Posts tonen met het label Jonas Bruyneel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jonas Bruyneel. Alle posts tonen

maandag 11 mei 2026

Fragment uit 'Grot', de nieuwe roman van Jonas Bruyneel

Hoofdstuk 14

Wanneer een olifant de dood voelt naderen, verlaat hij de kudde. Helemaal op zijn eentje zoekt hij een verlaten plekje en daar sterft hij. Moederziel alleen. Vervolgens troepen de andere olifanten samen om afscheid te nemen en het lichaam aan te raken, instinctief, geleid door een onbedwingbaar verlangen. Hoezeer onderzoekers ook proberen om een verklaring te vinden voor dit gedrag dat geen functie heeft, niet voor het overleven van de soort, geen enkel evolutionair nut, ze vinden het niet. Het is zo cultureel dat het menselijk lijkt. Wanneer je opnames hoort van hun geklaag dat kilometers ver over de savanne echoot, kan je niet anders dan die conclusie trekken: dit is menselijk. Of beter: op de snijlijn tussen leven en dood zijn we allemaal dieren.

Niemand maakte plannen. In absolute alleenheid zochten we een manier om het lichaam met het afscheid te verzoenen. We zochten naar woorden, naar verklaringen, naar aangepast gedrag. We wilden vooruit nog voor we stil hadden gestaan, maar dat werkt niet. Het brein is niet zo geprogrammeerd.

We moesten opnieuw leren leven. Leren omgaan met het besef dat er toch een begrenzing was aan ons lichaam. We dwaalden door een dorp dat zijn contouren had verloren, zijn herkenningspunten. We zwierven blind en op de tast door onbekende straten op zoek naar iets tastbaars, iets om ons aan vast te grijpen. En zo zwermden we instinctief naar de vlam, het schaarse lichtpunt in het donker. De rolluiken waren neergelaten, het gordijn was voor de ingang geschoven, maar de deur van Café De Living was niet op slot. Er speelde geen muziek en de lampen rond de discobal waren gedoofd. Alleen de gelige peertjes verlichtten de toog.

Ik hield de deur voor Ella open en was me bewust van het paternalisme in die handeling, maar ik wist niet wat anders te doen. Ik wilde een functie hebben, een nut. Ik probeerde mezelf een plaats te geven in de vormeloze toekomst en Ella liet het zich welgevallen. Ook zij ging op de tast door de uren, haar lichaam in alarmmodus. Alle energie bewaarde ze voor het levensnoodzakelijke, voor de primaire, elementaire gedachten. Er was geen ruimte voor abstract denken, voor de dingen die ons van dieren onderscheiden. Om meer te voelen dan honger en slaap.

We dachten niet in begrippen als liefde en vriendschap, alleen in begrippen als nood. Nood aan stemmen, niet aan woorden. Nood aan lichamen, niet aan namen. Nood aan aanraking, niet aan betekenis. Nood aan thuiskomen. Nood aan stilte in de vertrouwde omslotenheid van lawaai. Aan de toog en tafeltjes verzamelden de muzikanten, de hele veelkleurige troep, degenen die speelden en degenen die niet speelden, de Chiromeisjes en scoutsjongens, de werkenden en de studenten. Er stond niemand bij de tapkraan, Wallie staarde aan de tooghoek voor zich uit. Hij leek weinig te horen van wat tegen hem gezegd werd en er werd hoe dan ook niet veel gezegd. Imke zat tegenover Vitja aan het tafeltje bij het venster, ze stond op wanneer ze ons zag en trok Ella tegen zich aan, vlekken in haar hals, haar oogleden waren gezwollen. Zoals gewoonlijk drukte ik Vitja plechtstatig de hand, een grapje onder ons, je beste vriend begroeten zoals hooggeplaatste heren dat in vervlogen tijden deden, maar nu leek die vertrouwde groet een onbedoelde afstand teweeg te brengen. Die handdruk benadrukte dat vriendschap niet automatisch de antwoorden met zich meedroeg. Als vriendschap het al niet deed, wat dan wel?

‘Wat hebben jullie gehoord?’

Imke keek beurtelings naar Ella en mij.

‘Een auto-ongeluk. Vanochtend. Heel vroeg. Bij de brug.’ ‘Is hij aangereden?’

Ella schudde haar hoofd.

‘Nee,’ zei ze, ‘hij zat aan het stuur.’

Bij de bar liet een van de baardmannen zich van zijn kruk glijden. Hij ging de toog om en legde zijn hand op de tapkraan. ‘Op de brug moet hij de controle hebben verloren. Dat is wat ik hoorde.’ ‘Fuck.’

‘Hij keerde terug van zijn verjaardagsfeestje.’

Ella keek naar beneden, naar haar vingers op de kleverige tafel, een zwart blad vol nog zwartere vlekken. Dat was wat we wisten, wat we gedurende de dag druppelsgewijs hadden opgevangen. Baardman zette ons elk een biertje voor.

‘Van het huis. Wallie zei dat we zelf moeten nemen.’ ‘Dat is lief.’

Imke glimlachte, maar haar ooghoeken trilden.

We moesten het met informatie uit tweede hand doen. Café De Living was een schuilplaats voor figuranten, de hoofdpersonages waren er niet, hun afwezigheid hing dik en log tussen ons in. Zolang de hoofdfiguren in het verborgene bleven, sprokkelden we bijeen wat we konden. Niet uit morbide nieuwsgierigheid. Niet uit een gebrek aan respect. We hadden die informatie nodig. Er ontbraken stukken uit de puzzel, stukken die noodzakelijk waren om het geheel te zien en het plaatje te vatten. We hadden concrete feiten nodig om over te praten terwijl we wachtten tot de taal zou komen om wat we voelden onder woorden te brengen. Eerst de feiten, dan de analyse. Maar de feiten bleven uit.

‘Ik hoorde dat Yussef ook in die auto zou zitten –’ fluisterde Vitja.

Hij blikte rond, had iemand het gehoord? Allemaal speculeerden we, maar we waren er als de dood voor dat iemand het zou opmerken en het giswerk met geroddel zou verwarren.

‘– maar dat Elias met de fiets naar huis wou en dat iedereen het beter vond dat Yussef met Elias –’

‘Ik hoorde dat de Reisleider met Elias naar huis fietste,’ sprak Imke tegen. ‘Yussef is tot de laatste gebleven. Hij is vanochtend over dezelfde brug gefietst en heeft de politiewagens en de ambulance gezien, maar verder niets en is daarom verder gereden.’

‘Dat klopt niet.’

Ella nam een grotere slok dan ik van haar gewoon was. ‘Yussef was al thuis. Vrij vroeg al.’

Alles kon, alles was plausibel. Alle scenario’s van eerder beleefde nachten, de duizenden permutaties van een vrijdagavond, ze konden allemaal kloppen. Het deed er niet toe, het veranderde niets aan de zaak: Milan zat op zijn eentje in de wagen, reed in een verantwoord tempo naar huis – achtenzestig kilometer per uur waar zeventig toegelaten was – raakte de controle kwijt, knalde door de vangrail van die brug en kwam tot stilstand in de gevel van een huis.

De bewoners van dat huis, een nietsvermoedend koppel op leeftijd wiens wekker een klein uur later zou rinkelen, kwamen er met de schrik vanaf en met een schuldgevoel over iets waaraan ze geen schuld droegen. Maar in hun huis had het zich voltrokken. Ze verbonden de plaats waar hun kinderen geboren waren en hun kleinkinderen af en toe logeerden, nu aan de dood. Op de uitvaartdienst zou die vrouw met haar asgrijze, opgestoken haren, onbedaarlijk huilen. Pas daarna zou ze het aandurven om beetje bij beetje informatie over die jongen om wie ze gehuild had, op het internet op te zoeken.

Dit wisten we. Dit waren de feiten. Vijf uur en dertien minuten. Uur van impact. Op slag dood. Dat wisten we. Geen remsporen. Dat leerden we later. Feit. In slaap gevallen. Ook dat hoorden we later. Speculatie. Twee meter verder en hij was veilig tegen de betonnen schokdempers tot stilstand gekomen, de balustrade was de zwakke plek in de omrastering van de brug. Feit. Hij was waarschijnlijk met zijn smartphone bezig. Werd gezegd. Speculatie. Onzin. Zijn telefoon stond uit. Feit. En dan had je dat gevaarlijke woord, het woord dat we in Café De Living hardnekkig niet uitspraken, elk met een biertje in de hand, maar dat door ieders hoofd spookte.

Alcohol.

Het was Imke die het aandurfde. Ze keek naar haar glas, speelde de vloeistof rond en vroeg:

‘Hij had toch niet –?’

Ik schudde mijn hoofd maar Ella hield haar blik op de deur gericht. Tussen de kieren van de rolluiken glipte het straatlicht naar binnen.

‘Nee toch?’ vroeg ik. ‘Als Milan moest rijden, dan dronk hij niet. Nooit.’

Ella glimlachte naar me. Op haar lippen lag de gedachte die ook in mijn hoofd rondzong. Milan dronk nooit wanneer hij moest rijden, maar elke nooit heeft een behalve. Er is altijd die ene keer, die uitzondering, dat moment van onoplettendheid. Er is altijd die maar.

‘Nee.’

Vitja’s stem was stellig. ‘Hij had niet gedronken.’

Aan een tafeltje verderop ontsnapte een korte lach, dan een geschrokken stilte en een schichtige blik. Had iemand het gehoord?

Een paar dagen later las ik in de krant dat Milan wel degelijk had gedronken. Ella stuurde het artikel naar Imke, ik zond het op mijn beurt naar Vitja. Allemaal speelden we onze rol in de verspreiding van dat ene, bepalende stukje informatie. Maar ook dat bleek speculatie. Nog twee dagen later bracht een kwaliteitskrant de officiële bevindingen: er waren geen sporen van alcoholintoxicatie gevonden.

Vitja appte naar mij. ZIE JE WEL.

Ik naar Ella. DACHT IK AL.

Ella hield het bij:

GELUKKIG.

We wisten dat het niet uitmaakte, niets daarvan was belangrijk, maar erover communiceren was codetaal. ZIE JE WEL vertaalde je als: ik weet niet wat te zeggen, maar ik ben er voor je. Alle andere gecodeerde frases betekenden hetzelfde. Maar het kwaad was geschied, daar kon die rechtzetting niets aan veranderen. Wie geeft om een vrijspraak wanneer de oorspronkelijke beschuldiging sappiger is. En wie gelooft nu eerder de bevindingen van een bevoegde instantie dan geruchten in een roddelblad. Correcte berichtgeving, dat weet iedereen, die haal je bij de buren. Dus bleef het gangbare verhaal dat over een prille twintiger die zich op zijn verjaardag lam had gezopen, in zijn auto was gestapt en zich stomdronken in een voorgevel had geboord. De eerste reacties waren meelevend: zo jong nog, hij had een leven voor zich. Daarna werd het giftig. Die generatie kent geen grenzen. Er zullen wel drugs in het spel zijn. En natuurlijk is het de schuld van de ouders. Zou bij ons nooit gebeuren.

Het duurde niet lang voor de bagger groter werd dan het begrip. Een enkeling reageerde door de rechtzetting te posten, toch geen sporen van alcohol gevonden, maar dat maakte het alleen erger. Die journalisten waren leugenaars die leefden uit de zakken van wie de macht had, zo wist een goed ingelichte en anonieme man die online kwijt kon wat hij thuis niet durfde te zeggen. Die ouders hadden iemand wat zakgeld toegestoken, via via, alles om de verantwoordelijkheid te ontlopen.

Allemaal hadden we wel een rood aangelopen nonkel die met een zurige adem en glazige ogen fulmineerde dat het een schande was, dat jonge mensen denken dat de wereld van hen is. Spijtige zaak, dat wel, tragisch zelfs, maar het moest ervan komen. Die jonge gasten kennen geen mate, riep diezelfde nonkel met de borst vooruit, voor hij gauw een Duveltje bestelde nu tante niet keek, want zij zou weer zeuren dat hij te dronken was om te rijden. Onterecht, dat sprak voor zich, en daarbij, er waren geen politiecontroles aangekondigd. En nu we het over politiecontroles hadden, stak diezelfde nonkel zijn vinger in de lucht, hadden die flikken niets beters te doen dan de hardwerkende mens lastig te vallen. Waren er geen echte criminelen te vatten, want die gingen vrijuit, maar als hij van een Duveltje durfde te genieten – want dat was het, genieten, niet meer en niet minder, als dat al niet meer mag – dan waren ze daar.

Alcohol is, net zoals jeugdige overmoed, concreter dan toeval voor mensen die de wereld hardnekkig als afgelijnd en controleerbaar willen zien. Toeval is niet strafbaar en dat kan niet, dat mag niet, er moet iemand gestraft worden. Iemand is schuldig, iemand moet schuldig zijn, want zonder schuldige verglijdt de wereld in chaos. Dan is de orde zoek.

Maar welke orde? Het was een ongeluk, domme pech. Een samenloop van toevalligheden die terugging tot het gieten van het asfalt, het aanleggen van de haarspeldbocht, het bouwen van het huis toen er van die brug nog geen sprake was, een boerderijtje tussen de velden toen de auto nog aan de burgemeester, de dokter en de notaris voorbehouden was.

Al die toevalligheden. De ietwat slordige keuring van de vangrail. De trots op zijn tweedehandswagen – hoe vaak hadden we niet gelachen om die rammelbak? De seconden vroeger of later. Het terugkeren naar het feestzaaltje om zijn leren jas van de kapstok te halen. Het lange twijfelen: laat ik de auto staan om toch een biertje te kunnen drinken. Trakteer ik mezelf voor mijn twintigste verjaardag op een ritje met een taxi? Of vraag ik een lift aan een vriend die nota bene wel gedronken heeft, te veel zelfs, maar die de auto zonder een schrammetje in de garage van zijn ouders heeft geparkeerd.

Al die toevalligheden. De anekdote waarom hij in die laatste bocht hardop moest lachen. Dat liedje op de radio dat hij meebrulde, uit volle borst, want dat kon hij. Misschien sloot hij bij de hoge noten even zijn ogen, een fractie van een seconde. Hij was er bijna, op zijn verjaardag, bijna thuis, Milan, die enkele dagen later dan uitgerekend geboren werd, altijd te laat die jongen, klokvast kon je hem niet noemen. Er stond een goudomrande maan aan de nachthemel, de voorspelde regen kwam maar niet. Een man die zich verslapen had, raasde met hoge snelheid in tegenovergestelde richting naar het werk, maar twee straten voor de brug bedacht hij zich en sloeg hij links af, een boerenwegje in om de flitspalen te vermijden. Een meisje fietste onder de brug door op terugweg van een feestje, enkele ogenblikken daarvoor had ze voor het eerst het meisje gekust waar ze al even een oogje op had, ze had het niet gepland, ze had er niet op gehoopt, het gebeurde gewoon en in haar hoofd klonk muziek. Milan reed boven haar over de brug, gemoedelijk, niet gehaast, met beide handen op het stuur.

Hij zong. Hij was moe en tevreden en bijna thuis.

 

© Jonas Bruyneel  


Hoofdstuk 14 uit 'Grot' de nieuwe roman van Jonas Bruyneel.
'Grot', een uitgave van Borgerhoff & Lamberigts wordt voorgesteld in Theater Tinnenpot, Tinnenpotstraat 21, 9000 Gent op dinsdag 19 mei 2026 om 19u30.

Auteur Hans Depelchin gaat met Jonas in gesprek over de roman. Samen met altviolist Esther Coorevits brengt Jonas enkele fragmenten uit Grot. En tussendoor speelt Klaas Tomme nummers van de iconische band Dead Poet Warrior Zone.
Wie er wil bij zijn geeft een seintje aan: sam.degraeve@borgerhoff-lamberigts.be.



woensdag 26 november 2025

'Jaarwerk MMXXV' - het nieuwe jaarboek van de VWS is verschenen!

Kaftontwerp Renaat Ramon - Redactie Koen D'Haene 
en Paul Rigolle  

 

De Vereniging voor West-Vlaamse Schrijvers (VWS)(voor al wie van boeken en lezen houdt) is wellicht na de VVL (Vereniging van Vlaamse Letterkundigen) de oudste literaire vereniging van het land. Ze werd opgericht in 1961 en eigenlijk zijn de doelstellingen en betrachtingen merkwaardig genoeg nog steeds niet verouderd! Wikipedia zegt daarover immers het volgende:

"Op 13 mei 1961 werd de VWS gesticht in het Hotel Portinari in Brugge door Fernand Bonneure, Paul de Wispelaere, Jaak Fontier, Marcel Matthijs, Ria Scarphout, Jan van der Hoeven, Jan Vercammen, Albert Vermeire en Staf Weyts als pluralistische vereniging, open van geest, wars van verzuiling en levensbeschouwelijke overtuigingen, ver van politiek en sociale klassen. Iedereen was welkom, zonder taboe, noch artistieke of literaire dwang. De definitie van wie een schrijver was werd zeer ruim ingevuld."

Nadat de vereniging jarenlang 6 essays per jaar over West-Vlaamse auteurs of in West-Vlaanderen wonende auteurs liet verschijnen geeft ze, nadat de Provinciale steun helemaal wegviel, elk jaar een jaarboek uit. Dit jaar is men met 'Jaarwerk MMXXV' aan de elfde editie toe. Het boek bevat zoals elk jaar voor elk wat wils. Hieronder volgt de inhoudstafel en een toelichting van VWS-mede-eindredacteur en tevens eindredacteur van De Schaal van Digther Paul Rigolle.


De inhoud van het jaarboek over 2025 

'Jaarwerk MMXXV'

"Voor al wie van boeken en lezen houdt"

* Woord vooraf - Paul Rigolle

* De vloek is gans het volk - Gastcolumn Geert Six

* De zachte kracht van Lara Taveirne 
   Lara Taveirne wint VWS-prijs 2025 - Marieke de Maré

* De dwang om rechtop te staan - Zes West-Vlaamse dichters - Alain  Delmotte

* Een drilboor naar de duistere drijfveren van het menselijk handelen 
Gaston Duribreux’ Tussen duivel en diepzee onder de loep - Stefaan Pennynck

* Strijd voor vrijheid - Over de dichter Kamiel Top - Kathelyn Vervarcke

* Op de toppen van de kunst - 20 jaar lente:  ART 04  en  Toverberg - Renaat Ramon

* Piëdestal - Het mooiste van West-Vlaamse schrijvers dat wij lazen Koen D’haene en Paul Rigolle - Met bijdragen van Dominique Albert Lietaer, Femke Vindevogel, Frederik De Laere, Jonas Bruyneel, Martine Vandermaes, Philippe Cailliau, Jan Stoel en Pierrette Coffrée.

* 10 jaar JaarwerkOverzicht en register 2014-2024 - Koen D’haene

* Over de medewerkers aan dit jaarboek


De toespraak van mede-eindredacteur Paul Rigolle bij de voorstelling op vrijdag 21 November 2025.

Goeie avond beste vrienden van het boek en van de literatuur, vrienden van de VWS en van het leven tout court. Goeie avond ook Lara, die we hier straks uitgebreid mogen fêteren en die –
ik benijd haar nu al - hier vandaan zal gaan met alweer een prachtige trofee van ons aller Renaat Ramon. Welkom dus! Vanavond heb ik namens het bestuur het genoegen om jullie het nieuwe jaarboek voor 2025 voor te stellen. We zijn na het tienjarig lustrum ondertussen aan de elfde editie toe. Het blijft snel gaan in het leven, en in de literatuur.

Alweer hebben we met de maand november het schemerlicht van het jaar bereikt. Een uitstekend moment om jullie ‘Jaarwerk MMXXV’ voor te leggen. Voor al wie van boeken en van lezen houdt! Ook dit Jaarboek bevat voor elk wat wils. De taal kent immers veel vormen en verscheidenheid en daarvan brengt elk VWS-jaarboek graag verslag uit. Het zijn ondertussen, dat weten en beseffen we met zijn allen, moeilijke en knellende tijden geworden. Op veel plaatsen staat de wereld in brand. En waar het niet brandt slaat vaker dan ons lief is de moedeloosheid toe. Het belet niet dat we met de VWS blijven geloven dat ook dit prangend tijdsgewricht niet zonder de creatieve inbreng kan van zij die lezen en schrijven. Als verweermiddel. Als soelaas. Als troost.

Dat beseft ook onze gastcolumnist Geert Six die met zijn column ‘De vloek is gans het volk’ het jaarboek opent. Over de taal die de zijne, en ook de onze is, zegt hij: “Ze schrijft zich in in het hier en nu, ze zegt altijd iets over deze tijd. Dat is zelfs een uitgangspunt. Ze reflecteert over de huidige gang van zaken. Dat is meestal geen mooi portret. De wereld is tegenwoordig een lelijke real life show geworden… 
De realiteit meandert inderdaad altijd mee in wat we schrijven.

Toekomst is een lastig woord geworden’ citeert Alain Delmotte, ook al in de teneur van de tijd, de dichteres Siel Verhanneman. In zijn stuk met als titel ‘De dwang om rechtop te staan’ bespreekt hij samen met haar nieuwste dichtbundel ook de boeiende recente poëzie van vijf andere vrouwelijke West-Vlaamse dichters. Het zijn Ludwien Veranneman, Lieve Desmet, Hanna Kirsten, Astrid Haerens en Myriem El-Kaddouri die net als Siel Verhanneman vol woordverve nieuw werk presenteerden. Alleen al om deze indringende bijdrage van Alain Delmotte mag elke lezer die van poëzie houdt dit jaarboek niet missen.

Voor 2025 gaat de VWS-prijs naar niemand minder dan Lara Taveirne. Collega Marieke de Maré met wie ze nog dit voorjaar de verhalenbundel ‘Het glinstert’ publiceerde schrijft het laudatio. In ‘De zachte kracht van Lara Taveirne’ peilt ze onder meer naar het vermogen van onze laureaat om van rauw verlies een verhaal te maken dat anderen optilt. En dat is een reden om te vieren!

In elk jaarboek mogen enkele bijdragen over ons rijke literaire erfgoed niet ontbreken. Kathelyn Vervarcke heeft er een missie van gemaakt om vergeten verhalen uit de rafelranden van de geschiedenis te halen. In ‘Strijd voor vrijheid’ staat ze stil bij leven en werk van de vergeten dichter Kamiel Top die op 21-jarige leeftijd in 1945 omkwam in het concentratiekamp van Flossenburg.

Een tweede erfgoedbijdrage is van de hand van Stefaan Pennynck. Hij neemt in zijn artikel ‘Een drilboor naar de duistere drijfveren van het menselijk handelen’ nog ‘s de bekende roman van Gaston Duribreux ‘Tussen duivel en diepzee’ onder de loep. De roman uit 1953 voldoet volledig aan het kenmerk van goeie literatuur: write local, think global.

Renaat Ramon zorgt op zijn beurt voor een intrigerende bijdrage met als titel  ‘Op de toppen van de kunst. Met als noemer ’20 jaar lente’ zoomt hij in op de verdienstelijke tijdschriften ART04 en Toverberg.


Ook dit jaarboek kan niet zonder de rubriek Piëdestal. Daarin peilen Koen D’Haene en ikzelf naar het mooiste van West-Vlaamse schrijvers dat andere schrijvers en lezers lazen en schreven. De welluidende stemmen in deze rubriek vormen dit jaar een ware keurtroep die bestaat uit: Dominique Albert Lietaer, Femke Vindevogel, Frederik De Laere, Jonas Bruyneel, Martine Vandermaes, Philippe Cailliau, Jan Stoel en Pierrette COffrée.

Tot slot vonden we het passend om in dit elfde jaarboek terug te blikken op de voorbije tien jaar en besluiten dit jaarboek met de inhoudstafel van de tien eerste jaarboeken.
Ik wens jullie samen met het voltallige bestuur alvast veel leesgenot met ‘Jaarwerk MMXXV’. En volgend jaar zijn we er bij leven en welzijn opnieuw!

Paul Rigolle,
Co-eindredacteur.

Brugge, Vrijdag 21 November 2025.


Meer info over het Jaarboek 2025 en het Lidmaatschap van de VWS:


Alle info over de vereniging en over het bestellen van het  jaarboek: p.a. secretaris Georges Hoet, Maria Van Bourgondië 24, 8820 Torhout.
georges.hoet@skynet.be


dinsdag 18 maart 2025

Wereld poëziedag in Deerlijk


Wereld Poëziedag wordt elk jaar gevierd op 21 maart. Deze dag werd in 1999 door UNESCO in het leven geroepen om het lezen, schrijven en publiceren van poëzie te stimuleren en om aandacht te vragen voor de rijkdom van taal via poëtische expressie.

Komende vrijdag 21 maart 2025 viert ook het lieflijke Deerlijk in UZIEN Wereld Poëziedag met een mix van poëzie en muziek. Ze pakken er uit met een intieme avond vol poëzie van en met Peter Holvoet-Hanssen, Jonas Bruyneel en José Vandenbroucke. Er zal muziek zijn van The Caravan Juke Joint Band en Andreas Van Rompaey leidt de avond in. 
Meer info over de optredende dichters: 

Peter Holvoet-Hanssen is een avontuurlijke troubadour die poëzie dichter bij mensen brengt. Hij ontving verschillende prijzen zoals de Debuutprijs (1999) en de Cultuurprijs (2008). Al dertig jaar reist hij met poëzie en bracht recent ‘Goleman.’, een gedichtenopera, uit. Wereldpoëziedag is voor hem een belangrijk initiatief dat hij vanuit zijn West-Vlaamse roots nieuw leven wil inblazen.

Jonas Bruyneel ziet Wereldpoëziedag als een viering van grenzeloosheid. Deze auteur, theatermaker en muzikant verkent in zijn werk de extremen van het mens-zijn. Hij debuteerde in 2015 met ‘Voorbij het licht ’ en bracht in 2024 ‘Mulhacén’ uit. Ook in zijn muziek, onder de naam momoyo, is hij kritisch en grensverleggend.

José Vandenbroucke, autodidact en performer, begon in 1985 met zijn artistieke reis via Mail-Art. Hij onderhoudt correspondenties en organiseert occasioneel publieke manifestaties. Zijn chaotische en intieme artistieke leven is gedocumenteerd in ‘Literaire Roeping’. In 2025 verschijnen nieuwe publicaties, waaronder bijdragen aan ‘Art04’.

The Caravan Juke Joint Band brengt een mix van jazz, folk, country en blues. Het klankdecor varieert van filmisch tot intiem, met Peter Verberckmoes op zang, gitaar, saxofoon en percussie, en Dirk De Cleen op contrabas.

Andreas Van Rompaey, literatuurkenner en auteur van diverse publicaties, waaronder Paul de Wispelaere, Bruggenbouwer (2020) en Letaal (2022), verzorgt de inleiding op deze muzikale en poëtische avond. 
 

Praktische informatie

  • Vrijdag 21 maart 2025 om 20.00 uur (deuren open om 19.30 uur)
  • UZIEN - De Cassinastraat 10C - 8540 Deerlijk
  • 5 euro - kansentarief 1 euro - studenten 3 euro
  • Reserveren is noodzakelijk via bibliotheek@deerlijk.be 

Dialoog met de omgeving en de geschiedenis

Andreas Van Rompaey over Mulhacén van Jonas Bruyneel


In de verantwoording tot zijn eerste dichtbundel Broedland (2022) omschrijft Jonas Bruyneel zijn gedichten als ‘papiergeworden reiskoffers’.

Ook in Mulhacén (2024) neemt hij de lezer mee op reis naar Spanje, meer bepaald naar het Andalusië van de befaamde schrijver Federico Garía Lorca. Er komt een imaginaire dialoog met Lorca tot stand die de creatieve werkwijze van Bruyneel weerspiegelt. Zowel in zijn verhalen als in zijn gedichten probeert hij vaak om figuren uit andere omgevingen en tijden tot leven te wekken door niet alleen een beroep te doen op feiten, maar ook op inleving en projectie. Het specifieke krijgt bij hem steeds iets universeels doordat bepaalde emoties, dilemma’s en conflicten grotendeels onveranderd gebleven zijn.

Om zich nog meer met zijn subject te vereenzelvigen, hanteert hij ditmaal het eveneens door Lorca gebruikte, van oorsprong volkse coplavers. Met deze Spaanse dichtvorm bestaande uit vier achtlettergrepige regels weet hij een bedwelmende, ietwat melancholische sfeer op te roepen. Dat hij zich zo verwant met Lorca voelt, hoeft niet te verwonderen: beiden zijn ze enigszins ijdele multitalenten die wereldkennis opdeden door te reizen en die een voorliefde koesteren voor het orale (inclusief muziek en theater) en dus niet toevallig voor het sociale.

De ‘dialoog’ leidt tot diepzinnige vragen over o.a. het leven, de liefde en het schrijverschap en eindigt met een vurig betoog over de noodzaak van poëzie: ‘Alweer zijn er dichters nodig / die treffend tegenwicht bieden. / De poëzie, zegt [Lorca] stellig, / dat is een precisiewapen. / […] Precisiewapen, herhaalt hij. / Poëzie zoekt het DNA. / Dat soort strijdbare scherpschutters / hebben we nu meer dan nodig.’

 © Andreas Van Rompaey

Mulhacén, Poëziecentrum, Gent, 2024, 133 blz., ISBN 9789056550813.

Mulhacén bij het Poëziecentrum

Jonas Bruyneel en Andreas Van Rompaey staan komende vrijdag 21/3/2025 ook op het programma in Deerlijk waar men in een intieme avond in UZIEN wereldpoëziedag viert! Eveneens op het programma: Peter Holvoet-Hansen en José Vandenbroucke. Met voor de muziek de 'Caravan Juke Joint Band'.

Meer info via dit Digther-bericht.