Posts tonen met het label Kortverhaal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Kortverhaal. Alle posts tonen

dinsdag 1 september 2026

Het vitrinekastje - Lieven Vandekerckhove

Het vitrinekastje

Het witgelakte vitrinekastje is niet hoger en niet breder dan vijfentwintig centimeter. Het is ongeveer vijf centimeter diep, en de plankjes waarmee het is samengesteld, zijn ongeveer twee centimeter dik. Vrij veel hout dus, waardoor het kastje vrij zwaar is en stabiel staat. Binnenin is tegen de wijnrode rug een sneeuwwitte passe-partout geplaatst, die als een geopend venster mooi ruimte laat voor de felle achterliggende kleur.                                                                             
Ik heb dat ding gekocht op een markt voor hobbykunstenaars als verjaardagsgeschenk voor Lode, mijn tweelingbroer. Immers, tegen de rode rug heeft de schepper van het werkje het gebombeerde restant van een gebroken eierschaal gekleefd, waaruit de plastic kopjes van twee lachende borelingen tevoorschijn komen. Kwamen ze niet uit het ei gekropen, ik had er de twee oude mannekes uit de Muppet Show in gezien. Maar de figuurtjes in het vitrinekastje staan niet voor twee sarcastische ouderlingen die op alles en nog wat mekkeren, ze staan voor het leven zelf van twee broertjes die vol verwachting samen het leven zijn binnengestapt. De kopjes zijn identiek, ze hebben dezelfde grote oren en eenzelfde kleine bolletje dat hun neusje voorstelt; en onder hun neusje laat eenzelfde rode streepje de twee baby’s lachen van blijdschap, nu ze eindelijk uitgebroed zijn. Dat kan nog niet lang geleden gebeurd zijn, want bij beiden kleeft nog een stukje van de eierschaal op het hoofd. Boven de tweeling fladderen twee spierwitte plastic duifjes, in de lucht geworpen om het feestelijk gebeuren kracht bij te zetten.  Links van de rode doorkijk staat op de witte passe-partout in potlood de handtekening van de kunstenaar, onleesbaar zoals de handtekening van een kunstenaar moet zijn. Onder het venster lees ik, eveneens in potlood geschreven: ‘Happy Birthday’. Treffender kon in dit geval een verjaardagsgeschenk niet zijn, vond ik.                                                                                                                      
Maar hoe gaat dat met geschenken die men aankoopt lang vóór ze dienstig moeten zijn? Ze komen voorlopig in een lade terecht, in een koffer, in een kast, waar ze zelfs het risico lopen de vergetelheid in te duiken. Het presentje voor mijn broer verging het zeker niét zo. Ik had het dan wel gekocht lang vóór zijn verjaardag, maar het domweg vergeten op die dag kon in principe niet, want juist om dat te voorkomen – en er ook zelf een beetje van te genieten - had ik het op mijn buffetkast geplaatst, van waarop ik elke morgen door de net verloste tweeling lachend begroet werd. Maar goed dat er geen geluidsopname in verwerkt werd.                                          

Helaas, toen onze gemeenschappelijke verjaardag aanbrak, waren we onvoorzien zo ver van elkaar verwijderd, dat het contact van lieverlee beperkt bleef tot een telefonische uitwisseling van gelukwensen - zonder veel poespas, zoals dat gaat bij mannen die elkaars binnenste binnen sinds jaar en dag kennen, en het met sentimenten graag kort houden. Dus bleef de plastic tweeling vooralsnog op mijn buffetkast staan wachten op de volgende verjaardag. Want er weken, laat staan maanden later mee komen aandraven vond ik nu ook niet bepaald de juiste manier van doen, ik hou niet van mosterd na de maaltijd. En er bij een andere feestelijke gelegenheid mee uitpakken is nóg zinlozer: een geschenk dat zo exclusief als verjaardagsgeschenk in de verkoop gezet was, kon bezwaarlijk als kerst- of nieuwjaarsgeschenk dienen - gegeven dat we tegen elke verwachting in elkaar in de kersttijd met een geschenk zouden verrassen. Ik zou dus maar beter mijn ongeduld nog een jaar langer verbijten.                 

Maar ook met dat plan liep het weer mis. Die ‘volgende verjaardag’ was niet alleen – zoals steeds - ook mijn verjaardag, het was daarnaast ook voor beiden een ronde verjaardag: een verjaardag die maar om de vijf jaar gevierd wordt. Daar had ik natuurlijk zelf geen schuld aan, en mijn broer ook niet, maar die samenhang was er wel verantwoordelijk voor dat ik ook die keer niet met mijn presentje naar Lode kon afzakken om het hem ‘op het juiste moment’ te schenken. Mijn eigen familiale aanhang had immers thuis enig feestgedoe geprogrammeerd, waardoor er voor een bezoek aan mijn broer geen ruimte was. Dus bleef het vitrinekastje weer eens staan waar het nu al zo lang was blijven staan.

Les excuses sont faits pour ’s en server
, n’est-ce pas? Dat zich maar één keer per jaar de juiste gelegenheid voordeed om met dat kastje te doen waarvoor ik het gekocht had, was een aanvaardbaar excuus om er zelf al die tijd van te genieten. Op de duur vond ik het zelfs alleen nog maar een beetje vervelend dat mijn attentie de oorspronkelijke bestemmeling niet bereikte. Hoe langer dat kastje bij mij thuis bleef staan, hoe méér de urgentie leek af te zwakken om het daadwerkelijk ook te geven aan het feestvarken voor wie het oorspronkelijk bedoeld was. Maar dit jaar was er plots wél haast bij. Lode was ziek, ernstig ziek, en het was zelfs de vraag of hem nog een verjaardag gegund was. We bezochten hem enkele keren, telkens bang afwachtend hoe we hem zouden aantreffen. Ik kon het niet helpen dat vóór we de rit begonnen, mijn blik iedere keer op het vitrinekastje viel waarin de plastic tweeling lachend tegen het leven aankeek. Maar twijfel overviel me. Of het überhaupt nog zinvol was dit mee te nemen? En bovenal knaagde de wroeging, hem dat plezier niet te hebben gedaan op een moment dat hij er nog kon om lachen. Maar die kans was verkeken, het lachen was hem vergaan – uitgerekend hij, die moppen tappend door het leven was gegaan.                                       

Zijn verjaardag haalde hij nog - de laatste, dat wist hij, dat wisten we allen. Hij zat aan tafel toen we toekwamen voor een feestje in mineur. Zijn ogen waren glazig. Een slangetje dat zich splitste onder zijn neus voerde vanuit een apparaat dat centraal in de woning stond opgesteld zuurstof naar zijn longen. De lange plastic slang die de zuurstof aanvoerde, krulde van onder zijn stoel naar de machine waaraan zijn leven vasthing. Toen ik al een poosje naast hem zat, haalde ik het vitrinekastje boven en plaatste het opzij van het bord dat vóór hem stond. Ik wist niet wat ik kon zeggen. Hij bekeek het kastje, en zweeg eveneens. Hij legde zijn hand op de mijne, ik voelde al zijn warmte, de warmte die hij zijn hele leven had uitgestraald. Ook deze keer kon hij niet uitspreken wat hij voelde, dat had hij nooit gekund. Maar hij toonde het, met dat simpele gebaar waartoe hij nog in staat was. Zelfs dat verraste me, want ik had hem als volwassen man nooit ofte nooit zijn diepste gevoelens zien uitdrukken, op welke wijze dan ook. Hij kon het niet, ook niet wanneer hem pijn werd gedaan, wat vaak is gebeurd, té vaak. Als kleine jongen reeds was hij constant op onbegrip gebotst omdat de wereld zijn onrust niet begreep. Hij heeft zijn leven lang veel moeten incasseren. Nog immer word ik opstandig als ik eraan denk dat zelfs een zielenknijper naar wie ze hem hadden meegenomen, hem ooit de mantel had uitgeveegd in plaats van hem te helpen. Zelfs Sinterklaas, die 'grote kindervriend', heeft hem ooit pijn gedaan, verschrikkelijk pijn gedaan, toen de heilige man op 6 december van het jaar stillekes alle broers met wat lekkers en wat leuks verblijdde, voor Lode echter niet méér dan een resem latjes veil had, waaraan telkens een stuk touw was vastgeknoopt. Ik vrees dat zijn onuitputtelijk gekscheren het ultieme kapitaal was waarmee hij geleerd had erkenning te kopen. En dat, terwijl hij de goedheid zelve was. Ik heb er weet van, ook al verborg hij het, hoe hij met zijn roekeloze vrijgevigheid anderen uit de brand heeft geholpen en daarmee zichzelf de das omdeed. Ja, ik kende hem. Nooit ofte nooit zou hij iemand in de steek hebben gelaten.
                                             

We zwegen. Ik besefte dat zijn reis ten einde liep, een reis die we nog vóór de geboorte samen waren begonnen, en die daarom over alle mogelijke wissels heen voor een stuk ook onze gemeenschappelijke reis geweest was. Lang was het bezoek ons niet gegund. Ondanks de zuurstoftoevoer werd het ademen hem te moeilijk, zodat professionele interventie zonder uitstel noodzakelijk werd. Toen er werd aangebeld, zocht hij met beide handen steun op de tafel, duwde zich recht, en liet zich in de rolstoel zakken die tot tegen zijn kuiten werd geschoven. Hij verliet de woonkamer zonder nog om te kijken. Buiten keek ik de ziekenwagen na die hem voor de laatste keer naar de kliniek bracht. Ik keek, en keek, en keek, tot de wagen met mijn broer daarin uit het zicht verdwenen was. Ik besefte het, hij was op weg naar het eindstation. Een immense droefheid kreeg mij in de greep, mijn ziel werd in twee gesneden, messcherp.            

Het vitrinekastje is terug bij mij beland, mijn neef zegde dat het mij toekwam. Het staat dus weer op de zwarte buffetkast, van waarop de plastic tweeling mij elke morgen toelacht. Het zal wel kitsch zijn, zeker? Allicht is het dat. Dierbare kitsch.     

© Lieven Vandekerckhove
Uit het typoscript “Eerst koffie, dan de waarheid” van
Lieven Vandekerckhove.

De auteur schreef eerder de bundels kortverhalen en cursiefjes: In schuinschrift (2019), Van A tot Z, of toch bijna (2022) en Koorddansen (2024).



 

donderdag 2 juli 2026

Everybody hurts - Pieter Drift

Pieter Drift: "Growing Head"-2025

Everybody hurts 

Er zijn nu drie dagen voorbij. Het is stil in huis sinds jij weg bent. Hoeveel van de lucht in dit huis heb jij nog in je longen gehad? Ik houd de deuren van de slaapkamer angstvallig dicht in de hoop nog iets van je binnen te krijgen als ik slaap. Afgelopen nacht kwam je weer langs. Je zat op me en boog over me heen. Je zag me in je hemdje kijken en moest er om glimlachen. De hals was wijd en ik zag je borsten vrij hangen. Mijn handen stopte ik onder het hemdje maar toen verdween alles. Alsof je uit lucht was opgebouwd.

‘Je weet toch wel dat ik voor jou dood ben,’ zei je. Toen bleef het stil. Ik werd wakker dus ik moet geslapen hebben.

Everybody hurts klinkt door het huis. Als het niet zo treurig was, had ik het misschien mooi gevonden. Het nummer staat al dagen op repeat. Dit zette je op toen je me zei dat je bij me wegging. Ik heb het nog niet aangedurfd om  andere muziek op te zetten.

Zelden ontwikkelt een mens zich echt. We zijn dat steentje dat over het water keilt. In het begin grote sprongen, maar al snel kleinere sprongen tot je naar de bodem zinkt. Het stelt allemaal niet zo veel voor. Karakters in verhalen moeten zich psychologisch ontwikkelen, zegt men. Bij mij gebeurt dat amper. De personen blijven dezelfde omdat ik denk dat het zo is. Natuurlijk verandert een mens, maar niet omhoog. Tussen je vijftiende en vijfentwintigste moet je een beetje uitharden, maar daarna moet je het doen met wat je bent. Geen karakterontwikkeling meer. Je leert wat bij, maar vergeet weer andere zaken.

Don't let yourself go ‘cause everybody cries
Everybody hurts sometimes

Je had de elpee uit de hoes gehaald en legde hem op de draaitafel. Ik denk dat je hem al twintig jaar niet meer gedraaid had. R.E.M. was een band uit onze begintijd. We dachten dat onze liefde alleen maar groter zou worden.

Je neuriede zachtjes mee met het eerste nummer. ‘Ik houd van deze elpee.’

‘Vinyl.’ Ik wist niet waarom ik dat zei, want vroeger noemen we het allemaal een elpee. Er was niets mis met het woord, maar ik kon het niet laten. Op jouw gezicht zag ik de vermoeidheid die ik de laatste tijd steeds vaker zag.

‘Waarom?’

Ik begreep de vraag niet.

Nobody tells you where to go, baby

Jouw gevoel voor dramaturgie was altijd al perfect. Uit het tweede nummer zong je alleen de regels

I will try not to breathe
This decision is mine

De rest liet je voorbij gaan. Toen kwam Everybody hurts. Je pakte mijn handen alsof je gewacht had op dit nummer. Je keek me aan en zei dat je wegging. Ik stootte een lachje uit, maar je ogen bleven serieus.

‘Ik ga echt weg,’ zei je. ‘Je hebt me te veel pijn gedaan.’

Ik liep naar de draaitafel, haalde de naald van het vinyl, nam het vinyl tussen duim en wijsvinger en sloeg het stuk op de tafel. Je leek niet eens verbaasd. Uit je zak haalde je je telefoon en zette op Spotify Everybody hurts opnieuw op.

‘Ik wist al dat je dit zou doen. Altijd hetzelfde liedje.’’

Je draaide je om en liep naar de slaapkamer. Daar kwam je uit terug met twee koffers.

‘Ik ga.’

Nu zijn er drie dagen voorbij. De gebroken elpee heb ik op tafel gelegd. Vanaf nu zal ik een langspeelplaat geen vinyl meer noemen maar dat mag niet baten. Jij bent weg en ik weet waarom.

Sometimes everything is wrong
Now it's time to sing along


© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 


donderdag 18 juni 2026

De ooievaar - Lieven Vandekerckhove

De ooievaar

Bernd en Christa wonen in een groot huis op een groot stuk grond aan de oever van de Spree, in de buurt van Berlijn. Heerlijker kan een woonplek niet zijn. In de zomer brengt het weelderige groen rondom rond schaduw en koelte. In de winter verleent de sneeuw aan het oord een paradijselijke schoonheid. Aan de oever ligt het bootje aangemeerd waarmee het paar op zomerse dagen ontspanning zoekt op het water. ´s Winters gaan ze uren wandelen met de vier honden - besneeuwde wandelwegen lopen er in alle richtingen.

Beiden zijn hartstochtelijke dierenliefhebbers. Dat Christa met een dierenarts gehuwd is, zal dus wel geen toeval zijn. Zelf helpt ze weliswaar niet in de praktijk van haar man, maar op haar manier is ze intensief met dierenwelzijn begaan. In huis vliegt Bubbi, de papegaai, vrij rond. Ze heeft hem leren spreken als de beste: ‘Pappi geht zur Arbeit, und Bubbi bleibt zu Hause.’ Of mocht hij per ongeluk buiten geraken en verdwalen, dan kan hij voluit zijn personalia voorleggen: ‘Bubbi Schönbiss, am Ulmenmarkt acht.’

Maar de dierenliefde van het echtpaar komt wel op een héél bijzondere manier tot uiting. Zowat een decennium geleden heeft Bernd naast het huis een zware, lange paal laten oprichten en er met de hulp van enkele buren een klein wagenwiel op geplaatst, dat als draagvlak kon dienen voor een ooievaarsnest. Zulke nesten op een paal in de tuin of op een schoorsteen ziet men regelmatig als men het noorden van Duitsland doorkruist. Hoog boven de grond zijn de jongen veilig voor roofdieren, en is het nest daarenboven een goede uitkijkpost voor de bewoners ervan.

Al gauw werd de constructie opgemerkt door een ooievaarspaar dat, uit het zuiden teruggekeerd, op zoek was naar een broedplaats. Maar al te graag gingen de vogels in op het vriendelijk aanbod van Bernd en Christa. Takken, gras en aarde werden ingenieus tot een groot nest verbonden. Christa volgde met vreugde de vorderingen van de nieuwbouw. Tussendoor lokte ze de nieuwe buren met stukjes vis, die ze naast de paal op de grond wierp. Een tactiek die snel resultaat opleverde. Zodra de vogels haar opmerkten of hoorden dat ze hen met geklop op een plankje wenkte, vlogen ze het nest uit en landden in haar buurt. Zó vertrouwd raakte het gezelschap, dat de vogels zelfs uit Christa´s hand kwamen eten terwijl zij gehurkt de porties aanreikte.

Toen de broedtijd was aangebroken, kwam maar één van de twee dieren Christa´s diner genieten. Als zijn buikje rond was, vloog de vogel daarna met de tweede portie naar boven. Tot Christa´s verrassing was het niét vader, doch moeder ooievaar die de spijs kwam oppikken. Vader bleef rustig op de uitkijk staan, terwijl moeder vanop de eieren rechtstond en voor wat lekkers naar beneden vloog. Een bewijs te meer, lachte Christa, dat overal en altijd de vrouwelijke soortgenoten de ijverigsten zijn. Niettemin, als de eieren waren uitgebroed, en een vijfkoppige kroost het nest vulde, kweet ook vader ooievaar zich van zijn ouderlijke plichten, en hielp hij de provisie ophalen voor de kuikens.

Op een dag evenwel veranderde het vertrouwde ritueel grondig. Die morgen viel het Christa op dat moeder ooievaar zich maar traag bewoog ginder boven. Ze zag hoe de vogel voorzichtig de vleugels spreidde, een rondje vloog, en landde op het dak van het schuurtje. Ze riep naar het dier, dat na een poos dan toch naar haar toegevlogen kwam. Maar in plaats van zachtjes op de lange poten te landen, viel de vogel plomp vóór haar voeten op de grond. Daar strekte hij zich, en bleef roerloos liggen. Christa begreep niet wat er gebeurd kon zijn, ze aaide het dier lange tijd, maar kon alleen maar toezien hoe ieder leven langzaam van onder de mooie veren wegvlood.

Als Bernd erbij kwam, en de gezwollen hals van het dier zag, vermoedde hij meteen wat er mis was. Hij opende de keel en kreeg effectief bevestiging van zijn vermoeden. Klaarblijkelijk was moeder ooievaar in de omgevende weilanden haar honger gaan stillen en had daarvoor een mol gevangen. Dat doen ooievaars wel meer, net zoals ze ook kikkers en hagedissen en veldmuizen, soms zelfs hun eigen overleden kuikens opeten. Maar een mol op de spijskaart is geen goed idee. Dat wist de dierenarts uit ervaring. Een mol klemt zich immers met zijn graafpoten vast in de keel, en dat luidt de zekere, pijnlijke dood in van de vogel.

Christa was ervan aangedaan. Ze dacht aan de verschrikkelijke pijn die haar ooievaar moest geleden hebben, en streelde opnieuw de lange, witte veren. Ze kon maar moeilijk geloven dat zoiets mogelijk was, en dit dan nog met haar geliefde, mooie vogel moest gebeuren. Dan dacht ze aan vader ooievaar. Of hij het verder alleen zou aankunnen met zijn kroost van vijf?

Bernd ging in de schuur de kruiwagen en een schop halen, en legde het kreng in de laadbak. Ze bleven er nog even staan naar kijken, dan gingen ze er met z`n tweeën stilzwijgend het bos mee in.

© Lieven Vandekerckhove

Uit het nieuwe typoscript ‘Eerst koffie, dan de waarheid’ van Lieven Vandekerckhove.
Lieven publiceerde eerder de verhalen- en cursiefjesbundels:
2019: In schuinschrift
2022: Van A tot Z, of toch bijna
2024: Koorddansen

Lieven Vandekerckhove bij ‘Woordenwevers’

 


vrijdag 15 mei 2026

Overwoekerd - Benoit Van der Cruysse

Overwoekerd

Ik kijk naar de vlierbes die de schommel wurgt nu
ik het terras niet meer verlaat, naar de kettingen,
verroeste longen die hun adem inhouden.
De molshopen op het gras zijn koortsblaasjes 

die ik niet voelde komen, maar toch ligt elke ochtend
het schraapsel in de tuin. Alleen in het donker durf ik
naakt te zijn, als de dauw zich aan mijn enkelholtes
hecht. In de hoek haken twee tuinstoelen in elkaar, 

de klimop spant zijn draden. Ik ga op de drempel zitten
om te zien hoe de volgende tegel in de modder verdwijnt,
leg me uiteindelijk in de voren tot het onkruid
mijn contouren overneemt, begraaf 

mijn voeten tussen de wortels en wacht
tot ik een heuvel ben.


© Benoit Van der Cruysse 

Benoit van der Cruysse (1986) woont in Antwerpen en schrijft sinds 2025 proza en poëzie. Hij publiceert in het voorjaar van 2026 op de OptimistPapieren HeldenMeanderHet Gezeefde Gedicht en Een Twee Powezie



donderdag 14 mei 2026

On-geluk - Benoit Van der Cruysse

On-geluk
 
Je gelooft niet in heelhuids, je drinkt
uit de gebarsten mok zodat je de scherven
al vasthebt. Je mijdt de open weg, verzuimt
de afslag die volgt, het groene licht, verkeerd
rijden is nog altijd rijden – stilstand is de enige plek
waar je niet kunt vallen. Je bent de was die de brief
verzegelt, de rode korst die het binnenste bewaakt,
binnenin herschikken de letters zichzelf tot smeekbede,
dan weer tot afscheid. Je trekt de koordjes van je hoodie
aan tot je een kijkgat vormt, één oog dicht en dan traag
de straat uit, tastend langs gevels, de wereld
een foto in een doos. Ze zeggen: geluk wacht
om elke hoek. Je loopt rechtdoor en denkt:
nog even.

© Benoit Van der Cruysse 

Benoit van der Cruysse (1986) woont in Antwerpen en schrijft sinds 2025 proza en poëzie. Hij publiceert in het voorjaar van 2026 op de Optimist, Papieren Helden, Meander, Het Gezeefde Gedicht en Een Twee Powezie



woensdag 13 mei 2026

Guido Gezelle - Benoit Van der Cruysse

Guido Gezelle

Hoe zere vallen z’af, zei ik, de zieke zomerblaren. Moeder zei, zonder op te kijken: je klinkt als je vader. We zaten op groene stoelen in de gang en wachtten op de dokter. De dokter kwam en zei: een verdikking van de hartspier. Typisch, zei moeder. Mijn broer vroeg of vader uitgestrooid wilde worden in de Noordzee, of misschien liever in een kist lag. Moeder stak een sigaret op. De dokter zei: hij is niet dood, hij kan nog zeker tien jaar mee. Hij zei ook: u mag hier niet roken. 

Thuis stond vader weer in de tuin, zijn voeten in een schaaltje met water. Moeder vulde de gieter. Mijn broer begluurde het buurmeisje. Ik telde de blaren in het gras, de keren dat mijn hart oversloeg. Als ik alles bijhield, dacht ik, kon het niet verdwijnen. 

Ik dacht ook: het was mijn verjaardag gisteren.  

© Benoit Van der Cruysse 


Benoit van der Cruysse (1986) woont in Antwerpen en schrijft sinds 2025 proza en poëzie. Hij publiceert in het voorjaar van 2026 op de OptimistPapieren HeldenMeanderHet Gezeefde Gedicht en Een Twee Powezie




zondag 5 april 2026

Patroon - Steven Van Der Heyden

Patroon
Een kortverhaal van Steven Van Der Heyden

Weer zo’n dag als alle andere, waarin zijn gedachten cirkels draaiden, te stuurloos en zwak om er enige daadkracht uit te filteren. Zijn vijftigste verjaardag lag al even achter hem, maar het wat-als-gevoel dat hem die dag overmande, was blijven plakken. Het beroemde gedicht van Robert Frost indachtig vroeg hij zich af of The road not taken ook voor hem een verschil zou maken. Hoe begon je daar in godsnaam aan? Er moest altijd zoveel. Er waren verwachtingen, af te vinken lijstjes.

Jaren had hij nodig gehad om :zich los te maken van het verlengstuk dat hij voor zijn ouders geweest was. Een aaneenrijging van therapiesessies had hem behoed voor het moeras. Toch voelde hij zich soms een verrader van zijn eigen kindertijd, alsof hij nooit meer terug kon naar iets wat al lang verdwenen was. Het doek over het project dat gezin heette, was immers allang gevallen. Zijn leven zat vastgeroest, alsof hij een bij was gevangen in de foute korf: onrustig, tegen de randen botsend, nergens echt thuis.

Elke ochtend joeg hij de nacht uit zijn lakens en vond troost in de eerste kop koffie, steevast gezet met een Bialetti — the Italian way — en een cigarillo. Met elke uitgeblazen teug liet hij zijn taal nog even leeglopen zonder weerwoord. Het stille schemergebied gaf hem de illusie dat dit een dag kon worden waarin niets schuurde.

Sinds de pandemie stond hij voor de klas. Het lokaal was een toevluchtsoord geworden, al had hij de laatste tijd meer en meer het gevoel dat het hem slechts herbergde, zonder hem écht te kennen. Een toneelstuk waarin iedereen zijn rol speelde, en waarin het slechts een kwestie van tijd leek voordat zijn naam van de affiche zou verdwijnen.

Die ochtend liep de les stroef. Hij worstelde met zinnen die zich niet lieten plooien, alsof de taal zich verzette tegen zijn stem. Terwijl hij door de klas liep, stak een leerling zijn hand op.

‘Meneer,’ vroeg de jongen, ‘denkt u dat één keuze iemands leven echt kan veranderen?’

Hij bleef stokstijf staan. De jongen had zijn hand alweer laten zakken, maar bleef hem aankijken, alsof hij het antwoord nodig had om verder te kunnen. In die paar seconden voelde hij hoe de klas hem voor het eerst die dag werkelijk zag. Niet als docent, maar als iemand die geacht werd iets te weten wat hij zelf nooit had uitgezocht. De stilte die volgde leek zwaarder dan elk antwoord dat hij kon geven. Uiteindelijk zei hij iets banaals over wegen die je kunt inslaan, maar de woorden klonken hol, zelfs in zijn eigen oren. De jongen knikte beleefd, niet overtuigd. Dat knikken bleef hem bij.

De rest van de dag keerde de vraag terug als een refrein. Op de gang, in de leraarskamer, zelfs in de supermarkt, waar hij gedachteloos brood en melk pakte. Alsof de woorden hem achterna liepen. 

’s Avonds zat hij weer thuis, cigarillo in de hand. De rook trok kringelend op, vluchtig en vormloos, net als zijn dagen. Voor het eerst in lange tijd voelde hij niet alleen de zwaarte van het patroon, maar ook het besef dat er misschien een barst in zat. 

Hij dacht aan de vraag van de leerling. Misschien was het antwoord ja. En misschien was het al begonnen, daar, tussen twee lessen in.

© Steven Van Der Heyden 


Van Steven Van Der Heyden weten we dat hij als dichter heel regelmatig zijn horizon probeert te verleggen en de bodem van zijn dagen te halen. Dat doet hij sinds enige tijd ook via het schrijven van kortverhalen. 

Meer over de kortverhalen van Steven lees je via de rubriek op zijn website: 

Rubriek Kortverhaal op de site van Steven Van Der Heyden

Website Steven Van Der Heyden

Foto: S.V.D.H tijdens "This obscure Object"
24/9/2023



donderdag 26 maart 2026

Bezoekers - Geert Barbier

Torreborre. Wanneer hij aan Fred en Marieke dacht, dook automatisch het beeld van hun hond op. Torreborre, een slome basset die rustig achter hem aansjokte. Hoe lang was dat geleden? Veertig jaar?

Zes maand lang had hij bij hen gewoond, in die oude boerderij in Koekelare. Het was zijn redding geweest, toen. Werkeloos, net uit het leger ontslagen en aan het scheiden.

En nu kwamen ze op bezoek naar Thailand. Lang, heel lang hadden ze geen contact meer gehad. Wanneer was de vriendschap afgebroken? Hij zocht vruchteloos in zijn herinneringen. Wel wist hij nog hoe ze opnieuw aansluiting vonden: hij had, op bezoek bij zijn ouders in Oostende, opgebeld en ze hadden afgesproken in het café van het Hotel du Parc.

Hij zag hen binnenkomen. Hij herkende hen meteen, maar zij hem niet. Marieke was nog wat uitgedijd, maar nu zat een blonde streep in haar kapsel die de aandacht trok, en ze droeg een kleed in gewaagde kleuren. Fred zag er nog eender uit, gewoon ouder, zoals hijzelf. Hij zwaaide, en hij zag de gezichten optrekken…

En nu kwamen ze op bezoek. Vijf dagen, dan zouden ze verder reizen naar Chiang Mai, in het Noorden.

Hij had het goed voorbereid: twee weken lang had hij gewerkt aan reisbestemmingen voor hen. Niet de klassieke toeristenplekken, nee, dat was niet hun ding. Had hij gedacht, maar nu was hij niet zo zeker. Hij had voorgesteld hen aan de luchthaven af te halen, maar ze wilden naar Kanchanaburi. De brug over de Kwai rivier, toeristische trekpleister bij uitstek.

Ooit waren ze, hij en Sue, het stadje doorgereden, na een weekend in een rivierhotel verderop. Lelijk als elk Thai provinciestadje, was het in zijn herinnering, en zo zag het ook er ook nu uit. En verbazend druk: je kon over de koppen lopen.

Hij had in hetzelfde mooie hotelletje aan de rivier twee kamers besteld, maar die had hij – gelukkig tijdig – weer moeten cancelen: ze hadden zelf al een kamer in een rivierhotel in de stad gehuurd. En nu zaten ze ergens aan “het museum”. Ze hadden op zijn aanraden wel een lokale SIM gekocht en hij had hen net gebeld. “Met Marieke. Ben jij dat, Paul?”

Ja, Paul, dat was hij. Een museum? Was hier een museum? Meer kon ze hem ook niet vertellen, maar hij en Sue zouden hen wel vinden.

Het bleek een heel karwei om hen te vinden: er waren drie musea. En plaatsen om te parkeren waren er nauwelijks. Tenslotte zag Paul hen, op een pleintje aan de rivier. Fred droeg een knalgeel T-shirt waar iets Engels op geprint was, en Marieke een lichtblauw jeanskleed. Ze waren vanmorgen na een nacht Bangkok hier gearriveerd.

Fred vroeg zich af wat ze hier wilden doen. De brug over de rivier Kwai? De rivier was mooi, zeker verderop, waar ze door een bucolisch landschap stroomde, maar hier?

De kennismaking met Sue ging wat stroef, maar dat was normaal: ze hadden haar nooit eerder ontmoet. Of wacht, toch, niet? Die keer dat ze mee naar België was gekomen een zestal jaar eerder, in die vreselijk koude oktobermaand.

Ze besloten samen iets te eten aan het pleintje waar ze mekaar vonden. Op het terras kwam net een tafel vrij, en Sue bestelde kleine hapjes.

Hoe was de reis verlopen? Ja, een lange vlucht was het, zeker als je via een tussenstop vloog. Doha? Drie uur tussentijd?  En ja, hij en Sue woonden een tweehonderd kilometer hier vandaan. Toch wel een drieënhalf uur rijden.

Fred bleek verbaasd dat ze niet in hetzelfde hotel logeerden. Even bleef het stil, nadat Paul zei dat hij eerst voor hen allemaal geboekt had in een ander hotel dat ze kenden, verder langs de rivier.

“Wist jij dat, Marieke?”

Ze knikte en keek ingespannen naar het loempiaatje tussen haar vingers. Ja, dat wist ze, maar dat hotel stond niet in de Trotter.

“In de Trotter? Wat is de Trotter?”, vroeg Paul.

Ze keek hem verwonderd aan. Nee, de Trotter kende Paul niet. Nooit van gehoord.

“Zoiets als ‘Le Guide du Routard’, maar in het Nederlands.”

Ze diepte een boek met een kleurige kaft uit haar tas. Reissuggesties door en voor reizigers. Over de reissuggesties die hij hen gestuurd had, repte ze niet. Nu niet, en ook niet in de komende dagen.

Paul voelde zich wat verongelijkt. Al die moeite voor niets?  Hij knabbelde nadenkend op de viskoekjes die minder scherp smaakten dan gewoonlijk. Hij had uiteindelijk een B&B geboekt even buiten de stad.

Voor twee jaar waren Fred en Marieke gedurende zes maanden door Zuid-Amerika gereisd. Paul had de regelmatige verslagen gelezen, maar nu vroeg hij zich af: waren die ook met de Trotter uitgestippeld?

Ze praatten over de kinderen, maar dat waren verre schaduwen. Zelf had hij twee zoons, zij drie zoons en een dochter. Een van hun zoons was met een Mexicaanse getrouwd en woonde ginder, tegen Vera Cruz. Wout, zo heette ie, hoe kon hij het vergeten? Maar ook de andere namen schoten hem niet meteen te binnen, enkel die van de dochter, Luce. Ook al drie kinderen? Wat ging het snel! Hijzelf had nog maar twee kleinkinderen, twee meisjes. En zij tien!

Na het eten namen hij en Sue hen mee buiten de stad en gingen wandelen langs de rivier, op een wegje zonder toeristen. Ze passeerden een gammele, half-verroeste brug over de rivier. Sommige planken ontbraken en beneden zag je het modderkleurige water in snelle kolken voorbijstromen, in het midden onderbroken door glanzende, witte strepen. Fred sprong er onverwacht op. Hij zette enkele wankele stappen en draaide zich ineens met een dramatisch gebaar om. Marieke lachte en nam enkele foto’s, maar Paul en Sue waren danig geschrokken.

Ineens vloog voor hen uit een prachtige blauwe vogel op. Paul herkende hem uit zijn boek over vogels in Zuidoost-Azië: een Indian roller. Hij keerde zich om naar hun gasten, en zag hoe Fred een kleinere uitgave van hetzelfde boek doorbladerde.

“Ook vogelliefhebber?” vroeg Paul. Fred toonde hem zijn exemplaar, dat enkel over vogels in Thailand ging. Hij had het op de luchthaven gekocht.

Toen de zon schitterend begon neer te dalen over de bergen die de grens met Myanmar vormen, keerden ze naar de stad terug. Ze aten samen in het hotel van Fred en Marieke. Niet slecht, maar toeristenkost. Pad Thai, Pad Kappa, Tom Yam in verschillende versies. Soms viel een stilte. De draad terug opnemen was minder eenvoudig dan gedacht.

Ze moesten ook nog naar hun B&B, en dat was ingewikkelder dan verwacht. Toen ze de kamer zag, vroeg Sue waarom hij niet in hun vorig hotel aan de rivier geboekt had. Dat vroeg hij zich nu ook af. Een grote ongezellige ruimte met drie vermoeide bedden, en de elektriciteit viel uit terwijl ze een minimum uitpakten.

---

De volgende morgen reed Sue, met hun gasten achter in de Yaris geperst, in een ruk dezelfde weg die ze gekomen waren. Op de radio speelde luide Isaanse tjingel-tjangelmuziek. Paul zag hen in de achteruitkijkspiegel bedenkelijk naar elkaar kijken. Ook niet zijn ding, maar wel authentiek. Ze stopte in een stadje dat hij niet kende, Rim Nam, aan een oude Chinese markt waar ze lekker voor middag aten. Marieke zocht het in de Trotter maar het stond er niet in.

Thuis gingen ze zich opfrissen in de badkamer naast de logeerkamer, en Fred kwam zich installeren op het terras. Hij begon geconcentreerd op een tablet te tokkelen. Was dat het dag verslag? Vreemd, hij had niets gevraagd over Thailand, dus die verslagen waren puur impressionisme?

De rest van de dag gingen ze de omgeving verkennen. Het was een mooie februaridag met een lichte wind. Op een veld zat een aantal Indische kieviten luid te snateren. Paul had gezien dat Fred zijn boekje bijhad, en liet hem de naam opzoeken.

“Ze gedragen zich inderdaad als kieviten”, zei Fred.

Sue had geen zin om nog ver te rijden, dus bleven ze eten in de buurt. Op een klein voetbalveldje stonden wat haastig opgetrokken barakken. Verlichting was er nauwelijks. Het was beslist authentiek: een mengsel van groenten, kruiden en vlees in bladeren gerold. Paul was van plan geweest hen het echte, niet toeristische Thailand te tonen, en hoe de mensen er leefden en werkten, met nog een markt erbij, maar nu wist hij niet meer of dat een goed idee was. God wist wat er in die aanbeden Trotter stond?

Na het eten dronken ze nog een glas wijn samen. Wijn was wat problematisch: Thaise wijn was niet te drinken en heel zwaar, en lokaal was er maar een winkel die wijn verkocht, de 7/11. Hier had hij de twee voorradige flessen en nog wat brikken witte wijn gekocht. Op goed geluk, want hij dronk meestal San Miguel bier.

Sue was moe en wilde naar bed, terwijl de gasten nog even wilden blijven nakaarten. Paul zei Sue dat hij snel zou komen. Het gesprek ging over vroeger. Haperend, want er waren zoveel lacunes. Langs beide kanten. Paul had Margriet leren kennen in Leuven, waar ze pers en communicatie deed. Fred had op hetzelfde college gezeten als hij, maar een jaar lager. Of niet? Kende hij hem al voor hij naar Leuven ging? Totaal blank.

Toen hij binnenging kwam Sue net uit de douche, en ze haalde haar schouders op toen hij vroeg wat ze vond.

“Met mij spreken ze niet.”

Dat moest hij toegeven. Ze deden alsof ze er niet was.

---

De tweede dag, een dinsdag, verliep zoals hij gepland had: ze reden langs schilderachtige kanaaltjes naar een oudhedenmuseum in een slaperig dorp (niet in de Trotter), en van daar staken ze door naar een natuurpark, met grotten die in de bronstijd bewoond werden en een klein museum met aardewerk (jakkes, weer niet!).

Daarna leidde Paul hen naar een wandelweg langs enkele boeddhistische tempels waar hij graag kwam wegens de verrassend verscheiden vogelpopulatie. Veel soorten ijsvogels, mynahs, een cougal en twee koëls. En weer waren de Indische kieviten van de partij, schreeuwend en fladderend achter een eenzame tractor aan.

’s Avonds kookte Sue voor hen. Marieke en Fred hadden het over hun werk. Als ambtenaren hadden zij elk jaar veertig dagen vakantie. Hoeveel Paul er had, vroegen ze niet, en hij zei het ook niet. Vijftien dagen had hij er, en daarvan had hij er zeven opgenomen. Ook om wat voor te bereiden: maken dat alles in hun kamer, die nieuw aangebouwd was, in orde was. Stof afdoen. Kleine details. Sue had helemaal geen vakantie tenzij die ene sluitingsdag van haar restaurantje per week.

Ze zouden het volgende jaar op pensioen gaan, zei Marieke. Paul zei dat hij zo lang mogelijk aan het werk wilde blijven. Deels voor het geld, maar ook voor het plezier aan zijn job.

"Dat mogen wij als ambtenaren niet ", zei Fred.

Daar wist Paul geen antwoord op. Intussen waren de flessen wijn op, en ze hadden een brik aangebroken. Fred had het gevoel dat de gasten de wijn graag naar hun kamer hadden meegenomen, maar daar stond geen koelkast.

Nooit aan gedacht. Hing er een lichte wrevel in de lucht toen ze hun kamer opzochten?

---

Voor de volgende dag, woensdag, had Paul voor ’s morgens een bezoek aan de Boeddhamarkt en een Thaise massagesalon voorzien. Voor de namiddag had Sue een tweede motorfiets geleend van haar zuster, om in de gehuchten wat lokale kleur op te doen en onderweg een mooie tempel op een heuvel te bekijken.

De Boeddhamarkt lokte hen langer dan gedacht, maar Paul herinnerde zich ook zijn eerste keer: even denk je dat al die oude dingen echt zijn, terwijl hij later leerde dat 95% vals was. Goedkope namaak.

De massagesalon lag op de hoek van dezelfde markt en vloerde hen totaal: zó hard hadden ze het zich niet voorgesteld. Daarna hadden ze alleen nog zin om wat rond te lummelen en te lezen. Fred ging kreunend op zijn plekje zitten en begon ingespannen verder te schrijven. Marieke viel op de zetel in slaap. Ze gromde in haar slaap, en een zilverkleurige slijmdraad zocht aansluiting naar haar hals.

---

“Kunnen we misschien morgen naar Lopburi? Daar zou een mooie tempel staan volgens de Trotter”, vroeg Marieke die avond terwijl ze met veel plezier op de Pad Thai aanviel. Ze aten op een terras langs de Chao Praya rivier terwijl grote groene trossen traag voorbijdreven.

Paul keek vragend naar Sue, maar die deed alsof ze de vraag niet gehoord had. Ze kenden uiteraard die “mooie” tempel. Een zwart geworden ruïne uit de tijd dat het Khmer rijk diep tot in Thailand reikte, midden op een druk bereden plein. Er hokken half-wilde apen en vleermuizen in, dus moet je uitkijken voor stront uit twee richtingen. Waarom die tempel in alle toeristenboekjes staat, is Paul een raadsel want Lopburi heeft echt mooiere dingen te bieden.

Hij zag dat Sue verstoord naar de rivier keek. Zij was de enige chauffeur, en de dag erna gingen ze naar Kamphaeng Phet, tweehonderd kilometer richting Noord-Thailand, vanwaar Fred en Marieke gingen voortreizen naar Chiang Mai. Lopburi was honderd kilometer in de andere richting.

---

In Lopburi lieten ze hun gasten de tempel bezoeken, terwijl zij bedrukt een koffie dronken in een wat verlopen koffiebar. Daarna wandelden ze naar het Provinciaal Museum – een van de best georganiseerde met goede Engelse uitleg. Hier verdween Sue: die wilde haar eigen ding gaan doen.

Die avond zei Fred de ze niet geweten hadden dat Paul schilderde. Hij was vijftien jaar eerder begonnen dankzij een cadeautje van zijn zoons en hun moeder.

“Ik was altijd al van plan om luchten te leren schilderen wanneer ik op pensioen ging. Voor mijn vijftigste verjaardag kreeg ik een reeks van tien lessen en een ezel cadeau. Zo is het begonnen.”

“Bij ons thuis hing een schilderij van een miskende Vlaamse impressionist”, zei Fred. Daarna volgde een uitgebreide beschrijving van het herenhuis waar hij was opgegroeid. Over Pauls schilderijen werd verder met geen woord gerept. Waren die zo slecht? Even had hij eraan gedacht hen er eentje meet te geven, maar dat had nog drie weken in de rugzak voor de boeg. Nu besloot hij er over te zwijgen. Onderwerp afgesloten.

---

De laatste avond in Khampaeng Phet nodigden Paul en Sue hun gasten uit voor een dinertje in een restaurant buiten de oude stadswallen. Het viel mee: het eten was lekker, Fred kon zich inleven in de live Thaise folk, en iedereen ging met een voldaan gevoel terug naar de B&B waar ze logeerden.

De volgende morgen zetten ze hen af aan het busstation en zwaaiden hen uit. Sue zette in de auto een gemaakt ernstig gezicht en trok een wenkbrauw op. Paul moest lachen, want ze imiteerde perfect Fred. Ze proestten het allebei uit.

Uit het volgend reisverslag bleek dat ze in een hotelletje ver van het centrum van Chiang Mai waren beland. Op aanwijzen van de Trotter.

© Geert Barbier

Bron: Geert Barbier op Facebook



zaterdag 17 januari 2026

Eiland - Lennart Vanstaen

Eiland


Buiten is het min tien graden maar ik besluit toch een korte avondwandeling te maken, mijn lichaam is moe maar mijn geest snakt ernaar. Om de kou te trotseren giet ik de laatste slokken thee door mijn slokdarm, die hopelijk als een schoorsteen in een herenhuis de warmte vasthoudt. Mijn voetstappen echoën in de hal bij het afdalen van de wenteltrap. Ik druk de code in en duw de zware deur open. Er ligt ondertussen een dikke laag sneeuw, de straatlampen doen het witte kleed glinsteren. Met mijn handen in mijn zakken knisper ik voorzichtig naar het ijzeren poortje, dat het landhuis afscheidt van een parkweg.

Via een oude stenen brug kom ik op een kleiner eiland, dat alleen bestaat uit een park. Je kan er enkel komen via deze brug. De oppervlakte van het eiland bedraagt amper een kilometer. Door het late tijdstip en de vriestemperaturen zou het best kunnen dat ik vanavond helemaal alleen ben. De mensen die hier wonen noemen het eilandje soms een ‘enorme privétuin’. Van deze gedachte wil ik even genieten. Ik plant mijn schoenen met de hiel eerst en dan geleidelijk tot de tip in de sneeuw, heel traag, genietend van elke krakende stap, alsof nooit iemand hier eerder is geweest. 

Kleine vissersboten staan in hun metalen stallen langs de kade. Ze houden hun winterslaap onder plastic zeilen die ze beschermen tegen regen en vorst. Hier en daar brandt een fel werklicht, maar afgezien van een enkele kraai is er geen beweging. Aan de overkant van het meer, dat helemaal bevroren is en waaruit telkens met een meter of twee ertussen meerpalen omhoogsteken aan beide oevers, die me doen denken aan dat Vikingspel waar je ringen rond de palen moet gooien, zie ik rijen huizen met in de gevels allerlei verlichte vierhoekjes. Hoewel er een heldere hemel hangt, tel ik maar een ster of drie. De meest schitterende staat in het zenit boven de kerk.

De weg loopt steil naar boven en aan weerskanten staan lantaarnpalen, maar ze werpen al hun licht op het midden van het pad, alsof ze elders niet willen schijnen. Af en toe hoor ik gekraak net voor of na mijn voetstappen in de sneeuw, maar als ik achteromkijk, ben ik alleen. Uit het niets schiet er een kleine zwarte hond rakelings voorbij en volgt de weg die naar links afdraait. Over mijn schouder speur ik het sneeuwlandschap af naar een man of vrouw met een lijn in de hand, maar er is niemand. Er heerst een oorverdovende stilte, alsof de sneeuw ook een laken over al het geluid heeft gelegd. Ik schuifel opzettelijk wat harder in de sneeuw om er zeker van te zijn dat ik niet plots mijn gehoor ben verloren. Dan hoor ik de hond in de verte, het schelle geblaf kaatst tussen de kale bomen. Wanneer het blaffen is uitgestorven hoor ik heel zacht mijn naam.

Zonder aarzelen versnel ik mijn pas en volg het pad. Het is alsof mijn lichaam reageert op het horen van mijn naam, zonder dat mijn geest al een besluit had genomen. De stem klinkt steeds duidelijker en dichterbij naarmate ik het pad volg, maar de scène blijft berusten op dezelfde elementen: een sneeuwtapijt, links en rechts een bomenrij, sporadisch onderbroken door een besneeuwde smeedijzeren bank of een lantaarnpaal. De weg begint af te hellen en ik ondervind steeds meer moeite om niet uit te glijden. Uiteindelijk gebeurt toch het onvermijdelijke: ik struikel over een steen en glij naar beneden. Gelukkig kan ik mijn val breken met mijn handen.

Wanneer ik weer opsta, is het stil. Geen stem meer, geen geblaf. Ik sta nu op het breedste stuk van het eiland. Aan de rechterkant staan drie schommels. Er schijnt een witgele spot op, waarmee het bedoelde effect, namelijk dat kinderen op dit late uur nog kunnen zien wat ze doen, drastisch wordt omgekeerd, alsof de bedoeling erin bestaat om de kinderen vanuit de duisternis te begluren. Het doet me huiveren. Links staat een amfitheater. De sneeuw geeft de stenen zitjes een bepaald cachet, zoals de rode gestoffeerde stoelen in een Victoriaans theater. Op de op één na hoogste rij, pal in het midden, ontwaar ik een figuur, een man. Hij wenkt me. Wanneer ik dichterbij kom, valt het me op dat hij geen jas, sjaal, muts of handschoenen draagt. Hij is volledig kaal en gladgeschoren. Hij gaat gekleed in een maatpak, met parelmoeren manchetknopen en een kobaltblauwe vlinderdas. Hij zegt niets, hij kijkt me alleen aan en glimlacht. Ik merk op dat er geen sneeuw ligt op zijn pak.

‘Hebt u het niet koud?’ Hij schudt zijn hoofd. Aan zijn voeten ligt een hond, de hond die me eerder voorbijliep. ‘Is die hond van u? Ze zijn in dit park bijzonder streng op loslopende honden, wist u dat?’ De man geeft geen antwoord, zijn mond blijft in een gelukzalige glimlach staan, bijna zelfvoldaan. Sneeuwvlokken dwarrelen langs hem heen, hij lijkt wel een soort warmte te verspreiden. Pas wanneer ik hem wil verlaten met deze kleinburgerlijke opmerking, die ik anders niet zou maken maar die de man aan me had onttrokken door zijn zwijgzaamheid, spreekt hij.

‘Hij was niet van mij.’
‘Excuseer, wat bedoelt u?’
‘De hond. U vroeg of de hond van mij was. Hij was niet van mij, maar hij is naar me toegekomen, en wat naar me toekomt, komt me toe. Nu is hij dus van mij.’
Ik knik en maak aanstalten om te vertrekken, wanneer hij mijn arm kort aanraakt, met een zacht gebaar. Zijn hand is spierwit maar voelt warm, zelfs door mijn jas heen.
‘Bent ook u niet naar mij toegekomen?’ Zijn ogen zijn diepblauw, dezelfde kleur als zijn vlinderdas.
‘Ja, omdat u me wenkte…’ aarzel ik. ‘Maar ik moet dringend naar huis.’
‘Niemand komt zomaar’, sprak de man onverstoord verder. ‘U bent schrijver, is het niet?’
Na de vele wanhoopspogingen tot poëziebundels en een aantal mislukte romans die ik zelfs niet durf opsturen naar een uitgeverij, verval ik bij deze vraag haast automatisch in relativerende lichaamstaal: ik haal mijn schouders op, tuit mijn lippen, blaas ostentatief lucht uit mijn bolle wangen. Maar dan vraag ik me plots af hoe deze man aan die informatie komt. Net wanneer ik hem met stelligheid wil vragen of hij me soms achtervolgt, valt hij me in de rede, alsof hij mijn interne redenering heeft gehoord.
‘Ik kan u helpen. Alles wat u hoeft te doen, is mij volgen naar de brug.’

Zonder mijn antwoord af te wachten, staat hij op van de tribune en loopt hij voor me uit. De hond volgt hem en opnieuw maakt mijn lichaam dezelfde beslissing. Na een tijd komen we aan een brug, en hoewel het ontegensprekelijk dezelfde brug is, zijn we de andere kant uitgelopen. Tussen de relingen hangt een gele gloed. Ik wil hem vragen of er misschien een tweede brug is die niet op de kaart staat, maar hij wenst me enkel succes. Daarna keert hij zich om en wandelt weer in de tegenovergestelde richting. Zijn voetstappen laten geen sporen na in de sneeuw. Nu wacht mijn lichaam wel tot mijn geest besluit om over de brug te gaan. Aan de andere kant vind ik niets bijzonders, alleen de plotse zin om te schrijven.

© Lennart Vanstaen

Dit verhaal verscheen eerder ook op AzertyFactor.

Profiel van Lennart Vanstaen op AzertyFactor


Lennart Vanstaen - Foto: Azertyfactor

donderdag 8 januari 2026

De Stok - Pieter Drift

Pieter Drift: "Hoop, vol berg en angst"


De stok

    ‘Volgens mij liepen ze die kant op.’ De jongen wees richting de bergen.

    ‘Renden ze of liepen ze?’

Hij dacht even na. ‘Iets er tussenin. Het tempo lag hoog maar ze renden niet.’

    ‘Hadden ze veel spullen bij zich?’

Er kwam een kleine glimlach op het gezicht van de jongen. ‘U wilt wel veel weten.’

Uit mijn binnenzak haalde ik een briefje van tien en frommelde dat in zijn hand. Direct verdweenhet in zijn broekzak.

    ‘Alle drie hadden ze een tas bij zich. De vrouw droeg twee tassen. Eentje op haar rug en de ander in de hand.’

    ‘Weet je zeker dat het er drie waren?’

    ‘Tuurlijk. Ik kan zelfs tot twintig tellen.’

    Ik haalde uit mijn andere zak nog een tientje en gaf dat ook aan hem.

    ‘Dank u hartelijk. Eeuwig zal ik u dankbaar blijven.’

Ik stak over. Aan de andere kant van de bergen lag een groot meer. Misschien hadden ze wel een boot geregeld die hen naar de overkant zou brengen. Nog één keer draaide ik me om. De jongen keek nog steeds naar mij. Hij stak zijn hand op. Ik zwaaide terug en liep verder. Eergisteren had ik ze voor het laatst gezien. Myrna met haar drie kinderen. Eentje was er nu niet meer bij. Gisterenochtend werd ik wakker en zag dat ze verdwenen waren. Snel wilde ik mijn telefoon pakken om ze via Zoek mijn iPhone te vinden, maar toen merkte ik dat ze mijn mobiel hadden meegenomen. Ik stond op en vroeg in het dorp rond of iemand een vrouw met drie kinderen had zien weggaan maar niemand had iets gemerkt. Iedereen beweerde de hele nacht geslapen te
hebben.


Ik besloot richting de bergen te lopen, want daar gingen de meesten heen. Iedereen kopieert elkaar. Ooit las ik van een brand in een tunnel op een berg. Het vuur begon op twee derde van de tunnel en kroop omhoog. Bijna alle mensen renden naar boven en stierven door verstikking, maar een paar mensen doken door het vuur naar beneden en overleefden de brand. Soms moet je het gevaar in om het te overwinnen. Mensen hebben niet veel originele gedachten. Iedereen is een copycat. Voor Myrna ben ik het vuur onder haar, niet haar dood. Het enige wat ik kon doen was naar boven lopen. Achter de bergen zou het antwoord liggen.

    ‘Wat doet u hier? Wie bent u?’ hoorde ik achter me. Ik draaide me om en zag de oudste dochter staan met een grote stok in haar hand.

    ‘Je weet wie ik ben,’ zei ik. ‘Ik ben gevraagd om jullie terug te brengen.’

    ‘Waarom?’

    ‘Daar word ik voor betaald. Uiteindelijk draait alles om geld.’

    ‘Geld is geweld zonder we. Het enige wat wij hebben is we.’

    ‘Dus jij was achtergebleven? Ik vroeg het me al af hoe het zat.’

Ze knikte langzaam. Ik zette een stap in haar richting. De stok ging iets verder omhoog.

    ‘De kans dat hier iemand doodgaat wordt steeds groter,’ zei ze. ‘Ik ben niet bang.’

    ‘Inge heet je toch?’ Ik deed een stap terug. Waar is je moeder?’

Ze bewoog niet en zei niets. Waarschijnlijk hoopte ze zo tijd te winnen.

    ‘Aan de andere kant van de berg worden jullie opgewacht.’

Ze hield de stok als een speer voor zich. Met een verbeten blik keek ze me aan.

    ‘Daarbuiten is het te gevaarlijk.’

    ‘Bij jullie is het lekker veilig,’ snauwde ze me toe.

Niemand was hier ooit vandaan gekomen. Ze keerden terug naar het kamp of gingen dood. Een andere mogelijkheid was er niet. Dit alles kon ik haar wel zeggen maar ze zou me niet geloven. Zeg tegen een soldaat dat hij waarschijnlijk de eerste zal zijn die zal sterven op het slagveld en hij zal je uitlachen. We blijven onsterfelijk tot we sterven. Ik ging op de grond zitten.

‘Zullen we praten?’ vroeg ik. Met mijn vingers speelde ik met wat steentjes op de grond. Heel even lette ik niet op. De stok kwam hard tegen mijn linkeroor. De klap was hard. Iets kraakte. Met mijn handen probeerde ik mijn gezicht te beschermen. Toen sloeg ze nogmaals op mijn hoofd.

    Het werd al donker toen ik wakker werd. De zijkant van mijn hoofd    voelde plakkerig aan maar het bloeden was gestopt. Voor mijn voeten lag de stok. Ik raapte hem op. Er zat een barst in. Met moeite kwam ik overeind. Het enige wat ik kon doen was verder omhoog lopen.

    Vanaf de top van de berg keek ik naar beneden. Op het strand lagen drie lichamen in vreemde houdingen. Zoals ik Inge had gezegd, waren ze daar opgewacht. Zij schoten eerst terwijl ik ze alleen maar zou hebben teruggebracht. Ik tuurde in de verte en meende iets te zien bewegen. Zachtjes betastte ik mijn wond. Als ik alleen zou terugkeren in het kamp, zou ik straf krijgen. Voor Inge zou er een klopjacht worden georganiseerd. Ik draaide me om en besloot alleen terug te gaan. Een andere route kon ik niet bedenken.

© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn. 

donderdag 11 september 2025

De drie Ensors - de diefstal - Geert Barbier

De drie Ensors: de diefstal

Ha! Ze denken dat ze het opgelost hebben! Ik heb net naar de podcasts geluisterd. Niet slecht gemaakt. Maar wat die bewijzen is vooral hoe erg de rijkswacht en de gerechtspolitie geklungeld hebben. En ik zit deels te gniffelen, maar ik maak me ook kwaad om zoveel nonsens.

Het hele opzet was gewoon bedoeld als aprilgrap. L’Exodus du Christ, kom nu! Even wordt wel gesuggereerd dat dit zo was, maar daarna wordt die optie aan de kant geschoven om er een echte misdaad van te maken. Het enige wat ik nooit begrepen heb is dat nooit iemand zelfs maar de optie van te betalen geopperd heeft. Was het zoveel gevraagd? Het is natuurlijk een echt Oostends verhaal: alleen appartementen brengen op! Betalen voor kunst? Verkopen! Dat was de specialiteit! De Intrede van Christus hebben ze verlapt aan een rijk museum in Amerika, de klootzakken! Terwijl dat het schilderij hen gratis in de handen gevallen was, omdat het zo groot was! Echte Oostendenaars!

En de dief? Ik heb hem goed genoeg gekend. Hoeveel keer is hij niet, nadat hij beneden zoals elke week naar de bibliotheek gegaan was, de trappen opgeklommen om op de tweede verdieping de Ensors, de Permekes en de Spilliaerts te gaan bewonderen? Jaren tevoren was ik soms meegegaan. Nu zat hij zonder werk, na een job bij een landmeter. Nee, ik ga niet zijn naam verraden, anders is alle plezier eraf. Ik weet nog niet of ik dat eigenlijk wel ooit ga doen.

Maar beginnen we bij het begin. Van die Ensor geschiedenis wel te verstaan. Hij zou dus door dat vuil krot aan de Witte Nonnenstraat naast het Feestpaleis naar boven geklauterd zijn, dan op het dak geklommen zijn en dan als een regelrechte cowboy een speciaal (en zwaar – ik kan het weten!) oranje touw om ‘de schouw’ van dat gebouw gegooid hebben. Als je hem gekend hebt, en er zijn nog Oostendenaars in leven die hem gekend hebben, maar ze weten niet van die diefstal, dan zou je weten dat dit onmogelijk was. Zo’n pietje precies! Zelfs zonder werk zag hij er altijd netjes uit.

En dan: de schouw? Hoho, was er maar één? Die jongens zijn duidelijk nooit op dat dak geraakt! Jaja, ik kan het voor mij zien: meneer Stefaan kijkend vanop zijn dakterras met een zelf gerold jointje in zijn mondhoek!  Waar woont die kerel trouwens? De grote kerk links, de Europatoren recht voor, rechts het gebouw in kwestie, het toenmalig Feest- en Cultuurpaleis. Die zit ergens aan de achterkant van de zeedijk! Dat is een eeuwigheid weg! En het klinkt niet alsof ze er een straffe verrekijker op gezet hebben.

Dan klimt de dief – hupsakee - naar de dakgoot van het Feestpaleis, wandelt er een twintig meter door en hij breekt een dakvenster om op de zolder te komen. Het is maar een gedacht!

Die telefoon de avond voor 1 april? Ooit bij stilgestaan? Nee, geen mens heeft er ooit bij stilgestaan. Dat was gewoon “een vergissing”. Een vergissing net voor een kunstroof? Komaan jongens! Denk ’s serieus na, als dat nog lukt! Er zijn geen vergissingen op zo’n momenten!

Zo moeilijk is het niet! Wat gebeurde er in de avond net voor 1 april, op 31 maart 1978, een vrijdag? Een vrouw belde om te melden dat er ingebroken was in het museum. Was dat na een sluitingsdag? Of na een lange nacht? Nee: er werd ’s avonds gebeld, en het museum was die dag de hele tijd open geweest. Niemand die dat raar vindt? Waren die suppoosten zo slordig dat ze tijdens de dag niets merkten? Of zo ijverig dat ze erop ingaan, zonder te bedenken dat dit gewoon niet kan, inbreken op een vrijdagavond, de uitgaansavond!

Die deur in de hoek naar de zolder waarvan de buitengrendel niet dicht was. Toeval? Een beetje te veel toeval! Pak nu eens dat het geen toeval was. Wat kon er dan achter zitten? Iemand die de deur geopend had en de trap naar de zolder genomen had kon die grendel niet terug vastzetten. Ten hoogste kon hij hem zo zetten dat hij op het eerste gezicht gesloten leek: dichtgeschoven tot aan de deurspleet.

Had de dief, die inderdaad daar zat, gewild dat ze op onderzoek kwamen? Ja, dat wel. Dat die suppoost ook de foute grendel zag, was een streep door de rekening, maar geen grote: de dief had ermee gerekend dat dit kon. Het plafond bestond uit van die kartonnen vierkanten, dus makkelijk uit te breken. En wie belde er? Eerst wordt een buur vermeld, dan de vrouw van die buur…Een buur van wie of wat? Van de suppoost? Hoogst eigenaardig: wie belt er naar een buur voor een aprilgrap de dag voor 1 april? Want wanneer je dit doet, weet je heel goed dat je buur terug naar zijn werk moet om te gaan controleren! Is dat nog een grap? Is dat spoor gevolgd? Nee dus…Hier weet ik ook niet meer over, maar ik woonde toen niet eens in Oostende meer. Al kwam ik wel soms in het weekend terug…

Even opzij: in die Podcast wordt Ensor zelf opgevoerd in de Falstaff, zijn stamcafé. Maar…niet op de juiste plek! De Falstaff was in de overdekte galerij, en niet op het Wapenplein! Dikwijls genoeg geweest: ze hadden de beste garnaalkroketten van de stad. En Duits bier. Die rijkswachtkazerne waarvan sprake, daar kwam ik jarenlang langs op weg naar en van school. Daar was geen muur, maar wel een grote grijze poort. Ik vermeld het omdat een van de twee sprekers het over een muur heeft. Die er dus niet was…

© Geert Barbier

Geert M.G. Barbier (Oostende 1951) is IT’er op rust en woont in Thailand. Hij schrijft en vertaalt sinds 2023 uit het Duits, Engels en Portugees. In 2024 werd een verzameling Gogoleske verhalen rond Oostende, Oostendse Totjes gepubliceerd. ‘Een zee, een kust, een leven’, een verhaal over een Portugese visser, werd gepubliceerd in Elders Literair in maart 2025. ‘Adrienne aan zee’ verscheen in juli 2025, opnieuw in Elders Literair.

Bron: Geert Barbier op Facebook



dinsdag 26 augustus 2025

De grens - Lander Govaerts

De grens

Niet omkijken. Gewoon maken dat ik hier weg ben, de vlucht vooruitnemen. Sneller de gang van het woonzorgcentrum doorstormen; je kamer steeds verder achter me laten. Onbeholpen zijn in weten hoe nu nog te handelen, hoe hieraan voorbij te gaan.

Want net was ik nog bij je - met mondmasker, loopneus en kriebelkeel. Niet zeker weten of ik het heb, maar het toch zwijgzaam hopen, het in mij aanwakkeren -het vrije baan geven.

‘Laat me niet wegkwijnen, mijn lijf mijn brein. Doe het als het zover is.’ 
        Dat had je me jaren geleden doen zweren. En nu lig je hier, in een gesloten afdeling gestut op losgeslagen herinneringen. Verkruimeld die onbetwistbare trots, elegantie, stootkracht –geest weggeslopen, lichaam leeggeroofd. Geen stap durfde ik de afgelopen maanden zetten; enkel tranen, verlamming, stilstand.
Tot zonet - zittend op de stoel naast je. Eerst afstand houdend. De belofte niet durven inwilligen. Je ogen die zich openen - vol angst, ontreddering. En ik die het niet meer kan aanzien. Die je gerust wil stellen. Waarop ik dan toch in bed tegen je aankruip; je hoofd op mijn borst te rusten leg.

En in een flits: mijn oma die vanachter troebele ogen komt opzetten -je zegt dat je bang bent, dat je van me houdt.

De dementie die het weer overneemt, je meesleurt. Ik die mijn mondmasker afneem, en onder mijn lippen de eerste sneeuw proef wanneer ik je voorhoofd kus. Hopend dat het uit mij druppelend virus je kan bevrijden, schoonwast -dat ik mijn belofte aan je heb ingelost.  

En dan ineens de gang doorrennend, vol schaamte. Me desondanks warmend aan je onverzettelijkheid; hopend dat de aarde je nu loslaat, omarmt, toedekt -de grens mee overneemt. En ik die jankend tegen de gangdeur tot stilstand kom omdat ik me de code naar buiten niet meer herinner.

© Lander Govaerts

Lander Govaerts (1995) is schrijver en redactielid bij Deus Ex Machina. Hiernaast maakt hij deel uit van de Letteristen in Oostende en is winnaar van Elk Verhaal Begint van Literatuur Vlaanderen. Zijn werk is gedreven door de vraag wat er over is van menselijke relaties en het innerlijke leven in een door kapitaal gedomineerde wereld. Hij onderzoekt daarbij hoe mensen zichzelf permanent herscheppen in een poging ruimte te kunnen bezetten. Zijn werk is eerder gepubliceerd in Papieren Helden, Deus Ex Machina, Mnemotope en Rephrase Magazine. Lander woont en werkt in Brussel. 


Foto Lander Govaerts - © Wouter Van Voren voor De Letterie