Posts tonen met het label Bart Vonck. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bart Vonck. Alle posts tonen

donderdag 8 december 2022

Bart Vonck aan het feest!

Wie de veelvuldige vertalingen en het rijke poëtisch en essayistisch werk van Bart Vonck kent weet dat de man, die ooit met veel gemak het particuliere Brugge verruilde voor het pertinente Brussel, tot de eenheid van onze absolute literaire smaakmakers behoort. Of hoort te horen! Zaterdag laatst, 3 december 2022, ontving Vonck in de Oostendse Bib geheel en al terecht de VWS-prijs-editie-2022, de prijs die de Vereniging voor West-Vlaamse schrijvers al sinds 2015 toekent aan een verdienstelijk West-Vlaams auteur.

Eerdere laureaten waren Walter Haesaert, Willy Spillebeen, Luuk Gruwez, Kristien Dieltiens, Patrick Lateur, Hedwig Speliers en Herman Leenders. Bart Vonck hoort zonder pardon in dit mooie lijstje thuis. De prijs bestond ook dit jaar weer uit een beeld van dichter-beeldend kunstenaar Renaat Ramon. Dit keer droeg het werk de titel ‘Factum’. Alain Delmotte sprak het laudatio uit terwijl voorzitter van de VWS Koen D’haene het nieuwe jaarboek ‘Jaarwerk MMXXII’ voorstelde en Bart Plasschaert, schepen van Cultuur van de Stad Oostende het tot slot graag even over het Oostendse literaire leven had.

Op de ‘Dun lied donkere draad’-site van de VWS zijn ondertussen de hommagetekst van Alain Delmotte en het dankwoord van Bart Vonck na te lezen. Dit zijn de links:

Een sleutel die de deur van het dichterlijke oeuvre openmaakt. Wagenwijd of op een kier! (Hommage-toespraak van Alain Delmotte)

Dankwoord Bart Vonck bij het ontvangen van de VWS-prijs

Thuissite Renaat Ramon
 

#bartvonck #vwsprijs #dunlieddonkeredraad #alaindelmotte #koendhaene #jaarboekvws #jaarwerkMMXXII #renaatramon #oostende #bartplasschaert

Wachtend op de Onthulling
Dankwoord Bart Vonck
Renaat Ramon en Bart Vonck onthullen 'Factum'!
Koen D'haene bespreekt 'JaarwerkMMXXII'
Alain Delmotte brengt een hommage aan Bart Vonck

vrijdag 10 december 2021

Zie ze daar ontdaan - Bart Vonck

(1)

Staat ons te wachten met in zijn handen wachten, wat er in zijn handen
kan liggen als ontwapenend zuiver maar gevaarlijk. Ons staat zo
te wachten wat wij niet willen wat ons te wachten staat.

Tot het zich omkeert en zich in ons nekvel vastbijt.


(2)

Ook als we niet willen staat ons dat te wachten, als het allemaal doorgaat
zoals ons te wachten staat. We staan ons rondom met toegeslagen schreeuw
te mekkeren dat het geen pas heeft zoals wij daar staan, zo.

En onze mond een vuurhaard.


(3)

Komen we ons nooit meer los van onszelf daar in lompen gevorderd, zo
schijnt het leven ons toe. En wij ontnemen het zijn schittering zoals wij hen
van het leven ontnemen wat ons te wachten staat.

(4)

Zie ze daar aangedaan staan en ontdaan in hun naakte vluchten
dat zij op zee voor ons uitplooien om ons vergeefs te vlug af te
zijn en ons alles te ontnemen wat wij al lang geleden
verspeelden maar het niet wetend staan wij rondom ons,

de gelederen gesloten, rond wat ons zo te wachten staat. 


© Bart Vonck


(Werk in voorbereiding)






donderdag 9 december 2021

Mesmess - Bart Vonck

 Mesmess (1)

Nooit gedacht
dat zo intiem
een mes
en de lente
gebeurden
op die dag,
dat er die dag
een gat
zou vallen
in alles
wat ik
had


Mesmess (2)

Ik streefde
tegen plotse vijand
in die opgeheven hand;

ik kon niet lezen niet
verkeerd begrijpen
toen het tot me

doordrong
in mijn borst
en ik tierde;

erger dan die steek
kon het niet worden;
gaf me gelijk het mes

en ongelijk gelijk;
zoals ik niet leek
op mezelf

in mijn woorden
meerduidig maar
eenduidig

toen het stak;
geen rijpe woorden
rapend;

het stak me tegen


Mesmess (3)

Zo kwam mes met
zijn verroest gezicht
op mij gericht;

uit mijn ogen
wilde ik hem;
geen zicht hoe

hij daar stond
te briesen,
geen tegen-

spraak
duldend;
de stakker

die ik tegen-
sprak die ik
tegensprekend

de woorden
ontnam
die ik voor

later voor erger
had bewaard;
toen mijn long

zich
van hem los-
zong,

en naar
adem
hapte


© Bart Vonck


Uit de bundel 'Mesmess' die in maart 2022 verschijnt bij Uitgeverij P.












woensdag 8 december 2021

Messteek - Bart Vonck

Eereergisteren was het.
De zon had het verleden uitgebrand.
In het holle hol van heden
sliep een mens zijn afkomst uit.
Een kwade droom
had hem daar verloren.
Ook morgen trekt een litteken
een streep door de rekening.
Alles is betaald, zelfs het mes is gezet.
En het verse bloed gedronken,
beklonken. Prosit!
Eergisteren was het.
Alsof vandaag. 


© Bart Vonck


Uit de bundel 'Mesmess' die in maart 2022 bij Uitgeverij P in Leuven verschijnt. 



 




zondag 29 november 2020

Manco - Bart Vonck

Hij is zich veel tekort
en open op je hand

als zonlicht knispert.
Zo schitterend daar

liggen en wind die uit
de stenen komt en

in je mond gevlamd.
Tekort, waarom?

Aanstralend het licht
rondom je toekomt

alsof jij de gave bent.


© Bart Vonck


zaterdag 28 november 2020

Buitelend - Bart Vonck

Buiten in mij
passeert de val
zomaar de valkuil –

de denkende vogel vliegt,
de jagende valt op de hand
die hem gooide.

Toen hij viel
in de verte riep hem
de valkuil:

val maar over de plooi
in de plooi, erbuiten
zijn echo in de bergen.


© Bart Vonck


vrijdag 27 november 2020

Ars Poetica - Bart Vonck

Niet schrijven is van alles het doel en het schrijven;
en het doel is niets wat niet schrijven is, of van alles
het doel in het schrijven; niet schrijven is van alles

het doel in het schrijven; schrijven is van alles en
niet schrijven het doel, en het doel is wat schrijven is,
niets of van alles het doel in niet schrijven; niet schrijven

schrijven is van alles in het schrijven niet schrijven
het doel; en het doel is van alles niets in het schrijven;
in het niet schrijven is niets van alles het doel.


© Bart Vonck


donderdag 26 november 2020

Ongehoord gedicht - Bart Vonck

Het is een kei in onzichtbaar. Omdat het mij
niet kennen wil gaat het o zo omzichtig te
werk. Het maakt de kleffe aarde rul. Het
houdt de wormen ver van sterven. Zo on-
terloops ontwijkt het mij, zo helder raadsel
als geen water kan ligt het erbij. Het doet
beroep op dove handen.

Ik leg het nooit terzijde, naast mij neer.
Ongewild hoe het te schreeuwen staat,
hoe het grient in de wind. Hoe het staart
voor mij uit, hoe het spaart mij uit de mond
van horen zeggen. Zo zuinig, edelmoedig
twee ineen is het bedacht op zijn oorsprong
van einde tot begin.

Voor wie schraal uit de mond is gestoten
zegt het te veel, niet genoeg. Het bulkt van
zeggen binnensmonds, het waait onkenbaar
in de wind verstrooid, het slaat een gat, wordt
niet gehoord, zo stil het stamelt uit zichzelf.
Het is het enige wat ik pijnlijk wil leren. Het
enige raadsel dat mij kent.


© Bart Vonck



donderdag 31 oktober 2019

Over 'In de maat van de zee' van Lieve Desmet - Bart Vonck

Op zaterdag 14/9/2019 stelde Lieve Desmet in het Wagehuys in Leuven haar nieuwste dichtbundel ‘In de maat van de zee’ voor. Eerder publiceerden we op ‘de Schaal van Digther’ al een aantal gedichten uit de bundel. ‘In de maat van de zee’ werd in Leuven uitvoerig en boeiend ingeleid door dichter Bart Vonck. De ruime inleiding plaatsen we hierna in haar geheel.


























Dames en heren, vriendinnen, vrienden, beste Lieve,

De manier waarop ik doorgedrongen ben tot je nieuwe bundel, heeft veel te maken met hoe jij schrijft. Ik moest lezen en herlezen om in je bijna altijd gewone woorden thema’s en poëtische procedés te onderkennen die je maken tot de bescheiden maar trefzekere dichteres die je bent. Langzaam lezen, herlezen, en woorden en manieren van zeggen samenbrengen die niet echt spectaculair zijn maar die, met een volgehouden diepgang en bij nader inzien onvermoede, ongewone parallellen, teksten naar de lezer brengen die uiteindelijk slechts bij een oppervlakkige lezing gewoontjes kunnen overkomen.

Het woord ‘parallel’ kan in het Nederlands de betekenis hebben van een loopgraaf die evenwijdig aan het vijandelijke front loopt. Ik zie jou, Lieve, al zitten, in het zand bij de zee, kijkend naar hoe anderen, vaak kinderen, soms ook je jonge zelf, hun fantasie loslaten op het kneedbare zand en de kastelen bouwen die even later niet meer bestand zullen blijken tegen het regelmatige maar koppig voortschrijdende water van de vloed. In gedachten zie ik je daar zitten, en je graaft in je hoofd, op het witte blad, onderaardse gangetjes die ook onder het water zullen verdwijnen maar eerst een stramien vormen – onnadrukkelijk – dat jij in taal hebt omgezet. Nee, ik bevind mij, als ik je lees, niet op een effen en vlak terrein - dat is de schijn waaraan de lezer niet mag toegeven -, maar op een ondermijnd en ribbelig oppervlak dat jij geduldig maar ongenadig aanbrengt op papier. Daarin kom je heel dicht bij de visser die verhuld zit in het eerste gedicht ‘Op het uur van de visser’ dat je laat voorafgaan aan de vijf cycli van je nieuwe bundel. Daarover straks meer. Eerst ga ik even de filosofische toer op.

(1) We lezen de bundel als een bewust, secuur gecomponeerd geheel, maar paradoxaal genoeg berust deze constructie op een ‘gebrokenheid’ die er de voorwaarde van is. Wat de lezer bijblijft van het geheel, van de constructie, is iets anders dan het geheel op zich, dat laat zien hoe diep het is verdeeld, hoe het eerst in breuken tot de dichter is gekomen, die zijn leven-in-gebrek naar een geheel heeft gedragen dat het gebrek vastlegt maar ook op een talige wijze verzelfstandigt. Het geheel, de bundel, is een geheel-uit-gebrek. Het geheel heeft het gemis dat voor de dichter zo tastbaar in-het-leven is, opgeslorpt maar niet verteerd. Jouw taal draagt er in bijna elk vers de tekens van. Het gebrek moet in het geheel blijven leven; beide hebben elkaar nodig om te blijven zijn wat ze zijn.

Zo, in diepe verdeeldheid, in haast peilloos gemis, schept de dichter - die vindingrijke vreemdeling - een geheel, dat niet alleen meer is dan de som van de delen maar dat ook maar aanspreekt als het beseft – en de arbeid van de dichter is het uitwerken van dat besef – dat ‘gebrokenheid’ het bouwplan, de plattegrond, het ontwerp van het geheel is. De lezer wordt gegrepen door de som van het geheel waarin hij gebrek ziet spelen als een kind op het strand. Het geheel wordt onthuld door het gemis en daarin lezen we de handtekening van de dichter. Het kind op het strand weet dat zijn zandkasteel ongenadig door het water wordt vernietigd, maar precies die vernietiging-na-het-spel laadt het spelen zelf op met een aantrekking-afstoting waaraan we niet kunnen ontsnappen.

Het gedicht is het geschreven besef van het zich steeds opnieuw manifesterende feit dat iemand voorgoed vertrokken of nooit gekomen is. In het gedicht lezen we een geheel waaraan iets ontbreekt, maar we lezen dat geheel niet op die wijze, niet als een geheel-waaraan-iets-ontbreekt, maar als een gebrek dat het geheel nodig heeft om geheel te zijn. Als je de bundel leest, krijg je eerst oog voor een als het ware onverstoord discours dat in onopvallende woorden doorgaat. Bij een tweede lectuur wordt duidelijker dan het geheel barstjes vertoont die ook in de taal van het gedicht aanwezig zijn. Het is zoals het dagelijks leven: alles verloopt zogezegd normaal, tot er iets onverwachts gebeurt dat de normaliteit onderuit haalt. Wat een vreemde gang van zaken; gebrek (verstoring) en geheel (normaliteit) hebben elkaar intiem nodig, elk heeft de ander broodnodig om zichzelf te zijn en groter dan zichzelf. En om voor de lezer de valstrik te worden, het gedicht, waarin hij maar al te graag verstrikt geraakt. Tot zover mijn filosofische excursie.

(2) De dichteres heeft in haar nieuwe bundel een motto opgenomen dat eigenlijk in poëtische woorden uitdrukt wat ik zojuist heb gezegd. De twee verzen zijn van de hand van de in 1933 geboren ZuidAfrikaanse actrice, roman- en toneelschrijfster, en dichteres Wilma Stockenström. In 2000 verscheen bij uitgeverij Atlas in A’dam een bloemlezing van haar werk in een vertaling van Robert Dorsman. De titel van dat boek luidt: ‘Voor de bijziende lezer’. Het is ook de titel van Stockenströms allereerste bundel uit 1970. De bijziende lezer is een lezer die genoegen heeft leren nemen met het onscherp zien van voorwerpen in de verte, maar kan, letterlijk, ook duiden op een lezer die iets ‘bijziet’, iets meer of anders ziet dan de doorsneelezer. Een poëzielezer misschien?

Naar deze titel verwijst m.i. ook het fragment van het motto, dat ik hier vertaal: “maar ik verkies de schemer en de schemermensen/ die voor de droom van dromend leven zwichten”. Het zijn mensen die aan iets hebben toegegeven, ze hebben gecapituleerd, ze zijn voor de droom door de knieën gegaan, en zelfs twee keer: niet alleen verkiezen ze de droom maar zelfs de droom in het kwadraat, “de droom van dromend leven”. In die schemer leven zij, in die bijziendheid die hen de dingen laat zien die ertoe doen, in de droom die kan ontspruiten aan een angst (een nachtmerrie), maar ook aan een verlangen. Ook hier een beperking van leven (een gebrek) én een voller leven, dat door een verlangen kan worden gestuurd. Het gemis dat het geheel onthult kan dus negatief zijn, maar ook positief. Door minder goed te zien kun je iets erbij zien.

Nogmaals, het lezen van deze poëzie Desmet doet beroep op geduld, op het geduld van de dromer die languit in zijn droom ligt, maar ook op alertheid wanneer de droom een kwade droom is waaruit je opschrikt. Het geheel kan wel bestaan, het is door de dichter zelfs tot bestaan gebracht, maar het leeft in de schemer, minder ziend of meer. We dromen de droom omdat het gedroomde alleen zo tot ons kan doordringen. De oorzaken van angst of verlangen blijven zo in de schemer, want een directe confrontatie ermee zou ons ten diepste kunnen schaden. De woorden en de manier waarop Lieve Desmet ze aanwendt (scherpzinnig gericht op alle lagen van de taal, op alle mogelijkheden die het gedicht voor de dichter in petto heeft) zijn belust op de maximale maar niet dodende scherpte die de leesgewoontes van de lezer verstoort.

Het gedicht is een stukje dromend leven, waarin de afwijkingen van de ‘gewone taal’ aanduidingen zijn van de energie - positief, negatief - waarvan de droom de uitdrukking is. Een in de omgangstaal uitgehakte nis waarin een wel heel speciaal beeld staat, het gedicht. De poëzie in ‘In de maat van de zee’, alle verzen in hun rechtlijnigheid en vertakkingen, zijn als het ware een droom, een schemervisioen, dat bijziendheid nodig heeft om ten volle te kunnen zeggen aan welke angst of verlangen ze zijn ontsproten. Het ‘geheel’ – dat als een droom functioneert – is de droom waarin kan worden gezegd wat anders onzegbaar zou blijven, want te wreed, te hard, te conflictueus en uiteindelijk niet uit te drukken. Alleen in het geheel van de teksten van deze bundel kunnen de ware drijfveren van deze poëzie van een schemermens de rust en de deining vinden die tot hun geschreven woordcode leiden. Het gedicht is een code in woorden.

(3) Zou de zee dan het beeld zijn van het geheel? De golven van de zee de grootst mogelijke beweging die aanbrengt wat alleen in de deining, ‘in de maat van de zee’ gezegd kan worden? Wat ‘Op het uur van de visser’ (de titel van het eerste gedicht) gebeurt - en eigenlijk in alle gecodeerde berichten in deze bundel - moet een plek hebben in die machtige, rustgevende én tegelijk overweldigende deining van de zee, die, naar recent neurologisch onderzoek aantoont, de beweging is van het functioneren van onze hersens. Wij denken in de maat van de zee. De deining van de zee is de beweging in ons hoofd. Onze gedachten zijn letterlijk eb en vloed, de getijden van een majestueuze beweging waarin gebrek en conflict opgaan zonder te verdwijnen, en in het schrijven van poëzie net niet onbeschrijflijk blijven.

Dat is voor mij de betekenis van de titel van deze bundel. We spelen ‘in de maat’ van de zee, we lopen ‘in de pas’ van het water, in de versmaat van het gedicht. Ik wil nog iets zeggen over het eerste gedicht, ‘Op het uur van de visser’, dat als een titelgedicht functioneert. Het staat apart, het gaat vooraf aan de vijf cycli die het lichaam van de bundel zijn. Het verbeeldt, in mijn aanvoelen, de figuur van de dichter die later ‘ik’ zal zeggen, maar die persoonlijke inzichten hier in een derde persoon geobjectiveerd heeft. De visser staat ‘aan het hoofd’, zijn gedwongen handeling (hij moet het “zeegat in”) staat in het teken van de roep van het water. En die verlokking wordt in de eerste strofe negatief gekleurd: de visser is geblinddoekt door de elementen water en lucht én door een absoluut geformuleerde aanmaning: als een aan het vasteland verslaafde die honkvast dreigt te worden, moet hij “af” van het middel dat hem van het water weghoudt.

Hij moet de enge wereld verlaten, hij moet zich nat maken, het droge van zich afschudden. Maar weg uit de nauwe wereld is hij niet voorgoed verlost van het benauwende. Hoe onverdroten hij ook maar in het brede water te werk gaat, hoe steil hij met zijn vracht ook oplaveert, als hij aan land wil moet hij weer door de engte. Hij moest er broodnodig uit, hij moet er noodwendig weer in. Hij moet, op zijn uur, juist als het genoemde tijdstip er is, juist als de gebeurtenis voorvalt, gedurende het uit- en invaren, door het gebrek om er een spoor (zijn vangst) van achter te laten. Hij moet door het gemis naar het geheel, de zee, en weer terug, naar het vasteland, waar hij het resultaat van zijn “stormspoeling” mag laten zien. En ook dan is nog niets vanzelfsprekend. Wat hij ook aan wal brengt, de visser, de dichter, wat hij ook verklankt, het lied dat hij “nagejaagd” heeft moet nog het oor bereiken, moet zich nog vastzetten in wie toevallig voorbijkomt en gefascineerd raakt door de stem. Maar hier is die fascinatie een kenmerk van het lied. Het gedicht gaat op zoek naar een lezer, het moet als het ware “van het droge af”, het moet de engte in van het gehoor van de toevallige passant. Zoals u ziet: gemis en verlangen spelen op elkaar in, blinddoek en roeping maken de dichter die zijn vangst moet roken (zijn gedicht moet aftasten, spoelen, verklanken, de wereld insturen); zoveel werk dat daarna op zoek gaat naar een oor.

(4) Wat hier niet onvermeld mag blijven is het precisiewerk van de dichter dat de lezer aantrekt. Geen groot, bombastisch vertoon van techniciteit maar een innig, fijnzinnig spel met de taal. Een spel dat uit de noodzaak van de expressie is ontstaan. Een spaarzaam aanwenden van woordspelingen, enjambementen, dubbele betekenissen. Een bewerking van de taal die de muzikale soliste die de dichteres is, in alle fraseringen aanbrengt, in de spanning die de bundel draagt, in het detail dat uit het gevecht met de werkelijkheid opgesprongen is. Een “zich nabij zwijgen”; “nabij” door het betrappen van de vele lagen van de taal (de dichteres zit op de lip van de taal), “nabij” door de “verklankte stem” die op zoek gaat naar een “passant” en met hem wil oplopen.

De dichter neemt het werk over van de moeder zoals die in ‘Buffet’ geportretteerd staat (“ze moet een bodem vullen”), en wie weet is zij zich daarvan niet helemaal bewust. Het motief van het gemis komt hier als volgt uit de verf: de dichteres is een dochter die zelf geen moeder zal worden, ze ziet andere kinderen dan de hare zandkastelen maken, ze is ook een dochter die in het reine is moeten komen met haar moeder (en zich gewend heeft naar de zorg van de grootmoeder), met haar vader (als hij nog jong was, als hij aftakelt en sterft – leeftijden, levensfasen die ook de moeder tekenen), met wie tot het gezin behoort, met haar eigen bevreemdende kindertijd, met de personages van het afscheid, met de dochter of de zoon die ze nooit zal hebben, met de ‘ik’ die een plek zoekt, en met de politieke rampen van haar huidige levensfase (in de vijfde en laatste cyclus).

De dichter werkt pregnant aan een “aanwezigheid vanuit de marge”, ze zoekt “vergeefs/ een ander woord voor vondeling”. Alleen in de laatste afdeling komt een ‘wij’ opzetten, natuurlijk, onopzettelijk, gewoon deel uitmakend van het geheel-in-gebrek dat de dichteres hier heeft neergezet. een ‘wij’ dat ooit ook bevochten is, maar nu integraal deel uitmaakt van ‘de maat van de zee’, van de existentiële deining. Lees deze bundel nauwlettend. Taal is er aan wereld gescherpt. Het gebrek tast erin naar een geheel. Als “iets waakt bij het barrevoetse” is het de dichteres, in haar omgeving, in het netwerk waartoe zij ooit behoorde en nog behoort, in “de bedding van ons gedicht”. Het gedicht van Lieve Desmet is een laboratorium van taal waarin afwezig op aanwezig inwerkt. Het is, met de woorden van wat mij betreft het indringendste gedicht (op p. 22), het titelloze “Deze schreeuw moet tegen de bergen slaan”: “de echo/op zoek naar zijn bereik”. Klank van gemis dat naar weerklank taalt.



© Bart Vonck, Leuven, 14/09/2019



vrijdag 30 maart 2018

Eilandelijk spreken

Over ‘Kijk: verschaving‘ van Bart Vonck.
 
Recensie: Alain Delmotte

Wie voor het eerst kennis maakt met de titel van de nieuwe bundel van Bart Vonck, ‘Kijk: verschaving’, zal waarschijnlijk meteen zijn focus richten op het neologisme ‘verschaving’.
Het woord riep bij mij een resem associaties op: beschaving, verschuiving, verschrijving, verschrikking. Ik dacht aan schaven, schaafwonde, scheur en verscheurd worden. Ik hou het voor mogelijk dat het neologisme dat allemaal in zich zou kunnen dragen.

Op de zijkant van de bundel motiveert Vonck beknopt wat die ‘verschaving’ zou kunnen inhouden. Het begrip geeft een tweeledigheid aan. Enerzijds, als negatieve pool:’Beschaving is dikwijls ‘verschaving’ geworden, waaraan men zich scheurt’. Anderzijds, als positieve pool: ‘het schaven aan en met de woorden‘. De dichter onderneemt een zoektocht naar een verzet-in-woorden. Poëzie als verzetsdaad tegen wat ‘verschaaft’. Poëzie als maquis, zoals Roland Jooris het ooit heeft gesteld. En dat doet Vonck door de taal te ‘verschaven’, door scheurtjes in de taal aan te brengen.

Maar de titel biedt meer. Er staat ‘kijk’ en het kijken speelt een hoogst belangrijke rol in de drie cycli waaruit de bundel bestaat. Het ‘oog’ duikt voortdurend op. De gedichten verwoorden het oog. Maar wat voor oog is het? Het dode oog van een ‘toe-schouwer’, een kritisch oog, een onderzoekend, deducerend oog? Voor de dichter houdt ‘kijken’ vooral een aandachtig en alert kijken in. Een oog dat op zijn hoede is. Een oog dat zich met een scherpe blik verweert, dat verder kijkt. Wat uit die krasse oogopslag opwelt, omschrijft Vonck als ‘fragmenten van beelden en taal los uit een verband. Om zich te verbinden met wat de zoektocht-in-taal heeft opgeleverd’.

Dat Bart Vonck op de zijkant en in een nawoord van de bundel enkele handvatten aanbiedt voor het lezen van de bundel, is zinvol. Want ik kan me inbeelden dat er lezers zullen zijn die bij deze teksten ‘een syntactische herkenbaarheid’ missen. Dat er een ongemak zou kunnen ontstaan bij het lezen van een vers zoals:

na onschuld blijft nog dorst hier elders zijn
en eiland wet en slijpt zijn nood daaraan; (...)

De poëzie van Vonck is complex en dat is de rijkdom ervan. (Ik ben van mening dat poëzie overigens altijd complex is: het is één van haar eigenschappen. Goede poëzie althans.) Zijn gedichten zijn tot het compacte verdicht en tegelijkertijd strekt hij alles uit, strekt hij er van alles in uit zodat een gelaagde, veelhoekige tekst ontstaat die op een open manier te interpreteren valt. Of liever op een open manier ‘te verkennen‘ valt. In de bundel wordt dit proces kort, bondig en precies als volgt omschreven: ‘krapte die het woord verbreedt’.

Vonck dringt ons geen interpretatie op. Zijn poëzie vat vuur en de lezer vangt de gensters op. In de kern dus: dit is een poëzie waaraan je je vingers kunt verbranden omdat de syntaxis via allerlei kortsluitingen erin wordt verstoord. Een losgewrikte syntaxis. Een duel met de syntaxis. Een uitweg zoeken uit de syntaxis.

De bundel bestaat uit drie delen. ‘Gestolen dood’, ‘Eiland eiland’ en ‘Realia’.

Wie na een weifelende eerste lectuur, naar een eigen rangorde, naar een verhelderende insprong voor deze bundel zoekt, raad ik bij het herlezen aan om met de derde cyclus te (her)beginnen waarin drie gedichten staan die voldoende ‘herkenbaarheid’ te bieden hebben. Ongemeen klare taal biedt vooral het gedicht ‘Steve Biko’. Het thema is er onder meer de verdrukking van het individu. Het onmenselijke dat het individu wordt aangedaan. Hoe spreken wordt ‘vermoord’, verstikt. Het concretiseert wat zich als motief in de bundel voordoet: het individu als eiland. Het spreken als eiland. Met dat gedicht ben je echt wel de bundel binnen.


zoals ze je gruweldood rechtvaardigden
die nietige gedachten en hun immense misdaden
ze zo hun rigide persoonlijkheid botvierden
hun boerse calvinisme kapitalisme, hoeveel mensen hebben ze
in dood gestoken om hun racistisch systeem
te redden, apartheid, een gruwel voor velen
(maar niet voor iedereen onder ons)
en Steve, een ledige bloederige oogkas:
wat achter gesloten deuren wordt volvoerd,
“om de staat tegen ondermijning te beschermen.”

Wat je hier leest, klinkt behoorlijk expliciet. Je vraagt je af: waar is de gelaagdheid heen? Deze poëzie heeft ongetwijfeld zijn wortels in de werkelijkheid, de harde werkelijkheid en de verontwaardiging ten aanzien van sommige aspecten van die werkelijkheid. Bart Vonck heeft uitgesproken meningen en neemt een gevechtspositie in tegenover wat hem in de werkelijkheid verontwaardigt - zoals in geciteerd fragment. Zijn maatschappelijk engagement ligt voor de hand. Maar het is geen ideologisch gekleurd engagement. Bart Vonck is niet bepaald het type dat met vaandels zwaait. De dichter staat niet in dienst van iemand of ‘iets’. Hij is vooral de poëzie gedienstig. Zijn engagement als dichter, is een engagement in de taal, voor de taal. Een poëtisch engagement, een engagement in het spreken, door en met het spreken. Hij eert het woord, het vrije woord – al is hij zich bewust van de lexicale en ethische beperktheden van het woord. Het vrije woord vergt een kritisch woord. Het vrije woord is het kritische woord. Het is met dat soort ‘oog’ dat de bundel ons aankijkt. Het is met dat soort oog dat een lezer de bundel moet binnen stappen.

Wie spreekt, heeft en geeft een stem. De tekst verleent een stem. De tekst is een stem. Maar wat voor stem is het? Hoe spreekt de dichter? In een belangwekkend essay ‘Geen delicatessen’, onlangs verschenen bij het Poëziecentrum, citeert Eric Spinoy Paul Van Ostayen: ‘de dichter is, in tegenstelling met de rederijker, iemand die zeer moeilijk spreekt, en wanneer hij spreekt is het niet in zijn volheid – in ogenblikken van volmaakte volheid dicht hij niet – doch wel uit zijn verlangen naar deze volheid’. Verder in het essay noteert Spinoy in verband met Favery dat poëzie een ‘baldadig in de wielen rijden van het geijkte spreken in het algemeen en de lyrische traditie in het bijzonder’ is. Twee citaten die we zeker in verband kunnen brengen met wat zich in deze bundel afspeelt: zich losmaken uit een ‘rederijkerstaal’ d.w.z. het lopende retorische discours. De dichter steekt stokken in de wielen van dat discours. Om ergens in de taal terug een volheid te proberen benaderen, terug te vinden. Om die volheid optimaal te ervaren, fysiek te evenaren.

Een eerste etappe in dit proces lezen we in de eerste cyclus ‘Gestolen dood’. De dood is het de centrale motief in deze reeks maar fungeert eveneens als een op de achtergrond smeulende rode draad in de gehele verzameling. Dood denk je niet zomaar weg. (Ik zou dit kunnen bevestigen met allerlei citaten, maar dat laat ik even aan de lezer over.) De dood wordt bezworen en enkele gedichten nemen naar mijn gevoel de bijna groteske vorm aan van een ‘grand macabre’ zoals in het gedicht ‘Hoevenaar’ waarin de dood als een wrede behoeftige, weinig verfijnde hoevenaar wordt voorgesteld.

De dood moet een soort toestand zijn waarbij er ‘geen wij geen zij geen ik’ meer is zoals geschreven staat in het gedicht ‘De ronde der jaren’. Ik koppel daar heel subjectief de gedachte aan vast dat poëzie nu net een toestand is die compleet omgekeerd is aan die van de dood: er is een wij, een zij, een ik vitaal werkzaam in het gedicht. Hiermee heb ik het niet over een geproblematiseerde ‘identiteit’ van die wij, die zij, dat ik zoals het vandaag meer dan eens de gewoonte is. Een debat overigens dat me weinig kan boeien. Ik wil hiermee enkel het gegeven beklemtonen dat poëzie ook als een menselijke interactie bekeken kan worden. De kern hiervan is de dialoog: geven en ontvangen. (Wat buiten de poëzie valt, is dode letter, ontvleesde taal, restafval). Iets van het soort interactie dat ik bedoel lees ik uit volgende regels af:

(...) aanvaardt
als gave wat als gave is bedoeld blijft het driemaal

onder ons (geven heen ontvangen terug en geven
weer) (...)

In deze reeks is nauwelijks ruimte voor eloquentie – die is bedekt met ‘stuifas’ zoals in het gelijknamige gedicht. De eloquentie wordt hierin onderbroken door een stuwend ritme die de herhaling van de woorden ‘stuifas stuifas’ teweeg brengt.

Iets gelijklopend gebeurt in de tweede en ultieme etappe van het eerder aangegeven proces in wat het merkwaardige hoogtepunt is van deze bundel. En zelfs meer dan dat: het is een hoogtepunt in het poëtisch oeuvre van Vonck. Ik vind het een imposante reeks: aan alle kanten overtreft Vonck hier zichzelf.

In het eerste gedicht van de uit 27 gedichten bestaande cyclus ‘Eiland eiland’ staat bijna expliciet wat de bedoeling van de reeks is:

‘niet zonder speling is het heel gemaakt tot flard en franje

en uit een taal gehaald om er weer in te passen
exces dat in zijn volheid bijt en reikt nabij naar wat in ver ontsnapt’

Ik parafraseer het als volgt. De taal ontrafelen, de taal tot flard maken om daarmee een andere taal te laten ontstaan: een die zich in de volheid vastbijt. Een volheid die zich in spelingen en fragmenten even laat gewaar worden. En die een tocht onderneemt van nabij tot ver. Een tocht voorbij het rationele, ‘voorbij de kaarten en Descartes’.

Die andere taal noemt de dichter ‘eilandelijk spreken’. Een ingekeerd spreken en een misschien ook wel tot isolement gedoemd spreken: niemand ziet het, hoort het. Of bedoelt de dichter dat hij enkel ten aanzien van zichzelf voor het geschrevene verantwoording heeft af te leggen?

Eiland alsof er niemand naar je kijkt
eiland in je staart

eiland je vak

eiland die dit schrijft

(Bij deze regels kon ik het niet laten om aan René Char te denken. Die had het over een ‘archipel’, een eilandengroep in de plaats van een eiland. ‘Nous avons notre parole en archipel’ ‘We hebben ons woord als archipel’. In de loop van het gedicht gebruikt de dichter het woord ‘atol’, een cirkelvormig eiland die in de bundel ‘een schemerzone’ wordt genoemd.)

Al wordt er voor isolement niet gekozen: er is consequent voor volheid gekozen. Op het eiland ‘houdt verlangen onbevangen aan’. Het eiland als project, als strategie, als paradigma.

Is deze cyclus metapoëtisch te lezen? Het work-in-progress karakter van de reeks wekt die indruk. Maar deze gedichten beschikken over te veel betekenislagen om louter metapoëtisch te zijn.

De dichter gaf de cyclus de ondertitel ‘satori’s’ mee. In zijn nawoord gaat Vonck daar dieper op in. We kennen het begrip ‘satori’ (verlichting) uit het Boedhisme. Voor Vonck is die ‘satori, ‘eiland’, een bruuske breuk in de causale logica. Het subject, dat amper bestaat als eenheid-op-zich, gaat open voor een radicale negativiteit, die geen negatie is.’ Deze woorden geven het uitgekiende maquis van de dichter weer. Aan dit maquis wil hij vorm geven, het tot een (lichamelijke) constitutie maken. Hij noteert: ‘De vorm ontstaat (...) uit een ontmoeting van een situatie met een noodzaak.’ Mooie, lucide verwoording vind ik dat.

Het is onmogelijk om in deze recensie de cyclus in zijn geheel te analyseren. Ik distilleer hier wat mij erin opviel. Ik oriënteer me op basis van een zelfgemaakt leeskompas.

Wat een eiland kenmerkt is dat het omringd wordt door de zee. Een tegenstelling doet zich daarmee voor: het vaste wordt geconfronteerd met het vloeiende. De gedichten leggen het conflict daartussen bloot. Het eiland kan overspoeld worden, de zee kan verzanden of worden drooggelegd. (Die droogte (en dorst) duikt voortdurend op.) Water (of zee) en de tegenpool land (eiland of aarde) zijn terugkerende motieven. Water heeft iets vijandigs in zich: ‘verlies ligt vastgeroest op water’. Maar verlies of winst is niet het opzet, wel verandering.

(...) geen winst en geen verlies als alles opgaat in

verandering (…)

Water en aarde, schreef ik. Ook de twee andere elementen zijn aanwezig: lucht en vuur. (Het vuur dat wel al uit een andere bundel van Bart Vonck kennen.) Gezien die ‘verandering’ (het wordende) lijkt het me dat Heraclitus het eiland van Bart Vonck mee mag bewonen. Hier hou ik overigens weer een link naar René Char voor mogelijk. Char erkende Heraclitus als een van zijn leermeesters.

De zoektocht, waar leidt die zoektocht naar toe? Naar welke oord nodigt de dichter de lezer uit? Naar een tussentijd en tussenruimte waarin de tong kan worden losgeknoopt uit het verkleumde?
het schroeiende toch bloeiende zich daar ontplooit
in tussentijd en –ruimte; zoveel twijfel reist en in
zijn ogen slaapt dat schrijft dat schrapt dat stapelt

woord op woord wat heeft verkleumd de tong

De tijd, ‘het trage grage gretige bloed van de tijd’, kan het worden stil gelegd op het eiland? Nee, op het eiland is er enkel het ‘moment.’ De dichter vertaalt op een vervreemd(en)de manier Foucault.

‘volstaat het in het nu een
mogelijk te ontwerpen’

Het nu voor mogelijk houden, het nu als mogelijkheid. Zodat een soort poëzie, een poëtica ontstaat, die zich op volgende wijze laat kenmerken:

(...) zo onaf zijn en toch van alle begrenzing rondom genietende kristallisatie die
meegroeit meegroet in altijd weer uiteenlopende versies plannen
ruwe schetsen uit de normale kloktijd verdreven naar de gewone
loop van de dingen (...)

In deze passus viel me het woord ‘meegroet’ op. Het verbreedt het woord die eraan vooraf gaat: ‘meegroeit’. Groeien is groeten? Het gedicht groeit en groet. Hiermee lijkt me hoger gesignaleerde interactie bevestigd.

Hoe kan dit nu werkelijkheid worden? Vanuit welk brandpunt? Het antwoord is duidelijk: vanuit de plooien! De tussentijd en –ruimte bevinden zich tussen de plooien. Het woord ‘plooien’ valt een aantal keren. Zijn het de ‘plooien’ van Henri Michaux zoals die worden geëvoceerd in ‘La vie dans les plis’? Michaux die Vonck van heel dichtbij aan het vertalen is? Dezelfde plooien die Deleuze tot een bestandsdeel van zijn filosofie maakte?

Het eiland is een scherf, een restant, een exces aan wereld. Een ‘plekkeloze utopie’. (Klinkt beter dan een ‘vlekkeloze utopie’, want die is er niet.) In dat geval is het eiland niet zozeer een plek maar eerder een conditie, een tot stand gekomen ontmoeting tussen een situatie (de taal) en een noodzaak (de zucht naar volheid). Misschien zijn dit wel de plooien: de doorgangen waarin lichamen en woorden elkaar ontmoeten en vuur vatten. Wellicht is dit de wezenlijke betekenis van het eiland:

(...) hier vindt hij
alle plooien terug waaruit hij werd gemaakt’

De poëzie van Bart Vonck is nooit banaal en staat volledig buiten de trends. Ja, hij eist veel van de lezer. Maar evenveel eist hij bij het schrijven ook van zichzelf en van de taal op. Hij nodigt ons, zijn lezers, uit tot het ondernemen van een reis. Laten we hem volgen op zijn weg. Een weg, zo stelt de dichter, ‘die stapvoets ook zichzelf ontdekt verlegt’. Wie goed kijkt, leest veel.

© Alain Delmotte  

‘Kijk: verschaving’, Bart Vonck, Leuven, uitgeverij P, 2017 ISBN 978-94-92339-49-2


 

zondag 23 november 2014

Storm



Daar lag nog iets wat op een vlieg leek,
maar zonder vleugels, alsof het diertje
door een almachtige storm was gegaan
die haar alles had ontnomen.

Ze zoemde ook niet meer. Ik hoorde
nu een vliegtuig overvliegen, hard
ronkend, dat misschien straks ook
door die storm moet, uit de lucht

wordt geplukt en op aarde gesmakt
als een veel te teer insect. Zijn vleugels
hangen als vogelverschrikkers in de bomen.
En op de koffers die overal in het rond

liggen geslingerd, zitten nu vliegen en
andere insecten, overijverig doende
alsof ze daar alles zullen vinden
wat ze altijd al hebben gezocht.

Ook de dood die als een plotse
windstoot komt en alles opslokt
in een razend-zwarte draaikolk:
vliegjes, vliegtuigjes, mensjes.

© Bart Vonck


Zie ook dit Digther-bericht: Bart Vonck: Vijf gedichten in voorpublicatie

* Teloor, zalig – Woe 19/11/2014
* Samen, uiteen – Do 20/11/2014
* Gebekte – Vr 21/11/2014
* Uitzicht – Za 22/11/2014
* Storm – Zo 23/11/2014



zaterdag 22 november 2014

Uitzicht



Met alleen maar kijken niet te zien doet het
wat het zegt, rolt het zich op, op je tong,
kruipt het onder, maakt het de winter.

Zoals het ertoe doet, als boeteling geprangd,
als oortje, gevend maar niet uitgerust, zoals
het kafhaar kakelt. De weg, het enige wat is

en niet weg is, en weg is, is het omdat het
weg is in zichzelf, in mij en in mij weg-
gelegd. Als heuvels terzijde, zo hoogdringend

en een berg waarin jij, je leest, je verdiept.
Zo kolossaal moet aandacht gaande, want het
mag behouden worden, het kan, het moet op

zo'n bergtop geweest zijn dat ik verstikte,
in luchtnetels verstrikte. En van waaruit
het overzicht? Of niet, nee, niets: alles

te stug, ook de kloekere zinnen. Scheid maar af
of verbind, maar niet alles, want zo laag, zo
laaghartig mogelijk, ook om te volgen. Hen

het in verwarring bracht, mooi meegenomen zo,
het schaamlapje dat landschap dat de landbouwer
verstoort die zijn land bouwt, en het onze. Dat

de dichter uit is, erop, op implosie. Daarin.
Zomaar, en niet wat hieraan voorafging of wat
erop volgde, nee, erop, zomaar, als wat de boer

maakt met zijn ogen, zaad over velden, gaande,
doende. 's Zomers staat het er nog en nog goed,
en straks uitgewinterd, na het afvallen, gemest.

Zou je zoiets nog in een vorm kunnen gieten,
klok die daarover klepelt, galmt, zo dampend
de aarde die de landarbeider ziet verliezen,

en omtoveren en imker worden? Ogenschijnlijk
kijk je hier doorheen, kijf je op obstakels, op
verstekelingen na. Van waaruit komt het dan,

over, het uitzicht? Niet uit stoere alinea's of
achterdochtig dampende komma's. Alleen uit
alles wat weg is kom je weg, kom dan, tot niets,

tot over, tot inzicht, tot wat weg je nog
volgt, tot het einde, verkruimelt. Verwarring
daarover dat niemand – ook niet wie leest,

in de berg verdiept. Daarom die opening hier,
uitnodigend, tot gesprek, vrome wens, illusie.
Taal, kromme, geronnen. Ten top daar staat,

gespannen, zoniet afgeslacht, aan-, afgebrand
nog al die stoppels gemaakt staan, en de boer,
de vogelschrik, daar, zou je zoiets nog kunnen

verliezen, zicht omtoveren, tot inkeer komen?
Met alleen maar kijken niet om aan te zien.
Het is nu mooi geweest, landschap. Uit zicht.


© Bart Vonck


Zie ook dit Digther-bericht: Bart Vonck: Vijf gedichten in voorpublicatie

* Teloor, zalig – Woe 19/11/2014
* Samen, uiteen – Do 20/11/2014
* Gebekte – Vr 21/11/2014
* Uitzicht – Za 22/11/2014
* Storm – Zo 23/11/2014



vrijdag 21 november 2014

Gebekte



Uit wasdom geslagen tot woorden, tot nevel en vlek,
wacht ontrouw de dood, opgeschrikte vogel van stralend
vlerkende weeromstuit: afgedragen, nagedragen vademende
adem, tot steels spreken geschikt. Daar! Omgekomen met

zich meedragend woordenstroom, tot afpeigerend zoeken,
nogmaals; molen malend om wind te verkrijgen, om niet.
En toch de gevederde hand klemzet, afstoft de sneeuw,
tot ranzige woning in het helle, onvolrezen. Deze beving

op je lippen nalezend, deze huivering optillend tot nader
order. Daar, onder huidschilfers verzworen, hier, uit tering-
long gewonnen, in nadering toegezuiverde, inkrimpende
mare tot je lippen geheven, uit oorlogsschuld opgedolven

buit, gebekte.



© Bart Vonck


Zie ook dit Digther-bericht: Bart Vonck: Vijf gedichten in voorpublicatie

* Teloor, zalig – Woe 19/11/2014
* Samen, uiteen – Do 20/11/2014
* Gebekte – Vr 21/11/2014
* Uitzicht – Za 22/11/2014
* Storm – Zo 23/11/2014



donderdag 20 november 2014

Samen, uiteen



Toen in landschap stierf
wat in ogen uitgekeken raakte.

Toen hij in tranen nog aan me toekwam
en ons afscheid meenam naar een heel ver land.

Toen hij was alsof niets ooit was geweest
en wij waren wat ons niet meer bijbleef.

Toen wij een hele tijd op de tast hadden geleefd
en gestrand waren in traagzaam kijken

bij elkaar naar binnen.

Toen hij ten slotte teruggekrabbeld was in hooguit riet
en als een hete dorst op het schorre water bleef liggen:

gewoonte had ons uitgeleefd en daarin
lagen wij versuft, de lippen op elkaar,

in samenzijn uiteengerafeld.

Om te zeggen te zeggen alsof het niets was:
de herfst kan zacht zijn en met kogels komen.



© Bart Vonck


Zie ook dit Digther-bericht: Bart Vonck: Vijf gedichten in voorpublicatie

* Teloor, zalig – Woe 19/11/2014
* Samen, uiteen – Do 20/11/2014
* Gebekte – Vr 21/11/2014
* Uitzicht – Za 22/11/2014
* Storm – Zo 23/11/2014



woensdag 19 november 2014

Teloor, zalig - Bart Vonck



Zo is het nooit het ik.
In zijn nasleep ligt nog
lijm op breuk te wachten.
Zo is het nooit. Het teert

op terzijdes, kweekt rozen
in een stoflong. Het ik,
zo het is: op weifelvoeten
op de aarde, met de kwade

mare: wat voor dag is het
vandaag het ik? Als het
niet is de mijne? Zo is het
nooit het ik. Maalde het

gisteren nog om genade,
nu is het als proefdier
inzetbaar, inhalig. Of
gaat het zalig teloor

in wat het vergaarde?
Iedere dag gekis voor wat
het is het ik: de avond
voorkomt wat gisteren kirde.

Zo is het nooit en altijd.
En in zijn nasleep ligt.
En in terzijdes.
En met de kwade mare.

Het ik. Zo is het nooit.


© Bart Vonck


Zie ook dit Digther-bericht: Bart Vonck: Vijf gedichten in voorpublicatie

* Teloor, zalig – Woe 19/11/2014
* Samen, uiteen – Do 20/11/2014
* Gebekte – Vr 21/11/2014
* Uitzicht – Za 22/11/2014
* Storm – Zo 23/11/2014



Teloor, zalig – Bart Vonck - 5 gedichten in Voorpublicatie

Bart Vonck, dichter en vertaler nodigt u en ons met meer dan gewoon genoegen uit op de
voorstelling van zijn nieuwe dichtbundel ‘Teloor, zalig’. De bundel, een uitgave van Uitgeverij P wordt op vrijdag 28 november 2014 om 20 uur in het Gentse Poëziecentrum in- en begeleid door Renaat Ramon die ook met Bart Vonck in gesprek treedt.

In zijn nieuwe bundel zoekt Bart Vonck naar 'wat altijd al in onze plaats is begonnen en hoort bij geen enkele tijd'. De taal is een laboratorium in gedichten die het spreken op de proef stellen, blijven haken in restanten van relaties en het 'ik' ongenadig fileren. Verontrustende, dreigende teksten, maar ook enkele gedichten in een klassiekere zegging. Vonck debuteerde met Tijdgenoot: wandelaar in 1986. Vervolgens verschenen nog vijf bundels. Vonck is ook bloemlezer, vertaler van ondermeer Federico Garcia Lorca en criticus.
(Notitie Bericht Poëziecentrum)

De poëzie van Bart Vonck ontwierp niet alleen een werkelijkheid die haaks op de bestaande staat, maar door haar woord- en zinsverbindingen bracht ze een nieuwe taal aan het licht die de lezer met andere ogen uitrust. Niet vanzelfsprekend, onlogisch, mysterieus is de kennis die de lezer opdoet als hij afstapt van een directe lezing en van onmiddellijk begrip. Poëzie wordt een ervaring als honger of dorst, als ziekte, dood en moeizaam maar sprankelend begrijpen.
(Notitie Passa Porta – 2008)

De schaal van Digther verkreeg van de auteur het mooie voorrecht om de komende vijf dagen in voorpublicatie 5 gedichten uit de nieuwe bundel te mogen publiceren.

Bart Vonck – 5 gedichten uit Teloor, zalig

* Teloor, zalig – Woe 19/11/2014
* Samen, uiteen – Do 20/11/2014
* Gebekte – Vr 21/11/2014
* Uitzicht – Za 22/11/2014
* Storm – Zo 23/11/2014

Extern:
Uitgeverij P
Teloor, zalig - Boekvoorstelling Poëziecentrum
Literaire Meesters: Bart Vonck over Lorca (op Vimeo)


dinsdag 5 november 2013

Bart Vonck - Uitvinding van de Aankomst

(1)

Wat altijd al in onze plaats is begonnen
en hoort bij geen enkele tijd -
de ongenode duistert
in strijklicht, het dorp
komt in ons aan
en hult zich in stilzwijgen.

We moeten het doen met wat vergaan is
en blijft, met wat rot in te harde vuist,
met wat terugdeinst,
met: en wat voor richting gaat het uit?

Kijk: oefenterreinen,
met bomen en doornen omzoomd,
onverschrokken. En om het leefbaar
te houden: woekerplanten,
kwaadgras, mos op onze vingers.
En de huid, flinterdun,
nog net niet aan flarden.


(2)

Het dorpsplein strekte zich uit
en iedereen kwam naar de wurgpaal gelopen,
ook wij. Om waarheid uit te horen
die daar in lompen stond:
openbaar, onbespreekbaar,
op blote afstand onverschillig.

De omstandigheden leken ons behoorlijk
ongezien. Een zwarte pracht
hing voor onze ogen. De wereld
hees zich in wind. En alles stond
zienderogen op het spel
van geven en nemen in brand.


(3)

Wat gisteren nog kotsend ging slapen,
komt nu tot de ochtend aan zijn eind.
Terwijl het heil uit ieders mond
aanstekelijk verbeurde,
en ook de horizon werd uitgewoond.

En zich ook daaraan had geschramd,
de gast, de ongenode, hij die niet sprak.


(4)

Hier wuifden wij ons uit, ons hele
hebben en houden. Moest het dan zo,
kon het niet anders? Was er echt niets
voorhanden dat voorbereid was,
tot in de puntjes? Niets schoot ons
te binnen dat zich losstiet
uit weidser gepraat. Zo moest
aankomst wel erg snel

besterven. Water kwam in mij op,
en op mijn hand lagen de lippen
van het licht in uiterste verduistering.
Alles sloop weg uit zijn eigen
beweging, uit het dorp,
uit zijn aarde.


(5)

Zo kwam het geheugen
aan bedelen toe. Alsof
niets meer gebeurde,
nooit was begonnen.


© Bart Vonck (2012-2013)


Bart Vonck is dichter, vertaler en essayist.

Extern: Bart Vonck op Auteurslezingen
Recentste dichtbundel: Wanvuur, (Uitgeverij P, 2008)