Posts tonen met het label Philip Hoorne. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Philip Hoorne. Alle posts tonen

vrijdag 20 maart 2026

De schommel - Philip Hoorne

De schommel 


Ik kijk door het raam. Je voeten raken de aarde 
net niet. Je wenkt me. Ik weet wat dat betekent, 
veeg mijn handen droog en loop de tuin in.
Ik duw je elke dag een beetje hoger.

Hoe vaak heb ik niet gedacht: ooit zwiep je 
op eigen kracht. Tot die dag kwam en ik woest
die nutteloze schommel uit de boom 
wilde rukken, wat me niet lukte.

Ik loop de tuin in, streel het plankje, 
ruik aan de plekken op de nylon touwen 
waar jij je handjes zette, ga zitten en kijk 
door het keukenraam naar mezelf. 

Ik wenk me met mijn ogen, maar niet ik ben het 
die op me af komt lopen. Balancerend op dat 
smalle stuk hout voel ik hoe je me omhoog trekt, 
dan loslaat en duwt, duwt, almaar hoger. 

© Philip Hoorne 

Met het gedicht 'De schommel' won Philip Hoorne de wedstrijd 'Gedichten om te koesteren'.

Verzacht met je woorden de pijn van ouders die een kind verloren, dat was de oproep voor de tiende editie van de wedstrijd 'Gedichten om te koesteren'. 

De vakjury bestond uit uit Christophe Vekeman, Uus Knops, Daniel Billiet, Pieter Deknudt (Reveil) en Jonas Bruyneel.

Andere gedichten die werden geprimeerd zijn van de hand van Sanne Goetschalckx, Janet Kleiberg, Julie Mistiaen, Chantal Kuipers en Griet Lemmens. 

Alle info lees je via deze Azerty-link. 

Copy illustratie: © Sassafras De Bruyn voor Azertyfactor.


© Sassafras De Bruyn voor Azertyfactor



zaterdag 14 februari 2026

Poëzieprijs van de Stad Ronse 2026 voor Philip Hoorne

 

Over de poëzie van Philip Hoorne kun je veel zeggen. Zijn vaak toegankelijke en badinerende gedichten doen het erg goed wanneer je ze de dichter hoort voorlezen. Altijd is er wel een ‘ironiserende’ Hoorniaanse wrong en/of pointe in zijn poëzie te vinden die voor een glim-of grimlach bij de toehoorders zorgt. Het maakt dat Philip Hoorne als dichter (té) vaak in het kastje van te nemen of te laten’ terechtkomt. Het maakt ook dat zijn gedichten niet al te dikwijls bekroond worden. De jury van de jaarlijkse poëzieprijs van de Stad Ronse dacht daar dit jaar unaniem anders over. Rond het vooropgezette poëzieweek-thema “Metamorfose” kreeg ze niet minder dan 138 inzendingen te beoordelen. Uiteindelijk werd het gedicht “Bij het oude” van Philip Hoorne uitverkoren om zoals elke laureaat van de wedstrijd “een tegel in het stadsbeeld” met een gedeelte van het winnend gedicht te ontvangen.

We geven hier graag - met dank aan de dichter - het winnende gedicht even mee:


Bij het oude


Ze vraagt of ik mijn plannen glad wil strijken
alsof een voornemen beter ademt als het
kreukvrij bungelt aan een koelkastmagneet
in de vorm van een overzees land.

Ze leest afgewerkte boodschappenlijstjes
voor aan haar Schnauzer, die haar negeert.
En ik, ik splits mezelf in almaar kleinere stukjes
zodat ze makkelijker om me heen kan lopen.

Op familiefeesten met zwartgeblakerde worsten
en lauwe gesprekken gaat ze rond met altijd weer
dezelfde vraag: waarom blijft alles bij het oude?

Elke dag bekwaam ik me in het bedenken van momenten
die nog niet durfden te gebeuren, terwijl zij blijft hopen.
Telkens als ik wegkijk, zie ik haar smekende ogen.


© Philip Hoorne

Graag vermeld ik hier ook nog ’s dat er van Philip Hoorne in het (vroege) najaar een nieuwe dichtbundel op komst is die zal verschijnen bij Uitgeverij Archipel.

Ook willen we jullie via dit blogbericht zeker de andere Ronse-laureaten en genomineerden niet onthouden.

Categorie van 12 tot 14 jaar:
Winnaar Levana Deblauwe (met ‘Stille dromen’) – genomineerden: Ibrahim Tahiri Belhssaian en Miro De Voet

Categorie jeugd van 15 tot 18 jaar:
Winnaar Dieuwke Lauwers (met ‘Muurbloem’) – genomineerd: de beide ingezonden gedichten van Dieuwke Lauwers

Categorie van 19 tot 35 jaar
Winnaar: Simon Hollevoet (met ‘Groeipijnen’) – genomineerden: Silke Eeckelaert en Augustin Grenné (die eerder winnaar was in 2025!!!)

Categorie 35+
Winnaar: Philip Hoorne – genomineerden Gerda Verschueren en Martin Henrist

De prijs voor de beste Ronsenaar ging dit jaar naar Kitty Eemans (‘Fluistering van mijn hart’)

Een brochure met de winnende gedichten kan worden opgevraagd bij de Bib van Ronse.

Philip Hoorne ondertekent een contract voor de
publicatie van een dichtbundel bij Uitgeverij Archipel

Poëzieprijs van de Stad Ronse  (pdf-bestand)
Blogbericht Philip Hoorne: Gewonnen in Ronse
Philip Hoorne bij De Knipscheer
Uitgeverij Archipel

(Tekst: Paul Rigolle)

vrijdag 6 september 2024

Het leven is geen eierdooier behalve voor zij die kakelen

Het leven is geen eierdooier behalve voor zij die kakelen.

Recensie van Mens is de naam, de nieuwe dichtbundel van Philip Hoorne door Alain Delmotte.

Zou de poëzie van Philip Hoorne te nemen of te laten zijn? Is men voor of is men tegen? Uit de vraag moet blijken dat hij op de één of andere manier controversieel is. Alsof hij een duivel onder ons zou zijn! Zoals het eerste citaat uit de song ‘Sympathy for the devil’ van de Rolling Stones vooraan de bundel zou kunnen suggereren. Die sardonische karaktertrek heeft wellicht te maken met zijn humor die meer dan eens op een zwarte en genadeloze manier van hyperbolisch tot het laag-bij-het-grondse wordt.

Ik hoor wel eens dat de bundels van Hoorne routineus op elkaar zouden gelijken. Dat is evenwel niet terecht. Ik denk dat we wel degelijk een ontwikkeling in zijn werk kunnen onderkennen. We hebben zijn eerste bundel maar te vergelijken met z’n laatste: het zijn twee verschillende taaldomeinen. Om het toch wat af te grenzen: hoe heeft de poëzie van Philip Hoorne zich dan ontplooid sinds zijn (door Hoorne zelf samengestelde) bloemlezing ‘Grootste Hits! De Jaren Nul’ uit 2009? Vanaf 2012 tot nu publiceerde hij vier bundels: ‘Het is fijn om van pluche te zijn’ (2012), ‘Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is’ (2015), ’Het dikke meisje en de ziener’ (2019) en thans is er ‘Mens is de naam’ (2024). We vinden in deze bundels de ingrediënten terug die we in sommige bundels uit de jaren nul terug konden vinden: het platte (of het lagere), de (zelf)spot, de ironie, het boertige, het absurde en het groteske. Van Hoorne valt geen verfijnde esthetiek te verwachten. Zoals bijvoorbeeld de volgende onvertogen regels dat rijkelijk en scatologisch bewijzen:

te laat komen of in mijn broek kakken
ervaar ik allerminst als een dilemma
tijd is relatief mevrouw de voorzitter
een volgescheten broek is dat niet

Soms wordt er in verband met zijn werk gesproken over nihilisme en cynisme maar laat me daar eerder voorzichtig over zijn.

Altijd hetzelfde? Nochtans is er een kleine verschuiving merkbaar. Met name vanaf de laatste cyclus uit ‘Het is fijn om van pluche te zijn’ die de titel ‘Het begint altijd met wakker worden’ meekreeg. Wat toen opviel was het feit dat de leestekens waren weggegevallen en dat de versregels en strofen minder regelmatig waren opgebouwd (zij het relatief en niet excessief). Er wordt niet langer gebruik gemaakt van hoofdletters. Twee bundels later vertonen sommige gedichten de neiging om wat in lengte toe te nemen. Deze bundels worden niet langer in cycli gestructureerd maar zeer elementair volgens de alfabetische rangschikking van de titels. Welk gegeven zou die vaststellingen teweeggebracht hebben?

In het VWS-cahier (nr. 282) ‘Wachten is het hele leven’(2014) dat Paul Rigolle over het werk van Philip Hoorne schreef, wordt er uit een interview met een krant uit 2012 (dus na de publicatie van ‘Het is fijn om van pluche te zijn’) de volgende uitspraak van Hoorne geciteerd: ‘Het lijkt me dat ik in iedere bundel een stuk vrijpostiger word.’

Ik ben van mening dat net die aandrang tot een nog grotere vrijpostigheid Hoorne er toe aanzette om losser met interpunctie (er blijven slechts het vraagteken, hier en daar wat gedachtestrepen en haakjes over) en met een minder strikte vers- en strofebouw om te gaan. Het staat hem ook wellicht toe om meer verhalend uit de hoek te komen en het stond hem meer ‘woordwoekering’ toe. Veralgemening wens ik hier te vermijden: wat langere, woekerende gedichten vinden we ook wel in de vroegere bundels terug en verhalende elementen waren er toen zeker ook al. Maar de frequentie ervan verhoogt na 2012. Het staat hem toe om de zaken wat meer uit de hand te laten lopen, daarbij geholpen door een taal die hij niets laat ontzien – zij het nooit integraal. Hoe wild, stom of maf sommige verhalen lijken, Hoorne behoudt de controle, hij slaat nooit door. Het blijft ‘gedrild’. Waarmee toch blijkt dat deze poëzie onderhuids subtieler is dan dat zij op het eerste gezicht lijkt.

Er zijn twee stellingen die ingenomen kunnen worden ten aanzien van de poëzie van Hoorne, die beide best voor waar aangenomen kunnen worden. Stelling één: hij is een dichter die zich niet camoufleert. Stelling twee: hij is een dichter die zich zeer goed weet te camoufleren. Die twee mogelijke stellingen zorgen er voor dat het werk van Hoorne dubbelzinnigheden vertoont en dat net die dubbelzinnigheden de kern van deze poëzie uitmaken. En de grootste dubbelzinnigheid daarbij is dat het moeilijk is om vast te stellen wat nu al dan niet ironie is. In het gedicht ‘Sujet’ duikt die dubbelzinnigheid op:

dat schrijven is een manier
zeggen zij die het menen te weten
om zijn schuchterheid te maskeren
niet waar schreeuwen anderen luidkeels
hoorne is gewoon een verwerpelijk sujet
gemeen van kop tot teen
gemeen gemeen gemeen
dat lees je toch meteen

De eerste stelling heeft te makken met zijn onomfloerste zegging – ‘dat lees je toch meteen’. Zoals ik daarnet al noteerde is Hoorne een dichter die niet van fiorituren of van wolligheid houdt. Die er ongegeneerd tegenaan gaat en zich daarbij soms onverbloemd opstelt, die zijn eigen regels volgt en met niemand rekening wenst te houden. Hij laat zich niet graag adviseren over hoe je poëzie moet schrijven. En nog minder laat hij zich censureren. In het gedicht ‘Voor de niet tevreden schrijfdocent’ blijkt de schrijfdocent effectief niet tevreden

hij noemde het vies vunzig schunnig scabreus smerig en vulgair
wat een rijke taal wat een woordenschat
maar ik publiceer het toch – kust mijn gat!

De zelfironie heb je onmiddelijk beet: Hoorne is met name zelf een schrijfdocent.

Bedoel ik met de tweede stelling dat de dichter zijn ‘schuchterheid’ probeert te ‘maskeren’? Nee, het is de dichter die dit noteert. Aan gepsychologiseer waag ik me niet. Zo wens ik poëzie niet te lezen. Ik probeer me aan de tekst te houden. Het is trouwens wat te goedkoop om te gaan poneren dat Hoorne zijn kwetsbaarheid met gestoer en gestoei probeert toe te dekken. Want iedereen maskeert zich, want iedereen is even kwetsbaar – al geven de meesten dit uiteraard niet graag toe. Wat betekent dat we met z’n allen een masker dragen (op de voorflap van de bundel staat een foto met ensoriaanse maskers). Het menselijke bedrijf is carnavalesk. Niemand weet wie er zich achter het masker bevindt – zelfs niet wie het masker draagt. Vandaar het motto van Urbanus als tweede citaat vooraan de bundel:

1-2-3 Rikke tikke tik
Ra, ra, ra wie benne-k-ik
Is er iemand die al weet
Hoe ik heet

Nee, wat ik bedoel is dat Hoorne nooit expliciet is wat zijn kijk op de wereld betreft. Op de mensheid. Op de taal. Hoorne is een dichter die schrijft vanuit een ontnuchterde en ontnuchterende houding, veel meer dus dan vanuit een gemis (vanuit het grimmige) dan vanuit een verlangen (vanuit het lyriserende). Het harmonisch lyrisch (de zang) is uit het gedicht weggezeefd: gebrekkige taal en kromme zinnen blijven over.

mijn gebrekkige taal zal ik
samen met vele anderen celebreren
op Kromme Zinnendag

Kromme zinnen laten zich herkennen in het woordspelige, het door elkaar schudden van betekenissen (wat zorgt voor een vervreemding ten aanzien van de taal), bewust goedkope knittel- en knuppelverzen-achtige regels.

Ik geef hier enkele voorbeelden van. Uit het gedicht ‘Massis’:

lammen laten lopen?
lammenielachenlul

Uit ‘Frituurland’:

op de terugweg van tervuren
komen we zesentwintig frituren tegen

Woordspel is te lezen in volgende regels van ‘Een dag als geen ander’:

ik vervolgde mijn weg en op die weg
werd mijn blik eerst gevangen door een blikvanger
vol met blikjes (…)

(In hetzelfde gedicht veroorlooft Hoorne zich een binnenpretje door te verwijzen naar een gedicht uit zijn bundel ‘Het ei in mezelf’.)

Vervreemding vinden we in het gedicht ‘Schoor’:

van die keer dat ik scheermesjes kocht
waarmee ik me niet in mijn polsen sneed
maar mij schoor zoals het hoorde
en schoor ik weet niet of jij het hoort
maar schoor is een heel raar woord

Begripsverwarring staat te lezen in het gedicht ‘En dans’

of een hark en een rakel hetzelfde zijn
het antwoord is ja rakel is vlaams voor hark
eigenlijk – en je hebt gelijk – kan je stellen
dat er in dat tuinhuis één spade en twee harken stonden
of twee rakels (…)

(…)

de benamingen hark en rakel dienden voor het onderscheid
tussen de rakel en ik
daar zijn namen tenslotte voor
om de dingen van elkaar los te maken

De kernen van wat je als een concrete levensvisie zou kunnen beschouwen, liggen tussen de plooien van de verzen ingebed waarmee ik wil zeggen: met een oppervlakkige lezing raak je er niet. Je moet het wat isoleren, het uit zijn context halen, het narratieve ervan afstoffen. Ik zal niet alle gedichten gaan uithollen. Ik geef enkele elementen aan.

In het eerste gedicht van de bundel ‘Advies van de crisismanager’, staat het er uitdrukkelijk:

(…) dat iedereen altijd en overal alleen is

En die eenzaamheid lijkt onherroepelijk fataal:

wedden dat je terugkeert
altijd keer je terug naar de kamer
waar je heerlijk eenzaam kunt wezen

Die ‘ouwe getrouwe eenzaamheid’ of het isolement speelt zich onder een stolp af:

dat wij onder een verstikkende stolp naar adem happen
niet weten hoe te ontsnappen

Het wijst op wat je kunt verwachten van de wereld: survival of the fittest!

wie niet sterft zal op de een of andere
manier wel overleven (…)

Zelfs bij de conceptie steken zaadcellen elkaar de loef af. Eentje wordt ‘alsnog op de meet geklopt’. Dat ‘falen’ zorgt ervoor dat de dichter zich emotioneel opstelt:

kwaad ben je op jezelf en op iedereen

Iedereen: de mensen dus. Die zijn niet geliefd: ze irriteren. Het zijn lawaaimakers, praatjesmakers, raaskallers, zwetsers:

de zwetsers de kwetsers
nooit doen ze iets anders dan zwetsen en kwetsen
bij mijn geboorte stonden ze naast mijn kraambed

De strenge (en bewust ongenuanceerde) balans wordt opgemaakt in één enkele versregel:

25% van de mensen zijn idioten en 74% zijn grote idioten

Veel hoop biedt dat overblijvende procentje niet:

niemand heeft nog plezier

De dichter schrijft dit inzicht zonder enige gêne en met groot besef van zich af, want

het heeft geen zin om te doen alsof
we niet weten wat we weten

Hij komt tot de conclusie:`

menig man gaat onderuit
iedereen spreekt iedereen toe
nul ziel doet aan bezwaar
het leven is geen eierdooier
behalve voor zij die kakelen

Zoek achter de laatste regel (een soort maxime) maar eens de logica. Een existentieel probleem wordt er alvast mee aangegeven:

van zelf te leven krijg je alleen maar pijn

Een variatie hiervan vinden we in het titelgedicht:

het is pijn en ik weet dat het pijn is
maar op den duur denk je: ach ja
pijn is de naam zeker?

(…)

een mens is maar een mens
van mens-zijn ga je dood

Kortom – het leven doet onbeantwoorde vragen rijzen, het hoort bij die pijn:

praatjes dacht ik allemaal praatjes
en eindigen met een vraag natuurlijk
een antwoord op een vraag
dat eindigt met een vraag
de story van ons bestaan

Dit wordt gekoppeld aan het vraagstuk van de tijd:

we weten dat tijd alle wonden heelt
maar dat die treiterende tijd daar zijn tijd voor neemt

Er worden zich geen illusies over de tijd gevormd. Het wordt indringend geformuleerd:

verloren tijd dat lijdt geen twijfel
maar tegen beter weten in blijven de vingers van dit lijk in wording
verwijtend wijzen naar de cijfers op de klok

We worden voor het ‘zwarte gat’ verwittigd:

vergeet nooit dat tijd altijd verwarring brengt
je kunt dit het best vergelijken met je favoriete
bowlingbal die niet terugkeert naar jouw hand
je bukt voorover en kijkt in het zwarte gat
geen bal te zien

Zou liefde een uitweg bieden? In sommige gedichten komen allerlei liefdesrelaties ter sprake. Ze zijn toevallig, vol ontrouw, onbetrouwbaar. Ze blijven onbeantwoord of volgen elkaar op. Of ze zorgen voor onverwachte ‘wendingen’. Het zijn vergissingen. Zou de liefde wel bestaan?

een mens kan er niet blijven over zaniken
of liefde echt bestaat of niet
of dat het eerder zoiets is als de sint
ik heb betere dingen te doen

Uieindelijk is er voor de dichter maar één eindconclusie mogelijk en die klinkt bitter:

het gaat in deze wereld niet om beter
wel om het ego en hoe het te strelen

Is dit nu ironie of ernst? Daar is die ambiguïteit dus weer. Het kan dus beide zijn. Niettemin heb ik het gevoel dat er achter deze poëzie een subtiele droefgeestigheid schuil gaat. Een tristezza. Ik ontwaar dit onder meer in een voor Hoornes doen erg transparante gedicht ‘Zondag’, a poem for the millions:

de zondag kan het ook niet helpen
dat hij de dag is van tompoezen eclairs
elixir d’anvers en soezen bij de koers

de dag van wandelbottines
zweefvliegtuigen en beduimelde foto’s
die lacherig uit hun plakboek springen

de dag van vervellen en vervelen
van kiften kribben en kibbelen
en de herstelde vrede achteraf

niemand wordt begraven op een zondag
de zondag is al van zichzelf een graf

Nee, Hoorne is niet alleen pose. Hij is minder oppervlakkig of doelloos dan hij lijkt. Daarom dat ik hem niet langer als een nihilist of cynicus durf te omschrijven. Hij heeft er misschien de allure van maar in de diepte is hij een werelds en betrokken dichter. Het volstaat om hem dus vooral tussen de regels te durven lezen.

© Alain Delmotte

Mens is de naam – Philip Hoorne
Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2024
ISBN 978 94 93368 05 7 NUR 306

Mens is de naam bij De Knipscheer



zaterdag 18 mei 2024

Leugens zijn stom - Philip Hoorne

Leugens zijn stom

wat is het stil op straat
alleen waarheden klinken

een dame staat vals te trekkebekken naar een andere dame
die op haar beurt een gemene trekkebek opzet
een trekkebekgevecht

jij bent ook mooi hoor
mimet de tiktokverslaafde influencekip
tegen de kwijlende downer

mi casa es tu casa lipt buurman lowie
hij sluit de deur ramt de grendels in hun schuiven
en slikt de sleutel in

ik zie je
fluistert een man in het oor van zijn vrouw
graag blijft steken in zijn keel

hij is geen leugenaar
hij ziet haar


© Philip Hoorne


Voorpublicatie uit Mens is de naam, de nieuwe dichtbundel van Philip Hoorne.

De bundel wordt op zaterdagnamiddag 1 juni 2024 om 16.00 uur voorgesteld in de Bib in het Park, Vanackerestraat 20 in Wevelgem.

Inschrijven is wenselijk, maar niet noodzakelijk.

Schepen Geert Breughe verwelkomt, redacteur Peter de Rijk leidt in, Koen D’haene (jaargenoot, oud-klasgenoot en romanschrijver) gaat in gesprek met Philip Hoorne, die vervolgens enkele gedichten uit de bundel voorleest. Uitgever Franc Knipscheer overhandigt het eerste exemplaar.
Receptie aangeboden door het gemeentebestuur Wevelgem.

Mens is de naam is de achtste dichtbundel van Philip Hoorne en de tweede bij Uitgeverij In de Knipscheer, na Het dikke meisje en de ziener (2019).

Mens is de naam
Weblog Philip Hoorne
Philip Hoorne op Auteurslezingen

Digther-Blogbericht Mens is de naam van 7/5/2024


Cover 'Mens is de naam'

Philip Hoorne, dichter en fotograaf



maandag 13 mei 2024

Voor de niet tevreden schrijfdocent - Philip Hoorne

Voor de niet tevreden schrijfdocent

harde brokken of smeuïge pulp
dat is de vraag
ik pers er alles uit
weet niet exact wat er komen zal en denk
onwillekeurig terug aan die eerste keer in mijn broek

toen ik lang had gewacht
te lang
om dan tot mijn afgrijzen vast te stellen dat voor mij
in de rij naar het genderneutrale kleine kamertje
acht bejaarde dames stonden met meer praatjes dan drang

pats boem knal deed het ongeleide projectiel
en terwijl de brij in mijn pijpen liep hoorde ik
hoe op het zonneterras mijn vrouw en onze nieuwe beste vrienden
schaterlachten om iets wat lang niet zo memorabel kon wezen
als datgene wat ik zo dadelijk zou verkondigen

feeling blue ik ken het
feeling brown dat ook
je moet schrijven over materie
die de mensen kennen zei de schrijfdocent
een gouden tip die leidde tot dit gedicht

helaas kon het hem niet bekoren
hij noemde het vies vunzig schunnig scabreus smerig en vulgair
wat een rijke taal wat een woordenschat
maar ik publiceer het toch – kust mijn gat!


© Philip Hoorne


Voorpublicatie uit Mens is de naam, de nieuwe dichtbundel van Philip Hoorne.

De bundel wordt op zaterdagnamiddag 1 juni 2024 om 16.00 uur voorgesteld in de Bib in het Park, Vanackerestraat 20 in Wevelgem.

Inschrijven is wenselijk, maar niet noodzakelijk.

Schepen Geert Breughe verwelkomt, redacteur Peter de Rijk leidt in, Koen D’haene (jaargenoot, oud-klasgenoot en romanschrijver) gaat in gesprek met Philip Hoorne, die vervolgens enkele gedichten uit de bundel voorleest. Uitgever Franc Knipscheer overhandigt het eerste exemplaar.
Receptie aangeboden door het gemeentebestuur Wevelgem.

Mens is de naam is de achtste dichtbundel van Philip Hoorne en de tweede bij Uitgeverij In de Knipscheer, na Het dikke meisje en de ziener (2019).

Mens is de naam
Weblog Philip Hoorne
Philip Hoorne op Auteurslezingen

Digther-Blogbericht Mens is de naam van 7/5/2024


Cover 'Mens is de naam'

Philip Hoorne, dichter en fotograaf



donderdag 9 mei 2024

Wendingen - Philip Hoorne

Wendingen

boris zag zijn schoonvader het bordeel verlaten
net toen hij het betrad
dat leverde in het portaal een ontmoeting op
die als ongemakkelijk kon worden omschreven

eindelijk dacht schoonvader frank
45 jaar getrouwd met magda
zal mijn leven een andere wending nemen
dat dacht ook boris 20 jaar met els
maar behalve dat de twee elkaar meden
wat ze voorheen al deden veranderde er niets

toen frank – niet meer zo bedreven in het weg-
maar wel nog in het geslachtsverkeer – boris vroeg
om voortaan samen naar le ciel éternel te karren
werden ze tot voldoening van hun beider echtgenotes
onafscheidelijke vrienden
niet graag samen thuis
maar verdomd graag samen uit

tot een viswijf boris’ toyota op de
toch niet zo discrete parking zag staan
frank zijn naam veranderde in haas
en deed alsof zijn neus bloedde
wat ze ook echt deed na een onzachte
confrontatie met boris’ rechtervuist

waarna levens finaal
alsnog wendingen namen


© Philip Hoorne


Voorpublicatie uit Mens is de naam, de nieuwe dichtbundel van Philip Hoorne.

De bundel wordt op zaterdagnamiddag 1 juni 2024 om 16.00 uur voorgesteld in de Bib in het Park, Vanackerestraat 20 in Wevelgem.

Inschrijven is wenselijk, maar niet noodzakelijk.

Schepen Geert Breughe verwelkomt, redacteur Peter de Rijk leidt in, Koen D’haene (jaargenoot, oud-klasgenoot en romanschrijver) gaat in gesprek met Philip Hoorne, die vervolgens enkele gedichten uit de bundel voorleest. Uitgever Franc Knipscheer overhandigt het eerste exemplaar.
Receptie aangeboden door het gemeentebestuur Wevelgem.

Mens is de naam is de achtste dichtbundel van Philip Hoorne en de tweede bij Uitgeverij In de Knipscheer, na Het dikke meisje en de ziener (2019).

Mens is de naam
Weblog Philip Hoorne
Philip Hoorne op Auteurslezingen

Digther-Blogbericht Mens is de naam van 7/5/2024


Cover 'Mens is de naam'

Philip Hoorne, dichter en fotograaf


dinsdag 7 mei 2024

'Mens is de naam' van Philip Hoorne



Op zaterdag 1 juni 2024 e.k. stelt Philip Hoorne in zijn woonplaats Wevelgem zijn nieuwste dichtbundel Mens is de naam voor. Het is al zijn achtste dichtbundel en zijn tweede op rij bij Uitgeverij In de Knipscheer.

De Schaal van Digther is verheugd om de komende weken drie gedichten uit de bundel te kunnen publiceren. Waarvoor dank.

Philip Hoorne die als dichter debuteerde in 2002 en die ook stichter en begeleider is van het 'Poëzieatelier Brugge' neemt een volstrekt eigen plaats in in de Vlaamse en de Nederlandstalige poëzie van het moment. Er steekt veel ironie (en af en toe zelfs wat sardonische humor) maar ook veel mededogen in zijn werk. Mededogen met de mens! Dat is wellicht ook wat we met en in ‘Mens is de naam’ mogen en kunnen verwachten. 

Jooris van Hulle schreef over de recente poëzie van Hoorne nog:

Philip Hoorne bruuskeert en charmeert, hij strijkt tegen de haren in, monkelt en glimlacht – of beter: hij grimlacht – om wat mensen ervan bakken in het leven

(Jooris Van Hulle in ‘Poëziekrant’)


Op het programma op 1 juni 2024 – vanaf 16:00 uur in de Bib van Wevelgem:


> Openingswoord door Geert Breughe, schepen van Bibliotheek
> Redacteur Peter de Rijk over ‘Mens is de naam’
> Auteur en oud-klasgenoot Koen D’haene gaat in gesprek met Philip Hoorne
> Philip Hoorne leest enkele gedichten voor
> Receptie aangeboden door het gemeentebestuur

Praktisch:

Zaterdag 1 juni 2024 | 16 uur | Bib in het Park (Vanackerestraat 20, Wevelgem)
Inschrijven of verontschuldigen

Graag vragen we je om je komst tegen ten laatste 26 mei te bevestigen
 via www.wevelgem.be/voorstelling-dichtbundel of telefonisch via 056 43 35 40.

Meer informatie vind je terug op www.wevelgem.be/mensisdenaam

Mens is de naam 
Website Philip Hoorne 
Philip Hoorne op Auteurslezingen

Philip Hoorne op Poëzie Centraal
Uitgeverij In de knipscheer
Bibliotheek Wevelgem





 

dinsdag 30 april 2024

Een veelzijdige kijk op de menselijke ervaring

Inleiding van Philip Hoorne bij de bundel Onbereikbaar voor commentaar van Wim Vandeleene, die op 28 april 2024 werd voorgesteld in Snuffel Hostel, Brugge

Goeiemiddag waarde poëziegelovigen, we zijn hier vandaag bijeengekomen om de geboorte van de dichtbundel Onbereikbaar voor commentaar van Wim Vandeleene te celebreren en op de wijde wereld los te laten.

Na Duikvlucht is Onbereikbaar voor commentaar de tweede bundel van Wim Vandeleene. De tweede ook bij Uitgeverij De Zeef die gestaag bouwt aan een mooi en degelijk poëziefonds. De werking van Annemie, Charles en Roel verdient alleen maar lof.


Onbereikbaar voor commentaar telt 47 gedichten, ondergebracht in 10 cycli. Een best wel lijvige bundel. De dichter heeft in die cycli geen symmetrie nagestreefd wat betreft het aantal gedichten per cyclus. Door zich te ontdoen van de wurggreep van de symmetrie, hoefde de dichter geen gedichten overboord te gooien of per se wel in de bundel te houden. Ik heb de indruk dat Wim zijn allerbeste gedichten heeft verzameld en thematisch gesorteerd in afdelingen. Goed gezien.

Wim is iemand die openstaat voor feedback en dialoog. Op 12 oktober van vorig stuurde Wim mij een mailtje met negen potentiële titels voor deze bundel. Daar zaten sterke titels tussen. Hij vroeg mijn mening. Uiteindelijk is het een titel geworden die niet in dat lijstje voorkwam.

Onbereikbaar voor commentaar is een flard uit een gedicht. Een titel hoeft niet per se de volledige lading van de bundel te dekken. In dit geval is dat ook moeilijk, want Wim Vandeleene levert een veelzijdig werkstuk af, dat niet in een paar woorden kan gevat worden. Is de titel alleen maar gekozen omdat het een fraaie woordgroep is? Ik kom hier straks op terug.

Ik wandel met u even door de bundel, die u straks thuis rustig kunt savoureren, en houd kort halt bij elke afdeling. De eerste cyclus, ‘Startschot’, telt twee gedichten. ‘Zal je met doorligwonden opstaan uit een zetel’, zo luidt de allereerste regel van het openingsgedicht ‘geen weg terug’. Het gedicht is een retrograde van de geschiedenis van de mensheid. Het nodigt ons uit om de verbondenheid met de natuur en het pure leven te herontdekken. Maar helaas kunnen we niet terug naar wat ooit was. De dichter eindigt met de ontnuchterende retorische vraag ‘zal je toch maar alles bij het nieuwe laten’.

De reeks gedichten met als titel ‘Groeispurt’ biedt een diepgaande verkenning van de complexe relatie tussen ouder en kind, waarbij elke fase van het opgroeien met een scherp oog voor detail en emotie wordt vastgelegd. Het begint bij de peuterjaren. Vervolgens leert het kind wat taal is en deint het gemoed van de vader alle kanten op. In het gedicht ‘Pretpark’ dat u later deze middag zal horen, twijfelt de vader aan het vaderschap.

Ik zal in de rest van mijn betoog af en toe citeren uit de bundel. Ik zal dit niet telkens aankondigen met het woord ‘citaat’. Ik zou mijn arm kunnen omhoog steken als er een citaat aankomt, of even hoesten, of mijn stem wat laten zakken. Misschien moet ik een heel korte pauze inlassen voor en na een citaat. Enfin, u hoort het wel en als u het niet hoort, leest u het straks wel.

De peuter wordt een kleuter, een speels maar soms lastig kind. De vader en het kind worstelen met wisselende emoties en verwachtingen. Vader is vaak uithuizig en moeder, want die is er ook, ‘vertelt de parabel van de verloren vader / over een jager die later thuis komt, met een alibi’. Ondertussen wordt het kind zich bewust van de eigen identiteit.

De derde afdeling heet ‘Een man in de knop’. Elk deel van de bundel opent overigens met een citaat, onder andere een van bioloog Midas Dekkers en een van regisseur Woody Allen, mannen die ik zeer bewonder. Het kind wordt almaar ouder. Het gedicht ‘vroege puber’ zoomt in op de fysieke en emotionele veranderingen die gepaard gaan met het volwassen worden. Het is mijn favoriete gedicht.

Voor mij hoeft een gedicht niet per se als een ajuin gepeld te worden totdat alle lagen en veronderstelde lagen ontbloot worden. Een gedicht over een puber mag gerust alleen maar een gedicht over een puber zijn en niks meer. Maar Wim is ook een klimaatdichter. In het gedicht ‘vroege puber’ staan de woorden ‘driftbuien’, ‘kritiek peil’, ‘code rood’, ‘microklimaat’. ‘Onbereikbaar voor commentaar / haalt hij de schouders op voor een hoger bevel’, lezen we.

Wie onbereikbaar is voor commentaar heeft niet zelden iets te verbergen. Wie weet slaat deze zin op de machthebbers van deze wereld die de urgentie van een klimaatbeleid niet inzien. Dan is het ‘hoger bevel’ de oproep van wetenschappers en experts om er iets aan te doen, een oproep die gedragen wordt door een almaar groter deel van de bevolking. Het zou kunnen. Het is maar een interpretatie.

De late puber wordt opstandig en gaat zijn eigen weg, een vlucht als het ware. Hij ontdekt het andere geslacht en de complexe wereld van liefde en verleiding, van verlangen en onzekerheid.

De vierde cyclus heeft als titel ‘Eigen terrein’. In de man-vrouwrelatie draagt de vrouw de broek: ‘zij velt het vonnis over zijn zonde en bewierookt zijn deugd / wrijft de schade van flaters onder zijn neus’. Een aantal keren bevinden we ons op een feest, maar de man voelt zich onwennig in de massa: ‘hij overziet de feestzaal, zijn mijnenveld / in de hoek zoekt hij steun bij een schaduwplant / met verzamelde moed nadert hij de harde kern’.

Nog steeds op het feest wil hij contact maken met een vrouw, maar ‘hij verwart een wegwerpgebaar met een wenk / wil haar meevoeren naar zijn hol / betreedt haar terrein als een rover met een plan / aan de rand van haar blikveld stoot hij op een koufront / zoekt een sterke houding, oefent een compliment’. Weg van het feest, in het uitstalraam van de speelgoedwinkel ziet hij in zijn reflectie een andere man, een moediger man, iemand die hij amper herkent.

De afdeling ‘Drie verblijven, vijf zintuigen en een vermoeden’ is een fraai gecomponeerde cyclus met niet negen gedichten, wat de titel laat uitschijnen, maar slechts vijf. Het eerste gedicht begint met een poëtische beschrijving van het fysieke lichaam als een ‘kooi van ribben’. Het tweede gedicht verschuift de focus naar de geest, waar gedachten en herinneringen rondhuppelen in de speeltuin van het hoofd. Het derde gedicht verkent het lichaam als een heiligdom dat schroomvallig wordt opgediend en slechts deelbaar is met één enkele gelovige. Het vierde en vijfde gedicht van deze afdeling met als titels ‘zintuigen’ en ‘vermoeden’ horen bij elkaar. Wim zal deze straks voor u voorlezen.

In de cyclus ‘Opmars’ ontglipt de geliefde en keert ze terug. ‘De stroop die ze uitwisselen trekt vliegen aan’. Eens te meer een mooie versregel, want is dit nu positief, die zoete stroop, of zit er een negatieve bijklank aan een stroperige brij? Liefde is een werkwoord om het met een cliché te zeggen. ‘Hij moet aandacht schenken of ze drijft weg / naar andermans moeite, andermans wenken’. Maar hij heeft geluk, hij mag blijven, of zoals de dichter het cynisch formuleert: ‘ze benoemt hem tot nieuwe man / bevoegd voor de logistiek van haar keuken / in haar stulp mag hij glas van plastic scheiden / beschimmelde schillen bij compost voegen’.

Dan is daar weer het feest, een familiefeest met ‘onbehaaglijk gelach’ en ‘zwijgende klankkasten’. Tot overmaat van ramp, of net niet, valt de elektriciteit uit. De familie tast letterlijk en figuurlijk in het donker. Er is een scheiding op til, maar de zoon bindt de partners aan elkaar, letterlijk. Het paar verkeert ‘in broze balans / … / ze regelen de passie met de thermostaat’.

Ineens duikt wederom de brandweer op. Hoezo wederom, kwam die al ter sprake? Jawel, het kind droomde ervan om brandweerman te worden, maar moet nu zelf beroep doen op de spuitgasten. Er is een ‘kortsluiting in het huwelijk’ en ‘de advocaat sleept schade uit de brand’.

Zeven cycli hebben we achter de rug, dat is al heel veel oerdegelijke poëzie, maar het leesplezier is nog niet voorbij. ‘Klaverblad’ gaat over reislust, het onderweg zijn. Het beeld van de langste weg die een mens kan lopen, namelijk van Kaapstad tot Siberië, staat symbool voor de afstand tussen geliefden, want die weg is ook de afstand, niet van hier naar daar, maar van ‘hier naar haar’.

De cyclus ‘Exit’ confronteert ons met het ouder worden. Herinneringen worden opgerakeld of doemen vanzelf op. Het lichaam ‘kraakt’, ‘stuiptrekt’ en ‘kronkelt van krampen’. ‘Het werd niet in de wieg gelegd voor de flikflak / en de brug met ongelijke leggers’, schrijft Wim. Ook de omgeving verandert. ‘Een tapasbar rees uit het puin van een kroeg’ en ‘bij de banketbakker kan hij nu halters heffen’.

Vrolijk was het niet altijd, maar de dichter begeleidt ons naar de uitgang met een positieve boodschap, een recept voor de nieuwe mens: ‘een gewerveld Schepsel om U tegen te zeggen / in de wieg gelegd voor hogere daden’. En die nieuweling krijgt een ‘opdracht voor gisteren’. Die opdracht is een aansporing tot introspectie en verandering in de menselijke houding ten opzichte van de natuur en de medemens. Ons wordt gevraagd om te zorgen voor onze planeet, voor elkaar en voor de dieren. Wie weet is het misschien nog niet te laat.

Ik vat alles nog eens samen. Elke cyclus belicht een nieuw facet van het menselijk bestaan. Van onze prille stapjes over de complexiteit van relaties tot het besef van vergankelijkheid, bieden deze 47 gedichten een veelzijdige kijk op de menselijke ervaring. Wim Vandeleene slaagt erin om een scala aan emoties en thema's te verkennen en hanteert daarbij zowel existentiële overdenkingen als alledaagse observaties. Dit alles maakt van Onbereikbaar voor commentaar een exceptionele dichtbundel.

Nog heel kort iets over de vorm. De gedichten tellen gemiddeld zowat 12 versregels. Zorgvuldig ingelaste witregels verluchten de taal. Weinig hoofdletters, weinig interpunctie. Geen gedoe met complexe lay-out, insprongetjes, uitsprongetjes of andere dingetjes die alleen maar afleiden van waar het echt om gaat, namelijk het zuivere vakmanschap van de dichter.

Als mensen mij vragen wat ik een goed gedicht vind, dan luidt mijn antwoord steevast: ‘Een goed gedicht is voor mij een gedicht waarbij ik na een eerste lezing de aandrang voel om het meteen opnieuw te lezen, en nog eens en nog eens.’ Ik besef dat dit een heel subjectieve visie is. Bij de gedichten van Wim Vandeleene voel ik die drang. Ik probeer die te verklaren. Een anekdotisch parlandogedicht zonder verrassingen, weerhaakjes of beklijvende elementen lees ik één keer, en klaar. Een beetje zoals je een mop leest of kijkt naar een meme. Goed gedaan soms, maar de essentie wordt in één keer prijsgegeven. Een dichtgemetseld, hermetisch gedicht stoot mij dan weer af. Ik zal het met flinke tegenzin tot het einde uitlezen of onderweg afhaken, omdat de dichter mij niet toont waar de inrijpoort zich bevindt. De poëzie van Wim Vandeleene bevindt op een perfecte plek tussen die twee uitersten.

Ik ken Wim als een warhoofd, ik mag dat zeggen, want dat zegt hij ook over zichzelf. Ik ga er dan gemakshalve van uit dat het warrige zich niet alleen manifesteert in het dagelijkse leven, maar ook in de poëzie van een warhoofd. Dat is bij Wim geenszins het geval. Wim weet verduiveld goed hoe hij een sterk gedicht moet maken. Dat merkte ik meermaals op toen Wim nog bij mij in het Poëzieatelier Brugge zat. Hij verraste keer op keer met sterk werk. Het moge duidelijk zijn dat Wim zijn warhoofd afzet als hij zich aan zijn schrijftafel nestelt. Of dat zijn warhoofdigheid de kwaliteit van zijn poëzie ten goede komt, dat kan ook.

Onbereikbaar voor commentaar is een parel aan de kroon van Uitgeverij De Zeef. Gefeliciteerd, Wim. Geniet van deze dag en het succes dat de bundel te beurt zal vallen, want er is geen haar op mijn almaar dunner wordende kruin dat eraan twijfelt dat de reacties en kritieken unaniem positief zullen zijn. En u, geacht publiek, dank ik voor uw aandacht. Geniet van het vervolg, er komt nog heel wat moois op u af.

 

Philip Hoorne

Brugge, 28 april 2024


Wim Vandeleene op DSvD
Weblog van Philip Hoorne

Onbereikbaar voor commentaar bij Uitgeverij de Zeef

Cover 'Onbereikbaar voor Commentaar'

 

Wim Vandeleene tijdens de voorstelling