijn ding, maar wel authentiek. Ze stopte in een stadje dat hij niet kende, Rim Nam, aan een oude Chinese markt waar ze lekker voor middag aten. Marieke zocht het in de Trotter maar het stond er niet in.

Thuis gingen ze zich opfrissen in de badkamer naast de logeerkamer, en Fred kwam zich installeren op het terras. Hij begon geconcentreerd op een tablet te tokkelen. Was dat het dag verslag? Vreemd, hij had niets gevraagd over Thailand, dus die verslagen waren puur impressionisme?

De rest van de dag gingen ze de omgeving verkennen. Het was een mooie februaridag met een lichte wind. Op een veld zat een aantal Indische kieviten luid te snateren. Paul had gezien dat Fred zijn boekje bijhad, en liet hem de naam opzoeken.

“Ze gedragen zich inderdaad als kieviten”, zei Fred.

Sue had geen zin om nog ver te rijden, dus bleven ze eten in de buurt. Op een klein voetbalveldje stonden wat haastig opgetrokken barakken. Verlichting was er nauwelijks. Het was beslist authentiek: een mengsel van groenten, kruiden en vlees in bladeren gerold. Paul was van plan geweest hen het echte, niet toeristische Thailand te tonen, en hoe de mensen er leefden en werkten, met nog een markt erbij, maar nu wist hij niet meer of dat een goed idee was. God wist wat er in die aanbeden Trotter stond?

Na het eten dronken ze nog een glas wijn samen. Wijn was wat problematisch: Thaise wijn was niet te drinken en heel zwaar, en lokaal was er maar een winkel die wijn verkocht, de 7/11. Hier had hij de twee voorradige flessen en nog wat brikken witte wijn gekocht. Op goed geluk, want hij dronk meestal San Miguel bier.

Sue was moe en wilde naar bed, terwijl de gasten nog even wilden blijven nakaarten. Paul zei Sue dat hij snel zou komen. Het gesprek ging over vroeger. Haperend, want er waren zoveel lacunes. Langs beide kanten. Paul had Margriet leren kennen in Leuven, waar ze pers en communicatie deed. Fred had op hetzelfde college gezeten als hij, maar een jaar lager. Of niet? Kende hij hem al voor hij naar Leuven ging? Totaal blank.

Toen hij binnenging kwam Sue net uit de douche, en ze haalde haar schouders op toen hij vroeg wat ze vond.

“Met mij spreken ze niet.”

Dat moest hij toegeven. Ze deden alsof ze er niet was.

---

De tweede dag, een dinsdag, verliep zoals hij gepland had: ze reden langs schilderachtige kanaaltjes naar een oudhedenmuseum in een slaperig dorp (niet in de Trotter), en van daar staken ze door naar een natuurpark, met grotten die in de bronstijd bewoond werden en een klein museum met aardewerk (jakkes, weer niet!).

Daarna leidde Paul hen naar een wandelweg langs enkele boeddhistische tempels waar hij graag kwam wegens de verrassend verscheiden vogelpopulatie. Veel soorten ijsvogels, mynahs, een cougal en twee koëls. En weer waren de Indische kieviten van de partij, schreeuwend en fladderend achter een eenzame tractor aan.

’s Avonds kookte Sue voor hen. Marieke en Fred hadden het over hun werk. Als ambtenaren hadden zij elk jaar veertig dagen vakantie. Hoeveel Paul er had, vroegen ze niet, en hij zei het ook niet. Vijftien dagen had hij er, en daarvan had hij er zeven opgenomen. Ook om wat voor te bereiden: maken dat alles in hun kamer, die nieuw aangebouwd was, in orde was. Stof afdoen. Kleine details. Sue had helemaal geen vakantie tenzij die ene sluitingsdag van haar restaurantje per week.

Ze zouden het volgende jaar op pensioen gaan, zei Marieke. Paul zei dat hij zo lang mogelijk aan het werk wilde blijven. Deels voor het geld, maar ook voor het plezier aan zijn job.

"Dat mogen wij als ambtenaren niet ", zei Fred.

Daar wist Paul geen antwoord op. Intussen waren de flessen wijn op, en ze hadden een brik aangebroken. Fred had het gevoel dat de gasten de wijn graag naar hun kamer hadden meegenomen, maar daar stond geen koelkast.

Nooit aan gedacht. Hing er een lichte wrevel in de lucht toen ze hun kamer opzochten?

---

Voor de volgende dag, woensdag, had Paul voor ’s morgens een bezoek aan de Boeddhamarkt en een Thaise massagesalon voorzien. Voor de namiddag had Sue een tweede motorfiets geleend van haar zuster, om in de gehuchten wat lokale kleur op te doen en onderweg een mooie tempel op een heuvel te bekijken.

De Boeddhamarkt lokte hen langer dan gedacht, maar Paul herinnerde zich ook zijn eerste keer: even denk je dat al die oude dingen echt zijn, terwijl hij later leerde dat 95% vals was. Goedkope namaak.

De massagesalon lag op de hoek van dezelfde markt en vloerde hen totaal: zó hard hadden ze het zich niet voorgesteld. Daarna hadden ze alleen nog zin om wat rond te lummelen en te lezen. Fred ging kreunend op zijn plekje zitten en begon ingespannen verder te schrijven. Marieke viel op de zetel in slaap. Ze gromde in haar slaap, en een zilverkleurige slijmdraad zocht aansluiting naar haar hals.

---

“Kunnen we misschien morgen naar Lopburi? Daar zou een mooie tempel staan volgens de Trotter”, vroeg Marieke die avond terwijl ze met veel plezier op de Pad Thai aanviel. Ze aten op een terras langs de Chao Praya rivier terwijl grote groene trossen traag voorbijdreven.

Paul keek vragend naar Sue, maar die deed alsof ze de vraag niet gehoord had. Ze kenden uiteraard die “mooie” tempel. Een zwart geworden ruïne uit de tijd dat het Khmer rijk diep tot in Thailand reikte, midden op een druk bereden plein. Er hokken half-wilde apen en vleermuizen in, dus moet je uitkijken voor stront uit twee richtingen. Waarom die tempel in alle toeristenboekjes staat, is Paul een raadsel want Lopburi heeft echt mooiere dingen te bieden.

Hij zag dat Sue verstoord naar de rivier keek. Zij was de enige chauffeur, en de dag erna gingen ze naar Kamphaeng Phet, tweehonderd kilometer richting Noord-Thailand, vanwaar Fred en Marieke gingen voortreizen naar Chiang Mai. Lopburi was honderd kilometer in de andere richting.

---

In Lopburi lieten ze hun gasten de tempel bezoeken, terwijl zij bedrukt een koffie dronken in een wat verlopen koffiebar. Daarna wandelden ze naar het Provinciaal Museum – een van de best georganiseerde met goede Engelse uitleg. Hier verdween Sue: die wilde haar eigen ding gaan doen.

Die avond zei Fred de ze niet geweten hadden dat Paul schilderde. Hij was vijftien jaar eerder begonnen dankzij een cadeautje van zijn zoons en hun moeder.

“Ik was altijd al van plan om luchten te leren schilderen wanneer ik op pensioen ging. Voor mijn vijftigste verjaardag kreeg ik een reeks van tien lessen en een ezel cadeau. Zo is het begonnen.”

“Bij ons thuis hing een schilderij van een miskende Vlaamse impressionist”, zei Fred. Daarna volgde een uitgebreide beschrijving van het herenhuis waar hij was opgegroeid. Over Pauls schilderijen werd verder met geen woord gerept. Waren die zo slecht? Even had hij eraan gedacht hen er eentje meet te geven, maar dat had nog drie weken in de rugzak voor de boeg. Nu besloot hij er over te zwijgen. Onderwerp afgesloten.

---

De laatste avond in Khampaeng Phet nodigden Paul en Sue hun gasten uit voor een dinertje in een restaurant buiten de oude stadswallen. Het viel mee: het eten was lekker, Fred kon zich inleven in de live Thaise folk, en iedereen ging met een voldaan gevoel terug naar de B&B waar ze logeerden.

De volgende morgen zetten ze hen af aan het busstation en zwaaiden hen uit. Sue zette in de auto een gemaakt ernstig gezicht en trok een wenkbrauw op. Paul moest lachen, want ze imiteerde perfect Fred. Ze proestten het allebei uit.

Uit het volgend reisverslag bleek dat ze in een hotelletje ver van het centrum van Chiang Mai waren beland. Op aanwijzen van de Trotter.

© Geert Barbier

Bron: Geert Barbier op Facebook



maandag 23 maart 2026

Movement of the people - Eric Vandenwyngaerden

Movement of the people

denkend aan Gaza

Puinpad

Zo vergaan ons de dagen, de weken en jaren:

de blik op oneindig. De komende uren opnieuw 
op de vlucht voor een strijd die voor altijd herinnerd
zal blijven. Die een leegte nalaat en verwenst wordt.

Aan de rand van de stad zien we mensen verschijnen.
Ze houden halt, en nemen een foto. Ze laten een doorgang.

We zullen mekaar maar vluchtig begroeten. Bedenkend
hoe vogels en bomen, hoe bloesems het volgend seizoen
– en ook wij – zullen zijn. Hoe we morgen …

We vervolgen het puinpad waar we waren gebleven 
en torsen een leegte op onze schouders.

Er is honger die leeft tussen ons.


© Eric Vandenwyngaerden


Onuitgesproken                         

Wat niet verteld werd over onze angsten,
ons verdriet. We hadden niet de kracht,
maar gingen door en kropen weg.

Hoe we de dagen telden dat we niet. 
De uren die. Onuitgesproken woorden van.
De nachten dat we eenzaam lagen in.

Met over onze hoofden heen de wereld
die aan brokken viel. En toch zeg ik:
mijn liefste lief, ik ben er nog, ik schrijf.

Ik schrijf wat over dit: wat over ons.
Onuitgesproken ons –

© Eric Vandenwyngaerden

 

Zullen we

Zullen we dus maar blijven, het leven nemen
zoals het komt? En zeker niet over huidhonger
spreken?

Denk je echt dat dát ons aan de waggel zal
houden? Kom wat dichter. Laten we over
de drempel springen – kom!


Kan zoiets wel? Staan we niet te gammel in
onze schoenen? Zijn we niet te bang?

Moeten we onze dagen dan verder laten kleuren
in sepia, woestijnzandrood of die andere
tinten van duisternis en dood? Nee toch?


Ik weet het niet. Zullen we eerst nog een sahlab
drinken? … Zeg iets – toe, zeg iets!

Zouden we niet beter een liedje zingen?

© Eric Vandenwyngaerden


Schuilplaats


Er wordt geklopt –

Op de wereld woont een kind in het licht.
Een ander schuilt in het duister. Het zit daar.
Het ademt en leeft in de stilte.

Er zijn vele uren. Er zijn dagen van angst,
en ook van pijn, van oorlog en honger
– die altijd nabij is, en knagend.

Je ziet en aanziet het. Je voelt het. Je schrijft,
en het kind verblijft in je woorden. Maar alles
eromheen ligt aan scherven.

Er wordt nadrukkelijk geklopt nu. Er is haast.
Het is er.
Laat het kind nu maar binnen.

© Eric Vandenwyngaerden


Het is heet


We zetten de deuren open en leven op
zuchten van wind. Een raam slaat dicht.
De hond schrikt op uit zijn dromen.

Bij de overbuur in de tuin jubelen
de kinderen. Plezier stuitert van
de trampoline – het is hoogzomer.

Ergens vallen pakken uit de lucht
naar beneden. Holle ogen staren naar
de hemel. Geen pop om mee te spelen.
Honger schrijft de regels in dit spel.

En thuis wakkert de wind. Er is
onweer op komst. Op de achtergrond,
in het nieuwsbericht, weerklinken schoten.
Iemand verslikt zich in een kogel.

Het is heet op alle fronten.

© Eric Vandenwyngaerden

  


zondag 22 maart 2026

Lagen van glas - de voorstelling

Paulushuis Gent: Daniël Franck verwelkomt
Exact dertig jaar (!) na zijn dichtbundel 'Sheherazade', verschenen bij Uitgeverij deBeer in 1996, is dichter, recensent, en redactielid van de Schaal van Digther, Daniël Franck helemaal terug als dichter!

Gisteren 22/3/2026 stelde hij in het Gentse Paulushuis zijn gloednieuwe dichtbundel ‘Lagen van glas’ voor. Alain Delmotte leidde de gedichten vakkundig in en Vrt-journaliste Ann De Bie ging in gesprek met de dichter. Muziek was er van de cellisten Annemie Clarysse en Johan Van Heghe en uitgever Leo Peeraer van Uitgeverij P (door Daniël geheel en al terecht "de zuurstoftank van de Vlaamse poëzie" genoemd) overhandigde de eerste exemplaren.

We komen hier in deze kolommen zeker nog terug op 'Lagen van glas'. Dat doen we met o.a. het vrijgeven van de inleidende tekst van Alain Delmotte. In bijlage alvast een reeks foto’s.

Meer foto's vindt u op de Facebook-bladzijde van De Schaal van Digther.


Dertig jaar later!

Leo Peeraer overhandigt ex. aan
Ann De bie

Daniël Franck in gesprek


Alain Delmotte

Cellisten Johan Van Heghe en Annemie
Clarysse



vrijdag 20 maart 2026

De schommel - Philip Hoorne

De schommel 


Ik kijk door het raam. Je voeten raken de aarde 
net niet. Je wenkt me. Ik weet wat dat betekent, 
veeg mijn handen droog en loop de tuin in.
Ik duw je elke dag een beetje hoger.

Hoe vaak heb ik niet gedacht: ooit zwiep je 
op eigen kracht. Tot die dag kwam en ik woest
die nutteloze schommel uit de boom 
wilde rukken, wat me niet lukte.

Ik loop de tuin in, streel het plankje, 
ruik aan de plekken op de nylon touwen 
waar jij je handjes zette, ga zitten en kijk 
door het keukenraam naar mezelf. 

Ik wenk me met mijn ogen, maar niet ik ben het 
die op me af komt lopen. Balancerend op dat 
smalle stuk hout voel ik hoe je me omhoog trekt, 
dan loslaat en duwt, duwt, almaar hoger. 

© Philip Hoorne 

Met het gedicht 'De schommel' won Philip Hoorne de wedstrijd 'Gedichten om te koesteren'.

Verzacht met je woorden de pijn van ouders die een kind verloren, dat was de oproep voor de tiende editie van de wedstrijd 'Gedichten om te koesteren'. 

De vakjury bestond uit uit Christophe Vekeman, Uus Knops, Daniel Billiet, Pieter Deknudt (Reveil) en Jonas Bruyneel.

Andere gedichten die werden geprimeerd zijn van de hand van Sanne Goetschalckx, Janet Kleiberg, Julie Mistiaen, Chantal Kuipers en Griet Lemmens. 

Alle info lees je via deze Azerty-link. 

Copy illustratie: © Sassafras De Bruyn voor Azertyfactor.


© Sassafras De Bruyn voor Azertyfactor



donderdag 19 maart 2026

Dertien bedenkingen bij het leven van Tony Rombouts door Hendrik Carette

Hendrik Carette kijkt terug op het rijke leven van Tony Rombouts (Hoboken 7/2/1941 - Wilrijk 8/3/2026) 

1. Zijn vader zei: zorg dat je in het leven een hoed mag dragen. En geloof mij vrij zijn hele leven heeft Tony deze wijze vaderlijke raad gerespecteerd.

2. Tony heeft gestudeerd in Lier aan de Normaalschool want wat moet een jonge dichter anders doen in het rustige stadje Lier?

3. De mooiste dichtbundel van Tony was ongetwjfeld Les demoiselles de la mer van 1975 met illustraties van Eddy Ausloos en is eigenlijk een prachtige parodie op het kleinburgerlijke leven op en vooral rond de paardenrenbaan Wellington in de badstad Oostende. In een subliem-sardonische stijl, tussen ironie en sarcasme. 

4. Tony werd al bij al geen poète maudit en geen Rozenkruiser, geen hermetisch dichter maar een rijmende rederijker.

5. Ik herinner mij ook dat Tony ooit met Maris reisde naar het jaarlijkse carnaval niet in Rio de Janeiro in Brazilië maar op de gondels en bruggen van Venetië. Misschien is dit wel het verschil tussen Patrick Conrad en Tony Rombouts.

6.
Hij was geen Pink Poet maar een White Poet zoals de witte (symbolische) walvis van Herman Melvillle. Hij was gewoon een buitengewone witte wandelaar.

7. Hij hield van mooie schokkende alliteraties die soms zijn sierlijke gedichten opsierden.   

8. Tony was ook de stichter, samensteller en uitgever van het gestencilde tijdschrift Trap(editie) dat in 1979 een bijzonder nummer wijdde aan de heel bijzondere kalligraaf, vertaler, romancier en dichter Saint-Rémy Remy; een zeeman aan hoger wal.

9. Hij was geen mandarijn en geen makelaar in de letteren en met zijn Contramine was hij bovendien ook een biblofiele en excenrieke uitgever van soms vergeten of zelfs veronachtzaamde dichters zoals o.m. Michel Bartosik, Henri-Floris Jespers, Emiel Willekens, Wilfried Adams, Joris Denoo, Jos Daelman, Jan van der Hoeven, Ben Klein, Werner Spillemaeckers, Adriaan de Roover, Adriaan Peel, Rob Goswin, Renaat Ramon, Lucienne Stassaert en uw dienaar Hendrik Carette.  

10. Tony was nooit waterachtig en ik denk dan aan een frase van James Joyce in zijn 17de episode van het vermoeiende haast onleebare boek Ulysses: “De onverenigbaarheid van waterigheid met de excentrieke originalitiet van het genie.”  

11. De vraag of Tony een Antwerpse dandy was is een overbodige of een retorische vraag: hij wilde alleszins een dandy zijn. De eenzamheid van de dandy is misschien recht evenredig met de kleine of grote tragiek van de vermomde burgerman.

12. Ik geloof dat Tony tweemaal in Finland is geweest en zelfs naar Lapland, of het land van de Sami. En misschien droomde hij van het voor de Finnen verloren Karelië. Vandaar allicht zijn liefde voor de fantastische muziek van de violist en componist Jean Sibelius. 

13. Het allermooiste dat Tony heeft gecreëerd is en blijft voor mij echter zijn dochter Iris die zich in deze tijd in Antwerpen en vooral in Parijs als een prinses en als art director beweegt.                            


© 
Hendrik Carette

Schaarbeek, 13 maart 2026

 




Afscheid van Tony

dinsdag 17 maart 2026

Verloren reiziger - Vincent Van Gelder

Verloren reiziger

Verre stem van haltes spreekt
Schaduwtrein over bloemenweide vliegt
Ogen zwaar bagage licht
Door de boemel die jou aan boord wil houden
moederlijk in slaap gewiegd 

© Vincent Van Gelder

Vincent Van Gelder tijdens "Luchtmens#1"
Foto © Edward Hoornaert