vrijdag 9 april 2021

De actualiteit van Charles Baudelaire - Alain Delmotte

Het is vandaag net tweehonderd jaar geleden dat Charles Baudelaire (9/04/1821-31/08/1867) werd geboren. Dit wordt op allerlei manieren herdacht. Al vind ik het jaar van publicatie van ‘Les fleurs du mal’ met name 1857, eigenlijk boeiender. (Ik zal dat, jammer genoeg, in 2057 niet mogen meevieren). 1857 is eveneens het jaar waarin ‘Madame Bovary’ van Flaubert verscheen. De auteurs van beide boeken kregen een gerechtszaak aan hun been: Flaubert won en Baudelaire verloor (wat deel is gaan uitmaken van de mythe en cultus rond de dichter).

Het 200° geboortejaar wordt gevierd met nieuwe publicaties, tentoonstellingen en wat nog meer. In ons taalgebied worden nieuwe en/of herwerkte vertalingen verwacht. Zelf kijk ik uit naar de vertalingen van Menno Wigman die naar verluidt weldra bij Prometheus zullen verschijnen.

Ook kranten laten van zich horen. Ik sta stil bij de ‘Standaard der letteren’. In de krant van vrijdag 3 april las ik twee artikels. Eén van Paul Claes die een algemeen beeld van Baudelaire schetst en één van Marijke Arijs die de recent verschenen keuze uit de brieven van Baudelaire bespreekt (‘Mijn hoofd is een vulkaan’, vertaald en geannoteerd door Kiki Coumans, Privédomein, Arbeiderspers – warm aanbevolen).

Wat meteen opvalt zijn de kwalitatieve verschillen tussen beide artikels. Maar dat is wellicht een misplaatste opmerking. Het artikel van Arijs is een journalistiek stuk, dat van Claes een column. Wat Claes meer bewegingsvrijheid bood dan Arijs werd gegund. Het belet niet dat het stuk van Claes de recensie van Arijs met het hem typerende dédain opzij lijkt te schuiven – al was dat waarschijnlijk niet echt de bedoeling.

In het begin van haar artikel schrijft Arijs het volgende: ‘Charles Baudelaire is in ons taalgebied nooit erg populair geweest. Het duurde tot de jaren 80 van de vorige eeuw voor er een degelijke vertaling van zijn Bloemen van het kwaad beschikbaar kwam’. Dat moet genuanceerd worden. Claes verwijst naar een vertaling van Bert Decorte uit 1946. Al kan die vertaling niet bepaald als briljant worden omschreven. Degelijk is inderdaad anders. Althans naar de vertaalnormen van nu. Decorte had zijn verdiensten.

Wat die populariteit betreft: wat houdt populariteit precies in? En hoe populair is poëzie? Dat lijkt me moeilijk te meten. Althans niet op basis van verkoopcijfers, neem ik aan. Er worden nu eenmaal meer kookboeken verkocht dan vertalingen van Baudelaire. Maar hoe zat het bij onze dichters? In zijn artikel merkt Claes op hoe belangrijk de invloed van Baudelaire op de tachtigers is geweest. Invloed van Baudelaire onderkent hij terecht bij Karel van de Woestijne ‘voor zijn poëzie vol zinnenroes, levenswalg en mystiek’. Hij signaleert het gedicht ‘Aan een onbekende vrouw’ van Van Ostaijen dat expliciet herinnert aan ‘Une passante’ van Baudelaire. Een gedicht uit 1914. Toen Van Ostaijen nog Van Ostaijen moest worden. Hij wijst er ook op dat de poëzie van Menno Wigman met elementen van Baudelaire doordesemd is. Dit lijstje zou zeker kunnen worden aangevuld. Voldoende om te concluderen dat Baudelaire dus niet zo onpopulair was als op het eerste gezicht lijkt. Althans bij de dichters.

Er is nog een niet te onderschatten factor die de late vertalingen verklaart. Claes vermeldt dat in de schoolboeken die bij de Franse lessen hoorden en waarvan zijn Jezuïetenschool gebruik maakte meerdere gedichten van Baudelaire te lezen stonden. Is dat één van de bijkomende redenen waarom vertalingen zijn uitgebleven: omdat het Frans in Vlaanderen (en zou ik mogen stellen ook in Nederland?) lange tijd de tweede taal en bij sommigen zelfs de voertaal was? Dat er daarom minder nood aan vertalingen van Baudelaire was?

Dat Claes werd aangesproken om iets over Baudelaire te schrijven, is geen verkeerde keuze. De man beschikt over grote deskundigheid wat bijvoorbeeld de Franse poëzie uit de 19de eeuw betreft. Zijn eruditie verbluft. Een man op zijn plaats, ja - al betreur ik zijn latent gebrek aan bescheidenheid. Hij weet werkelijk alles en de lezer weet uiteraard niets. Terwijl hij toch ook wel eens open deuren intrapt (zoals in het geval van T.S. Eliot) of er met de grove borstel doorgaat. In dit geval: in de manier waarop hij Baudelaire met de Franse zanger en mediafiguur Serge Gainsbourg vergelijkt. (Waarbij Brigitte Bardot de rol speelt van Madame Sabatier en Jane Birkin die van Jeanne Duval? Wie zou dan ‘l’affreuse juive’ kunnen zijn?)

De keuze lijkt me vrijblijvend. Claes had evengoed Léo Ferré kunnen uitkiezen. Die heeft meerdere gedichten van Baudelaire op muziek gezet. Sommige teksten van Ferré ademen helemaal Baudelaire uit (terwijl Rimbaud in de verte meeklinkt). Zeker tussen Charles en Serge zullen er ‘correspondances’ en enkele ‘decadanses’ te bespeuren vallen. Volgens Claes hebben Gainsbourg en Baudelaire o.m. dezelfde dandyeske manier van provoceren gemeen.

Het dandyeske gedrag van Baudelaire wordt vaak in de verf gezet en daarmee aangedikt. Voor de anekdotiek daaromtrent ben ik gevoelig maar in het besef dat het anekdotiek is. Het ‘poète maudit’ aspect van Baudelaire, daar ik kan me meteen overheen zetten als ik zijn geschriften lees. Wat in zijn tijd als ‘zedenschennis’ werd ervaren, is het vandaag niet meer. Aan de fixaties van Baudelaire op ‘prostitutie, sadisme, fetisjisme’ heb ik nog weinig als ik in 2021 zijn gedichten lees. Het is in ieder geval niet de reden waarom ik hem herlees. Het is niet zozeer de dandyeske houding die me aantrekt maar wel de implicaties ervan in zijn geschriften. Hoe hij de fundamenten ervan in zijn geschriften motiveert en uitvoert. Niet de pose van de dichter, maar hoe de poëzie van de dichter zich positioneert.

De zogenaamde provocaties van Gainsbourg hadden trouwens iets dépassé en déjà vu. Het zijn geen provocaties: het was spektakel, het was amusement. De inzet is bij Baudelaire van een totaal andere aard want van een andere tijd: onder meer waren er toen nog geen televisiecamera’s in de buurt! Dat maakt een groot verschil uit. Gainsbourg kon naar believen hees en vals zingen, zich kapot roken en zich bewusteloos zuipen terwijl de goegemeente op het scherm meekeek en daar dan de volgende dag op het werk of bij de bakker therapeutisch schande kon over spreken.

Hoe zelfdestructief beiden ook mogen zijn, puur artistiek gesproken staat Baudelaire stukken hoger op de ladder dan Gainsbourg. En dat weet niemand beter dan Claes zelf. Maar hij weet er zijn column wat pit mee te geven in een poging om, zo schat ik in, Baudelaire te actualiseren. (Wat niet hoeft uit te sluiten dat Gainsbourg een vernieuwend chansonnier is geweest.)

Het is bekend dat Claes gedichten geen geheimen gunt. Op elk gedicht past een sleutel. Het gedicht is een gesloten circuit aan betekenissen. Alles valt te verklaren, alles moet verklaard worden. Hij stroopt graag de huid van het gedicht af: dat is dan zijn trofee. In zijn artikel lezen we het volgende: (…) ‘les chats’ het meesterlijke sonnet dat zelfs het structuralistische scalpel van Roman Jacobson overleefde’. En dat terwijl Claes zelf maar al te graag van een scalpel gebruikt maakt, structuralistisch of niet.

Claes zinspeelt op een artikel van Roman Jakobson dat hij samen met Claude Levi-Strauss (respectievelijk de linguïst en antropoloog/structuralist) had geschreven. Ik geef hierbij een link naar die tekst   : https://www.persee.fr/doc/hom_0439-4216_1962_num_2_1_366446. Wie dit artikel wil lezen, wens ik veel succes. U weze verwittigd: het gedicht wordt compleet kaalgeplukt.

Dit artikel zorgde ervoor dat ‘Les chats’ het meest geanalyseerde gedicht van de anders al flink geanalyseerde Baudelaire werd. Ik moet bekennen dat het gedicht – los van de commentaren die het uitlokte – mij nooit heeft aangesproken: er zijn zoveel andere gedichten en teksten in het werk van Baudelaire die tot mijn persoonlijk lectuurpatrimonium zijn gaan behoren. Het artikel zorgde ettelijke jaren voor de nodige polemieken. Tegenstanders en voorstanders vochten het verbaal uit. Er werd zwaar en hard over gekibbeld en gekakeld in de academische kippenren. Het gerucht ging dat Jakobson en Strauss deze tekst hadden bedacht tijdens een dinertje waarbij de glazen meerdere keren werden bijgevuld. Dit artikel zou dus als een soort frats zijn bedoeld. Of dit klopt weet ik niet. Laten we het als legende beschouwen.

Belangrijker lijkt de vraag wat buitenstaanders, de modale Baudelaire-lezers aan dit gegeven hebben? Ik citeer hier een tegenstander van dergelijke al te linguïstisch-structurele analyses. Michaël Riffaterre: ‘Aucune analyse grammaticale d’un poème ne peut nous donner plus que la grammaire du poème’. Geen enkele grammaticale analyse van een gedicht kan ons niet meer opleveren dan de grammatica van het gedicht’. Vaststellen dat een cirkel rond is.

De manier waarop Claes zich van de versificatie-retoriek bewust is en die mee laat spelen in zijn doorlichtingen, is zeer inzichtelijk, zeer virtuoos en zeer indrukwekkend maar au fond heb ik er als lezer weinig aan. Niet dat het geen nut zou hebben: zoiets moet nu eenmaal gebeuren al was het maar om al te vergezochte interpretaties en extra-literaire inkapselingen te vermijden (en bij Baudelaire dreigt dit gevaar). Zo’n een analyse neem ik mee en laat die op de achtergrond woelen als ik dan het gedicht herlees. Het kan dus wel degelijk verhelderend werken. Maar het zegt niets over de innerlijke verrukking, de spankrachtige zang, de aanspreekbaarheid van een gedicht. Ik sta niet in bewondering over hoe miraculeus en inventief een versregel in elkaar kan steken. Waar het mij om te doen is: op het effect dat het vers op mij heeft, hoe het zich in mij inwerkt, deel van mijn geheugen wordt. Het gaat mij om de manier waarop het zich lichamelijk kan laten beleven.

Ik probeer altijd na een dergelijk en degelijke analyse het gedicht heelhuids en synthetisch terug te winnen. Ik hoef niet altijd alles te begrijpen of te plaatsen. Er zijn nu eenmaal gedichten die een lezer in het ongewisse laten – en wat mij betreft maakt dat nu eenmaal deel uit van het leesgenot.

Wat mij blijvend aantrekt in Baudelaire: de lyrische opstoot, de zure terugval. Zijn bipolaire kant, zoals Claes suggereert. De poëzie die in al zijn ander werk omwingerend is terug te vinden. In zijn essayistiek, zijn moralistische notities, zijn correspondentie, zijn onafgewerkt gebleven plannen. Er is altijd wel een woord, een zin, een fragment te vinden dat mij met de taal, die zinnelijke taal van hem, verbijstert om niet zeggen bedwelmt.

De coup de foudre voor Baudelaire overkwam mij op mijn zestiende toen een Franse leraar aan het conservatorium het gedicht ‘Le balcon’ voorlas. Sindsdien hou ik Baudelaire mentaal altijd bij mij. Er staan in ‘Les fleurs du mal’ gedichten die ik steeds weer ter hand neem. De spleen-gedichten bijvoorbeeld. ‘L’examen de minuit’ (heerlijk om te lezen na een rotdag – het kalmeert: Vite soufflons la lampe, afin/De nous cacher dans les ténèbres! ), het overgevoelige en ontroerende ‘La servante au grand coeur’. Van de cynische snedigheid van ‘La Charogne’ krijg ik maar niet genoeg. En vele andere meer. Maar mijn absolute voorkeur gaat natuurlijk uit naar ‘Les poëmes en prose’. Hoeveel keer herlas ik die niet. Als ik die herlees is het alsof ik alsof ik die voor het eerst lees. En dan zijn er zijn essays: die ik lees alsof het (proza)gedichten zijn. Le vin en Le hachisch uit ‘Les paradis artificiels’. Zijn opstel over Wagner (als je dat gelezen hebt, beluister je Wagner niet meer op dezelfde wijze). ‘Le peintre de la vie moderne’ (over de schilder Constantin Guys, waarin een onmisbare passus over het dandyisme staat). Het is maar een greep.

Hoe zit het nu met de actualiteit van Baudelaire? Ach, ik stel me die vraag niet eens. Lees hem en merk het zelf op. Je hebt er Gainsbourg niet voor nodig. Ezra Pound kan daarbij wel even helpen: Literature is news that stays news


© Alain Delmotte














dinsdag 23 maart 2021

Dit zijn de vijf!

De shortlist van De Grote Poëzieprijs is gisterenavond bekendgemaakt! Dit zijn de vijf! Binnenhalen die bundels! Als je dat al niet eerder zou hebben gedaan, tenminste.

Al betekent dat heel zeker niet dat je - te beginnen met de longlist - niet nog een aantal andere sterke dichtbundels die zijn verschenen in dat gezegende coronajaar 2020, (en wat ons betreft netzogoed op de shortlist hadden kunnen prijken) in huis moet halen!

Meer over de vijf genomineerde bundels lees je alvast hier.

Alfred Schaffer aan wie net de Herman de Coninck-prijs werd toegekend, is er opnieuw bij. Toeval? Nee hoor!

#degrotepoëzieprijs  #prijsdepoëzie



zaterdag 20 maart 2021

Sacha Beernaert wint De Gedichtenwedstrijd.

De Gedichtenwedstrijd, Editie 12, heeft tijdens een online-zoom-uitreiking haar geheimen prijsgegeven.

Drie dichters vallen in de prijzen: de derde prijs gaat naar het gedicht ‘100 songs every 2000's kid will remember’ van Elianne van Elderen, de tweede prijs is voor 'Chaos', een sonnet van Gerda Posthumus en met het gedicht 'Mummie' wint de Vlaming Sascha Beernaert de hoofdprijs van €10.000.

Alle verdere info zoals het juryrapport en de gedichten uit de Top100 lees je op de Prijs de poëzie-site.

Het Poëziecentrum bundelt naar goeie gewoonte de Top100-gedichten. Dit keer kreeg de bloemlezing de wat softe titel "In donzen dromen" mee.




donderdag 18 maart 2021

Hommage aan Henri Chopin - Hendrik Carette

Hommage aan Henri Chopin
(Parijs, 1922 – Norfolk, 2008)


voor Dr. Herman Sabbe

Zijn graf en zijn urn of cenotaaf
wil ik rood verven met zijn Rouge
en bij elke indigestie wil ik zijn Digestion.

Deze Parijzenaar was geen zachte pianist
en componist
(Chopin copain. Le son sonore)
met de verkeerde voornaam.

Wie luistert hier en daar
nu nog naar zijn audiopoems?
Misschien iemand die langdurig hikt
en bijna stikt
in de stilte van ergens een verlaten straat.


© Hendrik Carette

 

 

woensdag 17 maart 2021

Een schat aan keien - Guido Eekhaut

Tille Ambrose zit achterin de auto, haar ouders voorin. Ze is tien, of elf. Ze draagt een kort shortje en een T-shirt, dat krap om haar ontluikende lijfje zit. Het is vakantie, het is warm, ook in de auto. Vader wil de airco wel op, maar niet te koud. De bagage past allemaal in de kofferruimte, dus heeft Tille de achterbank voor zich alléén. Ze hoeven niet veel mee op reis te nemen: een week, en wie draagt er met dit weer veel kleren? Een week vakantie, van zondag op zondag, is al heel wat. De meeste mensen gaan niet meer met vakantie. Het is een heel andere wereld dan toen wij jong waren, zegt moeder. Toen namen de mensen zelfs het vliegtuig om verre reizen te maken. 

      Het huisje kijkt uit over het strand, heeft twee slaapkamers en een douche. Alles is er netjes, proper, volledig. Zelfs de kamers zijn leuk ruim. Moeder gaat geen eten maken — er zijn verschillende eethuisjes in de buurt. Tille is er gerust in, ze komt niet van de honger om. Toen wij jong waren, zegt vader, las je over miljoenen mensen die honger leden. Dat is nu niet meer. De dingen zijn allemaal anders geworden. Kinderen weten niet meer hoe het vroeger was, ze leren daar op school ook niet over.      

     Er is geen zand op het strand, alleen keien. Dat valt Tille tegen: ze herinnert zich andere stranden, en daar was altijd zand. Hier zijn er alleen maar miljoenen keien, zoveel als ooit mensen honger leden. Ze telt ze niet, maar neemt aan dat het er miljoenen zijn. Allemaal keurig afgerond keien waar je je blote voeten niet aan kunt openhalen. Er zijn kinderen en volwassenen op het strand, maar omdat dit een keienstrand is, is het aantal bezoekers beperkt. Dat valt dus best mee, zegt moeder, dan heb je des te meer plaats om te spelen. En die keien kan Tille op elkaar stapelen, een kasteel bouwen dat zelfs de zee niet kan wegspoelen.

       Een stenen kasteel, zoals de ruïnes die ze onderweg passeerden. Tille weet dat je cement moet hebben om met stenen een kasteel te bouwen, anders stort het ooit wel in, want die stenen zijn rond en glad en passen helemaal niet op elkaar. Ze heeft gelezen van oude beschavingen die stenen gebouwen maakten zonder cement, door grote rotsblokken in de juiste vorm te slijpen tot ze netjes op elkaar pasten. Ze deden dat zo goed, dat vandaag architecten en ingenieurs zich daar nog altijd over verbazen.

       Dat moet vele jaren gekost hebben, denkt Tille. Zij is hier maar één week. Haar bescheiden en onvolmaakte bouwwerk overleeft niet langer. Ze gaat geen beschaving stichten.

       Tussendoor leest ze een van de boeken die ze meebracht. Er zijn altijd genoeg boeken in huis. Ook ’s avonds leest ze, want behalve ergens gaan eten is er hier niet veel te doen. De andere vakantiewoningen liggen een eindje verder en er lijken bijna alleen maar volwassenen te logeren, veelal oudere mensen, geen kinderen. Dit is niet het juiste soort strand voor kinderen.

       Halverwege de week passeert een man, terwijl ze met die keien aan het bouwen is. Ze draagt haar donkerblauwe bikini en heeft al een lekker kleurtje. De zon is haar genadig en ze wordt heel snel bruin, zonder eerst langs rood te passeren.

       De man heeft een kleine tas bij zich die er zwaar uit ziet. Hij bewondert haar kasteel, maar hij blijft op een afstand, alsof hij niet bedreigend wil overkomen. Hij draagt een jeans en sneakers, en een wit polohemd. Hij is nog niet oud, schat Tille. Misschien is hij zelfs jonger dan vader en moeder. Hij verzamelt keien, zegt hij, en heeft hier op het strand al enkele prachtexemplaren gevonden. Wil Tille ze zien?

       In de tas liggen een tiental keien, en hij haalt enkele eruit, alsof het grote edelstenen zijn. Een man die keien verzamelt, dat begrijpt Tille niet. Er liggen miljoenen keien op het strand — waarom zou iemand er daarvan enkele uitkiezen en meenemen?

       De man vertelt haar dat elke kei een apart verhaal te vertellen heeft. Elke kei raakte los uit de bodem of uit een grote rots, kartelig en scherp. Maar in het water en op het strand werd hij gaandeweg afgerond. Hij werd geslepen en gepolijst door water, grind en andere keien. Daar had hij zelf niets over te zeggen, die kei. Het gebeurde gewoon, en het nam veel tijd in beslag. Langer dan de levensduur van koninkrijken, maar gewoon heel traag.

       Tille geeft toe dat ze op die manier nooit over keien dacht, als individuele voorwerpen met elk een eigen verhaal. Zij ziet ze als een strand, maar de man ziet ze als aparte keien. En daarom, zo zegt hij zelf, is hij in staat de mooiste van die keien te vinden. Zo komt hij dus aan die verzameling. Maar hij is selectief. Hij heeft hier nu een tiental keien in die tas, maar uiteindelijk houdt hij aan dit bezoek slechts één of twee keien over. Misschien ook wel geen.

       Dat begrijpt Tille best. Anders heeft hij thuis al gauw veel te veel keien, en wat doe je daarmee? Je kunt er toch niet een kasteel mee bouwen.

       Wel in mijn verbeelding, zegt de man. In zijn verbeelding kan dat allemaal.


© Guido Eekhaut


Guido Eekhaut schrijft romans en kortverhalen in het Nederlands en het Engels, in verschillende genres, ook voor jongvolwassenen. Hij kreeg de Prijs van de Stad Brussel en de Hercule Poirot Prijs, en werd genomineerd voor de Gouden Strop en de Diamanten Kogel.






maandag 15 maart 2021

Lille, 15 maart 1971 - Patrick Cornillie

Lille, 15 maart 1971

Een jongen van tien was ik, dwepend met
een vrolijke snuiter die in Leicester triomferend
over de finish reed. Zo sierlijk en zo soepel,
druipend van klasse, een engel op de fiets.

Een jongen van tien was ik, die geloofde in
een onsterfelijke kampioen die won en won en won.
Tot ik, niet eens zeven maanden later, de foto zag
in de krant. Van die renner in regenboogtrui, koud

op het koude beton. En plots besefte: na dit alles
volgt nooit nog iets. Blijft dood onherroepelijk dood.
Languit en vleugellam, een streepje bloed langs
de wang. Nooit kleurde een zwart-witfoto zo rood.


© Patrick Cornillie





zondag 14 maart 2021

Een lange weg naar herstemming

Recensie van Alain Delmotte over 'Langzame zon' van Sacha Blé

In het mooie en onderschatte prozagedeelte van de bundel ‘Zie maar’ (onder de titel ‘Van alles het essentiële. Aan Gust De Smet (1877-1943)’) van Sacha Blé uit 2010 lezen we een
Langzame zon van Sacha Blé

lange brief van de dichter gericht tot de schilder Gust De Smet. Deze in drie delen uitvallende tekst is - bij mijn weten - de enige tekst waarin we het schrijfkabinet van Blé mogen inkijken en waarin we wat te weten komen over wat hem tot het schrijven van poëzie aanzet, over zijn ‘leidmotieven’, zijn stilistische methodiek, zijn leef- en werkwijze, zijn plaats in de wereld, in de tijd.

We lezen er volgende verhelderende passus: ‘Om aan vrienden en familie uit te leggen wat me met mijn gedichten voorstaat, verwijs ik altijd naar twee passages uit de brief van (d.w.z. Gust -De Smet) van het begin van de jaren twintig aan een toenmalige buitenlandse bewonderaar en mecenas. Het eerste brieffragment gaat als volgt: ”Wat mijn werk in het algemeen aangaat, is mijn betrachten om alles zo sterk mogelijk uit te drukken, niet een stukje natuur nabootsen, maar ieder schilderij bijna een synthese te geven. Daarvoor is dus in de eerste plaats nodig een sterke opbouw te bekomen, simpel en constructief, geen kleine details, van alles het essentiële over te houden. Op die manier krijgt het werk veel meer diepte en kracht dan van gelijk welke andere richting. De tweede alinea die ik altijd citeer is de volgende. “Ik arbeidde door met den wensch mij stap voor stap te ontdoen van alle cliché’s en van alle goedkoope kunstgrepen. Voortaan wil ik mij inspannen het innerlijk leven te vertolken, met den groots mogelijken eenvoud”’.

In dit citaat herkennen we veel van hoe de poëzie van Sacha Blé zich formeel heeft ontwikkeld: weg van alle fiorituren, arabesken, grootspraak, mom. Poëzie is schrappend schrijven (‘dat schrijven gelijk staat aan schrappen’, zoals hij dat in diezelfde brief noteert), een zwijgend spreken waarbij enkel ruimte wordt gegeven aan de kern van wat uitgedrukt moet worden en van wat zich wil laten uitdrukken. De kern van het innerlijk leven. Dat schrappen is eigenlijk al vanaf zijn eerste bundel aan de gang. Breedvoerigheid en (retorische) pose is deze dichter altijd vreemd gebleven.

Wat in zijn nieuwste bundel ‘Langzame zon’ verrast is de onomwonden compactheid waarmee dit thans gebeurt. De syntaxis wordt waar het kan of moet afgeschud. Eénwoordzinnen en neologismen dringen zich dan op. We vinden nog andere elementen terug: de ellips, de reductie, de verticaliteit, grammaticale kortsluitingen, het wit. Uiteindelijk betreft dit middelen die we uit het minimalisme kennen. (De talrijke neologismen deden me trouwens vluchtig aan de poëzie van August Stramm denken.)

Die opduikende stilistische middelen (samen met de soms aanwezige repetitio en anafoor-reeksen) wekken een veel stevigere en heftigere ritmiek op dan dat we van Blé gewoon zijn. Het geheel krijgt hiermee een bijzonder dwingend, bezwerend en expressief karakter. In veel van zijn vorige bundels viel een soort bij het parlando aanleunend en deinend gefluister op. In deze bundel is dat minder het geval. Er wordt niet gemijmerd: er wordt uitgesproken! Wat resulteert in bijvoorbeeld het volgende gedicht:

Ik, toen: pruim, peer,
dode tak.

Ik, toen: sleedoorn, duinhoorn
meidoorn, braam.

Ik, toen: bok, kraai,
teek, darm.

Ik, toen: zonder
schietlood.

Enige context bij dit gedicht. Het is het tweede gedicht uit een drieluik met de titel ‘Droge zon’, dat op zijn beurt deel uitmaakt van de eerste cyclus van de bundel ‘Lange weg – zelfportretten’. De syntaxis lijkt in dit gedicht (omwille van een al te ‘droge zon’?) verdampt, weggebrand, uitgezuiverd, vrij van schijn. Blijven slechts skeletachtige residuen over: een ik, een toen, elementen van herinneringen aan een aardse, vruchtbare omgeving, herinneringen in ‘ongerepte staat’, zonder schietlood. Een gedicht dat past bij de vraagstelling die in het eerste gedicht van de reeks te lezen staat:

(…) Vergeetboot:

Waar was ik, waarom was ik
De voorbije dertig jaar,

Waar mijn zomerziel, mijn zonnepraten,
Mijn schokschouderen, en schapenvacht?

Verzen die sterk in contrast staan met het schrale van het eerst geciteerde gedicht. Hoe reductionistisch ze ook voorkomen: het gaat niet ten koste van het lyrische opvliegen. In positieve of negatieve zin (in rijzende extase of in vrije val) blijft beroering in de buurt.

Ik stel nu niet dat deze bundel een taalgerichte bundel is, al valt die wel in zijn radicaliteit op. Maar het typeert het proces waaraan Blé onderhevig blijkt te zijn. Een minimalist – zoals die zich liet onderkennen in de jaren zestig en zeventig van de voorbije eeuw – is hij niet, wordt hij nooit. Hij streeft niet die absolute taalautonomie na: het menselijke laat hij niet los. De esthetische ervaring blijft aan een ethische ervaring gekoppeld. Een soort van engagement is hem eigen. En al zeg ik dat met de nodige nuance: poëzie impliceert voor hem een introspectieve zoektocht, ‘een lange weg’ naar ‘herstemming’, naar een ik zonder ‘ik’.

Hoezeer reik ik naar een nu
Dat me in mijn diepte

herstemt, een niet-ik
Dat me open laat en gretig verkent.

Zo klinkt het in een gedicht dat is opgedragen aan de jonge boeddhist Giel Foubert die op zestienjarige leeftijd naar een boeddhistisch klooster in Indië trok om er monnik te worden. Iets wat m.i. met te veel tromgeroffel in de media kwam. Maar goed: het moet de dichter toch sterk hebben aangesproken aangezien, zoals hij schrijft in het gedicht ‘Blokhut’, hijzelf op kluizenaarsleefijd is gekomen:

Doel nummer één nu voor mij:
rijstebrij of te wijken
van mezelf tussen de zonen
aan de zijde van Iele vrouw Wijs
Op weekdagen tussen tien en drie,
Ben ik wèl helemaal van mezelf.
Als dat mag volstaan. Als karma of leer.

Waaruit ik concludeer dat die blokhut tussen tien en drie wellicht zijn schrijfkabinet zal zijn. Poëzie, niet als ‘rijstebrij’ maar als spirituele evenwichtsoefening: dat bedoelde ik met ‘ethisch’. Maar we lezen uit deze verzen nog iets af. Dat deze poëzie, deze potentiële spiritualiteit niet wereldvreemd is: Blé implementeert zijn gedichten (en dat was al zo in zijn debuut) in zijn particulier levenskader waarbij elke te expliciete anecdotiek of belijdenis wordt geweerd. Waarmee ik niet wil zeggen dat het anecdotische of belijdende niet aanwezig zou zijn: ze sluimeren in de schaduw van deze teksten. Het particuliere hoort bij het ‘zijn’, bij wat verwoord moet worden. Wat in deze context geschrapt wordt, verbreedt het particuliere, lengt het particuliere met ruimere interpretatievelden uit.

Deze poëzie brengt met grote gevoeligheid de nabije omgeving van de dichter in woord en in beeld. Het is niet zomaar wat decorum: het is net dat wat de dichter bevraagt, het is in dit gegeven dat de dichter naar een essentie peilt.

In veel van zijn bundels wordt gecelebreerd en gememoreerd. Af en toe gebeurt dit tegelijkertijd. Ook nu weer. Bijvoorbeeld in de in memoriam gedichten voor zijn vrienden ‘Thomas’ en ‘Hugo’: ze worden aanroepen alsof de dichter ze weigert los te laten – in zijn herinnering blijvend gestut moeten worden. Die gedichten hebben een bijna incanterend karakter. Het leven, de hartslag worden gecelebreerd. Onder meer in het gedicht ‘Beman mij, hart’:

Klis mij, Koekoeksjong,
Maartse zon,

ding naar mij oneindig,
Kleilaag, Braambos.

Verklik mij, Tenor
Levinas,

rook mij uit, damp mij in,
Vrije Uitloop Stal.

Giet mij uit,
Modderbad,

ding naar mij, oneindig,
beman mij, Hart -

In de tweede cyclus ‘Hotel du Soleil’ (waarin we beklijvende gedichten lezen - het hoogtepunt uit de bundel) wordt een ‘moeilijke gestorvene’ herdacht:

Pronte schoon ma
Zwemles- en choco-oma
balorige raaf:
bezink in mij –

Het verhaal van een rouwverwerking, ja, maar ook het verhaal van een dure, duurzame en voortdurende zoektocht naar licht – nog een constante in Blé’s werk. De zon verschijnt alom en in verschillende vormen in deze bundel: ze is mal, traag, droog… Ze kraait. Ze is een vlecht, een paard, een spiegel, een tafel… Kortom iets waaraan het ons niet mag ontbreken, iets dat niet in gebreke mag blijven?

Een recensent omschreef onlangs de poëzie van Blé als hermetisch. Dat doen recensenten wel vaker als ze niet meteen zicht en greep op een poëtisch geschrift krijgen. De poëzie van Blé is in geen geval ‘hermetisch’ in de betekenis van ‘gewild duister’. Blé richt zich niet tot een kaste van ‘ingewijden’. Hij tendeert naar de groots mogelijk eenvoud – zoals dat het geval is in het geciteerde gedicht uit ’Droge zon’. Eenvoud: ja, als dat tenminste niet ten koste gaat van de gelaagdheid die poëzie nu eenmaal kenmerkt.

Ik citeer opnieuw uit zijn brief naar Gust De Smet: ‘ik wil een overtuigend evenwicht zien tussen verstilling en bewogenheid, tussen aangeboren eenvoud en onvermijdelijke gecompliceerheid’. Aangeboren eenvoud en onvermijdelijke gecompliceerdheid: wat een rake omschrijving voor waar het de poëzie om te doen is.

Het is waar: poëzie geeft zich niet zomaar prijs. Gedichten zijn geen journalistieke stukjes of snelle happen. Zoals ik al meerdere keren schreef: een gedicht lees je niet, maar herlees je. En je herleest zolang totdat je het gevoel hebt dat je met dichter het gedicht mee aan het schrijven, mee aan het beleven bent. Met het versluierde en het verzwegene die gedichten nu eenmaal eigen zijn.

De recensent ergerde zich ook aan de aantekeningen die zich achteraan het boek bevinden. Ik citeer: ‘Te veel moet de lezer aan het werk met gedichten die uit een stapeling van begrippen bestaan. Dat levert een persoonlijke ontdekkingstocht voor de lezer op, maar het dwingt hem ook voortdurend te bladeren naar de ‘Aantekeningen’ om allerlei zaken op te zoeken.

Het bladeren naar die aantekeningen is misschien vervelend bij een eerste lezing. Bij meerdere lezingen is dat niet meer nodig. Trouwens die aantekeningen zijn puur informatief en hebben geenzins de bedoeling om de gedichten te ontsluiten.

Twee voorbeelden: als in een gedicht het woord ‘Pali’ valt en je leest dat dit de taal is van het oudste boedhisme – dan assimileer je dat toch meteen? En dat ‘Hugo’ uit het gelijknamige gedicht iemand was die in een blibliotheek heeft gewerkt, is interessant om te weten maar eigenlijk kon je het zo uit het gedicht aflezen. Hoe gereduceerd deze gedichten lijken, ze bieden veel te lezen aan interpretatieruimtes. Handvaten bieden de juxtaposities van de vier citaten die in het eerste gedicht worden aangeboden (en op de achterflap van de bundel is terug te vinden). Wie ze goed leest, kan ze bij de lectuur mee laten resoneren. Het eerste citaat is van Adorno (‘Juist leven is onmogelijk/in een valse wereld’) komt in het laatste gedeelte van het laatste gedicht terug (juist leven is onmogelijk,/ ja Adorno) wat de bundel een afgeronde structuur geeft.

Je vraagt je bij de lectuur van deze gedichten af: zou het leven nu echt onmogelijk zijn? En als lezer denk je: is het nu net niet de uitdaging van deze poëzie om via de omweg van de taal het leven weer voor mogelijk durven te houden? Poëzie die zich verweert en een eigen ‘lange (om)weg’ gaat. Ik wens dat deze bundel van Sacha Blé hem nieuwe lezers oplevert. 


© Alain Delmotte


 ‘Langzame zon’, Sacha Blé, Stichting De kaneelfabriek, 2020, 46 blz, €16,75, ISBN9789083099521

Stichting De kaneelfabriek
Sacha Blé bij Digther
Meander-recensie 'Langzame zon'



zaterdag 13 maart 2021

Het boekje van de dichter - Reine De Pelseneer



Ook Reine De Pelseneer kent het geluk om af en toe een dwingend idee snelsnel in "Een boekje van de dichter" neer te pennen! Op haar Instagram-pagina schrijft ze daarover:

Elke keer hetzelfde scenario: ben ik volop aan een manuscript aan het werken, komt er dwingend een nieuw idee op de deur kloppen. Jong, fris, verleidelijk. Dat idee roept steevast heel hard: ‘Kies mij! Laat dat oude gedoe toch los!’

Maar ik geef vooral niet toe aan die verleiding.
😩 Ik moet dapper voortwerken. Of ik krijg nooit nog een boek af...

Dus: snel het nieuwe idee in grote lijnen neerpennen en dan weer naarstig aan de slag met de ‘oude’ liefde (die ooit ook jong, fris en verleidelijk was
😊).

Thuissite Reine De Pelseneer
Vol van Zinnen
Instagrampagina Reine De Pelseneer 


Alle 'Boekjes van de dichter'.




zaterdag 6 maart 2021

Laaglandse Archeologie-Poëzieprijs

Nieuwe poëzieprijs verbindt kunst en wetenschap

Jan-Paul Rosenberg, allang geen onbekende meer voor de poëzielezer en de kolommen van de Schaal van Digther deelt ons het bestaan mee van de Laaglandse Archeologie-Poëzieprijs. De wedstrijd gaat voor het eerst door. Gevraagd wordt: maximaal drie gedichten geïnspireerd op een archeologisch thema in te sturen voor 1/7/2021. Hoofdprijs: 1000 euro. Jury o.l.v. Tsead Bruinja. Hieronder geven we graag het volledige persbericht.

De Laaglandse Archeologie-Poëzieprijs bekroont het beste Nederlandstalige gedicht over archeologie en cultureel erfgoed. De wedstrijd, die in 2021 voor het eerst wordt gehouden, staat open voor zowel professionele dichters als amateurs in Nederland en Vlaanderen en heeft als doel meer mensen te enthousiasmeren voor poëzie én archeologie. De eerste prijs bestaat uit een bedrag van duizend euro.

Aan de wedstrijd kan worden deelgenomen door inzending, vóór 1 juli 2021, van maximaal drie gedichten in de Nederlandse taal, geïnspireerd op een archeologisch thema. Daarna buigt de jury, onder leiding van voormalig Dichter des Vaderlands Tsead Bruinja, zich over de inzendingen. De feestelijke proclamatie en huldiging van de prijswinnaars vindt plaats in november 2021 op een bijzondere, met de archeologie verbonden locatie. Bij die gelegenheid wordt ook de wedstrijdbundel gepresenteerd waarin de twintig genomineerde en de drie winnende gedichten zijn opgenomen. Je kunt je inzendingen sturen naar distri@achterland.nl o.v.v. LAAP-2021.

Voor meer informatie: https://www.achterland.nl/nationale-archeologie-poezieprijs

De Laaglandse Archeologie-Poëzieprijs is een initiatief van de Stichting Achterland uit Zeist, een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk met als missie het bouwen van bruggen tussen maatschappij en poëzie, door deze in uiteenlopende innovatieve projecten met elkaar te verbinden.

De Laaglandse Archeologie-Poëzieprijs ondervindt steun van onder meer het Fonds voor Cultuurparticipatie, het Prins Bernhard Cultuurfonds, het Mr. August Fentener van Vlissingen Fonds, de Frans Mortelmans Stichting, de Karen E. Waugh Foundation en Vestigia BV Archeologie & Cultuurhistorie. Bij bewezen succes is het streven de wedstrijd om het jaar te laten plaatsvinden.


vrijdag 5 maart 2021

raadsel van de Griekse eilanden - Ekster Alven

Als ik goed ingelicht ben, moeten we dit
verschijnsel van ouzo en olijven zien
als een clevere wijze van vruchtgebruik.

We gaan zo traag de witte trappen op
dat het een camera op wieltjes vergt
om deze stad tot handel te overreden.

Weinig scheelde het, of ik was katholiek.
Maar we respecteren elkaars territorium
en geloof. Ik schrijf in krijt op de treden.

In die tijd, die van de kruistochten
was dit Adriatische een grote stap
voor de mensheid, voor je tijdperk.

Kale wagens trotseren ook hitte
op het asfalt van de trage kade.
Buig je geluk, dan komt er werk.

Verloren gaan in het midden van ergens
waar ze je halthouden voor een gekaapt
schip. Het lopen bevrijdt me van jezelf.

© Ekster Alven



donderdag 4 maart 2021

Ruimte - Ekster Alven

Wij ontwikkelen ons.

We gebruiken ook een machine
die wolvengehuil kan nabootsen,
elk fresco werkt zo in op de ziel

van wie ernaar gaapt en kijkt.
Dit zijn huizen van god en als
de mensen een spiritueel leven

beoefenen, is de gebruiksaanwijzing
die je erbij krijgt, niet die van louter
een hoge toren, er zijn toch grenzen.

De vrouwtjes hebben een dna
dat, schematisch, lijkt op een
inlegkruisje – zonder weerga.

Voor een wiskundige is PacMan
een raadsel – of alles wel precies
is zoals het eruitziet in dat heelal.

De kerk, een te strenge behandeling
leidt tot ontbossing en conflicten
binnen een enkele generatie, helaas.

Tot iets dat ademt.


© Ekster Alven








woensdag 3 maart 2021

Spaander - Ekster Alven

Hoe gruwelijk
doet de ruimte
als ze op zoek is
naar een schreeuw.

Als je geliefd bent
in het ontwaken
bij een hartslag
houdt de zichtbaarheid

op bij het schrijven
erover. Zo wordt
een gedicht
wat we vermoeden

in mijn mond.


© Ekster Alven



dinsdag 2 maart 2021

4ever - Ekster Alven

Er is huid in mijn herfstkleur.

Als dromen is wat we wisten
zeker dat je met me wil praten

Rij dan met de wagen, naar gisteren
ik ben niet zo woke dat ze me haten.

Ruis in je hals, mijn celwand
en komt de dag dat ik je trotseer

het laatste huis aan de linkerkant
nog op de landkaart voor een keer.

Staan er journalisten aan de deur
geef ik een paar woorden voor mijn man.

En ik maak je alle jurken die ik kan.


© Ekster Alven



Info: Ekster Alven
Ekster Alven is het pseudoniem van Alain De Kinder (°1975). Dichter, verhalenverteller. Woonde in Leuven, Vancouver, Madrid, Brussel, Antwerpen. Woont thans in Nijlen. Werkte na studies in redactie Vlaams Parlement tot 2000. Groeide (deels) op in woud van grootmoeder. Ging reizen. Haalde master in Germaanse Taal- en Letterkunde en manama in Literatuurwetenschappen. Houdt van T.S. Eliot en García Lorca. Houdt van podia als Sprekende Ezels, ZonderWolk, Ballonnenvrees e.a. Heeft een blog Ekster Alven ekster.webnode.be. Werd onlangs derde in De grootste intimiteit is het zwijgen van uitgeverij Gopher. Publiceerde in Poëziekrant Gent, stond ieder jaar sinds ’16 in top 100 Turing/Prijs de Poëzie, publiceerde in Hopsack tijdschrift en in nog ettelijke andere wedstrijdbundels. Ook in Magie en Tovenaars van Keytree en Pennen met Mosterd van Ambilicious. Genomineerde voor Dwaaltocht-thema Azertyfactor. E.a. Volgde Basisjaar Literair Schrijven, volgt momenteel Academie Poëzie bij ‘tzelfde CreatiefSchrijven. Volgde spokenword workshop bij Wisper. Publiceerde gedichten op de Meander-site. Genomineerde 2de Zeef Poëzieprijs. Publiceerde e-novelles Yonk en Zombie bij Bookbuster (alleen nog op sommige platformen verkrijgbaar…).


vrijdag 26 februari 2021

De spelconsole (nog eentje uit een instelling) - Maarten Embrechts

Onder hun slappe huid zit er een nog jonger lijf
Druk zijn hun hersenen en als een spelconsole
nieuwerwets Met een oogopslag en vingertop
bedienen ze de afstand tot zichzelf Soms slechts
 
een stilstaand beeld dat suist En dat met magie
van de techniek of hun gebrek nu sterker werkt
In hun brein vermoed ik action painting ballet
en ook de griezel die ze uit alledaagse sprookjes
 
kennen Maar wat steeds weer achterwege blijft
bij de transfer is de moraal van virtueel naar echt
 

© Maarten Embrechts
  





donderdag 25 februari 2021

Einstein - Maarten Embrechts

Voor een paar biertjes gaan ze op de smokkel
In de zomer mag hij buiten Nu is het te koud
Zo moet Einstein denken Dichter is hij dan bij
God Als zijn voorbeeld piekt zijn haar Vandaag
 
heeft ze er geen en morgen wel weer borsten
de boekhoudster Zo raakt alles nog op orde als
ze in de rolstoel elkaar aflossen Wie van ons of
ikzelf is het meeste zot Iedere dag minder decor
 
De wereld is straks meer blanco dan ons hoofd

© Maarten Embrechts
  



 


woensdag 24 februari 2021

De zonnebank - Maarten Embrechts

Terwijl ik op de bank lig denk ik
zo zal ik nog een keer voorgoed
gesandwiched zijn Met dit verschil
mijn huid zal dan wel ondergronds
en uit zichzelf dat donkere werk verrichten
 
Vooraf zal ik dan slechts even
voor pampus moeten liggen
terwijl een zuster mij met blanketsel smukt
opdat diegenen die in koele kamers komen kijken
naar mijn gezicht niet worden opgeschrikt
door de warmte die mij reeds doorprikt
 
Maar goed In afwachting moet ik
zoals vandaag het goed fatsoen gebiedt
voor dood wekelijks een paar uur onder de kunstzon liggen


© Maarten Embrechts
 

 

 

 


 

maandag 22 februari 2021

Maerlant Poëzieprijs - Editie 2021

Kunstspoor Noord-Beveland kent in 2021 opnieuw de Maerlant Poëzieprijs toe. De prijs die 500 euro bedraagt wordt om de drie jaar uitgereikt. Het thema of zojewil het uitgangspunt van deze editie is "Eiland". Als alles goedgaat wordt de zesde editie van deze prijs uitgereikt op zaterdag 21 augustus 2021 in de Rozentuin in Kats. Inzenden (maximum 1 gedicht per deelnemer) kan tot 30 april 2021.

Alle info:
Website Kunstspoor