Posts tonen met het label Roman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Roman. Alle posts tonen

dinsdag 7 juli 2026

Een roadtrip als Cri du Coeur

Over Zwermkoorts van Kristien Dieltiens.


Op zaterdag 20/6/2026 werd in Beernem, het thuisdorp van Kristien Dieltiens waar ze sinds 1995 woont, Zwermkoorts, voorgesteld. Het boek is uitgegeven door Borgerhoff & Lamberigts, 2026.

 

Zwermkoorts met als ondertitel ‘Een roadtrip met de dood op de hielen, is geen historische roman, zoals onder meer De stille pijn van Lucca (2005), Papinette(2009) Kelderkind (2012), nu met een nieuwe, algemenere titel ‘Kelderkinderen’,,  Kortgeknipt (2017) of Carlota (2023), maar wel een confronterende, harde psychologische eye-opener. 

 

De titel Zwermkoorts’ is tweeduidig. In de eerste plaats slaat ze op een waanzinnige zwerftrip van moeder Pearl met haar dochter Daisy en zoontje Willow.  Zij ‘zwermen’ vanuit het grensgebied van de  Verenigde Staten langs allerlei stadjes, dorpen en onderkomens, ‘ helemaal door ‘Trump’-land, naar Mexico.

Maar ‘zwermen’, een bijenterm,  slaat ook op het gedrag van de bijen die in het verhaal een belangrijke rol spelen. Je kan ze zien als  metafoor  voor het ‘zwerven of ‘zwermen’  van de moeder en kinderen. 

 

Her  voornaamste thema van ZWERMKOORTS is de  fascinatie voor gevaarlijke moeders die aan het ‘Münchhausen by proxy-syndroom’ lijden en de invloed daarvan op haar kinderen.

Met dit syndroom is Kristien Dieltiens als leraar een paar keer geconfronteerd, en het ligt haar nog  altijd nauw aan en op het hart.  Vanuit haar verontrustende ervaringen geeft ze haar blijvende  betrokkenheid gestalte in een  fictief verhaal.

 

Moeder Pearl, ex-verpleegster, houdt Daisy en Willow bewust kwetsbaar. Ze prent ze in dat ze doodziek zijn en dient hen dagelijks onnodige medicijnen toe.

Zij moeten dankbaar zijn voor deze ‘fantastische moeder’, die met hen en voor hen de dood ontvlucht, op zoek naar de meest geschikte dokter die hen kan helpen.

Zij moeten haar tonen  dat ze van haar houden. Zo gedragen ze zich ook. 

Tegenover de buitenwereld wil ze bewonderd worden als de zeer bezorgde, perfecte moeder.

Kristien Dieltiens laat Daisy aan het woord en leeft zich diep in de kinderen in. Ook in haar eerdere jeugdliteratuur en romans   (106 in totaal  nu al!) toonde  zij  een groot hart voor kwetsbare kinderen.

 

In de roman worden afwisselend witte en grijze bladzijden gebruikt.

De witte bladzijden slaan op het heden.  Daisy, de verteller, overdenkt de acht jaar waarin  ze als kind, na hun laatste stopplaats in Monterrey, Mexico,  gescheiden leefde van haar moeder en broer. Therapeute Cassandra geeft haar de raad om het dikke glas tussen haar heden en verleden te doorbreken. .Dat probeert ze in zeven stappen die Cassandra haar opdraagt.

Ieder stap levert flashbacks op die we lezen in de  grijze bladzijden. Die duidelijke structuur maakt de roman heel toegankelijk. 

 

In versneld  tempo herneemt de volwassen Daisy  de tocht vanuit Amerika  terug naar hun laatste verblijfplaats in Monterrey. Daar erfde ze van de imker Saturnino, voor haar ‘de vader die ik nooit gekend heb’,  een  grote som geld, zijn huis en imkerij. Ook naar haar broer Willow die ze in Monterrey achterliet en die ze mist, wil ze op zoek.

Bij aankomst wordt ze opgevangen door Rodrigo en zijn zoon Jesüs.   Dank zij het gewezen  nauwe contact van Jesüs met de overleden Saturnino én diens logboek  zorgt hij voor de laatste schakel tussen verleden en heden. 

Jesüs is het ook die haar (en Kristien Dieltiens ook ons,  in heel mooie bladzijden!)  laat kennismaken met  het gedrag van de bijenwereld. Hun gedrag heeft het kind Daisy van de dood gered.

En Daisy beseft: ‘De bijen van Saturnino hadden een deur geopend‘ en ‘Alles wat hij (Saturnino in zijn logboek) ) had beschreven, klopte met mijn leven’.

 

De flashbacks in de grijze bladzijden brengen ons naar verschillende personen die Daisy’s leven beïnvloedden.

 

Vooreerst is er moeder Pearl (what’s in a name..), een fysiek aantrekkelijke vrouw. Een narcistische  vrouw ook die verslaafd is aan zichzelf, die zichzelf verheven voelt  boven leraars (ze is bewust thuislerares) en dokters.

 

Behalve het Münchhausen by Proxy syndroom, vertoont Pearl nog  meer psychopatische trekken.

Als borderliner is ze emotioneel instabiel en impulsief,  met terugkerende relatieproblemen. De mannen met wie ze om de haverklap relaties aangaat, dumpt ze meteen wanneer  ze zwanger wordt. Telkens laat ze het kindje verdwijnen. Om mogelijke vragen te vermijden, ‘vlucht’ ze met haar kinderen naar een volgende bestemming.. 

 

Als eerste bant ze  haar moeder Granny uit hun leven.. Granny vermoedt een en ander en protesteert tegen de behandeling van de kinderen. Zij missen haar.

Op verschillende vluchtplaatsen proberen mensen de kinderen te beschermen, mensen waarbij de kinderen zich té goed voelen volgens Pearl en die haar doorzien: Rose, ,een buurvrouw Gladys , Little Liam …Daar loopt het mis wanneer Willow en  Daisy ontdekken wat er gebeurt  en verplicht worden om een baby, die ze liefdevol Big Liam noemen, te begraven. Op hun laatste bestemming gebeurt hetzelfde met de baby van Pearls laatste ‘geliefde’ Renzo. De roadtrip gaat vanaf dan naar een versneld einde toe. .

 

Dat Daisy en  Willow van hun moeder blijven houden,  haar (weliswaar verplicht) dankbaar blijven ‘als mama maar gelukkig blijft’, is aannemelijk lezen we: (…)  een moeder in je hoofd, in je lijf, kan nooit geamputeerd worden.’  

Daisy neemt pas jaren later afstand, wanneer ‘mama’ voor haar ‘Pearl’ wordt .

 

Willow, Daisy’s jongere broer, is volgens moeder Pearl laagbegaafd en plast nog in zijn bed. Dat wordt telkens door een woedende Pearl hardhandig afgestraft.

Laag begaafd is de teruggetrokken Willow niet. Hij verzamelt insecten  in glazen potjes  en  bestudeert ze.  Om zichzelf te beschermen leeft hij in zijn gedachten en praat hij weinig, behalve met een fictief vriendje Bear. Daisy beschermt  hem en waakt over hem, zoals ook hij haar beschermt en redt uit een benarde toestand met hangjongeren.

 

Daisy vertelt Willow over de boeken die ze stiekem uit een plaatselijke bibliotheek ontleent.  Zij fantaseren  er verder over,  blijven eigen verhalen vertellen en bouwen een eigen schatteneiland. Zo  overleven ze hun gedwongen gevangenis.

Ook hierin herkennen we het vaste geloof  en pleidooi van  Kristien Dieltiens voor de kracht van woorden,  boeken en verhalen.

 

Andere personen van grote betekenis voor de kinderen vermeldde ik al eerder: de vaderfiguur Saturnino, Rodrigo en Jesüs die Daisy inleiden in de wereld van de bijen.  Door hem  beseft Daisy tenslotte dat ze leefde zoals de insecten van Willow: ‘achter dik glas, starend naar wat zich aan de andere kant afspeelde.’.

Ze is klaar voor de laatste stap van Cassandra’s 7 opdrachten: en nieuw levensverhaal schrijven.

 

Voor dit levensverhaal ging Kristien Dieltiens ging niet over eén nacht ijs. Drie jaar opzoekingswerk en schrijven gingen aan de publicatie vooraf

Samen met haar Mexicaanse schoondochter en diens zus en zoontje maakte ze  een roadtrip in de Zuidelijke Staten van de VS en Mexico. Zij beschrijft de vele bezochte locaties en haar  indrukken en ervaringen  gedetailleerd,  beeldrijk, zintuigelijk  en vaak heel poëtisch.

 

Daarnaast heeft ze ook oog voor de politiek in Texas en Mexico. Ze portretteert zijdelings de

Trump die ze ziet op billboards en op MAGA- T-shirts en die Daisy  hoort in de gedreven pro-Trump reacties van moeder Pearl.  Daisy laat ze kritisch krantenartikelen lezen waardoor haar een licht opgaat over de Amerikaanse politiek. Haar goudvis noemt Daisy ‘Donald’: ook hij ziet alles achter dik glas.

Kristien Dieltiens liet zich daarnaast door imkers grondig inlichten over de wereld van de  bijen en hun gedrag. Daisy ziet de paralellen met haar leven.  Lange gesprekken met psychiater Dirk Adriaenssens over het psychopatische gedrag van de moeder en het effect op de kinderen leidde tot diepgang van de personages.   

 

Op de voorstelling van Zwermkoorts vertelt Kristien Dieltiens: :

 

Het anonieme van die eindeloze landschappen, het idee dat je er kunt verdwijnen zonder dat iemand het merkt, bleef bij mij hangen”  “Daarnaast las ik veel over bijen. Dichter Maurice Maeterlinck zei ooit dat de mens nog maar vier jaar te leven heeft als de bijen uitsterven“. Zwermkoorts is een begrip uit de bijenwereld en de poëzie, en ik wilde daar graag mee aan de slag.”

 

Hoe heb ik Zwermkoorts beleefd?

 

Zwermkoorts is naar inhoud een a-typische Dieltiensroman. Anders dan de vorige  is hij niet vanuit een historische, maar wel vanuit een  zeer persoonlijke ‘cri du coeur’ geschreven. – Ik las hem met stijgende verwondering, onrust en ongemak.

Hoe zeer heeft Kristien Dieltiens mij in haar eye-opener betrokken! Dat ik, een leek in dit probleem  en dit soort situatie, niet aan de geloofwaardigheid twijfel, daarvoor staan  de diepgang van de personages, het goed gedocumenteerde en  gedetailleerde verhaal garant. Haar vlotte, toegankelijke stijl en zintuigelijke rijke taal  trokken mij iedere bladzijde verder. Het is geen roman om in ‘l’heure bleue’ te lezen, maar mijn ‘verwondering’ eindigde in een grote bewondering.

Ik ben ervan overtuigd en ik hoop dat dit ook voor heel veel lezers zo zal zijn.

 

In boekenvriendschap, Jet


© Jet Marchau
 

Deze recensie verschijnt ook op "Dun lied donkere draad" de blogsite van de VWS:
Dit is de link. 
 

vrijdag 26 juni 2026

Vrouwen van het verlangen

Aantekeningen van Jet Marchau over Erosie van Astrid Haerens


Erosie
(2026) is, na de roman Stadspanters (2017), en na haar bekroonde  poëziebundel Oerhert (2022), de tweede roman van Astrid Haerens (Zwevegem, 1989).

Om maar meteen in huis te vallen: Ik heb de roman twee keer gelezen.

Een eerste keer vol bewondering voor haar poëtische taal, en nieuwsgierig naar het experimenteren met bladspiegels en de  muziek die achter de speciale interventies van de O-o-klank zaten. Waren ze louter als commentaar op haar woorden bedoeld, of kon ik er een melodie uit halen?

En een tweede keer: een beetje uit onvrede. Zat er een definitieve ommekeer in de evolutie in van de hoofdpersoon Helle? En waar dan?

Ik verklaar me nader: de korte inhoud:

Helle en Alma zijn van in hun kindertijd hartsvriendinnen; Helle (de schrijvende ‘ik’) is een introverte, onzekere persoon, die evolueert tot een internationaal succesvolle kunstenaar. Ze is ook een jutter, een verzamelaar van onder andere  stenen, die ze verwerkt in haar schilderijen.

De extraverte Alma omarmt uitbundig het leven, waar ze ook Helle probeert in te betrekken. Zij groeit uit tot een succesvolle fotografe.

De vriendschap tussen de twee is heel hecht, op het randje af van een liefdesrelatie. Ze genieten van hun exclusieve samenzijn, van mekaars lichaam, en Helle, die nooit iemand in de ogen kijkt, laat toe dat Alma haar bekijkt en honderden foto’s van haar maakt.

Ze beloven elkaar dat ze samen hun leven zullen uitbouwen, nooit gaan trouwen, nooit kinderen krijgen, niet worden als hun ouders.

Ze dromen over hoe ze hun toekomstige leven samen. Waar, welk huis, hoe ze de dagen zullen vullen etc.

Alma, fluisterde ik, wij zullen altijd vrouwen van het verlangen blijven’. Die typische pubergedachte blijft duren, tot Alma toch plots, na jaren, dan zijn ze al dertigers, hun allesoverheersende contact verbreekt.

Helle begrijpt er niets van: ‘naast onze vriendschap was mijn werk het enige waaraan ik nooit had getwijfeld’.

Ze  valt in een donker gat, probeert zich recht te houden door te experimenteren met nieuwe vrienden en geliefden, door zich volledig op haar kunst te werpen, tot ze opgebrand is volgens de dokter en niets nog zin heeft. Een totale burn-out.

Ze vlucht naar een weinig gekend Duits waddeneiland:

Het niet-weten begon me op te jagen als een dier’.

Daar gaat ze, op het zeggen van de oudere wijze eilandvrouw Hetty, op zoek naar helende barnsteen, ‘ de opgedroogde tranen van de Heliaden..’ ‘Afstand geeft inzicht’ zegt Hetty.

Erosie, ook al zit ‘eros’ erin verborgen, meer nog vind ik in het woord de geleidelijke ‘slijtage’ van de vriendschapsrelatie én de evolutie, de transformatie van Helle. Water, wind en haar gebogen zoektocht naar stenen eroderen haar genadeloze zoektocht naar het ‘waarom?’.

Net zoals de stenen in het motto van Maguerite Yourcenar vooraan, bevindt Helle zich op een kruising van ‘snijdende lijnen’ die in het oneindige verdwijnen, vanuit een knooppunt van krachten die te onvoorspelbaar zijn om te meten en die wij onhandig als geluk, toeval of noodlot bestempelen.

Die onvoorspelbaarheid probeert Helle net te begrijpen.

Dat doet ze in gedachten in fictieve (soms reële) brieven aan Alma.

Ze stalkt haar met emails en telefoontjes, tot Alma laat weten: ‘Ik wou dat ik het beter uit kon leggen, maar ik ben er niet klaar voor. Hier stopt het. Het ga je goed.

Helles verhaal wisselt tussen (chronologische) flashbacks en haar verblijf en zoektochten op het eiland. Heel poëtisch, ook in korte zinnen en  klanken verwoord.

Ik kon me volledig inleven in de hechtheid van de, gedeeltelijk herkenbare, vriendschapsrelatie, maar, bij de tweede lezing merkte ik de hints die de ommekeer voorspelden en groeide het besef: Helle is een verhalenvertelster. Haar herinneringen zijn ingekleurd. Ook Helle beseft dit: ’hoe ouder ik word, hoe minder ik weet wat herinnering, wat verbeelding is’. En: ‘Ik verzin, verzin opnieuw. Ik herhaal. Ik hou vast. Hoe ging het verhaal? Wanneer begon het einde?’

Zo is Erosie ook een roman over een gekleurde vriendschap, waarover ik  nooit eerder zo intens las.

Hoewel, naar het einde toe, merkte ik dat ik sneller en sneller over de (hoewel prachtige) beschrijvingen heen las. ‘Trop’ was’trop’.

En net als ik dacht: dit is het keerpunt, ze komt er, ze krijgt weer zin in het leven en in haar kunstwerken, komt er toch nog een terugval, de twijfel. Dit kan, er blijft altijd een wrang gevoel achter bij een zo heftig verlies,  maar ik haakte af bij teveel uitgespitte herhaling.

Toch blijft ook voor mij EROSIE, een bijzonder intense, poëtisch verwoorde roman over een verterende vriendschap. En voor velen wellicht over hier en daar herkenbare gevoelens. 

In boekenvriendschap, 

© Jet Marchau.

Deze tekst verscheen ook op "Dun lied donkere draad", de Blog van de VWS.

www.AstridHaerens.be


maandag 11 mei 2026

Fragment uit 'Grot', de nieuwe roman van Jonas Bruyneel

Hoofdstuk 14

Wanneer een olifant de dood voelt naderen, verlaat hij de kudde. Helemaal op zijn eentje zoekt hij een verlaten plekje en daar sterft hij. Moederziel alleen. Vervolgens troepen de andere olifanten samen om afscheid te nemen en het lichaam aan te raken, instinctief, geleid door een onbedwingbaar verlangen. Hoezeer onderzoekers ook proberen om een verklaring te vinden voor dit gedrag dat geen functie heeft, niet voor het overleven van de soort, geen enkel evolutionair nut, ze vinden het niet. Het is zo cultureel dat het menselijk lijkt. Wanneer je opnames hoort van hun geklaag dat kilometers ver over de savanne echoot, kan je niet anders dan die conclusie trekken: dit is menselijk. Of beter: op de snijlijn tussen leven en dood zijn we allemaal dieren.

Niemand maakte plannen. In absolute alleenheid zochten we een manier om het lichaam met het afscheid te verzoenen. We zochten naar woorden, naar verklaringen, naar aangepast gedrag. We wilden vooruit nog voor we stil hadden gestaan, maar dat werkt niet. Het brein is niet zo geprogrammeerd.

We moesten opnieuw leren leven. Leren omgaan met het besef dat er toch een begrenzing was aan ons lichaam. We dwaalden door een dorp dat zijn contouren had verloren, zijn herkenningspunten. We zwierven blind en op de tast door onbekende straten op zoek naar iets tastbaars, iets om ons aan vast te grijpen. En zo zwermden we instinctief naar de vlam, het schaarse lichtpunt in het donker. De rolluiken waren neergelaten, het gordijn was voor de ingang geschoven, maar de deur van Café De Living was niet op slot. Er speelde geen muziek en de lampen rond de discobal waren gedoofd. Alleen de gelige peertjes verlichtten de toog.

Ik hield de deur voor Ella open en was me bewust van het paternalisme in die handeling, maar ik wist niet wat anders te doen. Ik wilde een functie hebben, een nut. Ik probeerde mezelf een plaats te geven in de vormeloze toekomst en Ella liet het zich welgevallen. Ook zij ging op de tast door de uren, haar lichaam in alarmmodus. Alle energie bewaarde ze voor het levensnoodzakelijke, voor de primaire, elementaire gedachten. Er was geen ruimte voor abstract denken, voor de dingen die ons van dieren onderscheiden. Om meer te voelen dan honger en slaap.

We dachten niet in begrippen als liefde en vriendschap, alleen in begrippen als nood. Nood aan stemmen, niet aan woorden. Nood aan lichamen, niet aan namen. Nood aan aanraking, niet aan betekenis. Nood aan thuiskomen. Nood aan stilte in de vertrouwde omslotenheid van lawaai. Aan de toog en tafeltjes verzamelden de muzikanten, de hele veelkleurige troep, degenen die speelden en degenen die niet speelden, de Chiromeisjes en scoutsjongens, de werkenden en de studenten. Er stond niemand bij de tapkraan, Wallie staarde aan de tooghoek voor zich uit. Hij leek weinig te horen van wat tegen hem gezegd werd en er werd hoe dan ook niet veel gezegd. Imke zat tegenover Vitja aan het tafeltje bij het venster, ze stond op wanneer ze ons zag en trok Ella tegen zich aan, vlekken in haar hals, haar oogleden waren gezwollen. Zoals gewoonlijk drukte ik Vitja plechtstatig de hand, een grapje onder ons, je beste vriend begroeten zoals hooggeplaatste heren dat in vervlogen tijden deden, maar nu leek die vertrouwde groet een onbedoelde afstand teweeg te brengen. Die handdruk benadrukte dat vriendschap niet automatisch de antwoorden met zich meedroeg. Als vriendschap het al niet deed, wat dan wel?

‘Wat hebben jullie gehoord?’

Imke keek beurtelings naar Ella en mij.

‘Een auto-ongeluk. Vanochtend. Heel vroeg. Bij de brug.’ ‘Is hij aangereden?’

Ella schudde haar hoofd.

‘Nee,’ zei ze, ‘hij zat aan het stuur.’

Bij de bar liet een van de baardmannen zich van zijn kruk glijden. Hij ging de toog om en legde zijn hand op de tapkraan. ‘Op de brug moet hij de controle hebben verloren. Dat is wat ik hoorde.’ ‘Fuck.’

‘Hij keerde terug van zijn verjaardagsfeestje.’

Ella keek naar beneden, naar haar vingers op de kleverige tafel, een zwart blad vol nog zwartere vlekken. Dat was wat we wisten, wat we gedurende de dag druppelsgewijs hadden opgevangen. Baardman zette ons elk een biertje voor.

‘Van het huis. Wallie zei dat we zelf moeten nemen.’ ‘Dat is lief.’

Imke glimlachte, maar haar ooghoeken trilden.

We moesten het met informatie uit tweede hand doen. Café De Living was een schuilplaats voor figuranten, de hoofdpersonages waren er niet, hun afwezigheid hing dik en log tussen ons in. Zolang de hoofdfiguren in het verborgene bleven, sprokkelden we bijeen wat we konden. Niet uit morbide nieuwsgierigheid. Niet uit een gebrek aan respect. We hadden die informatie nodig. Er ontbraken stukken uit de puzzel, stukken die noodzakelijk waren om het geheel te zien en het plaatje te vatten. We hadden concrete feiten nodig om over te praten terwijl we wachtten tot de taal zou komen om wat we voelden onder woorden te brengen. Eerst de feiten, dan de analyse. Maar de feiten bleven uit.

‘Ik hoorde dat Yussef ook in die auto zou zitten –’ fluisterde Vitja.

Hij blikte rond, had iemand het gehoord? Allemaal speculeerden we, maar we waren er als de dood voor dat iemand het zou opmerken en het giswerk met geroddel zou verwarren.

‘– maar dat Elias met de fiets naar huis wou en dat iedereen het beter vond dat Yussef met Elias –’

‘Ik hoorde dat de Reisleider met Elias naar huis fietste,’ sprak Imke tegen. ‘Yussef is tot de laatste gebleven. Hij is vanochtend over dezelfde brug gefietst en heeft de politiewagens en de ambulance gezien, maar verder niets en is daarom verder gereden.’

‘Dat klopt niet.’

Ella nam een grotere slok dan ik van haar gewoon was. ‘Yussef was al thuis. Vrij vroeg al.’

Alles kon, alles was plausibel. Alle scenario’s van eerder beleefde nachten, de duizenden permutaties van een vrijdagavond, ze konden allemaal kloppen. Het deed er niet toe, het veranderde niets aan de zaak: Milan zat op zijn eentje in de wagen, reed in een verantwoord tempo naar huis – achtenzestig kilometer per uur waar zeventig toegelaten was – raakte de controle kwijt, knalde door de vangrail van die brug en kwam tot stilstand in de gevel van een huis.

De bewoners van dat huis, een nietsvermoedend koppel op leeftijd wiens wekker een klein uur later zou rinkelen, kwamen er met de schrik vanaf en met een schuldgevoel over iets waaraan ze geen schuld droegen. Maar in hun huis had het zich voltrokken. Ze verbonden de plaats waar hun kinderen geboren waren en hun kleinkinderen af en toe logeerden, nu aan de dood. Op de uitvaartdienst zou die vrouw met haar asgrijze, opgestoken haren, onbedaarlijk huilen. Pas daarna zou ze het aandurven om beetje bij beetje informatie over die jongen om wie ze gehuild had, op het internet op te zoeken.

Dit wisten we. Dit waren de feiten. Vijf uur en dertien minuten. Uur van impact. Op slag dood. Dat wisten we. Geen remsporen. Dat leerden we later. Feit. In slaap gevallen. Ook dat hoorden we later. Speculatie. Twee meter verder en hij was veilig tegen de betonnen schokdempers tot stilstand gekomen, de balustrade was de zwakke plek in de omrastering van de brug. Feit. Hij was waarschijnlijk met zijn smartphone bezig. Werd gezegd. Speculatie. Onzin. Zijn telefoon stond uit. Feit. En dan had je dat gevaarlijke woord, het woord dat we in Café De Living hardnekkig niet uitspraken, elk met een biertje in de hand, maar dat door ieders hoofd spookte.

Alcohol.

Het was Imke die het aandurfde. Ze keek naar haar glas, speelde de vloeistof rond en vroeg:

‘Hij had toch niet –?’

Ik schudde mijn hoofd maar Ella hield haar blik op de deur gericht. Tussen de kieren van de rolluiken glipte het straatlicht naar binnen.

‘Nee toch?’ vroeg ik. ‘Als Milan moest rijden, dan dronk hij niet. Nooit.’

Ella glimlachte naar me. Op haar lippen lag de gedachte die ook in mijn hoofd rondzong. Milan dronk nooit wanneer hij moest rijden, maar elke nooit heeft een behalve. Er is altijd die ene keer, die uitzondering, dat moment van onoplettendheid. Er is altijd die maar.

‘Nee.’

Vitja’s stem was stellig. ‘Hij had niet gedronken.’

Aan een tafeltje verderop ontsnapte een korte lach, dan een geschrokken stilte en een schichtige blik. Had iemand het gehoord?

Een paar dagen later las ik in de krant dat Milan wel degelijk had gedronken. Ella stuurde het artikel naar Imke, ik zond het op mijn beurt naar Vitja. Allemaal speelden we onze rol in de verspreiding van dat ene, bepalende stukje informatie. Maar ook dat bleek speculatie. Nog twee dagen later bracht een kwaliteitskrant de officiële bevindingen: er waren geen sporen van alcoholintoxicatie gevonden.

Vitja appte naar mij. ZIE JE WEL.

Ik naar Ella. DACHT IK AL.

Ella hield het bij:

GELUKKIG.

We wisten dat het niet uitmaakte, niets daarvan was belangrijk, maar erover communiceren was codetaal. ZIE JE WEL vertaalde je als: ik weet niet wat te zeggen, maar ik ben er voor je. Alle andere gecodeerde frases betekenden hetzelfde. Maar het kwaad was geschied, daar kon die rechtzetting niets aan veranderen. Wie geeft om een vrijspraak wanneer de oorspronkelijke beschuldiging sappiger is. En wie gelooft nu eerder de bevindingen van een bevoegde instantie dan geruchten in een roddelblad. Correcte berichtgeving, dat weet iedereen, die haal je bij de buren. Dus bleef het gangbare verhaal dat over een prille twintiger die zich op zijn verjaardag lam had gezopen, in zijn auto was gestapt en zich stomdronken in een voorgevel had geboord. De eerste reacties waren meelevend: zo jong nog, hij had een leven voor zich. Daarna werd het giftig. Die generatie kent geen grenzen. Er zullen wel drugs in het spel zijn. En natuurlijk is het de schuld van de ouders. Zou bij ons nooit gebeuren.

Het duurde niet lang voor de bagger groter werd dan het begrip. Een enkeling reageerde door de rechtzetting te posten, toch geen sporen van alcohol gevonden, maar dat maakte het alleen erger. Die journalisten waren leugenaars die leefden uit de zakken van wie de macht had, zo wist een goed ingelichte en anonieme man die online kwijt kon wat hij thuis niet durfde te zeggen. Die ouders hadden iemand wat zakgeld toegestoken, via via, alles om de verantwoordelijkheid te ontlopen.

Allemaal hadden we wel een rood aangelopen nonkel die met een zurige adem en glazige ogen fulmineerde dat het een schande was, dat jonge mensen denken dat de wereld van hen is. Spijtige zaak, dat wel, tragisch zelfs, maar het moest ervan komen. Die jonge gasten kennen geen mate, riep diezelfde nonkel met de borst vooruit, voor hij gauw een Duveltje bestelde nu tante niet keek, want zij zou weer zeuren dat hij te dronken was om te rijden. Onterecht, dat sprak voor zich, en daarbij, er waren geen politiecontroles aangekondigd. En nu we het over politiecontroles hadden, stak diezelfde nonkel zijn vinger in de lucht, hadden die flikken niets beters te doen dan de hardwerkende mens lastig te vallen. Waren er geen echte criminelen te vatten, want die gingen vrijuit, maar als hij van een Duveltje durfde te genieten – want dat was het, genieten, niet meer en niet minder, als dat al niet meer mag – dan waren ze daar.

Alcohol is, net zoals jeugdige overmoed, concreter dan toeval voor mensen die de wereld hardnekkig als afgelijnd en controleerbaar willen zien. Toeval is niet strafbaar en dat kan niet, dat mag niet, er moet iemand gestraft worden. Iemand is schuldig, iemand moet schuldig zijn, want zonder schuldige verglijdt de wereld in chaos. Dan is de orde zoek.

Maar welke orde? Het was een ongeluk, domme pech. Een samenloop van toevalligheden die terugging tot het gieten van het asfalt, het aanleggen van de haarspeldbocht, het bouwen van het huis toen er van die brug nog geen sprake was, een boerderijtje tussen de velden toen de auto nog aan de burgemeester, de dokter en de notaris voorbehouden was.

Al die toevalligheden. De ietwat slordige keuring van de vangrail. De trots op zijn tweedehandswagen – hoe vaak hadden we niet gelachen om die rammelbak? De seconden vroeger of later. Het terugkeren naar het feestzaaltje om zijn leren jas van de kapstok te halen. Het lange twijfelen: laat ik de auto staan om toch een biertje te kunnen drinken. Trakteer ik mezelf voor mijn twintigste verjaardag op een ritje met een taxi? Of vraag ik een lift aan een vriend die nota bene wel gedronken heeft, te veel zelfs, maar die de auto zonder een schrammetje in de garage van zijn ouders heeft geparkeerd.

Al die toevalligheden. De anekdote waarom hij in die laatste bocht hardop moest lachen. Dat liedje op de radio dat hij meebrulde, uit volle borst, want dat kon hij. Misschien sloot hij bij de hoge noten even zijn ogen, een fractie van een seconde. Hij was er bijna, op zijn verjaardag, bijna thuis, Milan, die enkele dagen later dan uitgerekend geboren werd, altijd te laat die jongen, klokvast kon je hem niet noemen. Er stond een goudomrande maan aan de nachthemel, de voorspelde regen kwam maar niet. Een man die zich verslapen had, raasde met hoge snelheid in tegenovergestelde richting naar het werk, maar twee straten voor de brug bedacht hij zich en sloeg hij links af, een boerenwegje in om de flitspalen te vermijden. Een meisje fietste onder de brug door op terugweg van een feestje, enkele ogenblikken daarvoor had ze voor het eerst het meisje gekust waar ze al even een oogje op had, ze had het niet gepland, ze had er niet op gehoopt, het gebeurde gewoon en in haar hoofd klonk muziek. Milan reed boven haar over de brug, gemoedelijk, niet gehaast, met beide handen op het stuur.

Hij zong. Hij was moe en tevreden en bijna thuis.

 

© Jonas Bruyneel  


Hoofdstuk 14 uit 'Grot' de nieuwe roman van Jonas Bruyneel.
'Grot', een uitgave van Borgerhoff & Lamberigts wordt voorgesteld in Theater Tinnenpot, Tinnenpotstraat 21, 9000 Gent op dinsdag 19 mei 2026 om 19u30.

Auteur Hans Depelchin gaat met Jonas in gesprek over de roman. Samen met altviolist Esther Coorevits brengt Jonas enkele fragmenten uit Grot. En tussendoor speelt Klaas Tomme nummers van de iconische band Dead Poet Warrior Zone.
Wie er wil bij zijn geeft een seintje aan: sam.degraeve@borgerhoff-lamberigts.be.



zondag 1 maart 2026

Tijd van dwang - Debuutroman van Peter Mangel Schots

Tijd van dwang (Horizon/Overamstel Uitgevers) van Peter Mangel Schots is een historische roman, een familiesaga en een actueel verhaal in één.


Van 1942 tot 1945 verbleef Cel als dwangarbeider in nazi-Duitsland. Hij maakte bombardementen mee, ontsnapte enkele keren nipt aan de dood en nam de grote gebeurtenissen van de geschiedenis waar, van collaboratie en verzet tot de laatste dagen van de concentratiekampen. Al die tijd hield hij een dagboek bij.

Wanneer de wereld in 2020 op slot gaat, neemt Cels kleinzoon Peter zijn intrek in het familiehuis waar hij als kind met zijn ouders en grootouders samenwoonde. Daar leest hij voor het eerst het oorlogsdagboek van zijn grootvader. Historische gebeurtenissen, herinneringen, oude foto’s en verhalen komen als in een caleidoscoop een voor een voor het voetlicht.

Zoals in dit fragment: terwijl Cel honger en koude lijdt in Stettin, moeten zijn vrouw Mima en zijn dochtertje in Hestenberg schuilen voor de vliegende bommen.

*

Tegen het einde van het jaar 1944 worden de aanvallen met de V1 en V2 heviger. Op zaterdag 16 december vallen er in heel België meer dan zevenhonderd doden. De angst krijgt ook Hestenberg in zijn greep na de dodelijke explosie aan het kruispunt, waar het jongetje Marcel het leven liet. Wanneer de sirenes loeien kruipt Mima met haar dochtertje in de inbouwkast onder de trap, een kelder hebben de arbeidershuisjes in de Root niet. In die koude weken rond Nieuwjaar slaat het luchtalarm bijna dagelijks aan. Voor de kleine Marja, die één jaar wordt, is schuilen een routine geworden. Mima hoeft haar niet eens meer op te pakken, ze heeft net leren lopen en zodra ze de sirenes hoort spoedt ze zich op haar wankele peuterbeentjes naar de trapkast.

Nu en dan, wanneer het luchtalarm vroegtijdig komt en het gepruttel van de bommotoren nog niet boven de Root hangt, haast iedereen zich naar Roos, de jonge weduwe die op de hoek van de straat een kruidenierswinkeltje uitbaat. Het enige huis dat een kelder heeft. Op een middag in februari, een maand voor de vergeldingswapens eindelijk zullen zwijgen, schuilen er alleen vrouwen en kinderen, sommige nog aan de borst. De meeste buren zijn er tijdig geraakt. Mima met Marja, Fien met Marieke, Lisette, Bertine en Dikke Moe met haar kroost van meerdere mannen. Ze ontsteken een petroleumlamp die een flauwe licht verspreidt. Het valluik wordt gesloten. Boven hen loeien de sirenes.
De nervositeit maakt hen babbelziek.
‘Zeg Roos, hoe zit het met uwen Engelsman?’
Onder de grond kunnen ze vragen stellen die het daglicht niet verdragen.
Gegniffel.
‘Ja, Roos, vertelt een keer.’
Enkele vrouwen blozen, maar de lamp geeft te weinig licht om dat zichtbaar te maken. Dikke Moe heeft er geen last van.
‘Zeg, Roos, ge past toch op, hé? Of wilt ge dat uw kleinmannen er een ros broerke bij krijgen?’
Hun lach is bevrijdend, een antidotum tegen de angst voor de bommen. Roos laat zich niet van de wijs brengen.
‘Ge moogt gerust zijn. Hij heeft daar iets voor.’
‘Is ’t echt, Roos? Zo’n dinges?’
‘Een kapoot, is ’t waar?’
Naar een condoom verwijzen met de volkse benaming van een kapotjas is een gebruik dat ook in die dagen al wijdverspreid is. Ik heb er zelf een kleine herinnering aan, met weerhaken. Als twaalfjarige moet ik in de Latijnse les de vervoeging van het werkwoord capere opdreunen. Ik verhaspel de eerste persoon enkelvoud, in plaats van het correcte capio zeg ik capó. Wat zegt ge, vraagt de leraar smalend, kapoot? De klas lacht en ik weet niet waarom. Het bloed stijgt naar mijn wangen. Als twaalfjarigen zo lachen kan dat maar met één ding te maken hebben, dat begreep ik wel. Een condoom dus. De andere vrouwen in de kelder bij Roos hebben er nog nooit een in hun handen gehad.
‘Hebt ge er een bij, Roos?’
‘Laat eens zien.’
‘Komaan, Roos, we zijn curieus.’
Roos diept er een op uit haar rokken. Ze laten het rubberen dingetje van hand tot hand gaan.
‘Hoe voelt dat eigenlijk?’
‘Dat zoudt ge aan hem moeten vragen.’
‘En krijgt ’m dat helemaal vol?’
Het gelach overstemt de sirenes. De bommen zijn vergeten.
‘Zeg, mannen…’ Ook bij afwezigheid van mannen hebben de vrouwen de gewoonte om hun gezelschap zo toe te spreken.
‘Zeg, mannen, nu zou ik toch wel ’s willen weten hoeveel dat daar in kan.’
Er staan altijd twee emmers gereed in de kelder. Een lege voor dringende behoeften en een die gevuld is met drinkbaar pompwater. Joelend gieten de vrouwen water in het condoom. Beetje bij beetje spant het rubber zich op als een ballon. Tot het barst. Fien, die het condoom met vier vingers openspert, heeft kletsnatte voeten. Hilariteit. Bertine heeft plots nood aan de andere emmer.
En dan merken ze dat het alarm gestopt is.
‘Zeker twee liter’, zal Mima later met grote stelligheid aan haar dochter vertellen.

*

© Peter Mangel Schots


Peter Mangel Schots (Lier, 1972) is schrijver, dichter en literatuurdocent. Hij publiceerde twee dichtbundels en een boek met verhalen over De Eenzame Uitvaart. Tijd van dwang is zijn debuutroman.


Website Peter Mangel Schots
Label Peter Mangel Schots op De Schaal van Digther

Tijd van dwang bij Uitgeverij Horizon/Overamstel uitgevers
Wikipedia-pagina Peter Mangel Schots


 

 

donderdag 18 september 2025

Het sneeuwt. (Ook op het warme thuisterras) – Jet Marchau

Recensie 'In het wit' van Roderik Six

'in het witis het zesde boek van literair Knackjournalist en bekroond auteur Roderik Six (Ieper 1979). In zijn vorig werk, ‘waarin veel woede zat’, slaat hij nu een menselijker pad in, ‘op zoek naar tederheid’. (RS).

Die tederheid, het resultaat van grote empathie, uitgedrukt in gedetailleerde observaties en, zoals Stefan Hertmans over Volt (2019) schrijft: in ‘loepzuivere stijl’ én taal, greep me bij de keel.

In ‘in het wit’,(zonder hoofdletter in de titel) ontmoeten we twee vrouwen: M en Iris.

In beide verhalen sneeuwt het. Het verhaal van M splitst zich in twee delen die het middenverhaal, van Iris, omsluiten.

-Het verhaal van M is in de verleden tijd geschreven.

Beginzin: het sneeuwde.

‘Sneeuwen, het klinkt als de wind die met vingers van licht de kruin van een kind streelt’

M: Emma, maar afgekort omdat er van een ‘ma’ geen sprake is, is op weg naar haar demente vader in een landelijk rusthuis. En ze is vooral op weg naar een moeilijk gesprek met de arts en een hartverscheurende beslissing.

Via haar gedetailleerde kijk, bedenkingen en commentaren krijgen we een duidelijk beeld van de persoon M.

Tijdens de verre tocht met de bus kijkt zij bijna geobsedeerd door het raam naar de sneeuw en naar hetgeen buiten gebeurt. Het intensieve kijken roept bij haar herinneringen aan andere jaargetijden op, en verwijzingen naar auteurs en persoonlijke gebeurtenissen.

Ook bij het rusthuis zelf blijft geen detail onopgemerkt. Haar innerlijke commentaren zijn vaak cynisch en cassant:

Uit gewoonte helde de bus sissend op zijn kant om rolstoelen en wandelrekjes makkelijker te lossen. Het deed denken aan een vuilniswagen die zijn lading op het stort kiepert, als laatste rustplaats voor het bedorven vlees de oven in gaat.

Het wachten roept in de wachtzaal associaties, irritaties en nog meer bedenkingen op.

Enkel een laptop verried dat ze niet in een roman van Dickens was beland.

Haar verhaal gaat verder in het derde deel, na het verhaal van Iris, haar moeder: die M maar kort kende:

‘haar ( vroeg gestorven) moeder heette Iris maar voor M was dat slechts een naam, even betekenisvol als een straatbord in een bomenwijk…Haar herinneringen waren kopieën, droge lemma’s (…)

-Het verhaal van Iris is geschreven in de tegenwoordige tijd, terwijl het toch eerder dan M’s verhaal plaats vindt. Is dit om de tristesse hier nog voelbaarder te maken?

Beginzin: het sneeuwt.

Iris staart door het keukenraam naar de sneeuw. Buiten speelt haar man met haar kind. Ook hier volgen we haar in gedetailleerde waarnemingen. Maar Iris is moe, het gevoel dat ze nooit echt wakker is, overheerst, terwijl ze wel de’ scherpte van de wereld ‘ voelt.

ze vervloekt de erfenis van het moederschap, de ingebakken angst die je niet laat slapen; altijd half oor, speurend(..) altijd paraat, altijd bang (…) wanneer is het ooit genoeg?

Dokter Steels met een luisterend oor, raadt haar een dagboek aan. Ze probeert het, in de donkerte:

‘Misschien is het ook zo met woorden, misschien is het beter om net naast het ding te schrijven, om het ding te omsingelen, liever dan het platweg te benoemen.’

Maar het helpt haar uiteindelijk niet vooruit. Ze leidt ons stap voor stap rond in ‘haar wrakkig oud huis’, vervloekt het, hoewel met tederheid, zoals ze ook haar hele leven vervloekt.

Wanneer de wereld door de sneeuw een pauze, een ‘snipperdag’ heeft ingevoegd, probeert ze nog het beste ervan te maken door pannenkoeken voor man en kind te bakken, maar:

Deze dag. De lengte ervan. Het gewicht. Deze banale gedachten; de ondraaglijke schraalheid van haar bestaan ‘.

Dan gaat ze slapen, terwijl het kind en haar man buiten een iglo bouwen, worstelt ze zich uit haar kleren, legt ze haar verlovingsring op het nachtkastje en glipt ze weg:

‘Ergens barst iets, het huis huivert. Het zwart wordt dieper nu, onaards, en Iris spartelt: dit is te diep.

Hoe Roderik Six beschrijft hoe ze wegglijdt, hoe hij haar sterven en haar worsteling gevoelvol beschrijft, treft mij diep.

De ring van Iris legt een draadje naar het derde deel, dat weer aansluit bij het eerste verhaal van M, wel opnieuw in de verleden tijd: het sneeuwde.

Haar vader is al een tijdje gestorven en langzaam glipt ook de wereld van M door haar vingers: haar lichaam was een dichtgetimmerd kraakpand waarin de lampen één voor één zouden doven.

Opnieuw treft dit gedetailleerd inleven van Roderik Six: de twijfel, het tig-keren controleren, de gele post its, en misschien wel het ergste: ‘geen schouder om op te huilen’. ‘M kon, niet eens bij zichzelf terecht. Want binnenkort zou haar geest haar ziekte vergeten’.

Het houvast aan haar dierbare auteurs licht heel even op, maar ook dit verdwijnt.

Hoeveel intenser en empathischer kun je dreigende dementie nog beschrijven?

Een ding komt haar nog helder voor de geest: ze moet op zoek, naar de verlovingsring van haar moeder. En weer gaat ze op weg, terwijl ze door het raam van de trein nu de lente ziet ontwaken. Op weg naar haar geboortedorp. Waarom? Ik onthoud je de pointe.

Wellicht kunnen de troosteloosheid van de thema’s of de intense beschrijvingen afschrikken. Ik zelf ben na de laatste bladzijde in de zon op het thuisterras gaan zitten, op zoek naar warmte tegen al die kou. De roman had en heeft me bij de keel gegrepen.

En toch raad ik dit boek aan, vanwege de tedere empathie, de gedetailleerde filmische opmerkzaamheid van Six, de ongelooflijke secure en rijke taal, vanwege het literaire genot.

Dank zij Six’ filmische voorstelling, zal ik ieder vlokje sneeuw nu nog intenser bekijken, zal ik intenser meevoelen met de troosteloosheid van sommige levens.

En neen, in het wit brengt geen boodschap, maar het verhaal kan zeker een gespreksonderwerp voor gevarieerde leesgroepen zijn. En dat maakt de roman dan weer veelzijdig.

In boekenvriendschap, Jet

© Jet Marchau

‘In het wit' bij Uitgeverij Prometheus
Website Roderik Six  

Deze recensie verschijnt ook op de site van de VWS.



dinsdag 8 april 2025

Dubbelpas - Deel 1 - Etienne Van den Steen

Etienne Van den Steen heeft met Dubbelpas een nieuwe roman uit.
Hier publiceren we op De Schaal van Digther bij wijze van voorpublicatie deel 1.



DEEL I - Dubbelpas

 

Sommige dingen vergeet ik liever niet. Ook al heb ik ze niet in levende lijve meegemaakt en zijn ze nu niet meer echt belangrijk. Eén daarvan is: mijn vader Pascal werd geboren op woensdag 26 mei 1926, dezelfde dag als die van Miles Davis, die de ‘Picasso van de jazz’ wordt genoemd, dat is 45 jaar na de echte Picasso en 22 jaar na Dali.


De dag op zich betekent niets, net zo min als het jaar. Het was een koele dag met gematigde noordwestenwind, in een klein straatdorp dat al jaren verloren lag in een kleurloos stuk van het Oostvlaamse landschap, een dorp dat niet scheen te kunnen kiezen tussen glooiend en niet glooiend, vlak en niet vlak: Nieuwerkerken. Op die bepaalde dag lagen de straten gevangen onder een asgrijze hemel, in afwachting van het echte lenteweer dat niet leek te komen. Wat economische bedrijvigheid betrof had dit dorp in de eerste helft van de twintigste eeuw weinig of zelfs helemaal niets te bieden. Deze situeerde zich vooral bij de buren: Aalst in het noorden, dat strategisch gelegen was aan haar Dender, kende een bloeiperiode op gebied van textielindustrie. Zij mocht zich een stad noemen. Aan de zuidkant lag Haaltert waar een reeks familiebedrijven de

gemeente een zekere uitstraling bezorgden door de aanmaak van ’Brusselse’ kant, die niet in Brussel werd gemaakt maar er wel massaal werd verkocht, zelfs in oorlogsjaren aan de bezetter. De actieve bevolking van Nieuwerkerken bestond voor een groot deel uit landbouwers en kroeguitbaters, de niet-actieve uit schooiers en klaplopers.

Pascal’s ouders waren van bescheiden afkomst. Vader Gustaaf, in de volksmond ‘Jef’ zoals haast iedereen in die tijd, was een keuterboer, gehandicapt aan de linkerarm tengevolge van kinderverlamming. Hij had een bos zwart haar die vreemd genoeg stevig de hoogte in groeide, met daaronder een modebewuste Hitlersnor, ook al was er in die jaren nog geen sprake van Hitler.

Ondanks zijn handicap zag hij er behoorlijk good looking uit, te meer omdat hij die handicap op schaarse gelegenheidsfoto’s discreet wist te verbergen achter de rug van zijn echtgenote Marie-Rosalie. En: hij beschikte over een paar lappen grond wat in deze tijd een troef van  formaat was. Ondanks die ouderlijke bescheidenheid werd Pascal door zijn moeder liefdevol opgevoed, kreeg hij van haar kant een fijnzinnig karakter en artistiek talent mee. Eénmaal per jaar spaarde zij een deel van haar centen op om hem op schoolreis te laten gaan met de gemeenteschool uit de buurt. Maar in 1938 sloeg het noodlot toe.

Hij was twaalf en het weer was trouw aan zichzelf: miezerig, koud, de motregen viel onophoudelijk neer in de lege doodstille straten. Moeder Marie-Rosalie stond te wachten aan de schoolpoort, onder een te klein afdak dat met moeite die naam waardig was. De bus die Pascal moest terugbrengen van zijn uitstap had vertraging, wat haar wellicht aan het twijfelen bracht: teruggaan naar huis of blijven staan. Zij besliste te wachten, raakte na een uur doornat en verkleumd van de kou. Het gevolg was dat zij een longontsteking opliep, waaraan zij twee weken later stierf. Sedertdien had Pascal niet alleen een hekel aan elke vorm van schoolreis voor kinderen, maar aan elke school op zich.


© Etienne Van den Steen


Deel I van de roman “Dubbelpas” van Etienne Van den Steen (Brave New Books). Dubbelpas is een fictieroman, gebaseerd op waargebeurde feiten, een verhaal dat begint in het Vlaanderen van de Golden Sixties, de lezer meesleept in een zoektocht naar waarheid en intriges in Zuid-Frankrijk.

Over Etienne Van den Steen
Etienne Van den Steen (1951) werd geboren in Haaltert, Oost-Vlaanderen, maar belandde in de jaren '80 aan de Belgische kust. Van opleiding is hij germanist en pedagoog, schreef ondermeer filmscenario's, poëziebundels, biografische naslagwerken en romans.

Email: vandensteen453@gmail.com

Dubbelpas, 311 pagina's, ISBN: 9789465202419, is gepubliceerd via het self-publishingplatform Brave New Books.
Het boek is o.a. te koop bij 
https://www.bol.com/nl/b/brave-new-books/8892641/. Prijs: €26,90


Info-Etienne Van den Steen en Dubbelpas bij Brave New Books.

Etienne Van den Steen bij Brave New Books

Website Etienne Van den Steen


donderdag 17 november 2022

Beschouwing - Luc Vandromme

Hoe ze ook hun best doen. Welke overtuigingskracht ze in hun blikken leggen. Welke krachttermen ze bezigen. Hoe zeker ben je dat je het kind van je ouders bent?
De moeder is duidelijk. De vader, daarentegen.

‘Wanneer we je ouders zien en wanneer we jou zien. Zo verschillend. Klopt alles?’ Ongetwijfeld ben ik niet de enige die met deze opmerking in het reine moest komen. Zeker toen ik jonger was..
Ik probeerde deel van de tijd te zijn. Met lange haren, oosterse sandalen en tot op de draad versleten kleren. Vond de verkeerde dingen belangrijk. Was enthousiast, sportief en wou het geld herverdelen. Een carrière stonk, tenzij ze de weg van de kunst volgde. Er waren Bob Dylan. Crosby, Stills, Nash en Young. Lou Reed. Onze grote idealen. De tijden zouden veranderen..
Tijdens familiefeesten klopte ik niet. Een tang op een varken..
Was het generatieconflict aan het werk? De revolutionaire zestiger en zeventiger jaren? Misschien was ik slechts een product van de tijd?.
Of was er meer?.
Stel dat ik een jong van de melkboer was. Of van de postbode. Roger met de drankneus en het zweethaar. .
Dan beschuldigde ik mijn moeder van het ondenkbare..
In het andere geval was ik weldegelijk de zoon van mijn vader..
Wellicht een mutatie..
Tenzij er verklaringen waren. .

Op een bepaald ogenblik kun je niet langer langs je levensvragen. Blijf je die ontwijken, dan gaan ze etteren. Doe je dit niet, dan ben je verplicht al je moed te vergaren. De strijd aangaan. Met durf, dapperheid en kracht. Onderzoeken leidt tot onverwachte en vaak ongewilde resultaten. Je moet ontwarren en het raadsel in de ogen kijken. ‘Wie ben ik? Van waar kom ik? Hoe komt het dat ik ben zoals ik ben?’.

Ben ik echt de zoon van mijn vader dan moeten er aanwijzingen zijn. Verklaringen hoe mijn DNA zich heeft ontwikkeld..
Genen worden van generatie op generatie doorgegeven. Telkens wijzigen ze een beetje, maar in hun kern blijven ze quasi identiek.
Dit betekent dit dat ik op zoek moet gaan in het verleden.
Zijn er bij mijn voorouders sporen te vinden? Karaktertrekken. Talenten. Levenskeuzes. Andere. Zaken die een licht werpen. Die, wanneer je ze bundelt, mezelf kunnen voorspellen?

Dit is geen kroniek over koningen, veroveraars, legeraanvoerders of vrome heiligen. Het is het verhaal van eenvoudige lieden. Mijn voorvaderen.
Ik heb hun lijn gekozen. Een man zoekt zijn mannelijke eigenschappen. Hoewel ze minstens even cruciaal zijn, komen mijn voormoeders zijdelings in beeld. Behalve wanneer ze de dochter is van iemand die de geschiedenis fout inschat. Zoals in elke familie het geval is, kende de onze bijzondere personen. Grote zielen. Reislustige avonturiers. Ondernemers. Landarbeiders. Kunstenaarsharten. Liefhebbende echtgenoten.
Ze groeiden op. Droomden. Hadden lief. Zondigden. Stichtten. Overwonnen. Zochten vervulling.
In hun tijd. Tijdens hun wentelen van de wereldgeschiedenis. Tijdens oorlogen en periodes van onbezorgde voorspoed.

Langs Joannes Christiaen Godefridus Warnitz kan dit epos niet. Met zijn aankomst begint de verspreiding van onze familiale kenmerken. Terecht is hij een soort stamvader naar wie onze grondslag terug te voeren is.
Weinig is over hem bekend, behalve wat het bevolkingsregister vermeldt. Hij ziet het levenslicht in april 1799 bij Lübeck. Naar de precieze datum en geboorteplaats blijft het gissen.
Op woensdag 28 januari 1852 huwt hij in Brugge met de vierenveertigjarige Anna Thérèse Synave. Als beroep laat hij optekenen: matroos. Tegelijkertijd laat hij acht kinderen wettigen. Voortaan dragen ze zijn familienaam. Het is het zesde kind en jongste zoon, Leopold Egidius Warnitz, dat onze aandacht verdient. Bij het huwelijk is de jongen acht jaar oud. Geboren in Brugge op 30 augustus 1844. Leopold wordt later de grootvader van Eugène Warnitz, mijn moeders grootvader. Joannes Christiaen Warnitz inspireert en zet aan tot speculaties. Waar komt hij vandaan? Wanneer arriveert hij in Brugge? Begin 1828, wanneer we in rekening brengen dat een zwangerschap negen maanden duurt en hij Anna Synave moest ontmoeten?
Waarom huwt hij pas op tweeënvijftigjarige leeftijd? Woont hij al die tijd in Brugge of is Anna een havenliefje dat hij telkens opzoekt wanneer zijn schip aanmeert? Waarom dragen de kinderen allemaal haar naam tot 1852, de dag van het huwelijk? Zijn het echt zijn kinderen of strikt Anna hem in haar netten en zadelt ze hem op met een rij bastaards?
Is hij een Pruisische zeeman? Of ontvlucht hij om een of andere reden zijn thuisland? Heet hij werkelijk Joannes Christiaen Godefridus Warnitz?
Is het weldegelijk zijn geboorteakte die hij op zak draagt?

Een andere mythische voorzaat is Egidius, Amandus, Eugeen, Joseph Dolphens. Geboren in Helkijn op zaterdag drie maart 1770.
Legendarisch omwille van zijn beroep: cabaretier. En omwille van zijn dochter, Marie-Thérèse, die op zevenentwintigjarige leeftijd met de een jaar oudere Pierre Joseph Verbeke huwt.
Wat is haar beroep? Helpt ze in de zaak? Heeft ze als cabartierdochter automatisch vaderloze kinderen? Bij haar huwelijk zijn er vier. Is Pierre Joseph een doodbrave ziel die zich over het ongelukkige gezinnetje ontfermt? Of zijn het wel degelijk zijn kinderen? Waarom schenkt hij hen zijn familienaam? Samen krijgen ze nog zes kinderen waarvan er slechts drie in leven blijven. De tweede heet Ferdinand François Verbeke, de latere grootvader van mijn moeders grootvader. Stamt ons DNA langs deze zijde uit een huis van verderf?

Ik kan mezelf niet van op een afstand bekijken. Onmogelijk kan ik uit dit lichaam en uit deze ziel treden. Wellicht laat ik het beter aan anderen over om gelijkenissen en verschillen met mijn voorvaderen aan te wijzen. Zien ze kenmerken van een crimineel, een variétéartiest, een paardenfluisteraar, een wielrenner, een comedian, een wereldreiziger, een ziekelijke muzikant en een uitvinder?

Een andere kwestie is minstens zo ernstig: ik ben zelf een vader. Heb ik iets van het plaatje overgedragen?
Geeft een individu de eeuwen door?
Het is aan de volgende generatie om dit uit te maken. Tijd brengt raad.

Het is goed om een zoon te zijn.
Van welke vader dan ook.
Welke verschillen er zijn, het is het eenvoudigst en het fijnst om de zoon van je vader te zijn.
Mutaties of niet.

Als zoon kan je alleen maar dankbaar zijn.

Voor het gegeven leven.


© Luc Vandromme


Deze beschouwing is een aantekening van de auteur bij ‘Niets verlaat de tijd’, de nieuwe roman van Luc Vandromme die komende zaterdag 19/11/2022 verschijnt en gelanceerd wordt.  

Luc Vandromme (België, 1961) is pedagoog, schrijver, beeldend kunstenaar en jazz-zanger. Eerder publiceerde hij zes romans. De verschillende kunstdisciplines ziet hij als een middel om beelden te creëren. Zijn artistieke werk beschouwt hij als een onlosmakelijk geheel, waarbij zijn hoofdaandacht uitgaat naar het schrijven. Daarin vinden zijn verbeelding en zijn ‘stem’ hun diepste uitdrukking.

"In Niets verlaat de tijd neemt Luc Vandromme de lezer in negen beklijvende portretten mee op een levensechte reis door de tijd die we misschien allemaal wel zouden willen maken."






woensdag 16 november 2022

De paardenbezweerder - Luc Vandromme

De paardenbezweerder (fragment) 

 

1.

Ooigem ruik je.
Ofwel sla je je hand voor je gezicht, draai je om en ga je er van door. Ofwel aanvaard je de rotting.
Ooigemnaars ruiken niets. Ze snuffelen in de lucht en daar blijft het bij. Alleen wanneer de ijzeren rootputpoorten openschuiven, ondergaan ze een lichte onrust. Ook tijdens het voorjaar van 1908 wordt het dorp een eiland. De vette kluiten vloeien uit tot meren breekbaar groen waar de lente purperen bloemknoppen over streelt. De zon en de zachte wind brengen bijen. Nectar. Gouden toekomst. Winst en geld. Voorbij is de armoede. Gedaan met de eeuwige aardappelen, het brood en de soep.

2.

Ik steek mijn spade in de grond. De weerbarstige klei vereist dat ik mijn voet er op plaats. Eenmaal door de harde korst is de onderlaag smeuïg. Ze blijft aan het blad kleven. Zwaar en dood. Toebehorend aan een weerspannige onderwereld. Met dezelfde voet schuif ik de massa in de kruiwagen. Nog de helft te gaan en dan rijd ik naar de kar die het goedje naar de oven voert. Het aantal kruiwagens houd ik bij. Ze vormen mijn dagopbrengst. Nu ben ik de tel kwijt. Het komt door het paard. Of door de kar die het trekt. De oude is door een wiel gezakt. Vandaag is er een lager model met een minder hellende loopbalk. Dat spaart krachten. Kracht die ik nodig heb voor mijn spade.
Het hinniken brengt me terug naar de beelden die ongewijzigd zijn opgeslagen. Helder. Naar de angst en het bonzende hart van het zesjarige kind. Hoeveel kruiwagens waren het nu?

3.

De hengst heeft schuim op de lippen. Zijn ogen rollen. Onheilspellend opengesperd wit. Zijn hoeven hameren op de kasseien. Dan zwaait hij op zijn achterbenen en de menner kan hem niet meer houden. Machtig slaat het dier zijn hoofd en gaat er met de kar vandoor. De vlasarbeiders vliegen alle kanten uit en blijven in een stofwolk achter. Het geluid valt. Het opstijgen van de leeuweriken. Het dreunen van de poorten. Het kraken van de assen.
‘Pas op!
‘Aan de kant!’
‘Hou het tegen!’
‘Doe iets!’
‘Help!’
Benen kunnen onder wielen terechtkomen. Borstkassen ingedrukt.
Diezelfde benen aarzelen. Door de akker naar beneden gezogen.
De armen hangen levenloos, van adem beroofd.
Het hoofd van gedachten gewist.
Dan schiet een kind vooruit. Argeloos kruist het de dodelijke galop van het aanstormende beest. Geen volwassene die de moed heeft tussen het kind en het paard te springen. Groots spreidt het jongetje de armen. Heilig als een stamvader die oerkrachten temt. Het gezicht onbewogen. Zijn aanwezigheid bezweert de demon.
Het schuim verdroogt. Het wit verdwijnt. Miraculeus vallen de dodelijke hoeven en de vernietigende wielen stil. Op een halmbreedte van de frêle ribbenkast.
De aarde herwint haar kleur. Het geel van het vlas. Het groen van het seizoen. Het uitspansel dat zijn eeuwigheid terugvindt. Armen reiken. Noeste handen grijpen en plaatsen het kind op brede schouders. Klompen roffelen. Dansen de reddende engel door het dorp. In een onvergetelijk ritme dat de naam Camiel vervangt. ‘Boeverke! Boeverke! Boeverke!’


© Luc Vandromme


Fragment uit ‘Niets verlaat de tijd’, de nieuwe roman van Luc Vandromme die komende zaterdag 19/11/2022 verschijnt en gelanceerd wordt.  

Luc Vandromme (België, 1961) is pedagoog, schrijver, beeldend kunstenaar en jazz-zanger. Eerder publiceerde hij zes romans. De verschillende kunstdisciplines ziet hij als een middel om beelden te creëren. Zijn artistieke werk beschouwt hij als een onlosmakelijk geheel, waarbij zijn hoofdaandacht uitgaat naar het schrijven. Daarin vinden zijn verbeelding en zijn ‘stem’ hun diepste uitdrukking.

"In Niets verlaat de tijd neemt Luc Vandromme de lezer in negen beklijvende portretten mee op een levensechte reis door de tijd die we misschien allemaal wel zouden willen maken."