Palimpsest:
aap tussen de apen
Jef Boden over de Oekraïnse dichter die onverwacht een band met België blijkt te hebben...
Mogen we de
tijd van Vasyl Stus als een eerder onbekend dichter in onze contreien stilaan
opbergen? Enkele weken geleden veroverde hij de voorpagina van de boekenbijlage
van Le Monde naar aanleiding van Palympsestes.
600 blz. Zijn verzameld werk. Dacht ik. Na Taras Chevtchenko de nummer twee van
de Oekraïense dichters, verkondigde de achterflap van het lijvige boek. Is er
meer nodig om het werk van de man wat nauwkeuriger te verkennen?
Zijn eerste
bundel Winterbomen werd al door de
Sovjetcensuur verboden en als gevolg daarvan in 1970 in België in het Oekraïens
gedrukt en zo uitgegeven. De oorsprong van Winterbomen
is te vinden in een winterse wandeling met zijn geliefde Valia. De rijm op de
naakte bomen deden hem opmerken dat poëzie zo hoort te zijn: vrij van ieder
omhulsel, vrij van alle stof van het dagelijkse leven en vrij van het slijk van
toevalligheden. Slechts de kern wil hij: de menselijke ervaring van ieder
ogenblik dat een man in deze wereld is overkomen.
In 1968
voltooide hij een eerste versie van de bundel. Een uitgever nam die prompt op
in de uitgaveplanning. Na een lezersbrief van Stus aan de Oekraïense
schrijversbond verdween de bundel evenwel uit de lijst. Daardoor kregen
gedichten tijd om te groeien en de nieuwe selectie vond dus een alternatieve
weg. Zijn nuchterheid, zijn passie en
het boven alles plaatsen van vaderland en waardigheid deden hem in zijn
binnenste al beseffen dat de gevangenispoort voor hem openstond. Het verwijt
van een publicatie in een vijandig land sprak hij bij de onderzoeksrechter
tegen door te stellen dat het zonder zijn toestemming gebeurde en dat de bundel
had moeten gepubliceerd worden bij de uitgever van de Sovjet-schrijvers.
Je kan de censoren veel verwijten naar het hoofd slingeren, niet de gedachte dat hun begrijpend lezen niet op peil zou zijn. Dit gedicht stond in die bundel. Laat je door de aap verrassen, of hap naar adem.
Zo leef ik, aap tussen de apen,
Mijn zondige voorhoofd getekend door smart,
Eindeloos beukt het tegen de harde muur;
Slaaf, hun slaaf, hun onbeduidende slaaf.
Rondom mij passeren de apen in een rij,
Een ernstige pas, zonder haast,
Woede kost minder moeite dan jezelf zijn.
Schaarpunt, hamerslag!
Oh, rechtvaardige Heer! Zwaar valt de wrok –
Niet meer dan één blind seizoen om te oordelen.
Hier beneden zijn slechts scherven van pijn,
Verspreid, ongevoelig, als kwikzilver.
Het lachen met het aapje tussen de andere exemplaren zal snel vergaan zijn als je jezelf als koning aap herkent in de dictatoriale maatschappij, of zelfs in de strafkampen. Zo over apen schrijven was voldoende om met andere dichters in 1972 tot vijf jaar strafkolonie te worden veroordeeld. De echte verrassing is niet dat zo’n straf een slag in het water was. Het haast ongelooflijke is dat Stus daar bleef schrijven en vertalen. Er mag dan veel vernietigd zijn, er is veel bewaard.
Vasyl Stus
had het allicht in de genen. Zijn overgrootvader kreeg als kind van lijfeigenen
op zeer jeugdige leeftijd een levenslange dienstplicht in het leger van de
tsaar. Werd het lijfeigenschap in 1858 door Nicolas I afgeschaft, dan ontvingen
de verlosten toch nog de omschrijving “landbouwer, eigendom van de staat”. Vanzelfsprekend
dat legerdienst voor (groot)ouders tijdens de
volgende oorlogen hun deel was.
Dialogen, de
stilte van gedichten, de duisternis, de talloze verwijzingen naar mythes,
bijbelverhalen en auteurs allerhande tonen dat zijn leven in zijn gedichten
verankerd is. Voor hem geen gecontroleerde luxe-ballingschap in Moskou of
Sint-Petersburg zoals dat auteurs in de tsarentijd kon overkomen. Dit klinkt
anders:
Voor het leven moet je
betalen:
stap in het open graf
…
Ik vecht niet voor een
verleden
dat door ongeloof is
opgevreten.
…
Een cel reikt niet tot
de hemel
De aarde zal onder de
cel verdwijnen.
Vaak duikt
in zijn poëzie een dialoog op tussen de realiteit en het gedroomde, tussen
geliefden. In talloze voetnoten legt de vertaler – dankbaar meegenomen - het
verband tussen een naam, een symbool, een plaats en de verzen van dé dichter
des vaderlands Chevtchenko. Reeds die eerste bundel blijkt een verzameling vol
verwijzingen naar het verleden. In Laatste
brief van Dovjenko klinkt het helder:
Dan, heerlijke
donderslag
Die aan de hemel zijn
schichten zaait,
Vogels van Taras, over
de Dnipro –
En de woorden van de
profeten laten de lucht klieven.
Het hoofd
buigen zat er voor deze strijder voor land en volk niet in. De nacht mag
duister zijn, wreed de realiteit, maar doorbreekt elke ellende die hem
overkomt. Wie meent dat het lijden eeuwig duurt, mag sterven. Hoe
onverdraaglijk het leven ook is, zij zullen overwinnen, de uiteindelijke
vrijheid zal hen toebehoren. Door dat in zijn gedichten te blijven herhalen,
tekende hij als het ware voor een volgend verblijf, ditmaal in het kamp Perm-36
waar hij in 1985 zal overlijden.
Kan het anders dan dat hij reeds in 1978 in een brief aan vrienden stelt: “Alles is in gereedheid gebracht opdat ik een artikel vol zelfkritiek zal schrijven… ze mijn vrijwillige zelfdoding zullen bekomen…. Om mijn naam tegen hen te beschermen: voor mij volstaat het dat enkele personen Vasyl niet in twijfel trekken.”
Er is geen Heer meer op deze aarde!
God verdraagt het niet
langer – trok zich terug –
Wil dit onmenselijke
onrecht niet langer zien,
Dit duivelse martelen,
deze wreedheden,
Afgrijselijke landen,
afschuwelijke god!
Meester van de gruwel,
aanjager van waanzinnige
Woestenij. Welke
tevredenheid kan hij voelen
Bij deze daden? In
bloedbaden,
Het vernederen, het
langzaam neerhalen
Van de hemel naar de
aarde – zodat een wereld
Zonder hemel
achterblijft. Een krankzinnig land
Waar beulen aan beulen
zijn overgeleverd.
Heer-God, in alle
ernst, je bent dood.
Zo klonk het
ook, naast spot en geloof in de toekomst. Hier beken ik dat ik me in dit
lijvige boek op dit ogenblik nog niet verder bevind dan net na die eerste
bundel. Zijn zoon noemde de volgende periode in zijn vaders schrijven “een tijd
van creativiteit” die een aanvang vond onmiddellijk na zijn eerste arrestatie.
Herinneringen dienden om een nieuwe wereld op te bouwen. Het werd zijn
“Palimpsest-periode”. De volgende 500 bladzijden van het boek liggen beloftevol
voor me.
Vasyl Stus: Palimpsestes. Poésie et lettres du Goulag,
Les Editions noir sur Blanc, 2026, ISBN 978-2-88983-195-1
Aanvullende opmerking van Jef Boden:
Vanaf september staat de dichter op een nieuw bankbiljet in Oekraïne. Mooi toch.












