Posts tonen met het label Alain Delmotte. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Alain Delmotte. Alle posts tonen

zondag 2 augustus 2026

Oproerkraaiers in het hoofd

In kort bestek - Notities van de redactie (4)

Alain Delmotte in kort bestek over Randschade van Johan Clarysse

(fragment recensie)

Foto: Alain Delmotte

Wie de hogergenoemde oproerkraaiers in het hoofd zijn of wie het geritsel in het hoofd veroorzaakt, wordt duidelijk in het gedicht ‘Demonen’. Ze stapelen zich op in de stoffige kelders van onze psyché. In nare dromen grijpen ze het woord en de dichter verleent hun spreekrecht in een gedicht. Daar horen ze thuis. Ze kunnen zich er schuilhouden in de taal. Op die manier wordt de taal zelf tot een demon. Het is een feit: demonen maken deel uit van onze duisterste plekken:

Vandaag geef je hun spreekrecht
omarm je ze als een vertrouwde nacht.

Johan Clarysse – Randschade – uitgeverij P – Leuven 2026 - Isbn 978 94 93534 06 3 

Facebook-bericht van Alain Delmotte - 29/07/2026

Dit is een fragment uit een uitvoerige recensie die Alain Delmotte in november 2026 publiceert in het Jaarboek 2026 van de VWS.

Rubriek "In kort bestek"


donderdag 30 juli 2026

Intertekstueel spel

In kort bestek - Notities van de Redactie (3)

Alain Delmotte in kort bestek over Wildnissen van Xavier Roelens

Er wordt een intertekstueel spel gespeeld. Roelens heeft nogal wat teksten en boeken geassimileerd. Een lijst hiervan vinden we in het nawoord terug. Hij maakt er dus geen geheim van. De verwijzingen zijn vaak spitsvondig. Het gedicht ‘Bevolkingsgroei in 1972’ (dat zich in Duffel situeert) refereert aan het boek van Geert Buelens ‘Wat we toen al wisten – de vergeten groene geschiedenis van 1972’. Er zijn expliciete verwijzingen naar Boon, Ter Balkt en Jan de Roek. De namen Pernath en Claus vallen. Ik kon het niet laten om in het gedicht ‘Short term song’ waarvan alle strofen beginnen met ‘Gisteren nog’, om iets te horen resoneren van de ritmiek uit de gedichtenreeks ‘Nu nog’ van Claus.

Onderhuids meende ik hier en daar ook Lucebert, Rilke, Shakespeare te herkennen. Maar opvallend is dat hij twee dichters wat demystifieert: Hans Andreus en Rutger Kopland. Van Andreus pakt hij het beroemde gedicht ‘Voor een dag van morgen’ aan.

vertel het aan de bomen dat we vreeën zonder
condoom vertel het desnoods aan
de angsten van
steen
Deze passus eindigt met volgende oplawaai:
wanneer je morgen doodgaat zeg het aan de
maden wat je mij zei

dinsdag 28 juli 2026

Samenspraak als alternatief

In kort bestek - Notities van de Redactie (2)

Met ecologische verloedering worden we in deze bundel meer dan eens geconfronteerd. Maar de dichter stelt zich ook de vraag hoe je hieruit komt. Het sluimert in een titel van een gedicht: ‘Hoe hou je de meisjes wakker?’ Zou ‘samenspraak’ een alternatief zijn? De dichter is er naar op zoek. Al weet hij niet hoe je dat feitelijk moet doen:

(…) hoe kom je tot samenspraak
wat zijn de drijfveren, iemand recht
zijn rug, iemand steekt zijn kop uit
boven het gras, wie is eensgezind

Het is niet aan een dichter om op deze vragen een realistisch antwoord te formuleren. Dit behoort wezenlijk niet tot de poëzie. De kwetsbare taal die in een gedicht wordt gehanteerd, is er niet voor aangepast.

© Alain Delmotte

zaterdag 2 mei 2026

De Geliefde Het Gedicht

Toespraak van Alain Delmotte op zondag 26 april 2026 in 'De Snuffel' in Brugge bij de voorstelling van 'Spiegel van de ziel', de nieuwste dichtbundel van Antoon Van Den Braembussche.



Vooraleer ik de bundel Spiegel van de ziel van Antoon Van den Braembussche wat meer probeer te belichten, laat ik hem eerst zelf aan het woord. Hij situeert zijn bundel op volgende manier: “‘Spiegel van de ziel’ kan als een sluitstuk worden beschouwd van een mystieke trilogie, die begon met de bundel Alles komt terug, die aan de eeuwige terugkeer van het gelijke was gewijd, en De schaduw van Morandi, waarover de Nederlandse criticus Johan Reijmerink schreef: ‘Wetend dat “het onzegbare onuitroeibaar is”, heeft hij in deze nieuwe bundel het motto van Vasalis overtuigend gestand gedaan: “Een dichter vertaalt. Geeft taal aan datgene uit zijn binnenwereld dat zelf geen woorden heeft.” Van den Braembussche heeft aan het onuitsprekelijke ingetogen, lichtgevende, loepzuivere woorden gegeven.’”

Laat me toch nog even een omweg maken. Ik vertrek vanuit de vraag: wat is poëzie? Ik zal het daarbij niet over de formele kanten van de poëzie, d.w.z. over de poëtica, hebben. Mijn vraag is ontologisch: wat is het wezen van de poëzie? Wat maakt haar universeel?

In de bundel van Antoon lezen we evenwel:

Wat poëzie zou kunnen zijn
is met geen pen te beschrijven.

Ik ben me ervan bewust dat het antwoord op de gestelde vraag enkel persoonlijk, onvolledig en relatief zal zijn. Poëzie is een complex, vaak dubbelzinnig gegeven, maar ik durf het in één woord samen te vatten: poëzie is ‘taalritualisatie’. Ik haal het woord bij Christine D’Haen, in een tekst waarin ze het over James Joyce heeft.

Taal en ritueel. Rituelen appelleren aan de diepste wortels van ons mens-zijn. Ze typeren de allereerste menselijke beschavingen. Het waren meestal groepsgebeurtenissen. We weten het ondertussen wel: wat we thans kunstvormen noemen, maakte toen deel uit van een geheel – het picturale, de enscenering, de zang en de dans. De poëzie is de erfgename van de zang. Van de adem.

Bij een ritueel kwamen de deelnemers in het sacrale terecht. Ze beleefden en herbeleefden het sacraal-mythische. Energieën en dynamieken werden opgewekt. Er is sprake van transgressie, transformatie en trance. Men ging van een overlevingsmodus naar een staat van exaltatie over. Initiaties, louteringen, bezweringen en aanroepingen werden betracht. Er werd naar verbondenheid gestreefd: met de gemeenschap, met de natuurlijke omgeving, met het kosmische. Ik schreef ‘transgressie’ omdat er grenzen werden overschreden: die van de werkelijkheid en die van de tijd. In een gedicht uit Antoons bundel met als titel Black out staan drie regels die ik even uit hun context licht. Ze schetsen volgens mij de kern van het ritueel gebeuren:

Iedereen verkeerde even
in een andere dimensie.
Een andere toonaard van de tijd.

Wat blijft er in het geseculariseerde Westen van die sacraliteit over? Welke betekenis heeft die voor de poëzie? Zeker, er is een strekking in de moderne poëzie waarbij dichters expliciet het rituele opzoeken: de poeta vates, de dichter-sjamaan, de ethno-poetry en de daarbij horende performance. Hoe interessant ook: ik breng die hier niet ter sprake. Ik houd me aan het soort poëzie dat Antoon bedrijft: de traditie van de geschreven poëzie. Ook het papier kan namelijk als een sacrale plaats fungeren. Zoals het citaat van Maarten Embrechts, dat vooraan in de bundel staat, suggereert: ‘Le papier, c’est un dieu absent qui nous regarde’. ‘Het papier is een afwezige god die ons aankijkt’.

Algemeen genomen zijn we wellicht voor de absolute sacraliteit veel te kritisch geworden. Is de band tussen poëzie en het sacrale (het religieuze, het spirituele, het mystieke) dan verbroken? In begrippen als ‘trance’, ‘extase’ en ‘inspiratie’ komen mystiek en poëzie elkaar tegen. Volgens de Mexicaanse dichter Octavio Paz zou de mystieke ervaring een kanalisering van de poëtische ervaring zijn. Een wat te strikte uitspraak. Ik houd me liever aan wat Van Ostaijen poneerde: poëzie is de laagste trap van de extase. De processen die zich tijdens een ritueel voltrokken, kunnen we herkennen in het schrijfproces, zij het in mineur, minder geëxalteerd. Van de zang blijft de stem over. Het betreft de innerlijke stem, de stem die in de dichter spreekt en die de dichter zich eigen wil maken, een eigen vormgeving wil meegeven. Een stem overigens die zich in allen verscholen houdt. Iedereen kan een dichter zijn.

De poëzie vertegenwoordigt thans een soort tussenwereld die we eigenlijk niet meer in haar volheid als sacraliteit kunnen omschrijven, maar die de sporen ervan onuitwisbaar in zich draagt. In een recente nota schrijft Antoon: ‘Men kan zonder overdrijving beweren dat grote poëzie eruit bestaat een optimale balans te vinden tussen inspiratie en bewerking, tussen hartstocht en distantie, tussen extase en vormbewustzijn, tussen improvisatie en langzame perfectiedrang.’ Ik zou daaraan willen toevoegen dat de poëzie zich laat aanvoelen als een tussengebied waar roes en ontnuchtering, intuïtie en intellect, het profane en het gewijde, het lyrische en het lucide, het individuele en het collectieve met elkaar al dan niet dialectisch in conflict gaan of elkaar aanvullen.

Poëzie begint van zodra we worden geconfronteerd met ervaringen waarbij we vaststellen dat er voor die ervaring geen woorden bestaan. Wanneer het sprakeloze ons overvalt, daar begint de poëzie, daar begint onze nood aan poëzie: momenten van verbijstering, verrukking, passie, vervreemding. Zou dit de ware, paradoxale uitdaging van de poëzie zijn: woorden vinden voor het sprakeloze? Waarbij en waarmee de poëzie een grenservaring wordt tussen spreken en zwijgen? Elke dichter bouwt zich op het witte blad een eigen stilistisch ritueel op waarbinnen de taal kan worden geregenereerd, herladen en daarmee weer dichter bij het organische en het fysieke aansluit, dichter bij ‘de ziel’. De woorden ontmoeten elkaar binnen de context van het gedicht en krijgen een vrijgeleide. Het woord gaat dan over de schreef van zijn lexicale betekenissen. Zoals Martinus Nijhoff het formuleerde: woorden zingen zich los van hun betekenis.

Antoon gaat wat verder en koppelt er een ontmoeting aan:

Woorden die zich
onderling herkennen,
zich als in een droom
aaneenrijgen tot gedicht.

Of wat sterker uitgedrukt – al is het in vraagvorm genoteerd:

Liefde tussen woorden 
die elkaar nog nooit 
hebben ontmoet? 

Het gedicht is voor het woord een adem- en resonantieruimte, een klankbord, waarbij het sprakeloze zo dicht mogelijk kan worden benaderd – totdat het woord erin opgaat, stilte wordt en in zijn radicaliteit een ‘unio mystica’ is. Het sprakeloze is een soort geheimschrift dat door de dichter moet worden ontcijferd. Zo lezen we in de bundel:


En langzaam, langzaam,
omhels ik het geheimschrift
van je lichaam
als een mild en sprakeloos dier.

Dit kan dan zowel het lichaam van de geliefde zijn als het wezenloze, maar niet zielloze lichaam van de poëzie.

Spiegel van de ziel.

Het woord ‘ziel’ komt een aantal keren in de bundel terug. Het wordt een ‘echokamer’ genoemd. Het wezenloze zou zich in de ‘zijkamers van de ziel’ bevinden. In iedereen schuilen ‘de lome kantooruren van de ziel’. En de muziek van Arvo Pärt, die een eerbetoon is aan de stilte, welt uit de spiegel van de ziel op. De ziel is de immateriële essentie van de mens, zijn levenskracht. De hele bundel laat ons een innerlijkheid in beweging zien. We lezen hoe in deze poëzie de taal een weg volgt die naar het onzegbare leidt.

De eindbestemming waarin het zwijgen
niet langer onwerkelijk is.

…
De indrukwekkende bijna-stilte
waarbij het denken
wegdroomt en zwijgt.

Een punt waarin

(...) het niet-gezegde, 
in een niet weten (wordt) ingedamd. 

Wat aansluit bij wat ik eerder een grenservaring noemde. We komen met het ‘niet gezegde’ en het ‘niet weten’ in een mystieke ervaring terecht. Het ‘ik’ valt weg, wordt gelouterd: 

Ik ben niet langer
de vele ego’s
waarin het leven
zich verdeelde

Een gegeven dat de vijf cycli vruchtbaar en vitaal doordesemt. In ‘Zij herinnert zich’ wordt de liefde en haar fluctuaties geëvoceerd. In ‘Franse suite’ kregen de gedichten een Franse titel mee. Een deel ervan suggereert wisselende gemoedstoestanden: cafard, mélancholie, ‘cycle d’amour’. ‘Momentenopnames’ verzamelt gedichten die getuigen van de ‘hartslag van de verwondering’. De reeks ‘Zo bleef ik spreken’ beschrijft hoe gedichten een weg afleggen totdat alles ‘vreemd wordt en meerduidig’. ‘Zegswijzen’ sluit daar min of meer bij aan en concludeert wat ik al eerder opperde:
 

Niets anders rest me
dan een onbewogen zwijgen in mystiek.

In ‘Modus vivendi’ lezen we gedichten waarin dromen een blijvend verlangen zijn. Dromen die al onze verlangens in zich dragen, die voor ons een levensnoodzaak zijn:

In iedereen
schuilt een oude droom
die maar niet sterven wil.

In ‘Ars musica’, zoals de titel aangeeft, staat muziek centraal. Dat kan een Japanse fluit zijn (een shakuhachi), een onthechtende stilte en Arvo Pärt. Een reeks die wordt ondersteund door een citaat van Jankélévitch en dat volledig in de lijn ligt waarnaar deze poëzie streeft: ‘Waar woorden ontbreken, begint de muziek.’

Zoals in al zijn bundels vormen kunst en kunstenaars de terugkerende lijn in ‘Spiegel van de ziel’: Johan Clarysse, Paul Klee, fotograaf Christian Clauwers, Sofie Muller, Billie Holiday, Leonard Cohen, Arvo Pärt. Gedichten zijn opgedragen aan Paul Rigolle, Wittgenstein, Joannes Késenne, compagnon de route Gerrit Anquinet, poolreiziger Sam Deltour en vriend Pierre Dumont – die op zijn manier ook grenzen heeft overschreden. Aan elke cyclus gaat een citaat vooraf.

Opvallend is dat de Franse surrealistische en later communistische dichter Paul Éluard (1895–1952) geciteerd wordt en dat een gedicht aan hem is opgedragen. Het is vooral de liefdesdichter die de aandacht krijgt, niet de politieke dichter. Éluard schreef ooit een memorabele poëziebundel, een van de hoogtepunten van de surrealistische poëzie (en zelfs de slogan van de beweging): L’amour la poésie (1929). Zonder komma ertussen, want ze vormden een onverbrekelijk geheel. Poëzie is liefde en liefde is poëzie. Geliefde en gedicht vallen samen.

Is de eindbestemming van het gedicht het zwijgen, wat is dan de richting die de wezenloze ziel (die ik eerder een bewegende innerlijkheid heb genoemd) uitgaat? Leidt die naar het ‘midden van nergens’, naar ‘de grondeloze omarming/ van leegte? En waar bevindt zich dat ‘nergens’? Kan dat ‘overal’ zijn? Of bevindt het zich in het onbestemde van het hier en nu:

In één en hetzelfde
onbestemde ogenblik.

…
Onder een sluier van wit,
zit de Boeddha gevangen in het ogenblik.

…
En soms is er enkel nog het nu:
een blij en eeuwig vergeten

De poëzie van Antoon blijkt in zekere zin eenvoudig en leesbaar. Ik bedoel dat ze nimmer etherisch klinkt, hoewel zijn thematiek hem daartoe zou kunnen verleiden. Ze is verfijnd maar nooit onnodig duister.

Al bij al stel ik vast dat deze bundel in het verlengde ligt van zijn vorige bundels. We herkennen de thematiek, die we ook in zijn essayistisch-filosofisch werk terugvinden. Maar ik moet bekennen dat Antoon ook tot iets anders in staat is. Recent verraste hij vriend en vijand met de publicatie van een bundel kindergedichten, kleurrijk geïllustreerd door Marieke Janssen. Gedichten voor kinderen van 5 tot 105 jaar. Hij gaf die uit onder zijn vroegere schuilnaam Tonko Brem. Een kort gedicht daaruit, ‘Toverformule’. Misschien niet het meest representatieve, maar wel het meest speelse:

Virga Jesse.
Potjandorie. Vaste flesse.
Vispandoerie. Pontiplesse.

Poerkieblomme. Blankiebomme.
Pontipaste. Van der domme.

De poëzie van Antoon staat niet los van de werkelijkheid. Zijn poëzie gaat vele wegen uit. Ook in deze bundel laat hij zich van een andere kant zien, met name in het gedicht ‘Nooit meer oorlog’ (dat eerder al in een Engelse vertaling verscheen) en dat de epiloog van de bundel vormt. Een rijmend gedicht waarin uitdrukking wordt gegeven aan de verontwaardiging over wat er in Gaza is gebeurd en nog altijd gebeurt. En dat ongewild vooruitloopt op wat er thans in Iran gaande is. En we vergeten Oekraïne niet. Het beschrijft hoe oorlog de menselijke ziel doet ontaarden en hoe machteloos dichters moeten toezien:

En wij dichters, kijken toe, losgezongen van de tijd.
En desondanks schrijven wij de waanzin kwijt.

Als zachte verspreking van het heilig vuur.
In salvo’s van verzet. In verzen van azuur.

‘Desondanks’ lijkt me hier het belangrijkste woord: desondanks alles moet er verder poëzie geschreven worden. Onlangs las ik bij de Franse dichter Pierre Garnier het volgende: ‘Le mot n’est pas un outil, c’est un être.’ ‘Het woord is geen gebruiksvoorwerp, maar een zijn.’ De huidige situatie maakt het nog erger: het woord is opnieuw een te misbruiken voorwerp geworden, waarbij het onderscheid tussen leugen en feit op cynische, retorische wijze wegvalt. Hadden we dat al niet eerder meegemaakt?

Wat is oorlog? Onder meer dat de taal de mond wordt dichtgesnoerd. In dergelijke oorlogstijden moeten dichters blijvend de waakhonden van de taal zijn. Een wereld zonder enige vorm van poëzie is een geamputeerde wereld, een niet-wereld.

Poëzie lezen, dames en heren, dat zijn twee lichamen, twee innerlijkheden die elkaar ontmoeten: de ziel van poëzie is een uitgestoken hand. Zo ook de poëzie van Antoon Van den Braembussche.


Antoon Van Den Braembussche - Foto © Sammy Roelant 

De Snuffel- zo 26/4/2026


'Na de voorstelling' - Antoon Van Den Braembussche (l)
en Alain Delmotte - Foto © 
Paul Rigolle


© Alain Delmotte

Spiegel van de ziel – Antoon Van den Braembussche – uitgeverij P 2026
Klavertje vier - Tonko Brem - Marieke Janssen (illustraties) – Uitgeverij de Wispeltuin Brugge 2025



dinsdag 31 maart 2026

Inleiding op 'Lagen van glas' - Alain Delmotte

Glas is een bron van scherven

Op zaterdag 21 maart 2026 stelde Digther-redacteur Daniël Franck in het Gentse Paulushuis met 'Lagen van Glas' zijn nieuwe dichtbundel voor. Alain Delmotte (eveneens Digther-redacteur) was inleider van dienst. Zijn integrale inleiding lees je in het bericht hieronder. 

Dames en heren, vandaag, op de werelddag van de poëzie, verschijnt na een stilzwijgen van 30 jaar een nieuwe bundel van Daniël Franck. Aangezien Daniël van zijn vroegere bundels afstand lijkt te nemen, is ‘Lagen van glas’ een vernieuwd debuut. Ik weet van Daniël weinig af. Ik heb alleen zijn gedichten voorhanden. Mijn lectuur vertrekt vanuit een wit blad. Hetzelfde witte blad waarop gedichten hun aanvang nemen. Dichter en lezer vertrekken vanuit dezelfde positionering.

Er staan in de bundel twee gedichten waarin het ‘wit’ (een essentieel stijlmiddel voor de poëzie) wordt geëvoceerd. In het eerste gedicht wordt het wit voorgesteld als ’een zee van verhalen/voor er talen waren’. Alsof het wit de prenatale staat van de taal is. En laat ik hier meteen ook signaleren dat het motief van de zee in de bundel sterk aanwezig is. De zee en de daaraan verwante woordvelden: getijden, water, rivieren, meer, kust, strand, vloed. Opvallend daarbij is dat het element ‘water’ niet altijd als positief wordt ervaren. Het water biedt geen solide consistentie: ‘stap het water in en je verliest houvast’.

In het tweede gedicht bevindt het wit zich, voor de dichter, ‘midden in ons’. Daar waar ‘bestaansrecht, ongerepte lichamelijkheid’ verborgen ligt. Het wit verkrijgt de status van een ‘zijnstoestand’. Die uitspraken over het wit hebben hun repercussies binnen het geheel.

Laten we de buitenkant van de bundel bekijken. De inhoudstafel geeft aan dat de bundel bestaat uit een introgedicht en vier cycli: met name ‘De getijden’,  ‘Scherven’ (bestaande uit een gedichtenreeks van 11 gedichten en één los gedicht), ‘hoe bij leven afscheid te nemen’ en ‘tot stof’.

Het introgedicht kreeg als titel ‘nulpunt’ mee. Het laatste gedicht uit de bundel heet ‘eindpunt’. De bundel legt een traject af, volgt een neerwaartse beweging die me van onder meer existentiële aard lijkt: van geboorte tot dood. Er wordt gaandeweg afscheid genomen: ‘Afscheid is dat ding dat met stenen verzwaard neerzinkt in het meer.’ Het draagt ook iets spiritueels in zich. Ik kom er op terug.

De laatste regel van ‘eindpunt’ luidt: ‘het slotakkoord dat zich om mij sluit’. Het eindpunt als een dood punt. Het introgedicht vertelt ons iets over hoe de dichter de taal ervaart: ‘Ik lig in mijn taal als in een naakt lichaam’.  Resoneren hier de regels van Van Ostaijen mee: ‘ik wil naakt zijn en beginnen’? Het deed mij denken aan een uitspraak van de controversiële, Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Volgens hem zouden we tweemaal geboren zijn: de eerste keer is dat onze biologische geboorte, de tweede keer is dat de geboorte in de taal en/of de geboorte van de taal in ons. In het geval van de dichter valt die geboorte als een miskraam uit. De taal lijkt hem te veel voorgezegd. Ze zit krachteloos vast in een ‘rudimentaire ritmiek’. Die taal is niet zijn taal. Een door de dichter hopeloos genoemde positie.

Dit is een constante in heel wat poëzie. Het is misschien één van de kernen van de poëzie: het onbehagen in en van de taal, de ontoereikendheid, het voortdurende echec. (Vandaar dat prenatale wit dat soms meer betekenis in zich kan dragen dan de taal zelf).

Van dit motief vond ik in de bundel een aantal sporen terug. Vier citaten.

‘Ik zoek letters
om mijn onkunde mee te bekleden’    

‘ Woorden zijn wolken.
Eer je ze aan kunt raken muteren ze’

‘ik kon geen woorden vinden voor de wereld’ 
…

de woorden willen niet mee’

‘Filosofen meanderen zich naar een uitspraak.
Zelf kon ik niet verder dan een positie
en de onderwerping eraan.’

Voor de dichter is daar maar één ding tegen te doen: hij gaat op zoek naar een eigen taal, naar een  andere taal binnen de conventionele taal. Het impliceert dat hij zich in een soms zeer afwijkende taal uitdrukt, een taal vanuit een psychofysische constitutie gerijpt, een soort lichaamstaal.

De taal van Daniël Franck is een heel aparte, hoekige, soms vreemde al dan niet associatieve sprongen makende taal waarin de dichter zich compact en verdicht te kennen heeft. Het is een taal in het verweer, een taal die zich beschut. (Of hiermee het daarnet opgemerkte onbehagen is verdwenen, durf ik te betwijfelen.)

Poëzie is iets wat je moet herlezen. We hebben namelijk de neiging om in een gedicht naar een omlijnd verhaal te zoeken. Dit wil zeggen: we zoeken naar eenduidigheid. Bij deze bundel is dat geenszins het geval: meerduidigheid is er troef.

Hoe herlees je dan poëzie? Door het spoor van de woorden te volgen. Laten we de weg van de woorden uit de titel volgen. Zoals die titel suggereert, zijn er verschillende ‘Lagen’ te ontdekken in deze gedichten. Het woord komen we aantal keren in de bundel tegen: ‘kleilagen vallen van mij af’- ‘Diep onder de laklaag van de aarde’ – Jacob (de bijbelse figuur) ‘trekt de dag als een laklaag over zijn gezicht’. Hieruit blijkt dat de dag een laklaag van de tijd is. Die laklaag bevindt zich onder de grond, onder kleilagen, onder ‘bodemlagen’ zoals die in het gedicht ‘Archeologie’ genoemd worden. De lagen moeten bij lectuur worden opgegraven. Zou dit een metafoor zou kunnen zijn voor onze psyche waarin allerlei lagen vanuit een persoonlijk ervaren tijd werkzaam zijn? Onze psyche brengt onze ‘getijden’ in beeld. Onze herinneringen, trauma’s, verlangens. Alles wat zijn tijd heeft gehad. Ik zinspeel op de titel van een gedicht. Waarvan hier de eerte strofe:

Hebben we de tijd gehad tussen heden en verleden 
bestendigheid na te streven of lieten we onszelf na
als een donkere veeg op het gordijn? Wat we zien
bij het vertrekken komt altijd op het moment 
van het onherstelbare, het houvast dat ons ontglipt
terwijl we slaperig in samen liepen te dwalen.

Ik stel vast dat die ‘lagen’ tegen elkaar aanbotsen. Ze hebben geen lineair verloop. Ze lopen uit op een warrig kluwen.

Het woord ‘glas’ komt in de bundel slechts tweemaal voor. Ik zocht naar definities voor het woord ‘glas’. Op het internet vond ik in een puzzelwoordenboek waarin een prachtige omschrijving. Glas wordt ‘een bron van scherven’ genoemd. Van het doorzichtige glas blijven slechts in deze bundel de verspreide scherven over.

De woorden ‘scherf’ en scherven’ komen regelmatig terug. Een gedichtenreeks kreeg de titel ‘scherven’mee. Die scherven worden in de reeks als ‘Vertakkingen, spinsels, vlechtwerk’ beschreven. Ze vormen ‘grafische lijnen’ die, naar de dichter schrijft, ‘vertrouwen inboezemen’ en een toestand creeëren ‘om aan vast te klampen’. Opnieuw die nood aan solide consistentie.

Al lezend kunnen we dit alles ‘scherf na scherf bot na bot’ proberen op te graven. Opgraven wat ‘de kaken van de tijd hebben vermalen’. Het is duidelijk dat ondergronds al dan niet persoonlijke herinneringen opwellen. Het zijn wel eens pijnlijke herinneringen. ‘Herinneringen bijten zich vast in spijt’. ‘In het lange vergeten heb ik mij nooit bekwaamd’.

Het is natuurlijk niet de bedoeling om hier de hele bundel op die manier verder te ontsluiten. Het is daarvoor niet het moment. Een aantal zaken zijn overigens niet te ontsluiten. Een versregel stelt dat er ‘sleutels (zijn) waaraan het slot blijft ontbreken’.

Een aantal zaken hebben me geïntrigeerd. Onder meer de vaststelling dat er in deze verzameling een soort bestiarium verscholen zit. Ik telde er een twintigtal: van de kleine mier tot het imposante edelhert. Ze lijken alweer een vast element in de wereld aan te bieden: ‘ik zal blijven/voorbijgaan en niet zoals de ganzen in het veld jaar na jaar verrijzen’.

Eén van centrale patronen in de bundel zijn een ik, een je, een we. De ik en de je zijn een liefdespaar. Al rijst er een moeilijkheid:

‘Dat wij bij de liefde niet parallel bewegen 
maar hakend klauwend stuttend ontvangend’ 

Tot een symbiose tussen de ik en de je komt het niet: 

‘Dat je beweert mij al een beetje te kennen 
maar nog nooit vroeg je mij een zintuig te leen’

Niettemin, in al hun lichamelijkheid heeft het paar nood aan elkaar. Ze zijn een schuiloord voor elkaar. Ze bieden elkaar onderkomen. Zoals in volgende regels:

‘Voorzichtig vlei ik mijn hoofd aan je buik,
hoog boven me de horizon van je hart en borsten,
van mijn onderkomen het dak,
schuilplek van een verblindende zomer’

Het paar modelleert zich een binnenwereld die zich afsluit van een buitenwereld die als bedreigend en angstig wordt ervaren.

‘Van geen kwaad bewust 
laten wij, wanneer het donker begint 
en wij van belofte op herstel
verstoken blijven,
de rolluiken neer.’

Het motief van het beschuttende huis duikt meer dan eens op:

‘Diep gebunkerd
bedrijven we het huis’. 

Het paar blijft dus van herstel verstoken. In het gedicht ‘geen herstel’ blijkt waaruit er geen herstel mogelijk is:

‘(…) Geklonken aan elkaar janken
wij: hier schuilt vergankelijkheid.’

De gedichtenreeks ‘scherven’ lijkt ‘een kwade droom’. De ‘je’ haalt met een scherf naar haar polsen uit en staat in een bloedplas. Er volgt een vlucht naar buiten: de weg leidt door een bos, naar een zee. Na een grote vloed spoelen ze aan op een kust. Op dat stuk land ‘moeten wij beginnen’ maar er is een ‘verlatenheid, die ons blijft bezitten’. De ik loopt van de ‘je’ weg: ‘Jij velde mij stripte mij vilde mij’. Maar is het wel de ik die vertrekt? ‘Jij was het die uiteindelijk mij zou laten’. De ik vraagt zich af: ‘hoe verklaren dat ik op haar bleef wachten? Want ‘het alledaagse bleef me versplinteren’.

Wat mij aansprak in deze pregnante reeks was de vlucht, de dwaaltocht. Dit is het laatste wat ik thans ter sprake wil brengen. Ik had het in het begin over spiritualiteit. Er vallen met name verwijzingen naar het religieuze in brede zin te onderkennen. Leven wordt een heidens ritueel genoemd. Een godswonder, orakels en een meditatie worden te berde gebracht. Goden worden aangeroepen. Er is het gevecht van Jacob met de Engel. Laserstralen kruisigen een hoofd. Het ironische gedicht ‘verboden onderwerp’ brengt de machteloze ziel in beeld.

Vanwege die passussen kan ik het niet laten om in het afgelegde traject die de bundel uitlijnt, als een archetypische spirituele pelgrimage te ervaren.  Bij een pelgrimage ligt de klemtoon op het onderweg zijn: een mentale tocht ‘van uitzicht naar inzicht’ –  vanuit de nacht naar het licht. Er staat: ‘ik weet niet zeker of de richting/juist werd uitgezet. Ik zoek licht.’ - ‘de kromme routes van het licht voor één keer recht’ - ‘Zouden we in dat licht nog herbeginnen?’- ’Uit onherbergzame oorden/wordt het licht verwacht’.

De dichter ‘hangt de mystieken aan’. Wat als iemand stelt dat het wit zich midden in ons bevindt of die kleilagen van zich laat afvallen? Wat blijft er dan over? Het mystieke nulpunt: de leegte.

Wat ik bedoel is dat je in de leegte
kunt afdalen en tekens vinden
in een schaduw, in roerloosheid. 

Wat kan er van die leegte worden verwacht? De dichter is duidelijk:

‘Vormen van helderheid, ochtenden
in het leven geroepen om kwade dromen te verjagen,
het concept gevoel gevat in een lichaam
dat niet ophoudt zichzelf uit zijn constructie te willen bevrijden.’

‘Zichzelf uit zijn constructie bevrijden’. Hieruit spreekt een nood aan transcendentie. In de schaduw en in de roerloosheid van deze gedichten zijn er momenten die getuigen van transcendentie. Er kan een link gelegd worden naar het citaat van Wallace Stevens (één van de groten uit de twintigste eeuw) die vooraan de bundel staat. Een fragment uit het gedicht ’The idea of Order in Key West’. Ik citeer uit een commentaar die ik van dit gedicht vond: ‘In dat vermaarde gedicht verkent Wallace Stevens het concept van transcendentie door middel van kunst en verbeelding, waarbij de menselijke daad om orde te scheppen uit chaos de ervaring verheft boven het louter fysieke bestaan.’

In ‘lagen van glas’ lezen dergelijke, sublieme ogenblikken van transcendentie. Zoals bijvoorbeeld in volgende regels uit ‘drijvend gedicht’:

 ‘Ik blijf verlangen naar meer water om in te drijven, 
zacht deinend water dat zich lui uitstrekt,
rustig dalend zonder plan of vooruitzicht
tot alles rondom kleur krijgt, een geschenk.’

Hiermee zijn we evenwel niet op een eindpunt aangekomen. Ik heb zelfs het gevoel dat ik niet verder geraakt ben dan het nulpunt. De bundel is een blijvend herbegin. Deze rijke en taalbewuste bundel is tot in de puntjes gestructureerd. Ik liet onvermijdelijk een aantal aspecten onbesproken. Ik hoop u wel enkele handvaten voor verdere lectuur te hebben aangereikt. Ik laat verdere verkenning graag aan u over en wens u veel herleesgenot.

© Alain Delmotte


Daniël Franck, Lagen van glas, Uitgeverij P, 2026, 72 pagina's, ISBN 978-94-93534-00-1

Lees ook het bericht over de voorstelling van de bundel.



Daniël Franck signeert


Achterflap 'Lagen van glas'

zondag 22 maart 2026

Lagen van glas - de voorstelling

Paulushuis Gent: Daniël Franck verwelkomt
Exact dertig jaar (!) na zijn dichtbundel 'Sheherazade', verschenen bij Uitgeverij deBeer in 1996, is dichter, recensent, en redactielid van de Schaal van Digther, Daniël Franck helemaal terug als dichter!

Gisteren 22/3/2026 stelde hij in het Gentse Paulushuis zijn gloednieuwe dichtbundel ‘Lagen van glas’ voor. Alain Delmotte leidde de gedichten vakkundig in en Vrt-journaliste Ann De Bie ging in gesprek met de dichter. Muziek was er van de cellisten Annemie Clarysse en Johan Van Heghe en uitgever Leo Peeraer van Uitgeverij P (door Daniël geheel en al terecht "de zuurstoftank van de Vlaamse poëzie" genoemd) overhandigde de eerste exemplaren.

We komen hier in deze kolommen zeker nog terug op 'Lagen van glas'. Dat doen we met o.a. het vrijgeven van de inleidende tekst van Alain Delmotte. In bijlage alvast een reeks foto’s.

Meer foto's vindt u op de Facebook-bladzijde van De Schaal van Digther.


Dertig jaar later!

Leo Peeraer overhandigt ex. aan
Ann De bie

Daniël Franck in gesprek


Alain Delmotte

Cellisten Johan Van Heghe en Annemie
Clarysse



vrijdag 5 december 2025

Geen theatrale make-up in ons gezicht

Inleiding van Alain Delmotte bij de bundel van Patrick Cornillie ‘Gewoon bijzonder’.


Dat Patrick Cornillie met een gedichtenbundel op de proppen komt over en ten voordele van eethuis Lizette & Lucien is geen toeval. Onder de vleugels van de vzw Duinhelm biedt deze Oostendse soep- en lunchbar jongeren en volwassenen met een beperking de kans om mee te werken in een reguliere horecazaak. Friedl (30), jongste dochter van de auteur, is er aan de slag als opvoedster/begeleidster.
 
Eind 2022 liep het echter verkeerd, daar in Oostende. De soep- en  lunchbar werd getroffen door een zware gasexplosie, waarbij Friedl levensgevaarlijk verwond raakte. Ze overleefde de ramp op miraculeuze wijze, mede door de volhardende steun van de collega’s en bijzondere medewerkers van Lizette & Lucien - zowel tijdens haar lange verblijf in het brandwondencentrum in Neder-Over-Heembeek als daarna, bij haar zeer intensieve revalidatie.

Bij Patrick heeft dit een gevoel van dankbaarheid ontlokt. Hij wou iets terug doen en deed dat met het beste, het mooiste wat hij kon geven: met poëzie, met het gulle woord van de poëzie. De kracht van de poëzie is namelijk dat ze tracht woorden te vinden waarvoor nauwelijks woorden te vinden zijn. En het is hem gelukt: zo groot was zijn dankbaarheid. In elk woord van deze gedichten klinkt dankbaarheid door.

In dit boekje portretteert Patrick Cornillie dus met naam en toenaam personen met een beperking die in ‘Lucien en Lizette’ present zijn. Vooraleer de bundel wat te verkennen, waag ik me aan een kleine omweg. Ik stel me de vraag hoe het zit het met de beeldvorming van personen met een beperking in de Nederlandstalige poëzie. Daar kan zeer veel over verteld worden, een dik essay lang. Ik moet me evenwel beperken en hou even halt bij het werk van Maria Vasalis en Jo Gisekin.

Het bekendste gedicht uit de Nederlandstalige poëzie over een persoon met een beperking werd geschreven door de door velen graag gelezen Maria Vasalis (1909-1998). Het staat te lezen in haar debuutbundel uit 1940 ‘Parken en woestijnen’. De titel van het gedicht klinkt thans, 85 jaar na datum, schokkend en politiek incorrect nl. ‘De idioot in het bad’. In dat gedicht beschrijft de dichter een zwakbegaafde, onbeholpen man met grote begeleidingsnood die eenmaal per week een bad kan (en moet)
nemen en daar een intens genot aan beleeft. Het lijkt wel of hij naar de moederschoot terugkeert: het water evoceert het vruchtwater. Zoiets werd in geleerde termen ooit ‘uterale poëzie’ genoemd. Op het esthetische niveau hebben we te maken met een verfijnd lyrisch gedicht. Maar waarom het woord ‘idioot’ in de titel? Dat heeft te maken met de toen fingerende beeldvorming. Vasalis was een progressief, humanistisch gerichte psychiater die notie had van Freudiaanse theorieën (zoals dat enigszins uit dit gedicht blijkt), maar ze maakte gebruik van de medische classificaties die toen gangbaar waren. Hoe prachtig ze het ook weet te verwoorden, ze wekt de indruk ‘een geval’, een ‘study case’ te beschrijven en niet zozeer een persoonlijkheid.

Jo Gisekin (°1942), over wie ik geen woord kwaad wil horen, schreef een bundel, ‘De tuin van Cathérine’ (verschenen bij uitgeverij Lannoo in 1995) waarin een vrouw met een beperking centraal staat. Daar is niets mis mee en het is op het formele niveau zeker een degelijke bundel. Maar ik wens het te herhalen: ik heb het over de beeldvorming die zich in deze gedichten toont en niet over de literaire waarde van de gedichten zelf. Gisekin geeft trouwens blijk van dezelfde delicate taalverfijning als die van Vasalis. Ze beschrijft weliswaar Cathérine niet als een geval. Maar daar waar ze de zesendertigjarige vrouw als een ‘bevlogen kind’ beschouwt, zet ik toch discreet een stapje achteruit. We bevinden ons op een grens. Niettegenstaande alle goede bedoelingen, neigt dit naar idealisering en sublimering.

Het gebeurt wel vaker dat in het stereotiep gedrag dat personen met verstandelijke beperkingen wel eens kenmerkt, dat we iets van het kinderlijke denken (of zelfs hopen) te bespeuren. Alsof ze zich zouden bevinden in een wereld waarin alles nog onschuld is. Ik noem dit een nostalgische projectie: wij menen in hen de zogenaamde allerzaligste kindertijd terug te vinden. Zeker een onbevangenheid en een wijze van verwondering typeert hen in sommige gevallen wel. Maar ook voor hen is het niet elke dag koek en ei. Het zijn volwassenen. Ook hun dagen vallen wel eens moeilijk uit. Net als wij hebben ook zij soms harde noten te kraken, zoeken hun frustraties en hun verdriet uitwegen, blijven hun behoeften en verlangens meer dan eens onvervuld. Behoeften en verlangens die in weinig verschillen van de onze. Nee, net als iedereen zijn zij niet ongerept – hoezeer we het ook anders zouden willen.

Vanuit welke perspectief bekijkt Patrick Cornillie de personen die hij in deze gedichten wil portretteren? De titel zegt het al: ‘Gewoon bijzonder’. Het citaat aan het begin van de bundel maakt zijn gezichtspunt nog omlijnder. Het is er een van Louis Paul Boon: ‘Men is maar groot als men gewoon is wat men is’. De dichter classificeert of sublimeert niet. Hij beschouwt de beschreven personen als evenwaardige individuen, als zijn gelijken. Zijn beeldvorming is emancipatorisch gericht. Verschillen zij dan echt niet van ons? We verschillen allen van elkaar, op een subtiele manier. Om Szymborska te citeren: we verschillen van elkaar als twee druppels water. Elke waterdruppel is uniek. Maar met het citaat van Boon typeert Patrick deels ook zichzelf wel. Hij is geen dichter die al te graag het hoge woord voert. Hij neemt geen poses aan. Hij vermijdt het verhevene. Hij sluit bewust aan bij wat ik maar ‘de traditie’ zal noemen. We betrappen hem wel eens op een verdwaald rijm. In een gedicht gebeurt dit zelfs expliciet, zij het met grote ironie zoals dat we dat kunnen merken in het nonsensgedicht ‘Kari’: ‘Of liever boep met salletjes, een snootje breed?/ Qeech van de wiek of wuiche van de qeek?
Al heeft hij het niet over zichzelf maar over Michiel, toch meen ik in volgende regels Patrick Cornillie te herkennen: ‘Geen theatrale make-up in ons gezicht.//Nee, we zijn gewoon. Zo gewoon zijn wij.’ Waarmee ik geenszins wil beweren dat de poëzie van Patrick gewoontjes zou zijn. Zijn taal wekt meer dan eens verbazing op: dit is alledaagse taal die helemaal niet alledaags is. Hij verfrist die taal, hij meet die een zondagspak aan. Patrick Cornillie is een bescheiden want pretentieloze ambachtsman van het woord. Het thema dat hij in deze bundel aansnijdt past hem helemaal.

In de bundel lezen we 23 gedichten bij evenveel foto’s van Charlotte Willem. Er wordt een door en door positief verhaal verteld. Alle beschreven en op een foto betrapte personen vertonen zich binnen het eethuis in hun dagelijks bezigheid. Wat ze er doen ervaren ze als hun werk. Ik citeer: ‘We zijn zoals we zijn. En er is/geen kunst aan om onszelf te zijn.’ Iedereen heeft een eigen taak. Iedereen neemt daarvoor de verantwoordelijkheid op en is trots op het geleverde werk. Het soms opduikend samenspel van de foto’s met de gedichten (en vice versa) straalt, zoals het al wordt aangegeven in het eerste gedicht, ‘in alle maten van het mogelijke’ optimisme, levenslust en vrolijkheid uit. Het clowneske wordt niet ontweken. Er wordt blijkbaar evenveel gewerkt als gelachen in dit eethuis.

Hebben we hier te maken met gelegenheidspoëzie? Enerzijds wel natuurlijk maar anderzijds klinken er te veel lyrische momenten door om deze gedichten integraal als gelegenheidspoëzie te benoemen. Cornillie laat de woorden draaien, keren en wegglijden: hij spaart zijn pen niet, hij surft ermee. Sommige gedichten bieden verbaal vuurwerk. Zoals in het gedicht over Victor-Boris. Het gedicht begint met ‘Woorden die werken op deze plek./ Werkwoorden.’ Gevolgd door een opsomming van werkwoorden die consequent met koken te maken hebben. Het vergt een lange adem om dit gedicht met kracht te articuleren: alle kookactiviteiten moeten dringend aan bod komen en komen aan bod. Op het einde van het gedicht en wat buiten adem verzucht de dichter: ‘Ik zou warempel nog de belangrijkste werk-/woorden vergeten: keuren proeven, eten!’. In bijna elk gedicht bruist het culinaire taal- en woordspel. Ik vermoed dat Patrick zich in de rijke en aparte woordenschat van het keuken- en kookjargon heeft verdiept. Voor andere gedichten heeft hij waarschijnlijk in de moestuin moeten loeren. Ja, we leren wat bij.

De dichter laat de woorden zonder complexen rollen en koprollen maken. We vallen over deksels, potten en pannen, kloppers en pollepels, kommen en veelkleurige mokken. Een maffe, muzikale gekte laat zich zien en horen. Alles staat in het teken van het goede humeur.
Ik zal en kan nu niet bij elke gedicht stilstaan. Ik wil het leesplezier niet bederven. Het is immers een toegankelijke en een ‘bijzonder gewone’ reeks gedichten. Ik probeerde even een totaalbeeld van de bundel te schetsen. Toch kan ik het niet laten om het te hebben over één gedicht omdat het me heeft geraakt en het voor mij een aantal herkenningspunten bood. Het gedicht gaat over ‘Jonas’. Het is het meest sobere gedicht uit de bundel. Formeel heeft het het uiterlijke van een omgekeerd sonnet. Eerst de twee terzinen, dan pas de twee kwatrijnen. Dit lijkt wel perfect te passen bij iemand die als ‘een omgekeerde flapuit’ wordt omschreven. Jonas leren we kennen als een eerder ingekeerde, terughoudende man. Hij zegt niet veel. In mijn persoonlijke ervaring verklappen dergelijke persoonlijkheden hiermee veel. Stille wateren, diepe gronden. Zwijgzaamheid intrigeert me. Begint niet alle poëzie daarmee? Is het eerste woord van een gedicht niet het woord dat niet uitgesproken wordt, dat we niet te lezen krijgen?

Ik heb me altijd tot dergelijke personen aangetrokken gevoeld. Ik heb altijd geprobeerd hen met de nodige empathie te benaderen. Ze zitten meestal vol verhalen. Ja, iedereen zit vol verhalen maar als de zwijgzamen na lang aarzelen hun verhalen vertellen dan voelen die verhalen scherper aan. Beweer dus nooit dat zwijgzamen niks te bieden hebben. Het duurt meestal een tijdje eer ze hun verhalen durven uit te spreken (want er moet eerst vertrouwen zijn). Je merkt dan dat achter hun schichtigheid ongerustheid en vrees huist. En achter die vrees verschuilt zich kwetsbaarheid. Wat hen ten zeerste menselijk maakt, al te menselijk. De dichter begint dit gedicht als volgt: ‘Was ik een gedicht, dan zou het kort/en bondig zijn. Veel wit tussen de regels./Een gedicht van weinig woorden.’ Nee, Jonas is geen gedicht, maar zijn stilzwijgen, zijn kwetsbaarheid, zijn menselijkheid heeft hij met ‘het geheim van de poëzie’ gemeen.

Wat meer valt er nog te zeggen: dat de bundel boordevol knipoogjes en binnenpretjes zit. Er zijn referenties aan Oostende (Arno, Ensor, het Oostends dialect), aan allerlei films en gedichten (onder meer Alice Nahon en Paul Snoek). Zelfs Ludwig Van Beethoven komt een kijkje nemen. Hiermee worden het meer dan gelegenheidsgedichten; het leesveld wordt verruimd. Er is voor elk wat wils. Deze smaakvolle bundel is als een feestmaaltijd. Ik nodig en daag u uit om het heerlijk te laten smaken! Keur, proef, eet. En lees.


© Alain Delmotte, Oostende, 24/11/2025

Gewoon bijzonder, Patrick Cornillie, Uitgeverij Bibliodroom,2025,20 euro

Eerder publiceerde De Schaal van Digther drie gedichten uit 'Gewoon bijzonder'. Die kun je hier nalezen.

Website Uitgeverij Bibliodroom
Website Patrick Cornillie
Lizette & Lucien

Enkele sfeerbeelden bij de voorstelling:


De auteur Patrick Cornillie

Het publiek met o.a. de Digther-redactieleden
Alain Delmotte, Paul Rigolle en Herlinda Vekemans





Groepsportret 'Lizette en Lucien'-© Bieke Cobbaert


zondag 6 juli 2025

Rauw vlees - Alain Delmotte

Aangetroffen gedichten in het straatbeeld

(en overal elders in de wereld) (31)



Rauw vlees

Hommage aan Wim Opbrouck

1.
  Daar is hij. Het theater op. Schoon aan de haak en schandelijk als een stuk rauw vlees. Nog voor hij zijn tekst debiteert heeft iedereen, ineengekrompen, al in zeven haasten dekking gezocht. Toneel is zijn handgemeen. Kijk, daar is hij. Je kun hem niet missen. Erop los: hij
speelt!

2.
Dames en heren, opgepast: regie verfijnt de limiet van z'n zijn en z'n lijf. Hardop klopt hij zich op de borst. Onbehaarde, oneigenlijke primaat. Waarlijk: fier ziet hij er nu uit.

3. 
Roofdier, dwamatige grauw: zijn ledematen gaan tekeer- en hij beweegt gewillig mee. Een ongelikte beer met sexappeal: dat verdient applaus.

4.
Benieuwd en daarin niet af te remmen. Na de vertoning, in het echte en in een onwaarschijnlijk leven, draagt hij een bril. Dan probeert hij te kijken. Dat moet hij zien.



Vindplaats: Ingang bibliotheek Harelbeke
Vinder: Kris De Lameillieure