Posts tonen met het label Jan M. Meier. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jan M. Meier. Alle posts tonen

dinsdag 23 december 2025

In het letterlabyrint van de liefde

Openingstoespraak van Antoon Van den Braembussche bij de voorstelling van 'Verdraaide liefde”  van Jan M. Meier.

Jan M Meier is een jong dichter. Een erg jong dichter. Dit mag een beetje vreemd klinken, maar het is pas sinds 2017 dat hij regelmatig dichtbundels het licht laat zien. Inderdaad, onder zijn echte naam Jean-Marie Maes debuteerde hij in 1972 reeds met Figuratie , een beloftevolle bundel die meteen werd bekroond met de debutantenprijs voor poëzie van de provincie Oost-Vlaanderen, Toen bleef het stil, 45 jaar lang stil, op enkele sporadische en tussentijdse gedichten na. 

In 2017 dus, op 66 jarige leeftijd, verraste hij vriend en vijand met een nieuwe bundel Engelenspoor. Deze bundel stond grotendeels in het teken van het onverwachte verlies van een eigen kind. De bundel belichaamde een prangende, aangrijpende, poëtische verkenning van dood en vergankelijkheid. Dit zette meteen de toon voor een nieuw beginnend oeuvre, waarin, aldus Dirk de Geest, de grote, existentiële vragen niet uit de weg worden gegaan. Naast een paar bundels die minder aandacht kregen, zijn het vooral Grote Gevoelens  (2020) en de dubbelbundel Verstrengelingen (2024) die zeer goed ontvangen werden en hem als dichter definitief op de kaart hebben gezet.

En nu is er Verdraaide liefde (2025), de bundel die vandaag verschijnt en die tevens opmerkelijke schilderijen en tekeningen van Johan Clarysse bevat. En zoals steeds heeft uitgeverij P voor een erg fraaie uitgave gezorgd. In feite is Verdraaide liefde een onderdeel van een ooit geplande trilogie, waarvan deel 2 Verstrengeling en deel 3 Taalslag al in de reeds genoemde dubbelbundel Verstrengelingen (2024, 144 p.) verschenen. Nu pas kan de trilogie in zijn geheel worden gelezen. De oorspronkelijk geplande volgorde is dus: Verdraaide liefde, Verstrengeling en Taalslag.

Centrale thematiek

Vanuit deze trilogie kan men gemakkelijk een centrale thematiek duiden, die meteen ook de unieke identiteit van Jan M. Meier als dichter belichaamt. Er zijn immers maar weinige dichters waarvan de liefdesgedichten zozeer verankerd zijn in het lichaam. De verstrengeling van beide lichamen tijdens de liefdesdaad wordt steevast geassocieerd met klank, muziek, bespiegeling, stilstand van de tijd en vooral ook met taal, het “letterlabyrint”, waarover de dichter spreekt. Elke vraag, elk antwoord gaat van het lichaam uit. De gedichten zijn een ode aan de lichamelijke verkenning en extase, maar tegelijk is er altijd onderhuids aanwezig: de teleurstelling, de tastbare paradox, de ironische kwinkslag, de negatieve weerslag, het nuchtere ontwaken in de tijd. Het is precies aan de dualiteit tussen ode en verwording, tussen bevrijding en verdraaiing dat deze poëzie haar unieke spankracht ontleent. Dit is ook de reden waarom de gedichten menig lezer blijvend zullen ontroeren en intrigeren. 

Verdraaide liefde

Laat ons nu een vijftal aspecten toelichten van Verdraaide Liefde die deze centrale thematiek nader toelichten en gestalte geven.

Een eerste aspect is de ode aan de lichamelijke liefde. Een aantal gedichten hebben als grondtoon de erotische betovering, Een lofzang van de liefdesdaad, de paringsdaad, letterlijk “nahijgend in schor gekrijs”, zoals het in één van de gedichten luidt. Hier wordt het dionysische karakter van de liefde beklemtoond als een (ik citeer) “storm over het slagveld van je lijf”, die uiteindelijk eindigt met (ik citeer) “hij de gemerkte man”, “doorzichtig als dubbelspiegelglas”. De minnaar bestaat haast niet meer! Hij verdwijnt in het niets. Hij is letterlijk overgeleverd aan de liefde, het verlangen, de roes, het heidens genieten, de drift als een (ik citeer) “een blinde aalscholver die duikt”. De paringsdaad wordt tegelijk niet zelden geëvoceerd als een bevrijdend oponthoud, een “dijk tegen de tijd”. 


Een tweede aspect, dat ik al her en daar aanraakte, is de dualiteit van de liefde. Het is aan deze dualiteit dat de voorliggende bundel onder meer zijn titel Verdraaide liefde ontleent. De verdraaiing slaat in de eerste plaats op de ambiguïteit van de liefde. De liefde verwijst evengoed naar goden als naar demonen, evengoed naar wellust als naar weemoed. Deze tweespalt van de liefde is bijna overal aanwezig. Het is een spanningsveld dat ook als prikkel kan worden gezien tot het dichten zelf. De tweespalt leidt ook tot een omkering van de liefde, Het gedicht vertolkt als het ware deze omkering, deze “verdraaide liefde”. Wat overblijft is, zoals de dichter getuigt, “de hapering van onze harten/in woorden bevroren”. Of nog: We zijn “tot in winterwortels bevroren”. De liefdesvervoering is “zo weer weggewist” en eindigt met “de witte kilte binnenin”. De dualiteit van hitte en ijs is overal aanwezig: zo zijn, aldus de dichter, “de fata morgana/al in het ijs verankerd”. De liefde lijdt letterlijk aan een onderhuidse verdraaiing, “een tot schaduw herschreven zon”, zoals de dichter prachtig verwoordt. “Scheur het kleed van de stilte”, zo protesteert de dichter die gevangen blijft in de tweespalt, in wat hij dooikoorts noemt, of een vagevuur dat hij als compromis omschrijft. Soms kristalliseert zich de dualiteit in een ware paradox, zoals in: “in de rechte straten van het geheugen/ blijf jij op spoorafstand/onbereikbaar binnen bereik”!?

De dualiteit wordt niet altijd even dramatisch verwoord. Dit leidt me tot een derde aspect van de bundel, namelijk de ironie van de liefde. Inderdaad, soms is de stap van tragiek naar ironie heel nadrukkelijk aanwezig. Verdraaide liefde betekent hier wat men in eerste instantie zou associëren met de titel: de dekselse liefde, de verdomde liefde, de vermaledijde of verrekte liefde. De dichter lacht met de liefde, kaffert haar uit, bekijkt haar met een ironische toets. Zo schrijft hij: “de lijn van je wang zigzagt/van kin naar oogkuil/zon en zwart gat tegelijk/dit moet liefde zijn!”. Elders wordt de liefde beleefd met “een toets van anijs”. Soms krijgt hij als minnaar “een koekje van eigen deeg”. De lach en de humor is niet zelden een mooi tegengewicht tegen de meer zwaarwichtige, soms bittere, verwrongen, wanhopige omkering van de liefde.  

Een vierde belangrijk en erg relevant aspect van de bundel is de verstrengeling van taal en liefde. Vaak is de verstrengeling van lichamen verbonden met dans, muziek en vooral de taal van het gedicht. Liefdesdaad is taal: “Hijskranen takelen letters op het blad”, zo luidt het. Zeer origineel in de bundel is de iconische band tussen liefde en schrijven, tussen liefde als opening naar taal en expressie in en door het gedicht. Zo schrijft de dichter: “het vel van liefde niet vlekkeloos/een stafrijm voor haar stotter/het witte blad onthult zijn verhaal/pas als het beschreven is”. Een ander voorbeeld is het schitterend begin van Dooikoorts I: liefde in je naam getaald/zo vangen aan de ongeschreven brieven”. Toch is de taal vaak machteloos. Zo ontgraaft de dichter naar eigen zeggen het alfabet, de taal, het gedicht, en toch blijft alles sprakeloos en in flagrante tegenspraak.

Andere, opvallende aspecten van de bundel zijn de locatie van de liefde in de ruimte en de innige band tussen eten en liefde. Ik kan de vaak dansante ruimtelijke verkenning van de ruimte (“een lichaam dat zich laaft aan pirouettes”) en de culinaire dimensie van de erotiek  hier enkel aanstippen, echter niet uitwerken. Ik zou willen eindigen met een vijfde, fundamenteel aspect van de bundel dat men niet meteen zou verwachten, namelijk de mystieke dimensie van de liefde. Naast de hapering, de vergankelijkheid, de omkering van de liefde wordt deze vergankelijkheid zelf omgekeerd. Dit is een prachtige paradox die een diepere laag van de bundel blootlegt. Liefde is enerzijds het “tederste bedrog”, maar het is tegelijk datgene wat ongrijpbaar is, In sommige gedichten, zoals in vouwmeester van woorden, wordt liefde niet zelden en vaak onverwachts geassocieerd met “oneindigheid”, “eeuwigheid” “grenzeloosheid”. Deze mystieke dimensie ligt aan gene zijde van de hapering, de verdraaiing, het vergankelijke, zelfs van de taal zelf. Liefde en de geliefde behoren uiteindelijk tot het domein van het onzegbare. En wellicht is het het onzegbare, het onbereikbare dat niet enkel de liefde maar ook het gedicht letterlijk in beweging brengt.  

Ik eindig met een zeer gaaf gedicht waarin de verstrengeling van taal, muziek en beeld zich uiteindelijk veruitwendigt in  het spanningsveld tussen hitte en ijs. Van dualiteit gesproken! Het is een dualiteit die hier opnieuw verwijst naar de “verdraaiing van de liefde”!

dooikoorts

1

liefde in je naam getaald
zo vangen aan de ongeschreven brieven 

het is een aloud verhaal
dat ik bedenk met de bekende klanken 

tot je kleuren beken ik me
met de lijnen van je lichaam

lees ik samen
van turkse baden de tedere hitte
de lafenis van lavendel 

de fata morgana
al in het ijs verankerd

© Antoon Van den Braembussche

 

Collage van de voorstelling. Van LnrR en van boven naar 
onder: gesprek met Paul Rigolle, Leo Peeraer, Jan M. Meier
en Groepsfoto met Antoon Van den Braembussche, Jan M. Meier,
Diane Ruthgeerts, Paul Rigolle, Johan Clarysse en Niels Poppe.


Antoon Van den Braembussche (foto: Paul Rigolle)

woensdag 3 december 2025

voor en na - Jan M. Meier

voor en na

hij is zonder nadenken de tekening
ingestapt – meteen dertig jaar jonger
een bestaan in andere tinten
felle kleuren en nieuwe geuren 

de tuin een heel ander heden
onverwachte lente kleurt de ramen
met een plejade van lichte groenen
stralen van een oeroud begin 

hij hoort niet één hond blaffen
stilte roept woordvreugde op
klank die alleen in zijn hoofd
resoneert, zijn potlood loodst 

tij loopt over van weelde
terwijl hij in vertraagde beweging
schommelt op de stoel, rolt over
het dunne tapijt dat stremt 

en langdurig tot stilstand beweegt
potlood rondt een halve cirkel
hij duikt bovenblads op, dezelfde en
geheel anders, groener en ouder tegelijk


© Jan M. Meier

Poëzie van Jan M. Meier
Algemene blog van Jan M. Meier

Op zaterdag 20/12/2025 stelt Jan M. Meier met ‘Verdraaide liefde’ op het Landgoed De Campagne in Drongen een nieuwe dichtbundel voor. Meer over de voorstelling en de uitnodiging lees je via dit blogbericht op de algemene blog van de dichter.



Afbeelding met tekst, poster, Dans, Boekomslag

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

dinsdag 2 december 2025

fait accompli - Jan M. Meier

 fait accompli

 
de bocht moet breed en scherp genomen
leg niets uit, het is gebeurd
geen engel maakt het ongedaan
 
nu gaat het rechtdoor licht
hellend naar het lage stadsdeel
het park alias bos dan de zee
 
aan het water moet je luid praten
applaus op alle banken golf na golf
niemand zo dankbaar, zo wreed als de zee
 
geboortegolf en dodelijke vloed
altijd de geur en kleur van fruit
zonnige etalage van een lommerrijk leven
 
de zee golfzoent het zandstrand
hij tongkust het meisje van de morgen
de lucht nog fris voor de zon gaten
 
brandt in het laken van de dag
geuren kapseizen naar verrotting
iemand op de set roept cut!
 
hij schommelt niet onder de notenboom
hij schuift voetje voor voetje
letter na letter op de dagregel
 
voor ook hij kapseist
 


© Jan M. Meier

Poëzie van Jan M. Meier
Algemene blog van Jan M. Meier

Op zaterdag 20/12/2025 stelt Jan M. Meier met ‘Verdraaide liefde’ op het Landgoed De Campagne in Drongen een nieuwe dichtbundel voor. Meer over de voorstelling en de uitnodiging lees je via dit blogbericht op de algemene blog van de dichter.



Afbeelding met tekst, poster, Dans, Boekomslag

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

maandag 1 december 2025

wit gedicht - Jan M. Meier

wit gedicht

 

het laken strak gespannen
voor de oprit naar de poort
barrière en witte vlag

het lijkt wel een gedicht
zoals het van rechter bovenhoek
tot linker onderhoek geheel wit 

open staat voor het bestaan
nog zonder vlek of kleurspat
als het nauwelijks gevulde blad 

of het jonge blad van de liefde
leeg betekent het geheel niets
vol gepend staat er in het beste geval 

een vers, een handtekening
een korte baldadige ballade
waarvan hij een hele voorraad heeft 

het bol geblazen laken leest als vreugde
scheur is schade in het kwadraat
omdat zij uit zichzelf verder splijt 

spanning loopt leeg, laken rolt op
het vers blaast de laatste adem


© Jan M. Meier

Poëzie van Jan M. Meier
Algemene blog van Jan M. Meier

Op zaterdag 20/12/2025 stelt Jan M. Meier met ‘Verdraaide liefde’ op het Landgoed De Campagne in Drongen een nieuwe dichtbundel voor. Meer over de voorstelling en de uitnodiging lees je via dit blogbericht op de algemene blog van de dichter.



Afbeelding met tekst, poster, Dans, Boekomslag

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.


donderdag 22 augustus 2024

Het unieke in altijd hetzelfde

Alain Delmotte recenseert Verstrengelingen van Jan M. Meier

De titel van de nieuwste bundel van Jan M. Meier ‘Verstrengelingen’ is een vlag die volledig de lading van de bundel dekt. Hier worden twee bundels (een dubbel-bundel) letterlijk in en met elkaar verstrengeld. De motieven en de thema’s erin vormen een stevig ‘vlechtwerk’. Het concrete en het metapoëtische vermengen zich met elkaar. Het gevoelige en het doordachte. De beweging en de stolling. De voortgang en de stilstand. Droom en werkelijkheid worden in een ‘droomlichaam’ dooreen gestrengeld. Kortom: een bundel die met verschillende en terugkerende resonanties en raadsels is doordesemd en doordrongen:

‘in taalspel gaan geheimen schuil
subtiele lagen die pas later doordringen
alsof ze tekens kunnen omkneden
van hoogste gebod naar grap’.

Uit de structuur lezen we af hoe die twee bundels (die telkens uit verschillende cycli bestaan) in een soort drieluik worden opgesplitst: ‘Taalslag 1’, ‘Verstrengeling’, ‘Taalslag 2’. Ze refereren aan elkaar, ze vormen knopen die de dichter methodisch met ‘het houtje-touwtje’ van de taal heeft aangebracht. We hebben te maken met een complex en bijzonder gelaagd geheel dat veel open laat – zoals dat hoort te zijn met gedichten. We worden geconfronteerd met een ‘taallab’ (zoals de titel van een cyclus luidt) waaruit en waarin allerlei raakvlakken en snij- en pijnpunten zijn te observeren.

Mij aan een totale analyse of ontwarring van die ‘Verstrengelingen’ wagen lijkt mij onmogelijk en ongepast. Het is niet het doel van deze recensie. Het betreft overigens een lijvige bundel (134 bladzijden) waarbij de dichter secuur over elk woord heeft gewaakt. Ik vermeld enkel wat mij persoonlijk trof en zal hierbij zoveel mogelijk met de gedichten zelf in dialoog gaan.

Wat in eerste instantie in de hele bundel opvalt is het spattende taalplezier waarvan de dichter in vele gedichten getuigt. Taal als ‘springkasteel’. Deze gedichten zijn een feest voor de taal die quasi als een fysieke daad wordt beleefd:

‘ontdekking breekt
uit het barstensvolle niets alsof
een baldadige baby goddelijke bellen blaast
waaruit af en toe een universum openbarst’.

Of elders:

‘onderhuids schokken woordwolken
als continenten tegen elkaar
barsten uit in een stalen stroom van taal’

We ontwaren hier en daar een prikkelend enthousiasme en dynamiek die me wel eens aan de ‘loeiende tier’ van Mark Van Tongele deed denken. Dergelijke gedichten hebben zelfs iets belangeloos en volatiels (de woorden vliegen, ze zijn dans). Dit werkt aanstekelijk en bij momenten zelfs bedwelmend. Waarbij je dan wel eens uit het oog verliest wat er eigenlijk wordt verwoord: als lezer laat je je gaan langs mogelijke sensaties ten aanzien van het alledaagse. Wat in het mooie gedicht een ‘kleine paradox’ genoemd wordt: ‘het unieke in altijd hetzelfde’.

In het gedicht ‘pletwals’ wordt het als volgt verwoord:

‘het dagelijkse leven is best behapbaar
met meer en minder, gisteren en
vanavond en de kleine getallen
van tomaat, appel en bloemkool

de rest hoeft geen groot vertoon
geen scherpe bepaling van taal’.

Waarmee gesuggereerd wordt dat poëzie ook zonder woorden kan, door ‘het wit wit te laten/niet bij te kleuren’. Wat betekent dat er ‘kanttekeningen’ bij het schrijven worden gemaakt, ‘omkeringen van deel en tegendeel’. Dialectiek en paradoxen. Het ‘schrijven’ wordt gethematiseerd. Want nogal wat gedichten bieden ruimschoots plaats voor het metapoëtische. Het gedicht vertelt zijn eigen ontstaansgeschiedenis, geeft zijn vooruitgang aan. Het gedicht definieert zichzelf, varieert en recycleert daar constant op. Hierbij wordt de werkwijze, het handwerk van de dichter (een ‘hij‘, een ‘schaatser op blad’) geëvoceerd.

Ik geef hier voorbeelden van gedichten die in de eerste cyclus van de bundel (‘taalslag’) staan. Uit het openingsgedicht ‘rangeerstation van woorden’:

‘in verzen het ritme van adem vatten
samenzwering van tel en taal’.

(Het motief van het ‘tellen’ en het getal is in dit geheel opmerkelijk. Ik kom erop terug.)

‘een grenzeloos rangeerstation
koppelt en ontkoppelt
in wisselende verwantschap’,

‘vreedzame gang van woorden’.

In andere gedichten uit die reeks haal ik volgende citaten – uit de vele die mogelijk zijn – waarin het dichterlijk proces (en de genese ervan) wordt benaderd: 

‘hij dicht het gat tussen dag en nacht
legt bleke verbanden bloot
nooit bedacht, achteloos als altijd
legt hij knopen op het blad’,

‘hij grijpt naar lettergrepen in gruis

hij gebruikt wat ieder ander
achterlaat, bouwt een luchtkasteel
uit sleetse term en gevallen letter
poetst uit puin, manco en gemis

een blazoen, ziel van zijn bestaan’,

‘die hand wil in woorden vliegen
het vol gepende blad gevouwen
een papieren vliegtuig, een blauw bootje 

tegen leegte in geblazen’.

Bij elk van deze citaten kan worden stilgestaan en over poëzie geprakkiseerd worden. Want vrijblijvend is deze poëzie niet. Poëzie heeft altijd met het leven zelf te maken. Poëzie is zodoende een blijvende en uitdagende zoektocht op vele existentiële en linguïstische fronten. Deze poëzie staat overigens niet los van de wereld. De actualiteit eist erin zijn plaats op. Zoals het geval in het gedicht ‘het uur nu’:

‘er vallen bommen en raketten in europa
flatgebouwen bloeden uit ingeslagen ogen
straten akelig leeg op langgerekte schaduwen na’.

Wie nu denkt dat deze introgedichten geïsoleerd staan binnen de structuur van de bundel, vergist zich. Je vindt het metapoëtische eigentijdse quasi in elke cyclus of zelfs in elk gedicht terug. Zoals gezegd: alles in deze bundel staat met elkaar in verband, is niet los te koppelen. Daarom enkele metapoëtische citaten uit de laatste cyclus, al kan je die reeks ook wel lezen als een soort eindconclusie.

‘het schrift ligt breed en bloot
een kluis met open deur
een logboek van letterschuim
leesbaar voor wie waagt’,

‘hij zit nu op jouw stoel
voor je raam te spiegelstaren
een zoveelste brief in handschrift
de code van een verdwenen taal
aangehouden tweeklank als ultieme

schreeuw op blad’.

Wat betracht de dichter in essentie?

‘niettemin legt hij ladders van letters
dwars over de regels van een blad
bouwt stellingen om hardleerse leegte
verzamelt klankpuin om taalcement te mengen’.

‘Klankpuin’: het is opvallend hoe vaak het woord ‘klank’ in deze gedichten valt. Of woordvelden die naar ‘klank’ verwijzen. In het gedicht ‘klankkasteel’ wordt die poëtische klankruimte omschreven als:

‘strompelspraak, haperzang en stukkreet
alfaverval in zinlege dissonanten’.

In een ander gedicht ‘opgehokt’ vinden we een variatie hierop:

‘klaterspel van glijdende klinkers
en zacht rollende consonanten’, 

‘maakt geruisloos een stand op
markeert wat te vinden valt
in de trage cascade van lettergrepen
zangverval van zijn zinnen’.

Een dichter die zich bijwijlen evenwel bewust is van de ‘onmogelijke spreidstand’ die poëzie vereist:

‘silhouet van een dichter
versteend in de vouw van zijn schrift
een onmogelijke spreidstand

geen klinker vliegt op’.

Ik sta even bij de al aangegeven ‘zoektocht’ stil. Poëzie is het risico nemen om te ‘stappen naar de rand van de flank’, zoals te lezen staat in het gedicht ‘Randstap’. De rand is overigens een motief in de bundel. (Ook daarop moet ik straks terugkomen). De poëzie gaat tegenstrooms in het verzet: 

‘tel af, zet lamme leegte buiten spel
fluister de code in alle oren
vuurwoorden die slapers wekken
besmet ze met de koorts van inzicht’

De dichter moet ‘klankslag na klankslag/strijd voeren.

In deze bundel laat zich een pelgrimage zien. Er wordt een weg afgelegd. Of liever: er wordt gestapt, geklommen of trappen opgegaan. Er wordt gestreefd naar beweging: er is geen ander alternatief of anders dreigt de ‘walm’. Wat is die walm? Dat wat in een gedicht als ‘het valluik/van niet voluit geleefd hebben’ wordt voorgesteld? Is het daarom dat er beweging moet zijn om voluit te kunnen leven, los van elke lethargie:

‘hij moet zich op gang trekken
stappen het enige wat rest
hem redden kan van de walm’?

De inzet is niet de bestemming, de kern is de beweging, de vaart van de beweging: ‘het is een wedloop met het zijn’:

‘het doel is onbekend
beweging is het doel’

Het doel is onbestemd maar het gaat de richting uit naar ‘het niet verklankte woord’. En dat is nauwelijks een richting te noemen:

‘waar is het noorden
of was het toch het oosten’

De tocht (de vlucht) gaat doorheen de woestijn, langsheen het zand, langs bergen, hellingen, waterstromen en wind. Opvallend is de aanwezigheid van het getal en de wiskunde: de stappen of de treden van de trap worden berekend en geteld (wat ritmes uitlokt). De dichter past op zijn tellen. Het gaat van 1 tot 10 en van 10 tot 1. Met andere woorden: het beginpunt en het eindpunt vallen samen en vormt een ‘penpunt’ zoals de titel van een gedicht luidt. De beweging die wordt uitgevoerd is een ‘monnikengang’, een cirkelbeweging die de dichter een ‘cirkeldans’ noemt (meer dan eens wordt er in deze bundel gedanst): ‘beweging in de cirkel van zichzelf’. Die beweging is paradoxaal genoeg een soort stilstand. (De dichter maakt altijd dezelfde rondjes en dit gaat hem niet vervelen want we weten het al: hij zoekt ‘het unieke in altijd hetzelfde’). De dichter geeft het zelf toe: hij ‘komt geen centimeter vooruit’, hij komt op zijn stappen terug. Een soort Sisyphuswerk: hij stapt ‘tot bovenaan de berg/begint van voren af aan’. In de laatste regel van zijn beroemde essay omschrijft Camus Sisyphus als een gelukkig iemand (‘Il faut imaginer Sisyphe heureux’). (Zag hij het unieke in altijd hetzelfde?) De beweging heeft met volharding, dwarsheid, eigengereidheid en uitdaging te maken:

‘doorstappen tegen storm en liefde in

gaan voor een dwars bestaan’.

Zoals eerder gezegd laat de beweging zich situeren in de buurt van de ‘rand: ‘stappen naar de rand van de flank’. De ‘rand’ is een essentieel motief in de bundel. De dichter bevindt zich al schrijvend en vanuit zijn stoel aan een rand en is zich bewust van de mentale risico’s:

‘balancerend tussen ontstaan en vergaan
levend op de richelrand van zijn stoel’

Wat bevindt er zich aan de rand? De buitenkant van de regels van het gedicht?

‘de mist dikt aan, hij stapt regel
na regel naar de richelrand: ’

Het zijn de eindregels uit het gedicht ‘recyclage’. Let op het effect van de dubbele punt! Het gedicht glijdt af (gaat op) in het wit, het onuitsprekelijke, de leegte (of zou het de volheid zijn?).

Zeker deze bundel vergt een aandachtige lezing. Wat niet betekent dat hij harteloos zou zijn.         Zo lezen we enkele gevoelige en transparante gedichten met een eerder confessioneel karakter die de kindertijd evoceren en die voor veel lezers herkenbaar zullen zijn.

De herinnering is een belangrijk onderdeel van de ‘verstrengeling’. De verleden tijd behoort tot de ‘levende archeologie van zijn jeugd’, ‘verleden wortelt ondiep in zwarte aarde’. Het kind was tot verwondering in staat, had oog voor het alledaagse. Al valt het woord ‘verwondering’ niet: her en der lezen we de speelse taal van de evidente verwondering. Het kind heerst: 

‘het kind speelt spel en speelmeester
een verrassend vanzelfsprekend zelf
denkt zich verloren in verzonnen parcours’.

Vooral in de reeks ‘Gedachtenis’ lezen we evocaties van die kinder- en jeugdherinneringen. Maar ze duiken ook elders op. Een voorbeeld van het fijne soort poëzie dat het oplevert, plaats ik onderaan deze recensie. Al weet ik niet zeker over wie of over wat het gaat.  Wie is die ‘we’? Denkt iemand aan zijn kindertijd of gaat het over de herinnering aan een kind? Of is ook hier sprake van verstrengeling? De versluierde melancholie van dit gedicht sprak me meteen aan. 

Met ‘Verstrengelingen’ levert Jan M. Meier een schitterend werkstuk af. Een hoogtepunt in zijn tot nog toe gepubliceerde werk. Hij heeft het dichtersvak goed in de vingers zitten. Hij weet de lezer erbij te houden. Hij weet te spreken in naam van de poëzie. 

© AlainDelmotte

Verstrengelingen – Jan M. MeierLeuven uitgeverij P, 2024 – ISBN 978-94-64757-38-5 

TROOSTBOOT

ik zie je nog met schepje in het zand
hoe eenvoudig leven: zon, handdoek, strand en zee
de fijne mist van oneindigheid die alles doordrenkt

zo simpel en licht kan het nooit meer
iedereen bouwt een eigen blokkentoren
hoe hoger hoe minder nog mogelijk

ik zit op de bank bij het strand
wisseling van zon, wolken en westenwind
even glijdt alles in een goede plooi

denk ik aan jou zonder storm van pijn
alsof de bank een boot van troost
voor mezelf en de medepassagiers

we dobberen, zakken weg in het schuim
van zee, wind, zand en zout
je knijpt in mijn hand, zo is het goed

© Jan M. Meier




zaterdag 17 februari 2024

Drie gedichten uit 'Verstrengelingen' - Jan M. Meier

koel verdriet


er krioelen mieren in zijn kop
ze kleuren zijn wangen rood
trekken lenig langs aders heen en weer
proberen uit te breken op zijn rug

stichten puistige kolonies op gladde huid
hij voelt hoe hij braadt als gek
ligt gezalfd en verbonden te bekomen
een babyreus gebakerd in het grote bed

nu houden ze zich gedeisd
morgen verkennen ze zijn voeten
trekken voren op zijn zolen, zoeken
voedsel tussen tenen en onder nagels

zijn huid pokdalig, zijn borst
een korstig stoppelveld na de maisoogst
sprietige haarplukken schieten als grijze
grashalmen uit verbrokkelde kluiten

hij wisselt ijsbad voor hete douche
ze trekken diep terug in sluimerslaap
hij vreest elk seizoen behalve de winter
rolt als een peuter over sneeuw en ijs

de vreugde van koel verdriet 


© Jan M. Meier


droomlichaam


het is een verhaal van schaal
verandering van toestand
als water in ijs, regendruppels in sneeuw

het is schuiven en glijden
van onzichtbaar tot reusachtig
van dorpel tot dorp tot stad

van quark tot tektonische plaat
van lichaam tot hemellichaam
sterrenstelsel tot melkweg

alleen in dromen vermengen schalen
rekken uit voorbij enige realiteit
verbaasd dat zijn vingertoppen ogen hebben

verrukt over hun sierlijke wimpers
hoe fijnharige tentakels een route aftasten
hij mist zijn nagels geen ogenblik

alles verandert nu een sensitieve
vloedgolf waarneming overspoelt
zijn hoofd begint uit te zetten

zwelt zodat hij haast
van lichtheid zweeft
zijn lichaam krimpt

meer en meer hoofd en handen
continu op zoek doorheen de wereld-
bibliotheek onder zijn vingers

wakker geschrokken
betast hij zijn hoofd
voelt geen verschil

vingertoppen glad en blind

© Jan M. Meier


drie passen terug


letters uitgelegd op het bord
geven een profetie prijs
ze haperen in de huig
als haringen aan een touw
happend naar lucht

er zit niets aan het koord
dan de open haak van waarheid
tover in pure leegte
het ontbreken verrast en ontgoochelt
maakt onbegrijpelijk rustig

het toeval heeft geen belang
altijd wel een zinnebeeldig bord
een spel om je in de boot te nemen
te verdrinken in droom na droom
als je leeft ga je naar de volgende ronde

een bocht toont een andere weg
de lijnen in je hand laten zich
lezen als een nieuw testament
een scheur in het toneeldoek
onthult het oog van de gluurder

ga nu drie passen terug

© Jan M. Meier


Op zaterdag 9/3/2024 wordt in Drongen in de grote zaal van het Landgoed
de campagne om 15:30 u  de nieuwe dubbelbundel "Verstrengelingen"  van Jan M. Meier voorgesteld.

Het programma:
Bart Stouten leidt in en interviewt de dichter
Jan M. Meier en Diane Rutgheers lezen voor
Niels Poppe speelt op handpan

'Verstrengelingen' bestaat uit de bundels 'Taalslag' en 'Verstrengelingen'

Jan M. Meier op PoëzieCentraal 
Poëzie van Jan M. Meier
Alle info over de voorstelling





vrijdag 16 februari 2024

Drie gedichten uit 'Taalslag'-Jan M. Meier

blazoen


ze dwarrelen aan parachutes
drijven lijk zaaddoosjes het beeld in
de tros op een kermiskraam die net
voor zijn hand de lucht in gaat

niet voorspelbaar hoe ze opduiken
welke gedaante ze aannemen
gepantserd beest met blinkend gebit
glad gewalste steen kaatsend op water
 
hij grijpt naar lettergrepen in gruis
de as van nog smeulend vuur
het kleingeld in zijn zakken
en wat in het raam voorbij waait

hij gebruikt wat ieder ander achteloos
achterlaat, bouwt een luchtkasteel
uit sleetse term en gevallen letter
poetst uit puin, manco en gemis

een blazoen, ziel van zijn bestaan

© Jan M. Meier



leidraad


kunst is de witte hitte
van klinkers zo te koelen
dat ze uit te spreken zijn
als heldere parels rollen van de tong

op vingertoppen van groen geduld
wachten op wie wint
dauw nog op de gespannen woordhuid
het sap proef op de tong

bereken niet de dagschade
maar het lichtgewicht van dauwklank
bijt tanden niet stuk op wraak en wrevel
schommel op wat los laat

tuimel, duik en keer om
leen de blinde een hand
de goedgelovige dove een oor
de vrouw je dwaze droom


© Jan M. Meier


inktveeg


een sloep op nachtzee
insect in een halve okkernoot
hij hoort gelach in de golfslag
het onstuimige schuim van een droom

hij draait onder dubbeldeken van dons en wol
zoekt een wak om in diepte te verdwijnen
vindt opening in slaap, de wekker op vier bevroren
het moment van roerloos evenwicht

tussen gaande en kerende strandgolf
milliseconden tussen het klikken
van de klok, alsof tij zich
in het eigen mechaniekje verslikt

hij vaart over verticale lijnen
loodrecht op de richel van de horizon
spreekt zacht tegen de stroom in
schildert tekens voorbij de kantlijn

vloeit uit in paarse vegen inkt

© Jan M. Meier


Op zaterdag 9/3/2024 wordt in Drongen in de grote zaal van het Landgoed
de campagne om 15:30 u  de nieuwe dubbelbundel "Verstrengelingen"  van Jan M. Meier voorgesteld.

Het programma:
Bart Stouten leidt in en interviewt de dichter
Jan M. Meier en Diane Rutgheers lezen voor
Niels Poppe speelt op handpan

'Verstrengelingen' bestaat uit de bundels 'Taalslag' en 'Verstrengelingen'

Jan M. Meier op PoëzieCentraal 
Poëzie van Jan M. Meier
Alle info over de voorstelling