dinsdag 7 juli 2026

Een roadtrip als Cri du Coeur

Over Zwermkoorts van Kristien Dieltiens.


Op zaterdag 20/6/2026 werd in Beernem, het thuisdorp van Kristien Dieltiens waar ze sinds 1995 woont, Zwermkoorts, voorgesteld. Het boek is uitgegeven door Borgerhoff & Lamberigts, 2026.

 

Zwermkoorts met als ondertitel ‘Een roadtrip met de dood op de hielen, is geen historische roman, zoals onder meer De stille pijn van Lucca (2005), Papinette(2009) Kelderkind (2012), nu met een nieuwe, algemenere titel ‘Kelderkinderen’,,  Kortgeknipt (2017) of Carlota (2023), maar wel een confronterende, harde psychologische eye-opener. 

 

De titel Zwermkoorts’ is tweeduidig. In de eerste plaats slaat ze op een waanzinnige zwerftrip van moeder Pearl met haar dochter Daisy en zoontje Willow.  Zij ‘zwermen’ vanuit het grensgebied van de  Verenigde Staten langs allerlei stadjes, dorpen en onderkomens, ‘ helemaal door ‘Trump’-land, naar Mexico.

Maar ‘zwermen’, een bijenterm,  slaat ook op het gedrag van de bijen die in het verhaal een belangrijke rol spelen. Je kan ze zien als  metafoor  voor het ‘zwerven of ‘zwermen’  van de moeder en kinderen. 

 

Her  voornaamste thema van ZWERMKOORTS is de  fascinatie voor gevaarlijke moeders die aan het ‘Münchhausen by proxy-syndroom’ lijden en de invloed daarvan op haar kinderen.

Met dit syndroom is Kristien Dieltiens als leraar een paar keer geconfronteerd, en het ligt haar nog  altijd nauw aan en op het hart.  Vanuit haar verontrustende ervaringen geeft ze haar blijvende  betrokkenheid gestalte in een  fictief verhaal.

 

Moeder Pearl, ex-verpleegster, houdt Daisy en Willow bewust kwetsbaar. Ze prent ze in dat ze doodziek zijn en dient hen dagelijks onnodige medicijnen toe.

Zij moeten dankbaar zijn voor deze ‘fantastische moeder’, die met hen en voor hen de dood ontvlucht, op zoek naar de meest geschikte dokter die hen kan helpen.

Zij moeten haar tonen  dat ze van haar houden. Zo gedragen ze zich ook. 

Tegenover de buitenwereld wil ze bewonderd worden als de zeer bezorgde, perfecte moeder.

Kristien Dieltiens laat Daisy aan het woord en leeft zich diep in de kinderen in. Ook in haar eerdere jeugdliteratuur en romans   (106 in totaal  nu al!) toonde  zij  een groot hart voor kwetsbare kinderen.

 

In de roman worden afwisselend witte en grijze bladzijden gebruikt.

De witte bladzijden slaan op het heden.  Daisy, de verteller, overdenkt de acht jaar waarin  ze als kind, na hun laatste stopplaats in Monterrey, Mexico,  gescheiden leefde van haar moeder en broer. Therapeute Cassandra geeft haar de raad om het dikke glas tussen haar heden en verleden te doorbreken. .Dat probeert ze in zeven stappen die Cassandra haar opdraagt.

Ieder stap levert flashbacks op die we lezen in de  grijze bladzijden. Die duidelijke structuur maakt de roman heel toegankelijk. 

 

In versneld  tempo herneemt de volwassen Daisy  de tocht vanuit Amerika  terug naar hun laatste verblijfplaats in Monterrey. Daar erfde ze van de imker Saturnino, voor haar ‘de vader die ik nooit gekend heb’,  een  grote som geld, zijn huis en imkerij. Ook naar haar broer Willow die ze in Monterrey achterliet en die ze mist, wil ze op zoek.

Bij aankomst wordt ze opgevangen door Rodrigo en zijn zoon Jesüs.   Dank zij het gewezen  nauwe contact van Jesüs met de overleden Saturnino én diens logboek  zorgt hij voor de laatste schakel tussen verleden en heden. 

Jesüs is het ook die haar (en Kristien Dieltiens ook ons,  in heel mooie bladzijden!)  laat kennismaken met  het gedrag van de bijenwereld. Hun gedrag heeft het kind Daisy van de dood gered.

En Daisy beseft: ‘De bijen van Saturnino hadden een deur geopend‘ en ‘Alles wat hij (Saturnino in zijn logboek) ) had beschreven, klopte met mijn leven’.

 

De flashbacks in de grijze bladzijden brengen ons naar verschillende personen die Daisy’s leven beïnvloedden.

 

Vooreerst is er moeder Pearl (what’s in a name..), een fysiek aantrekkelijke vrouw. Een narcistische  vrouw ook die verslaafd is aan zichzelf, die zichzelf verheven voelt  boven leraars (ze is bewust thuislerares) en dokters.

 

Behalve het Münchhausen by Proxy syndroom, vertoont Pearl nog  meer psychopatische trekken.

Als borderliner is ze emotioneel instabiel en impulsief,  met terugkerende relatieproblemen. De mannen met wie ze om de haverklap relaties aangaat, dumpt ze meteen wanneer  ze zwanger wordt. Telkens laat ze het kindje verdwijnen. Om mogelijke vragen te vermijden, ‘vlucht’ ze met haar kinderen naar een volgende bestemming.. 

 

Als eerste bant ze  haar moeder Granny uit hun leven.. Granny vermoedt een en ander en protesteert tegen de behandeling van de kinderen. Zij missen haar.

Op verschillende vluchtplaatsen proberen mensen de kinderen te beschermen, mensen waarbij de kinderen zich té goed voelen volgens Pearl en die haar doorzien: Rose, ,een buurvrouw Gladys , Little Liam …Daar loopt het mis wanneer Willow en  Daisy ontdekken wat er gebeurt  en verplicht worden om een baby, die ze liefdevol Big Liam noemen, te begraven. Op hun laatste bestemming gebeurt hetzelfde met de baby van Pearls laatste ‘geliefde’ Renzo. De roadtrip gaat vanaf dan naar een versneld einde toe. .

 

Dat Daisy en  Willow van hun moeder blijven houden,  haar (weliswaar verplicht) dankbaar blijven ‘als mama maar gelukkig blijft’, is aannemelijk lezen we: (…)  een moeder in je hoofd, in je lijf, kan nooit geamputeerd worden.’  

Daisy neemt pas jaren later afstand, wanneer ‘mama’ voor haar ‘Pearl’ wordt .

 

Willow, Daisy’s jongere broer, is volgens moeder Pearl laagbegaafd en plast nog in zijn bed. Dat wordt telkens door een woedende Pearl hardhandig afgestraft.

Laag begaafd is de teruggetrokken Willow niet. Hij verzamelt insecten  in glazen potjes  en  bestudeert ze.  Om zichzelf te beschermen leeft hij in zijn gedachten en praat hij weinig, behalve met een fictief vriendje Bear. Daisy beschermt  hem en waakt over hem, zoals ook hij haar beschermt en redt uit een benarde toestand met hangjongeren.

 

Daisy vertelt Willow over de boeken die ze stiekem uit een plaatselijke bibliotheek ontleent.  Zij fantaseren  er verder over,  blijven eigen verhalen vertellen en bouwen een eigen schatteneiland. Zo  overleven ze hun gedwongen gevangenis.

Ook hierin herkennen we het vaste geloof  en pleidooi van  Kristien Dieltiens voor de kracht van woorden,  boeken en verhalen.

 

Andere personen van grote betekenis voor de kinderen vermeldde ik al eerder: de vaderfiguur Saturnino, Rodrigo en Jesüs die Daisy inleiden in de wereld van de bijen.  Door hem  beseft Daisy tenslotte dat ze leefde zoals de insecten van Willow: ‘achter dik glas, starend naar wat zich aan de andere kant afspeelde.’.

Ze is klaar voor de laatste stap van Cassandra’s 7 opdrachten: en nieuw levensverhaal schrijven.

 

Voor dit levensverhaal ging Kristien Dieltiens ging niet over eén nacht ijs. Drie jaar opzoekingswerk en schrijven gingen aan de publicatie vooraf

Samen met haar Mexicaanse schoondochter en diens zus en zoontje maakte ze  een roadtrip in de Zuidelijke Staten van de VS en Mexico. Zij beschrijft de vele bezochte locaties en haar  indrukken en ervaringen  gedetailleerd,  beeldrijk, zintuigelijk  en vaak heel poëtisch.

 

Daarnaast heeft ze ook oog voor de politiek in Texas en Mexico. Ze portretteert zijdelings de

Trump die ze ziet op billboards en op MAGA- T-shirts en die Daisy  hoort in de gedreven pro-Trump reacties van moeder Pearl.  Daisy laat ze kritisch krantenartikelen lezen waardoor haar een licht opgaat over de Amerikaanse politiek. Haar goudvis noemt Daisy ‘Donald’: ook hij ziet alles achter dik glas.

Kristien Dieltiens liet zich daarnaast door imkers grondig inlichten over de wereld van de  bijen en hun gedrag. Daisy ziet de paralellen met haar leven.  Lange gesprekken met psychiater Dirk Adriaenssens over het psychopatische gedrag van de moeder en het effect op de kinderen leidde tot diepgang van de personages.   

 

Op de voorstelling van Zwermkoorts vertelt Kristien Dieltiens: :

 

Het anonieme van die eindeloze landschappen, het idee dat je er kunt verdwijnen zonder dat iemand het merkt, bleef bij mij hangen”  “Daarnaast las ik veel over bijen. Dichter Maurice Maeterlinck zei ooit dat de mens nog maar vier jaar te leven heeft als de bijen uitsterven“. Zwermkoorts is een begrip uit de bijenwereld en de poëzie, en ik wilde daar graag mee aan de slag.”

 

Hoe heb ik Zwermkoorts beleefd?

 

Zwermkoorts is naar inhoud een a-typische Dieltiensroman. Anders dan de vorige  is hij niet vanuit een historische, maar wel vanuit een  zeer persoonlijke ‘cri du coeur’ geschreven. – Ik las hem met stijgende verwondering, onrust en ongemak.

Hoe zeer heeft Kristien Dieltiens mij in haar eye-opener betrokken! Dat ik, een leek in dit probleem  en dit soort situatie, niet aan de geloofwaardigheid twijfel, daarvoor staan  de diepgang van de personages, het goed gedocumenteerde en  gedetailleerde verhaal garant. Haar vlotte, toegankelijke stijl en zintuigelijke rijke taal  trokken mij iedere bladzijde verder. Het is geen roman om in ‘l’heure bleue’ te lezen, maar mijn ‘verwondering’ eindigde in een grote bewondering.

Ik ben ervan overtuigd en ik hoop dat dit ook voor heel veel lezers zo zal zijn.

 

In boekenvriendschap, Jet


© Jet Marchau
 

Deze recensie verschijnt ook op "Dun lied donkere draad" de blogsite van de VWS:
Dit is de link. 
 

donderdag 2 juli 2026

Everybody hurts - Pieter Drift

Pieter Drift: "Growing Head"-2025

Everybody hurts 

Er zijn nu drie dagen voorbij. Het is stil in huis sinds jij weg bent. Hoeveel van de lucht in dit huis heb jij nog in je longen gehad? Ik houd de deuren van de slaapkamer angstvallig dicht in de hoop nog iets van je binnen te krijgen als ik slaap. Afgelopen nacht kwam je weer langs. Je zat op me en boog over me heen. Je zag me in je hemdje kijken en moest er om glimlachen. De hals was wijd en ik zag je borsten vrij hangen. Mijn handen stopte ik onder het hemdje maar toen verdween alles. Alsof je uit lucht was opgebouwd.

‘Je weet toch wel dat ik voor jou dood ben,’ zei je. Toen bleef het stil. Ik werd wakker dus ik moet geslapen hebben.

Everybody hurts klinkt door het huis. Als het niet zo treurig was, had ik het misschien mooi gevonden. Het nummer staat al dagen op repeat. Dit zette je op toen je me zei dat je bij me wegging. Ik heb het nog niet aangedurfd om  andere muziek op te zetten.

Zelden ontwikkelt een mens zich echt. We zijn dat steentje dat over het water keilt. In het begin grote sprongen, maar al snel kleinere sprongen tot je naar de bodem zinkt. Het stelt allemaal niet zo veel voor. Karakters in verhalen moeten zich psychologisch ontwikkelen, zegt men. Bij mij gebeurt dat amper. De personen blijven dezelfde omdat ik denk dat het zo is. Natuurlijk verandert een mens, maar niet omhoog. Tussen je vijftiende en vijfentwintigste moet je een beetje uitharden, maar daarna moet je het doen met wat je bent. Geen karakterontwikkeling meer. Je leert wat bij, maar vergeet weer andere zaken.

Don't let yourself go ‘cause everybody cries
Everybody hurts sometimes

Je had de elpee uit de hoes gehaald en legde hem op de draaitafel. Ik denk dat je hem al twintig jaar niet meer gedraaid had. R.E.M. was een band uit onze begintijd. We dachten dat onze liefde alleen maar groter zou worden.

Je neuriede zachtjes mee met het eerste nummer. ‘Ik houd van deze elpee.’

‘Vinyl.’ Ik wist niet waarom ik dat zei, want vroeger noemen we het allemaal een elpee. Er was niets mis met het woord, maar ik kon het niet laten. Op jouw gezicht zag ik de vermoeidheid die ik de laatste tijd steeds vaker zag.

‘Waarom?’

Ik begreep de vraag niet.

Nobody tells you where to go, baby

Jouw gevoel voor dramaturgie was altijd al perfect. Uit het tweede nummer zong je alleen de regels

I will try not to breathe
This decision is mine

De rest liet je voorbij gaan. Toen kwam Everybody hurts. Je pakte mijn handen alsof je gewacht had op dit nummer. Je keek me aan en zei dat je wegging. Ik stootte een lachje uit, maar je ogen bleven serieus.

‘Ik ga echt weg,’ zei je. ‘Je hebt me te veel pijn gedaan.’

Ik liep naar de draaitafel, haalde de naald van het vinyl, nam het vinyl tussen duim en wijsvinger en sloeg het stuk op de tafel. Je leek niet eens verbaasd. Uit je zak haalde je je telefoon en zette op Spotify Everybody hurts opnieuw op.

‘Ik wist al dat je dit zou doen. Altijd hetzelfde liedje.’’

Je draaide je om en liep naar de slaapkamer. Daar kwam je uit terug met twee koffers.

‘Ik ga.’

Nu zijn er drie dagen voorbij. De gebroken elpee heb ik op tafel gelegd. Vanaf nu zal ik een langspeelplaat geen vinyl meer noemen maar dat mag niet baten. Jij bent weg en ik weet waarom.

Sometimes everything is wrong
Now it's time to sing along


© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 


woensdag 1 juli 2026

Alle zomers - ZKV van Jos Rouw

Alle zomers

Eerst de lange busreis naar het westen, als een rits die het landschap achter je opentrok. Dan het strand, al het zand dat daar zo rustig bleef liggen, ondanks de warme wind. De lucht blauw zoals je je van kinds af aan een blauwe lucht had voorgesteld. En jij zonder leeftijd.

Je at friet met korrels zout als minuscule ballonnetjes, je voelde ze knappen tussen je tanden. De zon was een hand op je schouder, alles wat je zei was waar. De tijd was een trap die alleen maar naar boven ging. Tot je de bus naar huis nam en er steeds een trede bijkwam aan de andere kant. Omlaag. Sindsdien zijn alle zomers op zoek naar die ene. Goed, ik maak het misschien wat mooier dan het was, maar dat was het ook. 

© Jos Rouw

Jos Rouw - Instagram-foto


Jos Rouw

maandag 29 juni 2026

Geregeld - Miel Vanstreels

Geregeld
 
Mijn lief en ik hebben
met de begrafenisondernemer
afgesproken hoe onze uitvaarten
eruit moeten zien,
 
het was een hele puzzel
om een evenwicht
te vinden
 
tussen onze
in-alle-stilte-wens
en het rouwen
van onze zonen,
 
mijn urnschrift
heb ik klaar:
 
hierin rust wat rest
van het lijf van Miel – ergens
fietst vast nog zijn ziel
 
 
© Miel Vanstreels
 


zaterdag 27 juni 2026

Poëzie die niet op poëzie lijkt

Tip van de redactie (1)

Daun van Kreek Daey Ouwens


Poëzie die niet op poëzie lijkt.
Voor wie haar nog niet zou kennen of haar werk (poëzie op kop) nog niet zou hebben ontdekt ligt de poëzie van Kreek Daey Ouwens (°1942) met ongeduld te wachten. In 2020 schreef de schrijfster met de Zuid-Afrikaans ogende naam uit het Nederlandse deel van Zuid Limburg de fel opgemerkte dichtbundel ‘Guillaume’.  

De bundel werd toen onder meer genomineerd voor de Grote Poëzieprijs en de Herman de Coninck-prijs en won de vierjaarlijkse KANTL-poëzieprijs in Gent. In ‘Guillaume’ bracht ze hulde aan haar overleden broer die leefde met een beperking. In ‘Daun’ haar nieuwe bundel geeft ze opnieuw stem aan zo’n jongen uit de rand van de mensen. Maar dit keer schrijft ze helemaal vanuit de figuur van Daun zelf, een jongen met het syndroom van Down.

De taal die de dichter hanteert is de taal die Daun zelf gebruikt, en spreekt. Simpel en toch weer heel poëtisch. Dit is poëzie die niet echt op poëzie lijkt maar het met veel bravoure wel degelijk is:

Ik slaap bij het raam
ik zie alleen donker
van donker voel ik me alleen

Vader liep weg
Het was midden op de dag
De zon scheen

Ik wil naar vader toe

Ik weet niet hoe ik hier waarom ik hier
Ik heb wel een vriend – Jossie
Jossie heeft bloed in zijn onderbroek
Hoe dat komt vraag ik
Jossie zegt: ‘Ssttt’

(pag.53)

De bundel is prachtig uitgegeven door het Poëziecentrum en is gelardeerd met rudimentaire maar des te sterkere tekeningen van Felix Sonnenschein, zelf een jongen met Down.

© Paul Rigolle

Wie graag ‘s de stem wil horen van de dichter verwijs ik naar de podcast van het poëziecentrum. In aflevering 52 van Beeldspraak wordt ze geïnterviewd door Matthijs de Ridder.

Dit is de Beeldspraak-link:
https://www.poeziecentrum.be/nieuws/beeldspraak-aflevering-52-kreek-daey-ouwens-daun


Wikipedia-pagina Kreek Daeys Ouwens
https://nl.wikipedia.org/wiki/Kreek_Daey_Ouwens

vrijdag 26 juni 2026

Vrouwen van het verlangen

Aantekeningen van Jet Marchau over Erosie van Astrid Haerens


Erosie
(2026) is, na de roman Stadspanters (2017), en na haar bekroonde  poëziebundel Oerhert (2022), de tweede roman van Astrid Haerens (Zwevegem, 1989).

Om maar meteen in huis te vallen: Ik heb de roman twee keer gelezen.

Een eerste keer vol bewondering voor haar poëtische taal, en nieuwsgierig naar het experimenteren met bladspiegels en de  muziek die achter de speciale interventies van de O-o-klank zaten. Waren ze louter als commentaar op haar woorden bedoeld, of kon ik er een melodie uit halen?

En een tweede keer: een beetje uit onvrede. Zat er een definitieve ommekeer in de evolutie in van de hoofdpersoon Helle? En waar dan?

Ik verklaar me nader: de korte inhoud:

Helle en Alma zijn van in hun kindertijd hartsvriendinnen; Helle (de schrijvende ‘ik’) is een introverte, onzekere persoon, die evolueert tot een internationaal succesvolle kunstenaar. Ze is ook een jutter, een verzamelaar van onder andere  stenen, die ze verwerkt in haar schilderijen.

De extraverte Alma omarmt uitbundig het leven, waar ze ook Helle probeert in te betrekken. Zij groeit uit tot een succesvolle fotografe.

De vriendschap tussen de twee is heel hecht, op het randje af van een liefdesrelatie. Ze genieten van hun exclusieve samenzijn, van mekaars lichaam, en Helle, die nooit iemand in de ogen kijkt, laat toe dat Alma haar bekijkt en honderden foto’s van haar maakt.

Ze beloven elkaar dat ze samen hun leven zullen uitbouwen, nooit gaan trouwen, nooit kinderen krijgen, niet worden als hun ouders.

Ze dromen over hoe ze hun toekomstige leven samen. Waar, welk huis, hoe ze de dagen zullen vullen etc.

Alma, fluisterde ik, wij zullen altijd vrouwen van het verlangen blijven’. Die typische pubergedachte blijft duren, tot Alma toch plots, na jaren, dan zijn ze al dertigers, hun allesoverheersende contact verbreekt.

Helle begrijpt er niets van: ‘naast onze vriendschap was mijn werk het enige waaraan ik nooit had getwijfeld’.

Ze  valt in een donker gat, probeert zich recht te houden door te experimenteren met nieuwe vrienden en geliefden, door zich volledig op haar kunst te werpen, tot ze opgebrand is volgens de dokter en niets nog zin heeft. Een totale burn-out.

Ze vlucht naar een weinig gekend Duits waddeneiland:

Het niet-weten begon me op te jagen als een dier’.

Daar gaat ze, op het zeggen van de oudere wijze eilandvrouw Hetty, op zoek naar helende barnsteen, ‘ de opgedroogde tranen van de Heliaden..’ ‘Afstand geeft inzicht’ zegt Hetty.

Erosie, ook al zit ‘eros’ erin verborgen, meer nog vind ik in het woord de geleidelijke ‘slijtage’ van de vriendschapsrelatie én de evolutie, de transformatie van Helle. Water, wind en haar gebogen zoektocht naar stenen eroderen haar genadeloze zoektocht naar het ‘waarom?’.

Net zoals de stenen in het motto van Maguerite Yourcenar vooraan, bevindt Helle zich op een kruising van ‘snijdende lijnen’ die in het oneindige verdwijnen, vanuit een knooppunt van krachten die te onvoorspelbaar zijn om te meten en die wij onhandig als geluk, toeval of noodlot bestempelen.

Die onvoorspelbaarheid probeert Helle net te begrijpen.

Dat doet ze in gedachten in fictieve (soms reële) brieven aan Alma.

Ze stalkt haar met emails en telefoontjes, tot Alma laat weten: ‘Ik wou dat ik het beter uit kon leggen, maar ik ben er niet klaar voor. Hier stopt het. Het ga je goed.

Helles verhaal wisselt tussen (chronologische) flashbacks en haar verblijf en zoektochten op het eiland. Heel poëtisch, ook in korte zinnen en  klanken verwoord.

Ik kon me volledig inleven in de hechtheid van de, gedeeltelijk herkenbare, vriendschapsrelatie, maar, bij de tweede lezing merkte ik de hints die de ommekeer voorspelden en groeide het besef: Helle is een verhalenvertelster. Haar herinneringen zijn ingekleurd. Ook Helle beseft dit: ’hoe ouder ik word, hoe minder ik weet wat herinnering, wat verbeelding is’. En: ‘Ik verzin, verzin opnieuw. Ik herhaal. Ik hou vast. Hoe ging het verhaal? Wanneer begon het einde?’

Zo is Erosie ook een roman over een gekleurde vriendschap, waarover ik  nooit eerder zo intens las.

Hoewel, naar het einde toe, merkte ik dat ik sneller en sneller over de (hoewel prachtige) beschrijvingen heen las. ‘Trop’ was’trop’.

En net als ik dacht: dit is het keerpunt, ze komt er, ze krijgt weer zin in het leven en in haar kunstwerken, komt er toch nog een terugval, de twijfel. Dit kan, er blijft altijd een wrang gevoel achter bij een zo heftig verlies,  maar ik haakte af bij teveel uitgespitte herhaling.

Toch blijft ook voor mij EROSIE, een bijzonder intense, poëtisch verwoorde roman over een verterende vriendschap. En voor velen wellicht over hier en daar herkenbare gevoelens. 

In boekenvriendschap, 

© Jet Marchau.

Deze tekst verscheen ook op "Dun lied donkere draad", de Blog van de VWS.

www.AstridHaerens.be


dinsdag 23 juni 2026

Drie gedichten van Peter Gielissen

Overvaren
 
Zeg schipper,
zal ik met je overvaren,
naar een denkbeeldig land van herkomst gaan,
of naar het kerkhof voor vergeten taal
waar ik de tuinman ben,
beschermheer van de hyperbool,
waar oude dichters zijn,
in blinde rotten naast elkaar,
en kronkelen als wormen in
een graf van rijm en niet-begrepen zijn?
Of moet ik dan weer geld betalen?

 
Capsule
 
Zodra de populieren
skeletten in een
herfstig landschap zijn,
zal alles helder blijken.
De liefde is ontpolderen,
capsule met een open luik
op weg van maan naar mars.
Het leven een
gestapelde herinnering,
de dood je allerlaatste vriend.
 
 
Woorden met obesitas
 
In buitenwijken van de stad
is ruimte net zoiets als tijd;
vermoorde onschuld slaapt er
in de nucleaire opbergdozen,
maar ook in grote woorden met obesitas.
Er wonen gratis idealen;
ze zijn de warmtepomp onder
donzen dekens van onwetendheid.

© Peter Gielissen


Peter Gielissen - © Zelfbeeld (op Meander) 

maandag 22 juni 2026

Het melancholisch verzet van Erick Kila

Over Het geruis van wind en betekenis van Erick Kila

Recensie: Antoon Van den Braembussche


In een vroegere recensie omschreef ik Erick Kila als een dichter die in ons taalgebied een unieke stem en vooral ook stijl belichaamt. “Zijn handelsmerk is een uiterst zuinig taalgebruik waarin heel veel wordt gesuggereerd met zo weinig mogelijk woorden. In de uiterste kaalheid, in de uitgezuiverde zegging, waarbij niet enkel al het overtollige is weggelaten maar vaak ook plaats is gemaakt voor het onzegbare, slaagt Kila erin de lezer te fascineren. Niet zelden ontstaat deze fascinatie uit niet meer dan één versregel die enkel nog uit één woord of een afgebroken zin bestaat. In zijn poëzie toont Kila zich een meester in het minimale, waarin de poëzie als mysterie plaats vindt, een poëzie die toch vaak, zo niet altijd, van de dagelijkse realiteit vertrekt. Het is dit spanningsveld tussen taal en stilte, tussen alledaagse realiteit en mysterie die deze poëzie tot iets heel bijzonders maakt”.

Ook in zijn nieuwe bundel Het geruis van wind en betekenis vinden we deze typische stijl van Kila terug. Dat Kila vaak vertrekt vanuit een bepaalde realiteit bewijst het eerste, iconische gedicht: Ezels op het strand bij Scheveningen, naar het gelijknamige schilderij van Louis Soonius (1883-1956). Het ezeltje rijden was lange tijd een populaire attractie voor kinderen op het Scheveningse strand. Voor een paar centen was het mogelijk om onder begeleiding een ritje te maken op de rug van een kleine ezel. Ezeltjesbazen stonden klaar met een aantal ezels om een ritje te verkopen aan jonge strandbezoekers. Blijkbaar verwijst het gedicht naar zo een ezelrit die Erick Kila wellicht zelf als kleine jongen nog heeft meegemaakt. Het leidt tot een prachtig gedicht:


Ezels op het strand bij Scheveningen 
 

omdat de ezeltjes op je wachten 
en de zomer is als schelpgeruis 

boven zee de eenzaamheid van het voltooide
aan de kant vergrijsde badpaleizen 

ooit kleine stappen naar het harde zand
iedereen was mee 

bestemming was er niet echt
de ezelrit ging langs de adem van de zee (p. 6)

Wat in het begin nog de onbevangen, kinderlijke ervaring van de zomer aan zee als schelpgeruis is, wordt allengs het perspectief van de latere dichter die boven de zee de eenzaamheid van het voltooide ziet: een poëtisch, zelfs metafysisch beeld van de horizon, de oceanische oneindigheid die tegelijk tot de tastbare proporties van verweesde strandcultuur wordt teruggebracht: aan de kant vergrijsde badpaleizen. Maar pas op het einde van het gedicht komt de vervoering aan het licht die hier op meesterlijke wijze wordt geëvoceerd:

bestemming was er niet echt
de ezelrit ging langs de adem van de zee (p; 6) 

Je kan deze laatste twee versregels opvatten als een metafoor van de poëzie die door de hele bundel wordt gedragen. Er is in deze bundel geen sprake van thematische indelingen of een vooropgestelde, strakke structuur. Bestemming, richting,  rangschikking naar onderwerp: dit alles is in het ongewisse gelaten. Wat de dichter vertolkt, is wat zich aandient op het moment van het schrijven. Dus in plaats van de thematische ontvouwing, staat de door taal geleide oerervaring van het ogenblik centraal. Dit leidt tot prachtige strofen, zoals

de wereld staat los
de eeuw staat vast
in zachte regen (p. 14) 

Of nog, in hetzelfde gedicht Meditatie: 

taal is niets meer
getijden gaan hun gang en intussen
sterft wijsheid  (p. 14) 

Poëzie is hier een ontwaken uit de taal, een zoektocht naar datgene wat zich aandient op het ogenblik waarop alles verandert, op de rand van het onzegbare. Op het ogenblik dat de getijden met ons aan de haal gaan en wijsheid niet langer wijsheid is. De poëzie is hier een soort van archeologie, het blootleggen van de wereld in al zijn naaktheid en zelfs zijn waanzin. Wat te denken van:

de wereld werd ontworpen door een gek
het onbepaalde, als muziek gaat het
voor je uit
er is geen volgorde, geen woord
in een ogenblik zal alles blijven bestaan
tastbaar als een voorwerp (p. 18)

Tastbaar als een voorwerp is ook de weerstand aanwezig, een onderhuids verweer tegen de wereld zoals die momenteel is: niet te goeder trouw, badend in een alomtegenwoordigheid van leugens en bedrog. Vandaar

bedenk de slechte mensen die
de wereld vullen
die nooit doordringen tot
zuiverheid
een melancholisch verzet geeft
betekenis

ik los er in op (p. 23)

Poëzie krijgt gestalte als een melancholisch verzet tegen het verstoorde landschap van de hedendaagse ziel. Om het demonische in de bundel te verbeelden grijpt Erick Kila terug op de “Mythe van de Schreeuwuill” die haar oorsprong vindt in de Griekse mythologie, waarbij  uiteindelijk de bewaker Ascalaphus omwille van zijn verraad van Persephone permanent veranderde in een Schreeuwuil. Sindsdien is hij  de heilige vogel van de onderwereld en geldt zijn ijzingwekkende roep als een direct voorteken van verraad, naderend onheil en dood. Het gedicht borduurt hierop voort: Hij krijst zich tot gestalte/van het kwaad/sluimer onder eeuwen/het is ooit afgesproken/de Schreeuwuil en de nacht/zij beheren de angst(p. 24).

Doorheen de bundel blijft de minimalistische toonzetting  boventoon voeren. Dichtkunst leidt hier steevast tot een verdichting van de taal. Waardoor alledaagse woorden in een onverwacht poëtisch spanningsveld worden geplaatst. Op deze wijze ‘hertaalt’ Erick Kila op onnavolgbare wijze de werkelijkheid, door de taal zelf extreem te verdichten. Door tegelijk woorden in een vreemd verband te plaatsen, zodat er een uniek, soms sterk ironisch en bijna absurdistisch toetsenbord van het onwezenlijke ontstaat. Zo staat op p. 26 en titelloos, een kort in het cursief gedrukt, gedicht, dat deze uiterste verdichting met verve belichaamt en zeer onvoorspelbare poëzie oplevert:

leg de woorden desnoods in
een hoek van de waanzin
in het gemurmel van de beschaving
niemand die het merkt

Als er een thema terugkeert dan is het de vergankelijkheid, het verloop van de tijd, de herinnering, het verdwijnen, wat bij Erick Kila al snel een verdwijnen is in het niets. Maar de heimwee blijft, zoals in het prachtig nostalgische gedicht

Ingekleurd

van oude chemie
zwart wit van het verdwijnen
de straat, de grootouders
mensen van stilte
het gedachtenvenster ziet hen
vreemd aanwezig
nog suizelt hun stem
achter de werkelijkheid (p. 33).

Dit is markante poëzie die onze aandacht en erkenning verdient. Een poëzie waarbij soms één enkele keer het gedicht door de extreme verdichting te weinig adem krijgt. Maar doorgaans is het poëzie die als “de adem van de zee” voorbijtrekt, door niemand begrepen en toch doorvoeld. Door het niets bewogen, bijna als het geruis van de wind. Door de kracht van het onvoltooide. Tegelijk is het een poëzie die getuigt van zelfbewustzijn, van zelfreflectie, altijd bereid om een spiegel te worden van zichzelf, zonder hierbij programmatisch te worden of te voorspelbaar. Getuige hiervan het sleutelgedicht:

Eromheen

ergens, diep in het andere,
ligt misschien een verhaal
onbewerkt
de eenvoud van het fragment
uitsnede van verwachting
eromheen het geruis van wind
en betekenis (p.36).


Erick Kila, Het geruis van wind en betekenis, 54 bladzijden; Amforeas, Dordrecht, 2026.. ISBN/EAN: 978-94-03888-04-0; Prijs: 15 euro.

 

donderdag 18 juni 2026

Andreas Van Rompaey in Publiek Geheim

 Uitnodiging


Publiek Geheim, de literaire ontmoetingen van de VVL (Vereniging van Vlaamse Letterkundigen), is op 18 juli 2026 gewijd aan twee nieuwe publicaties van Andreas Van Rompaey: zijn recensiebundel Literair panorama, waarin hij een vijftigtal auteurs belicht, en zijn fictiedebuut Leuke verhaaltjes voor bijna iedereen, waarin hij allerlei groteske, surreële taferelen oproept.

Andreas Van Rompaey geeft extra duiding. Hij laat zich bijstaan door Roger Nupie en José Vandenbroucke, die respectievelijk een ‘woord vooraf’ schreven voor Literair panorama en Leuke verhaaltjes. Na afloop van de dubbele boekvoorstelling wordt samen het glas geheven.

Afspraak in cultuurcafé Den Hopsack, Grote Pieter Potstraat 24, 2000 Antwerpen, op zaterdag 18 juli 2026 om 14 u. Gratis toegang. Iedereen welkom!

PS Genodigden die niet aanwezig kunnen zijn, hebben ook de mogelijkheid om een boek rechtstreeks bij de auteur te bestellen.

Meer info: via Website Andreas Van Rompaey

Website Den Hopsack

In Literair panorama brengt Andreas Van Rompaey bijna alle boekbesprekingen samen die hij tussen 2018 en 2026 gepubliceerd heeft in de tijdschriften AᗡᗞA, Ambrozijn, Art04, De schaal van Digther, Portulaan, Toverberg en Weirdo’s. Deze bundel biedt een ‘wijds vergezicht’ op het hedendaagse literaire landschap waarbij ook minder evidente auteurs en uitgaven de aandacht trekken. Hoewel de recensent doorgaans – in dienst van een bepaalde instantie – een oordeel velt, wil Van Rompaey vooral informeren en niet per se met de literaire mode meegaan. Op basis van korte toelichtende teksten laat hij de lezer zelf een mening vormen en een keuze maken. Hij reikt een alternatieve lectuurgids aan die tegelijkertijd zijn eigen subjectieve leesgeschiedenis en het daarbij horende ‘schrijvend denken’ weergeeft.


Literair panorama, Utrecht, 2026, 138 pagina’s, ISBN 978 94 6301 598 1 kan worden besteld via Eburon Academic Publishers.


***

De hoofdfiguur van ‘De Markiezin’ raakt in de ban van een mysterieuze vrouw. Nadat hij voor het eerst met haar in aanraking komt, doen zich allerlei vreemde gebeurtenissen in zijn leven voor. Hoewel hij zijn driften en wanen onder controle probeert te houden, moet hij zich uiteindelijk toch gewonnen geven. In ‘Een leuk verhaaltje voor bijna iedereen’ worden, door middel van parodie, de eerste oorlogservaringen van naïeve jongelingen geschetst. ‘De wederopstanding van patiënt 888’ toont de overgang van religie naar psychologie en van de klassieke naar de postklassieke psychiatrie. De door het verleden achtervolgde Gilles Liemers streeft in ‘Dans met de schaduwen’ de vernietiging van zichzelf en zijn omgeving na, maar slaagt hij ook in zijn opzet?


Leuke verhaaltjes voor bijna iedereen, Arnhem, 2026, 170 pagina’s, ISBN 978 90 8370 920 8 kan worden besteld via aquaZZ.

De ooievaar - Lieven Vandekerckhove

De ooievaar

Bernd en Christa wonen in een groot huis op een groot stuk grond aan de oever van de Spree, in de buurt van Berlijn. Heerlijker kan een woonplek niet zijn. In de zomer brengt het weelderige groen rondom rond schaduw en koelte. In de winter verleent de sneeuw aan het oord een paradijselijke schoonheid. Aan de oever ligt het bootje aangemeerd waarmee het paar op zomerse dagen ontspanning zoekt op het water. ´s Winters gaan ze uren wandelen met de vier honden - besneeuwde wandelwegen lopen er in alle richtingen.

Beiden zijn hartstochtelijke dierenliefhebbers. Dat Christa met een dierenarts gehuwd is, zal dus wel geen toeval zijn. Zelf helpt ze weliswaar niet in de praktijk van haar man, maar op haar manier is ze intensief met dierenwelzijn begaan. In huis vliegt Bubbi, de papegaai, vrij rond. Ze heeft hem leren spreken als de beste: ‘Pappi geht zur Arbeit, und Bubbi bleibt zu Hause.’ Of mocht hij per ongeluk buiten geraken en verdwalen, dan kan hij voluit zijn personalia voorleggen: ‘Bubbi Schönbiss, am Ulmenmarkt acht.’

Maar de dierenliefde van het echtpaar komt wel op een héél bijzondere manier tot uiting. Zowat een decennium geleden heeft Bernd naast het huis een zware, lange paal laten oprichten en er met de hulp van enkele buren een klein wagenwiel op geplaatst, dat als draagvlak kon dienen voor een ooievaarsnest. Zulke nesten op een paal in de tuin of op een schoorsteen ziet men regelmatig als men het noorden van Duitsland doorkruist. Hoog boven de grond zijn de jongen veilig voor roofdieren, en is het nest daarenboven een goede uitkijkpost voor de bewoners ervan.

Al gauw werd de constructie opgemerkt door een ooievaarspaar dat, uit het zuiden teruggekeerd, op zoek was naar een broedplaats. Maar al te graag gingen de vogels in op het vriendelijk aanbod van Bernd en Christa. Takken, gras en aarde werden ingenieus tot een groot nest verbonden. Christa volgde met vreugde de vorderingen van de nieuwbouw. Tussendoor lokte ze de nieuwe buren met stukjes vis, die ze naast de paal op de grond wierp. Een tactiek die snel resultaat opleverde. Zodra de vogels haar opmerkten of hoorden dat ze hen met geklop op een plankje wenkte, vlogen ze het nest uit en landden in haar buurt. Zó vertrouwd raakte het gezelschap, dat de vogels zelfs uit Christa´s hand kwamen eten terwijl zij gehurkt de porties aanreikte.

Toen de broedtijd was aangebroken, kwam maar één van de twee dieren Christa´s diner genieten. Als zijn buikje rond was, vloog de vogel daarna met de tweede portie naar boven. Tot Christa´s verrassing was het niét vader, doch moeder ooievaar die de spijs kwam oppikken. Vader bleef rustig op de uitkijk staan, terwijl moeder vanop de eieren rechtstond en voor wat lekkers naar beneden vloog. Een bewijs te meer, lachte Christa, dat overal en altijd de vrouwelijke soortgenoten de ijverigsten zijn. Niettemin, als de eieren waren uitgebroed, en een vijfkoppige kroost het nest vulde, kweet ook vader ooievaar zich van zijn ouderlijke plichten, en hielp hij de provisie ophalen voor de kuikens.

Op een dag evenwel veranderde het vertrouwde ritueel grondig. Die morgen viel het Christa op dat moeder ooievaar zich maar traag bewoog ginder boven. Ze zag hoe de vogel voorzichtig de vleugels spreidde, een rondje vloog, en landde op het dak van het schuurtje. Ze riep naar het dier, dat na een poos dan toch naar haar toegevlogen kwam. Maar in plaats van zachtjes op de lange poten te landen, viel de vogel plomp vóór haar voeten op de grond. Daar strekte hij zich, en bleef roerloos liggen. Christa begreep niet wat er gebeurd kon zijn, ze aaide het dier lange tijd, maar kon alleen maar toezien hoe ieder leven langzaam van onder de mooie veren wegvlood.

Als Bernd erbij kwam, en de gezwollen hals van het dier zag, vermoedde hij meteen wat er mis was. Hij opende de keel en kreeg effectief bevestiging van zijn vermoeden. Klaarblijkelijk was moeder ooievaar in de omgevende weilanden haar honger gaan stillen en had daarvoor een mol gevangen. Dat doen ooievaars wel meer, net zoals ze ook kikkers en hagedissen en veldmuizen, soms zelfs hun eigen overleden kuikens opeten. Maar een mol op de spijskaart is geen goed idee. Dat wist de dierenarts uit ervaring. Een mol klemt zich immers met zijn graafpoten vast in de keel, en dat luidt de zekere, pijnlijke dood in van de vogel.

Christa was ervan aangedaan. Ze dacht aan de verschrikkelijke pijn die haar ooievaar moest geleden hebben, en streelde opnieuw de lange, witte veren. Ze kon maar moeilijk geloven dat zoiets mogelijk was, en dit dan nog met haar geliefde, mooie vogel moest gebeuren. Dan dacht ze aan vader ooievaar. Of hij het verder alleen zou aankunnen met zijn kroost van vijf?

Bernd ging in de schuur de kruiwagen en een schop halen, en legde het kreng in de laadbak. Ze bleven er nog even staan naar kijken, dan gingen ze er met z`n tweeën stilzwijgend het bos mee in.

© Lieven Vandekerckhove

Uit het nieuwe typoscript ‘Eerst koffie, dan de waarheid’ van Lieven Vandekerckhove.
Lieven publiceerde eerder de verhalen- en cursiefjesbundels:
2019: In schuinschrift
2022: Van A tot Z, of toch bijna
2024: Koorddansen

Lieven Vandekerckhove bij ‘Woordenwevers’

 


dinsdag 16 juni 2026

Poemtata Poëziewedstrijd 2026 - De winnaars

De 18° Poemtata Poëziewedstrijd - Editie 2026 heeft haar geheimen prijs gegeven. 

De laureaten  zijn:

1ste prijs: Marc Rothheut, met het gedicht Topografie
2de prijs: Emilie Dewitte, met het gedicht Scheiding
3de prijs: Sven-Onno Tromp, met het gedicht Stigmata

Er zijn ook 9 eervolle vermeldingen, in alfabetische volgorde:
Tinneke Bracke, Bart De Roo, Philip Hoorne, Marc Meekers, Roosmarijn Mortelmans, Bert Raats, Kristof Van Landegem, Els Van Thuyne en Geert Viaene.

Onze Digtherlijke gelukwensen aan winnaars, genomineerden en deelnemers!

De proclamatie gaat door op zaterdag 12 september 2026 tijdens een intieme poëzienamiddag onder het thema:

Het juiste antwoord op geen vraag”.

Er zijn optredens van de dichters Tania Verhelst en Kevin Amse
Er is muziek met jazz gitarist Hans Van Oost en singer-songwriter Derek

12 september, 14 uur, Provinciaal streekcentrum de Huysmanhoeve, Bus 1, Eeklo - Inkom € 5,00


maandag 15 juni 2026

Van scherven het raam, dan het licht

Vincent Van Gelder bespreekt Lagen van glas, de nieuwe bundel van Daniël Franck



Wit
is een zee van verhalen
voor er talen bestonden.

Zo opent ‘het wit’, het tweede gedicht uit de cyclus ‘De getijden’. De dichter gaat verder:

Het behoedzame gebaar
waarmee je een perzik van je afhoudt,
het monsteren van zachtheid
dat jou toebehoort.

Eenzelfde perzik als in T.S. Eliots ‘The Love Song of J. Alfred Prufrock’?

Shall I part my hair behind? Do I dare to eat a peach?
I shall wear white flannel trousers, and walk upon the beach.

Nu weet ik niet of Daniël Franck aan Eliot dacht, en of hij soms een witte flanellen broek draagt op het strand… Eigenlijk weet ik heel weinig van de auteur. Misschien dit: hij ligt in zijn taal “als in een naakt lichaam”, zoals hij schrijft in het openingsgedicht ‘nulpunt’; een lichaam dat echter nooit zonder onbehagen zal zijn, een taal die steeds tekortkomt, of, zoals we zo treffend lezen in het gedicht ‘vormelijkheid’:

het concept gevoel gevat in een lichaam
dat niet ophoudt
zichzelf uit zijn constructie te willen bevrijden.

Zouden we in dat licht nog herbeginnen?

Het deed me denken aan wat ik Peter O’Toole (‘Lawrence of Arabia’) eens hoorde zeggen over de woestijn: “It is so vast and unremittingly hard, and you can’t win, and you know you can’t win… and then you have a go.” De dichter weet dat hij nooit kan ‘winnen’ van de taal, maar kan niet anders dan het gevecht aan te gaan. “Er zijn / woestijnen die eens in een mensenleven tot bloei komen,” schrijft Franck in het gedicht ‘geen woorden’; dat weet de dichter, of houdt de dichter zichzelf voor om door te kunnen gaan.

De binnenflap van ‘Lagen van glas’ spreekt over “beeldende gedichten” en die duiding staat er niet voor de vorm. Die beelden kunnen heftig zijn (“Jij velde mij stripte mij vilde mij, / strekte mij in lange stroken uit”); verzachtend (“Dat ik beleven kan / hoe een kind een bal opgooit / en de verwondering dat iets daarbuiten / de bal heeft teruggebracht”); of ergens daartussenin (“We trekken het huiveren van de nacht / als een deken van spinnende katten over ons heen”). Daniël Franck bedient zich in elk register van originele metaforen en durft hierin ver én breed te gaan, wat een vampirische lezer lekker veel hals geeft om de oogtanden in te zetten.

Zo’n ‘film’ die wel erg dicht op de huid kwam, en er zelfs doorheen ging, vond ik in het openingsgedicht van de cyclus ‘Scherven’:

Met een hamertje sloeg je het glas uit de deur,
koos een stralende scherf uit, recht, scherp,
plaatste die aandachtig op de rand van het bad.

Eerst bestudeerde je de polsen,
stijfwitte pilaren met blauwe ondergrondse kanalen
vol verwachting.

Toen je uithaalde
pulseerde je bloed gelijk met je ademhaling,
je gedachten al neergeslagen.

Ik belde,
je rende de leefkamer in,
zei niets aan de hand,
je tenen bleek in de vloeiende bloedplas.

“Vraagt ge de weg naar de vrijheid? Gij kunt hem vinden in elke ader van uw lichaam,” horen we Seneca zeggen. Maar dit is een eenrichtingsweg. "Suicide is, after all, the opposite of the poem," wist ook Anne Sexton. Anders gezegd zet de dichter de scherven van dit bestaan niet tegen de polsen, maar snijdt de stukken zorgvuldig bij om in loodlijsten te passen; en bij het vallen van het licht door dit unieke en veelkleurige raam, kunnen ook anderen zich hieraan vergapen. Wat mij betreft toont Daniël Franck zich met zijn bundel een meester-glazenier.

Om in de beeldtaal van het aangehaalde fragment te blijven, wil dit echter niet zeggen dat ieder gedicht inkijk verschaft. Ook bij herlezing blijven bepaalde deuren gesloten; wat de lezer evenwel niet belet de sierlijke klinken te bewonderen en met de vingers langs het secure reliëfsnijwerk in het hout te strijken. We kunnen immers “lang oefenen in thuiskomen”, bevestigt de auteur ons.

Maar ik wil niet eindigen voor een gesloten deur. In het laatste gedicht van de bundel laat het lyrisch ik zich meedrijven “op gedweeë golven”, “naakt” en “krachteloos” (zo beeld ik mij in) als in het eerste gedicht. Zo wordt eindpunt nulpunt, en – in de woorden van René Gude – “Amor fati, hups daar gaat-ie!”; al zullen we met elke herlezing halt houden bij andere knappe versregels…

“Wij werken vanuit een gebroken wereld, en het enige wat we doen, is de scherven bijeenvegen… en te laten zien dat het scherven zijn,” dixit Lucebert. Dat de dichter meer doet, meer moet doen, hoop ik in deze korte beschouwing te hebben aangetoond. Daniël Franck heeft in ieder geval meer gedaan.

© Vincent Van Gelder

Daniël Franck, Lagen van glas, Uitgeverij P, 2026, 72 pagina’s, ISBN 978-94-93534-00-1

woensdag 10 juni 2026

Poëzieprijs Jotie T'Hooft - De laureaten en hun gedichten

Op zaterdag 9 mei 2026 werd in Oudenaarde de Jotie T’Hooft Poëzieprijs uitgereikt. Jotie – de door velen onder ons betreurde en nog steeds gelezen dichter – zou immers op 9 mei uitgerekend 70 jaar zijn geworden. Een hele mooie reden om een poëtisch feestje op te zetten.  De hoofdprijs ging naar Rita Van Hauwermeiren, een dichteres die ook in de Digtherlijke annalen maar al te bekend is. Berichten en info kun je hier op haar Schaal van Digtherlabel nalezen.

Ondertussen is tijdens ons “zomerreces” dankzij de goeie zorgen van wedstrijd-coördinator Tom Bruynooghe het fraaie laureatenboekje 2026 op de redactie aangekomen.
Daarin lees je over de verschillende categoriën heen de gedichten van winnaars en genomineerden vergezeld van de jurycommentaren.

Het boekje kun je steeds verkrijgen door een mailtje te sturen
jotiepoezieprijs@gmail.com met vermelding van naam en adres. U ontvangt dan een bevestigingsmail met meer uitleg over de betalingsprocedure.

De prijzen (inclusief gewatteerde omslag en verzending):

Voor België: € 16 
Voor Nederland: € 26


De winnaars en de genomineerden van wie gedichten terug te vinden zijn in de bundel nog ’s op een rij:

Categorie A – van 0 – 14 jaar:
1.
Marit Lenaerts 2.Tika Kerckenaere 3. Lucia Van Bockryck
Nominaties : Martha Tack, Anaïs Cloet, Alice Blake en Stien Sulmont

Categorie B – van 15-18 jaar:
1. Julia Jacobs 2. Sofie Rubio van Gerner 3. Lise Dumont
Nominaties: Natasha van der Duim, Juliette Veulemans, Jelina D’haeseleer, Lars Degezelle, Wout De Caluwé, Leonore Op het Veld en Mats De Vriese

Categorie C – vanaf 19 jaar:
1. Rita Van Hauwermeiren 2. Agad Ammeraal 3. Patrick Verstraete
Nominaties: Mylène Delfos, Eddy Vaernewyck, Vanessa Daniëls, Paul Rigolle, Giselle Zwerts, Freda Goossen, Michael Vonk

De prijs van de Stad Oudenaarde was voor Francis D’haene

In deze categorie werden niet minder dan 824 gedichten van 483 dichters ingestuurd!!! Alle winnaars, genomineerden, én alle deelnemers hebben onze Digtherlijke gelukwensen!

Winnaars, genomineerden en juryleden.

Jotie 70 - De feesttaart