donderdag 9 april 2020

Maandelijks - Miel Vanstreels

Een halve eeuw later
discuteren we
in dezelfde kroegen
nog altijd
over dezelfde vragen

want we zijn wel ouder
maar niet veel wijzer
geworden

en als iemand zich
na vijf of zes rondjes
tripel-zeker
aan hét antwoord
waagt

is er altijd wel iemand
die redelijk nuchter
om de rekening
vraagt


© Miel Vanstreels


dinsdag 7 april 2020

Binnenschippers met droeve ogen - Herlinda Vekemans

Er waren er die vooral met vlag en wimpel, naam en staat van hun schuit begaan waren
die meenden dat velen hun scheepje hoog en voornaam achtten
en er vanzelfsprekend vanuit gingen dat de kanalen altijd zouden blijven bestaan
dat sluizen en kanalen op de keper beschouwd hun eigendom waren
en die volhielden dat zij het wisten:
dat alle kanalen in de zee uitmonden

Er waren er ook die met hun te grote boten de kanalen wilden forceren
die met hun kielen in de modder vast kwamen te zitten en hun schuiten moesten verlaten
Er waren er zelfs die hun vaartuig ook op plaatsen zonder water voort probeerden te slepen
in de overtuiging dat zij het waren die zo nieuwe kanalen maakten

Slechts enkelen bleven traag en voorzichtig varen
hun droeve ogen voor ieders blik teneergeslagen
zowel het land als de zee voor hun schuiten
onbereikbaar


© Herlinda Vekemans


Uit het typoscript in wording ‘Appelblauwzeegroen’ van Digther-redactielid Herlinda Vekemans
Thuissite Herlinda Vekemans


zondag 5 april 2020

Aan tafel - Anne Verbanck

Met de tafel als drijfhout tussen ons in
als drenkelingen aangewezen op elkaar
dobberen we zonder houvast
gehavend in een oceaan van pijn
met je baard lijk jij een bebost stuk land
mij zo vreemd vertrouwd

zijn we ooit geliefden geweest
elkaars haven om op adem te komen
als we averij opliepen op zee
onze sappen vermengd tot een
toverformule voor onze innige omhelzingen
elke centimeter afstand was er een te veel

nu zijn we schiereilanden
gescheiden van elkaar door
een zee-engte als een buffer
tussen onze botsende belangen
schots en scheve ijsblokken op drift
weg van elkaar in dit ijstijdperk

als ik een reddingssloepje laat
uitvaren naar jou met een SOS wimpel
waar ik mijn excuses dwars overheen schrijf
red je me dan met jouw liefdeswoordjes
waarmee ik nog elke nacht in slaap val


© Anne Verbanck


zaterdag 4 april 2020

Altijd al thuis - Anne Verbanck

Altijd al heb ik me
thuis gevoeld bij woorden en
hun verbeeldingswereld
meer dan in het echte leven
dat mij de adem afsnijdt

ik kan niet anders dan
me terugtrekken uit lijfbehoud
de schrilheid van stemmen
en de hardheid van harten jagen
me mijn geheime kamer in.

gewichtloos hang ik daar
als een vleermuis genietend
van het duister fladder ik er rond.
de tijd slaat met mij op hol
ik laat me op sleeptouw nemen.


© Anne Verbanck


vrijdag 3 april 2020

Als beken die zich verenigen tot een stroom

Frank Decerf sprak met Jean-Paul Rosenberg winnaar van de PPO 2019-2020

Naar aanleiding van de Poëzieprijs van de stad Oostende, ging Frank Decerf, jurylid, in gesprek met de winnaar. Ook voor de 13 de editie gebeurde dat. Hieronder het resultaat van een interessante confrontatie met de laureaat Jean-Paul Rosenberg die eerder ook de Turing-prijs won.

Jean-Paul eerst en vooral proficiat met je winnend gedicht De winterzwemmer dat overal in de stad Oostende te zien en te lezen is. Waarom deed je mee aan de Poëzieprijs van de stad Oostende?

De Poëzieprijs van de stad Oostende staat binnen ons taalgebied bekend als een literaire prijs van gewicht. Er is een omvangrijk en sterk deelnemersveld en het leek me een mooie uitdaging om te zien hoe ver ik kon komen. Bij de editie 2011-2012 kreeg ik tot mijn verrassing een eervolle vermelding en in 2020 won ik tot mijn nog grotere verrassing de eerste prijs.

Kende je de stad Oostende al?

Eigenlijk alleen uit de boeken en de verhalen. Mijn vrouw was er als kind te gast in de zomer en mijn ouders vierden er hun huwelijksreis. Zelf was ik er echter nog nooit geweest. Inmiddels is daar gelukkig verandering in gekomen.

Hoe, waarom en wanneer zette je de eerste stappen in de literaire wereld? Waarom ben je beginnen schrijven?

Schrijven doe ik al sinds mijn tienerjaren, maar mijn eerste stappen in de literaire wereld zette ik zo’n tien jaar terug, met mijn gelijktijdig debuut in de tijdschriften Tzum en Meander. Kennelijk was mijn werk toen pas voldoende rijp was voor lezing buiten de eigen kring.

Kun je ons vertellen waarmee je nu bezig bent?

Als redacteur ben ik voornamelijk bezig met het samenstellen en publiceren van literaire bloemlezingen over Nederlandse steden, streken en provincies. Als dichter werk ik aan nieuwe poëzie, maar tegelijkertijd ook aan een bundel met gedichten van de afgelopen twee/drie jaar. Daarnaast ben ik actief in projecten op het grensvlak van poëzie en andere kunstvormen, zoals film, fotografie en muziek.

Je bent dus blijkbaar op vele vlakken actief. Mag ik je vragen wie je grote voorbeelden zijn/waren uit de hedendaagse literatuur en waarom?

Mijn grote voorbeelden en inspiratoren zijn te vinden in de volle breedte van het 
twintigste en eenentwintigste-eeuwse literaire landschap van Nederland, Vlaanderen en buiten ons taalgebied. Spirituele, observerende en experimentele dichters buitelen in mijn boekenkast door en over elkaar heen. Om er een paar te noemen: Lucebert, Paul van Ostaijen, Martinus Nijhoff, Menno Wigman, Delphine Lecompte, Sylvie Marie, Alfred Schaffer, J.A. Deelder, Ida Gerhardt, Hugo Claus, Pierre Kemp, Rutger Kopland, Ben Lerner, Wislawa Szymbosrka, Seamus Heaney, Pablo Neruda en ga zo maar verder. Stuk voor stuk betreft het mensen die van de taal iets magisch maken.

Ik begrijp wat je bedoelt. Wat publiceerde je tot op heden? Waar?

Tot op heden publiceerde ik poëzie in de bloemlezing Nog een lente, twee edities van de Bekroonde werken uit de tweejaarlijkse Poëziewedstrijd van de stad Oostende en vier van De honderd beste gedichten uit de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, die ik in 2018 won. Ook verschenen mijn gedichten in literaire tijdschriften als Deus Ex Machina, Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Tzum, Nynade, Meander, De Schaal van Digther, Contrabas, Ei, Re:pre-sent, Op ruwe planken en Krakatau.

Heb je een voorkeur voor een of ander genre of is dat niet relevant?

Voor mij is dat zonder meer de poëzie. In de Oudheid was er een scribent die de stelling poneerde dat wat hij ook schreef uiteindelijk altijd alleen maar een vers kon zijn. Bij die gedachte sluit ik mij volmondig aan.

Als het op het schrijven komt ben je dus dichter pur sang. Heb je nog andere artistieke talenten?

Talenten vind ik moeilijk te zeggen, maar ik heb veel interesse in visuele kunsten, theater en muziek. Op eigen kompas, maar ook met intrinsieke beoefenaars van deze genres heb ik inmiddels de nodige experimenten tot stand mogen brengen. Projecten, overigens, waarvan de poëzie steevast een wezenlijk bestanddeel vormt.

Wat zou je nog graag willen schrijven?

Naast individuele gedichten zou ik nog wel eens aan een lange, thematische cyclus willen bouwen, bij voorkeur rondom een relatief los en open uitgangspunt. Ik heb al wel ideeën hierover, maar de uitwerking nog niet paraat.

Heb je tijdens het schrijven een bepaalde routine? Een bepaalde dagindeling? Hoe ga je te werk?

Mijn schrijfmethodiek volgt een tamelijk gedisciplineerd pad: ik begin losjes met associaties, ideeën en observaties die zich als beken verenigen tot een stroom aan notities rondom een zekere kerngedachte die langzaam uitgroeit tot een gedicht. De tweede fase betreft een streng proces van schrappen en samenvoegen tot er iets ontstaat met enige coherentie en urgentie. Derde en laatste fase is het bijsnijden en afwerken tot een gedicht dat in potentie geschikt is voor publicatie en verzending naar de redactie van een tijdschrift of de jury van een poëziewedstrijd.

Blijft poëzie voor jou een doel op zich?

Voor mij wel. Poëzie vormt een wezenlijk bestanddeel van mijn leven. Het is een kunstvorm die mensen kan raken, inspireren, op nieuwe inzichten brengen, verbinden. Opmerkelijk is dat, hoewel voor velen poëzie in het dagelijks leven iets ‘op afstand’ is, mensen op scharniermomenten in hun leven toch vaak hun heil zoeken bij gedichten. Denk aan ogenblikken die zijn verbonden met dood, huwelijk of geboorte; daar waar het leven zijn cyclische krachten toont. Hieruit moet je dan toch wel concluderen dat poëzie een doel heeft en, zo niet nuttig, dan toch in ieder geval zinvol is.

Welke van je publicaties/gedichten vind jij het best? Waarom?

Moeilijk te zeggen, want alles wat ik schreef vloeit voort uit dezelfde bron en vertelt in essentie dezelfde verhalen. Als ik dan toch moet kiezen, dan zijn het misschien toch de gedichten die binnen het literaire circuit nadrukkelijk succes kenden, zoals Laatste foto van de vrede en De winterzwemmer, juist omdat ze een soort wijdingsproces hebben doorgemaakt en kennelijk voor andere mensen iets betekenen, op zijn minst voor de juryleden die ze bekroonden met een prijs. Voor mij zijn die gedichten ook verbonden met zoete herinneringen aan proclamaties, mooie avonden vol sfeer en poëzie.

Volg je de huidige lichting nieuwe en jonge dichters? Waarom wel/niet? 

Zeker. Ik lees graag recensies, koop vaak bundels, ook van jonge en/of onbekende dichters, en word vaak verrast door de kwaliteit en intensiteit van hun werk. Neem bijvoorbeeld Radna Fabias en Marieke Rijneveld. Puur vuurwerk is dat.

Radna Fabias passeerde ook heel succesvol langs de PPOostende, ze was immers winnares in 2016. Ben je zelf beïnvloed in jouw schrijven?

Absoluut. Door poëzie, maar eveneens door andere kunstvormen, natuur, landschap, historie, mythologie en architectuur. En door alledaagse, terloopse of zelfs banale uitingen van beeld en taal op radio, tv en billboards. Ook die hebben hun plaats en vinden onderdak in mijn verzen.

Men probeert schrijvers altijd wel in een hokje te plaatsen. Pas jij in een of ander literair hokje?

Dat is lastig te zeggen. Mijn werk heeft een spirituele dimensie, maar ook een zeer aardse; is tegelijkertijd traditioneel en experimenteel. Het doet een gooi naar de vitale traditie van het Interbellum, de vlam van de Vijftigers, de implosies van de hermetische traditie en de no-future van de Maximalen. Tegelijkertijd is het ook eigentijds, qua thema en stijl. Misschien moet ik het beantwoorden van deze vraag aan anderen overlaten…

U hebt dat recht natuurlijk. Laten we verder gaan. We leven in woelige tijden, hebben de maatschappelijke evoluties een invloed op jouw werk?

Zonder meer. Mijn gedichten worden bevolkt door allerlei postmoderne personages en dito maatschappelijke onderwerpen.

Wat stoort jou het meest in de literaire wereld?

Eigenlijk niet zoveel. Voor zover ik het kan overzien, gaat het er in het Nederlandse en Vlaamse literaire landschap vrij gemoedelijk aan toe. Soms zijn er polemieken die ‘het literair bedrijf’ geen goed doen. Dan vraag je je af waarom je zou ruzie maken in een wereld die al zo klein en kwetsbaar is. Of boze recensies schrijven: steek liever je energie in het bewieroken van werk dat je de moeite waard vindt, dan in het afbranden van iets dat je minder bevalt. Een beetje meer ambassadeurschap van de letteren richting de rest van de wereld kan geen kwaad, lijkt me. Ook mis ik een beetje de literaire subculturen en bewegingen, zoals die van de Tachtigers, de Vijftigers en zo. Misschien zijn die er trouwens wel maar zijn ze voor mij niet zichtbaar.

Wat mogen wij nog van jou verwachten?

Na het winnen van “Turing” en “Oostende” en publicaties in en aantal tijdschriften denk ik dat een logische volgende stap is om, zoals ik hierboven al meldde, naar een integrale dichtbundel toe te werken en deze gepubliceerd te krijgen. Ook zou ik het leuk vinden om mijn werk vaker voor te dragen. Ik houd van de interactie met publiek en geloof dat een gedicht het best tot zijn recht komt als je het deelt met anderen. Vanuit een soortgelijke saamhorigheidsgedachte hoop ik ook op een wat meer regelmatige samenwerking met kunstenaars uit andere disciplines, met het oogmerk verschillende kunstvormen onder een dak te brengen, voor een gezamenlijk feest ‘voor alle muzen’.

Bedankt Jean-Paul voor deze interessante babbel. Nog veel succes met je literaire carrière en we kijken zeker uit naar je verdere publicaties.



© Frank Decerf



donderdag 2 april 2020

Het boekje van de dichter - Joris Denoo

Joris Denoo - Brugge - Craenenburg - 28/5/2019 (Foto Paul Rigolle)





























"Het boekje van de dichter": Joris Denoo schrijft
de dingen neer. In Craenenburg en elders.

Alle boekjes van de Dichter



woensdag 1 april 2020

Corona - Antoon Van den Braembussche

+

De tijd heeft ons ingehaald.

Ongehoord.
Onzichtbaar.

In neerdwarrelende mist.
Ziekmakende verstuiving.

Corona.
Pneumonia.

Martervlucht voor besmetting.
Hamstergebaar van nooit geziene
Verontrusting.

Onderhuidse angst.

+

“Het ergste moet nog komen”,
zo spreekt de viroloog.

En wij turen,
wij turen wezenloos
naar exponentiële curves.

In onze huizen,
onze cocons vol smetvrees.

Ons oog verdwijnt in de bloedstraal,
het taboe van de aanraking.
De wereldwijde stilstand.
Het mondmasker van het ongeziene.

+

In overvolle ziekenzalen
in luidkeelse bedden
tast de dood in het rond.

Ongenadig.
Longnabij.

De zwaksten dolen.
Terwijl de dagen wegebben
in eenzaamheid.

Want wie ooit eenzaam was
verglijdt snel in ongenaakbaar zwijgen.

Versteend als het virus.
Ongeneeslijk.

+

Corona.
Utopia.

De lucht zuivert zich
in de slagaders van de stad.

Nog nooit was het digitale zozeer
een plek van mededogen.

Nog nooit heerste
in straten en pleinen zozeer
de stilte en het onuitsprekelijke.

Alsof de stilstand ons meer dan ooit
iets onvergetelijks leert:

de herademing in het ogenblik.


© Antoon Van den Braembussche


#DichtersinCoronatijden  #Coronagedicht


Meer gedichten van #DichtersinCoronatijden vind je op de Coronagedichten-site ('Verzamelplaats van gedichten in tijden van Corona').

zaterdag 28 maart 2020

sonnet over het schrijven - Tom Veys

© tekening Tom Veys



























ik wou dat ik goed kon schrijven
als Haruki Murakami met een sierlijke bocht
in elke letter of als Amélie Nothomb
in een eigen wereld ontstaan

Hebreeuws heb ik kort bestudeerd
met letters die soms een symbool verzinnen
Grieks spreekt tot mijn verbeelding en
in Latijn hou ik van de uitgangen

elk woord krijgt een plaats
is een boutade die een zin krijgt
wanneer je het geheel kan zien

afstand en tijd zijn relatief
nu schenk ik er veel aandacht aan
het zijn begrippen die misschien een leven kosten



© Tom Veys



vrijdag 27 maart 2020

Dagboek van een opa - Frank Decerf

Anno 2020

Ja, zo moet het gevoeld hebben;
de vertwijfeling die aan het bot knaagt,
de onzekerheid die achterdochtig maakt
en de radeloosheid steeds dichterbij brengt,
want specialisten verzamelen alle schrikgrafieken.

Ja, zo moet de sfeer geweest zijn;
angstig, onverschillig, simultaan aberrant
en nergens hoop op sleutels die openen,
wel in tegendeel sluiten en afzonderen.
Nergens boodschappen die daden uit woorden halen.

Ja, zo was het toen wellicht. Een kille tijd van afwachten
en door poreuze gordijnen gluren. Deurbellen die staken,
auto’s die verstandig slapen en elke wandelaar als vijand aanzien,
elke passant die in zich draagt het mogelijk gif dat mij gevangen zet .
De profiteurs van de straatstenen, als pauwen weer paraderend.

Dit dagboek getuigt geen heroïsch verzet
maar wel aanvaarding en onderwerping
en de les dat mensen enkel mensen nodig hebben,
zal na de lockdown weer vlug vergeten zijn.
Of niet soms COVID-19….?


© Frank Decerf


#DichtersinCoronatijden  #Coronagedicht

Ook Digther-redacteur Frank Decerf liet zich inspireren door de vreemde impact van deze verwarrende Corona-tijden. Bovenstaand gedicht stond enkele dagen geleden ook op de Coronagedichten-site ('Verzamelplaats van gedichten in tijden van Corona') die ondermeer ook door de Nederlandse Dichter des Vaderlands, Tsead Bruinja, werd opgezet.





donderdag 26 maart 2020

Stadsdichter in een spookstad - Gerard Scharn

lege straten lege pleinen opgebroken
wegen droge fonteinen kapotte tegels
als gebarsten puisten in de kop van jut

eenzaam staat een man op een plankier
het is een dichter uit het dodenrijk

hij roept tot wie het horen wil dat hij
een boodschap heeft maar zijn stem
verdwijnt als in een put zonder echo


© Gerard Scharn


#DichtersinCoronatijden   #Coronagedicht


Meer 'Coronagedichten' vind je op de site: Coronagedicht.nl 





woensdag 25 maart 2020

dichter ten tijde van corona - Gerard Scharn

een bloemist heeft alleen nog kransen
in zijn winkel staan twaalf wachtenden
in een rij er hangt een doodse stilte en een
briefje paars omrand graag gepast contant

in de lucht een kleiduif moederziel alleen
geen vliegtuig trekt zijn streep van noord
naar zuid op de hoek wacht een ambulance


© Gerard Scharn


#DichtersinCoronatijden   #Coronagedicht


Meer 'Coronagedichten' vind je op de site: Coronagedicht.nl 


dinsdag 24 maart 2020

Op de eerste rij wanneer het melancholie betreft

Alain Delmotte over HiEr, de nieuwe dichtbundel van Hugo Verstraeten

1.

Hugo Verstraeten (1954) is zowel schilder als literator. Als literator schrijft hij verhalen en sporadisch filosofisch getinte essays die voorlopig nog niet in boekvorm zijn verschenen. Hij lijkt me vooral een dichter te zijn. Weliswaar van de spaarzame soort. Hier en daar vinden we de schilder in zijn poëzie terug. In de laatste bundel lezen we gedichten
die op schilderwerken zijn geïnspireerd: Magritte, Da Vinci (en tussen de lijnen wellicht nog meer). De schilder herkennen we ook in de landschappen die hij in zijn gedichten oproept.

Hij publiceerde tot nog toe drie bundels: ‘Er zijn geen koningen meer’ (1994), ‘Verzamelde gezichten’ (1997) en recent, tweeëntwintig jaar later, ‘HiEr’. Op zich vertellen de twee eerste titels zowel een levensverhaal als het verhaal van een poëtische ontwikkeling.

Dat hij in zijn eerste publicatie vaststelt dat er geen koningen meer zijn, is een goede zaak voor zijn poëzie geweest. Dat sorteert een effect van loutering. Een narcistisch getint ‘ik’(altijd een groot gevaar in poëzie) ondergaat een ontnuchterende gedaanteverwisseling. In het titelgedicht lezen we: we weten niet wie we zijn -/we hebben dit nooit geweten. De dichter wordt hiermee om het even wie, iemand uit de zovelen, gelijkwaardig aan zovelen. De dichter heeft zich in zekere zin ‘gedemocratiseerd’ – zijn republiek is nu deze van de onwetendheid. Montaigne’s Que sais-je.

De titel van de tweede bundel ‘Verzamelde gezichten’ komt eerder woordspelig over, maar is in essentie niet vrijblijvend of triviaal. We kunnen er vele kanten mee uit. Voor de hand liggend lees ik in die ‘gezichten‘ het woord ‘gedichten’ af. En daarmee vermoed ik een verband met ‘l’épiphanie du visage’ van de filosoof Emmanuel Levinas. ‘Van het gelaat van de medemens gaat een ethisch appel uit’, is de wijsgerige kern van Levinas’ stelling. Oog in oog met de Ander, ongeveinsd gelijkwaardig aan de Ander. Er is geen andere uitweg. We lezen in de titelcyclus: ik sta in de morgen/als in een gezicht/met ogen. Mij lijkt het dus dat ‘gedicht’ zeker als metafoor (of als een allegorie) voor ‘het gezicht’ kan staan. Het gedicht wordt hierdoor meer dan tekst alleen. Het impliceert een gebaar: de taal van het gedicht wil ontmoeting genereren. Het gedicht wil iets aanreiken: het wil in dialoog gaan. Wat het spreekt is menselijke taal. Het richt zijn gezicht naar de Ander die, in dit geval, een lezer is. Ik schrijf wel degelijk ‘een lezer’, niet ‘de lezer’. ‘De lezer’ bestaat niet, die term is een veralgemening, is onpersoonlijk. ‘Een lezer’ is een individu dat kan staan voor vele lezers, tot iedereen die het gedicht leest, tot iedereen tot wie het gedicht zich richt.

Om misverstanden te voorkomen: dat dialogische impliceert niet dat de dichter de lezer naar de mond wil praten. Verstraeten is niet iemand die met zijn poëzie wil behagen, plezieren, verleiden. Hij biedt ons geen gemakkelijk te consumeren poëzie aan. Hij spaart de lezer niet. In ‘Hier’ staat een gedicht - ‘Vragenlijst’ genaamd - die de lezer scherpe vragen stelt: ‘Hoort u oms dingen die anderen niet horen?/ Ziet u dingen die anderen niet zien?// Zo ja, ga dan naar het volgend vers./ Zo neen, verlaat dan het gedicht.’ De dialoog die tot stand moet komen is er één tegen heug en meug. Het is er één in volle nooddruft. In het sterke gedicht ‘Schrijf me’ in dezelfde bundel wordt de spankracht die deze nooddruft bloot legt pregnant en hoogdringend weergegeven.

Het opvallende bij die twee eerste bundels is dat ze uitdrukkelijk gesitueerd worden met een plaats en een tijdstip. Dat wordt telkens expliciet weergegeven bovenaan het gedicht, de titel van het gedicht wordt precies secundair. Alsof de dag en het uur belangrijker is dan de titel van het gedicht – of het gedicht zelf: het gedicht werd nadrukkelijk op die plek (heel vaak dezelfde) en op een heel specifieke, niet te herhalen dag geschreven. Het gedicht draagt in zich de herinnering aan een ‘hier en nu’.

In de nieuwste bundel ‘Hier’ (typografisch als ‘HiEr’ vormgegeven) vallen die expliciete situeringen en tijdstippen weg. Verstraeten schrijft in zijn nawoord dat het woord ‘hier’ o.a. ook als het Franse woord ‘hier’ (gisteren) kan gelezen worden. Kortom: plaats en tijd vallen in het woord ‘hier’ samen. Waardoor het hier ‘een daar’ (Baudelaire had het over ‘…là-bas, là-bas…’) en het nu ‘een toen’ wordt. Wat er van die plaats en die tijd, van dat ‘hier’ overblijft zijn de woorden, de artefacten, de sporen in het gedicht. (‘Het spoor’ is een term die we rijkelijk in ‘Hier’ zullen aantreffen). Het ‘hier’ staat voor - zoals Verstraeten het zelf aangeeft in het laatste gedicht ‘Als ik aan doodgaan denk’ (en hij herhaalt in zijn nawoord): een kort verblijf in het onbestaande. De titel draagt in zich dus nogal wat ‘aardlagen’’ en ‘hinderlagen’. Vandaar wellicht wellicht de eigenreide typografische vormgeving van de titel: “HiEr’.

In zijn drie bundels komt het tijdsgegeven bijna obsessief terug. In de twee eerste bundels hadden de gedichten zoiets als een dagboek-gehalte. Dit lijkt in ‘Hier’ op het eerste gezicht niet het geval. Maar Verstraeten blijft een weg van gedicht tot gedicht gaan, dag na dag, jaar na jaar. Paul Rigolle in zijn inleiding bij de bundel, noteert dat de 54 gedichten in deze bundel ‘chronologisch naar hun ontstaan gerangschikt zijn.’ Dus toch nog iets van een dagboek? Hugo Verstraeten bouwt zijn bundels niet op in thematisch of formeel gelijklopende cycli. Natuurlijk komen dezelfde motieven wel weer naar boven: de compositie van de bundel steekt in de subtiele herhaling en/of variaties van die motieven en/of woordvelden (ik kom er straks op terug). ‘Hier’ vormt wel degelijk een coherent geheel.

In diezelfde inleiding citeert Rigolle iets uit een interview met Verstraeten wat ons wel wat over diens visie op poëzie vertelt: ‘Schrijven is een proces van betekenisverlening. Dit proces is nooit af en ligt nooit vast’. Er staat ‘schrijven’, maar had er ook niet ‘lezen’ kunnen staan? Naar mijn mening is het lezen van poëzie trouwens een vorm van schrijven. De lezer schrijft - bij het lezen - het gedicht mee door het gedicht betekenis te ‘verlenen’: slechts op die manier kan er m.i. tussen gedicht en lezer een dialoog ontstaan.

Laten we evenwel wat stilstaan bij het woord ‘betekenisverlening’. Ik kende het woord niet en meende eerst ‘betekenisverlenging’ te lezen – wat het ook had kunnen zijn. Ik vermoedde een neologisme: het staat immers niet in de Van Dale-uitgave waarover ik beschik. Even naar google en daar vond ik het als volgt beschreven: ‘Met betekenisgeving bedoelt men het geven van een betekenis aan informatie die via de zintuigen de hersenen binnenkomt. Hierbij is het belangrijk om verder te kijken dan alleen hetgeen wordt waargenomen, ofwel verder kijken dan 'het feitelijke'. Prikkels worden waargenomen door onze zintuigen en vervolgens gefilterd in de hersenen. Daarna start er een proces van 'betekenisverlening'. Men gaat dus bedenken wat de prikkel kan betekenen.’ Ik herken hier duidelijk elementen van het leesproces. En het schrijfproces dan? Wel, schrijven ervaar ik immers ook als een zoektocht naar betekenissen: het gedicht is niet altijd wat de dichter er rationeel mee wou uitdrukken: de zintuigelijke ervaringen hebben ook hun deel. Het gegeven taal is immers complex en bij momenten vervreemdend: bij het schrijven lijkt het er soms op dat in een soort extase (de laagste trap ervan) de woorden het van de dichter overnemen – het woord gaat eigen meerduidige wegen: de dichter voelt zich gedwongen om die te volgen. Een weg die leidt naar een geheel van betekenissen die de dichter zelf zal moeten exploreren. En hiermee wordt het bevestigd: schrijven en lezen is inderdaad ‘een kort verblijf in het onbestaande’.

2.

Slak

De piano herinnert zich
Hindemith. Het huis een woord
waarin ik niet meer woon.

Haar kleren zilverspoor
naar de naaktheid waarachter
zij zich verbergt

Verte staart langzaam in
de ogen. De spiegel luistert
naar de vuistslag van zwijgen.

De piano onder alle dingen
weer ding. De tijd vergist zich.
Uren zijn stenen waaraan

wij ons stoten.


Dit is het openingsgedicht uit de bundel ‘Hier’. De eerste vraag die ik me stelde bij dit gedicht was waarom dit gedicht de titel ‘slak’ meekreeg? De woorden ‘huis’ (slakkenhuis), ‘naakt’(- slak) en ‘zilverspoor’ leken me voor de hand liggende verwijzingen naar het sympathieke beestje genaamd ‘slak’. Pas later drong het tot me door dat er zich een slakkenhuis in het binnenoor bevindt en een cruciaal element vormt voor het functioneren van ons gehoor. (Gehoor - oor, oor-sprong - is een subtiel terugkerend gegeven in deze gedichten. Een dialoog impliceert luisteren.)

Het weekdier en het innerlijk orgaan worden talig uitgespeeld. Verder zoekwerk bracht me tot bij een gedicht van Stefan Hertmans: het titelgedicht van de bundel ‘Muziek voor de overtocht’, dat over Paul Hindemith gaat en waarin ‘de slak’ voortdurend wordt geëvoceerd. Hertmans noteert: ‘De drie sonates voor piano/lijken wel helemaal in de/’tijdmaat van een zeer langzame mars/geschreven’. Een verwijzing naar de trage manier waarop een slak zich voortbeweegt? Later in het gedicht wordt die mars een ‘marche funèbre’ genoemd. Nog een opvallende gelijkenis is volgende regel: ‘ideologie is niet het cultiveren/van het slijmspoor op de steen’, de steen die we in het gedicht ‘Slak’ in de voorlaatste regel van Verstraetens gedicht terugvinden. Bij zowel Hertmans en Verstraeten is er sprake van de ‘spiegel’.

Wat ik hiermee wil bewijzen? Wel ik deed hier even een proeve van ‘betekenisverlening’. Voor mij is trouwens de betekenis van het gedicht nooit definitief en nooit precies. Ik ging hier in dialoog met het gedicht. Of Hugo Verstraeten bekend is met het gedicht van Hertmans en er op zijn beurt er intertekstueel mee in dialoog is gegaan, weet ik niet. Het is ook niet belangrijk want het zijn twee verschillende gedichten. Het zou best kunnen dat beide dichters gewoon op dezelfde manier naar Hindemith luisteren. En ik moet toegeven dat ik met de muziek van Hindemith niet vertrouwd ben – dus mis ik misschien een link waarover Hertmans en Verstraeten wel beschikken en waaruit bijvoorbeeld het verband tussen de slak en deze muziek verklaard kan worden. Ik vermoed dat binnen een bepaalde piano-compositie van Hindemith iets van een bewegende slak wordt opgeroepen. Maar dat is dus hypothetisch.

Er is echter meer: het gedicht ‘Slak’ biedt ons allerlei invalswegen op de bundel in zijn geheel. We vinden er een paar centrale woorden en motieven in terug die binnen de bundel zijn geïntegreerd. De tijd, het huis (de kamers, de vensters), de woorden, de verte (de vergezichten), de ogen (waaraan uiteraard de begrippen ‘kijken’ en ‘zien’ kunnen gekoppeld worden), de spiegel, de dingen, de stenen. Een woord ontbreekt dat verder een belangrijke rol zal spelen: het woord ‘beeld’. (Er zijn er nog: het woord ‘sneeuw’ bijvoorbeeld. Maar ik beperk me.) Laten we even en aan de oppervlakte het ‘slakkenspoor’ van genoemde woorden volgen.

Het gegeven ‘tijd’(tijd die zoals gezegd met een plek verbonden wordt: ’plaatsbepaling van tijd is de schrijver./Is schrijven’) kennen we al uit de vorige bundels. Alleen komt die nu wel scherper uit de hoek, de tijd ‘likt weg’, het wordt urgenter, het einde loert, er wordt aan de dood gedacht. De dichters zijn: ‘boekhouders/van wat herinneringen, verzamelaars van hiaten’. Enkele gedichten evoceren herinneringen en de hiaten in die herinneringen: de vader, de moeder, een kalverliefde, jongensdromen, vakantieplekken, portretteringen, mislukte ambities, verlangens en zo meer: ze vormen een kluwen en een confusie. Van die ‘verwarring’ aan herinneringen wil de dichter ‘beelden’ capteren en bestendigen. ‘We zijn wat we achterlaten. Altijd/ een masker, altijd een spoor. Altijd/ Een begin van verwarring’. Dat capteren van een beeld heeft met ‘steen’ te maken: ‘De tijd is een steen’. Of elders: ‘Zoals elk beeld/in steen wil verdwijnen//en dan blijft’ of ‘beeld dat/zich weg hakt in marmer’. Dit reflecteren over de tijd en het beeld zorgt ervoor dat er in de bundel onderhuids iets elegisch klinkt. ‘(…) In het testament van de stenen/het heimwee erven.’ Verstraeten vinden we wel eens op ‘op de eerste rij wanneer het melancholie’ betreft. (De laatst geciteerde versregel haal ik uit gedicht ‘Naar Auschwitz willen’ en is uit zijn context gelicht. Het klinkt in werkelijkheid wranger dan het lijkt. Het is geen ironie.)

Omwille van dat ‘reflecteren’ hebben deze gedichten een introspectief karakter. De dichter kijkt wel eens in de spiegel: ‘Onderzoek op dit gezicht hoe oud/worden kan en of doodgaan/misschien enkel een mogelijkheid is’. Daarom wordt er van de spiegel in een ander gedicht weggekeken: de confrontatie wordt vermeden. Of het is hem niet altijd even duidelijk wat in de spiegel te zien is.

De dichter peilt in zichzelf zoals bijvoorbeeld in het gedicht H.V. (waarin we de initialen van de dichter herkennen). In andere gedichten mondt dit peilen soms op een eindpunt uit ‘(…) Er was geen weg, er was/geen doel. Hij hield enkel een richting aan/in het peilloze.

We vinden elementen van het huis (en de woordvelden die erbij horen) met regelmaat verspreid terug. Een huis bestaat uit muren, waarin de diepste intimiteit zich verborgen en stilzwijgend weet: ‘Wat muren verbergen, noem dit een huis. Stilleven/van woorden. Doortocht van hartstocht. Wat nagelaten/ berichten op een tafel.’ Is het huis een huis van zijn? Of een huis van wat is geweest en waarvan enkel nagelaten berichten, ‘sporen’ zijn overgebleven? Of is het een doorgangshuis: ‘Al was het nog een rand aan het niets, overgang naar iets/en alles daartussen wat muren verbergen’. Daar is die melancholie weer. ‘Zij huist in de tijd/en verandert van vel

In een huis zijn er ramen, waaien vensters open: wat spelingen tussen binnenkamers en buitenshuis toestaat. En begrippen als ‘in’ en ‘uit’, ‘afstand’ en ‘nabijheid’, ‘inzicht’ en ‘uitzicht’. In het huis bevinden zich ‘dingen’. Ze zijn aanwezig maar ze geven afwezigheid aan. Zo bijvoorbeeld wordt in ‘Slak’ de piano weer ding als ze niet meer wordt bespeeld: in het gehoor liet ze een spoor van klanken na. Zo vinden we heel wat dingen terug die een afwezige aanwezigheid in herinnering brengen, die een beeld hebben achtergelaten, nagelaten: ‘Alles is er nog. In de dingen./Beeld van een tafel, kamer waarin iemand het licht vergat.’ Dingen zwijgen en toch vertellen ze iets: ’zoals regenjassen op een stoel/hun verhaal doen’.

Het uitzicht impliceert een ‘verte’ en het kijken naar die verte: ‘oorsprong om halt in te houden/punt om in te blijven bestaan’. Ook die verten geven van afwezige aanwezigheid blijk, van leegte: ‘Ook te zien is een vrouw en een kind/Zij loopt voorop. Een gat in een landschap/ dat zich met verte vult’.

‘De verte opgerold/in zijn oog’ lezen we. Ik gaf het belang van het ‘oog’ uit de vorige bundels al aan. Kijken en hoe dat gebeurt: ‘Om naar een dorp te kijken. En hoe je dat doet./Met afstand en inzicht van ogen.’ Het geheim van de ogen: ze zien met inzicht het onzichtbare, het onbestaande. ‘Schrijf me//over het beeld van Brancusi waar je altijd naar kijkt/met de ogen dicht.’

Maar tenslotte mogen we niet vergeten dat gedichten met woorden worden geschreven, dat dichters pogen om met woorden te schrijven, te peilen, uit te beelden. We ontwaren hier het metapoëtische niveau van deze bundel. Woorden worden gekarakteriseerd. Ze zijn vluchtig:
Hugo Verstraeten, 2020
Woorden raakten/op je lippen zoek’. Er wordt getracht ze ontgrendelen. Om ze meer betekenis te ‘verlenen’. Hun betekenis te verlengen? In ieder geval: de dichter ‘haalt (…) oude woorden/open’. En die oude woorden rijten wonden open zoals in het al genoemde gedicht H.V.: ‘Hij blijft nooit langer dan/een woord zich vergeet in/een ander woord. Schrijft veel/rood door het bloed om/het nooit meer te stelpen-// schrijft de etter in de woorden/en houdt de wonden/open’. Dat ‘De mond schopt naar woorden’ verklaart het stamelen, ‘Woorden die je enkel kan stamelen’, ‘Een oorlog van zinnen’. Verstraeten is zich bewust dat woorden nooit volstaan en daarom nooit voldoen, dat er blinde vlekken in de woorden huizen: ze zitten nokvol zwijgen. Hij komt tot de volgende conclusie, tot de kern van de woorden en het schrijven‘(…) zich neerschrijvend, wit op wit,//een onbeschreven stilte’.

Nee, ik heb hier helemaal niet geprobeerd om de bundel te ontsluiten. Ik heb hem enkel even verkend. Ik gaf aan wat ik meen gelezen te hebben, hoe ik deze publicatie heb ervaren. Ik heb vooral geparafraseerd. Uiteindelijk hoop ik dat het de lezer dezes duidelijk zal zijn dat ‘Hier’ een erg gelaagde bundel is: doordacht, doorlucht, doorleefd. In vergelijking met zijn vorige bundels is het vakmanschap veel groter geworden. Een bundel meer dan de aandacht waard. Verstraeten haalde met brio het beste uit hemzelf. Opdracht volbracht - en het laat een slakkenspoor van heimwee achter.


© Alain Delmotte

HiEr, Hugo Verstraeten, Uitgeverij Partizaan, 2019, 64 pagina's, ISBN 9789492007841


H.V.

Hij meet de leegte uit
En verklaart haar bewoonbaar:

Plaatsbepaling van tijd is de schrijver.
Is het schrijven. Sprong in het gat
Dat hij is.

Hij blijft nooit langer dan
Een woord zich vergeet in
Een ander woord. Schrijft veel
Rood door het bloed om
Het nooit meer te stelpen-

Schrijft de etter in de woorden
En houdt de wonden
Open.


© Hugo Verstraeten

(uit HiEr)




zondag 22 maart 2020

Bijna lente - Astrid Arns

Hoor je, vraagt hij, hoe een tak onder mijn gewicht breekt?
Ik kus wijn van zijn lippen omdat ik geen antwoord wil geven.

Hij schrijft mijn naam op een muur, tot de regen het krijt wegveegt.
Rolt over gras als een deegroller over deeg.

We vermaken ons zonder verstoppertje te spelen,
nemen dit uur mee als een warme steen.
Zonder elkaar aan te kijken breken we uit een pantser,

stappen verder met het late licht in de rug tot waar een uitzicht ons treft
en laten onszelf achter.


zaterdag 21 maart 2020

Yannick Van Puymbroeck wint de Gedichtenwedstrijd

De winnaars van de 11° Gedichtenwedstrijd zijn vandaag bekend gemaakt. Zij zorgden voor, op zijn zachtst gezegd, fel verrassend werk dat dit jaar met de drie hoofdprijzen mag gaan lopen.

Zegt de jury daarover: "We wilden graag verrast
worden en dat gebeurde volop. We zochten naar gedichten die ambitieus waren en gewaagd, gedichten die durfden af te wijken, gedichten die absurd waren, maar niet absurder dan het leven, maar ook naar gedichten die grappig waren, en toegankelijk."
Dichter en theatermaker Yannick Van Puymbroeck uit Gent is met zijn gedicht "De American Supremacy Dream dromende" de grote winnaar.

De tweede en derde prijs gaan naar Jorrit-Pieter Van der heide uit Groningen (met het gedicht "De broer") en Alexander van der Weide uit Amsterdam (met ook alweer een prozaisch aandoend gedicht "Richtlijnen voor de koolstofdioxide-uitstoot tot 2030"). De drie winnende gedichten zijn hier na te lezen en de kleine bekendmakingsceremonie kun je bekijken via dit YouTube-bericht.



Proficiat aan de winnaars! Maar al evenzeer veel gelukwensen aan de andere top100-dichters. Zonder alle andere inzendende deelnemers (er deden 2037 dichters mee, goed voor 6458 gedichten!) te vergeten!

De honderd beste gedichten van De Gedichtenwedstrijd worden gepubliceerd in de bloemlezing Een geluk als nieuwe wijn geschonken – uitgegeven door het Poëziecentrum in Gent. Via het bestelformulier op de Prijs de Poëzie-site kunt u de bundel bestellen à €7,50 per exemplaar (dit bedrag is inclusief portokosten).

Alle info vind je op de site van Prijs de Poëzie - De Gedichtenwedstrijd.
De Turing- en de Gedichtenwedstrijd-de historiek

Het bilan van dit jaar en van deze wedstrijd bewijst zoals meestal het geval met poëziewedstrijden dat een winnaar ook altijd weer moet samenvallen met zijn jury. Wat we, let wel, op zich niet eens erg kunnen vinden.

(P.R.)


Leugens - Astrid Arns

Zij is een sterke vrouw, verdraagt de stenen in haar schoenen
zegt dat een kat soms haar kittens eet en
dat ik eindelijk moet slapen.

Kijk maar, een reus loopt langs het huis in een veel te warme jas.
Hij duwt zijn voeten in de aarde, slaat met een stok op de deur.

Ze strijkt met haar hand het kussen glad,
staart naar een stofwolk die ze vergat op te vegen.
Zwetend tors ik vragen. Verjaag de angsthaas in mijn borst, smoor zijn gekrijs.
Ik klem mij vast aan lakens, de stof als vaandel in mijn vuist.

De kamer bewaart leugens.


© Astrid Arns


vrijdag 20 maart 2020

Kleurenblind - Astrid Arns

Ik dwaal als een oude vrouw op straat,
de tijd heeft me traag en wit gemaakt.
Hoor hoe ergens dichtbij een gesprek zonder einde begint.

Een meisje, opdringerig als een kat, rond iemands benen gevleid
roept mijn naam dwars door het mistig licht.
In gedachten troost ik haar, plooi mij om haar lijf.

Niets is nog helder in de spreidstand van jaren.
Ik dool op dit grondgebied, kleurenblind.

Achter mijn oogleden vindt niets nog zijn schaduw,
ook niet het kind dat om water vraagt.


© Astrid Arns


donderdag 19 maart 2020

O Corona - Hendrik Carette

Al het leed der mensen spruit hieruit voort, dat zij niet rustig in hun kamer kunnen blijven.
Blaise Pascal

Corona is een leenwoord uit het Latijn en In mijn woordenboek
der Latijnsche taal (het is een oud, zeer oud boek van J. Terpstra; in 1858 uitgegeven te Utrecht door C. Van der Post en het is of was ten gebruike der Latijnsche scholen in het Nederduitsch overgebragt) zocht ik naar de betekenis van het Latijnse woord corona. Want dankzij de goede Ouden en ook onze latinist en grote graecus Desiderius Erasmus weten we en beseffen we maar al te goed dat de betekenis en de wortels van vele zo niet al onze woorden een oorsprong vinden in het Latijn en het Grieks.

En ziehier wat dit oude woordenboek mij vertelt:

1) in ’t alg. Iets dat naar een krans gelijkt, een rond, eene aanronding; 
2) eene krans; 
3) de kroon ; 
4) omsingeling , blokkering. 

Vooral deze vierde en laatste verwijzing is hier relevant en belangrijk want door deze hele coronavirus lijken wij wel omsingeld of geblokkeerd door deze wereldwijde catastrofe of calamiteit.

Toch vind ik ook dat we als Europeanen voor onze kerstvakanties veel te ver en te vaak zomaar reizen naar Thailand en Turkije of naar Tibet en Taiwan. Maar wat voor mij veel erger is: Ik kan vandaag niet naar mijn stamkroeg met bovendien ook nog die wel zeer passende en ironische naam Le petit Liberty om aldaar aan een heerlijk kopje koffie te nippen of om gulzig en gretig een groot glas met zwaar schuimend bier te proeven.

En om het nog erger te maken is het vandaag ook nog eens een fris maar mooi lenteweertje. Maar de terrassen van de biertempels en de koffiehuizen zijn alom en allerwegen gesloten door deze epidemie.
Ook in Sluis, Hulst, Eindhoven en Maastricht want ik ben een Heel-Nederlander. Wat moet ik nu dringend en dwingend doen? Ik zal zo lang en zo vaak als mogelijk rustig thuis blijven. En verder leven volgens de raadgeving van het Franse genie Blaise Pascal die zeker geen gewone denker was maar een grote wiskundige, een uitvinder en een zeer vrome katholieke denker (en zeker een geestverwant van onze Ieperse bisschop Jansenius) en een godgeleerde die in zijn beroemde boek met zijn gedachten (Pensées) in de zeventiende eeuw ons de raad gaf om onze kamers of onze cellen (voor de monniken en de gevangenen onder ons!) niet te verlaten zoals in het citaat dat hier boven staat.

© Hendrik Carette