Posts tonen met het label Gedichten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gedichten. Alle posts tonen

zondag 25 januari 2026

Drie jaar geleden overleed Guido Dobbelaere

 

“It takes a very long time
to become young
.”
Pablo Picasso

Het is een levensgroot cliché maar ik blijf het graag gebruiken: “Sommige mensen zijn minder dood dan de andere…”
Vandaag is het drie jaar geleden dat Guido Dobbelaere (1929 – 2023) – schilder, fotograaf, dichter, reiziger en wat al niet meer – overleden is. Hij was 94 geworden maar tot op het laatst erg actief en creatief bezig. Hij verwierf vooral bekendheid als schilder van vooral lyrisch abstract werk. Persoonlijk heb ik hem maar een paar keer ontmoet en kende hem bijgevolg niet zo goed. Wel wist ik dat hij de schoonvader was van de onvolprezen en veel te vroeg overleden Brugse kunstenaar die bij leven de naam Koen Scherpereel droeg. 

Ik herinner mij in verband met Guido Dobbelaere wel een licht bizarre ontmoeting in de C&A langs de Brugse Baron Ruzettelaan waar hij een aantal vestimentaire dingen aan het passen was. Ik groette hem en we praatten wat. Toen hij alweer de winkel uit was en ik zelf ook een jas wilde passen, nog wel een jas die hij een kwartier eerder zelf had aangetrokken, vond ik een pakje sigaretten Groene Michel in de jas die hij ook gepast had… Ik weet niet meer of ik toen zelf nog rookte en misschien het pakje voor mezelf heb gehouden of ik er iets anders mee heb gedaan… Ik weet trouwens niet eens of Guido Dobbelaere ooit in zijn leven een roker is geweest. Ik zal het nooit weten maar het heeft ook maar weinig belang. Van belang is dat ik mij Guido herinner als een gedreven artiest en dichter die op zijn manier zijn sporen verdiende. Zoals kunstconfrater Johan Debruyne eerder ergens schreef: “Guido werkte met hart én ziel als de man die met taal begon… Altijd, zijn hele lange leven lang, is hij poëzie blijven schrijven, fotografeerde en schilderde, met zwanenveren… “

Een quote van Guido die ik ergens las en onthouden wil is wat hij over zijn eigen schilderijen bleef zeggen: “Het ultieme schilderij is dat wat ik morgen zal maken”

Op Facebook blijft men hem ook drie jaar zijn dood nog een gelukkige verjaardag wensen. Iemand zegt “stel het goed aan de overkant, Guido”… En nog iemand anders, Kries Roose om hem niet te noemen; laat weten: “Waar je nu ook aan het schilderen moge zijn, doe het met vuur.” Met een hartje er achteraan.

Als laat eerbetoon plaats ik hier vandaag graag een gedicht uit zijn bundel "Leestekens van de overkant".

Aftelrijm

akkerwinde akkerwonde
struikelhout en kreupel gewas
toen wij nog in wij-land graasden
en in wonderen geloofden
tussen de paarden in de lucht
tussen venusheuvels
en wolken van bloesems

toen kwam het orakel over mij
met gerakel van bezweringen
wierook en gezwets
delfi aan de achterdeur
met elke vlam
kwam het koudvuur nader

leven werd het langste aftelrijm
tussen twee dode spiegels

© Guido Dobbelaere

Uit ‘leestekens van de overtocht’
Een uitgave van Het Beleefde Genot, Zedelgem 2019

Link Guido Dobbelaere bij het Beleefde Genot
Het Beleefde Genot

Tekst: © Paul Rigolle 







vrijdag 12 december 2025

Zingen in de oorlog - Jef Boden

Zingen in de oorlog

‘Zoals de kolonel zei,’ bedenkt Natalia, ‘dit is de eerste maal in twee jaar tijd dat ik vogels hoor zingen. Thuis zingen ze niet.’

‘Omdat ze een shellshock hebben opgelopen,’ lacht de frontarts Roman.

‘Die shellshock hebben wij ook, en toch zingen wij nog,’ zegt Natalia uitdagend.

Deze dialoog staat in een reportage in The Power Within over een herstelkamp voor Oekraïense medici in Zweden. Zing je nog, ondanks de oorlog? Ontdek daarnaast Joelia Pajevska, ambulancier in Mariupol, gevangen, gemarteld, geruild, die later verklaart dat sport en kunst belangrijk zijn om trauma’s te verwerken. Onlangs verscheen haar eerste dichtbundel en de voorbije zomer was ze naast Serhii Zhadan een blikvanger op het tweedaagse poëziefestival van Kharkiv. Nauwelijks 20 km van de Russische grens laat zo’n ondergronds festival net vele toeschouwers toe om het hoofd boven de explosies te houden. Eerder verscheen In the Hour of War met werken van 27 dichters uit de eerste maanden van de oorlog. 

De oorlog dringt het leven binnen

Onvermijdelijk dat dichters over het hele land de realiteit niet kunnen negeren. De oorlog dringt het leven van iedere bewoner binnen. Is vluchten een optie?

Serhii Zhadan schrijft onmiddellijk:

Neem slechts het belangrijkste. Neem de brieven

Neem slechts wat je kan dragen

Neem de iconen en het borduurwerk, neem het zilver

Neem het houten kruis en de gouden replica’s…

We zullen nooit terugkeren.

We zullen onze stad nooit weerzien.

Of zoals Halyna Kruk stelt

…. Met iedere volgende dag van de oorlog

werd mijn noodzakelijke bagage

lichter…

En ze eindigt

uiteindelijk zijn zelfs sleutels

niet essentieel

Blijf je thuis? Bij iedere poetsbeurt vraagt Lyudmyla Khersonski zich af wat je van al die oude spullen bewaart, tot

…….. dan, eureka –

onder een stapel, een blikje sardines!

Marianna Kiyanovska beschrijft dan weer hoe de oorlog in alle kleine dingen doordringt, als in het vruchtvlees van kersen, zoet en fris. Maar, sommigen spuwen pitten uit, uit andere lichamen haalt men kogels.

Marjana Savka varieert dit in Hier ligt de Heer. Verslagen in een kist. Na Bucha breekt God niet langer brood, wacht eerder op het wonder der verrijzenis, met een fragment van een raket in zijn borst. Maar Hij zal aan hun zijde opstaan!

Al is het voor Dmitry Bliznyk oneindig eenvoudiger:

Neem de onsterfelijkheid, God, maar geef

me deze koude appelkelder.

Onvermijdelijk wordt, zoals Alex Averbuch dat doet, de vraag gesteld hoe je ooit naar een stad kan terugkeren die niet langer bestaat.

je vraagt: mijn geliefden, waar moet ik nu heen?

waar zeg je jezelf vandaag vaarwel?

Een taal in oorlog

Met het dagelijkse leven verandert ook je taal. Lesyk Panasiuk laat er geen gras over groeien. In In de Ziekenhuiskamers van mijn Land opent hij duidelijk:

De letters van het alfabet trekken naar de oorlog

… vormen woorden die niemand roepen wil.

… De taal in tijden van oorlog

is onverstaanbaar. In deze zin

gaapt een gat – niemand wil sterven – niemand

spreekt.

Taal vertelt waartoe de dichter veroordeeld is, klinkt het bij Boris Khersonsky. Gedichten brengen geen oorlog, zijn eerder een spiegel, een ontkenning, maar woorden krijgen met iedere explosie een andere betekenis.

Natalia Bilotserkivets meldt hoe men meer dan ooit gedichten schrijft en ondertussen weet hoe machteloos dit is. Oksana Zabuzko formuleert in Een definitie van poëzie hoe, terwijl vingers een pen vastgrijpen, ze koud worden, niet langer die van haar zijn.

Mijn jonge ziel –

De kleur van nat gras –

Naar vrijheid – dan

‘Stop!’ klinkt het, ontsnapt

Op de wankele grens

Van twee werelden –

Stop, wacht.

Mijn God. Eindelijk. Kijk, hier komt poëzie vandaan. 

En zoeken dichters in oorlogstijden waar ze met hun teksten heen moeten, dan weet Ekaterina Derisheva dat:

De mensen schrikken van artillerievuur

Leren opnieuw tellen

Een twee drie vier vijf.

Andriy Bondar formuleert hetzelfde in de mensen van mijn land. Hoe ze in de schaduw van woorden, de dreiging van de dood, te vroeg, als een vlinder op een karton worden geprikt.

Of met de woorden van Yurii Izdryk

kijken naar de wereld door het vizier van een geweer

kijken in jezelf door een microscoop

…. om elkaar te beschermen.

En krijgt taal nog een andere kleur? Anastasia Afanasieva schreef tijdens haar vlucht onder hevige bombardementen het eerste deel van een gedicht nog in het Russisch, ze eindigde in het Oekraïens. Niet langer in de taal van de agressor.

De dichter in de strijd

In een oorlog is het onvermijdelijk dat dichters dienst nemen, dat gedichten rechtstreeks uit de loopgraven komen. Nog steeds.

In Hij schrijft verwoordt Kateryna Kalytko hoe een soldaat in een brief aan zijn moeder herinneringen ophaalt en pijnlijk vermeldt hoe Andrew niet op zijn brief antwoordde.

Ostap Slyvynsky reikt in “1918” nog verder terug. Gebeurtenissen van die oorlog raken onvermijdelijk de actuele.

De geur van oorlog

Je ruikt naar oorlog

Jij en oorlog zijn één.

Zo schrijft Borys Humenyuk in Wanneer je je wapens schoonmaakt hoe de oorlog in je leven kruipt, hoe je wapen je nabij is, hoe in de aarde graven je als naar de baarmoeder terugleidt, hoe het gevecht, de geur, je één maakt met die oorlog.

Yulia Musakovska weet dat er niet alleen appelen in een tas kunnen schudden, ook beenderen, want

Je bent geen broer van mij

geen eerlijke vijand

geen man

geen beest.

Een zak vol beenderen.

Eenzelfde spanning zit ook in Begrafenisdiensten van Lyuba Yakimchuk. Het is niet wat je verwacht. De vijand probeert je te verleiden, vermomd als een struik, als sneeuw, als een leuk meisje. Zelfs in een kist kan hij doen alsof zijn hart niet meer slaat. Het zou mooi zijn als je jezelf zou kunnen overtuigen dat hij inderdaad zo’n terrorist is en geen menselijk wezen.

Zevenentwintig dichters uit het eerste jaar van de oorlog zoeken in deze bundel een eigen stem, bieden een veelheid aan stemmen.

© Jef Boden

 
In the Hour of War: Poetry fromUkraine, Arrowsmith Press, 979 8986 3401 80

The Power Within
, The Kyiv Independent, 978 6178 2475 22



 



zaterdag 15 maart 2025

Uitspansel - Paul Rigolle

'Inside-Out' - Schilderij van Hans Vandekerckhove

Uitspansel

(bij ‘Inside-Out’, een schilderij van Hans Vandekerckhove)

Zoveel soorten licht zijn er. Licht dat gulzig likt
en licht dat met het blote oog voltooit wat is
gemaakt. Er mag gekeken, er mag gestaard.
Kim, einder, horizon. Woorden om naar
uit te kijken in een kamer die een uitspansel 

wordt waarin een man zichzelf weerkaatst
weet staan. Gestript en uitgestreken
in een lek van de tijd houden we met hem vast
wat ons verblindt. Wat ons van binnen bindt,
is ook, Inside Out, wat ons naar buiten buigt. 

Als wie geschilderd staat in een flits van licht,
lillend, levend als verf die wordt aan- en uitgerold,
zich ten slotte opsluit en binnen contouren stolt
zoals verlangen stolt in het uitzicht van een raam. 
En wij die daar perfect mee weten om te gaan.

© Paul Rigolle

‘Uitspansel’ staat straks ook in “Het Omber en het Oker” de nieuwe bundel van Paul Rigolle. De bundel wordt op zondag 23 maart 2025 e.k. om 11:00 u voorgesteld in ‘De Snuffel’ in Brugge. Dichter Tania Verhelst leidt de bundel in. Paul Rigolle heeft een gesprek met zijn collega Edward Hoornaert en er zal muziek zijn van ‘The Caravan Juke Joint Band’.
Iedereen welkom!

Meer info over de voorstelling:
https://paulrigolle.be/het-omber-en-het-oker-de-uitnodiging/

Het gedicht ‘Uitspansel’ verscheen eerder, dankzij de goeie zorgen van Vallei-Voortrekker par excellence FrançoisVermeulen, al in een vroege versie in het literair e-zine "De Vallei". 



vrijdag 14 maart 2025

Dag Ludwig - Paul Rigolle



Dag Ludwig

(bij een poster van Ludwig Wittgenstein)

Een man met het uitzicht van iemand die op
een bouwwerf werkt en een kraan bedient
die naar de hemel reikt. Zo ziet hij er uit.
Een blos kleurt de wangen, het dunne haar

is wat in de war geraakt, en in zijn ogen,
lees je wat niet te lezen is. Kronkels, stellingen,
algemeen gedachtegoed. Bij hem is de taal
een wereld waarin alles in de steigers staat.

Hij kijkt voor zich uit alsof hij neerkijkt op wie
daar beneden in de kamer zit waarin ik schrijf.
Waarover je niet kunt spreken moet je zwijgen.
Herkenning troef! Vooraan op de tong ligt,

na al die jaren, nu ook bij mij het woord
dat vaker niet, dan wel geschreven wordt.
Meer niet dan wat streepjes inkt, schreefjes,
daagt het traag en statig in de ochtend op

zoals een trein dat in een landschap doet.
Tot iemand zichzelf verrast en wel
in het wonder van het schrift verstaat.


© Paul Rigolle

Dit gedicht bereikte in het jaar 2021 in een vroege versie de Top100 van de Gedichtenwedstrijd.

Het werd eind verleden jaar ook gepubliceerd in het zevende nummer van het Nederlandse literair- en kunsttijdschrift ‘Zevenblad”

‘Dag Ludwig’ staat straks ook in “Het Omber en het Oker” de nieuwe bundel van Paul Rigolle. De bundel wordt op zondag 23 maart 2025 e.k. om 11:00 u voorgesteld in ‘De Snuffel’ in Brugge. 
Dichter Tania Verhelst leidt de bundel in. Paul Rigolle heeft een gesprek met zijn collega Edward Hoornaert en er zal muziek zijn van ‘The Caravan Juke Joint Band’.

Meer info over de voorstelling:
https://paulrigolle.be/het-omber-en-het-oker-de-uitnodiging/

Enkele persoonlijke bedenkingen bij het gedicht: 
Wittgenstein in postervorm





donderdag 24 oktober 2024

Het geduld van water - De inleiding van Bart Stouten


Zondag laatst, 20 oktober 2024, werd in De Snuffel in Brugge 'Het geduld van water' de debuut-dichtbundel van schilder-dichter Johan Clarysse voorgesteld.

Bart Stouten sprak bij die feestelijke gelegenheid de navolgende inleiding uit waarin hij toelicht waarom hij 'Het geduld van water' uiterst lovend onthaalt en begroet. Deze tekst was en is niet bedoeld als proza maar als een inleidende lezing wat het vertrouwelijk register verklaart.

Bart Stouten: 

"Ik ben geen Tom Poes-personage en houd niet van Dorknopertaal, maar toch wil ik met een glashelder statement beginnen, door niemand mis te verstaan: voor mij ligt een heel geslaagde bundel, een prachtige bundel die het niveau van de allergrootsten bereikt. Ik wil dat ook in deze inleiding heel duidelijk markeren, opdat mijn enthousiasme diep in uw gedachten kan doordringen. Elk begin is tenslotte niet meer dan een vervolg en het boek der gebeurtenissen ligt altijd open in het midden, citeert Johan halverwege zijn bundel de Poolse dichteres Wislawa Szymborska. Ik las deze dichtbundel zelf ook als het vervolg op een rijk visueel oeuvre. 

We kennen Johan Clarysse als een begenadigd visueel kunstenaar met schilderijen die op een heldere manier raadselachtig zijn, net zoals deze poëzie trouwens. We kennen Johan Clarysse bovendien als de auteur van een tekst, ‘Walden and other suspicions’, waarin Johan, in een reflectie op zijn eigen artistieke output, concepten van identiteitsconstructie, communicatie en non-communicatie onderzoekt, samen met de drijfveren en aspiraties van de menselijke conditie. Daarin treffen we alle clues aan die ons kunnen helpen bij de interpretatie van zijn nieuwe verzen, zo immens mooi van visuele ondersteuning voorzien. De cover alleen al – midscheeps de essentie van ‘Het Geduld van Water’ geraakt. De aanwezigheid van het afwezige, om het in de kortst mogelijke uitdrukking te vatten. 

De menselijke conditie is er meteen, ook in deze bundel. De eerste verzen van deze prachtbundel lijken te gaan over een doodgewone zondagochtend, waarin de spreker zich bevindt in een huis waar de aanwezigheid van een geliefde voelbaar of, want het is heel dubbel, ‘nog’ voelbaar is. Het mooie is dat de aanwezigheid daadwerkelijk ook een afwezigheid is: is het een leven of de liefde die verzwonden – het kan allebei. Dat wordt zo vaak ervaren via de (in fine vooral louterende) filter van een diepgaand ‘condition humaine’-gevoel. De afwezige wordt in elk geval voelbaar aanwezig, lijfelijk én spokerig, als een schaduw die je volgt. Dus misschien is het toch niet zo’n ‘doodgewone’ zondagochtend, eerder een voorbode van een innerlijke revolutie. En dankzij deze verzen met de vivisectische geest van Henrik Ibsen worden we ook uitgenodigd om er een heel ‘bijzondere’ zondag in te zien.

De zondag-tijd wordt in elk geval, net zoals het tijdsgevoel dat deze poëzie zelf bestiert, een rustige, contemplatieve ‘vrije’ tijd. ‘Vrije’ moet ik dan cursief uitspreken, zoals u merkt. Er wordt gesuggereerd dat er een gevoel van hoop of verwachting in de lucht hangt, maar dat is misschien slechts schijn, en daardoor is de vrijheid aanvechtbaar, kwestieus. De dichter probeert die valse hoop te vangen en weg te sturen. De geliefde lijkt daarop bezorgd te reageren en vraagt zich af wat de toekomst zal brengen. De dichter begrijpt de situatie volkomen, zelfs paradoxaal genoeg zonder woorden, wat haast miraculeus aanvoelt, in deze poëzie met het aan-uit-bewustzijn van een quantumwereld, waar elke waarneming de werkelijkheid verandert.

Toon mij maar je moederziel, zwijg ik, zegt Johan.

Hij wil de innerlijke gevoelens van de ander zien, maar zwijgt erover, op een erg mooie manier. Om dat zwijgen te laten voelen hanteert hij stijlpuzzelstukjes, fragmenten die me aan het geserreerde en de diepe emotionele lagen van de (met innerlijke gedachten zwangere) William Faulkner deden denken.

Samen ruimen we de kasten op, schrijven namen in de schors van ons geheugen: Johan bezingt het opruimen van herinneringen – waarbij het geheugen dus een afschilferende buitenlaag is – en het vastleggen van geliefde namen, in poëzie die in elk geval iets anders betracht dan daar romantisch of schwärmerig-sentimenteel mee om te gaan. De geliefde is nog steeds aanwezig in het huis, zelfs als ze er fysiek niet meer is. De geliefde wil voorkomen dat de dichter in emotie verdrinkt. Het is prachtig om te merken hoe virtuoos Johan erin slaagt te zingen over verlies, herinnering en de aanwezigheid van een geliefde, zelfs na de fysieke afwezigheid.

Met grote verbeeldende kracht roept Johan een gevoel op van nostalgie en tederheid. Dan zoekt hij de beschrijving van een intiem moment tussen twee mensen, een beetje à la Vladimir en Estragon in Waiting for Godot, waarbij de natuur en de tijd hun louterende rol spelen. Wij zitten op een bank, de mist hangt laag en grijpt ons bij de nek: De openingsscène toont twee mensen die samen op een bank zitten, omringd doorv mist. De mist wordt symbolisch gebruikt om de onzekerheid of het mysterie van het moment te vangen, te benadrukken. 

In het gedicht ‘Veterloos’ ontmoeten we een persoon die, 
opnieuw als een Beckett-personage, in de war is, maar toch met ons een vertrouwde riedel uit het verleden deelt. Beide, de verwarde en de geliefde, wandelen hand in hand en verlangen naar een bos in elke boom. Het spanningsveld tussen neergang (enerzijds) en het streven naar het hogere (anderzijds) wordt voelbaar, de geest van René Char indachtig, die trouwens ook een opdracht krijgt toebedeeld.

Kinderen, dat is geweten, kunnen genieten van de beeldende taal en metaforen in René Chars gedichten. Ze kunnen hun verbeeldingskracht gebruiken om de betekenissen te verkennen. Zijn poëzie kan dienen als inspiratie voor kinderen om zelf creatief te schrijven. Ik vermoed dat René Char één van de achterliggende inspiratiebronnen was voor Johan om prachtige gedichten OVER de open, nog niet gemanipuleerde, verbeeldingrijke, geest van een kind te schrijven. Sta me toe een van de mooiste gedichten uit de bundel te citeren. Heel veel LEVEN in die verzen, temidden van alle afwezigheid die de bundel doordesemt.

Kinderboek I.
Voor Robin.

Een middag zonder 
aandacht.
Het landschap laat zich lezen als een 
kinderboek.

We vallen samen met elkaar,
de wereld en 
onszelf.

Zij kijkt op. De hemel
is voor haar een 
onbeschreven blad.

Haar lippen bootsen
geritsel in de 
bomen na.

Ze wijst naar dun gezaaide, witte huizen.
En 
naar de paarsblauwe glans

in zeepbellen die zij blaast - 
als voor een laatste verjaardag. 

Het gedicht dat erop volgt, ‘Voorschot’, lijkt te gaan over het verlangen om het alledaagse en gangbare te overstijgen. De dichter nodigt ons uit om de wereld nog maar eens anders te bekijken, om te ontsnappen aan de gewone en geruststellende dingen die ons omringen, de zachte terreur van het alledaagse. De kaal geplukte teddybeer naast het kussen symboliseert misschien de leegte of het gemis dat we soms voelen. Maar dan suggereert Johan dat we een andere weg kunnen inslaan: we kunnen van Rodins denker een dichter maken à la Rilke, de aarde als een zevende hemel beschouwen en vrijheid als een kostbaar geschenk zien. We moeten geloven in de kracht van kunst, verhalen en symbolen (zoals de feniks, de kat en het kind) om ons te bevrijden van de verdovende beperkingen van taal en conventie. En uiteindelijk, voordat we de weg kwijtraken en onze woorden verliezen, kunnen we een voorschot nemen op geluk – en zoals u hoort laat ik bewust het lidwoord weg: ik spreek niet over ‘het’ geluk, dat bestaat niet, misschien wel ‘een’ geluk, een geluksmoment, vergankelijk, versmeltbare binnen- en buitenwereld zoals de cover van deze bundel suggereert. Het gedicht lijkt te pleiten voor een poëtische en creatieve benadering van het leven, waarbij we de gewone dingen transformeren en dan betekenis, een nieuwe betekenis, geven aan onze ervaringen.

Tijd is er in overvloed in deze bundel die heen en weer beweegt tussen zichtbaarheid en onzichtbaarheid, aan- en afwezigheid. Maar zijn het ook tijdlijnen, zijn ze stratificeerbaar, kun je spreken van een gelaagdheid? In het gedicht ‘Onderbelicht’ reist de persoon in elk geval door tijdlijnen die haar langzaam beter zichtbaar maken. Verdriet en herinneringen vormen in die tijdlijnen, als in de 365 lijnen van een oud zwart-wittoestel, de wereld, terwijl er intelligent gespeeld wordt met taal en rituelen.

Het is altijd donderdag voor de persoon. Ze leeft in een taal die de spreker verrast en de wereld anders maakt. Ze snijdt de zwaarte in schijfjes, als een personage van Milan Kundera, dat heen en weer geslingerd wordt tussen ondraaglijke lichtheid en verpletterende gravitas.

In “Zondags kleed” ervaart de geliefde het bestaan als een ‘niet-werkend’ werkwoord. Mist symboliseert haar zondagse kleed, en ze verzet zich tegen de verwachtingen van orde en getallen. Mist heeft hier de kracht van de mist in de kortverhalen van Gianni Celati, ik denk aan zijn ‘Verhalen van de Po-vlakte’ waarin kinderen de mist in verdwijnen, maar de taal zelf is allesbehalve mistig, ze blijft ‘de eenvoud waarop je vertrouwen kan’, zoals Turgenyev dat zegt.

Ja. Er is mist, in deze bundel. Mist, maar ook veel visuele poëzie. Het wegvallen van de tijd, het overgaan in de broze herinnering is vooral ook een visueel proces. En dat verbaast nauwelijks, rekening houdend met de bloedmooie visuele kunst van Johan Clarysse. Aan het visueel woord-proces nemen zowel de dichter als de geliefde deel. In “Alfabet” tast de geliefde herinneringen af en schildert een zelfportret in een nauwe lijst. Ze benadrukt het belang van benoemen en creëert een nieuw alfabet voor de spreker.
De geliefde deed me denken aan Esther Greenwood in de coming-of-age roman van Sylvia Plath, the Bell Jar. Een hint naar het moeizame volwassenwordingsproces van een jonge vrouw, heel teder verwoord door Johan.

Een bosduif zoekt de zon die zich verschuilt: De zoektocht van de bosduif naar de zon lijkt me symbool te staan voor een verlangen naar iets dat moeilijk te bereiken is. Haar ogen leggen mij voortdurend in de luren, leren mij dat kijken een vorm van aanraken is: De ogen van de ander hebben een diepe impact op de spreker. Kijken wordt hier als een intieme handeling beschouwd. Zij gelooft dat toeval orde is die wij niet zien, de dag een nacht die onbegrepen blijft:

De geliefde, zoveel is duidelijk, heeft een filosofische kijk op toeval en tijd. Misschien gelooft ze dat er een verborgen orde is in wat wij als toeval beschouwen. De twee mensen delen herinneringen en koesteren ze als kostbare vondsten. Dit kan verwijzen naar gedeelde ervaringen en geschiedenis. Wanneer de dag zich terugtrekt hangen resten hemel in haar grijze haar: De avond valt en de hemel laat sporen achter in het grijze haar van de geliefde. Dit kan zowel een poëtisch beeld zijn als een verwijzing naar vergankelijkheid. Samen vallen we uit de tijd en uit de taal: Het gedicht eindigt met een gevoel van tijdloosheid en eenheid tussen de twee mensen. Ze zijn buiten de normale grenzen van tijd en taal. Dit gedicht lijkt een moment van intimiteit, reflectie en verbondenheid te beschrijven.

Verderop beschrijft Johan opnieuw een intiem moment tussen twee mensen, waarbij ze praten over alledaagse dingen, maar ook de wereld buiten bespreken. De geliefde wordt mooier wanneer ze de spreker ziet, en er komt dan een gevoel van tegelijk tijdloosheid en verbondenheid. Een vrouw wordt beschreven die stilte in zichzelf kan vouwen en het niets kleiner kan maken. Ze heeft een dromerige en fragiele blik, en ondanks haar geloof in een goede god, is ze bang voor de oneindigheid. Steeds is er het eerbetoon aan een persoon die niet meer fysiek aanwezig is. De spreker bewaart herinneringen aan deze persoon en voelt hun aanwezigheid in hun botten.

Ik moest tijdens het lezen van deze bundel vaak aan Remco Campert denken en zijn mooie roman Liefdes Schijnbewegingen. Het verhaal verkent, zoals Johan in zijn poëzie, menselijke relaties, verlangens en de complexiteit van onze emoties. Maar altijd is die verkenning er één die een minimum minimorum van trefzekere woorden volhoudt. Het onderwerp, het complexe onderwerp, midscheeps geraakt met dat minimum minimorum.

In een ander onderdeel beschrijft Johans poëzie de terugkeer naar een geliefde die afwezig is. De spreker kijkt door die afwezigheid heen en herinnert zich specifieke elementen die met de geliefde te maken hebben. De tuin wordt als een centrale metafoor gebruikt, waarin de geliefde soeverein verdwijnt en de wereld op zijn kop keert om beter te begrijpen of alles wel klopt. Het gedicht lijkt, soms wat surrealistisch meanderend à la Rimbaud, te gaan over het verlangen naar verbinding en het zoeken naar betekenis in de afwezigheid van de ander.

Het derde onderdeel lijkt te gaan over een persoonlijke relatie met iemand die afwezig is, maar wiens aanwezigheid nog steeds voelbaar blijft. De spreker bevindt zich op een plek waar de afwezige geliefde ooit stond. De stofjas fungeert als een tastbare herinnering. Johan voelt de grond en ruikt de geur van thuis, wat doet denken aan de geliefde en hun gedeelde ervaringen. Hij vindt beelden die symbolisch zijn voor de lessen en inzichten die de geliefden samen hebben geleerd. Water dat zijn weg zoekt naar iets groters kan verwijzen naar verlangen, groei en het streven naar meer. Een bibliotheek symboliseert kennis en ervaring. Het boek dat de geliefde was, wordt langzaam gelezen alsof het voor het eerst in handen wordt gehouden. Dit lijkt me indicatief voor een frisse, creatieve herontdekking van oude herinneringen. Niets zo moeilijk als het bewaren van herinneringen aan een geliefde, niets zo tartend als het verlangen om die herinneringen vast te houden. De handleiding bij jouw verpakking leest als een vreemde taal: De geliefde wordt vergeleken met een complexe handleiding die moeilijk te begrijpen is.
Gelukkig is er het lijf dat vol geheugen zit: Het lichaam wordt gezien als een opslagplaats van herinneringen, waarin sporen van de geliefde worden bewaard. Van sporen neem ik afdrukken, stapel ze laag op laag: De spreker verzamelt herinneringen als afdrukken en legt ze op elkaar, waardoor ze een gelaagde betekenis krijgen. En dat deed me dan weer aan het simultaneisme, de gelijktijdige vervlechting van beelden bij Blaise Cendrars denken, een dichter die trouwens ook graag samenwerkte met visuele kunstenaars, ik denk aan zijn sublieme samenwerking met Sonia Delaunay.

Johan verkent als geen ander, en daarin is hij oppermachtig eigenlijk, de manier waarop herinneringen ons verbinden met degenen die we liefhebben, zelfs als ze fysiek afwezig zijn. Zijn herinneringen aan diepe verbondenheid voelen cruciaal aan. Maar ook de reacties van de geliefde op wat de hoogmoed van de spreker lijkt. Hoe ze hem desondanks aanmoedigt om creatief te zijn, zelfs als het onderwerp niet gemakkelijk te verwoorden is.

Deze prachtige poëzie verkent, met een perspicaciteit die mij af en toe aan Fernando Pessoa doet denken, de complexiteit van het geheugen, in een poging de verbondenheid en het voortleven van iemand in de afwezigheid zinvol te maken of te houden, in een poging om continuïteit te geven aan een bemind leven. Zo bereiken we misschien, om het met het prachtige beeld te zeggen dat ik in deze bundel ontmoette, ‘een marmeren Zuidpoolzee’ in een achterhoek van onze herinnering.

Als het hart kon denken, stond het stil. Zo citeert hij Fernando Pessoa aan het begin van een volgende afdeling, ‘Spiegel’. Eerst beschrijft Johan een intiem moment waarin de spreker en een geliefde samen zijn, zich aanpassend aan verschillende stemmingen en registers. De tijd lijkt minder belangrijk te worden. In ‘Bray Dunes’ worden de zee en de geliefde met elkaar verbonden. De zee brengt rust en verandert perspectieven, terwijl de geliefde als een uitbundige stilte naast de spreker ligt. In “Middag in Auvergne” wordt het landschap vergeleken met een lichaam dat zich vertakt. De geliefde kijkt naar de spreker alsof deze het landschap is, en er ontstaat een gevoel van nieuwheid. Het volgende gedicht, “Hartenjagen”, gaat over de lichtheid en vrijheid van samenzijn. De spreker en de geliefde spelen kaartspellen en delen oude wonden. In “Ik zal niet wachten” vraagt de geliefde aan de spreker om niet te wachten en zich uit te spreken. Er is een verlangen naar begrip en nabijheid. In “Spiegel” beschrijft de spreker hoe de geliefde hen zou zien in verschillende vormen (een boek, een wiskundig vraagstuk, het heelal, etc.) en hoe ze in de spiegel naar elkaar zouden kijken.

Breinmist beschrijft dan weer de verwarring en onrust in het hoofd van een persoon die worstelt met de tijd en het verlangen om lichter te leven. De geliefde lijkt opnieuw afwezig en de spreker probeert opnieuw te helpen.

Dames en heren, u voelt het aan mijn woorden. Ik was diep onder de indruk van deze poëziebundel van Johan Clarysse. In conjunctie met zijn andere teksten en visueel werk mag ik gewagen van een zeer geslaagd veelkantig artistiek ondernemen dat niemand onverschillig zal laten. Ik wens hem namens ons allen te danken voor de verrijking van zoveel onuitwisbare verzen, die echt een feest inluiden voor uitgeverij P. Ik dank u."

© Bart Stouten

Johan Clarysse (2024). Het geduld van water. Uitgeverij P, 64 blz. ISBN 978-94-64757-56-9

Uitgeverij P
Website Johan Clarysse
Website Bart Stouten 


Bart Stouten leidt in - © foto Willy Brandt



Johan Clarysse leest 'Alziend oog' -© foto Jasper Clarysse


Een blik op de zaal De Snuffel - © foto Willy Brandt



Uitgever Leo Peeraer leest een gedicht - © foto Willy Brandt


Johan Clarysse signeert - © foto Willy Brandt

Met Willy Brandt - fotograaf van dienst - © foto Willy Brandt


"Na de voorstelling" - Ook de vijf gastdichters poseren - vlnr Astrid Arns,
Steven Van Der Heyden, Paul Rigolle, Antoon Van den Braembussche
en Tania Verhelst - © foto Willy Brandt