Over Het geruis van wind en betekenis van Erick Kila
Recensie: Antoon Van den Braembussche
In een vroegere recensie omschreef ik Erick Kila als een dichter die in ons taalgebied een unieke stem en vooral ook stijl belichaamt. “Zijn handelsmerk is een uiterst zuinig taalgebruik waarin heel veel wordt gesuggereerd met zo weinig mogelijk woorden. In de uiterste kaalheid, in de uitgezuiverde zegging, waarbij niet enkel al het overtollige is weggelaten maar vaak ook plaats is gemaakt voor het onzegbare, slaagt Kila erin de lezer te fascineren. Niet zelden ontstaat deze fascinatie uit niet meer dan één versregel die enkel nog uit één woord of een afgebroken zin bestaat. In zijn poëzie toont Kila zich een meester in het minimale, waarin de poëzie als mysterie plaats vindt, een poëzie die toch vaak, zo niet altijd, van de dagelijkse realiteit vertrekt. Het is dit spanningsveld tussen taal en stilte, tussen alledaagse realiteit en mysterie die deze poëzie tot iets heel bijzonders maakt”.
Ook in zijn nieuwe bundel Het geruis van wind en betekenis vinden we deze typische stijl van Kila terug. Dat Kila vaak vertrekt vanuit een bepaalde realiteit bewijst het eerste, iconische gedicht: Ezels op het strand bij Scheveningen, naar het gelijknamige schilderij van Louis Soonius (1883-1956). Het ezeltje rijden was lange tijd een populaire attractie voor kinderen op het Scheveningse strand. Voor een paar centen was het mogelijk om onder begeleiding een ritje te maken op de rug van een kleine ezel. Ezeltjesbazen stonden klaar met een aantal ezels om een ritje te verkopen aan jonge strandbezoekers. Blijkbaar verwijst het gedicht naar zo een ezelrit die Erick Kila wellicht zelf als kleine jongen nog heeft meegemaakt. Het leidt tot een prachtig gedicht:
Ezels op het strand bij Scheveningen
omdat de ezeltjes op je wachten
en de zomer is als schelpgeruis
boven zee de eenzaamheid van het voltooide
aan de kant vergrijsde badpaleizen
ooit kleine stappen naar het harde zand
iedereen was mee
bestemming was er niet echt
de ezelrit ging langs de adem van de zee (p. 6)
Wat in het begin nog de onbevangen, kinderlijke ervaring van de zomer aan zee als schelpgeruis is, wordt allengs het perspectief van de latere dichter die boven de zee de eenzaamheid van het voltooide ziet: een poëtisch, zelfs metafysisch beeld van de horizon, de oceanische oneindigheid die tegelijk tot de tastbare proporties van verweesde strandcultuur wordt teruggebracht: aan de kant vergrijsde badpaleizen. Maar pas op het einde van het gedicht komt de vervoering aan het licht die hier op meesterlijke wijze wordt geëvoceerd:
bestemming was er niet echt
de ezelrit ging langs de adem van de zee (p; 6)
Je kan deze laatste twee versregels opvatten als een metafoor van de poëzie die door de hele bundel wordt gedragen. Er is in deze bundel geen sprake van thematische indelingen of een vooropgestelde, strakke structuur. Bestemming, richting, rangschikking naar onderwerp: dit alles is in het ongewisse gelaten. Wat de dichter vertolkt, is wat zich aandient op het moment van het schrijven. Dus in plaats van de thematische ontvouwing, staat de door taal geleide oerervaring van het ogenblik centraal. Dit leidt tot prachtige strofen, zoals
de wereld staat los
de eeuw staat vast
in zachte regen (p. 14)
Of nog, in hetzelfde gedicht Meditatie:
taal is niets meer
getijden gaan hun gang en intussen
sterft wijsheid (p. 14)
Poëzie is hier een ontwaken uit de taal, een zoektocht naar datgene wat zich aandient op het ogenblik waarop alles verandert, op de rand van het onzegbare. Op het ogenblik dat de getijden met ons aan de haal gaan en wijsheid niet langer wijsheid is. De poëzie is hier een soort van archeologie, het blootleggen van de wereld in al zijn naaktheid en zelfs zijn waanzin. Wat te denken van:
de wereld werd ontworpen door een gek
het onbepaalde, als muziek gaat het
voor je uit
er is geen volgorde, geen woord
in een ogenblik zal alles blijven bestaan
tastbaar als een voorwerp (p. 18)
Tastbaar als een voorwerp is ook de weerstand aanwezig, een onderhuids verweer tegen de wereld zoals die momenteel is: niet te goeder trouw, badend in een alomtegenwoordigheid van leugens en bedrog. Vandaar
bedenk de slechte mensen die
de wereld vullen
die nooit doordringen tot
zuiverheid
een melancholisch verzet geeft
betekenis
ik los er in op (p. 23)
Poëzie krijgt gestalte als een melancholisch verzet tegen het verstoorde landschap van de hedendaagse ziel. Om het demonische in de bundel te verbeelden grijpt Erick Kila terug op de “Mythe van de Schreeuwuill” die haar oorsprong vindt in de Griekse mythologie, waarbij uiteindelijk de bewaker Ascalaphus omwille van zijn verraad van Persephone permanent veranderde in een Schreeuwuil. Sindsdien is hij de heilige vogel van de onderwereld en geldt zijn ijzingwekkende roep als een direct voorteken van verraad, naderend onheil en dood. Het gedicht borduurt hierop voort: Hij krijst zich tot gestalte/van het kwaad/sluimer onder eeuwen/het is ooit afgesproken/de Schreeuwuil en de nacht/zij beheren de angst(p. 24).
Doorheen de bundel blijft de minimalistische toonzetting boventoon voeren. Dichtkunst leidt hier steevast tot een verdichting van de taal. Waardoor alledaagse woorden in een onverwacht poëtisch spanningsveld worden geplaatst. Op deze wijze ‘hertaalt’ Erick Kila op onnavolgbare wijze de werkelijkheid, door de taal zelf extreem te verdichten. Door tegelijk woorden in een vreemd verband te plaatsen, zodat er een uniek, soms sterk ironisch en bijna absurdistisch toetsenbord van het onwezenlijke ontstaat. Zo staat op p. 26 en titelloos, een kort in het cursief gedrukt, gedicht, dat deze uiterste verdichting met verve belichaamt en zeer onvoorspelbare poëzie oplevert:
leg de woorden desnoods in
een hoek van de waanzin
in het gemurmel van de beschaving
niemand die het merkt
Als er een thema terugkeert dan is het de vergankelijkheid, het verloop van de tijd, de herinnering, het verdwijnen, wat bij Erick Kila al snel een verdwijnen is in het niets. Maar de heimwee blijft, zoals in het prachtig nostalgische gedicht
Ingekleurd
van oude chemie
zwart wit van het verdwijnen
de straat, de grootouders
mensen van stilte
het gedachtenvenster ziet hen
vreemd aanwezig
nog suizelt hun stem
achter de werkelijkheid (p. 33).
Dit is markante poëzie die onze aandacht en erkenning verdient. Een poëzie waarbij soms één enkele keer het gedicht door de extreme verdichting te weinig adem krijgt. Maar doorgaans is het poëzie die als “de adem van de zee” voorbijtrekt, door niemand begrepen en toch doorvoeld. Door het niets bewogen, bijna als het geruis van de wind. Door de kracht van het onvoltooide. Tegelijk is het een poëzie die getuigt van zelfbewustzijn, van zelfreflectie, altijd bereid om een spiegel te worden van zichzelf, zonder hierbij programmatisch te worden of te voorspelbaar. Getuige hiervan het sleutelgedicht:
Eromheen
ergens, diep in het andere,
ligt misschien een verhaal
onbewerkt
de eenvoud van het fragment
uitsnede van verwachting
eromheen het geruis van wind
en betekenis (p.36).
Erick Kila, Het geruis van wind en betekenis, 54 bladzijden; Amforeas,
Dordrecht, 2026.. ISBN/EAN: 978-94-03888-04-0; Prijs: 15 euro.
















