Posts tonen met het label Pieter Drift. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Pieter Drift. Alle posts tonen

donderdag 2 juli 2026

Everybody hurts - Pieter Drift

Pieter Drift: "Growing Head"-2025

Everybody hurts 

Er zijn nu drie dagen voorbij. Het is stil in huis sinds jij weg bent. Hoeveel van de lucht in dit huis heb jij nog in je longen gehad? Ik houd de deuren van de slaapkamer angstvallig dicht in de hoop nog iets van je binnen te krijgen als ik slaap. Afgelopen nacht kwam je weer langs. Je zat op me en boog over me heen. Je zag me in je hemdje kijken en moest er om glimlachen. De hals was wijd en ik zag je borsten vrij hangen. Mijn handen stopte ik onder het hemdje maar toen verdween alles. Alsof je uit lucht was opgebouwd.

‘Je weet toch wel dat ik voor jou dood ben,’ zei je. Toen bleef het stil. Ik werd wakker dus ik moet geslapen hebben.

Everybody hurts klinkt door het huis. Als het niet zo treurig was, had ik het misschien mooi gevonden. Het nummer staat al dagen op repeat. Dit zette je op toen je me zei dat je bij me wegging. Ik heb het nog niet aangedurfd om  andere muziek op te zetten.

Zelden ontwikkelt een mens zich echt. We zijn dat steentje dat over het water keilt. In het begin grote sprongen, maar al snel kleinere sprongen tot je naar de bodem zinkt. Het stelt allemaal niet zo veel voor. Karakters in verhalen moeten zich psychologisch ontwikkelen, zegt men. Bij mij gebeurt dat amper. De personen blijven dezelfde omdat ik denk dat het zo is. Natuurlijk verandert een mens, maar niet omhoog. Tussen je vijftiende en vijfentwintigste moet je een beetje uitharden, maar daarna moet je het doen met wat je bent. Geen karakterontwikkeling meer. Je leert wat bij, maar vergeet weer andere zaken.

Don't let yourself go ‘cause everybody cries
Everybody hurts sometimes

Je had de elpee uit de hoes gehaald en legde hem op de draaitafel. Ik denk dat je hem al twintig jaar niet meer gedraaid had. R.E.M. was een band uit onze begintijd. We dachten dat onze liefde alleen maar groter zou worden.

Je neuriede zachtjes mee met het eerste nummer. ‘Ik houd van deze elpee.’

‘Vinyl.’ Ik wist niet waarom ik dat zei, want vroeger noemen we het allemaal een elpee. Er was niets mis met het woord, maar ik kon het niet laten. Op jouw gezicht zag ik de vermoeidheid die ik de laatste tijd steeds vaker zag.

‘Waarom?’

Ik begreep de vraag niet.

Nobody tells you where to go, baby

Jouw gevoel voor dramaturgie was altijd al perfect. Uit het tweede nummer zong je alleen de regels

I will try not to breathe
This decision is mine

De rest liet je voorbij gaan. Toen kwam Everybody hurts. Je pakte mijn handen alsof je gewacht had op dit nummer. Je keek me aan en zei dat je wegging. Ik stootte een lachje uit, maar je ogen bleven serieus.

‘Ik ga echt weg,’ zei je. ‘Je hebt me te veel pijn gedaan.’

Ik liep naar de draaitafel, haalde de naald van het vinyl, nam het vinyl tussen duim en wijsvinger en sloeg het stuk op de tafel. Je leek niet eens verbaasd. Uit je zak haalde je je telefoon en zette op Spotify Everybody hurts opnieuw op.

‘Ik wist al dat je dit zou doen. Altijd hetzelfde liedje.’’

Je draaide je om en liep naar de slaapkamer. Daar kwam je uit terug met twee koffers.

‘Ik ga.’

Nu zijn er drie dagen voorbij. De gebroken elpee heb ik op tafel gelegd. Vanaf nu zal ik een langspeelplaat geen vinyl meer noemen maar dat mag niet baten. Jij bent weg en ik weet waarom.

Sometimes everything is wrong
Now it's time to sing along


© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 


donderdag 8 januari 2026

De Stok - Pieter Drift

Pieter Drift: "Hoop, vol berg en angst"


De stok

    ‘Volgens mij liepen ze die kant op.’ De jongen wees richting de bergen.

    ‘Renden ze of liepen ze?’

Hij dacht even na. ‘Iets er tussenin. Het tempo lag hoog maar ze renden niet.’

    ‘Hadden ze veel spullen bij zich?’

Er kwam een kleine glimlach op het gezicht van de jongen. ‘U wilt wel veel weten.’

Uit mijn binnenzak haalde ik een briefje van tien en frommelde dat in zijn hand. Direct verdweenhet in zijn broekzak.

    ‘Alle drie hadden ze een tas bij zich. De vrouw droeg twee tassen. Eentje op haar rug en de ander in de hand.’

    ‘Weet je zeker dat het er drie waren?’

    ‘Tuurlijk. Ik kan zelfs tot twintig tellen.’

    Ik haalde uit mijn andere zak nog een tientje en gaf dat ook aan hem.

    ‘Dank u hartelijk. Eeuwig zal ik u dankbaar blijven.’

Ik stak over. Aan de andere kant van de bergen lag een groot meer. Misschien hadden ze wel een boot geregeld die hen naar de overkant zou brengen. Nog één keer draaide ik me om. De jongen keek nog steeds naar mij. Hij stak zijn hand op. Ik zwaaide terug en liep verder. Eergisteren had ik ze voor het laatst gezien. Myrna met haar drie kinderen. Eentje was er nu niet meer bij. Gisterenochtend werd ik wakker en zag dat ze verdwenen waren. Snel wilde ik mijn telefoon pakken om ze via Zoek mijn iPhone te vinden, maar toen merkte ik dat ze mijn mobiel hadden meegenomen. Ik stond op en vroeg in het dorp rond of iemand een vrouw met drie kinderen had zien weggaan maar niemand had iets gemerkt. Iedereen beweerde de hele nacht geslapen te
hebben.


Ik besloot richting de bergen te lopen, want daar gingen de meesten heen. Iedereen kopieert elkaar. Ooit las ik van een brand in een tunnel op een berg. Het vuur begon op twee derde van de tunnel en kroop omhoog. Bijna alle mensen renden naar boven en stierven door verstikking, maar een paar mensen doken door het vuur naar beneden en overleefden de brand. Soms moet je het gevaar in om het te overwinnen. Mensen hebben niet veel originele gedachten. Iedereen is een copycat. Voor Myrna ben ik het vuur onder haar, niet haar dood. Het enige wat ik kon doen was naar boven lopen. Achter de bergen zou het antwoord liggen.

    ‘Wat doet u hier? Wie bent u?’ hoorde ik achter me. Ik draaide me om en zag de oudste dochter staan met een grote stok in haar hand.

    ‘Je weet wie ik ben,’ zei ik. ‘Ik ben gevraagd om jullie terug te brengen.’

    ‘Waarom?’

    ‘Daar word ik voor betaald. Uiteindelijk draait alles om geld.’

    ‘Geld is geweld zonder we. Het enige wat wij hebben is we.’

    ‘Dus jij was achtergebleven? Ik vroeg het me al af hoe het zat.’

Ze knikte langzaam. Ik zette een stap in haar richting. De stok ging iets verder omhoog.

    ‘De kans dat hier iemand doodgaat wordt steeds groter,’ zei ze. ‘Ik ben niet bang.’

    ‘Inge heet je toch?’ Ik deed een stap terug. Waar is je moeder?’

Ze bewoog niet en zei niets. Waarschijnlijk hoopte ze zo tijd te winnen.

    ‘Aan de andere kant van de berg worden jullie opgewacht.’

Ze hield de stok als een speer voor zich. Met een verbeten blik keek ze me aan.

    ‘Daarbuiten is het te gevaarlijk.’

    ‘Bij jullie is het lekker veilig,’ snauwde ze me toe.

Niemand was hier ooit vandaan gekomen. Ze keerden terug naar het kamp of gingen dood. Een andere mogelijkheid was er niet. Dit alles kon ik haar wel zeggen maar ze zou me niet geloven. Zeg tegen een soldaat dat hij waarschijnlijk de eerste zal zijn die zal sterven op het slagveld en hij zal je uitlachen. We blijven onsterfelijk tot we sterven. Ik ging op de grond zitten.

‘Zullen we praten?’ vroeg ik. Met mijn vingers speelde ik met wat steentjes op de grond. Heel even lette ik niet op. De stok kwam hard tegen mijn linkeroor. De klap was hard. Iets kraakte. Met mijn handen probeerde ik mijn gezicht te beschermen. Toen sloeg ze nogmaals op mijn hoofd.

    Het werd al donker toen ik wakker werd. De zijkant van mijn hoofd    voelde plakkerig aan maar het bloeden was gestopt. Voor mijn voeten lag de stok. Ik raapte hem op. Er zat een barst in. Met moeite kwam ik overeind. Het enige wat ik kon doen was verder omhoog lopen.

    Vanaf de top van de berg keek ik naar beneden. Op het strand lagen drie lichamen in vreemde houdingen. Zoals ik Inge had gezegd, waren ze daar opgewacht. Zij schoten eerst terwijl ik ze alleen maar zou hebben teruggebracht. Ik tuurde in de verte en meende iets te zien bewegen. Zachtjes betastte ik mijn wond. Als ik alleen zou terugkeren in het kamp, zou ik straf krijgen. Voor Inge zou er een klopjacht worden georganiseerd. Ik draaide me om en besloot alleen terug te gaan. Een andere route kon ik niet bedenken.

© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 

woensdag 30 april 2025

Halverwege het zebrapad - Pieter Drift

The Road-© Pieter Drift

Halverwege het zebrapad

 
Halverwege het zebrapad staat Melchior stil op het middelste witte blok. Hij wacht op wat komen gaat. Het snelle klikken van het voetvangerslicht vertraagt. Zijn gezicht naar beneden gericht, ogen gesloten. Als ze zouden willen, kunnen ze langs me rijden, denkt hij. Iemand achterin de rij auto’s begint te toeteren.

‘Meneer,’ hoort Melchior. ‘Kunt u een beetje doorlopen?’

Hij doet net alsof hij het niet hoort. Woorden doen hem niets meer. Alles draait om daden.

‘Meneer.’ Opnieuw dezelfde stem. ‘Kunt u een paar stapjes zetten zodat iedereen weer door kan?’

De toon is niet onvriendelijk. Hij voelt dat iemand hem bij de arm pakt en meeneemt. De neiging om tegenwicht te bieden laat hij varen. Hij wachtte op daden en dit is er eentje. Eigenlijk had hij hardhandigheid verwacht. Nog meer getoeter. Iemand roept uit zijn autoraampje: ‘Kunnen die ouwe mensen niet gewoon doodgaan?’

Melchior kijkt Maria aan. ‘Zullen we nog even blijven staan?’

‘Jij wilt echt graag dood hè?’ vraagt ze.

Melchior begint te grinniken. Samen lopen ze naar de overkant. Twee auto’s kunnen erdoor, maar daarna is het verkeerslicht weer op rood gesprongen. Maria laat hem los en hij wil zich direct weer omdraaien, maar zij houdt hem tegen.

‘Niet doen,’ fluistert ze. ‘Mensen zijn tegenwoordig niet meer zo aardig.’

‘Was dat vroeger dan anders?’ vraagt Melchior.

‘Wat ben u van plan?’ De vraag klinkt gemeend.

‘Kijken wat er gaat gebeuren.’

‘Wat denkt u? Mensen worden boos.’

De vrouw pakt hem bij de hand en begeleidt hem naar het eerste terras dat ze tegenkomen.

‘Wilt u een kopje koffie?’ vraagt Maria.

‘Graag.’

Ze bestelt twee koppen koffie. Melchior wacht op wat komen gaat. Als de koffie voor hem is neergezet, wil hij direct het koekje pakken. Maria legt haar hand op zijn hand.

‘Heeft u last van etalagebenen?’

Melchior schudt zijn hoofd. ‘Nee, ik wilde echt weten wat er zou gebeuren…’

Maria pakt het koekje uit zijn hand en stopt het in een keer in haar mond.

‘…en toen verstoorde ik het,’ zei ze met volle mond.

‘Nee hoor, maar eigenlijk wilde ik vooral weten wat de automobilisten zouden doen.’ Melchior pakt het koekje van haar schoteltje en neemt snel een hap.

‘Elke handeling heeft een consequentie.’ Hij stopt de rest van het koekje in zijn mond. ‘Zelfs als je denkt dat er niets op volgt, dan is het gebrek de consequentie.’

‘Dat is geen consequentie. het is vaak alleen maar gebrek aan stilstand. De tijd kan niet stilstaan op de wereld. Er moet wat gebeuren. Het doet er niet toe wat. Ik geloof niet in de vlinder die een orkaan veroorzaakt heeft. Alles is chaos. Zelden zijn de gevolgen logisch.’

Melchior nipt aan zijn koffie.

‘De woorden die jij tot mij richt zijn het gevolg van mijn handelen. Anders had je ze niet tegen me uitgesproken.’

Maria lacht. ‘Touché.’ Ze drinkt haar kopje leeg. Op het laatst houdt ze hem vijf centimeter boven haar mond ondersteboven. Melchior ziet nog twee druppels in haar keel vallen.

‘Niets is voor niets,’ zegt hij.

‘Of alles is voor niets,’ antwoordt ze. ‘Zullen we nu wat anders drinken?’

‘De consequentie van koffie.’ Alle twee schieten ze even in de lach.

Bijna twintig jaar waren Melchior en Henriëtte bij elkaar geweest. Nooit had hij gedacht dat hun bestaan alleen maar een kaartenhuis was geweest. Een half jaar geleden kregen ze ‘s ochtends ruzie om iets kleins. Daar was het begonnen: het einde. Hij wist niet eens meer waar het over was gegaan, maar wist nog wel dat hij begonnen was. Henriëtte was huilend het huis uitgelopen. Als hij het toen had goed gemaakt was er niets gebeurd, maar hij bleef mokkend aan de ontbijttafel zitten. Ergens was iets misgegaan, maar hij wist niet precies waar. Na een half uur besloot hij toch achter haar aan te gaan. Zijn woede was onterecht geweest en die kon hij alleen maar ongedaan maken door zijn excuus aan te bieden.

Aan het einde van de straat bij de zebra was een opstopping. Er was iets gebeurd. Melchior ging er naar toe en zag Henriëtte liggen. Ze lag er gek bij. Iets klopt niet aan haar, maar zijn hersens kregen niet het juiste antwoord tot iemand het hardop zei.

Na twee wijntjes zijn ze nog niet uitgesproken. Voor het eerst, na de dood van Henriëtte, heeft Melchior het gevoel dat hij wenst dat er nooit einde aan dit gesprek zal komen. Maria roept dezelfde warmte op als Henriëtte. Hij wil haar vertellen over die dag. De dag dat alles mis ging.

Plompverloren begint hij met de eerste woorden die aan zijn huig plakken. Wat daarachter verstopt ligt, weet hij nog niet. Hij vertrouwt op de ogen van Maria. Zij zullen hem leiden.

Als hij alles verteld heeft, pakt Maria zijn handen en kijkt hem aan. Even opent ze haar mond maar sluit hem weer. Hij hoort haar even slikken.

‘Wat gruwelijk,’ zegt ze uiteindelijk.

Melchior knikt.

Maria knijpt in zijn handen.

‘…Ik wilde testen wat er met mij zou gebeuren,’ zegt Melchior.

Melchior en Maria staan met z’n tweeën voor het voetgangerslicht. Maria had in het café voorgesteld om nog één keer, en nu met z’n tweeën, stil te gaan staan op het midden van het zebrapad. Om het af te leren. Het licht springt op groen. Maria pakt zijn hand en samen steken ze over. Halverwege stoppen ze. Ze ziet het voetgangerslicht rood worden. Melchior en Maria kijken elkaar aan en wachten op wat komen gaat.

© Pieter Drift


Over de auteur

Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 


woensdag 18 september 2024

Het Perron - Pieter Drift

Het perron

De eerste dode was mijn moeder. Ruim drie jaar na mijn geboorte liep ze de zee in zonder terug te keren. Uiteindelijk spoelde ze wel weer aan, maar in haar lijf zat weinig moeder meer. Volgens de overlevering had ze haar handen gebonden maar nooit heb ik durven vragen of het wel klopte. Alle foto’s van haar verdwenen uit zicht en haar naam werd nooit meer genoemd. Nog geen jaar later kwam Mieke bij ons wonen. Zij nam de rol van verzorger op zich, maar miste het moederinstinct. Ik kreeg eten, drinken en eens in de zoveel tijd werden mijn kleren gewassen. Ze wilde door mij geen mama genoemd worden. Mieke had alleen oog voor mijn vader en mij nam ze voor lief.

In die periode leefde ik vooral buitenshuis. Daar speelde ik met vriendjes, werd ik verliefd en merkte ik en passant dat liefde geven niet direct inhield dat je die terug zou krijgen. Irene was het mooiste meisje van de klas, maar wat ik ook probeerde, niets leek Irene op te vallen. Voor haar bestond ik gewoonweg niet. Na de eerste pijn begon ik Irene te haten, maar ook dat leek haar niet te deren.

Na de middelbare school verhuisde Irene uit ons dorp en verdween langzaam uit mijn gedachten. Toen ik jaren later de klassenfoto’s nog eens tevoorschijn haalde, zag ik niet meer wat ik zo mooi aan haar had gevonden. Ze was best knap, maar niet mooier dan andere meisjes uit mijn klas.

Na Mieke kwam Gerda. Zij wilde wel graag mama genoemd worden, maar dat zag ik toen niet zitten. Mieke had nog een mama kunnen zijn, maar Gerda niet. In het begin vergiste mijn vader zich nog wel eens en noemde Gerda Mieke. Nooit viel de naam van mijn moeder.

Vlak voordat ik twintig werd, kwam de tweede dood op bezoek. Mieke. Zij kreeg kanker en na een ziekbed van twaalf weken overleed zij schreeuwend in bed. In die laatste periode week mijn vader niet van haar zijde. Direct na de uitvaart verliet Gerda woedend mijn vader. Het leek hem niet te deren.

Een kleine maand na de begrafenis wilde ik het ouderlijk huis verlaten, maar mijn vader vroeg me nog even te blijven. Tijdens onze gesprekken tijdens het eten probeerde ik meer te weten te komen over mijn moeder, maar mijn vader kon alleen maar anekdotes vertellen over Mieke en soms over Gerda. Bij sommige verhalen die hij aan Mieke toeschreef, meende ik dat ook die over Gerda gingen, maar ik zei er niets van.

In de tijd die volgde schampte de dood alleen nog mijn leven. De moeder van een collega, de vriend van een vriend, de buurman verderop. Het was me om het even. Nooit ging ik naar de uitvaart.

Tot de derde dood.

Ik stond te wachten voor een rood voetgangerslicht toen links van me iemand voorbij rende. Niemand hield rekening met overstekende meisjes. Ze vloog door de lucht. De remmende auto kwam op haar tot stilstand. Nachtenlang spookte het vliegende meisje door mijn hoofd tot ze langzaam vervaagde. Later, in onrustige periodes, kwam zij terug.

Na haar vielen de andere doden mee. Eerst gingen alle grootouders. Ze waren oud, gelovig en klaar met leven. Gevolgd door mijn vader. Met berusting zag hij het einde tegemoet. Hij zei dat hij wachtte op de laatste trein. In de laatste dagen probeerde ik nog wat over mijn moeder los te krijgen, maar het leek alsof zij al uit zijn vaders geheugen verdwenen was. De laatste levensdag van mijn vader wachtte ik tevergeefs op zijn laatste woorden. Natuurlijk zijn ze er geweest, maar ik heb ze niet als zodanig herkend.

De nacht na zijn sterven kwam het vliegende meisje weer terug. Steeds opnieuw stuiterde het lichaam op het asfalt en een fractie later verbrijzelde een autoband haar hoofd.

Dit gewelddadige sterven vond ik moeilijker dan het gemis van al mijn naasten. Na mijn vader bleef ik alleen. Ik zag niet in welk nut het zou kunnen hebben om het leven met iemand anders te delen. Uiteindelijk zou een van de twee doodgaan en dan begon het weer opnieuw. Ik kende een man die drie keer weduwnaar was geworden en dat leek me gruwelijk.

Vijf jaar na de dood van mijn vader hoorde ik van een oud klasgenoot dat Irene was verongelukt. Ze had buiten de piste geskied en was onder een lawine terechtgekomen. Na drie maanden in coma  te hebben gelegen, overleed ze zonder nog wakker te worden. Ergens voelde ik gerechtigheid. Zonder mij was er voor haar geen lang leven beschoren. Ik ken nu meer doden dan levenden. Soms ga ik in het park zitten en begin ik tegen een wildvreemde te praten over wat ik in mijn leven heb meegemaakt, maar nooit wordt er geluisterd. Iedereen leeft nu eenmaal in zijn eigen periode. Het leven is een perron. Als je jong sterft, zijn tijdruimte en bestaan nog niet ontkoppeld. Waar blijft nou die laatste trein?

© Pieter Drift


Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 

 

Pieter Drift: Geschapen uit het zoete donker