maandag 22 januari 2018

Bianca Boer wint de Poëziewedstrijd van de Stad Oostende 2017-2018

Op zaterdag 20 januari 2018 werd in het CC De Grote Post te Oostende de tweejaarlijkse poëzieprijs van de Stad Oostende uitgereikt. De jury bestaande uit Ivo Van Strijtem, Frank Decerf, Hester Knibbe, Koen Stassijns, Lies Van Gasse, Geert van Istendael en Koen Vergeer diende zich doorheen 1052 gedichten te worstelen die door 631 deelnemers uit Belgie, Nederland, de Filippijnen, Duitsland, Suriname, Frankrijk, Zwitserland en Spanje voor de prijs werden ingestuurd. Voor deze 10de editie werd het prijzengeld opgetrokken tot respectievelijk 3000 euro,1250 euro en 750 euro.

Het verdict viel op 9 december 2017 toen de voltallige jury, na lange uren van beraadslaging, tot een besluit moest komen. Uiteindelijk kreeg de Nederlandse Bianca Boer (1976) de hoogste score met het gedicht: 


Laatst, in de ochtend


Toen wij de enigen waren die op de fiets diagonaal over het plein sjeesden,
zat hij achterop bij mij. Je deed je armen wijd, je was een vliegtuig
en we scheerden rakelings langs fluisterzachte vuilniswagens.

Toen wij die ochtend aan de overkant van het plein kwamen, zagen we
dat er zakken vol blauw aan de straat stonden. Daarin de restjes dag
die van de ramen gelekt waren. Geen enkel etmaal past precies.

Ergens wisten wij natuurlijk dat het niet voor ons bestemd kon zijn
maar jij wilde zo graag even stoppen. “Toe nou mama…” zei je,
en ik deed het en niemand keek en het stond daar maar te staan

in zakken, blauw aan de rand van het plein, al die snippers dag.
Dit is de stad, de slapende stad, de gapende stad, de ontwakende stad.
Mag je meenemen wat niet van jou is? Ik vulde mijn fietstassen

omdat ik moeder ben. Die flarden komen nog goed van pas als je
vleugels laat groeien en je ergens in zal storten. Wees er zuinig op.
We hebben nu tijd genoeg om van elkaar te houden.

Wij zijn niet meer alleen op het plein als de zon opkomt en alles verbleekt.
Daar zijn ook de vuilnismannen, op hun hielen gezet door de wagen
waarin, “Zie je dat mama?”, één voor één de zakken verdwijnen.


© Bianca Boer
 

Bianca Boer debuteerde in 2007 met de verhalenbundel Troost en de geur van koffie. In 2010 publiceerde ze de dichtbundel Vliegen en andere vogels en eind 2017 verscheen Auch das ist Geschichte, Ein poetischer Dialog in Briefen, waarin ze met de twee Duitse dichters Ellen Widmaier en Katharina Bauer van gedachten wisselt over kunst, schrijven en literatuur. In 2018 wordt van Bianca Boer de roman Draaidagen verwacht.


De tweede prijs ging naar Paul Vincent met :


noordnoordoost


in de verte van jouw landschap
loopt zonder twijfel
nog een rendier rond

met mijn ballon
tussen de takken
van het gewei

ik heb een zusje van zes
ze doet zo vervelend
onze ouders zijn al weken zoek

niemand minder dan jij
die het kaartje vinden mag
met mijn speelpleinadres

als ik win van de kinderen hier
krijg je de bijna mooiste knikker
in mijn linkerhand bewaard

zus heeft de mega blinker
in haar brooddoos verstopt
ze ziet zo wit

als het gras van lapland
de ballon mag je houden
het gas is om te lachen



© Paul Vincent



Astrid Arns (1960) bekoorde als derde laureaat de jury met :


Doorzichtig


Wij liepen het dorp in, mijn dochter en ik
Haar jurk zo dun dat het licht er door heen scheen.

Ze nam een woord in haar mond.
Keek naar iemand die achter mij stond alsof ik doorzichtig was.

Om ons heen rook de lucht naar zwavel en bomen.
Nog even, dacht ik, en dan word ik uitgewist.

Ik keek naar haar rug toen zij wegging, het zwart in zich sloot.
De lucht scheurde toen ik haar riep.

Zij hoorde een uil in de verte.


© Astrid Arns


Naast de drie hoofdprijzen gingen er nog bloemen en eervolle vermeldingen naar :
Anna de Bruyckere - Als je een ander
Cora de Vos - Kweekzalm
Steven Grauwmans - Het kind
Veerle Neyens - Nacht
Vera Steenput - Fatwa voor een fietsendief
Hein van der Schoot - Hoe te leven
Geert Viaene - GHURRRUUSSSHH GHURRRUUSSSHH GHURRRUUSSSHH

Naar goeie traditie publiceert de stad Oostende een kleurrijke bundel met alle geselecteerde gedichten. Deze keer is de publicatie verrijkt met een fotoreportage van Arne Deboosere. De beelden die de fotograaf bij de gedichten selecteerde, bewijzen zijn voorkeur voor rauw- en grauwheid en grijstinten die volgens hem de gedichten het meest recht doen. De publicatie kost 5 euro en kan bekomen worden na een telefoontje naar de Dienst Cultuur van de Stad Oostende (059 25 88 20).


Veel leesgenot !


© Frank Decerf

Noot: Eerder verschenen op de Schaal van Digther gedichten van Astrid Arns, Geert Viaene en Steven Graauwmans.

Winnaars en genomineerden - Poëzieprijs Stad Oostende 2017-2018
 

donderdag 18 januari 2018

Ontwikkeling - Erick Kila

zeggen dat je het weet
denken aan niets
zo – in het voorbije gesloten
in nacht
toch is er een vogel
hij verliest

het was goed
de wereld verandert in hetzelfde
schaduwen weten het
stilten kennen het
het was goed


© Erick Kila


woensdag 17 januari 2018

Ik dacht erover iets te schrijven - Erick Kila

1

een avond dacht ik erover
iets te schrijven
uit het woord dat
nacht is kwam stilte
het werd stiller
op het eind van schemer verdwaalden
de woorden
de dag begon te tikken
eerst zacht


2

als ik vertrek uit mijn stad
valt het niet op
de dagen blijven
en de schaduwen
onveranderd ook blijft
vroeger
misschien merkt de kleine vogel iets
hij is groen, heeft belangstelling


© Erick Kila


dinsdag 16 januari 2018

Jazz & de steen van de wereld - Erick Kila

laden, vuren
afzien van hapering in
klanktijd
steeds een leegte vol – 4 tellen
prik in de steen van de wereld
zucht, niet bedacht
tegendroom
stroom
tegen


© Erick Kila


maandag 15 januari 2018

Trein-Erick Kila

weiland
verte
klein paard
in denkstappen
razend van werkelijkheid

dan zwenkt de gedachte
komt los van het maaksel dat
de wereld is
gaat naar het verre
de weiden van stil


© Erick Kila


maandag 8 januari 2018

Verklaar je nader, recensent - Alain Delmotte

Naar aanleiding van een nare recensie

Een tijd geleden brachten we op deze Schaal enkele gedichten van Jan M. Meier. Deze gedichten maken intussen deel uit van de bundel ‘Engelenspoor’, vorig jaar uitgegeven door ‘Uitgeverij P’. Van deze bundel verschenen tot nog toe drie recensies. De eerste was van Lennert Ras op Meander. Dirk De Geest zorgde op Mappa Libri voor de tweede. De derde recensie was van Stefan van den Bossche. Die laatste verscheen onlangs in Poëziekrant (2017, nr.6 p. 31). De aandacht zal hier verder vooral uitgaan naar de 'bespreking' van Van de Bossche. We adviseren voor een goed begrip eerst de recensie van De Geest te lezen.

De lezer merkt het meteen. Wat de recensies van De Geest en Van den Bossche gemeen hebben is dat ze kort zijn. Voor het overige verschillen ze sterk in appreciatie: de eerste bouwt op, de tweede bouwt af. Je gaat je de vraag stellen: wat is er aan de hand? Draagt deze bundel dan zoveel ‘controverse’ en ‘dwarsheid’ in zich dat die sterk van elkaar verschillende meningen oproept? Ik dacht het niet. Poëzie wijkt uiteraard per definitie af van het gestandaardiseerde taalgebruik en dat lokt altijd wel wat controverse uit. Maar in deze bundel gebeurt dit zeker niet radicaal of schokkend.

Aangezien wij op deze schaal loyaal wensen te blijven ten aanzien van de dichters die we hier een kans hebben willen geven, wil ik uitgebreid stilstaan bij wat ik noem de ‘bedenkelijke’ bespreking van Stefaan van den Bossche. Ik neem het op voor Jan M. Meier. Niet op vraag van de dichter (die ik nauwelijks persoonlijk ken). Maar uit eigen beweging, waarover verder meer.

De bespreking van Van den Bossche is zoals vermeld, bijzonder kort, veel te kort. Merkwaardig genoeg was er toch nog meer dan voldoende ruimte voor nietszeggendheid. Om in het jargon van Van den Bossche (dat hij in deze tekst hanteert) te blijven: ‘de leegte van de nietszeggendheid’. Een bespreking die niet met een pen werd geschreven maar met een natte vinger.

Het stuk bestaat uit vijf ongeveer gelijke paragrafen. Opvallend en verwonderlijk is dat twee vijfden ervan gespendeerd worden aan het curriculum vitae van Jan M. Meier - die in een vorig leven Jean-Marie Maes heette. Natuurlijk bevat die cv uitzonderlijk nuttige literair-wetenschappelijk uitgekiende informatie, des te meer omdat de helft ervan op de zijkant van de bundel staat vermeld. Maar zelfs het grondige onderzoek bleef hier in gebreke. Jean-Marie Maes veranderde zijn naam in 2002 (en niet in 2015) en publiceerde sindsdien enkel onder het pseudoniem Jan M. Meier. Jean-Marie Maes is dus al een hele tijd uit het zicht verdwenen. Achter die naamsverandering gaat waarschijnlijk het een en ander schuil. Een breuk met het verleden, een literair verleden? Van den Bossche staat er in ieder geval niet bij stil.

Omdat de eerste bundel van Meier/Maes 45 jaar geleden verscheen, wordt de bundel het relaas van die lange stilte genoemd. Hé, als je dit leest, denk je: o, dat lijkt me interessant – recensent, kan je daar wat meer over vertellen, zijn daarvan duidelijke sporen te lezen in de gedichten? Maar op die vraag geeft de recensent niet thuis. De lezer blijft in de kou staan.

Daarna volgt een grondige en uiterste nauwkeurige, strikt mathematische lezing van de inhoudstafel. Knap werk. Altijd zinvol, zeker, maar er volgt niks op die wiskundige constateringen. Waar was het dan goed voor? Ik lees niks over hoe die structurering in de bundel werkt, niets over de aanwezige motieven en niets over hoe de motieven zich eventueel binnen de bundel verhouden, al dan niet verschuiven, enz..

En dan beweert van den Bossche het volgende: ‘Niet alleen is er in deze poëzie een grote variatie in tijd zichtbaar, maar ook in zeggingskracht en finesse.’ Welnu daarvan had ik als in-de-kou-staande-lezer graag bewijzen gezien. ‘Verklaar je nader, recensent’. Maar aan nadere verklaringen heeft de recensent geen nood. Hij stelt vervolgens kordaat dat een aantal gedichten beter uit de boot waren gevallen. Hoezo? Welke gedichten? Waarom? Lezer, we hebben er het raden naar! Duiding blijft uit. Of op zijn minst een poging tot duiding: wat al een grote verdienste zou zijn geweest. Het gebrek aan duiding brengt de tekst tot een praatje voor de vaak, tot een portie gebakken lucht terug.

Dan toch wordt in de voorlaatste paragraaf, blazend en zuchtend iets over het thema verteld: verlies zou het grote thema zijn. Dit ligt zo voor de hand in deze bundel dat het niet meer is dan vaststellen dat een hond een staart heeft. Daarbij deelt hij mee dat men van deze bundel niet vrolijk wordt.

Om het een en ander te motiveren citeert hij eindelijk iets:

ik zag je vandaag weer overal
zoals je aan de tafel zat
zoals je hier rondliep en lachte
zoals je stil werd en bevroor

het was nog maar vorig jaar
er was voorwaar wat zon
nu is het huis vol regen
ik zie je weer opgebaard

Dit wordt zomaar ijskoud in het gezicht van de lezer gekeild. Zonder de minste context: de lezer moet het alweer maar weten. Hieronder plaats ik het gehele en wat mij betreft pakkende gedicht. Het citaat hoort thuis in de eerste cyclus van de bundel, ‘I.M’, in memoriam. Een reeks die inderdaad de toon van de bundel in zijn geheel meedraagt, er de rode draad van is. Als je een reeks gedichten begint te lezen die de titel ‘in memoriam’ meekreeg dan verwacht een beetje mens geen vrolijk makende kolder. De opmerking van van den Bossche is bijgevolg weinig tactvol. Om niet te zeggen: ronduit misplaatst. Hier is niet bij nagedacht.

Dat het geen al te vernieuwend gegeven is wat hier wordt gethematiseerd? Tja. Van Homeros tot, pakweg, Hester Knibbe is er weinig nieuws onder de poëtische zon. Gedichten komen, gedichten gaan. Maar hun grond, hun voedingsbodem blijft dezelfde: de menselijk ervaring. De thema’s die poëzie hanteert zijn au fond beperkt. Het zijn de al dan niet libidineuze passies, de queesten, de chimères. Het mythische. Het sacrale en zijn vele vormen. De schimmen. De archetypen. En verlies. Verlies hoort inderdaad ook bij die thema’s. Het verlies van een kind, zoals bijvoorbeeld in ‘Engelenspoor’ het geval is. En de rouw daarover. De vraag is dan ook niet wat een dichter thematiseert, wel hoe het thema wordt verwoord, vorm wordt gegeven. Wat een dichter met een thema aanvangt: hoe hij het al dan niet verrijkt, er andere wendingen aan kan geven. Hoe een dichter met een simpel, doordeweeks of pijnlijk gegeven een lezer kan verrassen, verbazen en, waarom niet, ontroeren. Een bevraging die het uitgangspunt van elke recensie zou moeten zijn: een recensie mag best wel negatief geladen zijn, maar het moet een liefdesverklaring aan de poëzie blijven. Dat vuur, die furie is quasi nergens nog te ontwaren, heb ik de indruk.

De laatste paragraaf wil ik de lezer niet besparen. Die is hilarisch: ‘Is deze bundel geslaagd? Ja, in menselijk en emotioneel opzicht. Literair is hij echter geen hoogvlieger, hoewel het me voorkomt dat die anders had kunnen zijn met een betere redactionele begeleiding en een scherpere selectie. Er wordt nu erg veel geschreven, maar weinig gezegd. Nochtans lijkt me (de nieuwe) Meier een dichter die het voordeel van de twijfel moet genieten.’

Dit zijn woorden van een belerend Tartuffe-gehalte. Eerst wat loze beweringen formuleren in de vorige paragrafen en in de finale de amicale schouderklopjes en een sneer richting uitgever. Van den Bossche lijkt te zeggen: ‘Neem het niet persoonlijk op, jongen, het is allemaal goed bedoeld en let de volgende keer wat beter op’. Dit is wat met een ouderwets woord ‘dubbelmoraal’ wordt genoemd. Eerst wat schoppen en dan wat paaien. Je reinste geveinsde nederigheid, die regels.

Om het op zijn Vlaams te zeggen, sta me toe deze recensent van het zelfde laken een broek te geven:

‘Is deze recensie geslaagd? Nee, in menselijke opzicht biedt ze geen uitdieping, ga ik vruchteloos op zoek naar een greintje empathie. In emotioneel opzicht getuigt de tekst van een grote, gemakzuchtige eenzijdigheid. Literair is zijn tekst geen hoogvlieger. De woorden ervan vliegen in het rond en slaan nergens op: ze blijven plat. Het komt me voor dat deze bespreking anders had kunnen zijn ware er een betere redactionele begeleiding en een kritischere blik aan voorafgegaan. Er staat even weinig geschreven als dat er wordt gezegd. Op een paar banaliteiten en tartufferie na. Van den Bossche toont zich hier als iemand die in zeven haasten een klus heeft moeten klaren en die klus dan een recensie durft noemen. Ik gun hem daarom aan geen kanten het voordeel van de twijfel.’

Ik moet me nu wat temperen: Stefan van den Bossche is geen amateur en heeft zoals iedereen recht op spreken. Recht op een mening: hij mag dit best geen geslaagde bundel vinden. Maar als recensent heeft hij evenzeer de plicht ten aanzien van de lezer om zijn oordelen secuur toe te lichten. Des te meer in een prestigieus tijdschrift als Poëziekrant dat, naar er wordt verteld, graag en veel wordt gelezen en daarom van groot levensbelang is voor de Nederlandstalige poëzie.

Hij slaat in zijn artikel de bal helemaal mis. Dit slordige artikel lijkt meer vanuit een knorrig humeur dan vanuit een kritische betrokkenheid geschreven. Met zo’n tekst leg je elke vorm van debat aan banden: tegen wat en hoe kan de dichter zich nu niet verdedigen of verweren? Gebakken lucht bestaat tenslotte niet.

Nee, ik sluit niet uit dat iemand vanuit het humeur en de emotie schrijft. Zoals polemisten dat wel eens plegen te doen. Ik koppel daar wel een aantal voorwaarden aan vast. Ik verwacht dan enige stilistische grandeur, retorische verve (die vrij van ressentiment blijft), lucide ironie, subtiele satire, venijnige tegendraadsheid. En moed. Vooral de moed om, waar nodig, dikdoenerige reputaties aan te pakken en niet zoals hier het (tweede) debuut van een weinig bekende dichter.

Mijn persoonlijk motivatie voor het schrijven van dit stuk gaat dan ook verder dan deze specifieke bespreking. Mijn boosheid richt zich tot een fenomeen dat steeds vaker opduikt en op enkele (gelukkige) uitzonderingen na steeds meer mainstream aan het worden is. Recensies moeten zo kort, korter, kortst mogelijk zijn. En vlug, vlug, vlug afgehandeld. De tekst moet wijken voor niet altijd geslaagde foto’s. Waarmee het decor en de rekwisieten belangrijker worden dan het theaterstuk. Weldra wordt een recensie niet meer dan een twitterberichtje. En dan nog. Ik hoor redacteuren al zeggen: ‘kan je in dat twittertje niet wat schrappen of ik krijg het niet geplaatst.’

Er is geen ruimte meer, geen ademruimte meer voor een fijnzinnige, onmisbare, intelligente nuancering: je kunt daar immers niet mee ‘epateren’, je kunt er niet mee ‘scoren’. Nuanceren, dat is moeilijk doen. Nuanceren dat is iets voor lastpakken.

Ik weet het ‘in der Beschränkung zeigt sich erst der Meister’. Maar tot hoever kan je in de kaalslag gaan? Het is gemakkelijk en goedkoop om iemand met slechts enkele felle of, zoals hier, vage woorden af te serveren. Dit lijkt me intellectueel oneerlijk en geeft blijk van weinig respect en zelfrespect. Een recensie is een bokswedstrijd geworden: een bloedneus zorgt immers voor spektakel en daar komt altijd veel volk naar kijken. Ik vind het intriest dat iemand als van den Bossche daaraan toegeeft. ‘Jij, ook Brutus?’ Helaas, hij is niet de enige Brutus in zijn soort. Ik word daar alvast niet vrolijk van.

222

tweehonderdtweeëntwintig dagen
is een korte tijd om dood te zijn

ik zag je vandaag weer overal
zoals je aan de tafel zat
zoals je hier rondliep en lachte
zoals je stil werd en bevroor

het was nog maar vorig jaar
er was voorwaar wat zon
nu is het huis vol regen
ik zie je weer opgebaard

tweehonderdtweeëntwintig dagen
is een korte tijd om dood te zijn
een veel te lange tijd voor wie blijft

(gedicht uit de bundel 'Engelenspoor' van Jan M. Meier)


© Alain Delmotte


zondag 7 januari 2018

De beroemde Belgische triptiek - Hendrik Carette

voor Alain Delmotte


I. Het mysterie van René Magritte

Geen symbolen, geen beelden en geen iconen.
Geen charlatanerie en geen monumentale hoogmoed.
Elk schilderij is een droom voor de burger van de burgerij
ingelijst in het blauwe nachtlicht van het nachtkasteel.


II. Het oog van Marcel Mariën

De Chinese roerganger Mao kende zijn kunstwerken niet.
Maar zijn collages kleven aan het netvlies
van ons geheugen dat erotisch neurotisch blijft
wanneer een jonge blanke naakte vrouw
bloot blijft en onze ludieke lettrist Mariën
haar naakte lippen, haar vulva en haar venusheuvel ziet.


III. Het genie van Henri Michaux

Het schuilt niet onder zijn woorden en niet onder zijn woede.
Niet onder zijn inktspatvlekken en niet onder zijn hersenpan.
Het schuilt in de geest van Plume:
Plume in Casablanca, Plume bij de koningin
en vooral de zonderlinge Plume hangend aan de zoldering
(Plume au plafond)…
Plume was dus zeker geen warhoofd, geen robot
en geen oplosbare pop. Plume was de emanatie van Michaux.


© Hendrik Carette


vrijdag 5 januari 2018

Verlies verdwijnt nooit

Over ‘Vermoeden van licht’ van Richard Foqué.
Recensie Alain Delmotte

Wie de nieuwste bundel van Richard Foqué ‘Vermoeden van licht’ doorneemt, zal wellicht een verwantschap met de twee vorige bundels, ‘De grote Rokade’ (2012) en ‘Hier staan wij’
(2015) opmerken: ze zijn namelijk, zeer elementair, alle in 4 cycli opgedeeld. Ze vertonen dezelfde compositie. Of eenzelfde architectuur (wat misschien in het geval van Foqué wat te veel voor de hand ligt, gezien zijn deskundigheid in dit vakgebied). In al deze bundels hebben de titels van de cycli hun belang. In het erg geslaagde ‘Hier staan wij’ weerklinken in de vier titels van de afdelingen echo’s van elkaar, wat een eenheid aangeeft. Het beantwoordt m.i. vooral ook aan een soort nood aan een herkenbare, bijna cijferachtige ordening – die tegelijkertijd enige vervreemding oproept. Ik kom er nog op terug.

Vormen de drie bundels dan een eenheid met elkaar? Is er sprake van een drieluik? Een opus in opbouw? Dat durf ik niet te beweren, aangezien ik geen zicht heb op de toekomstige publicaties van Foqué. Alvast zou het interessant zijn om op zoek te gaan naar wat de eventuele gelijkenissen tussen deze bundels zijn. Waarin zijn ze gelijklopend en waarin verschillen ze. Grijpt er tussen de drie bundels een soort estafette plaats: geeft de eerste bundel iets door aan de tweede en de tweede aan de derde? Welke toegang- of invalswegen bieden ze elkaar aan? Wat geven ze aan elkaar door? Schakelen ze zich thematisch aaneen? Laten ze zoiets als een voortgang gewaar worden? Vragen die ik hier wens open te laten. Die studie ga ik niet maken. Ik beperk me met deze lijnen tot een bespreking van de nieuwe bundel. Hopelijk nodig ik met bovenstaande vragen derden tot die uitdieping uit.

In ‘Vermoeden van licht’ meen ik toch zoiets als een estafette tussen de vier cycli te ontwaren. Elke reeks eindigt met een gedicht dat subtiel de stok aan de volgende reeks doorgeeft. Het laatste gedicht van de laatste reeks komt me in deze context dan voor als een puntig en contrapuntische synthese én van de reeks én van de bundel: ergens zijn wij/vermoeden van licht.

Wat ‘Vermoeden van licht’ in zich van ‘Hier staan wij’ lijkt mee te dragen, is het persoonlijk voornaamwoord ‘wij’. In ‘De grote Rokade’ was het woord slechts minimaal aanwezig. In ‘Hier staan wij’ duikt ‘wij’ toch wel heel ostentatief in zowel de titel als in de laatste reeks van die bundel op. In ‘Vermoeden van licht’ vinden we het ‘wij’ weliswaar spaarzaam in andere cycli terug maar, alweer, heel expliciet in de vierde. Wat de bundel eveneens van de vorige heeft ‘onthouden’, is de nummering. Ik denk niet dat het zomaar een detail is. Foqué schrijft in cycli, zoveel is duidelijk. Zijn gedichten geeft hij nooit een titel mee. In de ‘De grote Rokade’ geeft hij binnen de reeksen de gedichten een Romeins cijfer mee. In ‘Hier staan wij’ worden die Romeinse cijfers Arabische cijfers. Elk gedicht krijgt dus niet alleen het cijfer mee van de rangorde waarin het staat in de reeks maar krijgt ook het passende cijfer van de reeks mee. Bijvoorbeeld het gedicht 3.6 is het zesde gedicht uit de derde reeks.

Wat is het nut van die nummering en wat is vooral het nut om hierbij stil te staan? Ik ben ervan overtuigd dat dit allemaal geen toeval of willekeur is. Zoals ik al schreef, geeft het blijk van een ordeningsnood. Het lijkt me het bedachte, rationele kader aan te geven waarbinnen Foqué zijn bundel(s) opbouwt. Al is hij zich bewust dat die nummering kwetsuren tot gevolg heeft. In het beklemmende gedicht 2.3 (dat ik hieronder integraal weergeef) blijkt dit duidelijk.

Je kunt dit gedicht heel concreet en realistisch lezen. Mij riep het herinneringen op aan de Nazi-kampen waar de joodse gevangenen een nummer op hun arm getatoeëerd kregen. Waarmee eigenlijk hun individualiteit werd ontnomen: ze waren van geen tel meer. Ze werden ‘acefaal’ gemaakt, mentaal onthoofd, het brein ontzegd.

Als we dit gedicht op meta-poëtisch niveau lezen en ervan uitgaan dat ook een gedicht een lichaam is, een taallichaam, dan is die nummering het gedicht tot schrikdraad. Het nummer als omen. Foqué komt op die ‘menselijk reducerende’ nummering en naamloosheid in de bundel een paar keer terug:

‘Daar de naamloze lijven/ongezien./Ze kermen door je brein/Ze spreiden in je aders/nemen bezit/verlammen/nemen bevel‘(2.12). ‘Zie hoe ze lopen/in wanhopige rijen/in monotoon gelid/in genummerde vakken/lege lichamen zonder hoofd/zonder toekomst/naar het einde zoekend’ (3.3)

Een ordening, schreef ik. Een ordening die een verordening in zich draagt: het verdwijnen in het nulpunt ‘waar begin en einde raken’. Iets wat mij het onvergetelijke ‘Four quartets’ van Eliot (In my beginning is my end) opriep (hé, dat elementaire cijfer 4 alweer). Eliot: er steekt erg veel ‘waste land’, braakgrond in de poëtische topografieën van Foqué.

Stilistisch biedt Foqué wat hij in zijn vorige bundels aanbood: verdichte en gelaagde regels die (soms stotend, stompend) ritmisch worden voortgestuwd. De gelaagdheid zorgt ervoor dat deze poëzie complex uitvalt en hier en daar, bij eerste lezing, duistere plekken vertoont. Zo werkt poëzie nu eenmaal: een lezer dient zich op de tast in het gedicht voort te bewegen – ergens is er wel een ‘vermoeden van licht’. Dankzij die (bewuste? – berekende?) gelaagdheid smokkelt Foqué met de nodige schranderheid en eruditie allerlei motieven, herhalingen, infra- en intertekstuele aanwijzingen zijn gedichten binnen waarmee hij de bundel tot een geheel weet te metselen. En dus de vier reeksen intern en extern bij elkaar houdt – zonder dat ze daarbij hun autonomie verliezen.

Ik sta even stil bij een van die motieven: het spanningsveld ‘vraag en antwoord’ en in het logische verlengde ervan het spanningsveld ‘zwijgen en spreken’. Die twee spanningsvelden zijn binnen de bundel verspreid en geïntegreerd. We lezen ergens ‘ze hoort mijn zwijgen/maar antwoordt niet// Want de vragen zijn verzegeld/zoals de wegen die ik zoek’. En wat voor vragen zouden dat dan zijn? Men leest elders dat het ‘ongestelde vragen ’zijn ‘die het leven snijden’. (Er worden trouwens veel lijden, wonden en kwetsuren doorheen de bundel – zoals in de voorgaande - gesuggereerd. ‘Pijn’ is een woord dat in vele gedichten rondspookt. Ecce homo.) Er wordt kennelijk veel verzwegen want ‘zon te laag/om de lippen te raken’. De kernvraag wordt dan ook niet ontweken ‘Kunnen we nog spreken?’ Want ‘alle geluid/wordt blind geboren’. Overigens ‘Tijd stelt geen vragen/kent de antwoorden niet’. In de laatste reeks, deze van de pragmatische verzoening, klinkt het minder somber: hoewel ‘zeezout de lippen heeft vergrendeld’ wordt het volgende met nadruk gesteld: Verzegel de lippen niet/maar fluister de namen die ons maken’. Immers: ‘er is geen reden om te zwijgen/want in elke verlies/ligt aanvaarding’. Er zit niets anders op: ‘het onbeantwoorde/heb het lief’.

Het centrale motief in de bundel is evenwel het gegeven tijd. De titels van de reeksen geven het aan.: ‘De verloren tijd’, ‘De instortende tijd’, ‘De zoekende tijd’, ‘De herwonnen tijd’. Al de reeksen zijn begroeid met het existentiële besef van het ‘memento mori’. ‘Het is sluitingstijd/tijd voor elk van ons/om te verdwijnen’ (1.8). Foqué ontwijkt en bekampt illusies want ‘Verlies verdwijnt nooit’ (1.5). (Wat een variatie is op wat al te lezen viel in ‘De grote Rokade’ ‘Verlies gaat nooit voorbij’). Verlies houdt een mens dus bij de les en bij bewustzijn.

Elke reeks krijgt dus een eigen klemtoon en kleur. Maar de vier thema’s resoneren in alle reeksen mee. Ik vlieg er in scheervlucht over.

‘De verloren tijd’ is de verleden en vergleden tijd. Enkele teksten klinken nostalgisch. Dat wordt streng afgebroken als Foqué schrijft: ‘Mijn kindertijd/was een winterverhaal’. Een druilerige en winterse sfeer doordesemt trouwens de hele verzameling en houdt hiermee de titel van de dichtbundel in ere: in de donkerste maanden is het licht inderdaad maar een vermoeden.

In ‘De instortende tijd’ klinkt een rouwende stem die een wereld van ‘was’ evoceert. De wereld als wassen beeld? Of de wereld die er ‘was’, die er is geweest? Het wezen ervan? De schijn ervan? Weinig hoop wordt hier geformuleerd: Tijd schreeuwt/huilt/tussen molshopen/woekert/in dunne lucht/in eeuwig stof/door het moeras/door stinkend veen/door dode lijven/steelt. ‘De zoekende tijd’ verwoordt de cirkelvormige queeste, de zoektocht zonder bestemming: een cirkelende beweging houdt stilstand in. Is het het toeval dat de weg aangeeft? Of speelt het (nood)lot een rol? Het tarotkaartspel, de teerlingenworp worden geëvoceerd. Een goedkope clown ‘geeft je de sleutels/tot het paradijs/om de wolken te verdrijven/in je bodemloos brein’. De kaarten van dit spel zijn doorgestoken kaarten: ‘Het zijn gevallen bladeren/aan lege poorten/wachtend op een geliefde/blind en te laat’. De zoektocht grijpt plaats ‘in duisternis/telkens weer/aan het begin/aan het einde/wachten op licht’.

Een streepje licht schijnt in ‘De herwonnen tijd’ door. Hoe je de tijd herwint? Door zich een soort argeloosheid aan te meten die kinderlijke verwondering weer mogelijk maakt: ‘de kinderen kunnen het weten/de kinderen kunnen vinden/wat wij hebben verspeeld/verborgen ligt het/in hun handen.’ Is de kindertijd de sleutel van de herwonnen tijd? Er klinken opbeurende, lucide woorden: ‘Wij zijn geen nederlaag/wij hebben niet gefaald/we hebben zelf bepaald/waar wij willen gaan/tussen de eersten en de laatsten/tussen hier en toen’. Gaat de dichter voor ‘la liberté cartésienne’, de cartesiaanse vrijheid?

De existentiële thematiek van de poëzie van Foqué kan je bezwaarlijk als modieus beschouwen. Je vindt er geen ironie in terug, wel wat ‘realistische, stoïcijns getemperde grimmigheid’ in de wijze waarop hij tegen de existentie aankijkt. Hij geeft blijk van verfijnde intelligentie in de manier waarin hij verschillende niveaus ongemerkt in zijn teksten laat inwerken. Poëzie die bij een eerste lezing hermetisch aandoet maar zich gestaag blootgeeft voor wie zich aan meerdere lezingen waagt.

2.3

Het genummerde lichaam
pijn als een cijfer
gebrandmerkt
in de diepste huid
in rijen gelijnd
meetkundig geschikt.

Het genummerde lichaam
het wacht
terwijl het water stijgt
in het doorwaadbare.
Het staart
tot het geroepen wordt
tot iemand het zal delen
tot een naamloos priemgetal.

Het genummerde lichaam
Het is van geen tel.

© Recensie Alain Delmotte


Richard Foqué, Vermoeden van licht, 2017, Uitgeverij P, Leuven, isbn 978-94-92339-41-6.

Extern:
Weblog Richard Foqué
Uitgeverij P
Richard Foqué bij Uitgeverij P


Uitgever Leo Peeraer overhandigt het eerste exemplaar aan Richard Foqué




















maandag 1 januari 2018

Aan iedereen een Digtherlijk jaar gewenst!

Mogen we jullie namens 'de Schaal van Digther' en namens elk lid van de redactie afzonderlijk een bijzonder creatief en gezond 2018 wensen? Ja hoor, dat mogen we, en iedereen mag ons om het even wanneer verblijden met één of andere mooie inzending! Overigens bedanken we nu al iedereen die ons de beste wederwensen overmaakt. Renaat Ramon was de voorbije dagen een van de eersten om ons te verblijden...


woensdag 27 december 2017

Willy Spillebeen over 'Een blauwe doorkijk naar de hemel'

Toespraak bij de voorstelling van de 7° dichtbundel van Gilbert Coghe

Beste Gilbert,
Beste dames en heren,
Alles is gezegd? Alles is gezegd Vraagteken is de titel van de vorige bundel van Gilbert Coghe uit 2009, een ruime keuze uit zijn bundels tussen 1969 en 2004. En het toen aarzelende vraagteken dient nu ontkennend te worden beantwoord want met zijn nieuwe bundel Een blauwe doorkijk naar de hemel, zijn zevende – 7 is ook in de bundel een heilig getal – bewijst de dichter dat nog lang niet alles is gezegd, zelfs dat wat echt belangrijk is nu pas komt.

Je vangt de lectuur van de bundel aan met het gedicht ‘poëzie’ over de dichter als mens en over zijn poëzieopvatting; daarna lees je vier cycli van telkens 7 gedichten over ontmoetingen met een jongen die zijn vleugels (…) het hadden ook skateboards kunnen zijn met zich mee draagt en je eindigt je lectuur met ‘medea’ en met de verklaring: Medea: tovenares uit de Griekse mythologie. Zij verving het bloed van Aeson door toversap en gaf hem zo zijn jeugd terug. Daar staat in proza wat je tijdens je lectuur al wel doorhad: dat de jongen met zijn skateboard, die herhaaldelijk een engel wordt genoemd, een symbool is voor het terugverlangen van de dichter naar zijn jeugd.
Als je meteen daarna de bundel opnieuw leest van het begin af aan, stel je vast dat hij hecht in elkaar is gezet of gestructureerd: een proloog het gedicht ‘poëzie’; vier cycli of engelenverhalen van telkens zeven gedichten; een epiloog het gedicht ‘medea’.

In het aanvangsgedicht of de proloog ‘poëzie’ deelt de dichter mee dat hij geen tafelspringer is en geen jeans met gaten draagt, dat hij houdt van licht klassiek en van vrienden het zacht praten en dat zijn poëzie geschikt is om te lezen/ in stille kloostergangen/ met op de achtergrond/ hemels/ gregoriaanse zangen.‘Hemels’ is hier een belangrijk woord. Het verwijst naar de titel van de bundel, naar de jongen die een engel blijkt te zijn en naar het dichterlijke verlangen.

Dan geeft een ik-persoon, die overal dezelfde blijft: de dichter nl., in vier ‘verhalen’ of cycli zijn ontmoetingen weer met een hij-persoon, een jongen die af en toe een verandering of een ‘metamorfose’ ondergaat, maar wel overal dezelfde engelachtige eigenschappen heeft.
In het eerste ‘verhaal’ neemt de ik-persoon-verteller een lifter op, een jongen met een skateboard; de dag daarop neemt hij dezelfde lifter opnieuw op; weken later ontmoet hij hem op de trein en betaalt zijn ticket - blijkbaar heeft de jongen geen geld; hij geeft hem zelfs logies bij hem thuis – blijkbaar is de jongen een zwerver; zij nemen afscheid want de jongen moet voor middernacht ergens naartoe; de ik-persoon ontmoet de jongen opnieuw in het ziekenhuis, hij draagt een witte jas en jeans, is blijkbaar verpleger of dokter; het laatst ziet hij hem in een droom, tussen de zuilen van luxor en vandaar vliegt de jongen, kennelijk in een droom, zijn hemel tegemoet.
In het tweede ‘verhaal’ ontmoet de ik-persoon hem opnieuw, blijkbaar ergens op vakantie, je hebt door dat het in Berlijn en Potsdam is: in een hotel prijst hij massages aan; in het paleis Sanssouci herkent de ik-persoon hem in het beeldje van een engel; aan de balie verkoopt de jongen tickets en in het kasteel leidt hij de bezoekers rond; als hij een reis wil boeken naar de hemel herkent de ik-persoon een ex-klasgenoot in hem; in Charlottenburg geeft hij uitleg; in het kasteel volgt hij de groep; in het museum vliegt hij als een vogel de blauwe hemel in.
In het derde ‘verhaal’ ontmoet de ik-persoon hem vlakbij zijn geboortedorp; later ziet hj hem op het strand; hij ontmoet hem, wellicht weer in een droom, sjiek gekleed, onderweg naar een feest van vijf eeuwen geleden; in de stad heeft hij een ongeval met zijn fiets; in de wachtzaal van de dokter ontmoeten ze elkaar; weer in de stad herkent de ik-persoon hem niet; in de trein deelt hij de ik-persoon mee dat hij kanker heeft.

Het eerste gedicht uit deze derde cyclus, over zijn geboortedorp, wil ik u om een specifieke reden niet onthouden; Dat dorp is nl. Westrozebeke en dat is ons beider geboortedorp, waar wij overigens in dezelfde straat, de Wulfwinkelstraat, hebben gewoond, ik tot 1958, Gilbert tot de beginjaren 70, meen ik. In zijn eerdere bundels al heeft Gilbert mooie gedichten aan zijn dorp gewijd. De titel van deze bundel staat in dit gedicht.

beleefd
vroeg hij de weg
naar het dorp
waar in juli
de liguster weelderig geurt
en nog familie van hem woonde
zei hij

hij had een kreukje in zijn neus
en ogen
met een blauwe doorkijk naar de hemel

met geruisloze vleugels
verdween hij
een stip aan de horizon

zouden daar
in mijn dorp
van warme rust en herinneringen
nu engelen wonen?


Goede vraag. Best mogelijk dat daar nu engelen wonen, sinds, wie weet omdat, wij er allebei uit vertrokken zijn.

In het vierde ‘verhaal’ blijkt de jongen eerst kelner te zijn; later zit hij op het terras als klant; vervolgens is hij fluitspeler; later is hij een zwerver, zeg maar een vluchteling, ik dacht even aan Calais of Brussel; weer in een droom, lijkt het, zit hij op een slede in het bos; hij is ook een schilder die een vredig dorp onder de sneeuw schildert; en tenslotte is hij een vreemdeling die aan de ik-persoon vertelt dat hij nog niet zo goed onze taal verstaat en die daarna op Kerstnacht solo het adeste zingt.

Dan volgt het slotgedicht of de epiloog, de synthese van de hele bundel:

medea

zijn haar
in een dotje
gekleed in hemd
en volrode das –
het diamantje in zijn oor
glinsterend
in de spotlichten
danst hij
- bij wijze van spreken –
de longen uit zijn lijf

op blote knieën
smeek ik medea
vervang mijn oude bloed
prik een diamantje in mijn oor
die jonge god gelijk


In de dansende zigeunerjongen uit de eerste strofe, net als elders in de ontmoetingen met de stereotiepe, engelachtige jongen uit de vier cycli verbeeldt de dichter vol stille melancholie zijn jeugd. Mij deed een en ander denken aan Dood in Venetië, de novelle van Thomas Mann: de fascinatie van de ouder wordende schrijver Gustav von Aschenbach voor de engelachtige Poolse knaap Tadzio en hoe de oude man weigert het door cholera geteisterde Venetië te verlaten en zo de dood uitdaagt, én bezweert.
In de tweede strofe doet de dichter een beroep op Medea, de tovenares uit de Griekse mythe, die Aeson, de vader van haar minnaar Jason veertig jaar jonger maakte door wat we nu een bloedtransfusie zouden noemen. Het verhaal wordt uitvoerig verteld door de Latijnse dichter Ovidius in zijn verrukkelijke boek Metamorphosen. De zachtmoedige ironie, die overigens in de hele bundel meetrilt, komt hierop neer: de dichter doet een beroep op de mythische figuur Medea, om de werkelijkheid van het ouder worden te bezweren. De jongen is trouwens zelf een mythische figuur: een engel. Maar tegen die werkelijkheid kan de mythe niet op. Dit machteloze verlangen, deze onmacht vind je de hele bundel door en het resultaat ervan is een subtiel gesuggereerde melancholie.

Een blauwe doorkijk naar de hemel is ongetwijfeld de beste bundel van Gilbert Coghe tot nu toe. Het is een bundel met heel veel kwaliteiten: fris, ongemeen helder, gevat, verwoord met de juiste, eenvoudige woorden, een gefragmenteerd, subtiel verhaal ‘met de kleur van ver verdriet’ Deze jongen met zijn skateboards, jeans met gaten, dotje, volrode das, diamantje in zijn oor, symboliseert, zoals ik al een paar keer zei, het verlangen van de ouder wordende dichter naar jeugd en naar zijn jeugd. Hij symboliseert tevens de fluitspeler, of zo u wil het verlangen van de dichter om toonzuiver, broze woorden op de muziek te zetten die hij hoort in stille kloostergangen / met op de achtergrond / hemels/ gregoriaanse zangen.
Je leest en je luistert. En het klinkt zuiver, juist en goed!
Proficiat, Gilbert!


© Willy Spillebeen


Gilbert Coghe: Een blauwe doorkijk naar de hemel, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam 2017, 52p.,€14,90. ISBN BE 9789059275300

dinsdag 26 december 2017

Blijvend debuteren - Alain Delmotte

Alain Delmotte over "Een blauwe doorkijk naar de hemel" van Gilbert Coghe

Een tijd geleden verscheen een nieuwe bundel van de Roeselaarse dichter Gilbert Coghe; een verrassende bundel met als titel ‘Een blauwe doorkijk naar de hemel’. Willy Spillebeen en ikzelf stelden de bundel voor. Hieronder mijn bijdrage.

Tien jaar geleden schreef ik voor de Vereniging van West-Vlaamse schrijvers (de VWS) een cahier over het poëtisch werk van Gilbert Coghe. De bibliografie in dit cahier werd samengesteld door een steeds weer meticuleus en scrupuleus uitvallende Peter Aspeslagh, bekend van de Roeselaarse bibliotheek.

Zo’n cahier had gevaarlijke kantjes: het leek wel of hiermee een oeuvre werd afgesloten. Toen twee jaar later een bloemlezing uit zijn werk verscheen, stelde Gilbert bij de samenstelling ervan zichzelf wellicht de vraag of alles nu was gezegd. ‘Alles is gezegd?’ werd de titel van die bloemlezing. Let op het vraagteken. Want met dat vraagteken legt Gilbert iets over zichzelf bloot. En over zijn poëzie. Er is altijd wel sprake van een soort bevraging en zelfbevraging in zijn poëzie. Het cahier gaf ik overigens de titel mee ‘Wie ben ik dat ik het ben’. Zou hij het ondertussen weten? Weten wij het ondertussen?

Gilbert behoort tot het type dichter dat ooit door de Poolse dichteres en Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska werd omschreven als ‘de- dichter-die-het-niet-weet’. Onwetendheid die de drijfkracht vormt voor een dichterschap? Het is een onwetendheid die uiteraard geen smoes is om aan zoiets als verantwoordelijkheid of wat dan ook te kunnen ontsnappen. Ik heb het over een existentiële en/of spirituele onwetendheid, gebed in het besef dat de kern van het bestaan ons ontgaat omdat het niet vast te grijpen is, niet te vatten en niet te bevatten valt: het is zonder meer een raadsel. Voor dat soort type van dichter is poëzie een wezenlijke pelgrimage, een zoektocht naar een waarheid die er misschien niet is maar waarvan de dichter hoopt dat die misschien toch wel ergens te vinden kan zijn. Een poëzie dus van het ‘misschien’. Een menselijke zoektocht naar het mogelijk menselijke. En, laten we het niet vergeten want het is elementair wat poëzie betreft: het is een zoektocht met de taal, door de taal en in de taal. In het cahier omschreef ik het als volgt: ‘De dichter gaat op de dool. Hij bewoont vele huizen, maar niet één blijkt het huis van het zijn, het huis van de poëzie. Schrijven is een pelgrimstocht van woord tot woord, van gedicht tot gedicht, van cyclus tot cyclus.’

Één jaar na het verschijnen van het cahier stuurde Gilbert me een aantal gedichten op met de vraag wat ik van zijn nieuw werk vond. (Het betreft gedichten die we negen jaar later in al dan niet gewijzigde vorm in deze bundel terugvinden.) De lectuur ervan verraste me aangenaam. De rode draad ervan was de figuur van de ‘engel’. Een steeds weer terugkerend motief in de Westerse poëzie dat Gilbert op een frisse en verfrissende manier aanpakte. Ik vermoed dat Willy Spillebeen daar straks wat meer over zal vertellen.

De lichtheid die ik in de nieuwe gedichten ontwaarde, las en zag ik nooit eerder in het werk van Gilbert. Ik herkende de stem wel, maar de toonaard, de kleur was heel anders. Waar in eerder werk de klemtoon vooral op de lyrische belijdenis en op de nostalgische gemoedsstemming lag, liet zich hier een relativerende en ironiserende dichter zien en horen. Ook de verteltoon viel me op. In die zin sluiten deze gedichten - bewust of onbewust - aan bij een tendens die zich in de poëzie van de laatste decennia voordoet. Kort samengevat: het lyrisch élan, de metaforische opwellingen worden in de huidige poëzie kritisch afgeremd. De poëzie kreeg hiermee de kans om enerzijds meer ruimte vrij te geven voor het beschouwende en anderzijds biedt het de poëzie de kans om zich een narratieve manier uit te drukken.

Vooral dat laatste is belangrijk voor wat het werk van Gilbert betreft. De recente poëzie probeert heel vaak expliciet verhalen te vertellen. En de nadruk ligt niet zozeer op de verhaallijn (die is vaak niet logisch en vrijwel altijd discontinu) maar op het ‘vertellen’. Er wordt iets met taal verteld en het is de taal die vertelt. En soms neemt die taal, in de meest radicale teksten, de vorm aan van raaskallen. Meer dan ooit moet je de poëzie dan tussen de lijnen en binnenin de woorden gaan zoeken: in de terugkerende motieven, de weerkaatsingen, de niet te voorspellen wendingen. Enkel lukrake voorbeelden hiervan: Toon Tellegen (die een beetje een voorloper van het genre is), Marije Langelaar met haar recente bundel ‘Vonkt’ en de eerder controversiële Delphine Lecompte. In één gedicht probeert Lecompte duizend en één verhalen te vertellen die ze zonder gêne door elkaar haspelt door ze af te breken, tegen elkaar te laten botsen of in elkaar te laten vloeien, zodanig dat je een tekst krijgt waar kop noch staart is aan te krijgen: een raaskallen met vaak een tragisch-komisch effect en een soort wanhoop doet suggereren.

Nee, in geen geval wil ik Gilbert Coghe met Lecompte vergelijken. (Hij zou het me in geen geval vergeven, vrees ik.) Gilbert is veel te geordend en te ordentelijk om hem met Lecompte in verband te brengen. Ik heb enkel willen aangeven welke tendensen zich in de huidige poëzie voordoen en waarvan het narratieve een kenmerk is. En dat dit narratieve een opmerkelijke plaats krijgt in deze nieuwe bundel.

Het effect dat dit narratieve teweegbrengt is dat je als lezer luistert en blijft luisteren. De gedichten nodigen uit. Ze richten zich tot de lezer. Ik ga er namelijk van uit dat hoezeer het gedicht ook naar bestemming zoekt, het gedicht zich bestemd voelt voor een lezer. Ik zeg ‘een lezer’ en ik zeg niet ‘de lezer’. Dat laatste is een categorie. Het eerste verwijst naar een individu. Een individu dat staat voor alle potentiële lezers van het gedicht. Wat wil zeggen dat het gedicht niemand uitsluit. Al leven we in een wereld waar voor het gedicht nog weinig of helemaal geen plaats is, waar het gedicht is uitgesloten. Natuurlijk wordt het gedicht in uiterste stilte geschreven: de dichter schept zijn gedicht uit zijn diepste innerlijk en dat vereist een zeker isolement. Daarom lijkt het gedicht een monoloog. Maar het is een monoloog die tendeert tot een dialoog. Met de woorden van de Franse dichter Yves Bonnefoy: het gedicht is een passage vanuit het ik van de dichter naar de ander toe. De ander die wij met z’n allen zijn.

Het is zo dat je bij het lezen van deze bundel als lezer meteen wordt aangesproken door de mildheid van de dichter, het verzoenende timbre, de bescheidenheid (te verklaren vanuit dat grote besef aan onwetendheid) en ja, zelfs van een soort hervonden jeugdigheid.

Deze gedichten onthalen de lezer met hun transparantie. Ze lijken onderhuids te zeggen:‘Gaat u maar zitten lezer. Wat kunnen we u toevertrouwen: een paar aangenaam klinkende verzen met zeer afgeronde syllaben erin? Één van onze plotse invallen waarvan we zelf niet weten van waaruit ze komen? Iets wat een sonnet kan zijn – of is u dat wat te ouderwets? Of wilt u gewoon maar dat we u ‘een blauwe uitkijk naar de hemel’ schenken?’

Deze gedichten stellen de lezer niet op de proef. Het is niet hun bedoeling. De dichter houdt het rustig en zelfs wat frivool – al steken er achter die frivoliteit onvermijdelijk flinke scheuten weemoedigheid. Je gaat wanneer je leest gewoon naast de dichter zitten en je keuvelt wat. Over dingen die ons wezenlijk aanbelangen – hoe klein, hoe triviaal, hoe engelachtig broos ze zich ook mogen voordoen.

Het ligt voor de hand dat Gilbert nog lang niet alles heeft gezegd: daar heeft hij als zeventiger nog niet de leeftijd voor. De pelgrimage van een dichter is met name niet een speurtocht naar het laatste woord maar voortdurend en ongedurig, een speurtocht naar het eerste woord: de van vitaliteit trillende ademstoot waarmee het eerste woord werd uitgesproken. Poëzie is wat ons menselijk maakt. Poëzie is de verzamelnaam voor onze chimères, voor onze bestaansredenen, voor onze verrukkingen, voor alles wat nog moet beginnen terwijl het lijkt alsof het al aan het gebeuren is. Gilbert Coghe moet er nog aan beginnen. Hij moet ons nog van alles zeggen. Met deze nieuwe bundel debuteert hij voor de zoveelste keer op rij. Laat hem daarmee niet ophouden!


© Alain Delmotte 


Gilbert Coghe: Een blauwe doorkijk naar de hemel, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam 2017, 52p.,€14,90. ISBN BE 9789059275300


Gilbert Coghe


maandag 25 december 2017

Een blauwe doorkijk naar de hemel - Gilbert Coghe

Een blauwe doorkijk naar de hemel is de zevende dichtbundel van de Vlaamse dichter Gilbert Coghe (°Westrozebeke 1947). De bundel
verscheen recent bij de uitgeverij de Vries-Brouwers. De komende twee dagen publiceert de Schaal van Digther de gelegenheidsteksten die bij de voorstelling van de bundel werden uitgesproken door Alain Delmotte en Willy Spillebeen. Daaruit vandaag al deze voorproefjes:

Poëzie is wat ons menselijk maakt. Poëzie is de verzamelnaam voor onze chimères, voor onze bestaansredenen, voor onze verrukkingen, voor alles wat nog moet beginnen terwijl het lijkt alsof het al aan het gebeuren is. Gilbert Coghe moet er nog aan beginnen. Hij moet ons nog van alles zeggen. Met deze nieuwe bundel debuteert hij voor de zoveelste keer op rij. Laat hem daarmee niet ophouden.” (Alain Delmotte)

"Je vangt de lectuur van de bundel aan met het gedicht ‘poëzie’ over de dichter als mens en over zijn poëzieopvatting; daarna lees je vier cycli van telkens 7 gedichten over ontmoetingen met een jongen die zijn vleugels (…) het hadden ook skateboards kunnen zijn met zich mee draagt en je eindigt je lectuur met ‘medea’ en met de verklaring: Medea: tovenares uit de Griekse mythologie. Zij verving het bloed van Aeson door toversap en gaf hem zo zijn jeugd terug. Daar staat in proza wat je tijdens je lectuur al wel doorhad: dat de jongen met zijn skateboard, die herhaaldelijk een engel wordt genoemd, een symbool is voor het terugverlangen van de dichter naar zijn jeugd." (Willy Spillebeen)

Gilbert Coghe: Een blauwe doorkijk naar de hemel, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen-Rotterdam 2017, 52p.,€14,90. ISBN BE 9789059275300


Gilbert Coghe

zondag 24 december 2017

Het mooiste meisje van de klas - Frans Deschoemaeker

Voor zover ik mij kan herinneren heb ik altijd al gedichten geschreven. Dichters situeren het begin van hun dichterschap vaak in de adolescentie, al dan niet getriggerd door een onbereikbare liefde, al dan niet gestuurd door een bevlogen poësisleraar. Zo ook ik, de clichés hebben hun rechten. Maar als ik er goed over nadenk, kwam ik ook veel vroeger al in de ban van het rijm, de cadans, het repetitieve refrein, het muziekje dat in de versjes zat die we als kind moesten opdreunen, en ja, durfde ik, zodra ik kon schrijven, al eens enig zelfgemaakt rijm aan het ruitjespapier van mijn kladblok toevertrouwen.

Als men mij vraagt waarom ik poëzie schrijf, geef ik soms als antwoord: Omdat zoveel woorden elkaar nog nooit hebben ontmoet. Dit lijkt me een afdoende reden. Uitdagend is het: hoe kan ik woorden op zodanige wijze bij elkaar brengen dat uit de chemie van hun samengaan nieuwe betekenissen ontstaan. Dat een vergezicht zich ontplooit in de baaierd. Dat een inzicht vluchtig oplicht in de woordenbrij.

Joseph Brodsky: soms slaagt een dichter erin met behulp van één woord daar te komen waar nog nooit iemand is geweest.

Opwindend is het ook: ervaren hoe de tekst die ik schrijf, of de tekst die zichzelf schrijft (waar eindigt het ene, en begint het andere?), mij verandert. Hoe ik iets onder mijn pen zie ontstaan dat ik nog niet wist, waar ik verwonderd naar staar. Avontuurlijk is het: waar zal ik uitkomen, als ik aan de slag ga met die eerste aanzet, die eerste regel, die ik soms, vanuit het ongewisse, cadeau krijg? Want vaak loopt het natuurlijk ook op niets uit, en blijkt die gekregen regel na een nachtje slapen en het wegebben van de roes dan toch niet zo’n fantastisch cadeau.

Maar natuurlijk doen wij, dichters, het in de eerste plaats uit zucht naar meesterschap. Wij doen het voor de flonkerende formulering, voor het gebeitelde beeld, voor de fraai gedraaide krul, voor de Vorm. Dichters zijn mislukte muzikanten. Dichters zijn mislukte redenaars. Want alle poëzie is muziek, alle poëzie is retoriek. Poëzie hengelt naar de instemming van het publiek, poëzie wil overdonderen, verleiden, binnendoen. Dat jongetje dat niet goed is in voetballen en dan maar gedichten schrijft om dat mooiste meisje van de klas in te pakken, weet je wel.


© Frans Deschoemaeker


Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

vrijdag 15 december 2017

RIP Velimir Lobsang (1962-2017)


Johan Vermariën, schrijvend onder het wonderlijke pseudoniem Velimir Lobsang, overleed recent op 18/11/2017. Bovenstaand YouTube-fragment dateert van een optreden tijdens de opening van de tentoonstelling 'de Drie van Vonkel' op 30/9/2017.
Zie ook dit Facebook-bericht van Alain Delmotte.


dinsdag 12 december 2017

September - Hugo Verstraeten

Zomers duren hier winters lang
De herfst weet niet goed waar
te beginnen

en dan – als een signaal – begint de
trektocht. Aardwaarts, vliegend op
zwaartekracht

vleugellamme buiteling van zomersperwers
of valbeweging van blad. Kijken tot
er geen afstand meer is, geen tegenover:

liggend, blad aan blad, wachtend op
de noorderwind die ons
naar vergeefse oorden blaast.


© Hugo Verstraeten


Uit de cyclus "Berichten uit het Noorden".


maandag 11 december 2017

Lichtheid - Hugo Verstraeten

Eindelijk kon het weer. Weer iets van mezelf
te zijn. Gedenkdag voor weer leven. Vogel
die opveert, geluk dat langslacht als
een postbode. De trein genomen, laatste

trein, laatste sluiptrek naar zee. Een
zucht van wind te voelen in de wijdopen
zeilen van de ziel. Te laat misschien,
te reikhalzend. Niet ik, niet iemand:

dit weegt te zwaar. Gedenkdag voor wat
genadig is. Niet ik. Lach. Zon. Avondrood.
Maal honderd zijn de gezangen. Geloof
dat weer als een kerktoren klinkt en

zon, zon. Langsliggend in zomergras
lees ik, schrijf ik me neer en ‘Kijk,’
wijst ze: ‘dat vliegtuig ben ik.’ Prachtig de
wezenloze, wegkijkende maan. Groen
geurt het gras. ‘Nooit meer denken,’ denkt ze.
Spandoek met het grote NU er achter aan. Nooit
meer morgen, lacht ze de stilte in. Nooit meer
later, nooit meer voorbij.


© Hugo Verstraeten


Uit de cyclus "Berichten uit het Noorden".


zondag 10 december 2017

Witte reiger - Hugo Verstraeten

Eerst was er wit. Een schaduw
in het overbelichte.

Een God blies er verte in.
Zweefrecht langs wat onbespreekbaar
is. Een gevoeld landschap

waarin alles weer spiegelt
wat verlopen was: een identiteit,
iets, ergens, ooit. Dan

toch weer wit, overvleugeld, neerstrijkend
in woorden als sierlijk, gracieus, zich
neerschrijvend, wit op wit,

een onbeschreven stilte


© Hugo Verstraeten


Uit de cyclus "Berichten uit het Noorden".