donderdag 21 maart 2019

Derde leerdicht over het licht - Alain Delmotte

© foto Jan Vanmeenen























1.

Licht en de democratie die het bij brengt.

De onvermurwbare grondwet van haar republiek: de klaarlichte dag.

Het moet zich aan iedereen laten zien: niets mag het verborgen houden, niets mag verborgen blijven.

Licht heerst niet. Het deelt zich eindeloos op. Het deelt zich eindeloos uit. Iedereen komt het toe.

Zelfs de blinden. Zelfs de dronkaards en de dieven.

Helaas: zelfs de meelopers, de rassenhaters, de rijke stinkerds. Licht is te minzaam voor kritisch vermogen.

Het militeert. Het propageert doorschijnendheid.

2.

Het roept vroomheid op en wordt bij elke gelegenheid aanbeden.

In tempels.

In kathedralen.

In de loges.

In vluchtelingenkampen en gevangenissen.

Zonder licht doemt uit het denken geen Eureka op. En niet één van onze luchtspiegelingen.

3.

Licht staat nooit stil. Zet er spoed achter als je het in stilstand zien wil.

Of het met een haiku wil vereren.

4.

Elke dag laat het zich een nacht lang missen.

Op haar hoogtepunt brengt het ons verlangen.

Maar vervullen doet het niet: dat laat het aan jou over.

5.

Wie het die dag heeft misgelopen, zoekt het in de liefde terug op.

(Laat het zich daar echt weer openbaren – of verdwijnt het daar nog meer?)

6.

Er is niets overtolligs aan: je geeft haar alles plaats die ze meer dan nodig heeft.

Laat het ademhalen, laat het zich verwonderen.

Obscure plekken vermijdt het: die mag de nacht voor zich houden.

7.

Maanlicht moet niet proberen er zich aan te meten.

Als een theelichtje blaas je het zo uit.

8.

Als je denkt aan de dagen die je het aan andere zaken hebt verbeuzeld. Dat licht komt nooit meer terug, dat licht heb je verkeken, houdt zich niet voor gezien.

9.

Het past precies in wat je van geluk verwacht. In wat je van het geluk gelooft.

Geluk, het moet het licht zijn dat dat heeft bedacht. Het is namelijk niet bij machte om ongelukkig te maken.

10.

Het heeft nergens een verblijfsvergunning voor nodig. Het voelt zich thuis waar het is.

Ongevraagd en zonder gêne breekt het bij iedereen binnen.

11.

Ook bij jou.

Het komt naast jou zitten als je schrijft, zonder dat je het stoort.

Het weet zeer goed de stilte te bewaren.

Dezelfde stilte die je ook in de dingen hoort.

© Alain Delmotte


dinsdag 19 maart 2019

Golfbeest - Astrid Dewancker

Vastberaden stapt hij op de fairway
Machteloos voor het complot
van het groene landschap.
Golf vloeit in heel zijn lichaam,
kronkelt rond zijn as.

Mateloos zuigt de wei hem aan.
Neemt hem als een beest.
Hij is geen meester. Hij wordt slaaf.
Had hij maar acht armen
en drie harten als een octopus.


© Astrid Dewancker


maandag 18 maart 2019

De golfer en de links* - Astrid Dewancker

Tussen langgerekte zandruggen,
begroeid met zwaaiend helmgras,
een snipper Noordzee.

In haar groene heerlijkheid schenkt
de golfbaan zich in bloot aan de golfer:
gemaaid gazon en ongetemd bos.

Als een liggend naaktmodel neemt
de links de golfer in haar macht.
Ze is als een minnares altijd ter beschikking.

Haar lusten prikkelt hij met woorden
waarop zij verslingerd is : drive, birdie,
eagle, wedge of wood.
Hole in one
ongenaakbaar.

Wanneer de golfer vloekend zijn pet
weggooit, hout en ijzer naast zich dumpt,
laat zij hem. Hij komt altijd bij haar terug.
Van nest en veren geen sprake.


© Astrid Dewancker


* links : golfbaan aan zee in de duinen.

Het gaat hier om de links van de Royal Ostend Golf Club, Koninklijke baan, Vossenslag De Haan aan Zee.


zondag 17 maart 2019

De gestoorde golfer - Astrid Dewancker

Ik bespied hem vanuit de bunker.
Hoor hoe hij zegeviert of jammert :
De par gaapt. De vlag is ver. De hole klein.

Hij plant zijn hielen in mijn habitat.
Pijnigt me. Slaat mijn bodem krankjorum.
Als confetti val ik terug.

Voor hij weggaat harkt hij mijn zand
en rakelt mijn verwarring effen.
Steekt zijn sandwedge omhoog,
kijkt met triomf naar de goden.

Wie is hier gek?

© Astrid Dewancker


zondag 10 maart 2019

Een Rorschachtest van onvermoede betekenis

Over ‘Tekenen’ van Jan M. Meier
Recensie van Alain Delmotte

De nieuwste bundel van Jan M. Meier ’Tekenen’ opent een breed veld, biedt een panorama, zendt een veelheid aan betekenissen uit die de lezer uitdagen om die met concentratie op te diepen. Het impliceert dat de dichter zijn lezer vertrouwt: hij reikt ons het gedicht aan. De dichter heeft me in ieder geval expliciet tot lectuur uitgenodigd: ‘Stap in de lijst van het gedicht en kijk…’. Het is de persoonlijke opdracht die Jan M. Meier in mijn exemplaar neerschreef.

Betekenissen. In het gedicht genaamd ‘kleurbegin’ klinkt de laatste regel als volgt: ‘een rorschach test van onvermoede betekenis’. Wat meteen aangeeft hoe de lezer zich eventueel kan gedragen ten aanzien van deze teksten bij het begin van zijn lectuur. Hij beschikt over de vrijheid om veel van zichzelf in deze teksten te projecteren. De dichter gunt zijn lezer de vrijheid tot interpretatie en misschien ontdekt die lezer in deze zich wijdvertakkende gedichten betekenissen waarvan de dichter zelfs niet het minste vermoeden had.

Dit wordt onder meer mogelijk gemaakt door de manier waarop de bundel werd ‘gestructureerd’. Er zijn drie afdelingen (‘iconografie van de droom’, ‘kleuren’ ‘tekenen’) en een synthetiserende ‘uitgeleide’. Je kunt het ook anders bekijken: op de zijkant van de bundel is er sprake van een ‘compositie’. Evenzeer kan je over deze bundel spreken als zijnde een ‘architectuur’ (er verschijnen veel huizen in de bundel). Of over een ‘topografie’ (landschappen en tuinen duiken op). Of zelfs over een ‘stratenplan’:

een stratenplan dat ik blindelings
als een doolhof betreden kan


De bundel heeft inderdaad een labyrintisch karakter doordat een groot aantal terugkerende motieven, thema’s, woordvelden over de hele bundel verspreid en geïntegreerd werden. Ik denk niet dat het de verwachting van de dichter is om dit nu allemaal strikt te gaan ontsluiten. Onbegonnen want onnodig werk. En elk gedicht heeft recht op zijn ‘mysterie’. Verzen zijn

regels geregen mysterie
in een lijst te kijk gezet


Soms moet je inderdaad een gedicht met rust laten en het gewoon laten ‘zijn’. Een leesruimte waarin je kunt dwalen en verdwalen. Je hoeft er niet in alle haast van alles uit willen graven, of het gedicht verliest er misschien zijn kern en zijn ‘blinken’ mee.

duiker naar het diepzeewoord
dat bovengebracht zijn glans verliest


In deze bespreking zal ik enkel wat in vogelvlucht in en uit de gedichten rondstruinen. Het geheel bekijken en aangeven wat ik er meen in te ontwaren. Kortom: ik zal proberen een eigen interpretatieveld te scheppen. Vergeet het niet: lezen is immers een creatieve daad.

De titel van de bundel bracht me even in de war. ‘Tekenen’. Ik zag er vooral een werkwoord in. Maar al lezend begreep ik dat het evenzeer het meervoud van het substantief ‘teken’ kon zijn. Het picturale versus het talige. Volgens het colofon verwijzen een aantal gedichten naar het werk van Dolores Previtali. Het gedicht ‘droom in kleur’ is geïnspireerd op een werk (of werken) van Valentina Evmenenko. En wie herkent niet in het gedicht ‘meisje van’ het ‘meisje met parel’ van Vermeer. De naam ‘Mondriaan’ valt. Wellicht zijn er nog picturale reminiscenties die ik evenwel niet meteen herken.

De bundel is met tekeningen van Wouter De Winter geïllustreerd. Spelen de tekeningen in op de gedichten of spelen de gedichten op de tekeningen in? Of heeft dat geen belang? Is de mogelijke dialoog tussen tekening en gedicht niet belangrijker? In ieder geval lijkt het me dat er meer gebeurt dan louter het ‘illustratieve’. Die tekeningen zijn niet decoratief bedoeld – al kunnen ze dat effect sorteren. Ze bouwen eerder het geheel mee. Het picturale en het talige staan niet van elkaar los: ze kruisen elkaar duidelijk. Het is één van de bewegingen die zich in deze publicatie laat aanvoelen.

Meteen vraag je als lezer af of de dichter hier een link wil leggen, een verwantschap wil aangeven tussen een tekening en een gedicht. Wat hebben een tekening en een gedicht gemeen? Het wit waaruit ze zijn ontstaan en het blad dat een (vitale) inlijsting is?

ingelijst in dunne draden
waarvan levens zijn gemaakt


Tekening en gedicht brengen ‘tekenen’ aan. Een tekening visualiseert. Het gedicht verwoordt. Grafiek en kalligrafie zijn nauw met elkaar verbonden. Ze hanteren enkel een andere taal.

beweging in het links en rechts van het schrift
een snelle aai van en aan de taal


Zowel naar een tekening als naar een gedicht moet je kijken. Kijken is hoe dan ook een vorm van lezen. Zien is een van de motieven in deze verzameling.

Vooraan in de bundel staat onopvallend een niet rijmend kwatrijn.

weg wil ik uit die hoogmis van gemis
ondergaan in een oceaan van kleuren
kleur worden in beweging, woelwater
vis en vogel, hagedis en huilende wolf


Ik lees deze regels als een soort operaouverture (ik refereer hiermee aan het compositiekarakter van de bundel) waarin heel vaak de muzikale thema’s (en bewegingen) worden aangeboden die we verder in de opera zullen horen. In dit geval zijn in het kwatrijn een groot aantal thema’s af te lezen die we in dit boek zullen terugvinden. Met dit kwatrijn zal ik mij verder in deze bespreking in de bundel oriënteren. Waarmee ik niet wil zeggen dat er geen andere invalswegen tot deze bundel zouden zijn.

WEG WIL IK UIT DIE HOOGMIS VAN GEMIS

De nieuwe bundel heeft een totaal ander karakter en toon dan ‘Engelenspoor’. In ‘Tekenen’ maakt de dichter zich los van een zeer persoonlijk en pijnlijk ‘gemis’ waarvan ‘Engelenspoor’ de getuigenis was. Maar een breuk met de vorige bundel is het niet. Er is stilistische continuïteit en de engelen (zijn dit de ‘vogelmensen’ uit het gelijknamige gedicht? Vertonen de engelen ook een niet wat demonische signatuur?) blijven hun vervormende sporen trekken. Hun bloedverwanten, de echte vogels, blijven rijkelijk in deze teksten hun vleugels uitspreiden.

Waar er geen gemis is, is daar geluk te vinden? De bundel bevat een aantal mooie geluksgedichten. Er is bijvoorbeeld het ‘klein geluk’ dat fraaie, wat impressionistisch aanvoelende beelden oproept:

bomen trekken doorzichtige lentebloesjes aan

Maar dat geluk wordt niet bestendigd. Er is altijd iets dat het bedreigt: de wegtikkende tijd. De tijd doet zich o.m. als een typografische ‘zandvrouw’ voor:

de dagen vervuld
van hapervragen
waarop geen zomer
een antwoord weet

zo zit ze stil in zichzelf verborgen
terwijl de zandloper leeg loopt

In de toestand van het geluk wordt het verlangen stilgelegd. Wat impliceert dat elk geluk iets onvervulbaars, een tekort in zich draagt. In het gedicht ‘verstild verlangen’ lezen we het volgende:

het lijf ligt er vergeten bij
blauwe ballast ontroostbaar geloosd
op een wachtbed voor wie haar lust inblaast


De thematiek van het geluk koppel ik hier aan de begrippen ‘kleur’ en ‘droom’.

ONDERGAAN IN EEN OCEAAN VAN KLEUREN
KLEUR WORDEN IN BEWEGING, WOELWATER

Het merendeel van de gedichten zit boordevol kleuren. Of liever plejaden woorden die kleuren benoemen. Soms tot het bedwelmende of het sprakeloze toe. Uit ‘bepaling’:

het eindeloze geel van de lucht ligt
over het oker van het grasland
met alleen het blauw van bloemen
het snelle oranje van vogelpoten
en het stille rood van mijn lippen
die niets meer hoeven te zeggen


Roes, zinnelijkheid en droombeleving vormen een elementaire lyrische knoop. Maar daar tegenover staan gedichten waarin nauwelijks naar kleuren wordt verwezen of tot zwart/wit/grijs zijn gereduceerd. Zoals in het gedicht ‘verlaten’:

alle kleuren hebben kleur verloren

Veelkleurigheid en roes contrasteren met een ontnuchterende, katerige soberheid.

(…) de fles die gebroken
voor me ligt: een leven
dat leeggelopen
is


Regels die we vinden in het gedicht ‘allegorie van de roes’.

In deze bundel staan alle gedichten in verband met elkaar. Daar zorgen een aantal bindende elementen voor. Zo onder meer het gegeven ‘droom’. De droom als schriftuur:

er is de droom
en de droom van de droom
zoals hij in kromtaal staat getekend


(Kromtaal staat hier voor de taal van de poëzie. Een taal vol kortsluitingen?)

De utopische, zuivere, ongerepte droom:

(…) ongerepte eilanden

van dromen die in hun dromen
altijd werkelijk worden
en tijd alle tijd geven


Hier is de tijd weer. En die maakt geen stilstand mogelijk. In het mooie gedicht ‘tuin’ wordt er een gesloten wereld opgeroepen die, zoals in andere gedichten vaak het geval is, een kinderlijk karakter vertoont. Een jongensdroom waaraan ‘geen einde komt’. Maar daar duikt de tijd van de werkelijkheid, de werkelijkheid van de tijd weer op en de droom eindigt:

en de tuin verlaat voor een tijd
waar er alsmaar meer minder
en minder tijd zal zijn.


De laatste regels van de bundel scherpen het nog wat aan:

terwijl de tijd grapjes uithaalt
met de dans van neuronen


Dromen worden op hun plaats gezet. Voortdurend botsen we inderdaad tegen kortsluitingen. Dialectische antinomie zet het geheel in ‘beweging’. Stem en tegenstem brengen de dynamiek aan. Hoe meer je leest hoe meer je tegenstellingen gaat opmerken. Ik geef er enkele aan: het picturale en het talige, droom en werkelijkheid, echt en niet echt, spreken en zwijgen, veelkleurig en kleurloos, zijn en niet zijn, stilstand en beweging, het afgelijnde en het krukkige, gedachte en gedachteloosheid.

Bij dat laatste hoort het motief van het hoofd. Alles wat zich afspeelt binnen de gedichten, bevindt zich binnen de lijst, het raam, het watervlak van het hoofd: het is er oorlog (Herakleitos kijkt om de hoek). Wat ons het beeld schetst van de dichter als woelwater. Is het daarom dat de dichter ook wel eens zijn hoofd kwijt wil of vreest het kwijt te kunnen raken:

dit is geen droom
dit is niet echt
met mijn hoofd rustend op een tafel
als op een hakblok


Die potentiële onthoofding, deze acefalie vinden we min of meer terug in het motief van de ‘ontlijving’. Dat past dan m.i. in het kader van de antinomie tussen het lichamelijke en het gebrek aan lichaam, het stilgelegde versus het verlangende lichaam.

Ik citeer in zijn geheel het gedicht ‘waanhoop’ omdat daarin de antinomie zich zeer sterk profileert. (‘Waanhoop’: een neologisme, een kortsluiting die zowel de wanhoop en de hoop diep treft als zijnde waanbeelden?)

de huizen in hun kleur gekrompen
het wit van de muren
het rood van de daken
geruststellend voorspelbaar
op het bedrieglijke zwart van de ramen na

bij dat alles mens en dier
alsof er al eeuwen vrede heerst
er is nog hoop

en dan plots de donkerte
drank drugs rook
opgespaarde woorden van woede
weemoed en ontspoorde vrijheid
waarheid die hij heeft verpacht

dit is oorlog

het raamvlak spiegelt strijd in zwarte vegen
en hij bralt en hij blaast en hij brult
een dichter op doping betrapt


Brallen, blazen, brullen. Laat een wolf zich huilend horen?

VIS EN VOGEL, HAGEDIS EN HUILENDE WOLF

Dieren komen veelvuldig voor. Ze behoren tot het erf in het hoofd van de dichter. Dieren en wat we daar antropomorf bij kunnen associëren (Einstein bijvoorbeeld). Blijkbaar brengen de dieren vrede. Soms. Ik connecteer ze aan de kinderlijke onbezorgde wereld die ik daarnet al signaleerde. Het vreemde gedicht met de titel ‘tuut-tuut’ lijkt me daarin het verst te gaan.

niets is nog van tel
nu ik op stelten van wolken loop


(Daar komen op langere termijn ongelukken van, vrees ik.)

Later in de bundel krijgen dieren een meer mythisch karakter (de ‘vogelmens’) of zijn ze zelfs hybride (een kippige struisvogel). Deze kleine dierentuin brengt iets fris in de bundel aan. In al zijn ernst gaat het er helemaal niet zwaarwichtig aan toe. Hier en daar worden dieren spitsvondig beschreven. Een beetje zoals Jules Renard dat schitterend kon:

geen engel als een pinguïn
vogel in soutane


In het woelend ’water’ (een veel voorkomend element) van deze dichter zorgen vissen voor een aha-erlebnis in

(…) de flits van een witte aha-vis.

Vissen roepen overigens bij mij altijd een prenatale wereld op. Een wereld die we nooit of te nimmer kunnen wegwissen: onze diepst verborgen, nauwelijks te herinneren herinneringen zijn bij wijze van spreken ‘vissen’ in onze psyché.

ik heb de huizen
van mijn jeugd gespaard
tors de bomen
laat de vogels als engelen vliegen


ik draag de vissen voor mij uit

Deze bundel werpt volgens mij een nieuw licht op de vorige. In die zin dat de nieuwe bundel een aantal bestanddelen uit de vorige bundel meedraagt. Waaruit ik vermoed dat Meier aan een soort coherent ‘opus’ aan het werken is. Waarmee ik het componerende aspect nogmaals wens te beklemtonen. Ik vermoed dat deze bundel de komende bundels al aan het opentrekken is. We kunnen en mogen nog wel wat verwachten van deze vakkundige dichter. Laten we ernaar uitkijken.


© Alain Delmotte


Tekenen, Jan M. Meier, Uitgeverij P, Leuven 2018, , ISBN 978-92339-71-3

vrijdag 8 maart 2019

Vlieg dan - Christophe Vansteeland

Op de stoep ligt de zon, de straat rust
baanvakken draaien zich om als wafels
en we wachten

Het sneeuwt in mijn hoofd, ik ruik
duivenbloed, we wachten
op de stoep, tellen de steentjes

onder mijn knie, wachten we tot ik je vleugel
knip en dip diep in de teer die smelt
rond mijn zomervingers

De draden hangen waar de zon
op de stoep wachten de uren
Ze zijn er!


© Christophe Vansteeland


Christophe Vansteeland (°Roeselare, 1969) woont in Veltem-Beisem en schrijft sinds anderhalf jaar poëzie. Hij volgt een poëzieopleiding bij de SchrijversAcademie. Professioneel begeleidt hij als pedagogisch adviseur de Brusselse gemeentelijke basisscholen. Publiceerde eerder gedichten in Deus Ex Machina, Extaze en Het Gezeefde Gedicht. Twee gedichten van hem werden ook opgenomen in de bloemlezing “Vers Roeselare”, een uitgave van Bibliodroom.


donderdag 7 maart 2019

Ik zag een Datsun staan - Christophe Vansteeland

Ik zag een Datsun staan in de Sylvain
Dupuislaan, voorbij het park waar Astrid

wacht. Hij staat daar maar, die Datsun
daar, leeg en wit tussen regens waar Astrid

zit. Op haar lippen liggen noten voor tokkelvingers
en mondmuziek. Van haar hiel schuift

een schoen en de bus stopt. Terminus
naar een andere kant want Astrid

lacht, zelfs geen tranen. Haar ogen zien
de binnenzon. Kom, stap in


© Christophe Vansteeland


Christophe Vansteeland (°Roeselare, 1969) woont in Veltem-Beisem en schrijft sinds anderhalf jaar poëzie. Hij volgt een poëzieopleiding bij de SchrijversAcademie. Professioneel begeleidt hij als pedagogisch adviseur de Brusselse gemeentelijke basisscholen. Publiceerde eerder gedichten in Deus Ex Machina, Extaze en Het Gezeefde Gedicht. Twee gedichten van hem werden ook opgenomen in de bloemlezing “Vers Roeselare”, een uitgave van Bibliodroom.


woensdag 6 maart 2019

Weet je nog? - Christophe Vansteeland

Graag duw ik een kastdeur dicht of gooi
in het bos dat beeft een afgekloven klokhuis

tussen mieren. De grond ruikt stil.
We weten al langer. Je bent een klootzak

zeg je zacht. Je lacht naar ons kind
dat melk opgeeft. Bijna ben je me

vergeten. We weten al langer. Weet je nog?
Je handen in het lauwe zand


© Christophe Vansteeland


Christophe Vansteeland (°Roeselare, 1969) woont in Veltem-Beisem en schrijft sinds anderhalf jaar poëzie. Hij volgt een poëzieopleiding bij de SchrijversAcademie. Professioneel begeleidt hij als pedagogisch adviseur de Brusselse gemeentelijke basisscholen. Publiceerde eerder gedichten in Deus Ex Machina, Extaze en Het Gezeefde Gedicht. Twee gedichten van hem werden ook opgenomen in de bloemlezing “Vers Roeselare”, een uitgave van Bibliodroom.


maandag 25 februari 2019

Na de voorstelling - De zee is een zij

'De zee is een zij' - vlnr Arne Deprez, Jan van Herreweghe en Jan van meenen

vlnr Paul Rigolle - Frans Deschoemaeker - Hendrik Carette




















































Na de voorstelling is er ... koffie (en was er bier). Foto's Bib Harelbeke, Za 23/2/2019,
Voorstelling van de dichtbundel "De zee is een zij" van Jan van meenen.




zondag 24 februari 2019

Drie gedichten van Cornelius van Alsum

Vertaling: Romain John van de Maele


Denkmal in Ribe, Jütland


Dem Forscher aus dem Städtchen
entschleiert sich die Gärung
bronzen und schlackenlos

für Lab und Reinzuchthefe
im Dienst der Industrie

der Schaumgeborenen
nach erstem Augenschein
fast ebenbürtig


© Cornelius van Alsum


Standbeeld in Ribe, Jutland


Voor de vorser uit de kleine stad
ontsluiert zich de gisting
in brons zonder slakken

voor lab en zuivere gistcultuur
in dienst van de industrie

van wie uit schuim geboren is
is na een eerste oogopslag
bijna alles gelijkwaardig.


© Vertaling Romain John van de Maele


am westmeer *


die lage schwertschei-
denmuscheln knirscht unterm schuh
bis an das röhricht

seehund ohne augen stumpf
sein fell wohin die möwen


© Cornelius van Alsum


Aan de Westzee *


De laag kleine zwaard-
scheden knispert onder de schoenen
tot aan het riet.


Zeehond zonder ogen, stomp
zijn vel waarheen de meeuwen.


© Vertaling Romain John van de Maele


Deichweg


Rückwärts gehen
hilft nicht mehr:
Siebte Plage
die vom Meer
Schrot aus Wolken
niederfährt

Am besten du kniest:
dort in den Maulwurfshügeln


© Cornelius van Alsum


Dijkweg


Rugwaarts gaan
helpt niet meer:
de zevende plaag
die vanaf zee
hagel uit de wolken
meevoert.

Je knielt best
daar in de molshopen.


© Vertaling Romain John van de Maele


Notitie van de vertaler:
* De gedichten herinneren aan een vakantie in Jutland. In het Deens wordt de Noordzee ‘Vesterhav’ (met bepalend lidwoord ‘Vesterhavet’) genoemd, in het Duits ‘Nordsee’. Vroeger werden in het Duits ook de benamingen ‘Westsee’ en ‘Deutsches Meer’ gebruikt. De dichter heeft in het Duits de Deense benaming vervangen door het neologisme ‘Westmeer’, en hij heeft me gevraagd om in de Nederlandse vertaling ook een neologisme te gebruiken, in casu ‘Westzee’. Jutland ligt tussen ‘Vesterhavet’ en ‘Østersøen’ of ‘Østerhavet’, de binnenzee die ook ‘det Baltiske Hav’ wordt genoemd. Door gebruik te maken van een neologisme wordt de ligging van het schiereiland benadrukt. Bovendien herinnert de benaming aan Japan, dat ook tussen een Oost- en een Westzee ligt – qua vorm is het gedicht ‘Am Westmeer’ (‘Aan de Westzee’) geïnspireerd door een Japanse versvorm.


Meer info over de auteur Cornelius van Alsum:
Cornelius van Alsum (pseudoniem van Frank Engel) schrijft niet alleen gedichten maar vooral ook essays. Hij is ook uitgever van het literatuurtijdschrift kalmenzone en de uitgever van het literatuurtijdschrift kalmenzone dat twee maal per jaar als internetuitgave verschijnt, en de stichter van de kunstenaarsgroep Brisenvögel, die er o.a. naar streeft een uitwisseling tot stand te brengen tussen Nederlandstalige en Duitstalige schrijvers. In het decembernummer 2018 zal o.a. de vertaling van een gedicht van Hannie Rouweler verschijnen. Eerder verschenen artikelen over Roland Jooris, Louis Paul Boon e.a., en vertalingen van gedichten van een twintigtal dichters en werk van prozaschrijvers (Gilliams en Buysse). In het zomernummer 2019 wordt uitvoerig aandacht besteed aan het werk van Roger Raveel en de literaire reacties daarop.

www.kalmenzone.de
kalmenzone bij Digther

woensdag 20 februari 2019

Al het grommen ging rookwaarts

Aantekeningen bij 'Nederzettingen' van Bert Bevers.

Als Gerrit Westerveld niet bestond dan zouden een aantal poëzieliefhebbers onder ons hem vroeg of laat wel hebben uitgevonden. Net voor de eeuwwisseling richtte de gedreven graficus en ontwerper die Westerveld is in het verlengde van zijn plastische activiteit de kleine ambachtelijke uitgeverij 'Kleinood & Grootzeer' op. Vanuit zijn standplaats Bergen op Zoom laat hij sindsdien jaarlijks drie à vijf kleinoodjes op de literaire wereld los.

Met veel liefde en vakmanschap handmatig op de wereld gezet mogen de dichtbundels van Kleinood & Grootzeer elk op zich het predikaat “juweeltje” met zich meedragen. Elke eerste oplage bestaat uit 100 exemplaren die telkens genummerd en gesigneerd worden door hun auteur. Schitterende hebbedingetjes! De fondslijst, luxe-uitgaven inbegrepen, bestaat ondertussen al uit een honderdtal titels.  In de reeks vinden we werk terug van stuk voor stuk interessante dichters als Richard Foqué, Albert Hagenaars, Philippe Cailliau, Joris Denoo, Erick Kila, Willem M. Roggeman, Romain John van de Maele, Tony Rombouts, Guy Commerman, Hagar Peeters en Frank Pollet om maar die te noemen. Ook een sterk debuut als dat van Edward Hoornaert vond er recent een onderkomen.

Nederzettingen', de nieuwste bundel van Bert Bevers (° Bergen op Zoom, 1954) past perfect in het voormelde rijtje. Bevers is bij Kleinood- en Grootzeer al aan zijn zesde boekwerk toe. Hij was het trouwens die met ‘Hortens Conclusus’, een leporello met 5 haiku, in 1999 bij Gerrit Westerveld de spits mocht afbijten. Zijn nieuwste bundel ‘Nederzettingen’ bestaat uit drie cycli van respectievelijk 16, 4 en 10 gedichten. Wat meteen opvalt is dat elke cyclus gedichten telt die telkens eenzelfde strofen- en regelstramien hanteren. In de titelcyclus ‘Nederzettingen’ is dat het vijf-twee-schema. De vier gedichten uit de tweede cyclus ‘Uit de tijd’ tellen drie strofen van drie regels met een uitwaaierend slotvers terwijl elk gedicht uit de slotcyclus ‘Gedichten uit een stadje in de heuvels’ uit viermaal twee plus een slotregel bestaat. De aandacht voor vormvastheid en zorgvuldigheid bij het opbouwen van zijn diverse cycli die we al kennen van zijn twee verzamelbundels ‘Afglans’ (Gedichten 1972-1997) en ‘Eigen Terrein’ (Gedichten 1998-2013) zijn intussen een constante geworden bij deze dichter.

Ook over deze nieuwe bundel is grondig nagedacht. In de eerste en belangrijkste afdeling die ook de titel van de hele bundel draagt evoceert de dichter een soort oertijd met veel strijd tussen stammen en haardvuur. De wereld lijkt in een prille fase te verkeren waarop de lezer niet onmiddellijk de hand kan leggen. Waar de dichter eerder in ‘Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld’ (2007) de sfeer opriep van de vroege Middeleeuwen lijkt hij in deze gedichten eerder een voorwereldse prehistorische realiteit neer te zetten. Er zijn ‘Zwijgende krijgers die waken’. Er is ‘een priester van de stam’ en er zijn wachters. En ‘wijzere mannen met de dunne armen’ bevolken de hutten en de Nederzettingen. Er is sprake van een tijd ‘van toen er nog geen mensen waren’ en ‘van een geheugen dat zich schoorvoetend bedient van verzachtende balsems’. Ook de toekomst van de stam lijkt onzeker zoals we dat ook letterlijk terugvinden in het twaalfde gedicht uit de cyclus.

Nederzettingen - XII

Zij die hun bestaan aanvaardden wisten hoe ze leven
moesten, dat wat ze verloren in het vuur in de as
zouden vinden. Al het grommen ging rookwaarts.
Alles was eenvoudig: wijzen van de stam af betekende
rennen, bukken bukken. Milddadig kaatsten beelden

uit het hol van de jeugd in duizenden liederen
bij zonsondergang. Ah, die wrede, wrede toekomst.


De sfeer in de zestien gedichten blijft raadselachtig. Elk gedicht bestaat, zoals eerder al aangehaald, uit een vaste structuur van twee strofen van vijf en twee regels. Het is een geliefd stramien dat als dichtvorm regelmatig in het oeuvre van deze dichter terugkeert en dat we onder meer al kennen van de bundel ‘Andere taal’ (2010) en de reeds genoemde ‘Lambertus van Sint-Omaars beschrijft de wereld’ (2007). Deze vorm lijkt de abstraherende inhoud van de gedichten te dienen en houdt de schemer van de raadselachtigheid vast tot op het einde. Het slotgedicht:


XVI


In schemerbestaan klonk weeklagen als bekering.
Samen hadden ze genoeg ogen om te zien, maar
daar wachtte een leger. Zij waren dan wel met meer
doch allemaal alleen omdat ze nog steeds dachten
dat het volstond om sterker te zijn dan je vijand,

niet dan cohorten daarvan. Waaraan ze evenmin
gewend waren: die hadden harde zwaarden, en langere.


Ook in de tweede afdeling ‘Uit de tijd’ die uit vier gedichten bestaat ‘heersen de wetten van de spiegeling.’ Ook hier blijft de plaats van handeling abstract en eerder vaag. ‘Vreemde buren brandden vuren vol vlammen’. De verzen suggereren een achterliggende wereld achter de wereld. Er wordt meer gesuggereerd dan er gezegd of uitgelegd wordt.


IV

Vrijheid is een broze kooi. Dat beseft hij.
Het onbeholpen huppen van takkelingen
herkent hij in het uur waarin de uilen met

hun vlerken wiegen. Een late guichelheil
ritselt. ‘Weet je nog, de vorige keer dat ik iets
zei?’ roept hij in herinnering. ‘Niemand twijfelt

Nooit, maar er zijn uitwegen! Hoogverraad
is er roestvrij altijd, maar laat de korst nu
beter op de wond, op het zinkgat van de spijt.’

Men merkt het niet, maar er gebeuren grote dingen.


De derde afdeling ‘Gedichten uit een stadje in de heuvels’ is de meest concrete en toegankelijke van de hele bundel. Bert Bevers is in de eerste plaats een cyclus-dichter maar deze gedichten laten zich ook los van het keurslijf van hun cyclus lezen. Eerder publiceerden we hier in deze Digther-kolommen in februari 2015 al vijf gedichten uit de cyclus.  In ‘Gedichten uit een stadje in de heuvels’ figureren achtereenvolgens en onder meer een perronchef, een kamermeisje, een slager, een burgemeester, een kastelein en een modelbouwer… Ze bevolken met zijn allen het stadje dat door de dichter ook nu weer als een soort nederzetting wordt omschreven, maar dan één gesitueerd in de huidige tijd. Huurlingen, ongelovigen, mensen die dansen uit angst voor mindere goden passeren de revue. Het applaus is droevig. Het thema van het (on)geloof weegt op en omfloerst het leven in het stadje. ‘Op deze Rogate, denkt hij in een doezeling van waarheid aan de lichtheid van de biecht, aan het herhalingsgebod…’ staat er in het gedicht ‘Remedies tegen ongeloof’. Er heerst in het algemeen in deze afdeling en in dit Märklinstadje een landerigheid waarin ten slotte de dichter in het slotgedicht het laatste woord krijgt.


De dichter peinst


Hij voelt een handvol woorden in zich zieden
in de avondstond. Wie heeft er nooit gezondigd

tegen zonlicht? Hij weet: hier was ik eerder.
Er wordt een nieuw straatnaambordje op

een lantaarnpaal geschroefd. Een man passeert
met een kruiwagen. Een vrouw laadt boodschappen

in. Een kind sabbelt aan een ijsje. Het huis dat
gebouwd wordt zal over acht jaar en drie maanden

worden verkocht. Hij weet het. Hij verlaat de tijd.


Zoals wijlen Henri-Floris Jespers ergens zeer gepast opmerkte balanceren de gedichten van Bert Bevers tussen klassieke vormvastheid en experimentele ontregeling. Die ontregeling doet zich vaak al voor binnen het gedicht. Hier en daar schurken en schuren de gedichten tegen hun eigen grenzen aan. Krakend en spokkend binnen hun vaste vorm. Alsof ze daar ook af en toe uit vandaan willen. Een slotvers als ‘Wie dacht er aan schrift toen taal nog maar amper?’ illustreert dit. In ‘Nederzettingen’ zet Bert Bevers een wereld neer die tezelfdertijd bevreemdend en toch vertrouwd aan doet. Nederzettingen is niet bepaald zijn meest toegankelijke bundel en verdient meerdere lezingen maar ook hier is en blijft Bert Bevers zijn eigenste zelf. Een dichter met een eigen stem die in een beslist en particulier taalarsenaal bundel na bundel aan zijn eigen talige wereld werkt. Elke bundel van Bert Bevers is een op zijn taalmaat geplooide constructie, een bouwwerk dat opgetrokken wordt. Elk gedicht een afbakening van de fysieke én mentale ruimte. Als een nederzetting in de taal.



© Recensie Paul Rigolle


Nederzettingen, Bert Bevers, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2018, ISBN/EAN 978-90-76644-91-2 -€18,-


Extern:  
Uitgeverij Kleinood & Grootzeer
Fondslijst Kleinood & Grootzeer  
Thuissite Bert Bevers
Meer recensies Nederzettingen
Bert Bevers bij De Schaal van Digther




dinsdag 19 februari 2019

Zelfs de lichtvoetigste poëzie kan tot zware ongevallen leiden

Over ‘De Gedichten van het Gedicht’ van Tony Rombouts.

Niettegenstaande zijn lange poëtische carrière kan je moeilijk stellen dat Tony Rombouts een gecanoniseerd of laat staan geconsacreerd dichter is. In ‘De geschiedenis van de
Nederlandstalige literatuur 1945-2005 - Altijd weer vogels die nesten beginnen’ van Hugo Brems wordt zijn naam een paar keer vermeld in een context waar het over de woelige Antwerpse avantgarde uit de jaren zestig gaat. Een enkele keer wordt hij als uitgever van de poëziereeks ‘Contramine’ genoemd. Als uitgever plaatst Brems hem helemaal in het voetspoor van de pink poets. Iets wat ik durf te betwijfelen. Rombouts ging als uitgever verder dan louter het pink-poet circuit en de daarbij horende buitenrand. Dichters als bijvoorbeeld Marcel Van Maele, Lucienne Stassaert, Annie Reniers, Joris Denoo en Ivan Ollevier (die hij in zijn poëziereeks uitgaf) kan je moeilijk als pink poets beschouwen.

Wat zijn poëzie betreft, legt Brems even de klemtoon op ‘Les demoiselles de la mer’ (eerste druk in 1975). Het figureert als een voorbeeld van wat als ‘Camp’ werd omschreven. Camp zijnde: bewuste kitsch. Nu moet ik toegeven dat ik Tony Rombouts lange tijd met het overigens heerlijk luchtige en sarcastische ‘Les demoiselles de la mer’ heb vereenzelvigd. Wellicht was ik niet de enige. Het is mij trouwens altijd een raadsel gebleven waarom niet één van deze gedichten ooit in een belangrijke bloemlezing terecht is gekomen. In die van Komrij bijvoorbeeld. (Eentje kwam daarentegen wel in Hotel New Flanders terecht.)

Maar Tony Rombouts heeft meer in zijn mars. Hij debuteerde inderdaad als experimenteel dichter. Polemiek was hem niet vreemd. Zijn schriftuur ontwikkelde zich tot wat hijzelf (o.m. op de achterflap van zijn in 2005 verschenen mooie bundel ‘Een dandy’) als ‘écriture artistique’ omschrijft. Wat bedoelt hij met ‘écriture artistique’? Op dezelfde achterflap omschrijft hij dat als volgt: ‘een verfijnd (taal)spel, net op de rand van de kitsch, en gepresenteerd als een contramine van schoonheid’. Dit resulteert in een schriftuur die zich door een soort eloquentie laat kenmerken en die bij eerste lezing wat oppervlakkig lijkt. Die schijn wordt vlug doorbroken als je even tussen de mazen van dit subtiele schoonschrift gluurt. Die ‘contramine’ laat zich dan even raden. Want achter die eloquentie verschanst zich een (vermoedelijk broze) sensibiliteit die zich niet wenst prijs te geven en zich zelfs sterk defensief opstelt als je ze te dicht benadert. Uit dat defensieve blijkt nu net de contramine. Kortom: met die eloquentie creëert de dichter een distantie waarbij scepticisme ten aanzien van het wereldse gebeuren overheerst en resulteert in een pose die je uiteraard als esthetiserend, dwarsliggend of ‘dandyesk’ kunt omschrijven. De dandyeske pose wordt door Rombouts overigens in woord en in daad op een succulente manier gecultiveerd. Wat door sommigen wellicht wel eens als cassant wordt ervaren.

In zijn nieuwste bundel ‘De Gedichten van het Gedicht’ lezen we de tekst ‘Ars poëtica’ waarin dat defensieve uitdrukkelijk wordt gesteld. Het betreft het gedicht waarmee de bundel afsluit. Al was het om de hele bundel nog even te resumeren en om voor een laatste keer definitief ‘duidelijk te stellen’. Ik citeer het in zijn geheel.

Laat ik dit zeer duidelijk stellen:
ik ben niets anders
dan de absolute reinheid
die zichtzelf, heel onverwachts,
als een feniks uit het niets heeft geschapen,
adembenemend mooi
en uiteraard volkomen autonoom.

Met klem waarschuw ik dan ook iedereen
dat er geen enkele dichter is
die met zijn poten
aan mijn lijf mag komen.

Zo niet sla ik hem
op zijn smoel.

We zijn dus verwittigd. Lezer wees op je hoede: dit zijn gedichten waarin valstrikken zijn geïmplanteerd. Kijk uit voor wat je leest!

In het eerste deel van de bundel leidt een personage (met op Rombouts gelijkende contouren) ons rond in Sint-Petersburg en in enkele Antwerpse musea. In de Sint-Peterburgse gedichten valt de droefgeestigheid van het personage op:

(…) hij (kon) zijn tranen niet meer weerhouden.

Heel langzaam voelde hij ze vloeien:
eerst druppel na druppel
in zijn net gevuld glas wodka.
en vandaar, onnoemelijk traag,
in een schaaltje glazig grijze kaviaar.

Niemand, maar dan ook niemand,
nam dit gebeuren waar.

Melancholiek en laconiek vallen hier met understatement samen: nipt wordt het sentimentele vermeden. In sommige gedichten herkennen we de dandyeske pose: kwetsbaarheid wordt niet getoond maar subtiel gesuggereerd door het gebruik van een gelaagde ironie.

Zeven schilderijen uit verschillende Antwerpse musea worden geëvoceerd. Een aantal ervan zijn prosopopeïa: het is het schilderij dat de woorden in de mond van het gedicht legt. Verrassend is het gedicht ‘Johannes rust aan de borst van Jezus’, bij een houten beeld van Meister Heinrich in Konstanz, te zien in het Museum Maeyer van den Bergh. Rombouts evoceert er de Unio Mystica van Johannes met Jezus. Hij doet dat met een sereniteit die we niet gewoon zijn van Rombouts.

Overgave. Vervoering.
Vereniging. Roerloos
is het versmelten daadwerkelijk begonnen:

van voet tot voet
van knie tot knie
van wezen diep in wezen.

Zelfs de plooien
van onze gedrapeerde gewaden
worden langzaam en ondeelbaar één.

Maar in het gedicht over Jeanne Rivière (de echtgenote van Christoffel Plantijn) vinden we de meer vertrouwde, ironische en ambigue Rombouts terug:

Excuseer me, maar ik weet het wel,
ik kijk een beetje bedrukt –
een rare uitdrukking voor de weduwe van een drukker –
maar echt, haast heel mijn leven ben ik bedrukt geweest.

Onderhuids gaan deze gedichten over ‘de geschiedenis’. We lezen er een eerder grimmige kijk op: macht verschijnt en macht verdwijnt. Ook het onoplosbare spanningsveld tussen wezen en schijn, tussen waarheid en leugen, tussen kitsch en kunst wordt bovengehaald.

Het verleden is enkel een verhaal.
Het heden zijn we nu aan het beleven.

Eens op papier is er van wat gebeurde
nog nauwelijks een woord van waar.

Betrekkelijk- en vergankelijkheid alom, dus, maar het lukt de dichter toch om in het al geciteerde gedicht over Jeanne Rivière het volgende te noteren:

Net zoals elk uitgesproken woord
zeer snel weer wordt vergeten.
Enkel wanneer het wordt gedrukt en uitgegeven
zal het de tijd steeds overleven.

Als lezer-dichter denk je hierbij hoopvol ‘zou het echt’?

Het tweede deel van de bundel wordt een ‘intermezzo’ genoemd. We lezen drie acrostichons die een hommage brengen aan respectievelijk Herman J. Claeys, Werner Spillemaeckers en Ivo Michiels. Rombouts ‘fellow travellers’. Alle drie op hun manier outsiders ook. (De bundel is opgedragen aan Ben Klein, ook wel iemand die erg apart staat. Mag ik die opdracht als een statement interpreteren?). Verder lezen we een reeks gedichten ‘Polychrome woorden verbale kleuren’ genaamd. Deze cyclus - opgedeeld in drie reeksen X, Y en Z (de onbekenden uit de algebra meldt het nawoord) - valt op omdat die buiten de toon vallen van wat elders in de bundel te lezen valt. Ze zijn complex want compact verdicht. Wat zich in deze cyclus voordoet, omschrijft Rombouts zelf als volgt:

Zuivere emotie wordt
zorgvuldig elementair en
anoniem uitgepuurd
in het volkomen onherkenbare

Dat onherkenbare wordt elders in de reeks ‘het zegel der geheimhouding’ genoemd. Je stelt je de vraag of we hier de Rombouts ontmoeten die zich als dichter in absolute zin vertoont, die zijn diepste opvatting over poëzie in praktijk omzet. Duikt hier de experimentele dichter van destijds weer op?

Veel over zijn poëtica komen we te weten in het derde deel van de bundel ‘In zicht’ dat ontegensprekelijk eveneens het hoogtepunt van het geheel is. Twee delen: ‘Dialoog van de dichter met het gedicht’ en ‘De gedichten van het gedicht (en die best wel ‘Dialoog van de gedichten met de dichter(s) had kunnen heten’). Kernwoorden van deze poëtica zijn onder meer ‘autonoom’ en ‘onpersoonlijk’. Autonoom dat kennen we: de stelling dat het de woorden zijn die in een gedicht een eigen binnenwereld en een eigen (taal)realiteit scheppen. Het gedicht in deze cyclus omschrijft zichzelf als ‘onpersoonlijk’:

Ik wil volkomen onpersoonlijk zijn
om vrij te kunnen uiten
als een totaal onbruikbaar voorwerp
dat geen enkel functie heeft

en zonder enige betekenis

Vermoedelijk verwijst dat ‘onpersoonlijke’ naar de wezenlijke anonimiteit waarvan elke gedicht getuigt en blijft getuigen. Wat meteen de afwijzing van het anekdotische en consoorten inhoudt.

Gedaan met al die oprechte belijdenissen
of dat suikerzoete gedoe,
om van de ellende van het engagement
niet eens te spreken!

Betekenen Rombouts gedichten dan echt niets? Pure esthetiek, fiorituren? Met het feit dat voor Rombouts het gedicht zonder betekenis is, geeft de dichter eigenlijk aan dat ‘geen betekenis’ nu net de betekenis van een gedicht zou kunnen zijn.

Het is zoals het met veel gedichten het geval is: het gedicht bestaat als gedicht. Het is de lezer die betekenissen kan laten generen. Voor iedere lezer zijn dit verschillende betekenissen. Maar het moet het gedicht zijn dat de lezer een richting induwt en niet de lezer het gedicht. Het gedicht aanvaardt geen autoriteit: of anders krijgt die autoriteit op zijn smoel – zoals we al weten. Rombouts vertoont inderdaad hier en daar anarchistische trekjes.

Het gedicht is een open ruimte. De dichter bij het schrijven van een gedicht betracht die leesruimte zo breed mogelijk te maken, te laten. Onder meer door het taalspel. In deze bundel gebruikt Rombouts een techniek die niet meteen zijn eigen vondst is maar die hij toch wel een eigen snit (om niet te zeggen een eigen knip) weet te bezorgen. Hij rukt woorden uit elkaar zodat ze meer gaan duiden dan of helemaal uitwijken van het strikt lexicale. Bijvoorbeeld: ‘Inzicht’ wordt ‘In zicht’, ‘verslavend’ wordt ‘vers lavend’. Poëzie verdedigt immers (en is het niet één van haar essenties?) het adagium dat er meerdere woorden in de woorden schuilen. De dichter hakt spelmatig in het woord en kapt er andere woorden uit:

Daar na

Ver liezen
In fa taal
De doornen
hun kroon.

Ver diende loon

Wat me zo aansprak in deze reeksen is de heldere, vanzelfsprekende, schijnbaar onderkoelde en de zelfs hier en daar vertrouwelijke toon waarin ze geschreven zijn, waarmee ze geschreven werden. Simpel maar in het taalspel bijzonder fijnzinnig. Waardoor dubbele bodems vol dubbelzinnigheden ontstaan – met soms een ludiek karakter.

Maar dat ludieke is nu net één van die valkuilen want:

Zelfs de lichtvoetigste poëzie kan tot
zware ongevallen leiden.

Voor Rombouts is het gedicht een onderneming naar het absolute woord, dat zowel het eerste als het laatste woord zou moeten zijn: het reine, gereinigde en reinigende woord. Een woord, zo geheim, zo puur dat zelfs de dichter zich afvraagt of het wel bestaat en best wel met de nodige ironie en ‘in zicht’ weet dat het niet bestaat.

En dat woord verklaarde:
ik ben het geheime woord
het woord dat enkel in de geest bestaat
en nooit concreet kan worden weergegeven.

Ook hier niet. Tony Rombouts leverde ons met deze bundel een prachtig werkstuk (werk stuk) af: ik heb er hier ook geen woorden voor.

(Postscriptum. Al bij al een vrij metapoëtische verzameling waarin een thema sluimert dat ik in deze bespreking te weinig heb aangekaart: de voortschrijdende tijd. Ik zou dit met een paar citaten kunnen staven. Ik beperk me tot één uitspraak. Rombouts beschouwt poëzie als ‘anti-tijd’. Vreemd genoeg hoor ik daar (teken des tijds?) ‘identiteit’ in weerklinken. Maar Rombouts is wat pienter: hij laat anti-tijd binnenrijmen met ‘entiteit’. Iets wat bestaat. Waarschijnlijk (waar schijnlijk) iets dat buiten de tijd om bestaat: het gedicht dus.)


De Gedichten van het Gedicht, Tony Rombouts, Uitgeverij Kleinood & Grootzeer, Bergen op Zoom, 2019, ISBN/EAN 978-90-76644-90-5


© Recensie Alain Delmotte


maandag 18 februari 2019

Afscheid van Luc R.C. Deleu - Renaat Ramon

De dichter Luc R.C. Deleu, geboren in Leuven op 7/7/1950 overleed in Roeselare op 30/12/2018. Tijdens de herdenkingsdienst op 9/1/2019 sprak Renaat Ramon in Roeselare voor zijn vriend onderstaande homilie uit. Ode is Ode Goossens, de echtgenote van de overleden dichter. Eerder publiceerden we hier ook al Vriendschap, een herdenkingsgedicht van de hand van Antoon Van den Braembussche, een andere vriend van Luc R.C. Deleu.


Beste Ode, geachte familieleden, vrienden en kennissen van Luc Deleu.

Het is werkelijk met pijn in het hart dat ik hier / vandaag sta.
Dat ik, samen met u allen, moet afscheid nemen van mijn goede en intieme vriend en geestverwant, de dichter Luc R. C. Deleu. / Dat valt me zwaar.

Ode, en ook alle mensen die Luc in de voorbije moeilijke maanden – ook soms moeilijke jaren – hebben omringd en gesteund, wil ik hierbij oprecht dank zeggen. Luc wist duidelijk wat hem te wachten stond – daarover heeft hij me de voorbije maanden meermaals gecommuniceerd – maar hij is toch onverwacht gestorven. Luc klaagde niet – nooit – hij bracht, nuchter en lucide, verslag uit - over wat hij ironisch noemde ‘de stand van zaken’.

Hij was qua karakter, qua instelling, wat je noemt ‘burgerlijk onaangepast’. Die onaangepastheid die, dixit Eugenio Montale, ‘eigen is aan alle au fond naar binnen gekeerde karakters. Dat wil zeggen alle poëtische karakters.’

Luc Deleu was een zeer intelligent man, zeer erudiet, scherpzinnig en ook zeer spiritueel, een eigenschap die hij ook in moeilijke omstandigheden behield.

Hij behaalde de titel ‘Doctor’, net als zijn vader, zij het niet in dezelfde discipline. Geen geneeskunde dus – daar was hij te gevoelig voor. Waarmee ik niet wil zeggen dat dokters ongevoelige mensen zijn, maar wij kennen allen de spreuk over te zachte heelmeesters… Hij heeft wel 2 jaar geneeskunde gestudeerd in Leuven, waar hij ook geboren werd.

Hij werd aan de VUB ‘Doctor in de Letteren en Wijsbegeerte’ – dat lag meer in zijn lijn. Luc promoveerde met de grootste onderscheiding in 1988 op een proefschrift over De teken- en schilderkunst van Henri Michaux. Een onderzoek naar de samenhang van beelden, denken en zijn. Merkwaardig is het motto, ontleend aan de Essais van Michel de Montaigne, dat hij aan zijn uitvoerige en gedegen studie meegaf: ‘Je ne peins pas l’être, je peins le passage’

Dat karakteriseert in één zin het denken van Montaigne, de kunst van Michaux en de poëzie van Luc Deleu. Zijn leven lang heeft hij interesse voor ‘dubbeltalent Henri Michaux’, schilder en dichter, gekoesterd. Hij volgde al zijn publicaties. En als er ergens iets omtrent Michaux te doen was – het mocht in Parijs zijn of waar dan ook: Luc was daar!

Professioneel heeft hij diverse functies vervuld:
- docent Kunstgeschiedenis en Esthetica aan de Portaelsschool voor Beeldende Kunst in Vilvoorde;
- stagebegeleider aan de VUB;
- bestuurssecretaris bij het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap.

Luc was niet alleen beroepsintellectueel, hij was, zou ik bijna zeggen, een ‘ouderwetse’ intellectueel, iemand met een zeer brede culturele en socio-politieke belangstelling.

Hij realiseerde diverse tentoonstellingen en publiceerde in tal van literaire tijdschriften: Amarant, Aurora, Hartslag, NVT, Vlaanderen, Yang en ook in Poëziekrant, met name een essay over de poëzie van Hendrik Carette. Luc, geboren in 1950, was 18 jaar in 1968, de perfecte maar ook gevaarlijke leeftijd om de grote Europese Culturele Revolutie te ondergaan.

Hij heeft die Revolutie ook als dichter verwerkt.
Zijn eerste gedichtenbundel Dachau-Blues, verscheen in 1971. Zelf typeerde hij deze bundel als ‘De Taalloze Wereld van de Bewustzijns-verruiming’. Fredi Smekens schreef: ‘dachau-blues’ is een woordenboek. De dichter omschrijft niet, onderstreept nog minder maar verlaat zich telkens weer op de trefzekerheid van zijn samenstellingen. Thematiek en woordgebruik vormen een sluitend geheel. De gedichten van Luk Deleu geven het woord een kans in de taalloze wereld van de bewustzijns-verruiming.’

Uit deze debuutbundel citeer ik het gedicht ‘Voorbij een ijsprelude’ dat de stelling van Smekens illustreert.

hij voorbij een ijsprelude sterft,
voorbij een bloedsmaak uiterst scheurbare huid.

van geen tel geen taal zijn wik
want woord na woord
de bijslaap kwetst het wederzijds ontkomen.

zijn antwoord,
aan winterspel overgeleverd
opgevouwd met een landtafereel
in ijs en nerts.

hij is de zwakstroom,
het tegenland,
hij draagt rond de hals
het spoor van droge wonden.

Vijf jaar later verscheen Europese gedichten, zijn tweede bundel. Het Europa van Deleu was, zoals hijzelf aangaf:
‘De Utopische Vrijstaat Europa’. Veel illusies over Europa had hij niet, ook later niet. Het zijn qua stijl en taalgebruik vrij eenvoudige gedichten, maar vol bijzonder mooie beelden en metaforen. Enkele staaltjes daarvan:

De luchtbrug was een draad
tussen twee uiterlijke werelden
en de man sloop als een spin
tussen hun mazen door.
- - -
Ik keek
hoe het luchtkasteel
naar beneden stuikte
als een monnik
tussen de mazen
van de hel.
- - -
De wolken zeilden weg
als drie religieuze
duiven
uit de toverhoed
van een misantroop.
- - -
Europa is een kulturele bloem
aan de binnenzijde van een jurk,
Je moet Europa
met je verbeelding
bevloeien.

En uit de suite ‘Liefde bedrijven in Europa’:

Tientje lachte me toe
als een kleurpotlood.
Just
for fun.

De laatste regels van deze bundel zijn typerend en hier toepasselijk:
Finir en beauté
Dit laatste sprak i uit
met de nonchalance
van een polyglot.

Polyglot was Luc ook. Hij bereisde vooral het Oosten. Dat kwam mede door zijn belangstelling voor het boeddhisme. Het boeddhisme is, zoals u weet, geen godsdienst maar een levensfilosofie, een vreedzame gemeenschapsleer. Een wijsbegeerte die onthechting predikt en voor Luc een steun is geweest.
Hij had ook contacten met een vereniging van boeddhisten in België, maar hij vond dat zij te veel aan uiterlijkheden hechtte en te weinig aan de beleving.

Zijn derde en helaas laatste bundel verscheen in 1987 onder de bevreemdende titel De Vrolijke Voorsmaak Van Het Niets.
Een motto is ontleend aan Elias Canetti, een van zijn lievelingsauteurs.
Ik citeer:
‘Tot de belangrijkste dingen die zich in iemand
voorbereiden, behoren uitgestelde ontmoetingen.
Het kan daarbij om mensen en om plaatsen gaan,
zowel om schilderijen als om boeken.’
Dat motto wordt onmiddellijk gevolgd door de opdracht: ‘Aan Ode’.
ODE, gespeld als het synoniem van een lofdicht.
Overigens opent de bundel niet met een ode maar met deze Etude:

De gebarsten
kruik
op de linker
tafelhoek
bevindt zich
welgeteld
op drie
boterhammen
afstand
van dit
nieuw
gedicht.

Dit is een mooi nieuw-realistisch gedicht, één van de beste die in dit genre geschreven zijn. Enkele andere gedichten zijn niet vrij van enig sarcasme, zoals het titelgedicht ‘De vrolijke voorsmaak van het niets’:

Het vriest dat ik kraak.
Het sneeuwt mij dicht.

De kans op overleven
neemt zichtbaar af.

Misschien
overkomt u wel iets.

En bij deze droevige gelegenheid is wel heel passend het gedicht ‘The long good-bye’

Je dood
was
je binnenpretje

Je dreef af
als
een doodzieke schuit,

verdwaald
in een zee
van tijd.

Er is ook nog een ‘Epitaaf’:

Je lichaam
is
je eigen graf.

Soms
lijken
we
op lijken.

‘Men verbeeldt zich nooit een mens, men kan zich enkel een mens herinneren’ schreef Paul Snoek’.
Luc is verast. Zijn as wordt, zoals hij dat wenste, op zee uitgestrooid.

illusieloos.

Zijn lichaam verdwijnt, spoorloos, spoorloos, in de kosmos waaruit het is ontstaan. Maar zijn geest laat sporen na in de poëzie / in ons brein / en in ons hart.


© Renaat Ramon



zaterdag 16 februari 2019

Melancholie - Jan van meenen

i.m. Sint-Jozefscollege/Tielt

Leegte vult de gangen, mossponsjes houden
muren bijeen, wat tranend ademt in de voegen nog.

Diepgroen ranonkelt zich om wat hier ligt
voorbij te wezen, wat opspat van de vloer
Noem het melancholie, terugwillen van tijd.

Stenen steunen tegen beter weten,
licht vreet mortelspijs, vocht splijt muren.

Er is geen zekerheid, geen duren.


© Jan van meenen


Voorpublicatie uit 'De zee is een zij' van Jan van meenen die op zaterdag 23/2/2019 wordt voorgesteld in de Bib van Harelbeke.
Meer info via deze Digtherbladzijde.


vrijdag 15 februari 2019

Poëzie (zakelijk bekeken) - Jan van meenen

Zo’n boekje heb je toch wel erg snel uit, sneerde hij.

Hij hield niet van zuinige zinnen, mijn vader,
zelf kleurde hij het graag prozaïsch bont,

wist helemaal geen raad met woorden die dingen zeggen
zonder ze te noemen.

We liepen samen door de herfst, hij achteloos resoluut,
ik haperend in het wijnrood van de bomen.

En wat verdien je daar nou eigenlijk aan, vroeg hij me
vijftig stappen later fronsend, …
Veel erger kon me dat moment niet overkomen.

Ik zweeg ontzet, hij nam alweer het voortouw met
gestrekte pas, tussen de ruige stoppels
waar het koren was.

Een beeld dat ik sindsdien van hem bewaarde:
hij vlijmend ploeg, ik de gewonde aarde.


© Jan van meenen


Voorpublicatie uit 'De zee is een zij' van Jan van meenen die op zaterdag 23/2/2019 wordt voorgesteld in de Bib van Harelbeke.
Meer info via deze Digtherbladzijde.


donderdag 14 februari 2019

Strandloper - Jan van meenen

Hij kent haar drift en daagt haar lieflijk uit,
trippelt voorlangs een beetje schamper kijkend.

Zij schuifelt als verlegen naar hem toe,
hij haast zich amper weg, versnelt even zijn tred,
als vreesde hij voor natte voeten.

Wie speelt met wie? Ach, zie hoe hij haar
tippelend maar nauwelijks ontwijkt, zich bijna
laat bereiken.

Hij spreekt haar toe in spijkerschrift,
verleidt: een mooiprater.

Wie speelt? Hij schrijft. Zij veegt het uit
met al haar overvloed aan water.


© Jan van meenen


Voorpublicatie uit 'De zee is een zij' van Jan van meenen die op zaterdag 23/2/2019 wordt voorgesteld in de Bib van Harelbeke.
Meer info via deze Digtherbladzijde.


woensdag 13 februari 2019

Del - Jan van meenen

‘Schuifelend golven, zachtjes snevend.


Zeereep, del waarin achtergebleven
billenafdrukken van moeders, golven
slijpsel waar de zee in verzandt.

Zegge, akkermelkdistel,
de heupzwaai van helmgras,
niets in het verschiet,

dan tussen duin en water, wij, in het af en toe
van een zuchtje zee, waarop meeuwen gelukzalig
lanterfanten, twijfelen tussen blijven of niet.


© Jan van meenen


Voorpublicatie uit 'De zee is een zij' van Jan van meenen die op zaterdag 23/2/2019 wordt voorgesteld in de Bib van Harelbeke.
Meer info via deze Digtherbladzijde.

* “Del” staat hier (uiteraard) voor de betekenis “duinpan”