woensdag 17 mei 2017

Al die tijd hield de berg zijn adem in - Voorstelling

Eind oktober van verleden jaar publiceerden we bij 'de Schaal van Digther'
een uittreksel uit de roman "Al die tijd hield de berg zijn adem in" van Francis Cromphout. De roman is ondertussen verschenen bij Beefcake publishing en wordt komende vrijdag 19/5/2017 om 20:00 u. officieel voorgesteld in het Cultuurcafé van Ledeberg, Ledebergplein 30.

Het programma:
Inleiding: Lucas Tavernier.
Wereldmuziek met
Paola Marquez,
Francis Cromphout,
Roman Kim,
Jasper De Kind en
Sara Galle

De toegang is gratis, maar graag vooraf een seintje:
mattheeuws.caroline@gmail.com of 0497/ 68 98 03

Al die tijd hield de berg zijn adem in is een uitgave van Beefcake Publishing en werd mee mogelijk gemaakt op basis van crowdfunding. Alejandra Anfossi stond in voor het mooie coverontwerp. Het boek kost 25€ en is verkrijgbaar via de boekhandel, de uitgeverij en de auteur .

zondag 7 mei 2017

Verklärte Nacht - Frans Deschoemaeker

In deze heldere vriesnacht moet ik denken aan de ontelbare woorden van de ontelbare gedichten in de hoge donkere zalen, kelders, depots en oubliëtten van de grote bibliotheken.

Verzonken in papier, velijn of perkament, verzonken in hun rijmen, hun duisternis, hun metaforen, lang niet meer gelezen of voor immer ongelezen, slapen zij.

In deze heldere vriesnacht door bewustzijn aangeraakt, gaan de oude gedichten in de oude, koude bibliotheken vorsthelder knisperen, zoals gras en kreupelhout knisperen onder rijp in de witte bermen van de autostrada’s van de grote landen in de nacht.

En wat betekent voor jou, verre vriend, (even niet denkend aan Schönberg, Delvaux, Piero della Francesca), het begrip Verklärte Nacht?



© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

zaterdag 6 mei 2017

Psalm 22,11 - Albert Hagenaars

Op u ben ik geworpen van de baarmoeder af

Psalm 22,11


Mijn moeder sloeg de vroedvrouw
weg en kreunde als een jonge ram
met zijwaarts getrokken kop.

Dan braken de vliezen. Haar beurse liezen
persten de vrucht van hoop door lippen
en klittend haar tot in het rode licht.

Ruw waren de hennep doeken, hard
en koud de handen die ons los
sneden, mij langdurig droog wreven

en aan haar lange speen legden. Ik beet
me vast in dit zwellend vlees, zoog
meer liefde dan zij kon geven en leerde

dat ik in Uw naam een andere dorst
moest lessen; aller vrees bezweren,
aller verlangen naar verlossing bezegelen.


Albert Hagenaars



Noot:
Vorig jaar nodigde pastor/dichter Rob van Uden, zijn vriend Albert Hagenaars uit om samen met hem, maar gescheiden van tafel en pc, een variatie op ‘Psalm 22’ te maken. Het vers mocht Hagenaars zelf kiezen. De Schaal van Digther publiceert de dichterlijke consequentie van twee verzen: Vers 9 met een gedicht van Rob van Uden en Vers 11 met een uitweiding van Albert Hagenaars.

vrijdag 5 mei 2017

Psalm 22,9 - Rob van Uden

Laat de ene zorgen


Psalm 22,9

Dat ik hoest en roestig
hijgen eerbiedig, ‘t haperend
happen naar de adem
die u hebt ingeblazen;

't geboeid aanvaarden
dat u mond op mond mij
woorden van leven
op de lippen legt;

’t lef van voeten in de beugels
wanneer ik geen teugel
in handen, of uitkomst
voor ogen heb;

omdat u het tobben
en twijfelen dat ik zo nodig
meen te hebben, van mij
afwentelt, overneemt.


© Rob van Uden



Noot:
Vorig jaar nodigde pastor/dichter Rob van Uden, zijn vriend Albert Hagenaars uit om samen met hem, maar gescheiden van tafel en pc, een variatie op ‘Psalm 22’ te maken. Het vers mocht Hagenaars zelf kiezen. De Schaal van Digther publiceert de dichterlijke consequentie van twee verzen: Vers 9 met een gedicht van Rob van Uden en Vers 11 met een uitweiding van Albert Hagenaars.


Psalm 22 - Rob van Uden - Albert Hagenaars

Vorig jaar nodigde pastor/dichter Rob van Uden, zijn vriend Albert Hagenaars uit om samen met hem, maar gescheiden van tafel en pc, een variatie op ‘Psalm 22’ te maken. Het vers mocht Hagenaars zelf kiezen. De Schaal van Digther publiceert vandaag en morgen de dichterlijke consequentie van twee verzen: Vers 9 met een gedicht van Rob van Uden en Vers 11 met een uitweiding van Albert Hagenaars.

Laat de ene zorgen – Rob van Uden
Op u ben ik geworpen van de baarmoeder af – Albert Hagenaars


Rob van Uden
Albert Hagenaars
© Foto:
Vera Seppion

vrijdag 21 april 2017

Hoe een scherpe geest alles aanzwengelt - Hendrik Carette

De blauwe Donau

De Donau ontspringt in het Zwarte Woud
en mondt uit in een delta aan de Zwarte Zee.


Solo in Londen

Toen ik er was, was mijn lief er helaas niet.
Zo was ik weer eenzaam in de wijk Soho.


De kwadratuur van de cirkel

Broodthaers, Duchamp, Mariën en Van Maele;
vier kunstenaars met een mooi Marcelleke.


De oorlog in Afghanistan

Door de aanwezigheid van al die Amerikanen in Afghanistan
zijn daar haast geen Afghaanse windhonden meer te vinden.


In de stad Wenen

Het tragische trio bestaande uit Klimt, Kraus en Wittgenstein
walste daar koninklijk en keizerlijk in deze walsende stad.


Brugse humor

Toen mijn vader jong was en in de Steenstraat flaneerde
droeg hij geen hoed; ik doe het nu wel en zo is het goed.


Amélie Nothomb, een schrijfster voor alle Belgen

Eerst was zij al een bleke sombere jonkvrouw
en nu werd zij ook nog een schrijvende barones.


Literaire roddel voor gevorderden

Maarten ’t Hart heeft geen hart voor Connie Palmen.
Maar Connie Palmen ook zeker niet voor deze Maarten.


Stalin en Hitler

De eerste spaarde niemand. Ook zijn eigen zoon Jakov niet.
De tweede spaarde wel Ernst Jünger, maar niet Ernst Niekisch.


De hoog en luid spuitende walvis

De witte walvis en de blauwe vinvis keerden ooit terug van het vasteland
om sinds eeuwen en eeuwen ginds in de wateren te zwemmen en te drijven.


Het geheim van het Zeeuwse licht

Op Walcheren ter hoogte van Domburg boven een hoge zee
zag ik na Jan Toorop en Piet Mondriaan het Zeeuwse licht.


In de jaren zestig van de vorige eeuw

Het gras was toen overal nog blauw. O, en Portland lag in Oregon.
Hier zong toen de wonderman Deroll Adams en speelde op zijn banjo.


Celan en Cioran

Beiden konden op tijd vluchten; de donkere dichter
uit de Boekovina. De scherpe denker uit de Balkan.


Mijn ontologie

Als grootgrondbezitter werd ik onteigend.
Als dichter werd ik het zwijgen opgelegd.


Nescio

Hij wist het wel: een hond moet janken in de nacht.
En een lange spooktrein is zeker geen pleziertrein.


Marja Pruis

Ze heeft mooi krulhaar en een melancholische glimlach.
God verhoede dat zij op een kwaadwillende man valt.


Existentiële vraag

Moet ik mij tot de middeleeuwse rabbijn Maimonides wenden?
Of tot de mystieke Meester Eckhart? Of blijf ik bij George Steiner?


Oostende en Brugge

Het verschil tussen deze twee steden moge duidelijk zijn:
de badstad is de witte stad, de zwanenstad is de zwarte.


Multatuliaans idee

Bijna niemand schijnt het te weten, zelf weet ik het ook niet.
Maar de weinigen die het wel weten, zijn het samen zeer eens.



© Hendrik Carette


vrijdag 14 april 2017

De Ezelbrief - Philippe Cailliau

Aan Frank Pollet, naar aanleiding van zijn jeugdroman "Want een ezel is een voorbeeldig mens" uit 2014

21 februari 2017, des avonds

Goede Frank

Als een mens veel leest, komt hij wel eens een (tekst)fragment tegen dat hem behoorlijk verbaast, dat hem zelfs lichtjes doet verschieten, dat hem een aha-moment bezorgt. Kortom: dat zijn hart één slag doet overslaan. Het eerste wat hij dan doet, is die pagina, die alinea of die idee of zin van de schrijver in kwestie opnieuw lezen terwijl hij zich afvraagt of hij wel goed gelezen heeft, waar de herkenning van dat fragment vandaan komt. Want toeval in de literatuur - bestaat toeval in de literatuur? Als aandachtige lezer denkt hij: dit is waarachtig te mooi, er moet een literaire god bestaan.

Ik verklaar me nader, Frank, want je bent je vermoedelijk aan het afvragen wat er met mij aan de hand is. Neen, ik heb niet gedronken, je weet dat mijn dronkenschappen al tientallen jaren verleden tijd zijn. Neen, ik hallucineer noch bazel onzin. Ik stel gewoon vast dat de literaire boekenwereld klein is, ook de wereld van de wereldliteratuur, dat literaire ideeën en beelden niet zo uniek zijn als de gebruiker van die beelden wel zou wensen. Het is een kwestie van het juiste boek in handen te hebben.

Het voorbije jaar heb ik me een hele reeks autobiografische geschriften aangeschaft die uitgegeven zijn door De Arbeiderspers, in de unieke serie Privé-domein. Veel van die boeken zijn niet meer te koop en je moet je al in het tweedehandscircuit begeven om de ontbrekende delen te vinden en aan te kopen, de ene titel voor een prikje, de andere aan wel het dubbele van de oorspronkelijke prijs: de verkoper of de antiquair weet in dat geval wat hij aanbiedt en wat dat mag kosten. Maar de zoektochten hebben mijn inspanningen beloond: ik heb me een aantal delen kunnen aanschaffen die ik voor geen geld nog uit handen wil geven. Het is met mij altijd hetzelfde probleem: als de boeken uitkomen, heb ik er geen belangstelling voor, en als ze dan uitverkocht zijn, als de uitgever geen heil meer ziet in een zoveelste herdruk, dan besef ik ineens wat ik aan het missen ben en wil ik dat bepaalde boek te allen prijze in mijn geestelijke en papieren bibliotheek hebben. De wereld op zijn kop. Dat heb je met veellezers die meer willen kunnen lezen dan de tijd die hun op de aarde is gegund, hen schenkt.

Gisterenavond was ik aan het lezen in het Privé-domeindeel Portretten van Maksim Gorki (pseudoniem voor Aleksej Maksimovitjs Pesjkóv). Portretten werd vertaald door C.J. Pouw. Dit ter informatie. In dat boek verzamelt Gorki diverse losse aantekeningen over zijn ontmoetingen met grote namen uit de Russische literatuur. Elke verzameling wordt dan een portret. Het eerste is gewijd aan Anton Pavlovitsj Tsjechov. Het is een portret dat van tederheid en vooral van respect voor Tsjechov als mens en verhalenschrijver getuigt. Het tweede betreft Lev Nikolajevitsj Tolstoj. Gisteren las ik de aantekening nummer 21 van Gorki over Lev Tolstoj. De meester zélf (Tolstoj, dus) heeft het in dat stuk over het bij tijd en wijle vreemde taalgebruik van zijn gewaardeerde collega Fjodor Michailovitsj Dostojevski. Gorki citeert (pp. 43-44) wat Tolstoj nogal neerbuigend daarover zegt: “Hij schreef afschuwelijk en zelfs met opzet lelijk; ik ben ervan overtuigd, dat hij dat expres deed, uit een soort koketterie. Hij wilde de aandacht trekken. In De idioot zegt hij ergens: “Met een onbeschaamde opdringerigheid en teneinde te affichiëren dat zij elkaar reeds kenden.” Volgens mij heeft hij het woord “afficheren” met opzet verminkt, omdat het een vreemd, uit het Westen afkomstig woord is (…). Maar er zijn bij hem ook onvergeeflijke blunders aan te wijzen: de “idioot” zegt: “De ezel is een goed en nuttig mens”, maar niemand die er lacht, ofschoon deze woorden beslist gelach of de een of andere opmerking aan de toehoorders moeten ontlokken. Hij zegt dit in het bijzijn van de drie zusters en die namen hem maar wat graag op de korrel. Aglája vooral.”

Ik was aangenaam verbaasd toen ik deze passage las, Frank. De reden daarvan ken je zeker en vast. Omdat ik het adagio ‘check – double check’ huldig, ben ik dadelijk op zoek gegaan naar de aangehaalde passage in De idioot van Dostojevski. Ik heb die roman in een oude editie in mijn piepjonge studentenjaren nog ooit gelezen, maar ik herinner me er alleen de grote lijnen van, niet de details en opvallende uitspraken. De idioot is door Van Oorschot uitgegeven in de Russische Bibliotheek, in dundruk, wat ook kleine karakters impliceert en veel tekst op een pagina - je kent die dure delen van het literaire en biografische oeuvre van diverse Russische schrijvers wel. Die dundrukreeks behandel ik met liefde en met de grootste eerbied. De idioot, in een recente vertaling van Arthur Langeveld, verscheen in 2013 als nummer 6 van Dostojevski’s Verzamelde werken. De idioot is een roman van 663 dichtbedrukte bladzijden en verscheen voor het eerst in hoofdstukken in een Russisch tijdschrift in 1868, met name in De Russische bode.

Het is niet vanzelfsprekend een ezelpassage terug te vinden in een dikke, goed gevulde dundruk. Ik begon van achter naar voor en kwam tot: niets. Geen vruchtbare zoekmethode, dus. Een mens moet het geluk een beetje aan zijn kant hebben. Maar de ezel wilde niet opduiken, bijna 700 pagina’s lang. Dan maar de omgekeerde zoekrichting geprobeerd, geduldig en pagina na pagina diagonaal lezen, … . Op de bladzijden 64 en 65 had ik al prijs!

Op bladzijde 64 is vorst Mysjkin, de idioot van de titel, aan het woord. Hij vertelt de generaalsvrouw (maman, die samen met haar drie dochters naar hem luistert) het volgende: “Iets van binnen wilde me dood hebben. Uit deze duisternis ontwaakte ik pas de avond in Bazel, bij mijn aankomst in Zwitserland, toen ik wakker werd door het gebalk van een ezel op het marktplein. De ezel maakte diepe indruk op me en viel om de een of andere reden erg bij me in de smaak (…).” Wat verder (bladzijde 65) vervolgt hij: “Sindsdien houd ik ontzettend veel van ezels. Dat zijn zulke sympathieke dieren. (…) ik ben meteen tot de ontdekking gekomen dat het een uiterst nuttig lastdier is, sterk, geduldig, goedkoop taai (…).”

De generaalsvrouw probeert het gesprek een andere wending te geven, maar vorst (prins) Mysjkin komt terug op zijn ezelervaring. “Ik blijf bij mijn ezel”, zegt hij, “ een ezel is een goed en nuttig mens”. De generaalsvrouw stelt dan de vraag: “En bent u ook een goed mens, vorst?”

Tot zo ver de studie bij Gorki, Tolstoj en Dostojevski van de tekstfragmenten met de ezel als een positief mens. Voor de volledigheid moet ik (in Gorki’s Portret) Tolstoj corrigeren wanneer hij beweert dat niemand tijdens de ezelconversatie lacht: in de passage in De idioot wordt er tijdens het gesprek met vorst Mysjkin door de vier vrouwen wél gelachen.

Je merkt het, Frank, bij Gorki, Tolstoj en Dostojevski lezen we geen kwaad woord over de ezel. Ik weet dat jij zielsveel van ezels houdt, dat bij je thuis twee schattige ezels wonen, de broers Victor en Henri, die zo goed als volwaardige leden van je huishouden en je gezin zijn, net als je rashennetjes en andere schattige knabbelaars.

Ik heb een hele omweg afgelegd om tot de kern van deze brief te komen.

De ezels, dus. Ezels zijn voorbeeldige mensen. Ezels zijn goede en nuttige mensen. Wanneer je breed interpreteert, kun je stellen: als de mens wat meer goede eigenschappen van de ezel zou overnemen, dan zou hij een goed en nuttig mens zijn. Want ezels zijn nuttig en hebben een goed karakter. Maak er desgewenst een metafoor van: ezels zijn als goede, als nuttige, als voorbeeldige mensen.
In 2014 verscheen van jou het schitterende jongens-en-meisjesboek Want een ezel is een voorbeeldig mens. Een fijn boek, waarvoor je heel terecht schitterende recensies en lauwerkransen hebt mogen ontvangen (de Inclusieve Griffel 2015 en de Eerste Prijs van de Kinder- en Jeugdjury Vlaanderen 2016). De in het oog springende titel van het boek zal zeker – en heel terecht – wat bijgedragen hebben tot de goede perceptie van het bekroonde boek. Het is ook een knappe titel, die je niet gauw vergeet. In een extra berichtje achteraan het boek, op bladzijde 254, schrijf je dankbaar: “Dank aan de dichter en ezelman Theun de Winter die de titel van dit boek heeft bedacht.”

Die dankbetuiging wakkert mijn nieuwgierigheid aan. Daarom stel ik me de volgende vraag, Frank, het gaat tenslotte om een literaire wetenswaardigheid. Heeft dichter en “ezelman” Theun de Winter jou die titel aan de hand gedaan zonder dat hij zelf ervan op de hoogte was dat Dostojevski in De idioot via het personage vorst Mysjkin de ezel kwalificaties gaf die erg gelijken op de kwalificatie van de ezel in jouw boektitel? Dat zou kunnen. Ik kom terug op mijn inleidende woorden: bestaat literair toeval? De kwalificaties goed en nuttig, en voorbeeldig liggen heel dicht bij elkaar, toch? Het woord “want” maakt het verschil niet.

Ik las onlangs een essay van Tsvetan Todorov over geheugen en herinnering. Aan die twee begrippen moet ik nu denken. Ik ga ervan uit dat Theun de Winter in zijn jeugdjaren De idioot van Dostojevski gelezen heeft, maar de bijzonderheden, de dialogen en beelden al heel lang vergeten is. In zijn onderbewuste is de ezel-mensmetafoor wellicht altijd blijven hangen. In de mist en sluiers der tijden, in de moerassen van de jaren, zeg maar. En toen jullie het over jouw ezelroman hadden, zal het beeld uit de duisternis tevoorschijn gekomen zijn, welwiswaar in licht gewijzigde vorm, maar toch nog dicht genoeg bij Dostojevski’s metafoor. Het is een plausibele verklaring.

Hopelijk vind je het een verrijking dat de oorsprong van je boektitel aan de oppervlakte is gekomen en dat je boek in tweede instantie een hommage is geworden aan een bijzonder illustere literaire voorvader. Ik lees je titel als het resultaat van een gelukkige opgraving uit de diepe lagen van het onderbewuste, dat meer van een boek onthoudt dan het bewuste van een wakkere lezer. Jaren en jaren na elkaar eroderen beelden en metaforen van een leeservaring, maar de kern ervan vindt blijkbaar altijd wel de weg naar buiten. Het is als beelden uit een droom: ze zijn er, maar waar komen ze vandaan?

En jij, Frank? Je kunt, net als wij allemaal, niet alles gelezen hebben. Gorki, Tolstoj en Dostojevski liggen nu niet bepaald op iedereen zijn nachtkast.

Hugo Claus haalde voor zijn werken zowat overal zijn mosterd vandaan, en niemand heeft hem dat ooit kwalijk genomen. Integendeel, zijn reminiscentietechniek dwong bewondering af, er werden thesissen en boeken over geschreven. Jouw titel mag dus net zo goed een interessante literaire ontstaansgeschiedenis hebben.

Misschien hebben we iets aan deze brief. Belangrijk is, dat de oorsprong van de titel van je boek ook vanuit een andere hoek belicht wordt.

Schrijf nog veel mooie jeugdboeken, Frank, en groet Henri en Victor van me. Ze zijn fantastische jongens!

Ik hels je om – als steeds.

Philippe
Oostende, IJzerstraat 22


© Philippe Cailliau


zaterdag 8 april 2017

Sprezzatura! - Frans Deschoemaeker

Kerktrappen in Italië. Ze nodigen uit tot verpozing, bespiegeling, observatie van mensen. Wanneer ik weer eens uitblaas op de trappen van een duomo of een collegiata krijg ik het gevoel dat ik toeschouwer word in een theater, meer nog, dat ik zelf deel uitmaak van de enscenering en dat ik op mijn beurt door iemand zal worden geobserveerd.

Italianen hebben het grote voorrecht zich haast voortdurend te mogen voortbewegen in een publieke ruimte die door beeldhouwers, architecten, schilders, musici, dichters, theatraal werd georganiseerd. De theatrale ruimte lokt geoliede lichaamstaal uit, zelfbewustzijn, bestudeerde maar vanzelfsprekend lijkende elegantie. Of het nu op het gladde plaveisel van Milanese winkelarcades is, op die onmogelijke kinderkopjes van Mantua of op de trappen van Siena; Italianen bewegen zich van nature als op een catwalk.

Je hoort vaak dat de mannen oppervlakkig zijn: alleen donne, macchine, calcio (vrouwen, auto's, voetbal - niet noodzakelijk in deze volgorde) maken het bestaan de moeite waard. Misschien zijn het niet toevallig drie dingen die met sierlijkheid en gratie kunnen worden geassocieerd. Misschien zijn wij, noorderlingen, inderdaad te zwaar op de hand en kan deze oppervlakkigheid ook vertaald worden als nonchalance, zwier en levenskunst, het vermogen tot genieten, als een gelukkig gevolg van eeuwenlange welstand, humanisme en driehonderd dagen zon per jaar.

In Italië versterkt de etiquette het plezier in het leven, en omgekeerd. Het was in 1528 dat Baldassare Castiglione Il libro del cortegiano (Het boek van de hoveling) schreef, over decorum en goede omgangsvormen. Weinig Italianen hebben dat boek gelezen, daar verwed ik mijn hoed om, maar de principes die erin uiteengezet worden, lijken hen wel, samen met heel die dekselse Renaissance overigens, onderhands in de genen gekropen te zijn.

Samarkand, Angkor Vat in het smaragdgroene Cambodja en het hiphoppende New York hoeven voor mij niet écht, zolang ik maar naar die opwindende cocktail kan van cipressen en marmer, abrikooskleurig stucco, zijden kousen met zwarte naad, espresso, maatpakken en knetterende vespas. Ik benijd die goedgeklede ambtenaren die 's morgens, vóór zij naar kantoor gaan, nog alle tijd van de wereld lijken te hebben om bij een ristretto hun krant in te kijken aan een zonovergoten bar, en ik beschouw die gewoonte als een doorslaggevend bewijs van beschaving.

In de voetsporen van Norman Douglas en Geerten Meijsing met camera en schetsboek door het oude Calabria lopen en in ruïneuze kerkjes vergeten fresco’s inventariseren, is al heel lang een jongensachtige droom van mij. Ik moet mij nu echt wel gaan haasten…



© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

vrijdag 7 april 2017

Frank Decerf en Yerna Van den Driessche in het Leeshuus

Uitnodiging

Op vrijdag 21 april 2017 struinen Yerna Van den Driessche en Digther-redacteur Frank Decerf samen in Oostende door literair duinzand. En daar is er in Oostende nogal wat van!
Plaats van afspraak: 't Leeshuus, Groentenmarkt 3, Oostende.
Aanvang: 19:00 u. - Inschrijving vereist: info@leeshuus.be
Meer info: 't Leeshuus - "Ontdek onze kleine stadsoase"
Iedereen welkom! Ook namens de Schaal van Digther!





















"Na de voorstelling"


Foto: © Anne Brabant




































 


maandag 3 april 2017

Familiefeestje - Miel Vanstreels

We tellen steeds vaker
onze zegeningen

nemen steeds meer
voor lief,

de doden huizen hier
in dromerige blikken

in ogen
vol zwijgzaam
gemis


© Miel Vanstreels


zondag 2 april 2017

Koers - Paul Rigolle


(Liedje om te zingen op de dag dat de Ronde
van Vlaanderen verreden wordt)


Overmoed trekt al vroeg op pad vandaag.
Lef gaat mee. Gevolgd door Naamsverlangen,
Heraut en Beeldbezoedelaar. Windstilte wacht

nog even af. Overtuiging ligt al vast. Stafrijm,
Metrum, Prosodie, het klikt meteen. Komaan
Dadendrang rij maar in een molentje met ons mee.

Bravoure haalt Werkkracht in. Drama en Hectiek
springen van wiel naar wiel. Kortsluiting
komt op het hoofd terecht. Vallen is niet fijn.

Geen Truken van de foor, maak niemand Blaasjes wijs.
We kijken op noch om, zetten koers richting Einder
in een vreemde zucht naar Helderheid.

Bloedvorm, Panache en Grinta snellen weg,
vliegen samen over de meet. Wie er wint,
wordt straks wel op een foto uitgeklaard.


© Paul Rigolle


vrijdag 31 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (04) - Joris Denoo

04


Mondenvol hol modernisme alom.
Tussen steeds nieuwe splinters ben jij te vinden,
te rapen. In boeken tegen het bloeden
spoel je aan als drenkeling, enkeling.

‘Ten aanval’: hoe wrang, hoe bang.
Je wereld is schier een eiland.
De golven schuimbekken en bijten.
Landing, last minute of crash: alles kan.

Het waren ook astronauten te Ieper.
Ze floten in banen om hun hoofd,
gehelmd, getekend: negentien.
En nu jij, met de helm verloren.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...

http://jorisdenoo.skynetblogs.be/
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be/
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be/
http://ericaangel.skynetblogs.be/
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81/
http://blog.seniorennet.be/ericotonne/
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare/
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4/
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be/
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com/


donderdag 30 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (03) - Joris Denoo

03


Inpalmen, ach, waarom en voor wie?
In ’s hemelsnaam zeer zeker niet.
Evenmin in een andere naam.
De koning is rijk als hij alleen maar kijkt

Met afstandsbediening, brieven en begrip.
Met je doornenkroon om je hoofd gevlochten
en je tatoes van verleden veldslagen.
Laat je niet zalven met psalmen.

Want jij kent de aarde, en de zwaarte
van haar kracht. Die blauwe bol draait
vierkant in het rond, tot nader order.
Ongehoord valt een man overboord.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...


http://jorisdenoo.skynetblogs.be
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be
http://ericaangel.skynetblogs.be
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81
http://blog.seniorennet.be/ericotonne
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com



woensdag 29 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (02) - Joris Denoo

02


Voortdurend word je weer opgeroepen.
De middelen zijn beperkt, de overmacht groot.
Kuilen, kussens: daar draait het om.
En een ransel vol roze en blauw.

Er is een thuisfront met vrijgeleide,
binnen de perken van het marsbevel.
Je krijgt een arm, wees gerust.
We juichen bij een stelling weer ingenomen.

Deinzen en afzien is ook een tactiek.
Hoe ouder die oorlog wordt,
hoe kouder we hem in de ogen kijken.
Want jong is blind en luistert nauw.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...

http://jorisdenoo.skynetblogs.be
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be
http://ericaangel.skynetblogs.be
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81
http://blog.seniorennet.be/ericotonne
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com


dinsdag 28 maart 2017

Vier brieven aan mijn zoon (01) - Joris Denoo

01


Ze zijn negentien gebleven te Ieperen.
In Werchter zijn ze weer negentien.
De ene kluit is de andere niet.
En hun tenten, graven en koorts.

De tijd staat zo stil in jou,
tenzij hij suist als een schicht.
Soms slaat hij in, soms sluimert hij.
Maar altijd is hij slapende vennoot.

Laat ons drie tenten opslaan:
jij, wij en de letteren.
Op de zuidflank van Hill 19.
Laten we knetteren.


© Joris Denoo


Bovenstaand gedicht maakt deel uit van de cyclus “Vier brieven aan mijn zoon” van Joris Denoo die hier op ‘de Schaal van Digther’ gedurende vier dagen wordt gepubliceerd. De cyclus wordt in het najaar van 2017 opgenomen in "Zwaartekracht", een langverwachte nieuwe bundel van Denoo die zal verschijnen bij Kleinood & Grootzeer.


Joris Denoo, een man van vele blogs, en vele oorlogen...

http://jorisdenoo.skynetblogs.be/
http://vreeslijkeverhalen.skynetblogs.be/
http://romaneskeboeken.skynetblogs.be/
http://ericaangel.skynetblogs.be/
http://blog.seniorennet.be/joris_53_marius81/
http://blog.seniorennet.be/ericotonne/
http://blog.seniorennet.be/geraldine_roslare/
http://blog.seniorennet.be/donderdag_007_4/
http://blog.seniorennet.be/romansDNO
http://miljardenflarden.bloggen.be/
www.tinedefilm.be
http://itsgreyhound.tumblr.com/


maandag 27 maart 2017

De oneindigheid - Giacomo Leopardi

Een poëtisch commentaar van Edward Hoornaert bij L’infinito 

Goed tien jaar geleden reisde ik met de auto richting Umbrië en de Marken, twee Italiaanse regio’s die het bij de meeste toeristen in populariteit moeten afleggen tegen Toscane als gedroomde reisbestemming, maar die qua authenticiteit helemaal niet moeten onderdoen voor het gebied waar de Italiaanse renaissance in de vijftiende en zestiende eeuw haar hoogtepunt beleefde. Umbrië, ook wel il cuore verde d’Italia genoemd, herbergt met Perugia misschien wel één van de mooiste capoluoghi van Italië terwijl de Marken, ingebed tussen de Apennijnen in het westen en de prachtig uitgesneden Adriatische kust in het oosten, met zijn rijk geschakeerde lappendeken van ontelbare heuvels én de aanwezigheid van kunst en cultuur in tal van kleinere en grotere steden niet voor niets ook soms als het ‘nieuwe Toscane’ geprezen wordt. Het is in laatstgenoemde regio (waarvan de van oorsprong Oudgermaanse naam nog herinnert aan de middeleeuwen, toen het grondgebied van de Marken nog aan de grens lag van het keizerrijk van Karel de Grote) dat Recanati ligt, een stadje gelegen bovenop een heuvel én onlosmakelijk verbonden met zijn ontegensprekelijk beroemdste inwoner die er aan het einde van de 18e eeuw geboren werd en er in het begin van de negentiende eeuw zijn jeugdjaren doorbracht, met name de grote Italiaanse dichter Giacomo Leopardi (1798-1837).

Monte Tabor, il colle dell’infinito

Een bezoek aan Casa Leopardi, het ouderlijke huis van Leopardi, was een van de belangrijkste redenen van mijn bezoek aan de stad. Het palazzo heeft immers een prachtige familiebibliotheek die zowat de hele eerste verdieping van het gebouw inneemt en waar de schrijver in spe zich op vijftienjarige leeftijd verdiepte in de studie van klassieke en moderne vreemde talen, geschiedenis, filosofie en filologie. Wat echter nog meer tot mijn verbeelding sprak was Monte Tabor, een kleine heuvel niet ver van het paterno ostello van waaruit Leopardi vaak in alle eenzaamheid ging wandelen om zijn geest de nodige ruimte te geven. En laat het nu net de warme herinneringen aan die wandelingen op Monte Tabor zijn die Leopardi er in 1819, op amper 21-jarige leeftijd, toe zullen brengen één van zijn meest tot de verbeelding sprekende gedichten neer te pennen: L’infinito (De oneindigheid). Monte Tabor heeft er zijn bijnaam il colle dell'infinito aan te danken en in het park dat men er heeft aangelegd vlakbij het Centro Studi Leopardiani, vind je het openingsvers ‘Sempre caro mi fu quest’ermo colle’ (‘Steeds was mij deze eenzame heuvel lief’) in grote letters op een muur terug. Het is op die plek dat je, op heldere dagen, met je rug gekeerd naar de muur, vanop de op het zuiden georiënteerde heuvel de besneeuwde toppen van de Monti Sibillini kan aanschouwen. Het is ook op diezelfde plaats dat Leopardi ’s avonds de maan in al haar bevalligheid kwam bewonderen, waarvan een wondermooie impressie in Alla luna, een ander bekend gedicht van zijn hand.

Een ‘kleine beeltenis’ van het oneindige

Het gedicht L’infinito maakt deel uit van de bundel Idilli (Idyllen, 1826). Een idylle betekent letterlijk ‘kleine beeltenis’ en beperkt zich doorgaans tot een lieflijke schildering van het landelijke, eenvoudige leven, zoals dichters zich dat droomden: vredevol, gelukzalig en vrij van elke ondeugd. Met de keuze voor deze titel schrijft Leopardi zich nadrukkelijk in in een klassieke poëtische traditie die zijn aanvang neemt bij Theocritus en de Alexandrijnse dichters. En toch neemt hij meteen ook afstand van die traditie. Zoals hij later zelf zal aangeven in het werk Disegni letterari (1828) zijn de Idilli in feite composities die ‘situaties, affecties, historische avonturen van zijn geest’ tot uitdrukking brengen. De idylle wordt bij Leopardi met andere woorden een genre waarin de dichter zichzelf niet zozeer tot doel stelt een landelijk tafereel in woorden te schilderen, maar zich bij het aanschouwen van de natuurlijke wereld die zich voor zijn ogen voltrekt bovenal concentreert – in een vorm van pure lyriek – op zijn gemoedstoestand, zijn diepere gevoelens, de bewegingen van zijn geest. Leopardi vernieuwt de idyllische traditie door een persoonlijke en intieme dimensie aan zijn verzen toe te voegen. Dergelijke verinwendiging van het ‘gebeuren’ breekt de idylle open en heft de begrenzing en beperking van die ‘kleine beeltenis’ op. Het beeld dat de dichter voor ogen staat ontdubbelt zich in een werkelijk beeld (empirisch waarneembaar, beperkt en begrensd) en een ‘virtueel’ beeld (vrucht van de dichterlijke verbeelding). De voortdurende slingerbeweging tussen wat het subject ziet en hoort enerzijds en datgene wat hij zich voorstelt en herinnert anderzijds brengt zijn geest in extase en het is in die extreme gemoedstoestand dat het oneindige voorvoeld wordt.

L’infinito

Sempre caro mi fu quest’ermo colle,
e questa siepe, che da tanta parte
dell’ultimo orizzonte il guardo esclude.
Ma sedendo e mirando, interminati
spazi di là da quella, e sovrumani
silenzi, e profondissima quiete
io nel pensier mi fingo; ove per poco
il cor non si spaura. E come il vento
odo stormir tra queste piante, io quello
infinito silenzio a questa voce
vo comparando: e mi sovvien l’eterno,
e le morte stagioni, e la presente
e viva, e il suon di lei. Così tra questa
immensità s’annega il pensier mio:
e il naufragar m’è dolce in questo mare.

De oneindigheid

Steeds was mij deze eenzame heuvel lief
en deze heg, die aan zoveel zijden
de verre horizon aan ’t oog onttrekt.
Telkens als ik hier zit, stel ik me erachter
onmetelijke ruimten voor, en stilten
die ’t menselijk begrip te boven gaan,
en peilloos diepe rust; waarbij ik soms
bijna verstijf van angst. En als ik dan
de wind door deze takken heen hoor waaien,
dan vergelijk ik die immense stilte
met dit geruis: ik denk aan de eeuwigheid,
aan de afgestorven jaren, en aan dit
dat leeft, en aan ’t geluid ervan. En zo
verdrinkt mijn geest in eindeloze diepten,
en zoet is ’t mij in deze zee te zinken.

(Vertaling: Frans van Dooren)


Het gedicht, dat uit één enkele strofe van 15 hendecasyllabi bestaat, vertrekt vanuit het eenvoudige decor van een idylle, een landschap gevormd door een eenzame, geliefde heuvel en een heg die de horizon aan het gezicht onttrekt. Het is echter net de waarneming van dat laatste obstakel die de verbeelding van het subject in werking doet treden en paradoxaal genoeg ruimte creëert voor ‘onmetelijke ruimten’ en ‘stilten die ’t menselijk begrip te boven gaan’. Na dit eerste overwegend visuele deel waarin de perceptie van oneindigheid in ruimte zich aan het subject openbaart (binnen het speelveld van zijn verbeelding weliswaar), volgt een tweede meer auditief deel waar opnieuw een concreet element, namelijk het ruisen van de wind dat zich als stem van het heden over de immense stilte van de onmetelijke ruimte binnen de verbeelding legt, de deur openzet naar het ervaren van een oneindigheid in tijd. Het horen van de wind maakt het subject opnieuw bewust van het levendige heden, maar roept meteen ook op wat niet meer tot dat heden behoort: ‘de afgestorven jaren’, de tijd in al zijn ‘eeuwigheid’. Levert Leopardi hier het fictieve bewijs van de grootsheid van de menselijke geest die het hele universum kan gevoelen, zonder enige beperking in tijd en ruimte? De ontdekking van oneindigheid verloopt bij Leopardi in elk geval via de zintuigen, en niet langs de weg van het verstand. Meer nog, het opheffen van de rede is een noodzakelijke voorwaarde om onder te kunnen gaan in de zee van oneindigheid. Het lyrisch subject stelt zich iets voor wat (per definitie) niet te vatten is wegens ‘onmetelijk’ en ‘peilloos’. Begrip (‘greep krijgen op iets’) veronderstelt net afgrenzing, afbakening (zowel in tijd als in ruimte). En daar waar het subject in het eerste deel nog vreest zichzelf te verliezen in dit avontuur van de geest omwille van de onbekendheid met een niet eerder ervaren stilte, rust en onmetelijkheid die hem tegelijkertijd aan de dood doen denken (‘ove per poco il cor non si spaura’), boezemt schipbreuk hem aan het einde geen angst meer in. Welintegendeel, het is met het grootste genoegen dat hij zijn geest laat zinken in de ‘eindeloze diepten’ van de zee der oneindigheid (‘e il naufragar m’è dolce in questo mare’).

Neigen naar het oneindige

Volgens Leopardi neigt de mens van nature uit naar oneindigheid. Het is Leopardi hier echter niet te doen om bovennatuurlijke krachten, om pure metafysica, maar veeleer om het streven naar een genoegen dat geen grenzen kent in duur noch uitgestrektheid, zo zal later duidelijk blijken uit zijn ‘teoria del piacere’ die hij ontwikkelt tussen 1819 en 1823 en waarvan de kerngedachte neergeschreven wordt in zijn Zibaldone (1820). Daarin stelt hij piacere (genoegen) gelijk aan felicità (geluk), maar verkiest hij, ter verduidelijking van zijn theorie toch de eerste, meer sensualistische term. In deze theorie staat Leopardi stil bij ons ‘neigen naar het oneindige’ dat wij niet kunnen bevatten, tenzij via de verbeelding, maar dan nóg enkel op onbepaalde wijze en niet op oneindige wijze. Het oneindige is immers altijd vrucht van de menselijke verbeelding, die eindig is. Maar het is wel enkel via de verbeelding dat we geluk kunnen ervaren. Enkel door jezelf over te geven aan de uitgestrektheid van de verbeelding en de rede op te heffen, door jezelf te laten opgaan in een oneindige, onbepaalde ruimte, door jezelf te verliezen, kan je een echt genoegen ervaren. Dit genoegen kan telkens opnieuw hernieuwd worden via nieuwe gewaarwordingen die je toelaten om het per definitie tijdelijke karakter van de werkelijkheid te overstijgen, tot de dood er een einde aan maakt. Het zich kortstondig inbeelden (of creëren) van die oneindigheid heeft voor Leopardi bijna vanzelfsprekend baat bij een poesia vaga e indefinita (een vage en onbepaalde poëzie) waarbij de verzen onder elkaar niet enkel een een metrisch continuüm vormen, maar ook een syntactisch continuüm dankzij de vele enjambementen en voegwoorden. De keuze voor een woordenschat die elke concrete waarneming of waarneming van eindigheid ontwijkt, draagt eveneens bij tot een ‘onbepaalde’ waarneming die verder uitdeint in tijd en ruimte. En daar waar in het begin van het gedicht nog concrete plaatsbepalingen (‘quest’ermo colle’, ‘questa siepe’) gebruikt worden die verwijzen naar een welbepaalde plaats, met name Monte Tabor in Recanati, vervagen ook die naarmate we verder ondergedompeld worden in het bezwerende ritme van het gedicht en andere, vagere elementen het oneindige, het onbepaalde oproepen (‘questa immensita’, ‘questo mare’). Hoe aardig dit alles ook klinkt, toch zijn het gedicht ‘L’infinito’ en bij uitbreiding Leopardi’s ‘teoria del piacere’ evenveel uitingen van het pessimisme van de dichter. Leopardi is zich namelijk maar al te zeer bewust van het feit dat zijn streven naar genoegen of geluk ijdel is, want vrucht van de verbeelding die op zijn beurt vrucht is een bewust gecreëerd contrast tussen wat eindig is (de heg als obstakel) en oneindig (‘onbegrensde ruimtes’ en ‘bovenmenselijke stiltes’). Het onzegbare ontvouwt zich voor onze ogen en laat van zich horen via het gegeven van de analogie als het gereedschap bij uitstek waarmee wij de wereld vormgeven. ‘Elk genoegen is eindig, maar hét genoegen is oneindig.’ In het gedicht L’infinito zijn het niet de dagdagelijkse, vluchtige vreugden en voldoeningen die een zekere vorm van geluk voorstaan – die verdoven hoogstens even de pijn. De ware vlucht uit angst en pijn bestaat erin op zoek te gaan naar het genoegen dat oneindig is in getal, in duur en in uitbreiding, een genoegen dat de mens in de werkelijkheid dan misschien wel niet kan vinden, maar wel via de kracht van zijn verbeelding. In de werkelijkheid zijn alle genoegens en vreugden eindig en afgebakend in tijd en ruimte, maar de menselijke verbeelding heeft de mogelijkheid dingen te bedenken die er niet zijn en dit bovendien ook op een manier waarop werkelijke dingen doorgaans niet zijn. Dergelijk vermogen tot verbeelding is volgens Leopardi eigen aan kinderen en kan niet zonder een zekere dosis onwetendheid, een soort kennis gebaseerd op het zintuiglijke. Het gedicht L’infinito evoceert op die manier, via Leopardi’s herinneringen aan de vele wandelingen op Monte Tabor tijdens zijn jeugd, misschien wel op een nostalgische manier de illusies en fantasieën die hij als kind op die plek ervaarde en als dichter steeds is blijven koesteren.



© Edward Hoornaert



zaterdag 18 maart 2017

Een vermoeden van licht (1) - Richard Foqué

Vier gedichten uit 'Een vermoeden van Licht'
(De bundel bestaat uit 4 cycli van telkens 12 gedichten: 1. De verloren tijd, 2. De instortende tijd, 3. De zoekende tijd, 4. De herwonnen tijd)


2. De instortende tijd


2.1


Teken de wereld in één lijn
teken haar met een pen
gedrenkt in bloed
tot de winter komt
de oorlog openbarst
in een wereld van was.

De dagen uitgeleefd
het daglicht verzegeld
tussen wraak en straf.
Verdriet nu is niet genoeg
vergeving teveel.
Schraap het bloed
vouw de lichamen
smoor het gejammer
in een plastic zak.

Maar laat de bloemen
laat de kaarsen rouwen
tot de morgen komt
als een bevroren icoon
in vijandige grond
in verkillende wind
in een wereld van was.


2.5


Nachten komen
nachten gaan
koud licht blijft.
Eeuwige getijden.

Uilen sterven
eenzaam in hun torens.
Vossen vluchten
uit hun burchten.
Vleermuizen vinden
niet langer hun grot.

Dit zijn de dagen
van instortende tijd.
De wolken te laag
om de zon te kwetsen.
Terwijl wij dwalen
door lege waters
ontkennen dat tijd
zich vergrijpt aan leven.


4. De herwonnen tijd


4.4


Het is vuur
dat van heuvels rolt.
Wij vallen in lichterlaaie.
Wij de kwetsbaren
verschrompelen tot onszelf.

Terwijl we verdwijnen
willen we blijven
het onafwendbare delen
de lege kamer met de nacht.
Willen we geven
wat er niet is
de wanen van de dag
de wolken
die door de ogen drijven.

Het is geen vluchten
het is verblijven
zich wikkelen
in de plooien
van een scharlaken vlam.


4.6


Maar telkens weer
dreigt begin
trilt een snaar
verschuift de grond
wordt een cirkel gesloten
kantelt een evenwicht
is er iets dat wil.

Een vaag geritsel
een vermoeden van licht
alsof stilte wil roepen
in de donkerte
alsof een vlies wil breken
het niets ontstaan.
Want zo is alle begin
het wacht.


© Richard Foqué



De voorgaande vier gedichten zijn een eerste voorpublicatie uit de bundel “Een vermoeden van licht” van Richard Foqué die in het najaar verschijnt bij Uitgeverij P te Leuven. De bundel zal worden voorgesteld op zaterdag 7 oktober 2017 om 20h00 in De Zwarte Panter, Hoogstraat 70-74, 2000 Antwerpen. De dichter heet alle lezers van de Schaal van dighter nu al van harte welkom. Zeg niet dat we er niet vlug bij zijn!

Een tweede selectie uit het typoscript van de bundel wordt door de Schaal van Digther gepubliceerd in de maand september.