zondag 11 januari 2026

Melktanden - David Van Reybrouck

 Aangetroffen gedichten in het straatbeeld 

(en overal elders in de wereld) (36)


Melktanden

Ik kan het niet meer aanzien. De grijze lichamen. De rode vlekken.
De gebouwen die ooit scholen waren en nu nog slechts plekken
Waar het puin opklautert tegen het puin.
 
Ik kan het niet meer aanzien. De zwarte handen die verkrampten
In een godvergeten gebaar. De kapotte ogen. De kapotte mond.
Het witte kinderhaar.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe een land dat zo goed weet
Wat lijden is, de donkerste nacht heeft overleefd,
nu zelf zoveel vergeten is.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe elke poging tot gesprek
Vastloopt in hetzelfde getrek van wel en niet en wel en niet
Terwijl een volk wordt uitgemoord.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe de waarden waarmee wij zwaaien
Geen woorden worden, geen akkoorden breken, geen verboden geven
Maar hoe wij blijven draaien rond onze oude spijt.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij melktanden uit monden slaan
Vingerkootjes maaien hoe we kinderbuikjes openscheuren en daar
Dorst en honger zaaien.
 
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij zo van schuld doordrongen
Zo verwrongen kijken naar zij die op ons lijken
En naar de bergen lijken.
 
Ik ween om kandelaren die onnoemelijk hebben geleden
Ik ween om hoefijzerbogen die geen gebed meer zullen horen
Ik ween om het geprevel van veel te vele lippen.
 
Ik kan het niet meer aanzien. De stoffige lijven. Het donkerrode kaakgewricht.
Maar ergens op een heuvelkam staat een geitje met een lam
Dat mekkert, mekkert naar het ochtendlicht.
 
© David Van Reybrouck
18 mei 2025

Aangetroffen op woensdag 7 Januari 2026 aan de deur van Boekhandel Raaklijn in Brugge.

donderdag 8 januari 2026

De Stok - Pieter Drift

Pieter Drift: "Hoop, vol berg en angst"


De stok

    ‘Volgens mij liepen ze die kant op.’ De jongen wees richting de bergen.

    ‘Renden ze of liepen ze?’

Hij dacht even na. ‘Iets er tussenin. Het tempo lag hoog maar ze renden niet.’

    ‘Hadden ze veel spullen bij zich?’

Er kwam een kleine glimlach op het gezicht van de jongen. ‘U wilt wel veel weten.’

Uit mijn binnenzak haalde ik een briefje van tien en frommelde dat in zijn hand. Direct verdweenhet in zijn broekzak.

    ‘Alle drie hadden ze een tas bij zich. De vrouw droeg twee tassen. Eentje op haar rug en de ander in de hand.’

    ‘Weet je zeker dat het er drie waren?’

    ‘Tuurlijk. Ik kan zelfs tot twintig tellen.’

    Ik haalde uit mijn andere zak nog een tientje en gaf dat ook aan hem.

    ‘Dank u hartelijk. Eeuwig zal ik u dankbaar blijven.’

Ik stak over. Aan de andere kant van de bergen lag een groot meer. Misschien hadden ze wel een boot geregeld die hen naar de overkant zou brengen. Nog één keer draaide ik me om. De jongen keek nog steeds naar mij. Hij stak zijn hand op. Ik zwaaide terug en liep verder. Eergisteren had ik ze voor het laatst gezien. Myrna met haar drie kinderen. Eentje was er nu niet meer bij. Gisterenochtend werd ik wakker en zag dat ze verdwenen waren. Snel wilde ik mijn telefoon pakken om ze via Zoek mijn iPhone te vinden, maar toen merkte ik dat ze mijn mobiel hadden meegenomen. Ik stond op en vroeg in het dorp rond of iemand een vrouw met drie kinderen had zien weggaan maar niemand had iets gemerkt. Iedereen beweerde de hele nacht geslapen te
hebben.


Ik besloot richting de bergen te lopen, want daar gingen de meesten heen. Iedereen kopieert elkaar. Ooit las ik van een brand in een tunnel op een berg. Het vuur begon op twee derde van de tunnel en kroop omhoog. Bijna alle mensen renden naar boven en stierven door verstikking, maar een paar mensen doken door het vuur naar beneden en overleefden de brand. Soms moet je het gevaar in om het te overwinnen. Mensen hebben niet veel originele gedachten. Iedereen is een copycat. Voor Myrna ben ik het vuur onder haar, niet haar dood. Het enige wat ik kon doen was naar boven lopen. Achter de bergen zou het antwoord liggen.

    ‘Wat doet u hier? Wie bent u?’ hoorde ik achter me. Ik draaide me om en zag de oudste dochter staan met een grote stok in haar hand.

    ‘Je weet wie ik ben,’ zei ik. ‘Ik ben gevraagd om jullie terug te brengen.’

    ‘Waarom?’

    ‘Daar word ik voor betaald. Uiteindelijk draait alles om geld.’

    ‘Geld is geweld zonder we. Het enige wat wij hebben is we.’

    ‘Dus jij was achtergebleven? Ik vroeg het me al af hoe het zat.’

Ze knikte langzaam. Ik zette een stap in haar richting. De stok ging iets verder omhoog.

    ‘De kans dat hier iemand doodgaat wordt steeds groter,’ zei ze. ‘Ik ben niet bang.’

    ‘Inge heet je toch?’ Ik deed een stap terug. Waar is je moeder?’

Ze bewoog niet en zei niets. Waarschijnlijk hoopte ze zo tijd te winnen.

    ‘Aan de andere kant van de berg worden jullie opgewacht.’

Ze hield de stok als een speer voor zich. Met een verbeten blik keek ze me aan.

    ‘Daarbuiten is het te gevaarlijk.’

    ‘Bij jullie is het lekker veilig,’ snauwde ze me toe.

Niemand was hier ooit vandaan gekomen. Ze keerden terug naar het kamp of gingen dood. Een andere mogelijkheid was er niet. Dit alles kon ik haar wel zeggen maar ze zou me niet geloven. Zeg tegen een soldaat dat hij waarschijnlijk de eerste zal zijn die zal sterven op het slagveld en hij zal je uitlachen. We blijven onsterfelijk tot we sterven. Ik ging op de grond zitten.

‘Zullen we praten?’ vroeg ik. Met mijn vingers speelde ik met wat steentjes op de grond. Heel even lette ik niet op. De stok kwam hard tegen mijn linkeroor. De klap was hard. Iets kraakte. Met mijn handen probeerde ik mijn gezicht te beschermen. Toen sloeg ze nogmaals op mijn hoofd.

    Het werd al donker toen ik wakker werd. De zijkant van mijn hoofd    voelde plakkerig aan maar het bloeden was gestopt. Voor mijn voeten lag de stok. Ik raapte hem op. Er zat een barst in. Met moeite kwam ik overeind. Het enige wat ik kon doen was verder omhoog lopen.

    Vanaf de top van de berg keek ik naar beneden. Op het strand lagen drie lichamen in vreemde houdingen. Zoals ik Inge had gezegd, waren ze daar opgewacht. Zij schoten eerst terwijl ik ze alleen maar zou hebben teruggebracht. Ik tuurde in de verte en meende iets te zien bewegen. Zachtjes betastte ik mijn wond. Als ik alleen zou terugkeren in het kamp, zou ik straf krijgen. Voor Inge zou er een klopjacht worden georganiseerd. Ik draaide me om en besloot alleen terug te gaan. Een andere route kon ik niet bedenken.

© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 

dinsdag 6 januari 2026

Wildnissen - Gedicht 3 - Xavier Roelens

Gedicht 3

6.113

ik leer vader zijn
ik leer dat afleren niet werkt
als mijn zoon me gewoon na-aapt
zorgen is mijn daad van verzet
werken in de moestuin
en lui en lief zijn is verzet
            ik leer dat ik nooit zal tijdreizen
            maar dat de tijd me wel kan inhalen
            ik leer dat boven 37 graden celsius
            en 90 procent luchtvochtigheid
            de zweetproductie stilvalt en een mens
            het hooguit een paar uur uithoudt
            ik leer lucht – water – eten – onderdak – liefde
            de parameters van ons sterfelijk bestaan
ik leer van presidenten dat je je verhaal vertelt door te doen
en dat een daad veel lastiger te schrappen is dan een woord
ik leer van de zwarte es dat bladerdek en
wortelstelsel in balans moeten zijn je steunt altijd
op anderen en anderen steunen op jou
de zwarte es heeft dertig jaar gedaan
over de twijgen waar ik een mand mee vlecht
de aarde heeft miljoenen jaren gedaan
over de kunststof waar ik mijn gedichten op typ

© Xavier Roelens


Voorpublicatie uit de nieuwe bundel van Xavier Roelens "Wildnissen", een lyrisch-ecologisch tractaat. De bundel wordt voorgesteld op vrijdag 23/1/2026 om 19u30 u. in het Biestcafé OC De Roose in Waregem. Wildnissen is een uitgave van Atlas Contact


 


maandag 5 januari 2026

Wildnissen - Gedicht 2 - Xavier Roelens

Gedicht 2

4.03

ik zie licht ik zie lekkers
ik zie signaallampen glimwormen
met eronder de geroosterde torren
ik zie bijen ten hemel stijgen
ik zie licht ik zie lekkers
ik zie gestrande astronauten
ik zie hazen zich op hun staart zetten
een madrigaal blazen en stampen
voor een publiek van koplampen
 
4.031

om vogels levensgetrouw te schilderen schoot
Audubon ze eerst neer en met
een dode haas op
de arm en het
gezicht bedekt met
bladgoud verklaarde
Beuys tijdens een
wandeling door
het museum aan de
haas wat
kunst is
 
4.0311

de ene na de andere glimworm verbergt zich onder
beton houdt nu en dan
het hoofd in het
kelderlicht zijn
krop glanst van het
ingeslikte goud
 
4.0312

een haas in valversnelling
het verheerlijkte jachttafereel
een restje opengereten vos
 
4.032

Fabre liet de paling
die kronkelt op de versmarkt op een bed van zout
kronkelen op de bühne op een bed van zout
 
4.04

ik zie het bleke graan ontdaan
de soja ontzongen van hun
parasieten losgewrongen van
moederschap ik zie
de kippen pikken van
het graan
de koeien kauwen op de
soja opgesloten in
de maag is
het graan
een bleke graal
de soja
een ontdane musichall
 

© Xavier Roelens


Voorpublicatie uit de nieuwe bundel van Xavier Roelens "Wildnissen", een lyrisch-ecologisch tractaat. De bundel wordt voorgesteld op vrijdag 23/1/2026 om 19u30 u. in het Biestcafé OC De Roose in Waregem. Wildnissen is een uitgave van Atlas Contact


 


zondag 4 januari 2026

Wildnissen - Gedicht 1 - Xavier Roelens

Gedicht 1

1

ik verlangde dat hij wat langer, verlang jij
ook niet dat je opa nog wat langer,
of je tante, dat haar hart niet
haar kaartendelen, haar theeslurpen niet
dat al wie je liefhebt, dat ze langer

 

1.1

dan muggen, ik verlangde dat de muggen al lang, dat niet
lang meer de spinnen, verlang jij naar
kakkerlakken, of dat een rat op je keukenvloer
daar lang, dat de wants uit mijn bed, de wesp
uit mijn drankje, de dondervliegjes, ik verlangde
de dondervliegjes van mijn voorruit

 

1.11

het virus uit mijn longen, ik verlangde dat de koorts
niet langer, dat ik smakelijk onder een deken
naar de tv met een kopje thee en american cookies,
verlang jij ook niet naar thee om te genezen,
naar adem, ik verlangde dat de bladeren
niet langer het gras versmachten, dat de tuin
opgerakeld, en dan, o wat verlangde ik
naar sneeuw, naar sneeuw en thee
of neen, chocomelk slurpen verlangde ik

 

1.12

en dat mos en klaver van tussen het gras verlangde ik,
dat paardenbloemen niet langer, dat brandnetels
en distels, dat lievevrouwebedstro eventueel
maar niet hier, dat ze in een nis of berm,
weggestopt achter een beuk, waar ik niet hoef te zijn
of gekweekt voor in de soep, maar niet langer hier,

 

1.13

ik verlangde dat mijn biefstuk iets langer, de aardpeer
iets zachter, verlang jij naar kweeperenmoes
bij de kippenboutjes, naar een peperkoeken
huisje verlangde ik, ik verlangde naar een porsche
met batterijen om de marsepeinen muren
op te rijden, ik verlangde naar
de langste afstandsbediening ooit

 

1.2

en dat de muggen niet langer, dat tante
wel langer, ik verlangde eerst dat mijn mobiel
langer en nu verlang ik naar een ander,
als ik maar de camelia’s in mijn tuin
kan delen, ik verlang om hem
niet met kakkerlakken, niet met spinnen,
met mensen die hartjes, ik verlang naar hartjes

 

1.21

en verlang jij dat biefstuk niet langer
van de koe, dat kippen wat vaker in de wei,
ik verlangde elk gezelschapsspel
te winnen, zoals koeien en kippen winnen
en gras even zal winnen, ook verlangde ik
dat op aarde langer, dat er geen verliezers,
dat wij wat langer samen, dat jij lang en langer
mee zal, nog lang zal je (hiep hiep hoera)


© Xavier Roelens


Voorpublicatie uit de nieuwe bundel van Xavier Roelens "Wildnissen", een lyrisch-ecologisch tractaat. De bundel wordt voorgesteld op vrijdag 23/1/2026 om 19u30 u. in het Biestcafé OC De Roose in Waregem. Wildnissen is een uitgave van Atlas Contact


 


vrijdag 2 januari 2026

'Hoe kan een mens zo miniem mens zijn'?

Over Tabula Gaza van Mark Meekers

Yvan De Maesschalck

De dichter, romancier en beeldend kunstenaar Mark Meekers voorstellen hoeft in feite nauwelijks nog. Als dichter inspireerde hij zich vooral, zij het lang niet uitsluitend, op schilderkunstig werk van illustere voorgangers. Zo zoomde hij in de bundel Een schot in de zon (1990) in op het werk van Vincent van Gogh, wijdde hij de bundel Orpheus in de haven (2006) aan de realistische, sociaal ingestelde havenschilder Eugeen Van Mieghem en Ropsiennes (2009) aan de Belgische, maar internationaal gereputeerde, decadente symbolist Félicien Rops. Vrij onlangs publiceerde hij bij Uitgeverij P de fraai geïllustreerde bundel In het oog van de stilte (2021), waarin het merkwaardige leven en werk van de Vlaams-Nederlandse Jakob Smits centraal staan. Een mooie staalkaart van ook aan andere schilders (als Rembrandt en Paul Gauguin) refererend dichtwerk biedt de zelfbloemlezing Salto Vitale (2014), eveneens verschenen bij Uitgeverij P.

Behalve een iconografisch gericht, in formeel opzicht klassiek dichter is Meekers ook een sociaal bewogen, geëngageerd kunstenaar, die onder meer als eerste ‘Doeldichter’ (2007-2009) optrad. De neerslag van zijn toenmalige dichtersactiviteit, ondubbelzinnig gekant tegen de georkestreerde vernieling van het dorp Doel, is gebundeld in Doelgericht (2009). Zijn grensoverschrijdende sociale, cultuurhistorische en artistieke belangstelling komt op een imposante manier tot leven in Het verfwinkeltje van Père Tanguy (2024), een meer dan 450 bladzijden tellende, breed opgezette, biografische roman waarin de persoonlijke aversies en voorkeuren van toonaangevende (neo-)impressionisten (Manet, Monet, Sisley, Renoir e.a.) levendig – en in de juiste historische setting – worden geborsteld.

Hoezeer hij als mens en dichter met een betrokken, empathische blik naar het internationale strijdtoneel van vandaag kijkt, blijkt uit de pas verschenen bundel Tabula Gaza. Daarin offreert Meekers beklijvende strofische gedichten die in een kort voorwoord ‘kanttekeningen bij een oorlog’ worden genoemd. Je kunt betwijfelen of het zomaar om kanttekeningen gaat, aangezien de dichter er alles aan doet om de vele inhumane aspecten van déze oorlog, in zekere zin ‘de moeder van alle oorlogen’ na de Tweede Wereldoorlog, aan de kaak te stellen. Zijn gedichten – die zich tegelijk als een lyrisch oorlogsverslag presenteren – lezen als een wanhopig stemmende aanklacht tegen het even waanzinnige als onzinnige geweld in Palestina/Gaza.

Meekers klaagt de lijdzaamheid van het Westen aan, het afgewende hoofd, het strategisch wegkijken van gruwel en ellende, de grondeloze hypocrisie van onze politici en degenen die een ‘god’ vertegenwoordigen of het denken te doen (al heeft bijvoorbeeld de paus, toch zijn naaste gezant op aarde, zich nauwelijks laten horen of opmerken, maar misschien kijk ikzelf te weinig die kant op). Over president Donald Trump, premier Benjamin Netanyahu en hun kompanen is uiteraard geen goed woord meer mogelijk: alle woorden schieten tekort om de rationeel overwogen moorddadigheid van de VS, het medeplichtige Westen en de aan handen en voeten gebonden, gemuilkorfde Arabische staten in beeld te brengen. Meekers heeft het toch geprobeerd, in krachtige metaforen en niet mis te verstane bewoordingen.

Zo heeft hij het over ‘crapuleus / kolonialisme’, ‘tot grafkelders’ gebombardeerde ‘ziekenhuizen’, ‘de bankiers van de dood’, ‘kinderen’ die ‘stenen werpen naar ruwe tanks’ (misschien nog altijd het beeld dat de ware onmachtsverhoudingen het best visualiseert, al gaat het om veel meer: om een regelrechte genocide die al tientallen jaren aan de gang is), ‘de biljarttafel van de diplomatie’, ‘het Avondland’ waarin ‘de monden in zevenentwintig talen [zwijgen]’. En verder over de onvermijdelijke paradox dat ‘uit elke / oude pit een nieuwe boom zal opstaan’,  de gruwelijke werkelijkheid op het terrein: ‘bij elke kogel / rinkelt de kassa. geen pen die erover krast’, de onbeantwoordbare vraag ‘hoe kan een mens zo miniem mens zijn, / schrompelen tot een schaduw van zichzelf’? Een vraag die onvermijdelijk de onsterfelijke woorden van Sophocles in de tragedie Antigone oproept: ‘Vele dingen zijn verschrikkelijk, / maar niets [niet: niemand] is verschrikkelijker dan de mens’.

Deze bundel vormvaste, eloquent verwoorde verzen zou ik poëtisch gedurfd en daadkrachtig willen noemen: een luide noodkreet die niet wil of mag stilvallen, tot iedereen weet, ziet, begrijpt, tot inkeer en inzicht komt, schuld bekent, enzovoort. En er dan gaat naar handelen, uiteraard.

© Recensie: Yvan De Maesschalck


Mark Meekers
, Tabula Gaza, Uitgeverij Demer, Leusden, ISBN 9781326124854, 54 blz., te bestellen via Lulu.com

  

Halfweg augustus

 

de einder kleurt alsof een fles rode wijn
is omgestoten. ik duik in het tijdloze meer,
zwem vlinderslag zoals het een dichter
past, sla alle vleugels uit. even verlies ik 

voet en vaste grond, lichaam en mond,
word helemaal mezelf, geconcentreerd
water. de maan schuift als een witte dam-
schijf over de velden. de stilte is aan zet. 

terug op de oever, denk ik aan het bloed-
bad door soldaten in het verre van heilig
land aangericht: negen kinderen naar het
paradijs geholpen. het dagelijks zoenoffer 

aan Jahweh en Mars. het gebeurde humaan,
in hun slaap, verdoofd als terminale honden.
hoog boven de onderwereld, hinkelen ze op
roze wolkjes. de dood neemt geen snipperdag.


© Mark Meekers

Uit 'Tabula Gaza'


 


 

 

 

 

 

 

 

donderdag 1 januari 2026

Allerbeste wensen voor 2026!!!

De redactie wenst elke lezer (en niet-lezer) een fantastisch literair en Digtherlijk jaar 2026 toe! 
Laat die nieuwe teksten maar komen!