| Pieter Drift: "Hoop, vol berg en angst" |
De stok
‘Volgens mij liepen ze die kant op.’ De jongen wees richting de bergen.
‘Renden ze of liepen ze?’
Hij dacht even na. ‘Iets er tussenin. Het tempo lag hoog maar ze renden niet.’
‘Hadden ze veel spullen bij zich?’
Er kwam een kleine glimlach op het gezicht van de jongen. ‘U wilt wel veel weten.’
Uit mijn binnenzak haalde ik een briefje van tien en frommelde dat in zijn hand. Direct verdweenhet in zijn broekzak.
‘Alle drie hadden ze een tas bij zich. De vrouw droeg twee tassen. Eentje op haar rug en de ander in de hand.’
‘Weet je zeker dat het er drie waren?’
‘Tuurlijk. Ik kan zelfs tot twintig tellen.’
Ik haalde uit mijn andere zak nog een tientje en gaf dat ook aan hem.
‘Dank u hartelijk. Eeuwig zal ik u dankbaar blijven.’
Ik stak over. Aan de andere kant van de bergen lag een groot meer. Misschien hadden ze wel een boot geregeld die hen naar de overkant zou brengen. Nog één keer draaide ik me om. De jongen keek nog steeds naar mij. Hij stak zijn hand op. Ik zwaaide terug en liep verder. Eergisteren had ik ze voor het laatst gezien. Myrna met haar drie kinderen. Eentje was er nu niet meer bij. Gisterenochtend werd ik wakker en zag dat ze verdwenen waren. Snel wilde ik mijn telefoon pakken om ze via Zoek mijn iPhone te vinden, maar toen merkte ik dat ze mijn mobiel hadden meegenomen. Ik stond op en vroeg in het dorp rond of iemand een vrouw met drie kinderen had zien weggaan maar niemand had iets gemerkt. Iedereen beweerde de hele nacht geslapen te
hebben.
Ik besloot richting de bergen te lopen, want daar gingen de meesten heen. Iedereen kopieert elkaar. Ooit las ik van een brand in een tunnel op een berg. Het vuur begon op twee derde van de tunnel en kroop omhoog. Bijna alle mensen renden naar boven en stierven door verstikking, maar een paar mensen doken door het vuur naar beneden en overleefden de brand. Soms moet je het gevaar in om het te overwinnen. Mensen hebben niet veel originele gedachten. Iedereen is een copycat. Voor Myrna ben ik het vuur onder haar, niet haar dood. Het enige wat ik kon doen was naar boven lopen. Achter de bergen zou het antwoord liggen.
‘Wat doet u hier? Wie bent u?’ hoorde ik achter me. Ik draaide me om en zag de oudste dochter staan met een grote stok in haar hand.
‘Je weet wie ik ben,’ zei ik. ‘Ik ben gevraagd om jullie terug te brengen.’
‘Waarom?’
‘Daar word ik voor betaald. Uiteindelijk draait alles om geld.’
‘Geld is geweld zonder we. Het enige wat wij hebben is we.’
‘Dus jij was achtergebleven? Ik vroeg het me al af hoe het zat.’
Ze knikte langzaam. Ik zette een stap in haar richting. De stok ging iets verder omhoog.
‘De kans dat hier iemand doodgaat wordt steeds groter,’ zei ze. ‘Ik ben niet bang.’
‘Inge heet je toch?’ Ik deed een stap terug. Waar is je moeder?’
Ze bewoog niet en zei niets. Waarschijnlijk hoopte ze zo tijd te winnen.
‘Aan de andere kant van de berg worden jullie opgewacht.’
Ze hield de stok als een speer voor zich. Met een verbeten blik keek ze me aan.
‘Daarbuiten is het te gevaarlijk.’
‘Bij jullie is het lekker veilig,’ snauwde ze me toe.
Niemand was hier ooit vandaan gekomen. Ze keerden terug naar het kamp of gingen dood. Een andere mogelijkheid was er niet. Dit alles kon ik haar wel zeggen maar ze zou me niet geloven. Zeg tegen een soldaat dat hij waarschijnlijk de eerste zal zijn die zal sterven op het slagveld en hij zal je uitlachen. We blijven onsterfelijk tot we sterven. Ik ging op de grond zitten.
‘Zullen we praten?’ vroeg ik. Met mijn vingers speelde ik met wat steentjes op de grond. Heel even lette ik niet op. De stok kwam hard tegen mijn linkeroor. De klap was hard. Iets kraakte. Met mijn handen probeerde ik mijn gezicht te beschermen. Toen sloeg ze nogmaals op mijn hoofd.
Het werd al donker toen ik wakker werd. De zijkant van mijn hoofd voelde plakkerig aan maar het bloeden was gestopt. Voor mijn voeten lag de stok. Ik raapte hem op. Er zat een barst in. Met moeite kwam ik overeind. Het enige wat ik kon doen was verder omhoog lopen.
Vanaf de top van de berg keek ik naar beneden. Op het strand lagen drie lichamen in vreemde houdingen. Zoals ik Inge had gezegd, waren ze daar opgewacht. Zij schoten eerst terwijl ik ze alleen maar zou hebben teruggebracht. Ik tuurde in de verte en meende iets te zien bewegen. Zachtjes betastte ik mijn wond. Als ik alleen zou terugkeren in het kamp, zou ik straf krijgen. Voor Inge zou er een klopjacht worden georganiseerd. Ik draaide me om en besloot alleen terug te gaan. Een andere route kon ik niet bedenken.
‘Volgens mij liepen ze die kant op.’ De jongen wees richting de bergen.
‘Renden ze of liepen ze?’
Hij dacht even na. ‘Iets er tussenin. Het tempo lag hoog maar ze renden niet.’
‘Hadden ze veel spullen bij zich?’
Er kwam een kleine glimlach op het gezicht van de jongen. ‘U wilt wel veel weten.’
Uit mijn binnenzak haalde ik een briefje van tien en frommelde dat in zijn hand. Direct verdweenhet in zijn broekzak.
‘Alle drie hadden ze een tas bij zich. De vrouw droeg twee tassen. Eentje op haar rug en de ander in de hand.’
‘Weet je zeker dat het er drie waren?’
‘Tuurlijk. Ik kan zelfs tot twintig tellen.’
Ik haalde uit mijn andere zak nog een tientje en gaf dat ook aan hem.
‘Dank u hartelijk. Eeuwig zal ik u dankbaar blijven.’
Ik stak over. Aan de andere kant van de bergen lag een groot meer. Misschien hadden ze wel een boot geregeld die hen naar de overkant zou brengen. Nog één keer draaide ik me om. De jongen keek nog steeds naar mij. Hij stak zijn hand op. Ik zwaaide terug en liep verder. Eergisteren had ik ze voor het laatst gezien. Myrna met haar drie kinderen. Eentje was er nu niet meer bij. Gisterenochtend werd ik wakker en zag dat ze verdwenen waren. Snel wilde ik mijn telefoon pakken om ze via Zoek mijn iPhone te vinden, maar toen merkte ik dat ze mijn mobiel hadden meegenomen. Ik stond op en vroeg in het dorp rond of iemand een vrouw met drie kinderen had zien weggaan maar niemand had iets gemerkt. Iedereen beweerde de hele nacht geslapen te
hebben.
Ik besloot richting de bergen te lopen, want daar gingen de meesten heen. Iedereen kopieert elkaar. Ooit las ik van een brand in een tunnel op een berg. Het vuur begon op twee derde van de tunnel en kroop omhoog. Bijna alle mensen renden naar boven en stierven door verstikking, maar een paar mensen doken door het vuur naar beneden en overleefden de brand. Soms moet je het gevaar in om het te overwinnen. Mensen hebben niet veel originele gedachten. Iedereen is een copycat. Voor Myrna ben ik het vuur onder haar, niet haar dood. Het enige wat ik kon doen was naar boven lopen. Achter de bergen zou het antwoord liggen.
‘Wat doet u hier? Wie bent u?’ hoorde ik achter me. Ik draaide me om en zag de oudste dochter staan met een grote stok in haar hand.
‘Je weet wie ik ben,’ zei ik. ‘Ik ben gevraagd om jullie terug te brengen.’
‘Waarom?’
‘Daar word ik voor betaald. Uiteindelijk draait alles om geld.’
‘Geld is geweld zonder we. Het enige wat wij hebben is we.’
‘Dus jij was achtergebleven? Ik vroeg het me al af hoe het zat.’
Ze knikte langzaam. Ik zette een stap in haar richting. De stok ging iets verder omhoog.
‘De kans dat hier iemand doodgaat wordt steeds groter,’ zei ze. ‘Ik ben niet bang.’
‘Inge heet je toch?’ Ik deed een stap terug. Waar is je moeder?’
Ze bewoog niet en zei niets. Waarschijnlijk hoopte ze zo tijd te winnen.
‘Aan de andere kant van de berg worden jullie opgewacht.’
Ze hield de stok als een speer voor zich. Met een verbeten blik keek ze me aan.
‘Daarbuiten is het te gevaarlijk.’
‘Bij jullie is het lekker veilig,’ snauwde ze me toe.
Niemand was hier ooit vandaan gekomen. Ze keerden terug naar het kamp of gingen dood. Een andere mogelijkheid was er niet. Dit alles kon ik haar wel zeggen maar ze zou me niet geloven. Zeg tegen een soldaat dat hij waarschijnlijk de eerste zal zijn die zal sterven op het slagveld en hij zal je uitlachen. We blijven onsterfelijk tot we sterven. Ik ging op de grond zitten.
‘Zullen we praten?’ vroeg ik. Met mijn vingers speelde ik met wat steentjes op de grond. Heel even lette ik niet op. De stok kwam hard tegen mijn linkeroor. De klap was hard. Iets kraakte. Met mijn handen probeerde ik mijn gezicht te beschermen. Toen sloeg ze nogmaals op mijn hoofd.
Het werd al donker toen ik wakker werd. De zijkant van mijn hoofd voelde plakkerig aan maar het bloeden was gestopt. Voor mijn voeten lag de stok. Ik raapte hem op. Er zat een barst in. Met moeite kwam ik overeind. Het enige wat ik kon doen was verder omhoog lopen.
Vanaf de top van de berg keek ik naar beneden. Op het strand lagen drie lichamen in vreemde houdingen. Zoals ik Inge had gezegd, waren ze daar opgewacht. Zij schoten eerst terwijl ik ze alleen maar zou hebben teruggebracht. Ik tuurde in de verte en meende iets te zien bewegen. Zachtjes betastte ik mijn wond. Als ik alleen zou terugkeren in het kamp, zou ik straf krijgen. Voor Inge zou er een klopjacht worden georganiseerd. Ik draaide me om en besloot alleen terug te gaan. Een andere route kon ik niet bedenken.
© Pieter Drift
Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn.
Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten