Over Tabula Gaza van Mark Meekers
Yvan De Maesschalck
De dichter, romancier en beeldend kunstenaar
Mark Meekers voorstellen hoeft in feite nauwelijks nog. Als dichter inspireerde
hij zich vooral, zij het lang niet uitsluitend, op schilderkunstig werk van illustere
voorgangers. Zo zoomde hij in de bundel Een schot in de zon (1990) in op
het werk van Vincent van Gogh, wijdde hij de bundel Orpheus in de haven (2006)
aan de realistische, sociaal ingestelde havenschilder Eugeen Van Mieghem en
Ropsiennes (2009) aan de Belgische, maar internationaal gereputeerde,
decadente symbolist Félicien Rops. Vrij onlangs publiceerde hij bij Uitgeverij P
de fraai geïllustreerde bundel In het oog van de stilte (2021), waarin
het merkwaardige leven en werk van de Vlaams-Nederlandse Jakob Smits centraal
staan. Een mooie staalkaart van ook aan andere schilders (als Rembrandt en Paul
Gauguin) refererend dichtwerk biedt de zelfbloemlezing Salto Vitale
(2014), eveneens verschenen bij Uitgeverij P.
Behalve een iconografisch gericht, in
formeel opzicht klassiek dichter is Meekers ook een sociaal bewogen,
geëngageerd kunstenaar, die onder meer als eerste ‘Doeldichter’ (2007-2009)
optrad. De neerslag van zijn toenmalige dichtersactiviteit, ondubbelzinnig gekant
tegen de georkestreerde vernieling van het dorp Doel, is gebundeld in Doelgericht
(2009). Zijn grensoverschrijdende sociale, cultuurhistorische en artistieke
belangstelling komt op een imposante manier tot leven in Het verfwinkeltje
van Père Tanguy (2024), een meer dan 450 bladzijden tellende, breed
opgezette, biografische roman waarin de persoonlijke aversies en voorkeuren van
toonaangevende (neo-)impressionisten (Manet, Monet, Sisley, Renoir e.a.) levendig
– en in de juiste historische setting – worden geborsteld.
Hoezeer hij als mens en dichter met
een betrokken, empathische blik naar het internationale strijdtoneel van
vandaag kijkt, blijkt uit de pas verschenen bundel Tabula Gaza. Daarin offreert
Meekers beklijvende strofische gedichten die in een kort voorwoord ‘kanttekeningen
bij een oorlog’ worden genoemd. Je kunt betwijfelen of het zomaar om
kanttekeningen gaat, aangezien de dichter er alles aan doet om de vele inhumane
aspecten van déze oorlog, in zekere zin ‘de moeder van alle oorlogen’ na de
Tweede Wereldoorlog, aan de kaak te stellen. Zijn gedichten – die
zich tegelijk als een lyrisch oorlogsverslag presenteren – lezen als een
wanhopig stemmende aanklacht tegen het even waanzinnige als onzinnige geweld in
Palestina/Gaza.
Meekers klaagt de lijdzaamheid van
het Westen aan, het afgewende hoofd, het strategisch wegkijken van gruwel en
ellende, de grondeloze hypocrisie van onze politici en degenen die een ‘god’
vertegenwoordigen of het denken te doen (al heeft bijvoorbeeld de paus, toch zijn
naaste gezant op aarde, zich nauwelijks laten horen of opmerken, maar misschien
kijk ikzelf te weinig die kant op). Over president Donald Trump, premier Benjamin
Netanyahu en hun kompanen is uiteraard geen goed woord meer mogelijk: alle
woorden schieten tekort om de rationeel overwogen moorddadigheid van de VS, het
medeplichtige Westen en de aan handen en voeten gebonden, gemuilkorfde
Arabische staten in beeld te brengen. Meekers heeft het toch geprobeerd, in
krachtige metaforen en niet mis te verstane bewoordingen.
Zo heeft hij het over ‘crapuleus /
kolonialisme’, ‘tot grafkelders’ gebombardeerde ‘ziekenhuizen’, ‘de bankiers
van de dood’, ‘kinderen’ die ‘stenen werpen naar ruwe tanks’ (misschien nog
altijd het beeld dat de ware onmachtsverhoudingen het best visualiseert, al
gaat het om veel meer: om een regelrechte genocide die al tientallen jaren aan
de gang is), ‘de biljarttafel van de diplomatie’, ‘het Avondland’ waarin ‘de
monden in zevenentwintig talen [zwijgen]’. En verder over de onvermijdelijke
paradox dat ‘uit elke / oude pit een nieuwe boom zal opstaan’, de
gruwelijke werkelijkheid op het terrein: ‘bij elke kogel / rinkelt de kassa.
geen pen die erover krast’, de onbeantwoordbare vraag ‘hoe kan een mens zo
miniem mens zijn, / schrompelen tot een schaduw van zichzelf’? Een vraag die
onvermijdelijk de onsterfelijke woorden van Sophocles in de tragedie Antigone
oproept: ‘Vele dingen zijn verschrikkelijk, / maar niets [niet: niemand] is
verschrikkelijker dan de mens’.
Deze bundel vormvaste, eloquent
verwoorde verzen zou ik poëtisch gedurfd en daadkrachtig willen noemen: een
luide noodkreet die niet wil of mag stilvallen, tot iedereen weet, ziet,
begrijpt, tot inkeer en inzicht komt, schuld bekent, enzovoort. En er dan gaat naar
handelen, uiteraard.
© Recensie: Yvan De Maesschalck
Mark
Meekers, Tabula Gaza, Uitgeverij Demer, Leusden, ISBN 9781326124854, 54
blz., te bestellen via Lulu.com
Halfweg augustus
de einder kleurt alsof een fles rode wijn
is omgestoten. ik duik in het tijdloze meer,
zwem vlinderslag zoals het een dichter
past, sla alle vleugels uit. even verlies ik
voet en vaste grond, lichaam en mond,
word helemaal mezelf, geconcentreerd
water. de maan schuift als een witte dam-
schijf over de velden. de stilte is aan zet.
terug op de oever, denk ik aan het bloed-
bad door soldaten in het verre van heilig
land aangericht: negen kinderen naar het
paradijs geholpen. het dagelijks zoenoffer
aan Jahweh en Mars. het gebeurde humaan,
in hun slaap, verdoofd als terminale honden.
hoog boven de onderwereld, hinkelen ze op
roze wolkjes. de dood neemt geen snipperdag.
© Mark Meekers
Uit 'Tabula Gaza'