Het vitrinekastje
Het witgelakte vitrinekastje is niet hoger en niet breder
dan vijfentwintig centimeter. Het is ongeveer vijf centimeter diep, en de
plankjes waarmee het is samengesteld, zijn ongeveer twee centimeter dik. Vrij
veel hout dus, waardoor het kastje vrij zwaar is en stabiel staat. Binnenin is
tegen de wijnrode rug een sneeuwwitte passe-partout geplaatst, die als een
geopend venster mooi ruimte laat voor de felle achterliggende kleur.
Ik
heb dat ding gekocht op een markt voor hobbykunstenaars als verjaardagsgeschenk
voor Lode, mijn tweelingbroer. Immers, tegen de rode rug heeft de schepper van
het werkje het gebombeerde restant van een gebroken eierschaal gekleefd,
waaruit de plastic kopjes van twee lachende borelingen tevoorschijn komen.
Kwamen ze niet uit het ei gekropen, ik had er de twee oude mannekes uit de
Muppet Show in gezien. Maar de figuurtjes in het vitrinekastje staan niet voor
twee sarcastische ouderlingen die op alles en nog wat mekkeren, ze staan voor
het leven zelf van twee broertjes die vol verwachting samen het leven zijn
binnengestapt. De kopjes zijn identiek, ze hebben dezelfde grote oren en
eenzelfde kleine bolletje dat hun neusje voorstelt; en onder hun neusje laat
eenzelfde rode streepje de twee baby’s lachen van blijdschap, nu ze eindelijk
uitgebroed zijn. Dat kan nog niet lang geleden gebeurd zijn, want bij beiden
kleeft nog een stukje van de eierschaal op het hoofd. Boven de tweeling
fladderen twee spierwitte plastic duifjes, in de lucht geworpen om het
feestelijk gebeuren kracht bij te zetten.
Links van de rode doorkijk staat op de witte passe-partout in potlood de
handtekening van de kunstenaar, onleesbaar zoals de handtekening van een
kunstenaar moet zijn. Onder het venster lees ik, eveneens in potlood
geschreven: ‘Happy Birthday’. Treffender kon in dit geval een
verjaardagsgeschenk niet zijn, vond ik.
Maar hoe gaat dat
met geschenken die men aankoopt lang vóór ze dienstig moeten zijn? Ze komen
voorlopig in een lade terecht, in een koffer, in een kast, waar ze zelfs het
risico lopen de vergetelheid in te duiken. Het presentje voor mijn broer
verging het zeker niét zo. Ik had het dan wel gekocht lang vóór zijn
verjaardag, maar het domweg vergeten op die dag kon in principe niet, want
juist om dat te voorkomen – en er ook zelf een beetje van te genieten - had ik
het op mijn buffetkast geplaatst, van waarop ik elke morgen door de net
verloste tweeling lachend begroet werd. Maar goed dat er geen geluidsopname in
verwerkt werd.
Helaas, toen onze
gemeenschappelijke verjaardag aanbrak, waren we onvoorzien zo ver van elkaar
verwijderd, dat het contact van lieverlee beperkt bleef tot een
telefonische uitwisseling van gelukwensen - zonder veel poespas, zoals dat gaat
bij mannen die elkaars binnenste binnen sinds jaar en dag kennen, en het met
sentimenten graag kort houden. Dus bleef de plastic tweeling vooralsnog op mijn
buffetkast staan wachten op de volgende verjaardag. Want er weken, laat staan
maanden later mee komen aandraven vond ik nu ook niet bepaald de juiste manier
van doen, ik hou niet van mosterd na de maaltijd. En er bij een andere
feestelijke gelegenheid mee uitpakken is nóg zinlozer: een geschenk dat zo
exclusief als verjaardagsgeschenk in de verkoop gezet was, kon bezwaarlijk als
kerst- of nieuwjaarsgeschenk dienen - gegeven dat we tegen elke verwachting in
elkaar in de kersttijd met een geschenk zouden verrassen. Ik zou dus maar beter
mijn ongeduld nog een jaar langer verbijten.
Maar
ook met dat plan liep het weer mis. Die ‘volgende verjaardag’ was niet alleen –
zoals steeds - ook mijn verjaardag, het was daarnaast ook voor beiden
een ronde verjaardag: een verjaardag die maar om de vijf jaar gevierd wordt.
Daar had ik natuurlijk zelf geen schuld aan, en mijn broer ook niet, maar die
samenhang was er wel verantwoordelijk voor dat ik ook die keer niet met mijn
presentje naar Lode kon afzakken om het hem ‘op het juiste moment’ te schenken.
Mijn eigen familiale aanhang had immers thuis enig feestgedoe geprogrammeerd,
waardoor er voor een bezoek aan mijn broer geen ruimte was. Dus bleef het
vitrinekastje weer eens staan waar het nu al zo lang was blijven staan.
Les excuses sont faits pour ’s en
server, n’est-ce
pas? Dat zich maar één keer per jaar de juiste gelegenheid voordeed
om met dat kastje te doen waarvoor ik het gekocht had, was een aanvaardbaar
excuus om er zelf al die tijd van te genieten. Op de duur vond ik het zelfs
alleen nog maar een beetje vervelend dat mijn attentie de oorspronkelijke
bestemmeling niet bereikte. Hoe langer dat kastje bij mij thuis bleef staan,
hoe méér de urgentie leek af te zwakken om het daadwerkelijk ook te geven aan
het feestvarken voor wie het oorspronkelijk bedoeld was. Maar dit jaar was er
plots wél haast bij. Lode was ziek, ernstig ziek, en het was zelfs de vraag of
hem nog een verjaardag gegund was. We bezochten hem enkele keren, telkens bang
afwachtend hoe we hem zouden aantreffen. Ik kon het niet helpen dat vóór we de
rit begonnen, mijn blik iedere keer op het vitrinekastje viel waarin de plastic
tweeling lachend tegen het leven aankeek. Maar twijfel overviel me. Of het
überhaupt nog zinvol was dit mee te nemen? En bovenal knaagde de wroeging, hem
dat plezier niet te hebben gedaan op een moment dat hij er nog kon om lachen.
Maar die kans was verkeken, het lachen was hem vergaan – uitgerekend hij, die
moppen tappend door het leven was gegaan.
Zijn
verjaardag haalde hij nog - de laatste, dat wist hij, dat wisten we allen. Hij
zat aan tafel toen we toekwamen voor een feestje in mineur. Zijn ogen waren
glazig. Een slangetje dat zich splitste onder zijn neus voerde vanuit een
apparaat dat centraal in de woning stond opgesteld zuurstof naar zijn longen.
De lange plastic slang die de zuurstof aanvoerde, krulde van onder zijn stoel
naar de machine waaraan zijn leven vasthing. Toen ik al een poosje naast hem
zat, haalde ik het vitrinekastje boven en plaatste het opzij van het bord dat
vóór hem stond. Ik wist niet wat ik kon zeggen. Hij bekeek het kastje, en zweeg
eveneens. Hij legde zijn hand op de mijne, ik voelde al zijn warmte, de warmte
die hij zijn hele leven had uitgestraald. Ook deze keer kon hij niet uitspreken
wat hij voelde, dat had hij nooit gekund. Maar hij toonde het, met dat simpele
gebaar waartoe hij nog in staat was. Zelfs dat verraste me, want ik had hem als
volwassen man nooit ofte nooit zijn diepste gevoelens zien uitdrukken, op welke
wijze dan ook. Hij kon het niet, ook niet wanneer hem pijn werd gedaan, wat
vaak is gebeurd, té vaak. Als kleine jongen reeds was hij constant op onbegrip
gebotst omdat de wereld zijn onrust niet begreep. Hij heeft zijn leven lang
veel moeten incasseren. Nog immer word ik opstandig als ik eraan denk dat zelfs
een zielenknijper naar wie ze hem hadden meegenomen, hem ooit de mantel had
uitgeveegd in plaats van hem te helpen. Zelfs Sinterklaas, die 'grote
kindervriend', heeft hem ooit pijn gedaan, verschrikkelijk pijn gedaan, toen de
heilige man op 6 december van het jaar stillekes alle broers met wat lekkers en
wat leuks verblijdde, voor Lode echter niet méér dan een resem latjes veil had,
waaraan telkens een stuk touw was vastgeknoopt. Ik vrees dat zijn onuitputtelijk
gekscheren het ultieme kapitaal was waarmee hij geleerd had erkenning te kopen.
En dat, terwijl hij de goedheid zelve was. Ik heb er weet van, ook al verborg
hij het, hoe hij met zijn roekeloze vrijgevigheid anderen uit de brand heeft
geholpen en daarmee zichzelf de das omdeed. Ja, ik kende hem. Nooit ofte nooit
zou hij iemand in de steek hebben gelaten.
We
zwegen. Ik besefte dat zijn reis ten einde liep, een reis die we nog vóór de
geboorte samen waren begonnen, en die daarom over alle mogelijke wissels heen
voor een stuk ook onze gemeenschappelijke reis geweest was. Lang was het
bezoek ons niet gegund. Ondanks de zuurstoftoevoer werd het ademen hem te
moeilijk, zodat professionele interventie zonder uitstel noodzakelijk werd.
Toen er werd aangebeld, zocht hij met beide handen steun op de tafel, duwde
zich recht, en liet zich in de rolstoel zakken die tot tegen zijn kuiten werd
geschoven. Hij verliet de woonkamer zonder nog om te kijken. Buiten keek ik de
ziekenwagen na die hem voor de laatste keer naar de kliniek bracht. Ik keek, en
keek, en keek, tot de wagen met mijn broer daarin uit het zicht verdwenen was.
Ik besefte het, hij was op weg naar het eindstation. Een immense droefheid
kreeg mij in de greep, mijn ziel werd in twee gesneden, messcherp.
Het vitrinekastje is terug bij mij beland, mijn neef zegde dat het mij toekwam. Het staat dus weer op de zwarte buffetkast, van waarop de plastic tweeling mij elke morgen toelacht. Het zal wel kitsch zijn, zeker? Allicht is het dat. Dierbare kitsch.
© Lieven Vandekerckhove
Uit het typoscript “Eerst koffie, dan de waarheid” van
Lieven Vandekerckhove.
De auteur schreef eerder de bundels kortverhalen en cursiefjes: In schuinschrift (2019), Van A tot Z, of toch bijna (2022) en Koorddansen (2024).







