Als je Nederland doormidden vouwt, valt Den Haag precies op Winterswijk. Tenminste, als je het van links naar rechts doet. Van beneden naar boven valt Maastricht in het water, ergens tussen Ameland en Schiermonnikoog. Ik verkreukel de kaart en gooi hem met een boogje in de bak, die begint de juichen – je vond het grappig om er een basketbalnet boven te hangen. Het gejuich gaat over in gekraak, gekras – een irritante hoge piep: de batterijen zijn leeg.
Het
was niet zo dat je niet meer van me hield, zei je, maar je had ruimte nodig.
Hoe lang, breed of hoog zei je er niet bij.
Op
de foto glimlach ik in een zilveren lijstje. Mijn roze jurk wappert in de wind,
mijn blonde haar glanst in de Italiaanse avondzon. Ik ben net een
Disneyprinses, zo eentje die niet loopt maar huppelt. Als ik door mijn wimpers
kijk, lijkt het alsof ik langzaam word vertekenfilmd: mijn neus verandert in
een zwart lijntje, mijn ogen zwellen op en kleuren helderblauw, mijn taille
krimpt totdat mijn middel dunner is dan mijn nek.
In
mijn hoofd stapt Doornroosje voorzichtig uit haar lijst. Haar pinken wijzen
omhoog, ze tilt haar jurk een klein stukje op. Onder de roze stof piept een wit
kanten randje tevoorschijn. Ze loopt, ze buigt, ze draait een rondje – al snel
begint ze te dansen over de oude waternetcontracten, de energierekeningen en de
aanbiedingen van je sim-only-abonnement. Doornroosje zingt, Doornroosje
is knap, Doornroosje is gelukkig.
Ik
draai de lijst om en gooi de contracten, de rekeningen en de aanbiedingen in de
papierbak, boven op de verkreukelde kaart van Nederland met cirkels om plaatsen
waar we langs zouden gaan met de camper.
Disney
is stom.
We
hadden afgesproken om niet te bellen. Even geen contact was beter, vond je.
Ik
leg mijn IPhone omgekeerd op je bureau. Het logo glanst. Het identieke
appeltjesfiguur op jouw computer glanst terug, alsof ze onderling communiceren.
Je
vertelde me dat onderzoekers van jouw afdeling mini-breintjes hebben gekweekt.
‘Die bewaren ze in zulke bakjes,’ zei je en je deed je duim en wijsvinger zo’n
tien centimeter uit elkaar. ‘Als ze die bakjes een tijdje laten staan, gaan de
breintjes contact met elkaar maken.’ Je ogen twinkelden. ‘Ze komen met elkaar
in verbinding via elektrische signalen!’ Dat laatste schreeuwde je bijna.
Ik
glimlachte en gaf je een kus.
Mijn
telefoon licht op. Ik hoop dat het jouw signaal is, dat je contact maakt, in
verbinding komt – en dat je spijt hebt, enorm veel spijt, en dat ik je dan
vergeef, en dat jij dan zegt dat ik de voordeur snel open moet doen en dat je
daar dan staat, met duizendvierendertig rode rozen: een voor elke dag dat we
samen zijn.
Het
is Sabine. Ze vraagt of het een beetje gaat. Ik klik haar bericht weg en begin
te scrollen.
Hoge
hakken, blauwe pakken, flexwerkplekken, wolkenkrabbers. Een uitgestippelde
hardlooproute. Stukjes taart. Selfies met roze lippenstift, selfies met
zonnebrillen, selfies in de lift.
Misschien
pop je zo wel op, glimlachend, met een paars-geel Instagram-rondje om je hoofd.
Er
komen alleen maar katten. Katten die dansen, katten die op hun achterpoten
lopen, katten die in gordijnen klimmen, katten die wegrennen – katten gaan meestal
niet verder dan vijftig meter van huis.
In
mijn profiel ben je er nog: we glimlachen samen in de keuken. Onder ons staan
rode hartjes en verliefde smileys – Maaike en tweeëndertig anderen vinden ons
leuk.
Ik
ga rechtop zitten.
Angelina
Jolie heeft een borduurde champagnekleurige jurk – vind-ik-leuk. Angelina Jolie
heeft een nieuwe vlam – vind-ik-leuk. Angelina Jolie heeft zestien tatoeages–
vind-ik-leuk. Angelina Jolie heeft hoorns, vleugels en puntige oren – leuk,
leuk, leuk: zelfs als boze fee is ze mooi. Maleficient bracht wereldwijd
750 miljoen dollar op, Maleficient krijgt een vervolg – leuk. Op de
filmposter is Doornroosjes huid bleek, doorschijnend bijna. De vloek hangt
dreigend om haar heen, groene rook cirkelt boven haar ranke, symmetrische
schouders.
Ik
leg mijn telefoon op mijn bovenbeen en leun voorover, het apparaat reflecteert
de bovenkant van mijn gezicht. Rondom mijn ogen hangt een spookachtige zwarte
gloed, mijn wangen veranderen in grijze schaduwen. Schuin over mijn neus loopt
een barst die mijn gezicht in tweeën splijt.
Ik
trek mijn linker wenkbrauw op: het komt goed.
Rechterwenkbrauw:
het komt niet goed.
Links. Rechts. Links. Rechts. Links. Rechts.
Golvende
wenkbrauwharen wiegen ons heen en weer. We schommelen van links naar rechts en
weer terug – in een sinus, of nee, in een oneindigheidssymbool: tot in de
eeuwigheid zullen we heen en weer slingeren tussen ‘wel’ en ‘niet’.
Op
de grond liggen jouw kleren. Ik pak ze op en ruik aan je overhemd, aai je
spijkerbroek en speel met je riem van Hugo Boss.
Je
smeet de riem in de hoek toen je laatst om twee uur ’s nachts thuiskwam. Ik
vroeg niet eens meer waar je was geweest, ik wilde niet horen dat je moest
overwerken, dat je vergadering uitliep of dat je naar een congres was gegaan.
De
gesp prikt in mijn vinger.
Ik
laat de riem en jouw kleren op de grond vallen, pak mijn telefoon en zet me af.
Ik rol op jouw bureaustoel naar achter, weg van je bureau, weg van je riem, weg
van mijn prinsessenfoto en nog verder, totdat ik de deur zachtjes aantik.
De
deur beweegt niet. De papieren ritselen niet. Ook jouw kleren liggen bewegingsloos
op de vloer. Alles in de kamer is in een diepe slaap.
Met
mijn vingers veeg ik over de barst.
Elke
telefoon bevat 0,03 gram goud, zei je. Voor printplaten en elektrische
connectoren, zei je erachteraan. Je begon enthousiast over je
onderzoeksproject: je wilde smartphones efficiënter recyclen om minder goud te
verspillen. Daarna ratelde je aan een stuk door over de antenneschakelaar, de kristaloscillator,
de ROM, de RAM, de IC’s – wist ik wel dat er drie soorten IC’s zijn?
Dat
wist ik niet.
De
barst begint te trillen. Fel licht brandt in mijn ogen.
Daar
ben je! Er staan nog steeds drie hartjes achter je naam.
‘Zullen
we praten?’ app je.
Ik
glip de barst in. Onder mijn voeten knipperen onze foto’s in felle kleuren,
boven mijn hoofd flitsen de X-vormige kusjes die we ooit aan elkaar stuurden.
Mijn linkerhand tikt op het filmpje van je verjaardag, mijn rechtervoet landt
op de foto in ons lievelingscafé.
‘Perfect!’
Letters schieten als laserstralen voorbij, het lijkt net Dance Dance
Revolution, het spel dat we vroeger speelden in de gamehal bij jouw ouders op
de hoek.
Ik
spring, ik huppel: rood, blauw, nog een keer blauw, groen, roze – Perfect!
Marvelous! Great! Perfect! Perfect! Perfect!
Ritmisch
dans ik op onze berichtjes, onze kusjes, onze foto’s – we lopen door ons
gestylde huis, we zitten semi-onderuitgezakt op onze bank met bijpassende
kussens, we proosten in ons hippe restaurant – perfect, perfect, perfect.
Het
wordt steeds moeilijker om de passen correct uit te voeren. Mijn kuit krampt,
mijn teen knakt, mijn buik steekt.
Een
misstap.
‘Try
Again!’ lasert door de lucht.
Nog
een een misstap.
‘Try
Again!’
Ik
glij uit.
De
lichten doven. Kleuren vervagen, vlakken vervormen, filters werken niet meer: onze
berichtjes, kusjes en foto’s worden pixelig.
Ik
glij steeds dieper in het apparaat. Langs het glas, langs de lcd-cellen, langs
de ITO-electroden, en nog dieper – dwars door polarisatiefilters,
fotolithografieprocessen en plaatjes kwartskristal.
Ik
zie de camera, de microfoon, de luidspreker en de toetsen. De
antenneschakelaar. De Kristaloscillator. De ROM, de RAM, de flash-IC, de
voedings-IC, de oplaad-IC.
Koningswater,
er moet koningswater bij, dat heb je gezegd.
Heel
voorzichtig giet ik het mengsel van salpeter- en zoutzuur over onze foto’s
heen. De boel begint meteen te pruttelen.
De
lippenstift op je overhemd lost op, net als de vreemde rougevlekken in je
kraag. Ook je berichtjes over overwerken, uitgelopen vergaderingen en
congressen vervloeien. De grote drab eronder bubbelt, sist, fluit – en
verdampt.
Op
de bodem schittert een dun laagje vloeibaar goud, maar alleen in de
weerspiegeling leven we nog lang en gelukkig.
Lotje Steins Bisschop studeerde filosofie, geneeskunde en epidemiologie. Ook zat ze een jaar op de kunstacademie. Ze promoveerde in de epidemiologie, specialiseerde zich tot psychiater en kinderpsychiater en werkte tot 2022 als kinderpsychiater. Ze schreef twee-nonfictieboeken en haar kortverhalen werden in verschillende tijdschriften gepubliceerd.
![]() |
| Lotje Steins Bisschop |
































