maandag 21 december 2020

De tien beste Nederlandstalige studieboeken van het voorbije rampjaar 2020 - Hendrik Carette

Te vinden of te bestellen in de betere boekhandels voor gevorderden.

1. De vreemde lus, ondertitel ‘Over bewustzijn en het verbond tussen wetenschap, kunst, filosofie en mystiek’, door André Klukhun, Amsterdam: Koppernik, 269 pp.

2. Oefeningen in genot, ondertitel ‘Liefde en lust in de late middeleeuwen’, door Herman Pleij, Amsterdam: Prometheus, 434 pp.

3. Het Ridderspoor, over Willem Elsschot, door Johan Anthierens, met een woord vooraf van Stijn Tormans, tweede druk, Antwerpen: Polis, 277 pp.

4. Een danser in de sneeuw, essays, Gaston Durnez, Leuven : Uitgeverij Davidsfonds, 271 pp.

5. Nicolas Bourgeois en Frans-Vlaanderen, ondertitel ‘Confidenties in het Olmkasteel’, Wido Bourel, Roeselare: Uitgeverij ID, 183 pp.

6. Dichters leiden de dans, ondertitel ‘Liefde in de middeleeuwen’, Cas van Houtert, Utrecht: Uitgeverij IJzer, 444 pp.

7. Vetera et nova, opstellen en notities, Patrick Lateur, met een inleiding van Anne Marie Musschoot, Leuven: uitgeverij P, 213 pp.

8. De kuren van Komrij, Gerrit Komrij, samengesteld en ingeleid door Onno Blom, Amsterdam: De Bezige Bij, 299 pp.

9. Het glanzend zwart van mosselen, ondertitel ‘Autobiografie, Essay, Reisverhaal, Cultuurkritiek, 1980-2020, Oek de Jong, met zeldzame zwart-wit foto’s, Amsterdam: Uitgeverij Augustus, 745 pp.

10. Blijf bij ons, Bach, ondertitel ‘Het verhaal van een innige relatie’, Sigiswald Kuijken, met een CD, Tielt: Lannnoo, 246 pp.


© Hendrik Carette




zondag 20 december 2020

Enkel bewijs - Bert Bevers

Voor sommigen staat niets geschreven
tenzij ze het zelf schrijven. Blikken noch

blozen. Vermolmende vlaggenmasten
werpen schaduw op gezworen beloftes.

Met ingepakte stem kuieren hunkerende
gelovers in mirakelen. Ze komen er wel.


© Bert Bevers





zaterdag 19 december 2020

Verval - Bert Bevers

Afscheid klinkt als het brosse knappen
van de korst om verse broden. Decors

trillen achter weifelende geheimdragers.
Schamel is theater niet meer wat het is

geweest. Het is vol sluimerende moed
eigenlijk nooit geweest wat het is geweest.


© Bert Bevers





vrijdag 18 december 2020

Verdoffing - Bert Bevers

Profeten komen binnen waar en hoe ze
willen. Ooit is voor hese farizeeërs goed

genoeg. Slechts licht zuchten zij. Haastige
vrede volstaat hun. Dat de lankmoedigen

niet weten waar te schuilen laat hen koud.
Net als al die oorkondes vol verwachting.


© Bert Bevers





zondag 13 december 2020

Oviedo - Stijn De Man

Afwijkend is de lucht, haar kleur onherkenbaar
hoge rijhuizen, gevels omrand met potlood
de stad slingert, een decorstuk dat voorbijtrekt.

Een straatventer roept en verkoopt ik-weet-niet-wat
de kompasnaald draait door, mijn vingers slapen, zwellen
op benen van leem stap ik verder, depersonaliseer.

Ik wandel zonder draaiboek, merk niet dat ik onderweg
mijn luttele schetsen verlies. De volgende hoek wenkt.


© Stijn De Man




zaterdag 12 december 2020

Kinderen in het Louvre - Stijn De Man

Waar kijken die twee kinderen naar, door dit wagenwijde raam?
Ze roepen naar beneden, hun lach weerkaatst echo’s tegen de koninklijke gevels.
Geen ouders in de buurt, geen kwetsuren. Het meisje trotseert een galajurk,
witte sokken, schuine hoed. Tippen van tenen in een pijnlijke kramp. Naast haar,

boven de geboende parketvloer, plat op de buik op de hoge vensterbank
schommelt de jongen. Voeten en vrijheid van de grond. De waaghals verliest
geen evenwicht, geen kindertijd. Een schoenzool tikt de zoom van de rok aan,
laat slinks een zwarte veeg achter. Windstoot. Met een klap waait een deur dicht.


© Stijn De Man


woensdag 2 december 2020

Hondsdol - Wim Vandeleene

De hond van de buurman was al een week vermist. Een bastaard. Gemengd bloed. Half pitbull, half Rottweiler. Niet bepaald een schoothond die in een handtas past en naar de enkels keft. De uitbraak was al langer voer voor geruchten. De buren gisten naar de oorzaak. ‘Was hij over het hek gesprongen? Had hij een gat in de haag gebeten? Had zijn baas hem verstoten? En wie zou het eerste slachtoffer worden? De vermiste ging kwistig over de tongen.

Ook bij ons bleek hij een onvermijdelijk onderwerp. ‘Een gevaar op poten. Hij lust me rauw. Ik heb het gezien in zijn ogen.’ zei mijn vrouw jachtig, over haar toeren. ‘Een hond kan nooit een gevaar zijn’ zei mijn dochter die geen kwaad woord meer wou horen over honden en bij uitbreiding alle zoogdieren, weekdieren, bloemdieren, reptielen, insecten, amfibieën. ‘Honden zijn al even onschuldig als dolfijnen’ zei ze. Dolfijnen waren haar favorieten. Ze trok elke maand met spandoeken en strooifolders naar het dolfinarium in Brugge, het front in de oorlog van Bite Back, de dierenrechtenbeweging waar ze al jaren lid van was.

‘Jij hebt te lang naar die documentaire van Ted Bundy gekeken’ zei ik, om het gesprek een andere richting uit te sturen. ‘Die heeft hier totaal niets mee te maken’ zei moeder terwijl ze een croissant uit de ontbijtmand nam. ‘Hij was de casanova onder de seriemoordenaars’ zei ik. ‘Charme is verraderlijk.’ wist ze.

De volgende dag vond men het karkas van een konijn in de berm, de buik opengereten. Koren op de geruchtenmolen. Het nieuws ging van deur tot deur, een plaag die meer schade toebracht dan het onderwerp van de dreiging. ‘Als een hond bloed proeft … ’, riep de overbuurvrouw door het raam naar niemand in het bijzonder. ‘Wat dan?’ riep ik terug, in de rol van een leek. Ze sloot haar raam. Vorig jaar had ze haar man verloren aan pancreaskanker. Dat verlies had kortsluiting veroorzaakt. ‘Ze is veranderd. ’ zei mijn vrouw. ‘In welke zin?’ vroeg ik. ‘Ze zeurt minder dan vroeger.’ zei ze als een groot kind, ontwapenend eerlijk. Het nieuws over het dode konijn ging viraal. De hond werd zonder proces beschuldigd. ‘Waar is het vermoeden van onschuld? Wat wil je? Een DNA onderzoek?’ vroeg ik aan mijn vrouw, de openbare aanklager. Er ging een petitie rond tegen loslopende honden, getekend door een meerderheid, met een voorstel tot een boete voor de overtreders. Elke dag dat je hond niet aan de leiband liep, zou je een half fortuin ophoesten. Alleen poedels, golden retrievers en chiwawa’s waren vrijgesteld, omdat er in de buurt een hondenkweker was, met overwegend, jawel, die honden in zijn kennel. ‘Dat zijn zachtaardige rassen.’ zei hij op een vergadering van de werkgroep ‘Aan de Lijn’.

Marcel, de eigenaar van de vermiste hond bleef binnen wat de meesten beschouwden als een schuldbekentenis. Zijn enige uitstap was een wekelijkse trip naar de supermarkt en de apotheek in het dorp. Ook in de tuin verscheen hij niet meer, als een man in de rouw.

‘Kan je een hond voor de rechtbank dagen?’ vroeg mijn vrouw. ‘Nee’ viel mijn dochter hard in, die de laatste tijd haar zin voor humor wat kwijt was. Mijn vrouw had een fobie ontwikkeld voor honden en vlinders. Aan de andere kant had ze dan weer een zwak voor aaibare en uitheemse dieren, zoals stokstaarten en koala’s. Zeldzame katten droegen haar bijzondere voorkeur weg. In een impulsieve bui had ze eens de helft van haar eindejaarspremie gestort op een rekening van WWF, ten voordele van de voorlaatste sneeuwluipaard, omdat ze een ‘kattenmens’ was.

Uit angst voor de loslopende hond zag ze de sloten na van alle deuren en ramen. Ook het kantelraam op zolder, alsof de hond langs de regenpijp omhoog zou klimmen. In de kelder, het enige deel van het huis dat we nooit zouden verbouwen, zat een roestig luchtrooster los. Kan je er een ijzeren plaat voor schroeven? vroeg ze droog. Ik weigerde. ‘Ken je dat verhaal van de kameel en het oog van de naald?’ vroeg ik plagerig.

‘Jij neemt me nooit ernstig’ zei ze gewichtig. ‘Vorig jaar zat de kat nog vast in dat keldergat. Wat verwacht je van me?’ zei ik zo kalm en nuchter mogelijk. Ik mocht er naar raden. ‘Vind je het goed dat we ook de kat binnen houden?’ vroeg ze. Ik stemde daarmee in, op voorwaarde dat zij de kattenbakkorrels zou verversen. Na een korte onderhandelingsfase bereikten we ook over dat punt een akkoord.

Mijn vrouw belde die dag naar een vriendin die drie straten verderop woonde, met de vraag of ze ‘de wolf’ al gevonden hadden? ‘Overdrijf je nu niet?’ vroeg ik. De gelijkenis met een wolf was ver zoek.

Een overijverige wijkagent belde diezelfde dag aan bij Marcel en ondervroeg hem enkele minuten. Hij blies onverschillig in het deurgat met een hand in het haar. ‘Zal ik hem even roepen?’ stelde hij voor. Zonder het antwoord van de agent af te wachten, duwde hij hem zacht opzij, liep naar zijn oprit, bracht zijn handen als een hoorn voor zijn mond en riep herhaaldelijk de naam ‘Max!’ om. Een haas schrok op in het braakland aan de overkant en zigzagde in sprongen naar de spoorwegberm in de verte. De stem van de buurman was ook doorgedrongen tot in het huis van Dolf, de zoon van de notaris, die dit jaar voor het eerst kleur bekende en deelnam aan de verkiezingen. Hij liet geen kans onbenut om stemmen te winnen en maakte van Max een programmapunt.

‘Ik kan het niet helpen dat hij op de dool is. Hij bijt alleen schurken’. zei hij in een poging om aan het verhoor te ontsnappen en de wijkagent terug naar af te zenden. Om zijn punt kracht bij te zetten, keek hij alvast naar de Audi die de wijkagent slordig geparkeerd had op zijn oprit. ‘Ik zal je dan laten. Tijd is kostbaar’ vervolgde de buurman schalks. ‘Geduld. Ik ben nog niet klaar’ zei de wijkagent. ‘Reken maar dat hij niets doet. Max zou nog geen mug bijten. Jammer genoeg want ik ben gisteravond zelf nog gebeten door een mug.” Het leek een flauwe grap maar Marcel stroopte zijn mouw op.

Zie je die bobbel op mijn arm?’ De wijkagent wreef iets uit zijn gezicht, alsof hij uit een woestijnstorm kwam. ‘Ik heb weinig tijd. Je kan altijd nog het hospitaal bellen’ zei hij afgemeten en maakte zijn proces verbaal af.

Je mag jouw verklaring hier tekenen’ zei hij. Het kwam niet in hem op om de agent even binnen te laten en hem pakweg een kop muntthee aan te bieden. ‘We blijven binnen,’ zei mijn vrouw. Vandaag was er geen vlucht mogelijk. Gekooid in eigen huis. ‘Stel dat hij op de loer ligt in een struik’ zei ze. De loslopende hond hield haar in de ban. ‘Maak je niet zo druk. Dat beest wil gewoon wat meer ruimte. ‘Ik zal over je waken’ zei ik betuttelend. ‘Marcel heeft het niet onder controle. ’ zei ze. Daar had ze een punt. Sinds ik de buurman met een wichelroede in de tuin zag zoeken naar aardstralen, was de twijfel ook in mij gerezen.

Als zijn kaken dichtklappen mag je om genade bidden.’ Ze stond er met haar armen gekruist en keek schuin naar de grond. ‘Zullen we wat yoga doen? De asana van de loslopende hond?’ Ze ademde hoog. Alsof hij al in huis was. 


© Wim Vandeleene, 2020





maandag 30 november 2020

De Melopee-poëzieprijs 2020 gaat naar Jan Baeke

De Melopee-poëzieprijs - Editie 2020 van de Gemeente Laarne gaat naar de Nederlandse dichter Jan Baeke. Hij krijgt de prijs voor zijn gedicht 'Ik bel mijn moeder' dat
 verscheen in het Liegend Konijn. De publieksprijs gaat naar Frederik Bosmans voor zijn gedicht 'Kamer, verschenen in Deus Ex Machina.
De uitreiking verliep gisteren volledig digitaal vanwege de bekende exploten van Tante Corona. Alle 21 genomineerde gedichten werden door een poëzieliefhebber of een bekende Laarne-naar voorgelezen. De filmpjes zijn te bekijken op het youtubekanaal van de Gemeente Laarne.
Een bloemlezing met de 21 genomineerde gedichten is vanaf december te koop bij de Dienst Vrije Tijd en Jeugd (op afspraak) en kost 10 euro.
Alle verdere info vind je via deze Laarne-link.
Een overzicht van de genomineerden werd eerder genoteerd in dit Digther-bericht.

#PoëzieprijsMelopeeLaarne2020 #JanBaeke #FrederikBosmans

zondag 29 november 2020

Manco - Bart Vonck

Hij is zich veel tekort
en open op je hand

als zonlicht knispert.
Zo schitterend daar

liggen en wind die uit
de stenen komt en

in je mond gevlamd.
Tekort, waarom?

Aanstralend het licht
rondom je toekomt

alsof jij de gave bent.


© Bart Vonck


zaterdag 28 november 2020

Buitelend - Bart Vonck

Buiten in mij
passeert de val
zomaar de valkuil –

de denkende vogel vliegt,
de jagende valt op de hand
die hem gooide.

Toen hij viel
in de verte riep hem
de valkuil:

val maar over de plooi
in de plooi, erbuiten
zijn echo in de bergen.


© Bart Vonck


vrijdag 27 november 2020

Ars Poetica - Bart Vonck

Niet schrijven is van alles het doel en het schrijven;
en het doel is niets wat niet schrijven is, of van alles
het doel in het schrijven; niet schrijven is van alles

het doel in het schrijven; schrijven is van alles en
niet schrijven het doel, en het doel is wat schrijven is,
niets of van alles het doel in niet schrijven; niet schrijven

schrijven is van alles in het schrijven niet schrijven
het doel; en het doel is van alles niets in het schrijven;
in het niet schrijven is niets van alles het doel.


© Bart Vonck


donderdag 26 november 2020

Ongehoord gedicht - Bart Vonck

Het is een kei in onzichtbaar. Omdat het mij
niet kennen wil gaat het o zo omzichtig te
werk. Het maakt de kleffe aarde rul. Het
houdt de wormen ver van sterven. Zo on-
terloops ontwijkt het mij, zo helder raadsel
als geen water kan ligt het erbij. Het doet
beroep op dove handen.

Ik leg het nooit terzijde, naast mij neer.
Ongewild hoe het te schreeuwen staat,
hoe het grient in de wind. Hoe het staart
voor mij uit, hoe het spaart mij uit de mond
van horen zeggen. Zo zuinig, edelmoedig
twee ineen is het bedacht op zijn oorsprong
van einde tot begin.

Voor wie schraal uit de mond is gestoten
zegt het te veel, niet genoeg. Het bulkt van
zeggen binnensmonds, het waait onkenbaar
in de wind verstrooid, het slaat een gat, wordt
niet gehoord, zo stil het stamelt uit zichzelf.
Het is het enige wat ik pijnlijk wil leren. Het
enige raadsel dat mij kent.


© Bart Vonck



zondag 15 november 2020

Roer, een nieuwe Vrijhaven voor poëzie

We begroeten met veel plezier en aandacht 'Roer', een nieuwe én veelbelovende Vrijhaven voor poëzie waarbij de leden van het Obsidiaan Collectief als Bad- en Watermeesters optreden!

We nemen alvast ook hier, aan onze verzamelde bakboorden, graag de wervende openingswoorden over:

"Welkom op Roer, het platform dat voortdurend beweegt. Bezoek het dok en steek uw handen uit de mouwen. Blik terug op het zog of klim in het want.

​ Maak kennis met matrozen en verstekelingen van het woord. Vergaap u aan de driftstroom en de golfslag, aan binnen- en buitenrijm. Richt de lens op de vrijhaven poëzie.
​ Zin om aan boord te stappen en de koers mee te bepalen? Aarzel niet en zend in. We staan open voor alles wat grenzen verlegt. Gedichten, muziek, graphic poems, fotografie en diverse cross-overs. "

Zo weten we, en ook jullie, klaar en duidelijk wat ons te doen staat!

Alle info over Koers en Vaarwater op de Roer-website!


donderdag 5 november 2020

Een geschiedenis - Geert Jan Beeckman

Geboren in het oosten werd ik later
over de heel de wereld Parijs.
En dat ik goud een berg opdroeg
God vertaalde naar het Latijn ik had
eerst duizend gedachten om het te zwijgen.

Later had ik meer mezelf bij de anderen.
Wat ook een soort van liefde was.
Zo legde ik een eeuw op aarde nog
voor de mens in aantocht was.
Zo zong ik vergezichten los voor er
iemand ginder.

Ik heb er woorden voor bedacht
kwartslagen in een dans onbestemde
reizigers tot ze bestonden. En wat ik
op een huid tijdens een nacht
heb je zo iemand al zien liggen.

Ik luister nu om alles trager te maken:
Chopin als pianist.
Schubert verdicht tot hart.
Alle dingen die rijmen op verlangen.
Alle dagen alsof het nu is of te laat.


© Geert Jan Beeckman


Geert Jan Beeckman op Poëzie Centraal





woensdag 4 november 2020

Verzoekschrift - Geert Jan Beeckman

Laat mij binnen oude dag.
Koningen en koninginnen heb ik afgelegd.
Spiegels verdragen aftakeling slecht
en slachtoffers zijn vermoeide helden.

Ik ben bereid tot onbeduidendheid.
Tot krimpen als ik de definitieve
uitnodiging krijg. Bloedarmoede
of oud zeer de tel houdt mijn hart bij.
Mijn ogen kijken dapper door.

Ik ben er nog maar kinderkoppen
daveren mijn jaren weg. Iedere ruggengraat
ben ik over. Ga met een vinger over mij
en ik lig in je. Het kan dat ik na dit gedicht
zomaar breek.

De roof door de nacht haalt levensherfst aan.
Door afstand te nemen van verdriet benader ik
mijn verlies. Ik adem om mezelf te verzamelen.
Ik schrijf je. Ik kleed mij met aarde.

Grond wordt de echokamer van mijn ziel.


© Geert Jan Beeckman


Geert Jan Beeckman op Poëzie Centraal





dinsdag 3 november 2020

Tarkovsky - Geert Jan Beeckman

Wat je nu nog ziet.
Schopte eerst de schoenen uit tot buiten de tijd.
Ging dan wandelen op zolen van gras en wind.
Legde zich neer bij wat haar niet zwaar viel.
Zei ook nog wat naast mensen herinneringen baart.

Misschien is de zon van een grote O
zo proef je ook dit gedicht op het oog.
En of zij rust van het zwijgen
misschien is dat teveel naar de letter.

Maar dat zij stoor mij niet speelt
en heus wel weet dat die foto er komt:

‘Want jij en ik redden even de wereld
mijn zoon, daarom dat ik zo op aarde
en jij mij naar de hemel laat kijken.’

Dus zodra de dag ons niet te machtig wordt.
Zodra je weet dat genieten trage wijn wordt.
Zodra je voelt dat jij jezelf bij mij hebt.
Zodra je kan doordrukken op licht
door één lichaam opgenomen.


© Geert Jan Beeckman


Geert Jan Beeckman op Poëzie Centraal





maandag 2 november 2020

Gedicht in een trein - Geert Jan Beeckman

Wij liggen op de as. Een beetje tong
likt het gebinte. Het is de cadans
de komst van rechte stukken.

De komma’s de stippen in het land
waar onze gedachten zich naar schikken.
Lang kijken en of wij dat nog kunnen.
Op onze beurt nagekeken door het tijdelijke.

Er is een leven en een leven na elkaar.
Voor een tussentijd van geen woord.
Voor de stomme film van het passeren.
Bijna klassieke muziek. Ter grootte van
een werkelijk gebeuren.

Wij in de vorm van een raam.
En straks als kamers door de nacht.
Hoe snel verklein je als uitsterven niet mindert.
Tot stippellijn als je er bij stilstaat.
Tot een stuurloos vertrouwen met de hand
op het hart.

Wij zeggen niets omdat wij samen reizen.
Omdat het uitzicht zo goed is in schrijven.
Uren door lengte en lengte door lege plekken.

Bij gelegenheid zien wij naar elkaar.
Onder de sporen blijven wij anoniem.
De ongeschreven wet van het bestaan.


© Geert Jan Beeckman


Geert Jan Beeckman op Poëzie Centraal





zaterdag 31 oktober 2020

De Troost - Guido Eekhaut

(Een roman)

Ze halen mij er nooit meteen bij. Meestal doen ze dat pas na een dag of drie, vier. Iedereen weet dat het slachtoffer levend terugvinden dan al statistisch onwaarschijnlijk is geworden. Ook daarom noemen we de verdwenen persoon een slachtoffer. Het gaat bij mij altijd om jonge vrouwen. Hebben ze mij nodig, dan is altijd een jonge vrouw verdwenen, of een schoolmeisje. Gelukkig hoef ik niet als eerste met de familie te praten. Wanneer dat gebeurt, is hun verdriet net als hun woede gekristalliseerd tot een abstract fenomeen. Ze zijn kwaad, maar niet op mij. Ze zijn nooit kwaad op een hypothetisch ontvoerder, maar altijd op de politie.
       De gewone gevallen laat ik aan mij voorbij gaan. Het zijn de weglopertjes. Die worden overigens vaak genoeg gevonden. Ik hou me bezig met degene die alles achterlieten: dagboek, kleren, foto’s en knuffels. Of, wanneer ze wat ouder zijn, man en kinderen. Als er achtergebleven kinderen zijn, vermijd ik in hun lege, starende ogen te kijken. Degene die onvoorbereid verdwijnen, hebben doorgaans hun voortijdige noodlot ontmoet. Soms per toeval, soms ook niet.

       Wat niet betekent dat ze dood zijn.
      Er is grote eenzaamheid gemoeid met die verdwijningen. Werden ze ontvoerd, dan handelde de meerderheid van de ontvoerders uit dwang. Wat is een meer eenzaam fenomeen dan dwang? Welk monster onder de uiterlijk vorm van een mens is niet geschapen door de isolatie van het gemoed? Maar geen excuus voor deze daden komt over mijn lippen.
      Mijn methoden zijn bekend. Ik passeer in jeugdhuizen, kroegen en koffiebars met foto’s waarop ook mijn telefoonnummer is gedrukt. En ik maak meteen duidelijk dat ik niet tot het politiekorps behoor. Misschien heb je haar gezien? Kijk es goed? Ken je haar? Komt ze hier soms? Doorgaans worden alleen meisjes en jonge vrouwen ontvoerd die niemand kent, die niemand ooit heeft gezien. De onzichtbaren. Degene die niet opvallen. Toch was er iemand die haar opmerkte. Behalve dan wanneer het verdwijnen een zaak is van toeval en opportuniteit. Want dat is wat ontvoerders soms doen: doet zich de gelegenheid voor, dan slaan ze toe. Laat ik dat fenomeen niet uitsluiten.

      Ik maak ook foto’s. Van de straten en pleinen waar het verdwenen meisje passeerde, van de buurt waar ze woonde en waar opvallend veel BMW’s geparkeerd stonden. Van de jongerenclub waar ze elk weekend kwam en waarschijnlijk voor het eerst gezoend of geneukt werd. Ik maak foto’s van oude dametjes met boodschappentas van Aldi, van meisjes in het uniform van een hockeyploeg, van jonge moeders en net thuiskomende oudere mannen met loszittende das. Niet iedereen is verdacht. Of toch niet in dezelfde mate.

Troost ontstaat uit de bereidheid om het verleden aan de vergetelheid weg te schenken. Sommige culturen bewaren de dode familieleden als mummies en halen die ter gelegenheid van feesten weer te voorschijn, voor een plaats in het gezelschap, alsof ze nog in leven zijn. Elders worden de overledenen meteen gevoerd aan de vlammen.
      Niemand weet wat er na de dood optreedt, maar angst voor dat moment en voor het eeuwige onbekende verhindert mensen rationeel te denken. Uit mijn vele reizen verzamel indrukken van zulke momenten en breng ze hier in deze stad samen. Ik heb een stukje van de beruchte Catacomben daarvoor afgehuurd, een commerciële operatie ten behoeve van bijzondere verzamelaars.

      Daar leg ik mijn archief aan: indrukken opgedaan tijdens gesprekken in Osaka of Ontario, daklozen gezien in Los Angeles en Moskou, gesprekken met de oudste bewoners van Berlijn, de handdruk van een arbeiders in de laatste kwikfabriek van Poznan, een brief van een kinderloze vader uit Buenos Aires en een postkaart van een onbekende bewonderaar uit Lyon.
      Mensen veranderen niet vanwege geboden troost. Ze blijven hetzelfde. Maar het leven loopt anders dan ze verwachten: ze denken minder alléén te zijn, het is een illusie, maar dankzij illusies leven ze verder. Ze gaan door het leven als slaapwandelaars. Ik heb medelijden met hen.       Ik herken mij in hen.

Met de leden van hun gezin praat ik over hun jeugd, hun vriendinnetjes, de familie (er is altijd een potentieel pedofiele oom of grootvader), de laatste herinneringen, de meest recente ruzies. De liefkozingen, de harde woorden. Vergeten ondergoed, een gevonden armband. Ze vertrouwen mij vaak meer toe dan de poli†ie. Wettelijk gezien ben ik verplicht mijn informatie met de dienders te delen. Dat doe ik niet altijd. Ik ben daarin voorzichtig selectief.
      Ik probeer me voor te stellen waar ze zijn, indien nog in leven. In een hotelletje ergens aan de kust, in een van die grotere badsteden waar tijdens de zomers de lagere middenstand van het binnenland steevast jaar na jaar twee weken komt doorbrengen. In de hoofdstad, gevangen in een web van drugs en gedwongen prostitutie. Onderweg naar Spanje of Italië, voormalige idyllische vakantiebestemmingen uit de kindertijd, nu al liftend. Een open Europa biedt zoveel creatieve mogelijkheden. Mijn vraag is dan: waarvoor zijn ze op de vlucht?
      Het aantal antwoorden op die vraag is beperkt. Sommige zijn een zaak voor de politie. Anderen stemmen een mens wanhopig. Ik ben gedwongen te speculeren, maar sommige opties vallen meteen al weg.
      Maar aan wanhoop geef ik niet toe. Dat is voor de families.

“Misschien is ze hier geweest, een paar dagen geleden. Ik weet het niet.” Schouderophalen, terloopse frons.
      “Kijkt u nog es goed,” dring ik aan. "Het is belangrijk.”
      “Het is dat verdwenen meisje, toch?”
      “Dat is ze inderdaad. Zegt het u iets? Kunt u zich herinneren haar hier gezien te hebben? En wanneer?”
      “Tja, misschien. Ergens vorige week. Tegen het weekend aan. Vrijdag, misschien.”
      “En was ze alléén? Met wie was ze?”
      “Zou ik echt niet weten. Er passeert hier zoveel volk.”
      En zo vlotjes als dat, arriveren we in het Imperium van het Cliché, geliefd bij misdaadschrijvers.
      “Niemand van hen heeft nog de oorlog meegemaakt. Ze weten niet wat armoede is.”       “Ze hebben ook nooit onder het communisme geleefd!”
      Elk verdwenen leven is een raadsel. Atlantis, zoiets. Ik wil zelfs de tegels van de trottoirs ondervragen, maar hoe absurd is dat?

Ik heb geen behoefte aan de theorieën van de familieleden, noch aan hun vermoedens. Die zijn allemaal uitgeplozen door de politie. Betreden paden. Brachten ze iets concreets op, dan was ik nu niet hier. Hetzelfde met concrete aanwijzingen. Ik ben dan ook niet hier omdat de zaak opgelost kan worden. Ik ben niet hier om een oplossing te vinden. Ik bied troost. Dat is in de eerste plaats wat ik doe.

      Ik ken echter ook de diepte van de wanhoop. Niet die van de familie, maar die van de verdwenen meisjes of vrouwen. Zijn ze niet ontvoerd, dan zijn ze steevast het slachtoffer van wanhoop. Hun eigen wanhoop. Op zeker moment verspreidt die zich, als een virus of een schimmel.
      Hoe jong ook, deze meisjes hebben de limiet bereikt van hun vermogen om de wereld te relativeren. Hun omgeving heeft alle glans en weerschijn verloren. De toekomst is als een slechts en te vaak gehoorde reclameboodschap. Ik zie hen nu, niet op weg naar een beter leven, maar naar een toekomst die geen herhaling van het verleden is.
      Degene die ontvoerd en dood zijn, zijn ons ontnomen en keren niet meer weer. Een lichaam in een ondiep graf, of aan de oever van een meer. De anderen laat ik gaan, omdat ik hun verlangens maar al te goed ken.


© Guido Eekhaut


Guido Eekhaut schrijft romans en kortverhalen in het Nederlands en het Engels, in verschillende genres, ook voor jongvolwassenen. Hij kreeg de Prijs van de Stad Brussel en de Hercule Poirot Prijs, en werd genomineerd voor de Gouden Strop en de Diamanten Kogel.




maandag 26 oktober 2020

Het gat in een woord - De laureaten zijn bekend


Sinds dit weekend zijn de laureaten van de 12° editie van de Poemtata Poëziewedstrijd bekend. En daar zitten een aantal onverwachte namen tussen. De uitslag:

1ste prijs: Jacqueline Legierse
2de prijs: Rudy Dejonckheere
3de prijs: Anneke
Wasscher  

De 7 eervolle vermeldingen zijn in alfabetische volgorde:
Erika De Stercke, Amadeo Dierickx, Philippe Jacobs, Jenny Anna Linde, Herman Rohaert, Gérard Scharn en Wim Vandeleene.

Gezien de covid-perikelen, kan de organisatie nog geen evenement aankondigen waarop de laureaten nog uitgebreid gehuldigd worden. Maar dit komt nog wel, Poemtata houdt ons op de hoogte.

De jury bestond uit: Kristien De Vos, Sven De Scheemaeker en de dichters Christophe Vekeman en Dorien De Vylder.
 
Alle geselecteerde gedichten en die van de laureaten kunnen worden nagelezen in de gelegenheidsbundel Het gat in een woord. Maak €11 + €4 verzendkosten (B en NL) over op rek. van Vergauwe Paul/Poemtata: Iban BE67 9733 4770 1887- Bic : ARSPBE22 indien je de bundel met de post wil ontvangen. (B en Nl). 

Wanneer je de bundel zelf afhaalt in het Poëziecentrum, Vrijdagmarkt 36, 9000 Gent ontvang je een leuk poëziegeschenk! Gelieve in beide gevallen wel vooraf je bestelling door te mailen naar poemtatapoezie@gmail.com en te betalen via overschrijving. 

Geef toe: dit is alweer naar goeie Poemtata-traditie poëzie voor een prijsje! De bundel is beschikbaar omstreeks 15 december 2020. De opbrengst van de verkoop wordt door Poemtata volledig gebruikt om poëziemanifestaties voor volwassenen en kinderen te financieren.  

Alle info: Poemtata.be  

(P.R.)

 

 

 

zondag 25 oktober 2020

Winter neemt in woorden toe - Christiaan Germonpré

Winter neemt in woorden toe:
een tak lost een blad, rust in het geheugen.
Zo stapelen wij dood, eenzaam geluid,
ruimte binnen de grenzen van onze huid.

Het najaar verteert een vis;
meeuwen stuiven op het wak voor ons uit,
laten een spoor van verlangen na.
Het zilver in het onvoltooide verdrijft weldra
elke metafoor; alleen verte waait ons toe.

Muziek, vergetelheid ligt op het meer,
onaangetast; troost wordt in het netvlies
van de forel bewaard.

Wij dachten op tweespraak, verlies,
nu de tijd de trage gedachtengang van ijs openbaart.
Stilte wordt licht verschoven, keer op keer.


© Christiaan Germonpré
(°Roeselare, 07 september 1950 - Kortrijk, 13 oktober 2020)

Gisteren werd in Kortrijk met onder meer dit gedicht
in intieme kring afscheid genomen van Christiaan.
 




donderdag 22 oktober 2020

Breek uit je standbeeld - Bert Struyvé

maak een vliegtuig met alleen staanplaatsen
de thuishaven voor minder vluchten
maak ook je koffer leeg, de helft gebruik je niet
en de andere helft zit in je hoofd

misschien kan je scharnieren voor je botten
maken, die bij droogte niet gaan knerpen
in de kracht van smeerolie als afkoeling

laat je hoofd zwellen tot warmtebestendig
voel de branding door je hersenen dreunen
en relax van doodtij voor de eb inzet

ach, misschien ga je als geslaagde luchtfietser
de herinnering in, als je maar met een baton
de sirene tot muzikale echo weet te dirigeren

Joop Zoetemelk zei het al: Parijs is nog ver
schrijf het klein in de kantlijn van je bucketlist


© Bert Struyvé




woensdag 21 oktober 2020

Een druppel van verzet - Bert Struyvé

al stop je hem als herinnering
in de grond, ook een tong en een bot
kunnen ogen openen, net boven het zand
waar je in water schrijdend kunt waden

het is het einde van de veertiende maand
voorbij het douceurtje, meer dan
een lening, waarin zijn duizend bloemen zwemmen

geef hem de laatste like
aandacht ontluikt veel mensen
die toch al gewend zijn naar alles te knikken

of het gekweekt vlees is, vraagt iemand
ach, morgen zal het dak zich sluiten

er lekt dan niets meer naar boven


© Bert Struyvé




dinsdag 20 oktober 2020

Binnenhuisklimaat - Bert Struyvé

het is begonnen
toen de zon buiten met kracht scheen
achter de strak gemetselde muur
en het ijs binnen deed wat het kon

waar de bewoners zich vanouds veilig achtten
hoewel kruiend haaks
verbonden met scheuren die wegschieten

toen hun gebed niet aansloeg
de mond zich met water begon te vullen, begrip verdronk
en de huid zich in steeds meer warmte verloor
wilden de bewoners eigenlijk wel

dat
ja, wat eigenlijk?
een uitvergroting gedraagt zich zelden toegeeflijk

maar valt in het niet
bij het achteloos verkleinen van verandering
tussen duim en wijsvinger


© Bert Struyvé




maandag 19 oktober 2020

Een elegie voor het verglijden

Toen gisteren nog vandaag was - Nieuwe dichtbundel van Marleen de Crée

Dat hardnekkige en onzichtbare Corona-virus speelt tegenwoordig wel elke voorstelling van een nieuw boek of bundel parten. Ook de nieuwste dichtbundel ‘Toen gisteren nog vandaag was’ van Marleen De Crée, ondertussen een dichter met een oeuvre dat niet te geringschatten valt, kan niet op een gewone voorstelling rekenen. Maar geen nood hoor, het boek is er! En het moet, wat ons betreft geproefd en gelezen worden!

…/…

“Als dichters aan het zingen gaan, dan tintelen de bladeren gedurig na. Toen gisteren nog vandaag was,

het mos nog zong en – met dauw in het hart – op het leven lag te wachten, daar ontstond de partituur. Hier klinkt het lied van stilstaande klokken, brengt de getijden van de wijs. Marleen de Crée dicht buitengewoon standvastig een elegie voor het verglijden. Dat van het leven vooral het voelen overblijft, van de tover de huiver, over ieder verhaal ontegenzeggelijk een doek valt. De woorden zwenken terug naar zichzelf alsof / ze ooit over wolken waren gekomen, / over rollende lucht, onvast en ijl. Een cyclus waarin de zon het wit van het blad afknalt, als evenzoveel briefkaarten over bos, zand en van de regen vallende bladeren. Een cyclus als een requiem voor een vriendin, geen lacrimosa maar
het fijne waaien van een lied, / dun gefluister, oor tegen mond
. En daartussen, als een blauwe schaduw – ver¬hullend en verzwijgend – de buitenwereld met zijn soms dreigende, soms donkere en ongelukkige levens. De zorgen, het boos worden, het mededogen. Het is de zuivere aandacht die van deze poëzie de deuren wijd open zet. Elke aankomst baart in zich een vertrek.”

Een gedicht uit de bundel:

Bladtijd


dit is het blad van alle bladeren
die vallen bij regen, zweven op
de tonen van een avondlied
drupsgewijs en zwijgzaam.

dat ene blad, het mijne, een gedachte
met een gezicht dat droomt
van licht dat door de aderen
suist naar even stilstaan,

naar rust in een kleed van tijd,
een gezang in de vorm van duren,
toen uren en maten nog niet

door de bomen gleden, alles wit
was en een blad nog op het hart
kon wegen met een gevoel van spijt.


© Marleen de Crée


De bundel is een uitgave van Uitgeverij P en kan aldaar besteld
via overschrijving van 17 euro + 3,50 euro portkosten op
rek.nr. BE08 4310 5290 8113 (Uitgeverij P) 

Extern:
De aanstekelijke hoop in de lockdown van Marleen de Cree bij Poëzie Centraal 

 







 

Marleen de Crée (Bree, 1941) werd talrijke malen onderscheiden, o.a. met de Provinciale Prijs van Antwerpen voor Poëzie, de Maurice Gilliams- en de August Beernaertprijs (KANTL) en de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen. Zij publiceerde een 25-tal dichtbundels en twee verzamelbundels. Haar gedichten werden opgenomen in talrijke tijdschriften, bloemlezingen en in bibliofiele projecten met grafici en fotografen. Haar poëzie werd vertaald in het Frans, Engels en Duits. 

…/…

(Foto Marleen de Crée: Paul Rigolle, 2018)


donderdag 15 oktober 2020

Dichter Christiaan Germonpré overleden

 I.M. Christiaan Germonpré (Roeselare 7/9/1950 - Kortrijk 13/10/2020)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

In Kortrijk waar hij sinds jaar en dag woonde en vrijwel zijn hele beroepsleven werkzaam was als medewerker van de Bib, nam dichter Christiaan Germonpré dinsdag 13/10/2020 laatst op een waardige en serene manier afscheid van een rijkgevuld en poëtisch leven.

Christiaan Germonpré debuteerde als dichter in het jaar 1978 met de bundel Voor de losprijs van warmte. Er volgden nog zeven dichtbundels waarvan zijn bundels Tweespraak (1990) en Onsterfelijk blauw (1995) die werden uitgegeven door het Poëziecentrum smaakmakend waren. Met Ik verzend mezelf als een ansichtkaart, uitgegeven door Facet, bracht hij in 1998 een selectie van de gedichten samen die hij schreef voor de jeugd. Daaruit werden er door Gerrit Komrij drie opgenomen in zijn bekende bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Ook in Hotel New Flanders staat een gedicht van Christiaan.

Van het jaar 1988 tot 2000 was Christiaan Germonpré redacteur van de bekende VWS-cahiers. Zelf schreef hij zeven van deze essays over de West-Vlaamse literatuur. Met Tussen hemel en aarde publiceerde hij in 1995 een studie over kermissen en circussen in Kortrijk. Belangrijk waren en zijn ook zijn vertalingen van het poëtisch werk van Hilde Domin en Rita Dove. Hij vertaalde voorts ook een groot aantal gedichten van Duitse auteurs zoals Karl Krolow, Ingeborg Bachmann, en Michael Krüger. Hij leverde tevens een hele resem artikels aan allerhande literaire tijdschriften. Peter Aspeslagh bezorgde voor Arhus en de Roeselaarse Auteurs een uitgebreide bibliografie en Julien Vermeulen schreef in het jaar 2002 een VWS-Cahier dat vakkundig inzoomde op het werk van Christiaan. De literaire productie van Christiaan Germonpré vertraagde toen, al in het jaar 2000, bij hem de meedogenloze ziekte MS werd vastgesteld. 

Even werd overwogen om het verzameld werk van hem uit te geven maar dat is er uiteindelijk niet van gekomen. Er schuilt veel stilte en inkeer in zijn poëzie, zonder gebruik van veel grote woorden, iets wat hem zelf in het dagelijks leven ook typeerde. Al kon zijn lach af en toe luid doorheen het huis galmen.

In mijn bibliotheek staan zijn gedichten blijvend (en beklijvend) tussen die van Gerlach en Gezelle. Ik herinner mij in Christiaan graag een man die, ondanks zijn ziekte, moedig als hij was, tot op het laatst gedreven en alert was en een bijzonder goed oog had voor nieuwe poëzie en publicaties. Daarover was het met hem altijd aardig en geregeld fel badineren (en soms ook wat ongegeneerd roddelen). Afspreken op de afrit Zwevegem aan het rondpunt van Cowboy Henk in het Zuiden van Kortrijk, af en toe op zondagmiddag in het Walle van Hugo Claus ‘tartaar van kalfsmuis met verse kikkerhammetjes en Poperingse hopscheuten' savoureren, het bladeren in fotoalbums over New York en Canada en gesprekken over leven en werk en de kat Wilma, het zijn enkele van de vele herinneringen die we blijvend koesteren.

De voltallige vriendenkring en het bestuur van de VWS bieden Chantal, de familie en de vele vrienden haar diepste gevoelens van deelneming aan.

.../...

Verbond

Wat je gade slaat, wordt opgespaard
Winterkou maakt de lorken gedachteloos.
In hun takken het stil gebaar, de afreis
van het roze in uitdeinend grijs.

We staan als bomen naast elkaar geplant,
zonder schaduw, als een eeuwig verbond
in de grootsprakerigheid van het heelal.
We zwijgen, hand in hand.

En hoe het vaderbeeld steeds in mij opduikt:
de harde handdruk, de afgewogen glimlach,
de nooit uitgesproken zinnen. Geluk

werd voorgelogen. Alleen nadrukkelijk gezag
ondermijnde mijn taal. Toch blijf jij
het voegwoord ‘en’ in mijn levensverhaal.

© Christiaan Germonpré

Uit Onsterfelijk blauw, Poëziecentrum, 1995

.../...

Hilde Sabbe die Christiaan in haar Kortrijkse jaren goed gekend heeft schreef op haar Facebookbladzijde een pakkend en typerend herinneringsbericht dat we hier graag met haar toestemming publiceren.

Ik moet een jaar of 24 geweest zijn toen ik hem voor het eerst ontmoette, boven in wat toen nog ‘t Salonske was op de hoek van de Kortrijkse Grote Markt. Ik at er vaak een dagschotel.

Die dag was er geen plaats meer vrij, maar Roland wees naar een tafeltje waar een jonge man met rossig haar en een vriendelijk gezicht alleen zat te eten. Of ik erbij mocht komen zitten? Hij verschoot van kleur, kuchte zenuwachtig maar noodde me toch tot aanschuiven. We deelden het middagmaal hoofdzakelijk in een wat ongemakkelijke stilte, want hij was verlegen als hij je niet kende, en introvert.

Bij een volgende ontmoeting leerde ik dat hij in de bieb werkte, en fraaie, vaak weemoedige gedichten schreef. Er groeide een warme vriendschap tussen ons. Ik hield van zijn beminnelijke zachtmoedigheid, en ik vermoed dat hij mij een soms wat roekeloze spring in ‘t veld vond. Maar elkaar vonden we altijd.

Twintig jaar geleden kreeg hij de vreselijke ziekte MS. Als ik hem in K bezocht - altijd minder dan ik van plan was of wilde- werd ik diep getroffen door de kalme waardigheid waarmee hij zijn lot droeg. Hij ging niet schelden of drinken, werd niet verbitterd, maar onderging het min of meer gelaten. Gelukkig kon hij altijd rekenen op de steun en aanwezigheid van zijn vrouw die ‘for better and worse’ letterlijk nam. Ze gaf zin aan zijn dagen, hoe lastig ook.

Nu is hij dood. De wereld is weer een beetje killer en schraler geworden.

Dag Christiaan, dankjewel voor alles.


Op zaterdag 24/10/2020 wordt in intieme kring en rekening houdend met beperkende Corona-maatregelen afscheid genomen van Christiaan.

.../...
Extern:
Christiaan Germonpré bij DBNL
Christiaan Germonpré bij Auteurslezingen
Bibliografie van Peter Aspeslagh voor Arhus en de Roeselaarse auteurs (pdf-bestand)

Condoleren kan via het Rouwcentrum Deseyne en wel via deze link.

Dit bericht verscheen in eerste instantie op 'Dun lied donkere draad', de blog van de VWS.

(Paul Rigolle)
 


dinsdag 13 oktober 2020

I.M. John Heuzel - Bezieler van Kruispunt

In Brugge is verleden week woensdag 7/10/2020 John Heuzel overleden. John was de bezieler van het literair tijdschrift Kruispunt dat in de periode 1959 - 2005 een aparte plaats verwierf in de literaire wereld. Het tijdschrift evolueerde tot een tijdschrift in boekvorm en publiceerde regelmatig themanummers: James Joyce en L.P. Boon werden uitvoerig bedacht evenals IJsland, Zeeland, de Samische literatuur en de Bretonse poëzie van de twintigste eeuw (een tweetalige bloemlezing van Jan Deloof). Vanaf het jaar 2001 had Kruispunt niet langer een werkgroep maar voor het eerst ook een heuse redactie François Boni, Mark Braet, Fa Claes, Jan Deloof, Theo Franssen, M.H. Huisman, Kees Klok, Francis I. Laleman, Dirk Rommens en Lauran Toorians. (Bron: Renaat Ramon, Geschreven tijd).

Voor de VWS-blog 'Dun lied donkere draad' schreef Hendrik Carette een herinneringstekst. Die is hier na te lezen.


Extern:
I.M. John Heuzel - Hendrik Carette - VWS
Herinneringen aan Kruispunt - Kees Klok
Geschreven tijd, Renaat Ramon. Literaire en semi-literaire tijdschriften
in West-Vlaanderen 1805-2005



zondag 11 oktober 2020

Brievenvriendschap - Pieter Drift

In het begin dachten we dat we minimaal tijdelijk onsterfelijk zouden worden. Een contradictio in terminis waar we geen last van hadden. Zeker zouden we nog een aantal generaties na ons gelezen worden. We vroegen ons alleen wel af of we onze brieven moesten bewaren of verbranden vlak voor onze dood. Aan de ene kant wilden we laten zien wat we allemaal geschreven hadden maar aan de andere kant wilden we niet dat iedereen onze roddel en achterklap zou aanschouwen.

Nu weet ik dat het een vraag was waar we ons niet mee bezig hadden hoeven houden. De kans dat ze ongelezen bij het oud papier terecht gaan komen is bijna een zekerheid. Wie gaat onze schrijfsels lezen? Voor ons van onschatbare waarde, zelfs nu ik ze al meer dan vijftien jaar niet meer ingekeken heb. De ordners staan voor passie en vriendschap. Mijn boeken- en muziekcollectie roept een soortgelijk gevoel op. Tegenwoordig streamen mensen muziek en dat is ook prettig maar een fysieke verzameling is meer. Mijn oog heeft het directe contact nodig.

Al jaren schreven wij geen brieven meer aan elkaar en daardoor was er iets verloren gegaan in onze vriendschap. Als we elkaar zagen was het goed maar toen we schreven was er meer. We bezochten elkaar, gaven elkaar een brief, gingen lezen wat de ander geschreven had en daarna begon het bezoek pas. Onze vriendschap zat in de brieven.

Vanmorgen lag er een rouwkaart in het halletje. De enige post van vandaag. Jouw dood was al aangekondigd maar nog niet op papier. Op de voorkant van de kaart stond een schilderij van Rothko. Heel donker met een volrood vlak op een derde van de onderkant. Ik klapte de kaart open en zag het citaat van Nietzsche dat jij altijd al op je rouwkaart had willen hebben: ‘Het voorrecht van de doden is dat ze niet meer behoeven te sterven’.

© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn.


maandag 5 oktober 2020

De wereld heeft een naad

Toespraak van Herman Leenders bij de voorstelling van 'Twee Helften' van Tania Verhelst.

Beste Tania
Beste Paul
Beste sympathisanten van het werk van Tania Verhelst

In het allerlaatste nummer van het literaire tijdschrift Plebs, ik vermoed in 2014, zag ik voor het eerst werk van Tania Verhelst. Het nummer was helemaal aan haar werk gewijd en bestond uit sprookjesachtige verhalen geschreven met beelden en woorden, met woorden in de beelden. De beelden deden nog het meeste werk en de woorden waren nog geen zelfstandige gedichten. Linda Dejonghe had de bladen kunstig bijeengebonden met rood garen.

En nu in oktober 2020, zes jaar later, ligt hier dan de eerste bundel van Tania, een bundel waarin woorden de boventoon voeren en waterverfbeelden nog slechts de afdelingen scheiden. Een bundel die opnieuw begint met een verwijzing naar Alice in Wonderland, een figuur die zich verwondert over de wereld waarin ze terechtgekomen is.

De bundel heet ‘Twee helften’ en bevat ook enkele gedichten die eerder zijn opgemerkt in poëziewedstrijden of die ontstonden in het kader van het Brugse stadsdichterschap dat zij begin 2018 van mij heeft overgenomen en dat ze op haar heel eigen dynamische wijze heeft ingevuld met veel aandacht voor en betrokkenheid met haar publiek. Terwijl ik nog een beroep moest doen op andere kunstenaars om mijn gedichten zichtbaarheid te geven (wie wil er – zelfs gratis – een gedicht krijgen dat alleen maar uit saaie woorden bestaat?), kon Tania Verhelst haar eigen stadsgedichten verluchten (lucht geven). Zij schrijft niet alleen gedichten, zij geeft ze ook vorm. Ik benijd haar daarom, zeker als ik moederziel alleen in mijn schrijfkamer zit met niet meer dan een blad of een toetsenbord. Tania Verhelst, dames en heren, heeft geen schrijfkamer maar een atelier, met noorderlicht wellicht, waar het ruikt naar verf en inkt. Zij heeft, zo stel ik mij voor, een immense tekentafel en een draaikruk waarmee zij kan rondzwieren. Zij heeft kwasten, in alle formaten, waarmee zij kan strijken, zij heeft tubes waarin zij mag knijpen. Zij heeft bedreven handen. Zij heeft stiften en potloden voor alle mogelijke ondergronden. Juist!

En wat lees ik in het gedicht ‘over de vloeibaarheid van vriendschap’?

we tekenen lijnen op elkaars huid

Zij heeft dus ook stiften om op mensenhuid te schrijven. Ik voel al de tintelingen tot in mijn tenen, maar dan zegt zij:

we tekenen lijnen op elkaars huid: tot hier en niet verder
het zijn dezelfde lijnen waar de chirurg het mes in zet

Op internet lees ik dat Tania Verhelst in een ziekenhuis werkt. Toch maar oppassen met die Tania Verhelst.

Hier ligt dus een bundel die niet in twee helften uiteenvalt en die niet wordt samengebonden door rood garen. De lijm houdt de bladzijden samen en de gedichten houden de woorden samen. Dat is nodig want mensen blijken uiteen te vallen, zij blijken een naad te hebben, ze zijn niet compleet en intens op zoek naar een wederhelft. En als ze dan al een wederhelft gevonden hebben dan kan er van alles misgaan.

Neem bijvoorbeeld het mooie gedicht: bespiegelingen op een bruidstaart.

Pro memorie: een bruidstaart wordt traditiegetrouw geserveerd op een huwelijk. Een huwelijk wordt met beider instemming kerkelijk of burgerlijk ingezegend op een ogenblik dat het goed gaat tussen de wederhelften: en dat voor immer en altijd.

Aan het woord in dit gedicht is niet het bruidspaar maar de suikeren bruid die op de taart staat. Het suikeren bruidspaar is een afspiegeling van het eigenlijke bruidspaar, en het lot van het suikeren bruidspaar lijkt ook een voorafspiegeling van wat het echte bruidspaar te wachten staat:

straks gaat het licht uit en steekt een man wat sterren aan
zet hij het mes in onze tuin om wat Een is te verdelen
over duizend plastic borden en wij zouden kunnen huilen
maar wij lachen voor de foto’s
jij in je pak van drop en ik in mijn jurk van suiker

Met andere woorden van in den beginne, op de bruiloft al, gaat het mis, wordt versneden wat bij elkaar hoort. De suikeren wederhelften die

…hand in hand
schijnbaar dolgelukkig in het veel te felle licht
staan te smelten

Wat feestelijk is wordt door Tania in Wonderland - op z’n minst - in vraag gesteld. Het bruidspaar werd de zaal ingedragen – Les lacs du Connemara van Michel Sardou schalde door de luidsprekers terwijl de gasten met hun zweetoksels en met hun witte servieten zwaaiden - maar dan gaat onverbiddelijk het mes erin.

Net zoals de chirurg het mes zet op de lijnen die op je huid worden getekend.

De wereld heeft een naad, evenaar genaamd, een paasei heeft een naad, we hebben een haarscheiding, een dag bestaat uit twee helften (dag en nacht), net als onze hersenen en soms worden we van elkaar gescheiden door een (computer)scherm. .. En als we afgesneden zijn, hebben we fantoompijn of littekens.
God heeft de aarde en de mens gemaakt met een lasnaad. 3D was toen blijkbaar nog niet uitgevonden.

In het gedicht ‘tocht’ schrijft Tania Verhelst

…als je een bon uitknipt
komt er een gat voor in de plaats

Met die bon hoop je iets te winnen, maar je krijgt er wel een gat voor in de plaats. Vandaar dat het in een mensenleven kan tochten en dat je een teckel voor de deur moet leggen.

In een ander gedicht (‘wat er van het zilver is’) zegt de dichter over een huwelijk: de schaar (En wat doet een schaar? Juist: knippen!), de schaar “vliegt boven onze hoofden” en even verder in dit gedicht herinnert de ik zich een porseleinen pop die zijn ogen sloot als je hem neerlegde. De ‘ik’ deed dat zo vaak dat het mechaniekje niet meer werkte waarop de ‘ik’ dan maar zijn kop eraf schroefde: op die manier krijg je natuurlijk ook twee helften.

Wie enerzijds twee helften zegt, impliceert anderzijds ook snijden, knippen of uit elkaar trekken: dat zijn pendanten, het hoort bij elkaar. Wat samen is, wil de mens scheiden of in stukken snijden en wat gebroken is wil de mens lijmen of weer repareren. Maar na het knippen is het niet vanzelfsprekend om de twee helften weer aan elkaar te naaien (al dan niet met rood garen), om ze weer naadloos op elkaar te laten aansluiten: de kop en de porseleinen pop noch de wederhelften zullen ooit weer dezelfde zijn als voor de breuk.

Bloemen (ik citeer)

…staan op afgeknipte voet te sterven in hoog water

en wij maar zeggen hoe goed zij er niet uitzien, hoe goed wij er niet uitzien
tot onze kin in hoog water altijd op zoek naar een plot, een motief of een tandwiel

maar passen doen wij niet

De mens is net als een afgeknipte bloem in een vaas, ten gevolge van het doorknippen van de navelstreng op weg naar het onvermijdelijke einde, zoekend naar een manier om dat een zin te geven, proberend om een plaats in een verhaal te verwerven, proberend om zich in te passen in een groter geheel. Het tandwiel solliciteert naar een goede plaats in het raderwerk. Het tandwiel wil nuttig zijn en zoekt het andere tandwiel waarin het past en waarmee het kan functioneren. Zoals een stopcontact bestaat uit een vrouwtje en een mannetje. Geen stroom zonder elkaar.

“Ach, jullie zijn toch niet meer dan een pak kaarten”: zo citeert Tania in het begin van haar bundel Alice in Wonderland. In een titelloos gedicht schrijft Tania Verhelst, verwijzend naar de kaarten van Vrouw en Heer

…onder de gordel van elke helft is geen geslacht
en over de rand van de spiegel val je niet samen met die ander

De Vrouw en Heer van de speelkaarten hebben geen geslacht. Zij spiegelen zichzelf in complete perfectie, vallen volledig samen met zichzelf maar in geslachtloze eenzaamheid. Ze zijn hun eigen wederhelft.

In het gedicht ‘waar het stil is’ komt een stel voor waarvan de dichter zegt

ik ken geen stel dat elkaar zo graag ziet

Het gaat echter om een blind stel dat met witte stokken “als één dier met twee voelsprieten de stoep aftast”. Dus dat heel graag zien is in elk geval niet letterlijk te nemen. En dus lijkt het ironisch dat net deze mensen zo’n goed koppel zijn.

Maar tegelijkertijd is het ook waar: deze mensen zijn inderdaad één lichaam geworden “één dier met twee voelsprieten”, hun radertjes passen perfect in elkaar, ze zijn een mechaniek dat werkt, ze zijn elkaars spiegelbeeld.

In deze bundel van Tania Verhelst zitten nog wel meer verhalen. Ik heb er slechts één verteld, het verhaal dat mij het eerst opviel en het verhaal dat ook de titel van de bundel is geworden. Deze bundel zit vol beelden en observaties die je op een andere manier laten kijken naar jezelf, je partner, de wereld, die je vragen doen stellen, die je te denken geven. Het is een plezier om als een Alice in het werk van Tania Verhelst rond te dwalen, als in een tuin met vele hoeken en kanten. Ik raad jullie aan om dat ook te doen: je zult het je niet beklagen. Je mag het gazon betreden, maar a.u.b. pluk de bloemen niet, knip de gedichten niet uit.

Ik vouw mijn toespraak samen en verdeel de bladen voor altijd in twee helften, (de vouw gaat er nooit meer uit), een bovenkant en een onderkant. Straks loop ik weg met mijn staart die twee benen zijn geworden (een beeld van Tania). Het ene been wil naar links, het andere naar rechts. Ik zou Tania met een kus willen feliciteren, één op haar linkerwang en één op haar rechterwang maar omdat virussen luizen zijn die anderhalve meter ver kunnen springen, doen we dat maar beter niet. Er zijn in deze wereld zo al te weinig goede dichters. Koester haar.


© Herman Leenders

Guido Gezellehuis, Brugge, 3 oktober 2020 coronatijd

Digther-bericht: Voorstelling 'Twee Helften' in het Gezellehuis

'Twee helften' - Het debuut van Tania Verhelst

Tania Verhelst in het Gezellehuis (Zo 4/10/2020)

Zaterdag 3/10/2020 laatst werd in het Brugse Gezellehuis ‘Twee helften’ de debuutbundel van Tania Verhelst voorgesteld. De bundel is een uitgave van Uitgeverij De Zeef, stilaan hét adres voor debuterende dichters om thuis te komen. Het Gezellehuis was de aangewezen locatie voor de voorstelling want multitalent Tania Verhelst die behalve dichter ook plastisch kunstenaar en nog een paar dingen meer is, neemt immers momenteel ook het eerste officiële Stadsdichterschap van de Stad Brugge waar. Met die mooie witte open tent in de Gezelletuin kon alles zaterdag bovendien – met de zorgzame hand op het hart - volledig ‘corona-proof’ verlopen.


Herman Leenders leidde, spits en gevoelig zoals we dat van hem gewoon zijn, de bundel in. Collega-dichters Edward Hoornaert en stadsgenoot Wim Vandeleene, die net als Tania Verhelst deel uitmaken van het dichterscollectief Obsidiaan, lazen voor en er was muziek van Dirk Ooms en Bernard Dewulf. Uitgever en dichter Roel Richelieu Van Londersele overhandigde het eerste exemplaar aan een glunderende én uiteraard terecht heel gelukkige Tania Verhelst. Zij las enkele gedichten uit haar bundel en had tot slot nog een bevlogen dankwoordje voor ons bewaard. Onze cerebrale hemisfeer die zoals de meeste andere dingen niet toevallig ook al uit 'Twee helften' bestaat zag (én hoorde) dat het goed was!

Na de publicatie van haar corona-stadsgedicht 'als de tijd daar is' vroeg Tania Verhelst haar lezers en iedereen die dat wilde, verder te schrijven, beginnende met de mantra 'als de tijd daar is', met de belofte om elk vers van een beeld te voorzien.
Dit stadsdichtersproject van haar resulteerde in een mooie tentoonstelling die in het Gezellehuis nog tot 6 december 2020 kan worden bezocht. Wel reserveren vooraf!

De tekst van zijn inleiding, waarvan iedereen graag zag dat ze achteraf voor alle poëziefanaten bereikbaar bleef, werd ons achteraf door Herman Leenders bezorgd. De tekst is dan ook integraal via deze Digther-blogpost na te lezen. Waarvoor dank!


Extern:
* De wereld heeft een naad - Inleiding Herman Leenders
* Thuissite Uitgeverij De Zeef
* Expo ‘Als de tijd daar is’ – nog tot 6 december 2020
* Als de tijd daar is – Stadsdichtersproject van Tania Verhelst
* Dichterscollectief Obsidiaan
* Thuissite Tania Verhelst
* Thuissite Herman Leenders
* Thuissite Roel Richelieu Van Londersele

Foto's: van boven naar onder:
Tania Verhelst, Edward Hoornaert, Wim Vandeleene en enkele momentopnames uit de tentoonstelling.

(Paul Rigolle)