maandag 10 augustus 2026

Een afgemeten spreidstand - Daniël Franck over 'Randschade' van Johan Clarysse

 

 

Een afgemeten spreidstand.

Daniël Franck over ‘Randschade’ van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3)

Johan Clarysse maakte faam als kunstschilder in binnen- en buitenland, maar was ook al vroeg gebeten door het woord. In de jaren ’80 publiceerde hij even in enkele tijdschriften om vanaf de jaren 2020 het dichten terug een prominente plaats te geven. Na zijn gesmaakte debuut ‘Het geduld van water’ (2024) volgt nu ‘Randschade’.

Een dichter en zijn bundel laten zich kennen door het woordgebruik en dat treedt in deze bundel wel heel prominent naar voren. Sommige woorden springen er immers door hun veelvuldige herhaling (al dan niet in samenstellingen) echt uit. De clusters die zo ontstaan gunnen ons een blik op de inhoud van de bundel: een grote cluster rond licht, leven en het vasthouden hieraan, kleinere clusters rond kijken en spreken. We zullen een dichter ontmoeten die gedwongen door externe factoren vol in het leven staat, maar tegelijk een positie vindt om te beschouwen.

Licht’ is het meest dominante woord in deze bundel. Dat kan bovendien nog worden gelinkt aan woorden als ‘dag’ en ‘ochtend’. Dat is niet verwonderlijk. Voor een schilder is dat het essentiële element, het dansen van het licht en hoe dat binnen te trekken in je beeld. Maar het is hier helemaal vervlochten met het dominante thema van de bundel, namelijk ziekte, afscheid en het gretige vastklampen aan het leven.

De openingsregels van de bundel luiden

Er groeien tubes in mijn holtes.

De QR-code rond mijn pols weet niet wie ik ben.

Parameters wachten op hun digitale score.

Zo weten we meteen waar we aan toe zijn. De dichter zelf moet vaststellen “ik lig erbij / en kijk ernaar als naar de ruïnes van een tempel // krijg mijn lichaam niet gezegd”. In deze zware omstandigheid waarin het lichaam zich bevindt, zoekt Johan Clarysse aan de hand van die beelden naar het licht, met de taal als toorts en houvast, vatbaar voor alle prikkels die hij ontvangt en opvangt, gaande van de nauwelijks geregistreerde woorden van een dokter tot de geestelijke confrontatie met demonen. Nergens ontwaar je een zweem van fatalisme, slechts af en toe steken “opstandige vragen” nog eens de kop op. Eerder is er een gulzigheid alles nog te omvatten en dus maakt de patiënt zich sterk: “De klaagstoel / aan mijn bed / schroef ik los”. De zieke bezweert zichzelf. Door woorden te vinden voor het moeilijk aanvaardbare kan een begin worden gemaakt van aanvaarding. In die blik vullen objectieve en subjectieve benaderingen elkaar aan.

We zijn allen onderweg naar het verdwijnen. Wie zich daar bewust van wordt gemaakt, zal scherper kijken. Al gaat daar zeker een strijd aan vooraf:

 

Weerstaan of meedeinen

gebalde vuist of golf:

een spreidstand die mij kiest

En er is die ene belangrijke strijdmakker: “Tot jij de kamer binnenkomt, zuurstof / pompt in de zieke lucht.” Het zal leiden tot de cyclus ‘Baken’ waar in het samenzijn met de geliefde even rust kan worden gevonden.

De cyclus ‘Doodgewoon’ brengt de dood tastbaar aanwezig; “Welk masker draagt hij wanneer hij / zijn mond tegen je rechterwang drukt?” klinkt het in het lichtelijk beklemmende ‘Schim’ dat niet zomaar besluit met een sprankeltje als ironie vermomde hoop: “Stemmen vriendelijke dichters hem milder?

‘Tussentijdse berichten’ is de meest contemplatieve cyclus en biedt ook ruimte voor herinneringen, onder meer aan de grootmoeder, en vooral ook voor de mini-reeks ‘Anoniem’ opgedragen aan de vrijwilligers van Tele-Onthaal en waar de dichter zijn maatschappelijk masker laat vallen.

Ook de schilder is prominent aanwezig, zie onder meer de weerkerende woorden ‘oog’ of ‘blik’, ‘zien’ of ‘kijken’. Dit komt letterlijk aan de oppervlakte drijven in de cyclus ‘Wie niet kijkt, ziet niet’. Hier trekken we nog eens de wereld in, naar de tuin, naar zee, naar het om zijn megalieten bekende Wéris. Uitgerekend in deze cyclus besluit een gedicht met de woorden “Het hevigst leeft hij in het woord”. Cyclus en bundel eindigen in een treffend kleinood:


Nomadisch

 

Je voert een gesprek met de eik

waaronder je languit rust:

over een tweede heelal

waar alles eindeloos begint

en waar nomadische zielen

naar buitenaardse woorden zoeken.

 

Je bereidt je voor.

Johan Clarysse schrijft poëzie zoals ik me voorstel dat een schilder schildert: met rust, aandacht en afstand.

Deze bundel biedt een coherent en open verhaal, waar de woorden adequaat hun werk mogen doen in een direct toegankelijke en heldere taal. Voortdurend wordt de spanning opgezocht tussen de blik van de dichter en zijn gevoelswereld. Dat gebeurt aan de hand van vrije verzen, in een opvallend rustig ritme, die zich met hoorbaar gemak tot een lezer richten, met korte, afgemeten observaties, sober maar helder en raak van taal, gevat in makkelijk behapbare strofes. De bundel is ook netjes opgedeeld in vijf cycli, zodat je als lezer altijd op adem kunt komen. Overal is de zegging welluidend en de gedichten vertonen een opvallende rijkdom aan treffende zinnen en observaties: “het manuscript van de avond”; “de ochtend die tussen de lakens klimt”; “een vertrouwde nacht die tegen de ramen tikt”; “oktober ligt als een natte dweil aan je stoep”; “ergernis krult in mij als een verbrande lucifer”.

Het is geen hogere filosofie die hier wordt beleden. Daarvoor is er geen tijd meer. Als de dood al in het steegje staat, tel je je stappen, je kijkt om je heen, reflecteert nog wat, weet dat de randschade deze keer jou zal treffen en stapt met een mengeling van aarzeling, nieuwsgierigheid en moed verder.

De bundel evolueert van zeer concreet naar eerder contemplatief. Daar zit een beweging van loslaten in. De lezer daarentegen blijft alert voor het ganse gebeuren en tracht mee te dragen wat ondraagbaar is. Voor later.

 

Kiezel

 

Gekortwiekt tussen bedstijlen

heb ik je lang gevreesd.

Al had je iets onschuldigs.

 

Even herkende ik je gezicht

toen je met de armen zwaaide. Ik vroeg me af

of jij ook uit vlees, bloed en slijm bestond.

 

Je bekende dat je een kiezelsteen bent

in de laars van al wat leeft en beweegt.

Ik sprak je niet tegen, wist dat ik niet

dezelfde meer zou zijn.

 

Nu bespied ik jou

op veilige afstand

verstil je tot achtergrondruis.

 

Als een kauw hang je

boven mijn oranjerode dak.

Ik zie hoe je glanst op de nok.

© Daniël Franck


Johan Clarysse - Foto c. Paul Rigolle

Randschade van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3

 


donderdag 6 augustus 2026

Talige empathie

Herlinda Vekemans in kort bestek over Kratermond van Sara Eelen

In kort bestek - Notities van de redactie (5)

Op het poëziefestival Knisper en Knal in Aarschot laatst las ik samen met o.a. Sara Eelen en beluisterden we elkaars werk. Qua thematiek zaten we met haar Kratermond en mijn Appelblauwzeegroen bij enkele gedichten op eenzelfde lijn van talige empathie voor dieren groot en klein. Thuis las ik haar bundel en vond haar prachtige gedicht over een glassnijder (Brachytron pratense), een libel uit de familie van de glazenmakers. Hieronder een fragmentje van bij de geboorte van de libel in het mos tot ze de vlucht vindt. Knap omvattende titel van de bundel ook, Kratermond, met zowel suggesties van dode leegte, dreiging als van zeediepe taal van nieuw begin.

Glassnijder

Je adem als wind door het trilveen
nu ben je nog kwetsbaar, nog nimf. 

Urenlang zul je je vleugels uitrollen
en dan schiet je weg, de hoogte in. 

Wat niet zichtbaar was in de vlucht, maar wel toen je landde
het zachte donshaar op je borst 

Het patroon van vlekken
langs je lenden, in je ogen, de blik van piloten.


Fragment uit Kratermond van Sara Eelen, Querido, 2025.

© Herlinda Vekemans

Rubriek "In kort bestek"




woensdag 5 augustus 2026

De Genen - Philippe Cailliau

De Genen
 
I.
 
Geen Gen
Geen Begin
Geen Waarheid
Geen Wraak
Geen Deo Volente
Geen Klank
Geen Fake News
Geen Nooit 
Geen Vreugde
Geen Woord
Geen Swastika
Geen Twijfel
Geen Toekomst
Geen Medicatie
Geen Schuilkelder
Geen A.I.
Geen Dictatuur
Geen Water
Geen Solidariteit
Geen Verrotting
Geen Gezondheid
Geen Virus
Geen Spijt
Geen Haat
Geen Volk
Geen Buikloop
Geen Geschiedenis
Geen Bloeding
Geen Droom
Geen Begrafenis
Geen Verlies
Geen Tijd
Geen Taal
Geen Adem
Geen Meineed
Geen Geheugen
Geen Schaamte
Geen Darm
 
 
II.
 
Geen Wokeness
Geen Intolerantie
Geen Genezing
Geen Identiteit
Geen Waterboarding
Geen Herinnering
Geen Schaduwvloot
Geen Sarin
Geen Ouder
Geen Overwinning
Geen Hart
Geen Geloof
Geen Medelijden
Geen Onwetendheid
Geen Geheugen
Geen Halsmisdaad
Geen Spiegelbeeld
Geen Geur
Geen Einde
Geen Geschiedenis
Geen PTSS
Geen Laster
Geen Vlucht
Geen Bescherming
Geen Hoop
Geen Gender
Geen Verdoving
Geen Eten
Geen Polarisering
Geen Verhaal
Geen Overlevenden 
Geen Veldslag
Geen Licht
Geen Negationisme
Geen Slaap
Geen Executie
Geen Apathie
Geen Delirium
Geen Agressie  
Geen Novitsjok
 

III.
 
Geen Vervloeking
Geen Discriminatie
Geen Wondvocht
Geen Geluk
Geen Verrassing  
Geen Drones
Geen Proxy
Geen Kennis
Geen Dumdum
Geen Stank
Geen Bloedprop
Geen Wanhoopsdaad
Geen Moord
Geen Orewoet
Geen Terreur
Geen Beroving
Geen Duimschroef
Geen Tyfus
Geen Armoede
Geen Afscheid
Geen Barricaden
Geen Ziekte
Geen Genocide
Geen Begrafenis
Geen Ander
Geen Braaksel
Geen Geweten
Geen Dumdum
Geen Massagraf
Geen Einde
Geen Nederlaag
Geen Eén
Geen
Geen Gen
 

© Philippe Cailliau

 Uit 'Habitus', typoscript in wording 

Philippe Cailliau in Oostende (foto: Paul Rigolle)


 

dinsdag 4 augustus 2026

Chaos Gaaz - Philippe Cailliau

Chaos Gaaz

I.

MEELTRUCKDEEPWATERFAKEVOORHEMELPOORT
AMPUTATIEWATERDORSTIGGIFNARCOSELEEGTE
CALORIETEKORTBOMBARDEMENTVERRADERLIJKTAPIJT
VOEDSELBEHULPZAAMDUREEDENENBELOFTEN
VELOVERBEENSUIKERVOCHTMETER
HONGERHULPVERDIENSTEÜNIFORM
UITROEIMITRAILLEURREGERINGWOORDVOERDER
HONGERDOODMEDAILLECEREMONIËN
FAKENEWSBESTELMOORDGRONDDIEFSTALALLESISONSRECHT
BLOEDTANKBULLDOZERBLOEDKAALSLAGDRONE
ERISGEENHONGERGEENDORSTGÉÉNHONGER
VOEDSELDROPPINGSMARSLIEDERENUNISONO
OFGENOCIDEOFGENONIETCIDEOF
AZGMEDEMEDICIJNSTOPPROCLAMATIEOPERATIESTOP
WAPENSTILSTANDSUIKERVOEDSELLOKKER
UITHONGERINGSWERELDKAMPIOENSCHAPPEN
VLUCHTENJACHTPARTIJVOORGROOTENKLEIN
KARTONNENBEKERSPLASSENZUIGDRANK
AANSCHUIFEXECUTIEUITAGRESSIEFANTASIE

 

II

CALORIEËNDROOMFASE1ENDROOMFASE2ENTROTSEFASE3
RIJSTENMEELVERDRIETOPHEMELSEMUZIEK
WACHTENSCHIETSCHIJFMEDAILLEUITREIKING
NONFOODDODENDANSWACHTLIJSTONGEDULD
WATERZUIVERINGSBELOFTEMANTRA
CALORIEËNMOORDNONSTOPOUTFIT
LEGEBORSTVOEDINGSFESTIVITEITENABOVO
FOPSPEENRANTSOENMETBELOOFDLEEFVOORSCHOT
VOEDSELVERNIETIGINGSVERHAALINBLIK
RADELOOSHEIDSPUNTENMETPRIJSOPGAVE
EETENDRINKMERRIEBIJDAGENNACHTNEDERZETTING
UITDROGINGSDROOMTRANSFUSIEMATERIEEL
HONGERSCHIETSCHIJFPRIJSKAMPGRIEZELAARS
DODERCARROUSELMETSCHERPSCHUTTERMAALANGST
LEGERDIENSTGODSPRIJSVOORHETHIERNAMAALS
HERHAALZIEKENHUISWEGUITROEIHERHAALDOORNOODZAAK
GODSBELOFTEGEBEDMETEEUWIGEGARANTIE
WERELDSTILTEVERDOOFTOORMAAGENBLOEDVERLIES
ANNEXEERINCHAOSISGEENNOTENDOPINPUINHOOP

III.

GELIJKGEHEIDGELIJKADVITAMAETERNAM
GIJZELAARSWIEUITTEROEIENZIJDEGIJZELSZIJ
TRAGESTILTETUNNELLUXELEEFCOMPLEXEN
WAPENSOPSLAGEXPLOSIEVENSTANK
EXECUTIETRAININGSBRAAKMEDAILLEMETLINT
VROUWENKINDERENOPBEDDENINGESTORT
BLOEDENBEENENHANDENOOGPIJNSPUITZICHTBAARSLIJM
ZONNESCHIJNONTKENNINGSDAGELIJKSGEBED
AMBULANCEVOORLOSSELEDEMATENMETDORST
WIEISWIEINDEWOENTIJNSEZEEËNZOUTEMEREN
FATAGRENSOVERGANGMORGANAOPSTUIFSTOF
MIJLENTUNNELMIJNENADEMNOODSELABYRINT
SOORTENHULPVERLENERSSCHIETSCHIJF
AFSLACHTSELTELRAAMTELLINGOP∞TOTNUL
UITGEHONGERDWORDTECHTNIEMANDECHT
RACKETSTELLINGDRONERANCUNEPOLONAISE
EEUWIGEGELIJKISGODSPERKAMENTENVLAGGENHONGER
EXPLOSIEVENOPSLAGPLAATSRESORT
MODDERMETSTEENGRUISWORDTBESTEDRANK

 

© Philippe Cailliau

 
Uit 'Habitus', typoscript in wording 

Philippe Cailliau in Oostende (foto: Paul Rigolle)

 


zondag 2 augustus 2026

Oproerkraaiers in het hoofd

In kort bestek - Notities van de redactie (4)

Alain Delmotte in kort bestek over Randschade van Johan Clarysse

(fragment recensie)

Foto: Alain Delmotte

Wie de hogergenoemde oproerkraaiers in het hoofd zijn of wie het geritsel in het hoofd veroorzaakt, wordt duidelijk in het gedicht ‘Demonen’. Ze stapelen zich op in de stoffige kelders van onze psyché. In nare dromen grijpen ze het woord en de dichter verleent hun spreekrecht in een gedicht. Daar horen ze thuis. Ze kunnen zich er schuilhouden in de taal. Op die manier wordt de taal zelf tot een demon. Het is een feit: demonen maken deel uit van onze duisterste plekken:

Vandaag geef je hun spreekrecht
omarm je ze als een vertrouwde nacht.

Johan Clarysse Randschade – uitgeverij P – Leuven 2026 - Isbn 978 94 93534 06 3 

Facebook-bericht van Alain Delmotte - 29/07/2026

Dit is een fragment uit een uitvoerige recensie die Alain Delmotte in november 2026 publiceert in het Jaarboek 2026 van de VWS.

Rubriek "In kort bestek"


donderdag 30 juli 2026

Intertekstueel spel

In kort bestek - Notities van de Redactie (3)

Alain Delmotte in kort bestek over Wildnissen van Xavier Roelens

Er wordt een intertekstueel spel gespeeld. Roelens heeft nogal wat teksten en boeken geassimileerd. Een lijst hiervan vinden we in het nawoord terug. Hij maakt er dus geen geheim van. De verwijzingen zijn vaak spitsvondig. Het gedicht ‘Bevolkingsgroei in 1972’ (dat zich in Duffel situeert) refereert aan het boek van Geert Buelens ‘Wat we toen al wisten – de vergeten groene geschiedenis van 1972’. Er zijn expliciete verwijzingen naar Boon, Ter Balkt en Jan de Roek. De namen Pernath en Claus vallen. Ik kon het niet laten om in het gedicht ‘Short term song’ waarvan alle strofen beginnen met ‘Gisteren nog’, om iets te horen resoneren van de ritmiek uit de gedichtenreeks ‘Nu nog’ van Claus.

Onderhuids meende ik hier en daar ook Lucebert, Rilke, Shakespeare te herkennen. Maar opvallend is dat hij twee dichters wat demystifieert: Hans Andreus en Rutger Kopland. Van Andreus pakt hij het beroemde gedicht ‘Voor een dag van morgen’ aan.

vertel het aan de bomen dat we vreeën zonder
condoom vertel het desnoods aan
de angsten van
steen
Deze passus eindigt met volgende oplawaai:
wanneer je morgen doodgaat zeg het aan de
maden wat je mij zei

dinsdag 28 juli 2026

Samenspraak als alternatief

In kort bestek - Notities van de Redactie (2)

Met ecologische verloedering worden we in deze bundel meer dan eens geconfronteerd. Maar de dichter stelt zich ook de vraag hoe je hieruit komt. Het sluimert in een titel van een gedicht: ‘Hoe hou je de meisjes wakker?’ Zou ‘samenspraak’ een alternatief zijn? De dichter is er naar op zoek. Al weet hij niet hoe je dat feitelijk moet doen:

(…) hoe kom je tot samenspraak
wat zijn de drijfveren, iemand recht
zijn rug, iemand steekt zijn kop uit
boven het gras, wie is eensgezind

Het is niet aan een dichter om op deze vragen een realistisch antwoord te formuleren. Dit behoort wezenlijk niet tot de poëzie. De kwetsbare taal die in een gedicht wordt gehanteerd, is er niet voor aangepast.

© Alain Delmotte

donderdag 23 juli 2026

Vijftien augustus - Achilles M. Surinx

Vijftien Augustus

 
Van alles wat moeders geven,
laat warmte rijkdom na,
brengt kou ontbering mee.
 
Als jouw handen een pop halsstarrig
strelen en daarmee grijze gevoelens wekken,
breekt zijn hand meedogenloos
jouw bange vingers open.
 
Als jouw mond waanzinnig
lieflijk vragend woorden beroert,
brengt zijn mond een graf-
stem bovengronds.
 
Als jouw hart je onverholen argeloos
in een meesterlijk web verstrikt,
ontkent zijn haatdragend hart
de glans van een onmogelijk sprookje.
 
Als jouw onthullende lenden
de binnen- en buitenwacht betrekken,
blijft zijn harde lijf calvinistisch
onbewogen bij het meeuwengekrijs.
 
Van alles wat moeders geven,
laat warmte rijkdom na,
brengt kou ontbering mee.
 
© Achilles M. Surinx





woensdag 15 juli 2026

Palimpsest: Aap tussen de apen - Jef Boden

Palimpsest: aap tussen de apen

Jef Boden over de Oekraïnse dichter die onverwacht een band met België blijkt te hebben...

Mogen we de tijd van Vasyl Stus als een eerder onbekend dichter in onze contreien stilaan opbergen? Enkele weken geleden veroverde hij de voorpagina van de boekenbijlage van Le Monde naar aanleiding van Palympsestes. 600 blz. Zijn verzameld werk. Dacht ik. Na Taras Chevtchenko de nummer twee van de Oekraïense dichters, verkondigde de achterflap van het lijvige boek. Is er meer nodig om het werk van de man wat nauwkeuriger te verkennen?

Zijn eerste bundel Winterbomen werd al door de Sovjetcensuur verboden en als gevolg daarvan in 1970 in België in het Oekraïens gedrukt en zo uitgegeven. De oorsprong van Winterbomen is te vinden in een winterse wandeling met zijn geliefde Valia. De rijm op de naakte bomen deden hem opmerken dat poëzie zo hoort te zijn: vrij van ieder omhulsel, vrij van alle stof van het dagelijkse leven en vrij van het slijk van toevalligheden. Slechts de kern wil hij: de menselijke ervaring van ieder ogenblik dat een man in deze wereld is overkomen.

In 1968 voltooide hij een eerste versie van de bundel. Een uitgever nam die prompt op in de uitgaveplanning. Na een lezersbrief van Stus aan de Oekraïense schrijversbond verdween de bundel evenwel uit de lijst. Daardoor kregen gedichten tijd om te groeien en de nieuwe selectie vond dus een alternatieve weg.  Zijn nuchterheid, zijn passie en het boven alles plaatsen van vaderland en waardigheid deden hem in zijn binnenste al beseffen dat de gevangenispoort voor hem openstond. Het verwijt van een publicatie in een vijandig land sprak hij bij de onderzoeksrechter tegen door te stellen dat het zonder zijn toestemming gebeurde en dat de bundel had moeten gepubliceerd worden bij de uitgever van de Sovjet-schrijvers.

Je kan de censoren veel verwijten naar het hoofd slingeren, niet de gedachte dat hun begrijpend lezen niet op peil zou zijn. Dit gedicht stond in die bundel. Laat je door de aap verrassen, of hap naar adem.

Zo leef ik, aap tussen de apen,
Mijn zondige voorhoofd getekend door smart,
Eindeloos beukt het tegen de harde muur;
Slaaf, hun slaaf, hun onbeduidende slaaf.
Rondom mij passeren de apen in een rij,
Een ernstige pas, zonder haast,
Woede kost minder moeite dan jezelf zijn.
Schaarpunt, hamerslag!
Oh, rechtvaardige Heer! Zwaar valt de wrok –
Niet meer dan één blind seizoen om te oordelen.
Hier beneden zijn slechts scherven van pijn,
Verspreid, ongevoelig, als kwikzilver.

Het lachen met het aapje tussen de andere exemplaren zal snel vergaan zijn als je jezelf als koning aap herkent in de dictatoriale maatschappij, of zelfs in de strafkampen. Zo over apen schrijven was voldoende om met andere dichters in 1972 tot vijf jaar strafkolonie te worden veroordeeld. De echte verrassing is niet dat zo’n straf een slag in het water was. Het haast ongelooflijke is dat Stus daar bleef schrijven en vertalen. Er mag dan veel vernietigd zijn, er is veel bewaard.

Vasyl Stus had het allicht in de genen. Zijn overgrootvader kreeg als kind van lijfeigenen op zeer jeugdige leeftijd een levenslange dienstplicht in het leger van de tsaar. Werd het lijfeigenschap in 1858 door Nicolas I afgeschaft, dan ontvingen de verlosten toch nog de omschrijving “landbouwer, eigendom van de staat”. Vanzelfsprekend dat legerdienst voor (groot)ouders tijdens de  volgende oorlogen hun deel was.

Dialogen, de stilte van gedichten, de duisternis, de talloze verwijzingen naar mythes, bijbelverhalen en auteurs allerhande tonen dat zijn leven in zijn gedichten verankerd is. Voor hem geen gecontroleerde luxe-ballingschap in Moskou of Sint-Petersburg zoals dat auteurs in de tsarentijd kon overkomen. Dit klinkt anders:

Voor het leven moet je betalen:
stap in het open graf

Ik vecht niet voor een verleden
dat door ongeloof is opgevreten.

Een cel reikt niet tot de hemel
De aarde zal onder de cel verdwijnen.

 

Vaak duikt in zijn poëzie een dialoog op tussen de realiteit en het gedroomde, tussen geliefden. In talloze voetnoten legt de vertaler – dankbaar meegenomen - het verband tussen een naam, een symbool, een plaats en de verzen van dé dichter des vaderlands Chevtchenko. Reeds die eerste bundel blijkt een verzameling vol verwijzingen naar het verleden. In Laatste brief van Dovjenko klinkt het helder:

Dan, heerlijke donderslag
Die aan de hemel zijn schichten zaait,
Vogels van Taras, over de Dnipro –
En de woorden van de profeten laten de lucht klieven.

Het hoofd buigen zat er voor deze strijder voor land en volk niet in. De nacht mag duister zijn, wreed de realiteit, maar doorbreekt elke ellende die hem overkomt. Wie meent dat het lijden eeuwig duurt, mag sterven. Hoe onverdraaglijk het leven ook is, zij zullen overwinnen, de uiteindelijke vrijheid zal hen toebehoren. Door dat in zijn gedichten te blijven herhalen, tekende hij als het ware voor een volgend verblijf, ditmaal in het kamp Perm-36 waar hij in 1985 zal overlijden.

Kan het anders dan dat hij reeds in 1978 in een brief aan vrienden stelt: “Alles is in gereedheid gebracht opdat ik een artikel vol zelfkritiek zal schrijven… ze mijn vrijwillige zelfdoding zullen bekomen…. Om mijn naam tegen hen te beschermen: voor mij volstaat het dat enkele personen Vasyl niet in twijfel trekken.”

Er is geen Heer meer op deze aarde!
God verdraagt het niet langer – trok zich terug –
Wil dit onmenselijke onrecht niet langer zien,
Dit duivelse martelen, deze wreedheden,
Afgrijselijke landen, afschuwelijke god!
Meester van de gruwel, aanjager van waanzinnige
Woestenij. Welke tevredenheid kan hij voelen
Bij deze daden? In bloedbaden,
Het vernederen, het langzaam neerhalen
Van de hemel naar de aarde – zodat een wereld
Zonder hemel achterblijft. Een krankzinnig land
Waar beulen aan beulen zijn overgeleverd.
Heer-God, in alle ernst, je bent dood.

Zo klonk het ook, naast spot en geloof in de toekomst. Hier beken ik dat ik me in dit lijvige boek op dit ogenblik nog niet verder bevind dan net na die eerste bundel. Zijn zoon noemde de volgende periode in zijn vaders schrijven “een tijd van creativiteit” die een aanvang vond onmiddellijk na zijn eerste arrestatie. Herinneringen dienden om een nieuwe wereld op te bouwen. Het werd zijn “Palimpsest-periode”. De volgende 500 bladzijden van het boek liggen beloftevol voor me.

© Jef Boden

Vasyl Stus: Palimpsestes. Poésie et lettres du Goulag, Les Editions noir sur Blanc, 2026, ISBN 978-2-88983-195-1

Aanvullende opmerking van Jef Boden:
Vanaf september staat de dichter op een nieuw bankbiljet in Oekraïne. Mooi toch.


vrijdag 10 juli 2026

Poëzie als meditatieve vluchtheuvel

Marc Bruynseraede bespreekt 'Spiegel van de ziel' van Antoon Van den Braembussche


Stel: je wandelt nietsvermoedend de boekhandel binnen en je ziet daar een dichtbundel liggen, onder de titel ‘Spiegel van de ziel’ van ene zekere Antoon Van den Braembussche. Dat wekt al dadelijk het vermoeden dat het hier over het binnenwerk van de mens gaat. Wellicht zelfs over het diepste wat in iemand leeft.

Je koopt – geïntrigeerd door de thematiek -, je wandelt naar huis en begint te lezen. Gaandeweg word je meegenomen in de gedachtewereld van Antoon Van den Braembussche. Als je dan even gegoogled hebt naar wie die Antoon Van den Braembussche is, kom je op het pad van de filosofie, de kunst van het denken, terecht. En verder, op de weg van ‘Denken over kunst’ en ‘De stilte en het onuitsprekelijke’, boeken geschreven door de betrokken Antoon, die gemeenzaam omschreven wordt als professor in de kunstgeschiedenis en kunstfilosofie, met een biezondere interesse voor mystiek in de kunst. De metafysische laag, dus.

Dan verneem je dat deze ‘Spiegel van de ziel’ eigenlijk het sluitstuk is van een poëtische trilogie, waarin naar het mysterie van het onzegbare (l’indicible), het onuitsprekelijke (l’inexprimable) gepeild wordt. Het blijkt dus interessant te worden, zij het dat we in ijlere regionen terecht komen. Lezend word je deelgenoot van deze zoektocht.

Het onzegbare, onuitsprekelijke is in wezen de kern van het denken en zijn. Aan het einde van een lange weg, over het Westerse en Oosterse denken, langs filosofen, universiteiten, dichters en denkers, plooit de dichter zich terug in meditatie, om tot de ultieme bevrijding - los van kennis en wetenschap – tot harmonie met het zijn te komen.

Het beeld staat mij voor ogen van de  grote Tian Tan Boeddha (1), op het eiland Lantau bij Hong Kong: 34 meter hoog, 250 ton zwaar, pas bereikbaar na het beklimmen van 268 treden naar sereniteit. Je kan je voorstellen wat voor moeite het moet gekost hebben om deze Boeddha daar boven op de heuvel op zijn plaats te krijgen. Vredig rustend op zijn hoogte. Zichtbaar bij mooi weer vanuit Macau, aan de Zuid-Chinese kust.

Boeddha – of moet ik zeggen Antoon Van den Braembussche  – troont woordeloos, voorbij alle denken, boven het braambos, omringd door offerende godinnen (2). Zij bieden hem hun schaal van leegte, van het niets en van wording aan. Je leest en je ziet. En je weet niet wat je leest of ziet. Je kan het enkel maar ervaren. De lectuur is, op het pad van het leven, de enig mogelijke therapeutische ervaring.

De poëzie van Antoon Van den Braembussche moet bijgevolg niet gelezen maar ervaren worden : als een wandeling doorheen het denken. Peripatetisch, zou ik zeggen, zoals de Griekse filosofen die al denkend rondwandelden, ware het niet dat het Antoon’s eigen concept is.

 Spiegel van de ziel’  lees je als de belevenis van een droom, een herinnering, een reis door de ijlte van gewichtsloze gedachten, boven tijd en ruimte. Een vredige streek over de taal.

                                  Zij herinnert zich

 

                                   Zij herinnert zich

                                  heuvels, rotsen, mergelgrotten

                                  en goddelijke valleien.

 

                                  De indrukwekkende bijna-stilte

                                  waarbij het denken

                                  wegdroomt en zwijgt.

 

                                  Zij herinnert zich de lage mist,

                                  de legendarische lage mist.

 

                                  De eerste, tijdeloze kus

                                  en de muziek van Leonard Cohen.

 

                                  Het onuitwisbaar verlangen

                                  naar onsterfelijkheid.

 

In bovenstaand gedicht, uit de eerste cyclus ‘Zij herinnert zich’ worden die herinneringen opgevoerd als meditatief voorbij drijvende wolken. De som van de wolken is het verlangen naar onsterfelijkheid, ontijdelijkheid. Ik zie het als een hunkering naar de oneindigheid van de liefde.

De gedichten van deze bundel spreken de taal van innigheid, van introspectie naar de diepere lagen van de taal aan de oppervlakte. Liefde, als een harnas van sereniteit, levert gedichten op van grote intensiteit.

 Zij herinnert zich’ is een dialoog van goed verstane stilte en kostbare momenten met de geliefde, zoals het gedicht ‘Geheimschrift’ het uitdrukt :

 

                                  Geheimschrift

 

                                   Ik ben één en al verlangen:

                                  een rivier die eigengereid

                                  door mijn aderen stroomt.

 

                                  Niet langer het woord

                                  dat haperde

                                  in het onzegbare.

 

         Niet langer

                                  de rouwvlinder die weg fladderde

                                  in verbijstering.

  

                                  Niet langer de denker

                                  die onverhoeds strandde

                                  in de sublieme brandschildering

                                  van het beeld.

 

                                  En langzaam, langzaam,

                                  omhels ik het geheimschrift

                                  van je lichaam

                                  als een mild en sprakeloos dier.

 

Cyclus 2 ‘Franse suite’  legt de klemtoon op de tonaliteit van de dialoog. Dominant is de aanwezigheid van een elegante melancholie. Gedichten als ‘Le Cafard’ en ‘Algorithme, mon amour’ zijn daar goede voorbeelden van. Melancholie is tastbaar aanwezig in ‘de wandeling in de lenteregen’ en ‘het late middaglicht in je natte haar’.

Cyclus 3 is dan weer een verzameling van ‘Momentopnamen’ : losse kiekjes van contemplatie die, op de weg langs artistieke en filosofische verkenningen, ontdekt en vastgelegd worden. Zoals bij de besneeuwde Boeddha: ‘Het is niet de sneeuw die valt, maar de wereld die hem draagt’ of gedichten over de stilte van Antarctica en het fietsend wielergeluk.

Cycli 4, 5 en 6 zijn variaties van de tedere liefdestaal die de filosoof spreekt als hij niets zegt. In ‘Zo blijf ik spreken’ (Cyclus 4)  zegt hij, in het gedicht ‘Dicht bij jou’ : ‘Ik ben dichter bij jou / omdat jij al zingend / elke dissonantie liet verdwijnen’.  Poëtische pareltjes voor het rapen. Bijvoorbeeld in ‘Aanspraak’ : ‘Het takkenbos van de taal / waar betekenis bleef haperen / en voor het rapen lag’. In het gedicht ‘Meervoudig licht’ lezen we ‘Leegte waarin we desondanks / onszelf ontmoeten’.

In Cyclus 6 ‘Modus Vivendi’ staat het gedicht ‘Iedereen’ dat een duidelijke verwijzing inhoudt naar het academische verleden van Antoon Van den Braembussche.

 

                                  Iedereen

 

                                   In iedereen schuilen

                                   uitgestrekte schuiframen

                                  van vergetelheid.

 

                                  De lome kantooruren

                                  van de ziel.

 

                                  In iedereen schuilen

                                  bergruimtes vol weemoed,

                                  archiefmappen met heimwee.

 

                                  De zachte, meetlatlange dwang

                                  naar perfectie.

 

                                  In iedereen schuilen

                                  inktpatronen van het noodlot,

                                  toners van vergeefse hoop.

 

                                  In iedereen

                                  schuilt een oude droom

                                  die maar niet sterven wil.

 

Een goede, Portugese vriendin van de dichter, die vertrouwd is met de carrière van Antoon Van den Braembussche in de academische wereld,  schreef dat zij diep getroffen was door dat gedicht. Zij schreef dat zij in deze verzen ‘de melancholie herkende van iemand die de diepte van het intellectuele en academische leven van binnenuit kent.’ Zij dacht aan ‘de professor die je jarenlang bent geweest, met zijn plichten, verantwoordelijkheden, routines, eisen en stille vormen van discipline’. Beelden als ‘de lome kantooruren van de ziel’, ‘archiefmappen met heimwee’, ‘inktpatronen van het noodlot’ en ‘toners van vergeefse hoop”  doen denken aan ‘een bestaan waarin het innerlijke leven lange tijd heeft samengeleefd met het institutionele leven : colleges geven, afspraken, papieren, perfectie, verwachtingen en intellectuele ernst’. ‘Vandaag, op emeritaat, heeft de institutionele ruimte plaatsgemaakt voor het schrijven : de herinnering, het denken, de gevoeligheid en oude dromen. Het schrijven, waar de academische loopbaan niet langer om vraagt, maar waar de ziel nog steeds om verzoekt. De oude droom die maar niet sterven wil.’

Ze vertaalde op slag het gedicht ‘Iedereen’ naar het Portugees ‘Em todos’, wat me meteen de herinnering bijbracht aan de Portugese dichter Fernando Pessoa die schreef :’ Ik ben niets / Ik zal nooit iets zijn / Ik kan ook niet iets willen zijn / Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.’

Op zijn graf, gelegen in het Mosteiro dos Jerónimos in Lissabon, staat een citaat van één van de dichterlijke heteroniemen van Fernando Pessoa : Ricardo Reis: “Para ser grande, sê inteiro : nada / teu exagera ou exclua”. Om groot te zijn, wees geheel: overdrijf of sluit niets uit dat van jou is.

Over ‘Spiegel van de  ziel’ zou Fernando Pessoa een geanimeerde discussie kunnen voeren met Antoon Van den Braembussche, daar, op het terras van A Brasileira in Lissabon. Niet met dooddoeners als ‘een belangrijke bijdrage tot het hedendaags poëtisch gebeuren’  maar, bijvoorbeeld, over de filosofische betekenis van de leegte in zijn gedichten. Of, meer nog, over de gevolgen van oorlog, in het slotgedicht van de bundel ‘Nooit meer oorlog’ ter nagedachtenis van de slachtoffers van de oorlog in Gaza.

© Marc Bruynseraede

(30 juni 2026)

Spiegel van de ziel’ – Antoon Van den Braembussche – Uitgeverij P – ISBN 978 94 93534 05 6 – Prijs : € 19,50

Antoon Van den Braembussche is dichter en filosoof. Gisteren 9/7/2026 werd hij overigens 80 jaar. De gelukwensen van de redactie delen we met die van talloze lezers. Meer info vind je via zijn Wikipedia-pagina.

(1) Tian Tan Boeddha op het eiland Lantau (Hong Kong)


(2) Offerende Godinnen bij de Boeddha op het eiland Lantau