maandag 30 november 2020

De Melopee-poëzieprijs 2020 gaat naar Jan Baeke

De Melopee-poëzieprijs - Editie 2020 van de Gemeente Laarne gaat naar de Nederlandse dichter Jan Baeke. Hij krijgt de prijs voor zijn gedicht 'Ik bel mijn moeder' dat
 verscheen in het Liegend Konijn. De publieksprijs gaat naar Frederik Bosmans voor zijn gedicht 'Kamer, verschenen in Deus Ex Machina.
De uitreiking verliep gisteren volledig digitaal vanwege de bekende exploten van Tante Corona. Alle 21 genomineerde gedichten werden door een poëzieliefhebber of een bekende Laarne-naar voorgelezen. De filmpjes zijn te bekijken op het youtubekanaal van de Gemeente Laarne.
Een bloemlezing met de 21 genomineerde gedichten is vanaf december te koop bij de Dienst Vrije Tijd en Jeugd (op afspraak) en kost 10 euro.
Alle verdere info vind je via deze Laarne-link.
Een overzicht van de genomineerden werd eerder genoteerd in dit Digther-bericht.

#PoëzieprijsMelopeeLaarne2020 #JanBaeke #FrederikBosmans

zondag 29 november 2020

Manco - Bart Vonck

Hij is zich veel tekort
en open op je hand

als zonlicht knispert.
Zo schitterend daar

liggen en wind die uit
de stenen komt en

in je mond gevlamd.
Tekort, waarom?

Aanstralend het licht
rondom je toekomt

alsof jij de gave bent.


© Bart Vonck


zaterdag 28 november 2020

Buitelend - Bart Vonck

Buiten in mij
passeert de val
zomaar de valkuil –

de denkende vogel vliegt,
de jagende valt op de hand
die hem gooide.

Toen hij viel
in de verte riep hem
de valkuil:

val maar over de plooi
in de plooi, erbuiten
zijn echo in de bergen.


© Bart Vonck


vrijdag 27 november 2020

Ars Poetica - Bart Vonck

Niet schrijven is van alles het doel en het schrijven;
en het doel is niets wat niet schrijven is, of van alles
het doel in het schrijven; niet schrijven is van alles

het doel in het schrijven; schrijven is van alles en
niet schrijven het doel, en het doel is wat schrijven is,
niets of van alles het doel in niet schrijven; niet schrijven

schrijven is van alles in het schrijven niet schrijven
het doel; en het doel is van alles niets in het schrijven;
in het niet schrijven is niets van alles het doel.


© Bart Vonck


donderdag 26 november 2020

Ongehoord gedicht - Bart Vonck

Het is een kei in onzichtbaar. Omdat het mij
niet kennen wil gaat het o zo omzichtig te
werk. Het maakt de kleffe aarde rul. Het
houdt de wormen ver van sterven. Zo on-
terloops ontwijkt het mij, zo helder raadsel
als geen water kan ligt het erbij. Het doet
beroep op dove handen.

Ik leg het nooit terzijde, naast mij neer.
Ongewild hoe het te schreeuwen staat,
hoe het grient in de wind. Hoe het staart
voor mij uit, hoe het spaart mij uit de mond
van horen zeggen. Zo zuinig, edelmoedig
twee ineen is het bedacht op zijn oorsprong
van einde tot begin.

Voor wie schraal uit de mond is gestoten
zegt het te veel, niet genoeg. Het bulkt van
zeggen binnensmonds, het waait onkenbaar
in de wind verstrooid, het slaat een gat, wordt
niet gehoord, zo stil het stamelt uit zichzelf.
Het is het enige wat ik pijnlijk wil leren. Het
enige raadsel dat mij kent.


© Bart Vonck



zondag 15 november 2020

Roer, een nieuwe Vrijhaven voor poëzie

We begroeten met veel plezier en aandacht 'Roer', een nieuwe én veelbelovende Vrijhaven voor poëzie waarbij de leden van het Obsidiaan Collectief als Bad- en Watermeesters optreden!

We nemen alvast ook hier, aan onze verzamelde bakboorden, graag de wervende openingswoorden over:

"Welkom op Roer, het platform dat voortdurend beweegt. Bezoek het dok en steek uw handen uit de mouwen. Blik terug op het zog of klim in het want.

​ Maak kennis met matrozen en verstekelingen van het woord. Vergaap u aan de driftstroom en de golfslag, aan binnen- en buitenrijm. Richt de lens op de vrijhaven poëzie.
​ Zin om aan boord te stappen en de koers mee te bepalen? Aarzel niet en zend in. We staan open voor alles wat grenzen verlegt. Gedichten, muziek, graphic poems, fotografie en diverse cross-overs. "

Zo weten we, en ook jullie, klaar en duidelijk wat ons te doen staat!

Alle info over Koers en Vaarwater op de Roer-website!


donderdag 5 november 2020

Een geschiedenis - Geert Jan Beeckman

Geboren in het oosten werd ik later
over de heel de wereld Parijs.
En dat ik goud een berg opdroeg
God vertaalde naar het Latijn ik had
eerst duizend gedachten om het te zwijgen.

Later had ik meer mezelf bij de anderen.
Wat ook een soort van liefde was.
Zo legde ik een eeuw op aarde nog
voor de mens in aantocht was.
Zo zong ik vergezichten los voor er
iemand ginder.

Ik heb er woorden voor bedacht
kwartslagen in een dans onbestemde
reizigers tot ze bestonden. En wat ik
op een huid tijdens een nacht
heb je zo iemand al zien liggen.

Ik luister nu om alles trager te maken:
Chopin als pianist.
Schubert verdicht tot hart.
Alle dingen die rijmen op verlangen.
Alle dagen alsof het nu is of te laat.


© Geert Jan Beeckman


Geert Jan Beeckman op Poëzie Centraal





woensdag 4 november 2020

Verzoekschrift - Geert Jan Beeckman

Laat mij binnen oude dag.
Koningen en koninginnen heb ik afgelegd.
Spiegels verdragen aftakeling slecht
en slachtoffers zijn vermoeide helden.

Ik ben bereid tot onbeduidendheid.
Tot krimpen als ik de definitieve
uitnodiging krijg. Bloedarmoede
of oud zeer de tel houdt mijn hart bij.
Mijn ogen kijken dapper door.

Ik ben er nog maar kinderkoppen
daveren mijn jaren weg. Iedere ruggengraat
ben ik over. Ga met een vinger over mij
en ik lig in je. Het kan dat ik na dit gedicht
zomaar breek.

De roof door de nacht haalt levensherfst aan.
Door afstand te nemen van verdriet benader ik
mijn verlies. Ik adem om mezelf te verzamelen.
Ik schrijf je. Ik kleed mij met aarde.

Grond wordt de echokamer van mijn ziel.


© Geert Jan Beeckman


Geert Jan Beeckman op Poëzie Centraal





dinsdag 3 november 2020

Tarkovsky - Geert Jan Beeckman

Wat je nu nog ziet.
Schopte eerst de schoenen uit tot buiten de tijd.
Ging dan wandelen op zolen van gras en wind.
Legde zich neer bij wat haar niet zwaar viel.
Zei ook nog wat naast mensen herinneringen baart.

Misschien is de zon van een grote O
zo proef je ook dit gedicht op het oog.
En of zij rust van het zwijgen
misschien is dat teveel naar de letter.

Maar dat zij stoor mij niet speelt
en heus wel weet dat die foto er komt:

‘Want jij en ik redden even de wereld
mijn zoon, daarom dat ik zo op aarde
en jij mij naar de hemel laat kijken.’

Dus zodra de dag ons niet te machtig wordt.
Zodra je weet dat genieten trage wijn wordt.
Zodra je voelt dat jij jezelf bij mij hebt.
Zodra je kan doordrukken op licht
door één lichaam opgenomen.


© Geert Jan Beeckman


Geert Jan Beeckman op Poëzie Centraal





maandag 2 november 2020

Gedicht in een trein - Geert Jan Beeckman

Wij liggen op de as. Een beetje tong
likt het gebinte. Het is de cadans
de komst van rechte stukken.

De komma’s de stippen in het land
waar onze gedachten zich naar schikken.
Lang kijken en of wij dat nog kunnen.
Op onze beurt nagekeken door het tijdelijke.

Er is een leven en een leven na elkaar.
Voor een tussentijd van geen woord.
Voor de stomme film van het passeren.
Bijna klassieke muziek. Ter grootte van
een werkelijk gebeuren.

Wij in de vorm van een raam.
En straks als kamers door de nacht.
Hoe snel verklein je als uitsterven niet mindert.
Tot stippellijn als je er bij stilstaat.
Tot een stuurloos vertrouwen met de hand
op het hart.

Wij zeggen niets omdat wij samen reizen.
Omdat het uitzicht zo goed is in schrijven.
Uren door lengte en lengte door lege plekken.

Bij gelegenheid zien wij naar elkaar.
Onder de sporen blijven wij anoniem.
De ongeschreven wet van het bestaan.


© Geert Jan Beeckman


Geert Jan Beeckman op Poëzie Centraal





zaterdag 31 oktober 2020

De Troost - Guido Eekhaut

(Een roman)

Ze halen mij er nooit meteen bij. Meestal doen ze dat pas na een dag of drie, vier. Iedereen weet dat het slachtoffer levend terugvinden dan al statistisch onwaarschijnlijk is geworden. Ook daarom noemen we de verdwenen persoon een slachtoffer. Het gaat bij mij altijd om jonge vrouwen. Hebben ze mij nodig, dan is altijd een jonge vrouw verdwenen, of een schoolmeisje. Gelukkig hoef ik niet als eerste met de familie te praten. Wanneer dat gebeurt, is hun verdriet net als hun woede gekristalliseerd tot een abstract fenomeen. Ze zijn kwaad, maar niet op mij. Ze zijn nooit kwaad op een hypothetisch ontvoerder, maar altijd op de politie.
       De gewone gevallen laat ik aan mij voorbij gaan. Het zijn de weglopertjes. Die worden overigens vaak genoeg gevonden. Ik hou me bezig met degene die alles achterlieten: dagboek, kleren, foto’s en knuffels. Of, wanneer ze wat ouder zijn, man en kinderen. Als er achtergebleven kinderen zijn, vermijd ik in hun lege, starende ogen te kijken. Degene die onvoorbereid verdwijnen, hebben doorgaans hun voortijdige noodlot ontmoet. Soms per toeval, soms ook niet.

       Wat niet betekent dat ze dood zijn.
      Er is grote eenzaamheid gemoeid met die verdwijningen. Werden ze ontvoerd, dan handelde de meerderheid van de ontvoerders uit dwang. Wat is een meer eenzaam fenomeen dan dwang? Welk monster onder de uiterlijk vorm van een mens is niet geschapen door de isolatie van het gemoed? Maar geen excuus voor deze daden komt over mijn lippen.
      Mijn methoden zijn bekend. Ik passeer in jeugdhuizen, kroegen en koffiebars met foto’s waarop ook mijn telefoonnummer is gedrukt. En ik maak meteen duidelijk dat ik niet tot het politiekorps behoor. Misschien heb je haar gezien? Kijk es goed? Ken je haar? Komt ze hier soms? Doorgaans worden alleen meisjes en jonge vrouwen ontvoerd die niemand kent, die niemand ooit heeft gezien. De onzichtbaren. Degene die niet opvallen. Toch was er iemand die haar opmerkte. Behalve dan wanneer het verdwijnen een zaak is van toeval en opportuniteit. Want dat is wat ontvoerders soms doen: doet zich de gelegenheid voor, dan slaan ze toe. Laat ik dat fenomeen niet uitsluiten.

      Ik maak ook foto’s. Van de straten en pleinen waar het verdwenen meisje passeerde, van de buurt waar ze woonde en waar opvallend veel BMW’s geparkeerd stonden. Van de jongerenclub waar ze elk weekend kwam en waarschijnlijk voor het eerst gezoend of geneukt werd. Ik maak foto’s van oude dametjes met boodschappentas van Aldi, van meisjes in het uniform van een hockeyploeg, van jonge moeders en net thuiskomende oudere mannen met loszittende das. Niet iedereen is verdacht. Of toch niet in dezelfde mate.

Troost ontstaat uit de bereidheid om het verleden aan de vergetelheid weg te schenken. Sommige culturen bewaren de dode familieleden als mummies en halen die ter gelegenheid van feesten weer te voorschijn, voor een plaats in het gezelschap, alsof ze nog in leven zijn. Elders worden de overledenen meteen gevoerd aan de vlammen.
      Niemand weet wat er na de dood optreedt, maar angst voor dat moment en voor het eeuwige onbekende verhindert mensen rationeel te denken. Uit mijn vele reizen verzamel indrukken van zulke momenten en breng ze hier in deze stad samen. Ik heb een stukje van de beruchte Catacomben daarvoor afgehuurd, een commerciële operatie ten behoeve van bijzondere verzamelaars.

      Daar leg ik mijn archief aan: indrukken opgedaan tijdens gesprekken in Osaka of Ontario, daklozen gezien in Los Angeles en Moskou, gesprekken met de oudste bewoners van Berlijn, de handdruk van een arbeiders in de laatste kwikfabriek van Poznan, een brief van een kinderloze vader uit Buenos Aires en een postkaart van een onbekende bewonderaar uit Lyon.
      Mensen veranderen niet vanwege geboden troost. Ze blijven hetzelfde. Maar het leven loopt anders dan ze verwachten: ze denken minder alléén te zijn, het is een illusie, maar dankzij illusies leven ze verder. Ze gaan door het leven als slaapwandelaars. Ik heb medelijden met hen.       Ik herken mij in hen.

Met de leden van hun gezin praat ik over hun jeugd, hun vriendinnetjes, de familie (er is altijd een potentieel pedofiele oom of grootvader), de laatste herinneringen, de meest recente ruzies. De liefkozingen, de harde woorden. Vergeten ondergoed, een gevonden armband. Ze vertrouwen mij vaak meer toe dan de poli†ie. Wettelijk gezien ben ik verplicht mijn informatie met de dienders te delen. Dat doe ik niet altijd. Ik ben daarin voorzichtig selectief.
      Ik probeer me voor te stellen waar ze zijn, indien nog in leven. In een hotelletje ergens aan de kust, in een van die grotere badsteden waar tijdens de zomers de lagere middenstand van het binnenland steevast jaar na jaar twee weken komt doorbrengen. In de hoofdstad, gevangen in een web van drugs en gedwongen prostitutie. Onderweg naar Spanje of Italië, voormalige idyllische vakantiebestemmingen uit de kindertijd, nu al liftend. Een open Europa biedt zoveel creatieve mogelijkheden. Mijn vraag is dan: waarvoor zijn ze op de vlucht?
      Het aantal antwoorden op die vraag is beperkt. Sommige zijn een zaak voor de politie. Anderen stemmen een mens wanhopig. Ik ben gedwongen te speculeren, maar sommige opties vallen meteen al weg.
      Maar aan wanhoop geef ik niet toe. Dat is voor de families.

“Misschien is ze hier geweest, een paar dagen geleden. Ik weet het niet.” Schouderophalen, terloopse frons.
      “Kijkt u nog es goed,” dring ik aan. "Het is belangrijk.”
      “Het is dat verdwenen meisje, toch?”
      “Dat is ze inderdaad. Zegt het u iets? Kunt u zich herinneren haar hier gezien te hebben? En wanneer?”
      “Tja, misschien. Ergens vorige week. Tegen het weekend aan. Vrijdag, misschien.”
      “En was ze alléén? Met wie was ze?”
      “Zou ik echt niet weten. Er passeert hier zoveel volk.”
      En zo vlotjes als dat, arriveren we in het Imperium van het Cliché, geliefd bij misdaadschrijvers.
      “Niemand van hen heeft nog de oorlog meegemaakt. Ze weten niet wat armoede is.”       “Ze hebben ook nooit onder het communisme geleefd!”
      Elk verdwenen leven is een raadsel. Atlantis, zoiets. Ik wil zelfs de tegels van de trottoirs ondervragen, maar hoe absurd is dat?

Ik heb geen behoefte aan de theorieën van de familieleden, noch aan hun vermoedens. Die zijn allemaal uitgeplozen door de politie. Betreden paden. Brachten ze iets concreets op, dan was ik nu niet hier. Hetzelfde met concrete aanwijzingen. Ik ben dan ook niet hier omdat de zaak opgelost kan worden. Ik ben niet hier om een oplossing te vinden. Ik bied troost. Dat is in de eerste plaats wat ik doe.

      Ik ken echter ook de diepte van de wanhoop. Niet die van de familie, maar die van de verdwenen meisjes of vrouwen. Zijn ze niet ontvoerd, dan zijn ze steevast het slachtoffer van wanhoop. Hun eigen wanhoop. Op zeker moment verspreidt die zich, als een virus of een schimmel.
      Hoe jong ook, deze meisjes hebben de limiet bereikt van hun vermogen om de wereld te relativeren. Hun omgeving heeft alle glans en weerschijn verloren. De toekomst is als een slechts en te vaak gehoorde reclameboodschap. Ik zie hen nu, niet op weg naar een beter leven, maar naar een toekomst die geen herhaling van het verleden is.
      Degene die ontvoerd en dood zijn, zijn ons ontnomen en keren niet meer weer. Een lichaam in een ondiep graf, of aan de oever van een meer. De anderen laat ik gaan, omdat ik hun verlangens maar al te goed ken.


© Guido Eekhaut


Guido Eekhaut schrijft romans en kortverhalen in het Nederlands en het Engels, in verschillende genres, ook voor jongvolwassenen. Hij kreeg de Prijs van de Stad Brussel en de Hercule Poirot Prijs, en werd genomineerd voor de Gouden Strop en de Diamanten Kogel.




maandag 26 oktober 2020

Het gat in een woord - De laureaten zijn bekend


Sinds dit weekend zijn de laureaten van de 12° editie van de Poemtata Poëziewedstrijd bekend. En daar zitten een aantal onverwachte namen tussen. De uitslag:

1ste prijs: Jacqueline Legierse
2de prijs: Rudy Dejonckheere
3de prijs: Anneke
Wasscher  

De 7 eervolle vermeldingen zijn in alfabetische volgorde:
Erika De Stercke, Amadeo Dierickx, Philippe Jacobs, Jenny Anna Linde, Herman Rohaert, Gérard Scharn en Wim Vandeleene.

Gezien de covid-perikelen, kan de organisatie nog geen evenement aankondigen waarop de laureaten nog uitgebreid gehuldigd worden. Maar dit komt nog wel, Poemtata houdt ons op de hoogte.

De jury bestond uit: Kristien De Vos, Sven De Scheemaeker en de dichters Christophe Vekeman en Dorien De Vylder.
 
Alle geselecteerde gedichten en die van de laureaten kunnen worden nagelezen in de gelegenheidsbundel Het gat in een woord. Maak €11 + €4 verzendkosten (B en NL) over op rek. van Vergauwe Paul/Poemtata: Iban BE67 9733 4770 1887- Bic : ARSPBE22 indien je de bundel met de post wil ontvangen. (B en Nl). 

Wanneer je de bundel zelf afhaalt in het Poëziecentrum, Vrijdagmarkt 36, 9000 Gent ontvang je een leuk poëziegeschenk! Gelieve in beide gevallen wel vooraf je bestelling door te mailen naar poemtatapoezie@gmail.com en te betalen via overschrijving. 

Geef toe: dit is alweer naar goeie Poemtata-traditie poëzie voor een prijsje! De bundel is beschikbaar omstreeks 15 december 2020. De opbrengst van de verkoop wordt door Poemtata volledig gebruikt om poëziemanifestaties voor volwassenen en kinderen te financieren.  

Alle info: Poemtata.be  

(P.R.)

 

 

 

zondag 25 oktober 2020

Winter neemt in woorden toe - Christiaan Germonpré

Winter neemt in woorden toe:
een tak lost een blad, rust in het geheugen.
Zo stapelen wij dood, eenzaam geluid,
ruimte binnen de grenzen van onze huid.

Het najaar verteert een vis;
meeuwen stuiven op het wak voor ons uit,
laten een spoor van verlangen na.
Het zilver in het onvoltooide verdrijft weldra
elke metafoor; alleen verte waait ons toe.

Muziek, vergetelheid ligt op het meer,
onaangetast; troost wordt in het netvlies
van de forel bewaard.

Wij dachten op tweespraak, verlies,
nu de tijd de trage gedachtengang van ijs openbaart.
Stilte wordt licht verschoven, keer op keer.


© Christiaan Germonpré
(°Roeselare, 07 september 1950 - Kortrijk, 13 oktober 2020)

Gisteren werd in Kortrijk met onder meer dit gedicht
in intieme kring afscheid genomen van Christiaan.
 




donderdag 22 oktober 2020

Breek uit je standbeeld - Bert Struyvé

maak een vliegtuig met alleen staanplaatsen
de thuishaven voor minder vluchten
maak ook je koffer leeg, de helft gebruik je niet
en de andere helft zit in je hoofd

misschien kan je scharnieren voor je botten
maken, die bij droogte niet gaan knerpen
in de kracht van smeerolie als afkoeling

laat je hoofd zwellen tot warmtebestendig
voel de branding door je hersenen dreunen
en relax van doodtij voor de eb inzet

ach, misschien ga je als geslaagde luchtfietser
de herinnering in, als je maar met een baton
de sirene tot muzikale echo weet te dirigeren

Joop Zoetemelk zei het al: Parijs is nog ver
schrijf het klein in de kantlijn van je bucketlist


© Bert Struyvé




woensdag 21 oktober 2020

Een druppel van verzet - Bert Struyvé

al stop je hem als herinnering
in de grond, ook een tong en een bot
kunnen ogen openen, net boven het zand
waar je in water schrijdend kunt waden

het is het einde van de veertiende maand
voorbij het douceurtje, meer dan
een lening, waarin zijn duizend bloemen zwemmen

geef hem de laatste like
aandacht ontluikt veel mensen
die toch al gewend zijn naar alles te knikken

of het gekweekt vlees is, vraagt iemand
ach, morgen zal het dak zich sluiten

er lekt dan niets meer naar boven


© Bert Struyvé




dinsdag 20 oktober 2020

Binnenhuisklimaat - Bert Struyvé

het is begonnen
toen de zon buiten met kracht scheen
achter de strak gemetselde muur
en het ijs binnen deed wat het kon

waar de bewoners zich vanouds veilig achtten
hoewel kruiend haaks
verbonden met scheuren die wegschieten

toen hun gebed niet aansloeg
de mond zich met water begon te vullen, begrip verdronk
en de huid zich in steeds meer warmte verloor
wilden de bewoners eigenlijk wel

dat
ja, wat eigenlijk?
een uitvergroting gedraagt zich zelden toegeeflijk

maar valt in het niet
bij het achteloos verkleinen van verandering
tussen duim en wijsvinger


© Bert Struyvé




maandag 19 oktober 2020

Een elegie voor het verglijden

Toen gisteren nog vandaag was - Nieuwe dichtbundel van Marleen de Crée

Dat hardnekkige en onzichtbare Corona-virus speelt tegenwoordig wel elke voorstelling van een nieuw boek of bundel parten. Ook de nieuwste dichtbundel ‘Toen gisteren nog vandaag was’ van Marleen De Crée, ondertussen een dichter met een oeuvre dat niet te geringschatten valt, kan niet op een gewone voorstelling rekenen. Maar geen nood hoor, het boek is er! En het moet, wat ons betreft geproefd en gelezen worden!

…/…

“Als dichters aan het zingen gaan, dan tintelen de bladeren gedurig na. Toen gisteren nog vandaag was,

het mos nog zong en – met dauw in het hart – op het leven lag te wachten, daar ontstond de partituur. Hier klinkt het lied van stilstaande klokken, brengt de getijden van de wijs. Marleen de Crée dicht buitengewoon standvastig een elegie voor het verglijden. Dat van het leven vooral het voelen overblijft, van de tover de huiver, over ieder verhaal ontegenzeggelijk een doek valt. De woorden zwenken terug naar zichzelf alsof / ze ooit over wolken waren gekomen, / over rollende lucht, onvast en ijl. Een cyclus waarin de zon het wit van het blad afknalt, als evenzoveel briefkaarten over bos, zand en van de regen vallende bladeren. Een cyclus als een requiem voor een vriendin, geen lacrimosa maar
het fijne waaien van een lied, / dun gefluister, oor tegen mond
. En daartussen, als een blauwe schaduw – ver¬hullend en verzwijgend – de buitenwereld met zijn soms dreigende, soms donkere en ongelukkige levens. De zorgen, het boos worden, het mededogen. Het is de zuivere aandacht die van deze poëzie de deuren wijd open zet. Elke aankomst baart in zich een vertrek.”

Een gedicht uit de bundel:

Bladtijd


dit is het blad van alle bladeren
die vallen bij regen, zweven op
de tonen van een avondlied
drupsgewijs en zwijgzaam.

dat ene blad, het mijne, een gedachte
met een gezicht dat droomt
van licht dat door de aderen
suist naar even stilstaan,

naar rust in een kleed van tijd,
een gezang in de vorm van duren,
toen uren en maten nog niet

door de bomen gleden, alles wit
was en een blad nog op het hart
kon wegen met een gevoel van spijt.


© Marleen de Crée


De bundel is een uitgave van Uitgeverij P en kan aldaar besteld
via overschrijving van 17 euro + 3,50 euro portkosten op
rek.nr. BE08 4310 5290 8113 (Uitgeverij P) 

Extern:
De aanstekelijke hoop in de lockdown van Marleen de Cree bij Poëzie Centraal 

 







 

Marleen de Crée (Bree, 1941) werd talrijke malen onderscheiden, o.a. met de Provinciale Prijs van Antwerpen voor Poëzie, de Maurice Gilliams- en de August Beernaertprijs (KANTL) en de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen. Zij publiceerde een 25-tal dichtbundels en twee verzamelbundels. Haar gedichten werden opgenomen in talrijke tijdschriften, bloemlezingen en in bibliofiele projecten met grafici en fotografen. Haar poëzie werd vertaald in het Frans, Engels en Duits. 

…/…

(Foto Marleen de Crée: Paul Rigolle, 2018)