Posts tonen met het label Bespreking. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bespreking. Alle posts tonen

dinsdag 7 juli 2026

Een roadtrip als Cri du Coeur

Over Zwermkoorts van Kristien Dieltiens.


Op zaterdag 20/6/2026 werd in Beernem, het thuisdorp van Kristien Dieltiens waar ze sinds 1995 woont, Zwermkoorts, voorgesteld. Het boek is uitgegeven door Borgerhoff & Lamberigts, 2026.

 

Zwermkoorts met als ondertitel ‘Een roadtrip met de dood op de hielen, is geen historische roman, zoals onder meer De stille pijn van Lucca (2005), Papinette(2009) Kelderkind (2012), nu met een nieuwe, algemenere titel ‘Kelderkinderen’,,  Kortgeknipt (2017) of Carlota (2023), maar wel een confronterende, harde psychologische eye-opener. 

 

De titel Zwermkoorts’ is tweeduidig. In de eerste plaats slaat ze op een waanzinnige zwerftrip van moeder Pearl met haar dochter Daisy en zoontje Willow.  Zij ‘zwermen’ vanuit het grensgebied van de  Verenigde Staten langs allerlei stadjes, dorpen en onderkomens, ‘ helemaal door ‘Trump’-land, naar Mexico.

Maar ‘zwermen’, een bijenterm,  slaat ook op het gedrag van de bijen die in het verhaal een belangrijke rol spelen. Je kan ze zien als  metafoor  voor het ‘zwerven of ‘zwermen’  van de moeder en kinderen. 

 

Her  voornaamste thema van ZWERMKOORTS is de  fascinatie voor gevaarlijke moeders die aan het ‘Münchhausen by proxy-syndroom’ lijden en de invloed daarvan op haar kinderen.

Met dit syndroom is Kristien Dieltiens als leraar een paar keer geconfronteerd, en het ligt haar nog  altijd nauw aan en op het hart.  Vanuit haar verontrustende ervaringen geeft ze haar blijvende  betrokkenheid gestalte in een  fictief verhaal.

 

Moeder Pearl, ex-verpleegster, houdt Daisy en Willow bewust kwetsbaar. Ze prent ze in dat ze doodziek zijn en dient hen dagelijks onnodige medicijnen toe.

Zij moeten dankbaar zijn voor deze ‘fantastische moeder’, die met hen en voor hen de dood ontvlucht, op zoek naar de meest geschikte dokter die hen kan helpen.

Zij moeten haar tonen  dat ze van haar houden. Zo gedragen ze zich ook. 

Tegenover de buitenwereld wil ze bewonderd worden als de zeer bezorgde, perfecte moeder.

Kristien Dieltiens laat Daisy aan het woord en leeft zich diep in de kinderen in. Ook in haar eerdere jeugdliteratuur en romans   (106 in totaal  nu al!) toonde  zij  een groot hart voor kwetsbare kinderen.

 

In de roman worden afwisselend witte en grijze bladzijden gebruikt.

De witte bladzijden slaan op het heden.  Daisy, de verteller, overdenkt de acht jaar waarin  ze als kind, na hun laatste stopplaats in Monterrey, Mexico,  gescheiden leefde van haar moeder en broer. Therapeute Cassandra geeft haar de raad om het dikke glas tussen haar heden en verleden te doorbreken. .Dat probeert ze in zeven stappen die Cassandra haar opdraagt.

Ieder stap levert flashbacks op die we lezen in de  grijze bladzijden. Die duidelijke structuur maakt de roman heel toegankelijk. 

 

In versneld  tempo herneemt de volwassen Daisy  de tocht vanuit Amerika  terug naar hun laatste verblijfplaats in Monterrey. Daar erfde ze van de imker Saturnino, voor haar ‘de vader die ik nooit gekend heb’,  een  grote som geld, zijn huis en imkerij. Ook naar haar broer Willow die ze in Monterrey achterliet en die ze mist, wil ze op zoek.

Bij aankomst wordt ze opgevangen door Rodrigo en zijn zoon Jesüs.   Dank zij het gewezen  nauwe contact van Jesüs met de overleden Saturnino én diens logboek  zorgt hij voor de laatste schakel tussen verleden en heden. 

Jesüs is het ook die haar (en Kristien Dieltiens ook ons,  in heel mooie bladzijden!)  laat kennismaken met  het gedrag van de bijenwereld. Hun gedrag heeft het kind Daisy van de dood gered.

En Daisy beseft: ‘De bijen van Saturnino hadden een deur geopend‘ en ‘Alles wat hij (Saturnino in zijn logboek) ) had beschreven, klopte met mijn leven’.

 

De flashbacks in de grijze bladzijden brengen ons naar verschillende personen die Daisy’s leven beïnvloedden.

 

Vooreerst is er moeder Pearl (what’s in a name..), een fysiek aantrekkelijke vrouw. Een narcistische  vrouw ook die verslaafd is aan zichzelf, die zichzelf verheven voelt  boven leraars (ze is bewust thuislerares) en dokters.

 

Behalve het Münchhausen by Proxy syndroom, vertoont Pearl nog  meer psychopatische trekken.

Als borderliner is ze emotioneel instabiel en impulsief,  met terugkerende relatieproblemen. De mannen met wie ze om de haverklap relaties aangaat, dumpt ze meteen wanneer  ze zwanger wordt. Telkens laat ze het kindje verdwijnen. Om mogelijke vragen te vermijden, ‘vlucht’ ze met haar kinderen naar een volgende bestemming.. 

 

Als eerste bant ze  haar moeder Granny uit hun leven.. Granny vermoedt een en ander en protesteert tegen de behandeling van de kinderen. Zij missen haar.

Op verschillende vluchtplaatsen proberen mensen de kinderen te beschermen, mensen waarbij de kinderen zich té goed voelen volgens Pearl en die haar doorzien: Rose, ,een buurvrouw Gladys , Little Liam …Daar loopt het mis wanneer Willow en  Daisy ontdekken wat er gebeurt  en verplicht worden om een baby, die ze liefdevol Big Liam noemen, te begraven. Op hun laatste bestemming gebeurt hetzelfde met de baby van Pearls laatste ‘geliefde’ Renzo. De roadtrip gaat vanaf dan naar een versneld einde toe. .

 

Dat Daisy en  Willow van hun moeder blijven houden,  haar (weliswaar verplicht) dankbaar blijven ‘als mama maar gelukkig blijft’, is aannemelijk lezen we: (…)  een moeder in je hoofd, in je lijf, kan nooit geamputeerd worden.’  

Daisy neemt pas jaren later afstand, wanneer ‘mama’ voor haar ‘Pearl’ wordt .

 

Willow, Daisy’s jongere broer, is volgens moeder Pearl laagbegaafd en plast nog in zijn bed. Dat wordt telkens door een woedende Pearl hardhandig afgestraft.

Laag begaafd is de teruggetrokken Willow niet. Hij verzamelt insecten  in glazen potjes  en  bestudeert ze.  Om zichzelf te beschermen leeft hij in zijn gedachten en praat hij weinig, behalve met een fictief vriendje Bear. Daisy beschermt  hem en waakt over hem, zoals ook hij haar beschermt en redt uit een benarde toestand met hangjongeren.

 

Daisy vertelt Willow over de boeken die ze stiekem uit een plaatselijke bibliotheek ontleent.  Zij fantaseren  er verder over,  blijven eigen verhalen vertellen en bouwen een eigen schatteneiland. Zo  overleven ze hun gedwongen gevangenis.

Ook hierin herkennen we het vaste geloof  en pleidooi van  Kristien Dieltiens voor de kracht van woorden,  boeken en verhalen.

 

Andere personen van grote betekenis voor de kinderen vermeldde ik al eerder: de vaderfiguur Saturnino, Rodrigo en Jesüs die Daisy inleiden in de wereld van de bijen.  Door hem  beseft Daisy tenslotte dat ze leefde zoals de insecten van Willow: ‘achter dik glas, starend naar wat zich aan de andere kant afspeelde.’.

Ze is klaar voor de laatste stap van Cassandra’s 7 opdrachten: en nieuw levensverhaal schrijven.

 

Voor dit levensverhaal ging Kristien Dieltiens ging niet over eén nacht ijs. Drie jaar opzoekingswerk en schrijven gingen aan de publicatie vooraf

Samen met haar Mexicaanse schoondochter en diens zus en zoontje maakte ze  een roadtrip in de Zuidelijke Staten van de VS en Mexico. Zij beschrijft de vele bezochte locaties en haar  indrukken en ervaringen  gedetailleerd,  beeldrijk, zintuigelijk  en vaak heel poëtisch.

 

Daarnaast heeft ze ook oog voor de politiek in Texas en Mexico. Ze portretteert zijdelings de

Trump die ze ziet op billboards en op MAGA- T-shirts en die Daisy  hoort in de gedreven pro-Trump reacties van moeder Pearl.  Daisy laat ze kritisch krantenartikelen lezen waardoor haar een licht opgaat over de Amerikaanse politiek. Haar goudvis noemt Daisy ‘Donald’: ook hij ziet alles achter dik glas.

Kristien Dieltiens liet zich daarnaast door imkers grondig inlichten over de wereld van de  bijen en hun gedrag. Daisy ziet de paralellen met haar leven.  Lange gesprekken met psychiater Dirk Adriaenssens over het psychopatische gedrag van de moeder en het effect op de kinderen leidde tot diepgang van de personages.   

 

Op de voorstelling van Zwermkoorts vertelt Kristien Dieltiens: :

 

Het anonieme van die eindeloze landschappen, het idee dat je er kunt verdwijnen zonder dat iemand het merkt, bleef bij mij hangen”  “Daarnaast las ik veel over bijen. Dichter Maurice Maeterlinck zei ooit dat de mens nog maar vier jaar te leven heeft als de bijen uitsterven“. Zwermkoorts is een begrip uit de bijenwereld en de poëzie, en ik wilde daar graag mee aan de slag.”

 

Hoe heb ik Zwermkoorts beleefd?

 

Zwermkoorts is naar inhoud een a-typische Dieltiensroman. Anders dan de vorige  is hij niet vanuit een historische, maar wel vanuit een  zeer persoonlijke ‘cri du coeur’ geschreven. – Ik las hem met stijgende verwondering, onrust en ongemak.

Hoe zeer heeft Kristien Dieltiens mij in haar eye-opener betrokken! Dat ik, een leek in dit probleem  en dit soort situatie, niet aan de geloofwaardigheid twijfel, daarvoor staan  de diepgang van de personages, het goed gedocumenteerde en  gedetailleerde verhaal garant. Haar vlotte, toegankelijke stijl en zintuigelijke rijke taal  trokken mij iedere bladzijde verder. Het is geen roman om in ‘l’heure bleue’ te lezen, maar mijn ‘verwondering’ eindigde in een grote bewondering.

Ik ben ervan overtuigd en ik hoop dat dit ook voor heel veel lezers zo zal zijn.

 

In boekenvriendschap, Jet


© Jet Marchau
 

Deze recensie verschijnt ook op "Dun lied donkere draad" de blogsite van de VWS:
Dit is de link. 
 

dinsdag 23 december 2025

In het letterlabyrint van de liefde

Openingstoespraak van Antoon Van den Braembussche bij de voorstelling van 'Verdraaide liefde”  van Jan M. Meier.

Jan M Meier is een jong dichter. Een erg jong dichter. Dit mag een beetje vreemd klinken, maar het is pas sinds 2017 dat hij regelmatig dichtbundels het licht laat zien. Inderdaad, onder zijn echte naam Jean-Marie Maes debuteerde hij in 1972 reeds met Figuratie , een beloftevolle bundel die meteen werd bekroond met de debutantenprijs voor poëzie van de provincie Oost-Vlaanderen, Toen bleef het stil, 45 jaar lang stil, op enkele sporadische en tussentijdse gedichten na. 

In 2017 dus, op 66 jarige leeftijd, verraste hij vriend en vijand met een nieuwe bundel Engelenspoor. Deze bundel stond grotendeels in het teken van het onverwachte verlies van een eigen kind. De bundel belichaamde een prangende, aangrijpende, poëtische verkenning van dood en vergankelijkheid. Dit zette meteen de toon voor een nieuw beginnend oeuvre, waarin, aldus Dirk de Geest, de grote, existentiële vragen niet uit de weg worden gegaan. Naast een paar bundels die minder aandacht kregen, zijn het vooral Grote Gevoelens  (2020) en de dubbelbundel Verstrengelingen (2024) die zeer goed ontvangen werden en hem als dichter definitief op de kaart hebben gezet.

En nu is er Verdraaide liefde (2025), de bundel die vandaag verschijnt en die tevens opmerkelijke schilderijen en tekeningen van Johan Clarysse bevat. En zoals steeds heeft uitgeverij P voor een erg fraaie uitgave gezorgd. In feite is Verdraaide liefde een onderdeel van een ooit geplande trilogie, waarvan deel 2 Verstrengeling en deel 3 Taalslag al in de reeds genoemde dubbelbundel Verstrengelingen (2024, 144 p.) verschenen. Nu pas kan de trilogie in zijn geheel worden gelezen. De oorspronkelijk geplande volgorde is dus: Verdraaide liefde, Verstrengeling en Taalslag.

Centrale thematiek

Vanuit deze trilogie kan men gemakkelijk een centrale thematiek duiden, die meteen ook de unieke identiteit van Jan M. Meier als dichter belichaamt. Er zijn immers maar weinige dichters waarvan de liefdesgedichten zozeer verankerd zijn in het lichaam. De verstrengeling van beide lichamen tijdens de liefdesdaad wordt steevast geassocieerd met klank, muziek, bespiegeling, stilstand van de tijd en vooral ook met taal, het “letterlabyrint”, waarover de dichter spreekt. Elke vraag, elk antwoord gaat van het lichaam uit. De gedichten zijn een ode aan de lichamelijke verkenning en extase, maar tegelijk is er altijd onderhuids aanwezig: de teleurstelling, de tastbare paradox, de ironische kwinkslag, de negatieve weerslag, het nuchtere ontwaken in de tijd. Het is precies aan de dualiteit tussen ode en verwording, tussen bevrijding en verdraaiing dat deze poëzie haar unieke spankracht ontleent. Dit is ook de reden waarom de gedichten menig lezer blijvend zullen ontroeren en intrigeren. 

Verdraaide liefde

Laat ons nu een vijftal aspecten toelichten van Verdraaide Liefde die deze centrale thematiek nader toelichten en gestalte geven.

Een eerste aspect is de ode aan de lichamelijke liefde. Een aantal gedichten hebben als grondtoon de erotische betovering, Een lofzang van de liefdesdaad, de paringsdaad, letterlijk “nahijgend in schor gekrijs”, zoals het in één van de gedichten luidt. Hier wordt het dionysische karakter van de liefde beklemtoond als een (ik citeer) “storm over het slagveld van je lijf”, die uiteindelijk eindigt met (ik citeer) “hij de gemerkte man”, “doorzichtig als dubbelspiegelglas”. De minnaar bestaat haast niet meer! Hij verdwijnt in het niets. Hij is letterlijk overgeleverd aan de liefde, het verlangen, de roes, het heidens genieten, de drift als een (ik citeer) “een blinde aalscholver die duikt”. De paringsdaad wordt tegelijk niet zelden geëvoceerd als een bevrijdend oponthoud, een “dijk tegen de tijd”. 


Een tweede aspect, dat ik al her en daar aanraakte, is de dualiteit van de liefde. Het is aan deze dualiteit dat de voorliggende bundel onder meer zijn titel Verdraaide liefde ontleent. De verdraaiing slaat in de eerste plaats op de ambiguïteit van de liefde. De liefde verwijst evengoed naar goden als naar demonen, evengoed naar wellust als naar weemoed. Deze tweespalt van de liefde is bijna overal aanwezig. Het is een spanningsveld dat ook als prikkel kan worden gezien tot het dichten zelf. De tweespalt leidt ook tot een omkering van de liefde, Het gedicht vertolkt als het ware deze omkering, deze “verdraaide liefde”. Wat overblijft is, zoals de dichter getuigt, “de hapering van onze harten/in woorden bevroren”. Of nog: We zijn “tot in winterwortels bevroren”. De liefdesvervoering is “zo weer weggewist” en eindigt met “de witte kilte binnenin”. De dualiteit van hitte en ijs is overal aanwezig: zo zijn, aldus de dichter, “de fata morgana/al in het ijs verankerd”. De liefde lijdt letterlijk aan een onderhuidse verdraaiing, “een tot schaduw herschreven zon”, zoals de dichter prachtig verwoordt. “Scheur het kleed van de stilte”, zo protesteert de dichter die gevangen blijft in de tweespalt, in wat hij dooikoorts noemt, of een vagevuur dat hij als compromis omschrijft. Soms kristalliseert zich de dualiteit in een ware paradox, zoals in: “in de rechte straten van het geheugen/ blijf jij op spoorafstand/onbereikbaar binnen bereik”!?

De dualiteit wordt niet altijd even dramatisch verwoord. Dit leidt me tot een derde aspect van de bundel, namelijk de ironie van de liefde. Inderdaad, soms is de stap van tragiek naar ironie heel nadrukkelijk aanwezig. Verdraaide liefde betekent hier wat men in eerste instantie zou associëren met de titel: de dekselse liefde, de verdomde liefde, de vermaledijde of verrekte liefde. De dichter lacht met de liefde, kaffert haar uit, bekijkt haar met een ironische toets. Zo schrijft hij: “de lijn van je wang zigzagt/van kin naar oogkuil/zon en zwart gat tegelijk/dit moet liefde zijn!”. Elders wordt de liefde beleefd met “een toets van anijs”. Soms krijgt hij als minnaar “een koekje van eigen deeg”. De lach en de humor is niet zelden een mooi tegengewicht tegen de meer zwaarwichtige, soms bittere, verwrongen, wanhopige omkering van de liefde.  

Een vierde belangrijk en erg relevant aspect van de bundel is de verstrengeling van taal en liefde. Vaak is de verstrengeling van lichamen verbonden met dans, muziek en vooral de taal van het gedicht. Liefdesdaad is taal: “Hijskranen takelen letters op het blad”, zo luidt het. Zeer origineel in de bundel is de iconische band tussen liefde en schrijven, tussen liefde als opening naar taal en expressie in en door het gedicht. Zo schrijft de dichter: “het vel van liefde niet vlekkeloos/een stafrijm voor haar stotter/het witte blad onthult zijn verhaal/pas als het beschreven is”. Een ander voorbeeld is het schitterend begin van Dooikoorts I: liefde in je naam getaald/zo vangen aan de ongeschreven brieven”. Toch is de taal vaak machteloos. Zo ontgraaft de dichter naar eigen zeggen het alfabet, de taal, het gedicht, en toch blijft alles sprakeloos en in flagrante tegenspraak.

Andere, opvallende aspecten van de bundel zijn de locatie van de liefde in de ruimte en de innige band tussen eten en liefde. Ik kan de vaak dansante ruimtelijke verkenning van de ruimte (“een lichaam dat zich laaft aan pirouettes”) en de culinaire dimensie van de erotiek  hier enkel aanstippen, echter niet uitwerken. Ik zou willen eindigen met een vijfde, fundamenteel aspect van de bundel dat men niet meteen zou verwachten, namelijk de mystieke dimensie van de liefde. Naast de hapering, de vergankelijkheid, de omkering van de liefde wordt deze vergankelijkheid zelf omgekeerd. Dit is een prachtige paradox die een diepere laag van de bundel blootlegt. Liefde is enerzijds het “tederste bedrog”, maar het is tegelijk datgene wat ongrijpbaar is, In sommige gedichten, zoals in vouwmeester van woorden, wordt liefde niet zelden en vaak onverwachts geassocieerd met “oneindigheid”, “eeuwigheid” “grenzeloosheid”. Deze mystieke dimensie ligt aan gene zijde van de hapering, de verdraaiing, het vergankelijke, zelfs van de taal zelf. Liefde en de geliefde behoren uiteindelijk tot het domein van het onzegbare. En wellicht is het het onzegbare, het onbereikbare dat niet enkel de liefde maar ook het gedicht letterlijk in beweging brengt.  

Ik eindig met een zeer gaaf gedicht waarin de verstrengeling van taal, muziek en beeld zich uiteindelijk veruitwendigt in  het spanningsveld tussen hitte en ijs. Van dualiteit gesproken! Het is een dualiteit die hier opnieuw verwijst naar de “verdraaiing van de liefde”!

dooikoorts

1

liefde in je naam getaald
zo vangen aan de ongeschreven brieven 

het is een aloud verhaal
dat ik bedenk met de bekende klanken 

tot je kleuren beken ik me
met de lijnen van je lichaam

lees ik samen
van turkse baden de tedere hitte
de lafenis van lavendel 

de fata morgana
al in het ijs verankerd

© Antoon Van den Braembussche

 

Collage van de voorstelling. Van LnrR en van boven naar 
onder: gesprek met Paul Rigolle, Leo Peeraer, Jan M. Meier
en Groepsfoto met Antoon Van den Braembussche, Jan M. Meier,
Diane Ruthgeerts, Paul Rigolle, Johan Clarysse en Niels Poppe.


Antoon Van den Braembussche (foto: Paul Rigolle)

maandag 24 maart 2025

Raak deze taal aan

Vincent Van Gelder bespreekt Neerwaarts verzet van Kris Lauwereys


'Wij zijn de jonge goden van de afgrond,’ opent cinematisch het ijzersterke debuut van Kris Lauwereys. 49 gedichten. 4 afdelingen. 1 reis. Geen vakantie-uitstap, maar een heuse odyssee die, in een bijzonder geslaagde balanceeroefening, zowel hoogstpersoonlijk als collectief aanvoelt. Want ‘wij’ zijn de jonge goden van de afgrond.

Eerst moet het woord ‘debuut’ wat genuanceerd. Lauwereys (°1979) is namelijk al een leven lang bezig met poëzie; als literatuurwetenschapper, verzamelaar, recensent, redigent én als schrijver van gedichten; gedichten die reeds gepubliceerd werden in verscheidene literaire tijdschriften alsook bekroond in diverse wedstrijden. Zowel debutant als veteraan dus. Maar terug naar de bundel… 

Na een eerste lezing schreef ik in de kantlijn van mijn kladblok het woord beweging (een woord dat ik na elke daaropvolgende beschouwing opnieuw onderstreepte). Die beweging uit zich op verschillende manieren. Zo wisselen lay-outgewijs romein en cursief zich af, worden gedichten nu links dan rechts uitgelijnd en staat een versregel een enkele keer zelfs doorstreept, alsof de hand van de dichter nog boven het blad zweeft, de inkt nat. 

Neerwaarts verzet is de prachtig poëtische neerslag van een langdurig en compleet (zelf)onderzoek, en in dat onderzoekende karakter zit een tweede soort beweging, een inhoudelijke, vervat; want vaak blijkt wat we te weten zijn gekomen niet te kloppen (‘Hij weet te veel, en veel van wat hij weet / blijkt later niet te kloppen’), wordt ‘elk woord door zichzelf weerlegd, tot alles vervaagt.’ Of we willen niet langer weten en trachten weg te maken, te vergeten, zoals we lezen in het vierde deel van de buitengewoon mooie cyclus Leiestraat 49: ‘Er viel al zoveel te vergeten, de strepen / van een roofdier op mijn rug, de ogen / in mijn buik die altijd vragend keken.’ […] ‘ik veegde alles op naakte / ruggen weer uit. Mijn vingers vrij van / geheugen.’ Wat verworven is, is nooit zeker (‘het park geurt naar vertwijfeling’) en zo blijven we als lezer op onze hoede én mateloos geboeid. 

Het continue heen en weer gaan van te weten komen en vergeten, van vooruitgang en achteruitgang, enz. , deed me ook denken aan een stoomlocomotief, waarbij de heen-en-weer-beweging van de zuigers in een draaibeweging van de wielen wordt omgezet en zo de loc wordt voortgestuwd. Misschien daarom dat deze bundel als een trein leest? 

Maar trein of geen trein; het gevoelslandschap dat we doorkruisen is er één van buitengemene rijkdom, en de strijd die de dichter met de wereld en zichzelf voert meer dan treffend onder woorden gebracht. Ik citeer opnieuw uit Leiestraat 49: ‘Ik zette die pijn / in mijn ribben gevangen, een stil licht / van onvermogen, tot in mijn stem / wit uitgestraald.’ Of: ‘Ik dronk / van mezelf als van een kreupele kraan.’ Of: ‘Iets nieuws verzinnen om weer in het oude / te geloven, dezelfde slapeloosheid / wiegt me ook in een verder bed / tot het verder ontbreken van dromen.’ Het zijn slechts enkele vingergrepen uit een zee vol parels. 

Wat buiten kijf staat, is dat de auteur van deze verzen met zijn pen heeft uitgehaald ‘als was het een zwaard’ en dat het ‘onderdak’ van deze bundel ‘met bloed gekocht’ is. Poëzie, met andere woorden, waar wat van afhangt; een taal waarin je steeds opnieuw wil onderduiken; een werk dat beloond moet.

© Vincent Van Gelder


Neerwaarts verzet, Kris Lauwereys, Uitgeverij Archipel, Herzele, 2024, ISBN 9789464989014


Kris Lauwereys ontvangt 'Neerwaarts Verzet'
uit handen van Archipel-uitgevers
Steven Van Der Heyden en Edward Hoornaert

Vincent Van Gelder



vrijdag 6 september 2024

Het leven is geen eierdooier behalve voor zij die kakelen

Het leven is geen eierdooier behalve voor zij die kakelen.

Recensie van Mens is de naam, de nieuwe dichtbundel van Philip Hoorne door Alain Delmotte.

Zou de poëzie van Philip Hoorne te nemen of te laten zijn? Is men voor of is men tegen? Uit de vraag moet blijken dat hij op de één of andere manier controversieel is. Alsof hij een duivel onder ons zou zijn! Zoals het eerste citaat uit de song ‘Sympathy for the devil’ van de Rolling Stones vooraan de bundel zou kunnen suggereren. Die sardonische karaktertrek heeft wellicht te maken met zijn humor die meer dan eens op een zwarte en genadeloze manier van hyperbolisch tot het laag-bij-het-grondse wordt.

Ik hoor wel eens dat de bundels van Hoorne routineus op elkaar zouden gelijken. Dat is evenwel niet terecht. Ik denk dat we wel degelijk een ontwikkeling in zijn werk kunnen onderkennen. We hebben zijn eerste bundel maar te vergelijken met z’n laatste: het zijn twee verschillende taaldomeinen. Om het toch wat af te grenzen: hoe heeft de poëzie van Philip Hoorne zich dan ontplooid sinds zijn (door Hoorne zelf samengestelde) bloemlezing ‘Grootste Hits! De Jaren Nul’ uit 2009? Vanaf 2012 tot nu publiceerde hij vier bundels: ‘Het is fijn om van pluche te zijn’ (2012), ‘Kaas treft geen schuld tot het tegendeel bewezen is’ (2015), ’Het dikke meisje en de ziener’ (2019) en thans is er ‘Mens is de naam’ (2024). We vinden in deze bundels de ingrediënten terug die we in sommige bundels uit de jaren nul terug konden vinden: het platte (of het lagere), de (zelf)spot, de ironie, het boertige, het absurde en het groteske. Van Hoorne valt geen verfijnde esthetiek te verwachten. Zoals bijvoorbeeld de volgende onvertogen regels dat rijkelijk en scatologisch bewijzen:

te laat komen of in mijn broek kakken
ervaar ik allerminst als een dilemma
tijd is relatief mevrouw de voorzitter
een volgescheten broek is dat niet

Soms wordt er in verband met zijn werk gesproken over nihilisme en cynisme maar laat me daar eerder voorzichtig over zijn.

Altijd hetzelfde? Nochtans is er een kleine verschuiving merkbaar. Met name vanaf de laatste cyclus uit ‘Het is fijn om van pluche te zijn’ die de titel ‘Het begint altijd met wakker worden’ meekreeg. Wat toen opviel was het feit dat de leestekens waren weggegevallen en dat de versregels en strofen minder regelmatig waren opgebouwd (zij het relatief en niet excessief). Er wordt niet langer gebruik gemaakt van hoofdletters. Twee bundels later vertonen sommige gedichten de neiging om wat in lengte toe te nemen. Deze bundels worden niet langer in cycli gestructureerd maar zeer elementair volgens de alfabetische rangschikking van de titels. Welk gegeven zou die vaststellingen teweeggebracht hebben?

In het VWS-cahier (nr. 282) ‘Wachten is het hele leven’(2014) dat Paul Rigolle over het werk van Philip Hoorne schreef, wordt er uit een interview met een krant uit 2012 (dus na de publicatie van ‘Het is fijn om van pluche te zijn’) de volgende uitspraak van Hoorne geciteerd: ‘Het lijkt me dat ik in iedere bundel een stuk vrijpostiger word.’

Ik ben van mening dat net die aandrang tot een nog grotere vrijpostigheid Hoorne er toe aanzette om losser met interpunctie (er blijven slechts het vraagteken, hier en daar wat gedachtestrepen en haakjes over) en met een minder strikte vers- en strofebouw om te gaan. Het staat hem ook wellicht toe om meer verhalend uit de hoek te komen en het stond hem meer ‘woordwoekering’ toe. Veralgemening wens ik hier te vermijden: wat langere, woekerende gedichten vinden we ook wel in de vroegere bundels terug en verhalende elementen waren er toen zeker ook al. Maar de frequentie ervan verhoogt na 2012. Het staat hem toe om de zaken wat meer uit de hand te laten lopen, daarbij geholpen door een taal die hij niets laat ontzien – zij het nooit integraal. Hoe wild, stom of maf sommige verhalen lijken, Hoorne behoudt de controle, hij slaat nooit door. Het blijft ‘gedrild’. Waarmee toch blijkt dat deze poëzie onderhuids subtieler is dan dat zij op het eerste gezicht lijkt.

Er zijn twee stellingen die ingenomen kunnen worden ten aanzien van de poëzie van Hoorne, die beide best voor waar aangenomen kunnen worden. Stelling één: hij is een dichter die zich niet camoufleert. Stelling twee: hij is een dichter die zich zeer goed weet te camoufleren. Die twee mogelijke stellingen zorgen er voor dat het werk van Hoorne dubbelzinnigheden vertoont en dat net die dubbelzinnigheden de kern van deze poëzie uitmaken. En de grootste dubbelzinnigheid daarbij is dat het moeilijk is om vast te stellen wat nu al dan niet ironie is. In het gedicht ‘Sujet’ duikt die dubbelzinnigheid op:

dat schrijven is een manier
zeggen zij die het menen te weten
om zijn schuchterheid te maskeren
niet waar schreeuwen anderen luidkeels
hoorne is gewoon een verwerpelijk sujet
gemeen van kop tot teen
gemeen gemeen gemeen
dat lees je toch meteen

De eerste stelling heeft te makken met zijn onomfloerste zegging – ‘dat lees je toch meteen’. Zoals ik daarnet al noteerde is Hoorne een dichter die niet van fiorituren of van wolligheid houdt. Die er ongegeneerd tegenaan gaat en zich daarbij soms onverbloemd opstelt, die zijn eigen regels volgt en met niemand rekening wenst te houden. Hij laat zich niet graag adviseren over hoe je poëzie moet schrijven. En nog minder laat hij zich censureren. In het gedicht ‘Voor de niet tevreden schrijfdocent’ blijkt de schrijfdocent effectief niet tevreden

hij noemde het vies vunzig schunnig scabreus smerig en vulgair
wat een rijke taal wat een woordenschat
maar ik publiceer het toch – kust mijn gat!

De zelfironie heb je onmiddelijk beet: Hoorne is met name zelf een schrijfdocent.

Bedoel ik met de tweede stelling dat de dichter zijn ‘schuchterheid’ probeert te ‘maskeren’? Nee, het is de dichter die dit noteert. Aan gepsychologiseer waag ik me niet. Zo wens ik poëzie niet te lezen. Ik probeer me aan de tekst te houden. Het is trouwens wat te goedkoop om te gaan poneren dat Hoorne zijn kwetsbaarheid met gestoer en gestoei probeert toe te dekken. Want iedereen maskeert zich, want iedereen is even kwetsbaar – al geven de meesten dit uiteraard niet graag toe. Wat betekent dat we met z’n allen een masker dragen (op de voorflap van de bundel staat een foto met ensoriaanse maskers). Het menselijke bedrijf is carnavalesk. Niemand weet wie er zich achter het masker bevindt – zelfs niet wie het masker draagt. Vandaar het motto van Urbanus als tweede citaat vooraan de bundel:

1-2-3 Rikke tikke tik
Ra, ra, ra wie benne-k-ik
Is er iemand die al weet
Hoe ik heet

Nee, wat ik bedoel is dat Hoorne nooit expliciet is wat zijn kijk op de wereld betreft. Op de mensheid. Op de taal. Hoorne is een dichter die schrijft vanuit een ontnuchterde en ontnuchterende houding, veel meer dus dan vanuit een gemis (vanuit het grimmige) dan vanuit een verlangen (vanuit het lyriserende). Het harmonisch lyrisch (de zang) is uit het gedicht weggezeefd: gebrekkige taal en kromme zinnen blijven over.

mijn gebrekkige taal zal ik
samen met vele anderen celebreren
op Kromme Zinnendag

Kromme zinnen laten zich herkennen in het woordspelige, het door elkaar schudden van betekenissen (wat zorgt voor een vervreemding ten aanzien van de taal), bewust goedkope knittel- en knuppelverzen-achtige regels.

Ik geef hier enkele voorbeelden van. Uit het gedicht ‘Massis’:

lammen laten lopen?
lammenielachenlul

Uit ‘Frituurland’:

op de terugweg van tervuren
komen we zesentwintig frituren tegen

Woordspel is te lezen in volgende regels van ‘Een dag als geen ander’:

ik vervolgde mijn weg en op die weg
werd mijn blik eerst gevangen door een blikvanger
vol met blikjes (…)

(In hetzelfde gedicht veroorlooft Hoorne zich een binnenpretje door te verwijzen naar een gedicht uit zijn bundel ‘Het ei in mezelf’.)

Vervreemding vinden we in het gedicht ‘Schoor’:

van die keer dat ik scheermesjes kocht
waarmee ik me niet in mijn polsen sneed
maar mij schoor zoals het hoorde
en schoor ik weet niet of jij het hoort
maar schoor is een heel raar woord

Begripsverwarring staat te lezen in het gedicht ‘En dans’

of een hark en een rakel hetzelfde zijn
het antwoord is ja rakel is vlaams voor hark
eigenlijk – en je hebt gelijk – kan je stellen
dat er in dat tuinhuis één spade en twee harken stonden
of twee rakels (…)

(…)

de benamingen hark en rakel dienden voor het onderscheid
tussen de rakel en ik
daar zijn namen tenslotte voor
om de dingen van elkaar los te maken

De kernen van wat je als een concrete levensvisie zou kunnen beschouwen, liggen tussen de plooien van de verzen ingebed waarmee ik wil zeggen: met een oppervlakkige lezing raak je er niet. Je moet het wat isoleren, het uit zijn context halen, het narratieve ervan afstoffen. Ik zal niet alle gedichten gaan uithollen. Ik geef enkele elementen aan.

In het eerste gedicht van de bundel ‘Advies van de crisismanager’, staat het er uitdrukkelijk:

(…) dat iedereen altijd en overal alleen is

En die eenzaamheid lijkt onherroepelijk fataal:

wedden dat je terugkeert
altijd keer je terug naar de kamer
waar je heerlijk eenzaam kunt wezen

Die ‘ouwe getrouwe eenzaamheid’ of het isolement speelt zich onder een stolp af:

dat wij onder een verstikkende stolp naar adem happen
niet weten hoe te ontsnappen

Het wijst op wat je kunt verwachten van de wereld: survival of the fittest!

wie niet sterft zal op de een of andere
manier wel overleven (…)

Zelfs bij de conceptie steken zaadcellen elkaar de loef af. Eentje wordt ‘alsnog op de meet geklopt’. Dat ‘falen’ zorgt ervoor dat de dichter zich emotioneel opstelt:

kwaad ben je op jezelf en op iedereen

Iedereen: de mensen dus. Die zijn niet geliefd: ze irriteren. Het zijn lawaaimakers, praatjesmakers, raaskallers, zwetsers:

de zwetsers de kwetsers
nooit doen ze iets anders dan zwetsen en kwetsen
bij mijn geboorte stonden ze naast mijn kraambed

De strenge (en bewust ongenuanceerde) balans wordt opgemaakt in één enkele versregel:

25% van de mensen zijn idioten en 74% zijn grote idioten

Veel hoop biedt dat overblijvende procentje niet:

niemand heeft nog plezier

De dichter schrijft dit inzicht zonder enige gêne en met groot besef van zich af, want

het heeft geen zin om te doen alsof
we niet weten wat we weten

Hij komt tot de conclusie:`

menig man gaat onderuit
iedereen spreekt iedereen toe
nul ziel doet aan bezwaar
het leven is geen eierdooier
behalve voor zij die kakelen

Zoek achter de laatste regel (een soort maxime) maar eens de logica. Een existentieel probleem wordt er alvast mee aangegeven:

van zelf te leven krijg je alleen maar pijn

Een variatie hiervan vinden we in het titelgedicht:

het is pijn en ik weet dat het pijn is
maar op den duur denk je: ach ja
pijn is de naam zeker?

(…)

een mens is maar een mens
van mens-zijn ga je dood

Kortom – het leven doet onbeantwoorde vragen rijzen, het hoort bij die pijn:

praatjes dacht ik allemaal praatjes
en eindigen met een vraag natuurlijk
een antwoord op een vraag
dat eindigt met een vraag
de story van ons bestaan

Dit wordt gekoppeld aan het vraagstuk van de tijd:

we weten dat tijd alle wonden heelt
maar dat die treiterende tijd daar zijn tijd voor neemt

Er worden zich geen illusies over de tijd gevormd. Het wordt indringend geformuleerd:

verloren tijd dat lijdt geen twijfel
maar tegen beter weten in blijven de vingers van dit lijk in wording
verwijtend wijzen naar de cijfers op de klok

We worden voor het ‘zwarte gat’ verwittigd:

vergeet nooit dat tijd altijd verwarring brengt
je kunt dit het best vergelijken met je favoriete
bowlingbal die niet terugkeert naar jouw hand
je bukt voorover en kijkt in het zwarte gat
geen bal te zien

Zou liefde een uitweg bieden? In sommige gedichten komen allerlei liefdesrelaties ter sprake. Ze zijn toevallig, vol ontrouw, onbetrouwbaar. Ze blijven onbeantwoord of volgen elkaar op. Of ze zorgen voor onverwachte ‘wendingen’. Het zijn vergissingen. Zou de liefde wel bestaan?

een mens kan er niet blijven over zaniken
of liefde echt bestaat of niet
of dat het eerder zoiets is als de sint
ik heb betere dingen te doen

Uieindelijk is er voor de dichter maar één eindconclusie mogelijk en die klinkt bitter:

het gaat in deze wereld niet om beter
wel om het ego en hoe het te strelen

Is dit nu ironie of ernst? Daar is die ambiguïteit dus weer. Het kan dus beide zijn. Niettemin heb ik het gevoel dat er achter deze poëzie een subtiele droefgeestigheid schuil gaat. Een tristezza. Ik ontwaar dit onder meer in een voor Hoornes doen erg transparante gedicht ‘Zondag’, a poem for the millions:

de zondag kan het ook niet helpen
dat hij de dag is van tompoezen eclairs
elixir d’anvers en soezen bij de koers

de dag van wandelbottines
zweefvliegtuigen en beduimelde foto’s
die lacherig uit hun plakboek springen

de dag van vervellen en vervelen
van kiften kribben en kibbelen
en de herstelde vrede achteraf

niemand wordt begraven op een zondag
de zondag is al van zichzelf een graf

Nee, Hoorne is niet alleen pose. Hij is minder oppervlakkig of doelloos dan hij lijkt. Daarom dat ik hem niet langer als een nihilist of cynicus durf te omschrijven. Hij heeft er misschien de allure van maar in de diepte is hij een werelds en betrokken dichter. Het volstaat om hem dus vooral tussen de regels te durven lezen.

© Alain Delmotte

Mens is de naam – Philip Hoorne
Uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem, 2024
ISBN 978 94 93368 05 7 NUR 306

Mens is de naam bij De Knipscheer