Het heeft wat op zich laten wachten, maar het is er nu toch maar mooi: het lijvige Digther-nummer van de voorbije winter. Paraat voor het nieuwe voorjaar!
Ook nu weer een dubbelnummer vermits het tijdschrift, zoals eerder gemeld, vanaf deze jaargang nog slechts twee nummers voor jou in petto heeft. Maar die heb je er dan wel voor. Dubbel & dik zelfs !
Een greep uit de inhoud van nr 3 & 4 van de 12de jaargang:
- Editoriaal: Is er nog iets op deze aarde te zoeken? - Hugo Verstraeten
- Poëzie van de genomineerden in de voorbije poëzieprijs van Merendree - Sylvie Marie, Mark Roels, Paul Rigolle, Erwin Steyaert en (van Merendree & Turing-winnaar) David Troch.
- Selectie uit de Geelzucht-poëzie, editie 2011 (wielergedichten van Patrick Cornillie, Norbert Debeule, Sylvie Marie, Frank Pollet & Paul Rigolle
- Verder ook poëzie van Joris Iven (Ademzuchten van Gustav aan Alma Mahler), Bert Lema, Richard Foqué (Wat niet kan zijn), Frederik Lucien De Laere (City Memory), Jean-Paul Rosenberg (Soundtrack voor Woekerpolis), Inge Boulonois en ja hoor gedichten van de vraiment verrezen Leopold M. Van den brande (Dialoog).
- in de Wie blogt die blijft-reeks: Arie Altena
- Uit de Toevloed (besprekingen en aanrakingen van bundels van Joris Denoo, Herlinda Vekemans, Piet Brak, Christina Guirlande, Jan De Roek en Martin Carrette)
- Proza van Lucas Hüsgen en Roel Weerheijm
- Recensies over het nieuwste werk van Frans Deschoemaeker ("Onder de barnsteenroute") en Sylvie Marie ("Toen je me ten huwelijk vroeg").
- En als slotakkoord de mooie column van Herlinda Vekemans ("Neem het niet").
Graag nog even zeggen dat het insturen van teksten & Teksten (poëzie, beschouwing en/of ander proza...) altijd en op het even welk ogenblik kan. En dat helemaal Richting Westhoek via: redactie_digther@hotmail.com
Digther 2011/12° jaargang – nummer 1 & 2
Meer info: De schaal van Digther
Thuissite Digther
En misschien, heel misschien moeten we binnenkort ook maar ’s zo'n ding als een facebook-bladzijde over het tijdschrift aanmaken. Tenzij u daar natuurlijk niet echt op zou zitten wachten…
woensdag 22 februari 2012
vrijdag 12 augustus 2011
Digther - Nieuwe stijl!

Het eerste nummer van Digther "nieuwe stijl" is uit. En, al zeggen we het zelf, het ding mag er zijn! Een nieuwe lay-out én een nieuw elan, de Westhoek is er klaar voor! In elk geval oogt de nieuwe Digther heel aardig! Bovendien leest ie zoals een tijdschrift zich laat lezen: Met de kleine beet maar netzogoed mét de hartige hap!
Een greep uit de inhoud:
Editoriaal – Hugo Verstraeten
Nieuwe gedichten van Erwin Vogelezang, Hendrik Carette, P.J. Grootendorst, Frank De Vos, Jo Gisekin, Alain Delmotte, Maarten Embrechts, Noud Renthaven en Wouter Rogiest.
Dubbeltekst: Maarten Wydooghe
Wie blogt die blijft: Laura van
Uit de toevloed: Andere taal (Bert Bevers), In einem atemzug (Lucienne Stassaert), Onzichtbare verbintenissen (diverse auteurs).
Proza van Hugo Verstraeten: Fataal Impact
Recensie Alles moet blijven zoals het nooit is geweest over Benno Barnards 'Krijg nou de lyriek' (Alain Delmotte)
Een gulle, beschroomde waardigheid. Over 'Zie maar' van Sacha Blé (Alain Delmotte)
Het dubbeltalent Henk van Loenen/ Juliën Holtrigter (Inge boulonois)
Recensie over Brak de waterdrager van Lies Van Gasse (Antoon van den Braembussche)
Afgedekt met schotse ruit. Interview met Patrick Cornillie (Paul Rigolle)
Column: Woorden en Verblinding (Herlinda Vekemans)
Digther 2011/12° jaargang – nummer 1 & 2
Meer info: De schaal van Digther
Thuissite Digther
Labels:
Digther-2011/1,
Nieuwe stijl
donderdag 19 mei 2011
Samen met jou
Vanaf de huidige jaargang 2011 verschijnt Digther nog slechts tweemaal per jaar. Wel verandert het uitzicht! Samen met jou kijken we nu al uit naar de nieuwe layout... En naar de inhoud van het nieuwste nummer ook natuurlijk. Antwoord op één en ander: begin juli 2011!
Labels:
Uitzicht
vrijdag 11 februari 2011
Doorkijk in het mangat

In memoriam Danny Decaestecker
(Diksmuide 6 juni 1958 - Beerst 3 oktober 2010)
Een man is een gat in een landschap. Het doet me denken aan het silhouet van Hugo Claus op de markt in Watou. Een uitsparing in staal of beton. De man zelf een doorkijk naar wat achter het afgebeelde ligt. Het niets dat door de aflijning van het beeld even wordt onderbroken: figuur die het tijdelijke afbakent. Zo wandelde Danny Decaestecker tien jaar geleden mijn leven binnen. Omlijnde afwezigheid. Rokersstem, woorden kwamen altijd wat moeilijk. Kon spreken door heel lang te zwijgen. Bij vele projecten de achtergrond zelve. Tot hij op een herfstige nacht in oktober 2010 zelf in die achtergrond verdween. Dwarsligger. Lag altijd dwars. Compromisloos, al denk ik dat het compromisloze minder met ideologie te maken had dan met de nooit stillende conflicten in de verste uithoeken van zijn persoon. Anti – bourgeois. Anti – alles wat met macht te maken had. Dichter. Theaterman. Schrijver. Organisator. Initiatiefnemer. Vakbondsman. Vader. Vriend. Relschopper. Politiek woelwater. Als politiek activist botste hij bijwijlen tegen het ‘Peter – principle’ aan: bereikte daar de grens van wat goed voor hem was. Kon ook daar geen compromissen sluiten en laat dat nu net de regel zijn binnen dit spel om de macht. Herinneringen bestaan uit onvolledige verhalen. Fragmenten die uit een groter geheel zijn gehaald. Zoals op een koude winternacht na een DIGTHERvoorstelling ergens in de barre leegte van onwezenlijke polders. De afwezigen afweziger dan ooit. We keken bij elkaar de ontgoocheling weg. Zetten samenzweerderig de kragen van onze jassen rechtop en verdwenen, ieder in zijn eigen nacht die vol twijfel en zelfspraak stak. We sterkten ons aan de bezwering dat hoe kleiner ons publiek, des te groter ons gelijk moest zijn. We bleven met onze pen in papier kerven. Junkies op zoek naar woorden. Zelfspot. Hij liet er zich graag op betrappen. Misschien is dit wel beschaving: zich in te zetten voor iets waarvan men zelf de relativiteit inziet.
Leven was een spel dat in alle ernst diende gespeeld. Daarom weet ik nog altijd niet of zijn lief in Frankrijk ook werkelijk bestond. Of onderstaand fragment van zijn hand is of niet. Hij liet er het raden naar. Het tekent in elk geval het soort poëzie waar hij van hield: kort, spits, vondig. Ik citeer uit het hoofd:
Er lag vanmorgen
een gedicht op het gras.
Het rijmde.
Ach Danny, ik weet wel: we wenen meestal om onszelf. Met niet eens de troost van tranen. Er zijn mensen die je veel beter kenden dan ik. We waren beiden verschillend. Luisterden naar verschillende stemmen in ons hoofd. Jij met je realiteitszin de werkelijkheid aftastend. Ik met dat hoofd in de wolken. Een man is een gat in een landschap. Wat nam je mee in dat gat? Wat woorden. Veel zwijgen. Wat stenen om onze eigen ruiten in te gooien, wat schouderophalen. Een huis om in te wonen? Een raam om door te kijken? Alles beklijft. Niets gaat over. Het is je kern die in ons achterblijft.
Hugo Verstraeten
Verschenen in Digther 2010-Jrg 11/3-4 – Rubriek Rencontres
Labels:
Digther-2010/3-4
donderdag 10 februari 2011
Digther – 11/3-4 – Inhoud
Editoriaal - Hugo Verstraeten
Berichten
Nieuwjaarswens – Paul Rigolle
Poëzie van Niels Hav, Koen Sneyers, Kate S. Kuipers, Frank De Vos, Piet Brak, Miel Vanstreels, Simon Uyttendaele, Steven Graauwmans, Maarten Embrechts, Bert Lema en Joop Leibbrand.
Wie blogt die blijft: Joris Denoo
Rencontres: In memoriam Dany Decaestecker (Diksmuide 6 juni 1958 – Beerst 3 oktober 2010)
Uit de toevloed: korte recensies over het werk van Katrien Ryserhove, Uitgeverij Demer (“Gewoon Lekker”), Julie Goderis, Nathalie Vilain, Francis De Preter en Geert Verbeke.
Proza: Schafthuyzen van Hugo Verstraeten
Recensie:
De kunst van het tekortschieten – over ‘Studie van de schaduw van Marc Tritsmans (Alain Delmotte)
Interview Bart Vonck over de vertaling F.G. Lorca (Alain Delmotte)
Over ‘De poëzierecensie die niemand ooit zal schrijven’ van Alain Delmotte (Willem Thies)
Overschrijven
Berichten
Nieuwjaarswens – Paul Rigolle
Poëzie van Niels Hav, Koen Sneyers, Kate S. Kuipers, Frank De Vos, Piet Brak, Miel Vanstreels, Simon Uyttendaele, Steven Graauwmans, Maarten Embrechts, Bert Lema en Joop Leibbrand.
Wie blogt die blijft: Joris Denoo
Rencontres: In memoriam Dany Decaestecker (Diksmuide 6 juni 1958 – Beerst 3 oktober 2010)
Uit de toevloed: korte recensies over het werk van Katrien Ryserhove, Uitgeverij Demer (“Gewoon Lekker”), Julie Goderis, Nathalie Vilain, Francis De Preter en Geert Verbeke.
Proza: Schafthuyzen van Hugo Verstraeten
Recensie:
De kunst van het tekortschieten – over ‘Studie van de schaduw van Marc Tritsmans (Alain Delmotte)
Interview Bart Vonck over de vertaling F.G. Lorca (Alain Delmotte)
Over ‘De poëzierecensie die niemand ooit zal schrijven’ van Alain Delmotte (Willem Thies)
Overschrijven
Labels:
Digther-2010/3-4
Uitgegaan
Ben Bang
Big Bang
Ben Michael Jackson
Ben Hur
Ben Hoss
Ben Hut Vergeten
Ben dronken Geweest
Ben Naar Huis Gegaan
Ben de Vlam Gezocht
Ben Als Een Kaars
Uitgegaan
(D.A.C.D.)
(Danny Decaestecker)
Big Bang
Ben Michael Jackson
Ben Hur
Ben Hoss
Ben Hut Vergeten
Ben dronken Geweest
Ben Naar Huis Gegaan
Ben de Vlam Gezocht
Ben Als Een Kaars
Uitgegaan
(D.A.C.D.)
(Danny Decaestecker)
Labels:
Digther-2010/3-4
woensdag 20 oktober 2010
Watermerk - Tien jaar Digther

"Een doorslag van 10 jaar literaire passie"
DIGTHER ontstond als een hersenkronkel van enkele plaatselijke schrijvers en minnaars van de schone letteren, op zoek naar een literair verlengstuk voor hun dromen, angsten en passies. Iedereen moest kunnen lezen, iedereen moest kunnen schrijven,’ klonk het. Het was de bedoeling om beginnend en gevestigd literair talent een forum te geven. Vrij snel ontwikkelde het blad zich tot een tijdschrift met een ruimere dan lokale uitstraling. Het blad raakte ook in Nederland bekend en vanuit die hoek bleven inzendingen en publicaties niet uit.
In Vlaanderen publiceerden bekende dichters zoals Peter Holvoet-Hanssen, Renaat Ramon, Joris Denoo, Alain Delmotte, Herlinda Vekemans en vele anderen in het tijdschrift naast minder bekend talent dat niet uitzonderlijk later zou doorbreken (Frédéric Leroy, Sylvie Marie, Delphine Lecompte…) Na 10 jaar is het tijd om een stand van zaken op te maken. Niet enkel een terugblik, maar eerder een dwarsdoorsnede
van wat poëzie en literatuur kan zijn.
De redactie van DIGTHER organiseert met dit alles voor ogen op 6 november 2010 een wervelend evenement. Speciaal naar aanleiding van de tiende verjaardag wordt tijdens deze literaire avond 'Watermerk' voorgesteld, een bloemlezing uit het beste wat in DIGTHER verscheen.
De stadsbibliotheek van Diksmuide, cc Kruispunt, reclame- & mediabureau Comsa! en DIGTHER slaan de handen in elkaar om een feestelijk en avondvullend programma aan u voor te stellen.
€10 toegang
€8,50 (voor -26/ +60 jaar)
€7,50 (abonnees DIGTHER)
€5,00 (-18 jaar)
Meer info: Comsa en Digther
Info & bestelling bloemlezing 'Watermerk' - www.comsa.be/watermerk
Uitgever Comsa! - Nieuwstraat 15, 8690 Alveringem - 058/289 666 - info@comsa.be
Labels:
Affiche,
Agenda,
Tien jaar Digther
dinsdag 28 september 2010
Het is niet niks!
Even melden, vooraleer we jullie met de onvermijdelijke affiche voor het Digtherfeest en -festivalletje van 6/11/2010 opzadelen, dat de werkzaamheden i.v.m. "Tien jaar Digther" het stadium van de afronding zijn ingetreden. Op 6/11/2010 stellen we met het nodige literaire plezier tevens de mooie bloemlezing Watermerk voor. Het beste uit "Tien jaar Digther", het is niet niks. En dat zal blijken! Momenteel hebben we de selectie van dichters en hun gedichten doorgevoerd. Zij die geselecteerd werden (we noemen ze graag de gelukkigen en hopen van u hetzelfde) krijgen eerlang een bericht. Meer nieuws over Watermerk en de voorstelling van 6/11/2010 volgt!
Labels:
6/11/2010,
Tien jaar Digther
woensdag 28 juli 2010
Digther - 11/1-2 - Inhoud
Digther 11/1-2 is al een tijdje uit!
Maar dat weten we natuurlijk (al net zo lang).
Niettemin een fikse greep uit de inhoud:
Gedichten van Nicole Van Overstraeten, Frank Pollet, Marco Houtschild, Wim J. Smit, Richard Foqué, Erwin Steyaert, Frouke Arns & Diana Freys.
Dubbelkunstenaars: An Van Dessel, Vincent Billiau, Y.Né, Frans Budé, Lucienne Stassaert, Bert Bevers, Albert Hagenaars & Roger Nupie.
Achille Van Den Branden in "Wie blogt die blijft".
Uit de toevloed: over de poëzie van Gilberte De Leger, Frank De Crits, Joris Iven, Hanne Rouweler.
Proza van Rudi Penne en Réné Van Densen.
Alain Delmotte over Victoria van F. Starik en Frank Decerf over de Tweejaarlijkse poëzieprijs van de Stad Oostende.
Zonder in geen geval de column van Herlinda Vekemans te vergeten!
Maar dat weten we natuurlijk (al net zo lang).
Niettemin een fikse greep uit de inhoud:
Gedichten van Nicole Van Overstraeten, Frank Pollet, Marco Houtschild, Wim J. Smit, Richard Foqué, Erwin Steyaert, Frouke Arns & Diana Freys.
Dubbelkunstenaars: An Van Dessel, Vincent Billiau, Y.Né, Frans Budé, Lucienne Stassaert, Bert Bevers, Albert Hagenaars & Roger Nupie.
Achille Van Den Branden in "Wie blogt die blijft".
Uit de toevloed: over de poëzie van Gilberte De Leger, Frank De Crits, Joris Iven, Hanne Rouweler.
Proza van Rudi Penne en Réné Van Densen.
Alain Delmotte over Victoria van F. Starik en Frank Decerf over de Tweejaarlijkse poëzieprijs van de Stad Oostende.
Zonder in geen geval de column van Herlinda Vekemans te vergeten!
Labels:
Digther-2010/1-2
dinsdag 16 februari 2010
Tien jaar Digther
“Digther 10/4” komt er aan! Straks komt het laatste nummer van jaargang 10 inderdaad terecht waar het terecht moet komen. Bij de lezer. Bij jij en ik, mag ik hopen. Het nieuwste editoriaal staat nu al hieronder na te lezen op. Nu & meteen ook al wijzen op een datum. Op zaterdag 6 november 2010 viert Digther zijn tien-jarig bestaan. Plaats van het gebeuren: CC Kruispunt – Diksmuide. Naar aanleiding van dit heuglijke én merkwaardige gegeven verschijnt straks ook een bloemlezing uit het betere werk van een Digther-decennium. Nu al noteren dus: 6/11/2010!
Labels:
6/11/2010,
Tien jaar Digther
Digther - 10/4 - Editoriaal
Redactioneel
L’ amour c’est donner ce qu’on n’a pas…
Ik voel al de dolkende blikken van Paul Rigolle achter mijn ribben: we zijn weer te laat. Dit nummer is het winternummer van 2009!(!) We plannen bij DIGTHER met seizoenen. Om voorspelbare redenen niet met al te precieze data en deadlines. Planning en deadlines zijn als uitgestippelde wegen op landkaarten: nuttig om te zien waar en hoe ver men verloren is gelopen. Wat echter als we zelfs de seizoenen nauwelijks halen? Excuus Paul, excuus lezer, excuus Truus. Deze jongen verkeert soms bij God en bijgevolg op alle plaatsen waardoor de tijd al eens niet op de stippellijntjes wil blijven.
Afin, laattijdig verschijnen opent tegelijk een aantal mogelijkheden. In een winternummer van 2009 kunnen schrijven over de actualiteit van Saint Amour in 2010 bijvoorbeeld. Over Amor, Eros, Venus, Cupido of mindere goden als Sint Valentijn die op de kanteling van de winter de lente al voelen kriebelen. Over de Liefde, hoofdmuze van dienst bij menige dichter. Soms flirtend met de dood natuurlijk, maar daar willen we het even niet over hebben. Al gelden beide thema’s als onuitputtelijke en altijd weer opnieuw te ontginnen ertslagen voor het literaire bedrijf. Het éne thema omwille van de onbereikbaarheid van haar object, het andere omwille van de onafwendbaarheid ervan.
Geen toeval bijgevolg dat dichters het uitgebreid over de liefde hebben. Onder welke vorm ook ‘belichaamd’, zij betekent altijd wel een bron van ellende. ‘Een
waanzin die men zelf wil’, verklaart Roland Barthes. Wat uit veelvuldig doorvlooien van wetenschappelijke en bijwijlen ook minder wetenschappelijke lectuur na blijft zinderen, is de onmogelijkheid de liefde te definiëren en te installeren als een permanente en bevredigende vorm van menselijke existentie. Niet toevallig duiken Liefde en verliefdheid rijkelijk op in Freuds studiën over hysterie. ‘We verlangen wat we niet willen, we willen wat we niet verlangen’ schrijft Paul Verhaeghe in zijn magistrale ‘Liefde in tijden van eenzaamheid’. De man wordt verliefd op de vrouw die hem weigert, de vrouw wordt verliefd op haar eigen fantasma van de man die zij toch niet kan krijgen. Mensen slaan op de vlucht voor wat al te beschikbaar is.
Probeer na al dat feministische geweld dan al niet de macho uit te hangen: te veel tedere toenadering voor zijn vrouwelijke wederhelft zadelt de man blijkbaar op met erectieproblemen. Zijn partner gaat al vlug op de moederfiguur gelijken en daartegenover staat het oeroude incestverbod. Freud kan het weten. Tegenover een overdosis fallisch-coïtale beschikbaarheid heeft de vrouw dan weer een arsenaal van vluchtroutes klaar: van migraine tot chronische vermoeidheid. Queen Victoria raadde haar dochter aan tijdens de voltrekking van de huwelijksplicht de ogen te sluiten en aan Engeland te denken: ‘Close your eyes and think of England’. Of hoe falen op de duur verdacht veel als ‘fallisch’ gaat klinken. Op de honderd afgesloten huwelijken lopen er 54 vroeg of laat op de klippen. Ik ben na voorgaand vertoog veeleer verwonderd over die andere 46. Het huwelijk blijkt een te zware ketting te zijn om ze met twee te dragen (La Rochefoucauld). Of nog meer opbeurends: ‘Het symptoom van de man is zijn vrouw’ en ‘Voor de vrouw is de man steeds een ravage’ (Lacan). Seksualiteit en erotiek bieden zelden soelaas. Ze zijn in soms niets verhullende handboeken en blaadjes afgegleden tot een vorm van seksuele gymnastiek. Zij slaan geen bruggen over de diepe kloven van leegte waarover wij als eenzame samenspelers moeten.
Merkelijkheid
Nu gaat ze ook nog geeuwen
terwijl ik haar gedachten streel
en zacht als sneeuw op haar
huid moet liggen:
nu valt het gestage (als sneeuw)
Getik tegen de spiegel waaruit
ze opschrikt als door een raam.
O heilig complot der dingen:
we zijn gebeurd verklaard. We
liggen nog nachten zoek als
kleren door elkaar. Bang iets
te onderbreken brengt zij al
misleiding aan. Schaduw rond
haar kijken. Zo legt zij raadsels
voor het grijpen. Haar mond getuite
werkelijkheid. Haar huid nog als
het ware.
Zelfopofferende liefde laat zich niet vinden in de man – vrouwverhouding, maar in de relatie van de moeder tot haar kind. Afgewogen tegenover dit sjabloon van de volmaakte liefde situeert zich elke volgende liefdesrelatie als een tekortschieten. Daarom is de Liefde en vooral ook de verliefdheid eerder zwaarmoedig. Er is maar zelden goede poëzie geschreven over een geslaagd huwelijk. Wel over het failliet van onze amoureuze ondernemingen. Ondertussen blijven we verlangen naar verlangen. Niet zelden is de geliefde daaraan ondergeschikt.
Laat me dit editoriaal evenwel beëindigen met een wat vrolijker noot van Winnicot (Barthes 2002): ‘Dit zou de structuur van het “succesvolle” paar zijn: een kleine dosis verbod, veel spel; het verlangen aanwijzen en het vervolgens alleen laten, zoals die behulpzame inlanders die je graag de weg wijzen, zonder daarbij hardnekkig met je mee te blijven lopen’.
Hugo Verstraeten
VERHAEGHE, P., Liefde in tijden van eenzaamheid. Leuven, Acco, 2005, 207 pp.
BARTHES, R., Uit de taal van een verliefde. Utrecht, uitgeverij Ijzer, 2002, 274 pp.
L’ amour c’est donner ce qu’on n’a pas…
Ik voel al de dolkende blikken van Paul Rigolle achter mijn ribben: we zijn weer te laat. Dit nummer is het winternummer van 2009!(!) We plannen bij DIGTHER met seizoenen. Om voorspelbare redenen niet met al te precieze data en deadlines. Planning en deadlines zijn als uitgestippelde wegen op landkaarten: nuttig om te zien waar en hoe ver men verloren is gelopen. Wat echter als we zelfs de seizoenen nauwelijks halen? Excuus Paul, excuus lezer, excuus Truus. Deze jongen verkeert soms bij God en bijgevolg op alle plaatsen waardoor de tijd al eens niet op de stippellijntjes wil blijven.
Afin, laattijdig verschijnen opent tegelijk een aantal mogelijkheden. In een winternummer van 2009 kunnen schrijven over de actualiteit van Saint Amour in 2010 bijvoorbeeld. Over Amor, Eros, Venus, Cupido of mindere goden als Sint Valentijn die op de kanteling van de winter de lente al voelen kriebelen. Over de Liefde, hoofdmuze van dienst bij menige dichter. Soms flirtend met de dood natuurlijk, maar daar willen we het even niet over hebben. Al gelden beide thema’s als onuitputtelijke en altijd weer opnieuw te ontginnen ertslagen voor het literaire bedrijf. Het éne thema omwille van de onbereikbaarheid van haar object, het andere omwille van de onafwendbaarheid ervan.
Geen toeval bijgevolg dat dichters het uitgebreid over de liefde hebben. Onder welke vorm ook ‘belichaamd’, zij betekent altijd wel een bron van ellende. ‘Een

waanzin die men zelf wil’, verklaart Roland Barthes. Wat uit veelvuldig doorvlooien van wetenschappelijke en bijwijlen ook minder wetenschappelijke lectuur na blijft zinderen, is de onmogelijkheid de liefde te definiëren en te installeren als een permanente en bevredigende vorm van menselijke existentie. Niet toevallig duiken Liefde en verliefdheid rijkelijk op in Freuds studiën over hysterie. ‘We verlangen wat we niet willen, we willen wat we niet verlangen’ schrijft Paul Verhaeghe in zijn magistrale ‘Liefde in tijden van eenzaamheid’. De man wordt verliefd op de vrouw die hem weigert, de vrouw wordt verliefd op haar eigen fantasma van de man die zij toch niet kan krijgen. Mensen slaan op de vlucht voor wat al te beschikbaar is.
Probeer na al dat feministische geweld dan al niet de macho uit te hangen: te veel tedere toenadering voor zijn vrouwelijke wederhelft zadelt de man blijkbaar op met erectieproblemen. Zijn partner gaat al vlug op de moederfiguur gelijken en daartegenover staat het oeroude incestverbod. Freud kan het weten. Tegenover een overdosis fallisch-coïtale beschikbaarheid heeft de vrouw dan weer een arsenaal van vluchtroutes klaar: van migraine tot chronische vermoeidheid. Queen Victoria raadde haar dochter aan tijdens de voltrekking van de huwelijksplicht de ogen te sluiten en aan Engeland te denken: ‘Close your eyes and think of England’. Of hoe falen op de duur verdacht veel als ‘fallisch’ gaat klinken. Op de honderd afgesloten huwelijken lopen er 54 vroeg of laat op de klippen. Ik ben na voorgaand vertoog veeleer verwonderd over die andere 46. Het huwelijk blijkt een te zware ketting te zijn om ze met twee te dragen (La Rochefoucauld). Of nog meer opbeurends: ‘Het symptoom van de man is zijn vrouw’ en ‘Voor de vrouw is de man steeds een ravage’ (Lacan). Seksualiteit en erotiek bieden zelden soelaas. Ze zijn in soms niets verhullende handboeken en blaadjes afgegleden tot een vorm van seksuele gymnastiek. Zij slaan geen bruggen over de diepe kloven van leegte waarover wij als eenzame samenspelers moeten.
Merkelijkheid
Nu gaat ze ook nog geeuwen
terwijl ik haar gedachten streel
en zacht als sneeuw op haar
huid moet liggen:
nu valt het gestage (als sneeuw)
Getik tegen de spiegel waaruit
ze opschrikt als door een raam.
O heilig complot der dingen:
we zijn gebeurd verklaard. We
liggen nog nachten zoek als
kleren door elkaar. Bang iets
te onderbreken brengt zij al
misleiding aan. Schaduw rond
haar kijken. Zo legt zij raadsels
voor het grijpen. Haar mond getuite
werkelijkheid. Haar huid nog als
het ware.
Zelfopofferende liefde laat zich niet vinden in de man – vrouwverhouding, maar in de relatie van de moeder tot haar kind. Afgewogen tegenover dit sjabloon van de volmaakte liefde situeert zich elke volgende liefdesrelatie als een tekortschieten. Daarom is de Liefde en vooral ook de verliefdheid eerder zwaarmoedig. Er is maar zelden goede poëzie geschreven over een geslaagd huwelijk. Wel over het failliet van onze amoureuze ondernemingen. Ondertussen blijven we verlangen naar verlangen. Niet zelden is de geliefde daaraan ondergeschikt.
Laat me dit editoriaal evenwel beëindigen met een wat vrolijker noot van Winnicot (Barthes 2002): ‘Dit zou de structuur van het “succesvolle” paar zijn: een kleine dosis verbod, veel spel; het verlangen aanwijzen en het vervolgens alleen laten, zoals die behulpzame inlanders die je graag de weg wijzen, zonder daarbij hardnekkig met je mee te blijven lopen’.
Hugo Verstraeten
VERHAEGHE, P., Liefde in tijden van eenzaamheid. Leuven, Acco, 2005, 207 pp.
BARTHES, R., Uit de taal van een verliefde. Utrecht, uitgeverij Ijzer, 2002, 274 pp.
Labels:
Digther-2009/4,
Editoriaal,
Hugo Verstraeten
Digther - 10/3 - Inhoud
Digther – Jaargang 10-2009 – Nummer 3 – Inhoudstafel
Editoriaal. Hugo Verstraeten
Berichten
Aangespoeld met pen en penseel
Expo Charlotte Mutsaers in Oostende. Annelies Vantyghem
Bekendmaking Melopee – Nieuwe poëzieprijs Laarne
gedichten van Charles Ducal en Herman Leenders
Poëzie
Steven Graauwmans
Renaat Ramon
Peter Vermaat
Inge Boulonois
Wie blogt die blijft - Jef Boven
Uit de toevloed
Over nieuw werk van:
Hannie Rouweler & Joris Iven (Open Doek Sluiers)
Frank De Vos (Trek de wind niet van de wieken)
Hannie Rouweler (Nieuwe gedichten)
Joris Iven (Alles bij elkaar)
Paul Cardon (Restanten van een glimlach)
Edith Oeyen (Een naald zonder oog)
Inge Braeckman (Beeltenissen)
Paul Rigolle (Van het hart een steen)
Ina Stabergh (Darwin en ik)
Proza
De Imker en de tapijtenklopper . Delphine Lecompte
Jachtongeluk. Delphine Lecompte
Het koor . Delphine Lecompte
Recensies
Een soort blauw dat geen betekenis heeft – over ‘De dieren in mij’ van Delphine Lecompte (Alain Delmotte)
Rubriek Overschrijven
Labels:
Digther-2009/3
maandag 15 februari 2010
Digther – 10/3 - Editoriaal
Redactioneel
Darwin hier. Darwin daar. Darwin overal.
Darwin wint. Wellicht omdat hij beter dan God aangepast is aan onze moderne tijd. Darwin overleeft omdat we nog altijd bereid zijn hem te lezen. Er zijn boeken en ideeën die de wereld veranderden: ‘Das Kapital’(Marx), ‘Das Unbehagen in der Kultur’ (Freud), de Bijbel (God). Zij worden van generatie op generatie overgeleverd, ongeveer zoals het recept voor het maken van een goede cake overleeft en wordt doorgegeven. Zo verging het ‘On the Origin of Species’. Het boek verscheen in 1859 en kreeg van de auteur een ruime ondertiteling:
by Means of Natural Selection
or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life
De publicatie betekende een splijtzwam die het nageslacht opzadelt met believers en non – believers. Creationisten en evolutionairen. Gekken die rekenen op God om hen uit de aarde te verlossen en gekken die rekenen op feiten om hen van God te verlossen. Het schisma loopt door continenten, religies en politieke overtuigingen. Het wordt kiezen tussen een wereld die louter uit God of een die enkel uit feiten bestaat. Of is die keuze vals en bestaat het om niet te kiezen, de werkelijkheid aan zichzelf over te laten? Zoals het een voorzichtig mens past, bestaat mijn antwoord alleen maar uit vragen:
1. Wat of wie is God? Waar is God? Op alle plaatsen?
2. Waarom vond die Onveroorzaakte Veroorzaker het nodig ons te scheppen? Had Hij Niet Aan Zichzelf Genoeg?
3. Wat is een feit? Alles wat het geval is? Bestaat de wereld enkel uit feiten, of is dit enkel gezichtsverduistering, zelfbedrog?
4. Wat zien wij over het hoofd of beter: wat kunnen wij niet zien?
5. A ls zelfs ééncelligen intentioneel zijn en gericht op voortbestaan en als geheel het evolutionaire proces intentioneel is in een hogere orde, waarom heeft evolutie dan zoiets als de menselijke soort voortgebracht (de enige soort die zijn biotoop vernietigt)?
6. A ls het determinisme (als het eindeloze kansspel tussen milieu en genen) ons maakt tot wat we zijn en niet zijn, bestaat er dan geen determinisme dat ons bepaalt tot onbepaaldheid?
Misschien heeft Dirk Draulans vanop zijn nep – Beagle daar een antwoord op. Vragen die ik mij nog stel om dit af te sluiten: welke plaats heeft poëzie in dit evolutionaire plaatje? Is zij het talige substraat van de onverklaarbaarheid van de wereld? Het ‘debiele broertje van de filosofie’? Een late echo van de godendeemstering? Een verdwijnend artefact bij gebrek aan lezers? Blijvend verlangen naar ontroostbaarheid? Is ook literair taalgebruik een uitkomst van aanpassing en natuurlijke selectie? Welke schrijvers blijven, welke taal blijft? De meest aangepaste, de best leesbare, de succesrijkste? Wat als de dichter verdwijnt?
Wie omzwachtelt dan de werkelijkheid met nieuwe verbanden? Wie rapporteert dan over wat we altijd over het hoofd hebben gezien?
Hugo Verstraeten
Darwin hier. Darwin daar. Darwin overal.
Darwin wint. Wellicht omdat hij beter dan God aangepast is aan onze moderne tijd. Darwin overleeft omdat we nog altijd bereid zijn hem te lezen. Er zijn boeken en ideeën die de wereld veranderden: ‘Das Kapital’(Marx), ‘Das Unbehagen in der Kultur’ (Freud), de Bijbel (God). Zij worden van generatie op generatie overgeleverd, ongeveer zoals het recept voor het maken van een goede cake overleeft en wordt doorgegeven. Zo verging het ‘On the Origin of Species’. Het boek verscheen in 1859 en kreeg van de auteur een ruime ondertiteling:
by Means of Natural Selection
or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life
De publicatie betekende een splijtzwam die het nageslacht opzadelt met believers en non – believers. Creationisten en evolutionairen. Gekken die rekenen op God om hen uit de aarde te verlossen en gekken die rekenen op feiten om hen van God te verlossen. Het schisma loopt door continenten, religies en politieke overtuigingen. Het wordt kiezen tussen een wereld die louter uit God of een die enkel uit feiten bestaat. Of is die keuze vals en bestaat het om niet te kiezen, de werkelijkheid aan zichzelf over te laten? Zoals het een voorzichtig mens past, bestaat mijn antwoord alleen maar uit vragen:
1. Wat of wie is God? Waar is God? Op alle plaatsen?
2. Waarom vond die Onveroorzaakte Veroorzaker het nodig ons te scheppen? Had Hij Niet Aan Zichzelf Genoeg?
3. Wat is een feit? Alles wat het geval is? Bestaat de wereld enkel uit feiten, of is dit enkel gezichtsverduistering, zelfbedrog?
4. Wat zien wij over het hoofd of beter: wat kunnen wij niet zien?
5. A ls zelfs ééncelligen intentioneel zijn en gericht op voortbestaan en als geheel het evolutionaire proces intentioneel is in een hogere orde, waarom heeft evolutie dan zoiets als de menselijke soort voortgebracht (de enige soort die zijn biotoop vernietigt)?
6. A ls het determinisme (als het eindeloze kansspel tussen milieu en genen) ons maakt tot wat we zijn en niet zijn, bestaat er dan geen determinisme dat ons bepaalt tot onbepaaldheid?
Misschien heeft Dirk Draulans vanop zijn nep – Beagle daar een antwoord op. Vragen die ik mij nog stel om dit af te sluiten: welke plaats heeft poëzie in dit evolutionaire plaatje? Is zij het talige substraat van de onverklaarbaarheid van de wereld? Het ‘debiele broertje van de filosofie’? Een late echo van de godendeemstering? Een verdwijnend artefact bij gebrek aan lezers? Blijvend verlangen naar ontroostbaarheid? Is ook literair taalgebruik een uitkomst van aanpassing en natuurlijke selectie? Welke schrijvers blijven, welke taal blijft? De meest aangepaste, de best leesbare, de succesrijkste? Wat als de dichter verdwijnt?
Wie omzwachtelt dan de werkelijkheid met nieuwe verbanden? Wie rapporteert dan over wat we altijd over het hoofd hebben gezien?
Hugo Verstraeten
Labels:
Digther-2009/3,
Editoriaal,
Hugo Verstraeten
woensdag 10 februari 2010
Onbegaanbaar, onverstaanbaar
Voordat ooit Zavel woorden was,
de leegte luierend in geeuwend
jaargetijde, aan twee oren doof
een mondvol steen en ijs en heugenis.
De waterstroom waar nooit gelachen
werd, de heide waar geen meisje
kleed en hemd verspeelde, huidig
aantal hongerwolven onbestemd.
De bomen van het het woud alleen bekend
bij wildspoor en in vogelspraak,
de knager, graskauwer en avondzwalker,
diepwortelgraver, notenkrakerschuwestaart.
Naamloos en nergensheen, de eerste dag.
© Peter Vermaat
(Gepubliceerd in Digther – 10/3)
Labels:
Digther-2009/3,
Peter Vermaat
zondag 15 november 2009
Digther - 10/2 - Editoriaal
Redactioneel
uit: Schafthuyzen. Kroniek van een kantjesloper.
Aflevering 25 (Slot)
Men moet een verhaal en een huis nooit sluiten…
“Waaraan denk je?” vroeg Schafthuyzen. De man liet even het scherm van zijn PC voor wat het was en keek in de kamer alsof daar nog iemand was. “Waaraan denk je?” herhaalde Schafthuyzen, zachter nu, echter met even zoveel aandrang. ‘Ik dacht er over Gertie bij je in te laten trekken,” repliceerde de man, niet zeker van zijn stuk. Schafthuyzen dacht lang na en keek traag in zijn richting. Met hem kwam het dus toch nog goed. Hij de kantjesloper, een laatbloeier in geluk. Gertie bij hem intrekkend en Astrid en Beatrice eindelijk weer één. Hij keek naar de rode muiltjes onderaan de trap. Hij volgde het zilverspoor van kleren tot in het bed, waar ze naakt lag als een slak. “Ik begin te veel op je te gelijken,” deed Adrie terwijl hij lang door het venster keek in de hoop daarachter soelaas te vinden voor de leegte in zijn ogen. Hij probeerde achterwaarts de trap op te lopen, eerst met twee, daarna met drie en vier treden tegelijk, wat niet lukte. “Schrijf haar weg,” drong Schafthuyzen aan, “geluk is ook niet alles.” En Astrid en Beatrice? Schafthuyzen
keek of ze nooit hadden bestaan. Waarom is inkt zwart en wie leerde je schrijven? Het waren de twee meest pertinente vragen waarmee de journalisten hem bestookten. Hij kon eerder schrijven dan lopen en omdat ook niemand hem leerde lopen had hij ook dat van zichzelf. En wat de eerste vraag betreft? Schrijvers imiteren de werkelijkheid. Daarom is inkt zwart: er hangt een geur aan van lijken. “Gelijken,” hielp hij het ongemakkelijk toekijkende journaille. Ze begrijpen ook nooit wat.
Waarom hij schreef? Schrijvers schrijven zoals vissers vissen en vogels vogelen. Al was zijn leven als schrijver er één wat meer op doorhalen leek. Schrijven is schrappen. Toch? Misschien kon hij zijn moeder terug zijn leven in schrijven: beginnen waar hij ooit was gebleven. Misschien had hij Saskia nooit verlaten, was Beatrice nooit van hem weggegaan. Of had zijn vader… En of dat ooit enig verschil had gemaakt? Of Adrie Schafthuyzen wat anders dan een kantjesloper kon zijn?
Schafthuyzen keek hem vermoeid aan onder het schrijven. Hij verweet de man aan de PC zelfs de illusie dat hij schrijver was. Dat hij, Schafthuyzen, enkel een bezinksel was van zíjn hoogsteigen persoontje, de allerindividueelste expressie … . Mis poes. Literaire teksten schrijven zichzelf. Elk woord vordert een ander woord. Elke zin verwijst noodzakelijk naar een andere. Het moest een illusie zijn als een tuinman in teksten te wieden, te schoffelen, te harken. Literatuur blijft een wildernis, alle tuinmannen ten spijt. Of meneer Schafthuyzen enig idee had welke kant zijn leven op kon nu hij toch de kaap van de veertig al ver achter zich had? Schafthuyzen haalt zijn schouders op. Hij tilt omzichtig haar hoofd uit zijn arm en modelleert haar zoals een beeldhouwer doet wanneer hij zijn model monstert. De ogen half dicht want er is te veel licht. Hij loopt achterwaarts terug, weg uit de kamer. Waarom hij de hele tijd achteruit blijft lopen? Schafthuyzen gaat voor hem zitten en wijst hem op het feit dat de vraag ‘Waarom niet’ meer op zijn plaats is voor een schrijver. Schrijvers moeten hun hoofdpersonages uit hun context halen, anders bestaan ze niet. Er lopen vele Schafthuyzens rond op deze aardbol, alle even gek als hij. Schrijvers moeten overdrijven, uitvergroten, onvolledig zijn. Schrijvers zijn leugenaars die de waarheid veinzen. Schafthuyzen loopt achterwaarts de trap af en aarzelt bij het slipje dat zichzelf ligt te vergeten op de onderste trede. Alles is een anekdote in een verhaal dat op zich niet de moeite loont tot iemand het vertelt. Rationaliteit, mijn beste schrijver, is niets anders dan de éne hartstocht die het haalt op een andere. Hij proeft de geur van het hemdje verderop, ragfijn restant van hun tedere strijd naar de kamer. Het geurt naar Gertie. Naar Beatrice, naar Saskia,
naar Alien, naar Lisa, naar iets wat zijn moeder moet zijn geweest. Het geurde naar alle tante Laura’s van deze wereld: wee en ver tegelijk. Of hij soms ook nog een slot kon bedenken? Schafthuyzen ontwijkt de vraag. Wijst de man aan de PC op het feit dat zijn leven een valse start had genomen, nooit echt begon. Wat nooit begint kan ook nooit eindigen. “Ik laat de deur op een kier,” kijkt Schafthuyzen nog om. “Men moet een verhaal en een huis nooit sluiten.” Hij voelt hoe de lente alles naar buiten duwt. Loopt de middag in en hoort hoe achter hem de deur dichtvalt. Als een punt.
Hugo Verstraeten
uit: Schafthuyzen. Kroniek van een kantjesloper.
Aflevering 25 (Slot)
Men moet een verhaal en een huis nooit sluiten…
“Waaraan denk je?” vroeg Schafthuyzen. De man liet even het scherm van zijn PC voor wat het was en keek in de kamer alsof daar nog iemand was. “Waaraan denk je?” herhaalde Schafthuyzen, zachter nu, echter met even zoveel aandrang. ‘Ik dacht er over Gertie bij je in te laten trekken,” repliceerde de man, niet zeker van zijn stuk. Schafthuyzen dacht lang na en keek traag in zijn richting. Met hem kwam het dus toch nog goed. Hij de kantjesloper, een laatbloeier in geluk. Gertie bij hem intrekkend en Astrid en Beatrice eindelijk weer één. Hij keek naar de rode muiltjes onderaan de trap. Hij volgde het zilverspoor van kleren tot in het bed, waar ze naakt lag als een slak. “Ik begin te veel op je te gelijken,” deed Adrie terwijl hij lang door het venster keek in de hoop daarachter soelaas te vinden voor de leegte in zijn ogen. Hij probeerde achterwaarts de trap op te lopen, eerst met twee, daarna met drie en vier treden tegelijk, wat niet lukte. “Schrijf haar weg,” drong Schafthuyzen aan, “geluk is ook niet alles.” En Astrid en Beatrice? Schafthuyzen
keek of ze nooit hadden bestaan. Waarom is inkt zwart en wie leerde je schrijven? Het waren de twee meest pertinente vragen waarmee de journalisten hem bestookten. Hij kon eerder schrijven dan lopen en omdat ook niemand hem leerde lopen had hij ook dat van zichzelf. En wat de eerste vraag betreft? Schrijvers imiteren de werkelijkheid. Daarom is inkt zwart: er hangt een geur aan van lijken. “Gelijken,” hielp hij het ongemakkelijk toekijkende journaille. Ze begrijpen ook nooit wat.
Waarom hij schreef? Schrijvers schrijven zoals vissers vissen en vogels vogelen. Al was zijn leven als schrijver er één wat meer op doorhalen leek. Schrijven is schrappen. Toch? Misschien kon hij zijn moeder terug zijn leven in schrijven: beginnen waar hij ooit was gebleven. Misschien had hij Saskia nooit verlaten, was Beatrice nooit van hem weggegaan. Of had zijn vader… En of dat ooit enig verschil had gemaakt? Of Adrie Schafthuyzen wat anders dan een kantjesloper kon zijn?
Schafthuyzen keek hem vermoeid aan onder het schrijven. Hij verweet de man aan de PC zelfs de illusie dat hij schrijver was. Dat hij, Schafthuyzen, enkel een bezinksel was van zíjn hoogsteigen persoontje, de allerindividueelste expressie … . Mis poes. Literaire teksten schrijven zichzelf. Elk woord vordert een ander woord. Elke zin verwijst noodzakelijk naar een andere. Het moest een illusie zijn als een tuinman in teksten te wieden, te schoffelen, te harken. Literatuur blijft een wildernis, alle tuinmannen ten spijt. Of meneer Schafthuyzen enig idee had welke kant zijn leven op kon nu hij toch de kaap van de veertig al ver achter zich had? Schafthuyzen haalt zijn schouders op. Hij tilt omzichtig haar hoofd uit zijn arm en modelleert haar zoals een beeldhouwer doet wanneer hij zijn model monstert. De ogen half dicht want er is te veel licht. Hij loopt achterwaarts terug, weg uit de kamer. Waarom hij de hele tijd achteruit blijft lopen? Schafthuyzen gaat voor hem zitten en wijst hem op het feit dat de vraag ‘Waarom niet’ meer op zijn plaats is voor een schrijver. Schrijvers moeten hun hoofdpersonages uit hun context halen, anders bestaan ze niet. Er lopen vele Schafthuyzens rond op deze aardbol, alle even gek als hij. Schrijvers moeten overdrijven, uitvergroten, onvolledig zijn. Schrijvers zijn leugenaars die de waarheid veinzen. Schafthuyzen loopt achterwaarts de trap af en aarzelt bij het slipje dat zichzelf ligt te vergeten op de onderste trede. Alles is een anekdote in een verhaal dat op zich niet de moeite loont tot iemand het vertelt. Rationaliteit, mijn beste schrijver, is niets anders dan de éne hartstocht die het haalt op een andere. Hij proeft de geur van het hemdje verderop, ragfijn restant van hun tedere strijd naar de kamer. Het geurt naar Gertie. Naar Beatrice, naar Saskia,
naar Alien, naar Lisa, naar iets wat zijn moeder moet zijn geweest. Het geurde naar alle tante Laura’s van deze wereld: wee en ver tegelijk. Of hij soms ook nog een slot kon bedenken? Schafthuyzen ontwijkt de vraag. Wijst de man aan de PC op het feit dat zijn leven een valse start had genomen, nooit echt begon. Wat nooit begint kan ook nooit eindigen. “Ik laat de deur op een kier,” kijkt Schafthuyzen nog om. “Men moet een verhaal en een huis nooit sluiten.” Hij voelt hoe de lente alles naar buiten duwt. Loopt de middag in en hoort hoe achter hem de deur dichtvalt. Als een punt.
Hugo Verstraeten
Labels:
Digther-2009/2,
Editoriaal
Digther - 10/2 - Inhoud
Digther - Jaargang 10-2009/Nummer 2 - Inhoudstafel
Editoriaal - Hugo Verstraeten
Poëzie van Frouke Arns, Harry M.P.Van de Vijfeijke, Guy Dierckx, Noud Renthaven, Yerna Vandendriessche, Joris Miedema, Stijn Caron en Martijn Teerlinck.
Poëzieprijs Harelbeke - Digther in de prijzen (Frédéric Leroy, Paul Rigolle)
Wie blogt die blijft - Frédéric de Vries
Uit de toevloed - Sylvie Marie, Frank Pollet, Frank Devos, Willem M. Roggeman, Xtine Mässer, Rose Vandewalle, Mark Meekers
Proza - Schermutseling van David Troch, Ingres van Hugo Verstraeten
Recensies: De A.Roland Holstprijs voor Hester Knibbe - Kwetsbaarheid als grondtoon - Inge Boulonois, Zevend Parlando (over Ester Naomi Perquin) - Roel Weerheym, Doornbos en Zuyderwyk, Bijzondere poëtische tandem - Frank Decerf
Column: Over taalgaten en antimaterie - Herlinda Vekemans
Rubriek Overschrijven
Editoriaal - Hugo Verstraeten
Poëzie van Frouke Arns, Harry M.P.Van de Vijfeijke, Guy Dierckx, Noud Renthaven, Yerna Vandendriessche, Joris Miedema, Stijn Caron en Martijn Teerlinck.
Poëzieprijs Harelbeke - Digther in de prijzen (Frédéric Leroy, Paul Rigolle)
Wie blogt die blijft - Frédéric de Vries
Uit de toevloed - Sylvie Marie, Frank Pollet, Frank Devos, Willem M. Roggeman, Xtine Mässer, Rose Vandewalle, Mark Meekers
Proza - Schermutseling van David Troch, Ingres van Hugo Verstraeten
Recensies: De A.Roland Holstprijs voor Hester Knibbe - Kwetsbaarheid als grondtoon - Inge Boulonois, Zevend Parlando (over Ester Naomi Perquin) - Roel Weerheym, Doornbos en Zuyderwyk, Bijzondere poëtische tandem - Frank Decerf
Column: Over taalgaten en antimaterie - Herlinda Vekemans
Rubriek Overschrijven
Labels:
Digther-2009/2
zondag 17 mei 2009
Digther – 10/1 - Editoriaal
Redactioneel
Dode dichters
Onlangs stond ik met een boekenbon in de hand aan de literaire afdeling van een boekhandel te twijfelen tussen ‘Hotel New Flandres’ of ‘The Waste Land’. Het laatste in vertaling van Paul Claes . Van ‘Hotel New Flandres’ beweren de uitgevers: ‘Voor Hotel New Flandres maakten Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters korte metten met het klassieke anthologieconcept. Voor een keer geen bloemlezing uitsluitend gebaseerd op de canon, maar een ruimhartige, brede keuze, die in tal van opzichten grensverleggend is.’
Desondanks viel mijn voorkeur op T.S. Eliots ‘The Waste Land’. Mijn keuze werd niet zozeer ingegeven door de (eerder negatieve) polemieken die de laatste tijd over het Nieuwe Vlaamse Hotel werden uitgestort. Nogal wat dichters en recensenten kropen in hun pen om te fulmineren tegen voorliggende publicatie. Te betrokken. Onvolledig. Onbetrouwbare bronnen. Inconsequent. Te weinig respect voor canon en chronologie. Verkeerde accenten. Verkeerde uitgangspunten ook. Politiek incorrect. Kortom: deze publicatie mag op geen enkele boekenplank ontbreken. Soms worden door de critici goede argumenten aangevoerd, daar niet van. Literaire kritiek is echter geen exacte wetenschap. Bloemlezen betekent keuzes maken. Keuzes zijn gebaseerd op min of meer expliciete referentiekaders. De criteria voor selectie die bloemlezers hanteren zijn aanvechtbaar en aan poëticale opvattingen, modes en trends schatplichtig. Literatuurgeschiedenis is inderdaad een constructie. Ook hier geldt dat er geen waarheden zijn, enkel gezichtspunten. Die moet men dan wel zo duidelijk als mogelijk toelichten. Literaire kritiek is gebaat bij het verhelderen van vragen, niet bij het hakkerige verdedigen van ingenomen standpunten. Geen enkele bloemlezing kan volledige representativiteit claimen. Daarom kan men de verschillende anthologieën beter als aanvullend op elkaar beschouwen en niet zozeer als aanvallend op het eigen gelijk.
Ach, Hotel New Flandres koop ik later wel. Maar waarom Het Barre Land van Eliot? Omdat het een exponent is van het 20ste – eeuwse modernisme? Omdat het samen met Ulysses van James Joyce en Mrs. Dalloway van Virginia Woolf de 20ste eeuw pas echt literair openbreekt? Omwille van de ontwrichte(nde) taal uit een ontwrichte tijd? De belezen wanhoop, de volgehouden antiromantiek? Of enkel al omwille van de beroemde aanzet tot het gedicht ‘The burial of the dead’ die me al een tijd lang achtervolgt:
April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers
April is de grimmigste maand, hij wekt
Seringen uit het dode land, vermengt
Herinneringen en verlangen, port
Lome wortels op met lenteregen.
De winter hield ons warm, hulde
De aarde in vergetele sneeuw, voedde
Een restje leven met verdorde knollen.
Maar weegt dergelijke passage nu op tegen de fine fleur van de gehele Vlaamse poëzie na 1945? Uiteraard niet – de vergelijking alleen al is absurd. Bovendien weet T.S. de kracht en de spanning van de geciteerde aanhef niet het gehele werk vol te houden. De discontinuïteit van het lange gedicht gaat ten koste van de samenhang die je als lezer zelf moet (mag?) ontdekken Soms heb ik te veel sleutels nodig om mij toegang te verschaffen tot het gedicht. Ezra Pound, aan wie de bundel is opgedragen reduceerde de tekst van 835 tot 433 regels (!) waardoor een mens zich mag afvragen wie nu eigenlijk voor de bundel tekende. Zo gaat dat met mythes: men mag ze niet te veel tegen het daglicht houden, ze dulden geen feitelijkheid.
Wat heeft Thomas Stearns Eliot dan voor op de bewoners van ‘Hotel New Flandres’? Het naakte feit dat hij de dood bewoont. De laatste tijd lees ik bij voorkeur ‘dode’ dichters. Omdat ik met hen geen relatie meer hoef te hebben. Zij concurreren niet meer. Scharrelen niet meer rond in de buurt van berekende uitgevers. Zij hoeven niet meer met klem hun gelijk te verdedigen. Doden hebben altijd gelijk. Dode dichters zijn altijd onverdacht. Niemand spreekt hen nog tegen. Boven hun gedichten hangt hun rustgevende schaduw. Elk gedicht een epitaaf over voorbije levens. Door hun teksten kan ik flaneren als door een laat-zomers park. Hun gedichten dekken mij toe als Eliots winter.
Hugo Verstraeten
1. Paul Claes, Het Barre Land, De Bezige Bij, Amsterdam, 2007, 222 pp., vertaling van T.S. Eliot, The Waste land.
2. Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie (1945 - 2005)
Samenstelling Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters
PoëzieCentrum vzw, Gent 2008
3. Paul Claes, o.c., p. 28 & 29.
Dode dichters
Onlangs stond ik met een boekenbon in de hand aan de literaire afdeling van een boekhandel te twijfelen tussen ‘Hotel New Flandres’ of ‘The Waste Land’. Het laatste in vertaling van Paul Claes . Van ‘Hotel New Flandres’ beweren de uitgevers: ‘Voor Hotel New Flandres maakten Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters korte metten met het klassieke anthologieconcept. Voor een keer geen bloemlezing uitsluitend gebaseerd op de canon, maar een ruimhartige, brede keuze, die in tal van opzichten grensverleggend is.’
Desondanks viel mijn voorkeur op T.S. Eliots ‘The Waste Land’. Mijn keuze werd niet zozeer ingegeven door de (eerder negatieve) polemieken die de laatste tijd over het Nieuwe Vlaamse Hotel werden uitgestort. Nogal wat dichters en recensenten kropen in hun pen om te fulmineren tegen voorliggende publicatie. Te betrokken. Onvolledig. Onbetrouwbare bronnen. Inconsequent. Te weinig respect voor canon en chronologie. Verkeerde accenten. Verkeerde uitgangspunten ook. Politiek incorrect. Kortom: deze publicatie mag op geen enkele boekenplank ontbreken. Soms worden door de critici goede argumenten aangevoerd, daar niet van. Literaire kritiek is echter geen exacte wetenschap. Bloemlezen betekent keuzes maken. Keuzes zijn gebaseerd op min of meer expliciete referentiekaders. De criteria voor selectie die bloemlezers hanteren zijn aanvechtbaar en aan poëticale opvattingen, modes en trends schatplichtig. Literatuurgeschiedenis is inderdaad een constructie. Ook hier geldt dat er geen waarheden zijn, enkel gezichtspunten. Die moet men dan wel zo duidelijk als mogelijk toelichten. Literaire kritiek is gebaat bij het verhelderen van vragen, niet bij het hakkerige verdedigen van ingenomen standpunten. Geen enkele bloemlezing kan volledige representativiteit claimen. Daarom kan men de verschillende anthologieën beter als aanvullend op elkaar beschouwen en niet zozeer als aanvallend op het eigen gelijk.
Ach, Hotel New Flandres koop ik later wel. Maar waarom Het Barre Land van Eliot? Omdat het een exponent is van het 20ste – eeuwse modernisme? Omdat het samen met Ulysses van James Joyce en Mrs. Dalloway van Virginia Woolf de 20ste eeuw pas echt literair openbreekt? Omwille van de ontwrichte(nde) taal uit een ontwrichte tijd? De belezen wanhoop, de volgehouden antiromantiek? Of enkel al omwille van de beroemde aanzet tot het gedicht ‘The burial of the dead’ die me al een tijd lang achtervolgt:
April is the cruellest month, breeding
Lilacs out of the dead land, mixing
Memory and desire, stirring
Dull roots with spring rain.
Winter kept us warm, covering
Earth in forgetful snow, feeding
A little life with dried tubers
April is de grimmigste maand, hij wekt
Seringen uit het dode land, vermengt
Herinneringen en verlangen, port
Lome wortels op met lenteregen.
De winter hield ons warm, hulde
De aarde in vergetele sneeuw, voedde
Een restje leven met verdorde knollen.
Maar weegt dergelijke passage nu op tegen de fine fleur van de gehele Vlaamse poëzie na 1945? Uiteraard niet – de vergelijking alleen al is absurd. Bovendien weet T.S. de kracht en de spanning van de geciteerde aanhef niet het gehele werk vol te houden. De discontinuïteit van het lange gedicht gaat ten koste van de samenhang die je als lezer zelf moet (mag?) ontdekken Soms heb ik te veel sleutels nodig om mij toegang te verschaffen tot het gedicht. Ezra Pound, aan wie de bundel is opgedragen reduceerde de tekst van 835 tot 433 regels (!) waardoor een mens zich mag afvragen wie nu eigenlijk voor de bundel tekende. Zo gaat dat met mythes: men mag ze niet te veel tegen het daglicht houden, ze dulden geen feitelijkheid.
Wat heeft Thomas Stearns Eliot dan voor op de bewoners van ‘Hotel New Flandres’? Het naakte feit dat hij de dood bewoont. De laatste tijd lees ik bij voorkeur ‘dode’ dichters. Omdat ik met hen geen relatie meer hoef te hebben. Zij concurreren niet meer. Scharrelen niet meer rond in de buurt van berekende uitgevers. Zij hoeven niet meer met klem hun gelijk te verdedigen. Doden hebben altijd gelijk. Dode dichters zijn altijd onverdacht. Niemand spreekt hen nog tegen. Boven hun gedichten hangt hun rustgevende schaduw. Elk gedicht een epitaaf over voorbije levens. Door hun teksten kan ik flaneren als door een laat-zomers park. Hun gedichten dekken mij toe als Eliots winter.
Hugo Verstraeten
1. Paul Claes, Het Barre Land, De Bezige Bij, Amsterdam, 2007, 222 pp., vertaling van T.S. Eliot, The Waste land.
2. Hotel New Flandres. 60 jaar Vlaamse poëzie (1945 - 2005)
Samenstelling Dirk van Bastelaere, Erwin Jans en Patrick Peeters
PoëzieCentrum vzw, Gent 2008
3. Paul Claes, o.c., p. 28 & 29.
Labels:
Digther-2009/1,
Editoriaal,
Hugo Verstraeten
Abonneren op:
Berichten (Atom)
