Posts tonen met het label Jan Van Meenen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jan Van Meenen. Alle posts tonen

zaterdag 30 augustus 2025

Avondje uit - Jan van meenen

Avondje uit

Niets mooier dan hoe jij in strijkend
tegenlicht het plein op loopt.

Een lichte windkoorts zindert door de kruinen.
Lampen zuchten aan, terrassen rammelen
met bestek, stoelen noden.

Wij worden prinselijk neergezet, bij kaarsen
onder een arcade, het licht ons welgezind:
welwillig, zacht, rimpelgenadig.

Smartphones gaan zowaar aan de kant.
Goudbrons kleuren je schouders.
Je zwijgt en ik kijk, steunend op mijn ellebogen.

Niets mooier dan jij zo zwijgend wegdromend,
voor mij in dit licht.

Obers rennen zich voor ons uit de naad.
Zeevruchten zwemmen aan op bedjes van
kralen. Het zwerk oogt als een blauwe walvisrug,
sterren worden schelpjes,
 
de hemel een oceaan waarin een almaar
voller maan naarmate glazen worden bijgevuld,
tot alleen smaak en ogen nog bestaan.

Er is een diepe vrede in ons neergedaald.
De weelde is betaald. Wij zweven.

Gearmd zeilen we weg, amper een straatje
scheidt ons van het hemelbed , heel even nog
te lopen.

De gevels glimmen paarlemoer.
De lift zwaait wagenwijd al voor ons open.

© Jan van meenen

Uit "Ontembare begeerte", een typoscript van Jan van meenen in wording.



Foto © Trui Gregoir




vrijdag 29 augustus 2025

Uma - Jan van meenen

Uma                                                  

De vuurvliegjes maken je vrolijk in dit vreemde donker.
Met grote open oogjes lig je nog maar es wakker te wezen.

Baslijnen uit de verte hebben je uit je dromen gehaald
en voorlopig wil niemand van het bonkfeest naar huis.

We liggen samen in de hangmat, ik om je heen als je engel,
naar de hemel te kijken, het speldenkussen nacht,
een hemel almaar groter dan we dachten.

Je ligt lekker klaarwakker te wezen, ik smacht naar stilte
en een bed.
In de holte van mijn arm is thuis overal.

© Jan van meenen

Uit "Ontembare begeerte", een typoscript van Jan van meenen in wording.



Foto © Trui Gregoir





donderdag 28 augustus 2025

Verdwaasde dagen - Jan van meenen

Verdwaasde dagen


Bizarre tijd van weggaan om heel snel terug te moeten.
De bomen groeien zoeter en groener, de vogels
zwenken linker en gladder.

De wind omhelst de huizen, de huizen omhelzen
de mensen en de mensen in de huizen elkaar.

We missen de stad en haar nerveuze gebaren.
Geen trein spoort echt weg,  geen vliegtuig
ontkomt de aarde.

Alles zweeft ergens in onzekerheid: mijn handen,
jouw handen, de seizoenen, mijn woorden.

We peppen ons vol cafeïne. Tot alles wat stilstaat
in ons in beweging komt.

Maar willen de sterren nog wel?


© Jan van meenen

Uit "Ontembare begeerte", een typoscript van Jan van meenen in wording.



Foto C. Trui Gregoir

vrijdag 14 oktober 2022

De dag is nooit verspild - Jan van meenen

De dag is nooit verspild

De dag is nooit verspild als we een rustpunt
vinden, de stilte tussen strofen, prentkaartlicht.

Linden in het gelid. Sluimerkapel.
Theedamp oker in de kruinen.
Wij op een genadig bankje
zen tussen twee letters in.

Vogels gaan op in vrolijkheid.
Het nu is hier, we blijven even,
verliezen ons in zalig tijdverdrijf
van nieuwe namen geven
aan pimpelvaren, zigzagstekje, ruizelkruid.

Een roze avondzon verschuift omzichtig
veld en tijd.

Genadeoord hier in dit glooiend land van amen.
We vallen naadloos samen.

 

© Jan van meenen

Zondag laatst, 9/10/2022 was Jan van meenen de gastdichter in de 2022-editie van het "Poëziepad van A tot Z". Zijn gedicht staat na te lezen op het Poëziepad aan de Milanen-kapel in Zwevegem. 


Jan van meenen bij zijn Poëziepad-gedicht


maandag 3 augustus 2020

Duif - Jan van meenen

Ze klieft niet als een zwaluw, kamikazend met wentelende messen,
zit liever vredig in haar veren,met dichtvallende ogen
in dat vertrouwd vermoeid gevoel.

Als een duif klapwiekt is het tegen het vallen, een beetje naïef duikend .
Niks van precisie.

Nog net niet gegrepen door een autosnoet, verzilverde grille, nog net
geen bloed en veren, nog net niet voor mijn ogen in het asfalt gewalst.

Een duif is een duif is een duif.


© Jan van meenen






zondag 2 augustus 2020

Ademteug - Jan van meenen

Diepe ademteug. De bomen bewegen hun vingers,
strekken hun tenen,reiken hoger, ogen trotser.
Struiken gaan zich te buiten aan lente.
merels slaan aan.

Lakens wuiven in een windje van niks, genieten
zo zichtbaar van licht; het is ze van harte gegund.

We vangen golven uit de ruimte,
de lieflijkste gedachten komen uit de ramen gezweefd,
hoofdpijn verdwijnt, alles wordt lichter, veel lichter.


© Jan van meenen






zaterdag 1 augustus 2020

Stuwing - Jan van meenen


Stuwing. Vreugde van vleugels. Vislicht.
Schittering van schubben

Niets is wat het lijkt.

Eenmaal aan de hemel gekleefd
wordt vliegen uiteindelijk liggen,
stilstand vredig zijn gang laten gaan.

Ondanks dit alles, zindert het licht,
windt beneden een vogel zich op.


© Jan van meenen






vrijdag 31 juli 2020

Treinstation Berlijn - Jan van meenen

De wolken zijn niet geschilderd, maar echt.
Het wordt ongemerkt later
al blijft het zaterdag en licht.

Heel het station van Berlijn wentelt zich
als in klaterend water.

Metaal, glas, steen, alles wat draagt,
beschermt, doorlaat, schelt,
straalt af op vloer en tegelwanden.

Mensen op het perron, als aan elkaar geregen.
Wij zijn heel heldere denkers geworden.


© Jan van meenen




woensdag 8 mei 2019

Dwaalhof van blije bijen

Aantekeningen bij De zee is een zij van Jan van meenen

Jan van meenen is met De zee is een zij aan zijn vierde dichtbundel toe. Aan deze nieuwe
bundel die net als zijn drie vorige verscheen bij Uitgeverij P gingen Aarzelend Gedicht (zijn knappe en louterende debuut uit 1998), Weerwerk (uit 2001) en Lichtgezichten (uit 2014) vooraf. Of dat niet een beetje weinig is - vier dichtbundels in twintig jaar - vroegen we hem naar aanleiding van de voorstelling van zijn nieuwe bundel op 23 februari 2019 in de Bib van Harelbeke.
Zijn antwoord typeert ten volle de dienstbaarheid van deze bescheiden dichter: Helemaal niet... Ik heb altijd het leven laten primeren. De poëzie is eigenlijk een soort bonus die mij in handen gevallen is en die rechtstreeks is ontstaan uit het feit dat ik jobshalve met jongeren in de lessen Nederlands en expressie aan de slag mocht gaan en waar ik dankbaar om ben.

Ook in zijn nieuwe bundel houdt Jan van meenen het bewust klein en opteert hij zonder enig voorbehoud voor wat je de draaglijke lichtheid van het bestaan kunt noemen. Bescheiden van opstelling, maar daarom niet minder adequaat. In Lichtgezichten, zijn vorige bundel, koos hij al volop voor de lichtgevende kant van de dingen. Ook De zee is een zij, die uit niet minder dan 70 gedichten bestaat, is een lijvige ode geworden aan het licht, aan ‘Zij die we Zij noemen’, de geliefde, de moeder, de kleinkinderen, de landschappen van Toscane en niet in het minst aan de zee. Als directe illustratie daarvan navolgend gedicht:

Op deze plek (uit de cyclus Twintig jaar later) 

Op deze plek wordt almaar liefgehad,
gestreeld, gestold en stilgelegd:

het is het vloeibare, het weifellicht
dat schroomt zich neer te leggen,

het is het luchtige, dat ons omzweeft,
het lieflijkste, het lijfelijkst strelende,

het is het huid aan huid
van sneeuw aan sneeuw,

het is het licht dat almaar zachter,
je lijf dat almaar lichter,
het is die helderheid,
het ach zo weinig
dat in het zoveel verdwijnt. 


De bundel bestaat uit vijf afdelingen waarin een duidelijke tijdlijn is aangebracht. In de eerste cyclus met als titel Aanvallig (wat hier vooral bekoorlijk betekent) is het volop lente. Het leven komt op gang. Onbekommerd nog, onbesuisd zelfs. Het frisse en het nieuwe staan centraal. Het eerste gedicht van de bundel is getiteld ‘De ochtend glundert’. Geen toeval. Er zijn gedichten voor Uma en Mira, kleindochters van de dichter. De moeder van de dichter zit fonkelogend in de tuin en er is de zee al die komt aangolven zoals het geval in het gedicht ‘Het was nu’.

Er was de zee met haar eindeloos aangolvend water,
haar wiergeur, haar zorgeloos dobberende scheepjes,

het was mei, het was mooi, het was nu,
morgen moest nog komen. 


In de tweede cyclus met als titel ‘Twintig jaar later’ gaat de tijd stapgewijs verder, maar langzaam nog, niet gehaast. De geliefde en het meer krijgen een warme prominente plaats in de gedichten. De realiteit sluipt maar heel langzaam binnen. Er is de voorjaarsroes. Eindeloos zon en water. De dichter vraagt zich in ‘La Cima’ af of ‘Hijgen de cipressen of zijn wij het?’ Het water is overrimpelend. Gedachten worden gedragen in een fles. Het gedicht Zomerlijk geeft mooi de sfeer weer waarin deze cyclus ademt

Niets zaliger dan ongedwongen, uitgeslapen
naar iets moois te liggen kijken
en niets te hoeven.

Uiteindelijk dan toch de luiken opengooien,
en alles binnenlaten, de kamer helder maken
als een bad dat zich vult met uit een rots
geslagen water. 


In de omvangrijke titelcyclus, de derde van de bundel De zee is een zij die drieëntwintig gedichten telt, is het volop zomer. De zee zwelt aan, verleidt, geldt hier als de eeuwige vrouwelijke metafoor van het bruisende overrompelende leven waarin de dichter en zijn geliefden worden ondergedompeld. Waaraan ze zichzelf met alle honger en levenskracht overgeven. Ironiserend, erotiserend. Vloeibaar. Een uitbarsting van vitaliteit.

Maar dat zomers, zelfs al zijn ze zoals verleden jaar verstikkend warm en wordt hun bestaan ontkend door roodaanlopende mannen met pruikenhaar, niet kunnen blijven duren, weten we. In de vierde cyclus ‘De bomen voorbij’ kan het heerlijke ‘nu’ niet worden gerekt. We stuiten op de regen en de verstilling. Herfst treedt in maar de schoonheid blijft. Het statige van de zwaan wordt een beeld dat beklijft. Is er een vrouwelijker symbool dan de zwaan? Neen, we denken het niet maar de dagelijkse realiteit is wel weer helemaal terug. In ‘Strandwandeling’ klinkt het: We zijn te mens om te vliegen.

De bundel eindigt niet toevallig met een afdeling die Verwintering getiteld is. Het leven deint uit, gaat voorbij, ja, sterft een stille dood zoals de moeder waarvan de dichter afscheid moet nemen en wiens stem overgaat in die van de dichter. Berusting steekt de kop op. Verzoening. Het allerlaatste gedicht heet niet voor niks ‘Ik denk dat ik mooi dood moet gaan’. Een korte kwinkslag van de dichter.

Of ik er nooit was, zo zal je me
missen, lekker niet dus, denk ik.

Het gras zal groeien en de regen verder
door het landschap schrijven
en alles mag – wat mij betreft –
bij het oude blijven.


Maar zover zijn we gelukkig nog lang niet. Wat er wel is, is dat doorheen alle afdelingen, doorheen alle gedichten van deze bundel een hoge muzikaliteit doorklinkt. Een gedicht moet altijd muzikaal zijn, is trouwens een van van meenen’s credo’s. Alliteraties troef in deze bundel, klankwendingen, nieuw bedachte werkwoorden als strelingstelen, zatdansen, gekstrelen en ver-ijzen, fijne vondsten te over in de Zee is een zij. ‘Languit in een landschap van laaiende lakens’ klinkt het in het gedicht ‘Zomerlijk’. En in het gedicht ‘Zee’ lees je ‘In lippen van licht zwemmen zwemmers zich weg’. Ook het klassieke middel van de dichter bij uitstek, het rijm, is aanwezig. Meer dan je vermoeden zou houdt Jan van meenen – een van zijn vroege leermeesters als Anton Van Wilderode indachtig - van eindrijm. Hij doet het een beetje stiekem, hij moffelt het een beetje weg. Tot je het pas goed merkt als je de gedichten luidop gaat lezen.

In ‘Thermae Palace’ een gedicht gesitueerd in Oostende” gaat dat zo:

Wijnwarm komt de zon het salon binnengluren
en poedert heel even een blos op haar glas,

zij ligt weer heel even naast hem in het gras:
een droom die wil blijven, een vuur dat blijft duren. 


De taal wordt eenmaal op smaak gebracht, net als de mooiste wijn volop geproefd zoals het geval van het gedicht ‘Del’.

Zeereep, del waarin achtergebleven
billenafdrukken van moeders, golven
slijpsel waar de zee in verzandt.

Zegge, akkermelkdistel,
de heupzwaai van helmgras,
niets in het verschiet


De tuin in het gedicht ‘Tuin bij Piccolo Casa’ is één feest van bloei en geur en kleur. Maar bovenal is dit tuingedicht een feest van taal. De vreugde van de taal die er in haar beste momenten en in vaardige handen van iemand als Jan van meenen in slaagt om de intensiteit van het leven niet alleen vast te leggen maar ze ook te herscheppen in de taal.

Zo’n tuin die kussenwijd de zwerfkat lommer biedt, verdwijnpijp
het duinkonijn, waarin de egel knort en schurkt en scharrelt:

dwaalhof van blije bijen, kraambed, keutelplek, waar vogels veren
op vingertoppen van verwilderd gestruik, uitbundig
uit de hand gelopen vreugde, 


Dwaalhof van blije bijen, ja, het kon zowaar een typering van de poëzie zijn van Jan van meenen. Taalgenoegen, lust mét en in de taal. Wijnbevlogen.
In ‘Schelp’ klinkt het:

Zo puur van paarlemoer, zo vrouwenbinnenkant is zij,
zo gekgestreeld, zo zatgedanst, zo broos als wat,
zo verloren hervonden, 


Wie zijn vorige bundel Lichtgezichten gelezen heeft herinnert zich tal van soorten licht. Maar ook in De zee is een zij treffen we het veelvuldig aan. Er is weifellicht, sneeuwballicht, lentekussenlicht… Er is krijtdamplicht, poedersuikerlicht, bevroren licht, inwit licht. ‘Het licht is er pluche, de gasten van was’. Jan van meenen lijkt wel gebiologeerd door het licht. Geen wonder ook dat hij voor de vele eigen motto’s die de gedichten meekrijgen ook af en toe grijpt naar andere dichters van het licht als Fernando Pessoa en Roger De Neef.

Maar in deze bundel gaat het natuurlijk ook over de zee en de metafoor van vloeiend, aan- en wegebbend water. Lichamelijkheid. Vrouwelijkheid. De zee is als thema nooit vreemd geweest in zijn poëzie. Al in Weerwerk staken een aantal zee-gedichten. En in Lichtgezichten zaten de geliefden in een bepaald gedicht op het topje van een duin en maten zich vleugels aan.

We weten dat Jan van meenen lang een getalenteerd fotograaf is geweest. Van professioneel niveau zelfs. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat bij deze dichter heel vaak initieel een visuele prikkel aan de oorsprong van een gedicht ligt. In gesprekken haast hij zich om zichzelf geen themadichter maar een fotografisch dichter te noemen. Die daarbij vooral, en bewust, kiest voor openheid en toegankelijkheid. Ik wil dat mijn geliefden voor wie ik in de eerste plaats schrijf mijn gedichten verstaan.

Of ie dan niet teveel het accent legt op de lieflijke kant van de dingen en de harde werkelijkheid van de wereld in zijn poëzie uit het oog verliest? Ook hier opteert hij voor een eigen stellingname. Ik voel mij niet geroepen om te prediken, een beetje naïef misschien, maar ik wil in mijn poëzie heel bewust de actualiteit en de wereldproblemen afhouden en kiezen voor het vorm geven van het geluksmodel. Ik wil met mijn gedichten snoepjes uitdelen om bij de lezer een glimlach op de lippen te toveren. Als dat af en toe lukt dan is dat het mooiste wat ik kan bereiken.

Een duidelijke stellingname maar ze belet niet dat er onderduims vaak ironie en goede luim in zijn gedichten steekt. Tussen de regels door deelt bijna achteloos ook wel ’s een flink prikje uit. Mooi is bijvoorbeeld het gedicht waarin hij op een milde manier afrekent met de visie van zijn vader die zo zijn eigen ideeën had over de poëtische activiteit van zoonlief en zich – zoals veel mensen trouwens - nauwelijks raad wist met woorden die dingen zeggen zonder ze te noemen.

Poëzie (zakelijk bekeken)

Zo’n boekje heb je toch wel erg snel uit, sneerde hij.
Hij hield niet van zuinige zinnen, mijn vader,
zelf kleurde hij het graag prozaïsch bont,
wist helemaal geen raad met woorden die dingen zeggen

zonder ze te noemen.
We liepen samen door de herfst, hij achteloos resoluut,
ik haperend in het wijnrood van de bomen.

En wat verdien je daar nou eigenlijk aan, vroeg hij me
vijftig stappen later fronsend, …
Veel erger kon me dat moment niet overkomen.

Ik zweeg ontzet, hij nam alweer het voortouw met
gestrekte pas, tussen de ruige stoppels
waar het koren was.

Een beeld dat ik sindsdien van hem bewaarde:
hij vlijmend ploeg, ik de gewonde aarde. 


In een ander gedicht ‘Voorjaarsroes’ heeft Jan het terloops over ‘remmen op de motor’ als hij het over ‘De auto heeft de lente in de lenden’ heeft. Wie zich laat onderdompelen in De zee is een zij beseft dat dat helemaal niet aan de orde is, dat remmen op de motor. Wijnbevlogen, vrij, lichtvoetig en ongeremd, zo blijft de dichter Jan Van Meenen in de wereld staan. Na lezing van deze nieuwe bundel is het duidelijk dat er niet meer moet getwijfeld te worden: De zee is een zij!


© Paul Rigolle

‘De zee is een zij’, Jan Van Meenen, Leuven, Uitgeverij P, ISBN 978-94-92330-72-0

Deze recensie is gebaseerd op de toelichting die Paul Rigolle gaf bij de voorstelling van de bundel op 23 februari 2019 in de Bib van Harelbeke.

Recensie Lichtgezichten op De Schaal van Digther
Jan van meenen bij De Schaal van Digther
















maandag 25 februari 2019

Na de voorstelling - De zee is een zij

'De zee is een zij' - vlnr Arne Deprez, Jan van Herreweghe en Jan van meenen

vlnr Paul Rigolle - Frans Deschoemaeker - Hendrik Carette




















































Na de voorstelling is er ... koffie (en was er bier). Foto's Bib Harelbeke, Za 23/2/2019,
Voorstelling van de dichtbundel "De zee is een zij" van Jan van meenen.




zaterdag 16 februari 2019

Melancholie - Jan van meenen

i.m. Sint-Jozefscollege/Tielt

Leegte vult de gangen, mossponsjes houden
muren bijeen, wat tranend ademt in de voegen nog.

Diepgroen ranonkelt zich om wat hier ligt
voorbij te wezen, wat opspat van de vloer
Noem het melancholie, terugwillen van tijd.

Stenen steunen tegen beter weten,
licht vreet mortelspijs, vocht splijt muren.

Er is geen zekerheid, geen duren.


© Jan van meenen


Voorpublicatie uit 'De zee is een zij' van Jan van meenen die op zaterdag 23/2/2019 wordt voorgesteld in de Bib van Harelbeke.
Meer info via deze Digtherbladzijde.


vrijdag 15 februari 2019

Poëzie (zakelijk bekeken) - Jan van meenen

Zo’n boekje heb je toch wel erg snel uit, sneerde hij.

Hij hield niet van zuinige zinnen, mijn vader,
zelf kleurde hij het graag prozaïsch bont,

wist helemaal geen raad met woorden die dingen zeggen
zonder ze te noemen.

We liepen samen door de herfst, hij achteloos resoluut,
ik haperend in het wijnrood van de bomen.

En wat verdien je daar nou eigenlijk aan, vroeg hij me
vijftig stappen later fronsend, …
Veel erger kon me dat moment niet overkomen.

Ik zweeg ontzet, hij nam alweer het voortouw met
gestrekte pas, tussen de ruige stoppels
waar het koren was.

Een beeld dat ik sindsdien van hem bewaarde:
hij vlijmend ploeg, ik de gewonde aarde.


© Jan van meenen


Voorpublicatie uit 'De zee is een zij' van Jan van meenen die op zaterdag 23/2/2019 wordt voorgesteld in de Bib van Harelbeke.
Meer info via deze Digtherbladzijde.


donderdag 14 februari 2019

Strandloper - Jan van meenen

Hij kent haar drift en daagt haar lieflijk uit,
trippelt voorlangs een beetje schamper kijkend.

Zij schuifelt als verlegen naar hem toe,
hij haast zich amper weg, versnelt even zijn tred,
als vreesde hij voor natte voeten.

Wie speelt met wie? Ach, zie hoe hij haar
tippelend maar nauwelijks ontwijkt, zich bijna
laat bereiken.

Hij spreekt haar toe in spijkerschrift,
verleidt: een mooiprater.

Wie speelt? Hij schrijft. Zij veegt het uit
met al haar overvloed aan water.


© Jan van meenen


Voorpublicatie uit 'De zee is een zij' van Jan van meenen die op zaterdag 23/2/2019 wordt voorgesteld in de Bib van Harelbeke.
Meer info via deze Digtherbladzijde.


woensdag 13 februari 2019

Del - Jan van meenen

‘Schuifelend golven, zachtjes snevend.’


Zeereep, del waarin achtergebleven
billenafdrukken van moeders, golven
slijpsel waar de zee in verzandt.

Zegge, akkermelkdistel,
de heupzwaai van helmgras,
niets in het verschiet,

dan tussen duin en water, wij, in het af en toe
van een zuchtje zee, waarop meeuwen gelukzalig
lanterfanten, twijfelen tussen blijven of niet.


© Jan van meenen


Voorpublicatie uit 'De zee is een zij' van Jan van meenen die op zaterdag 23/2/2019 wordt voorgesteld in de Bib van Harelbeke.
Meer info via deze Digtherbladzijde.

* “Del” staat hier (uiteraard) voor de betekenis “duinpan”

dinsdag 12 februari 2019

Zwaar weer op komst - Jan van meenen

‘Nu de lucht het lachen verging.’ 

Genadeloze zon, ovenheet zand.
wij op het punt te verdampen.

De dag leek niet meer te redden:
wolken beslopen het meer, dwongen de laatste
zon in een klein hoekje, gingen loodzwaar op het
landschap liggen.

Staalblauw schoof zienderogen in olifantgrijs.
Struiken deden geschrokken of ze weg wilden,
nu het klank- en lichtspel kletterend begon,
onze slaap zwaar hypothekerend danig
doorging.

De volgende ochtend leek het herfst.
De takken hingen vreugdeloos, neerslachtig,
de blaren lagen voor het rapen, de bomen hadden
het gehad,

de wereld tot haar ware grootte teruggebracht.


© Jan van meenen


Voorpublicatie uit 'De zee is een zij' van Jan van meenen die op zaterdag 23/2/2019 wordt voorgesteld in de Bib van Harelbeke.
Meer info via deze Digtherbladzijde.


De zee is een zij - Jan van meenen

Op zaterdag 23 februari 2019 wordt in de Harelbeekse Bib "De zee is een zij", de nieuwe
en inmiddels vierde dichtbundel van Jan van meenen voorgesteld. Ook in deze bundel steekt weer heel veel licht. Het licht van de zomer. Het licht van het Zuiden. En van het leven! In niet minder dan 70 nieuwe gedichten sluit de Kortrijkse dichter naadloos en gloedvol aan bij het punt waar hij de lezer met zijn derde bundel 'Lichtgezichten' (2014) verlaten had. Van meenen mag met zijn verzameld werk - vier bundels die verschenen tussen 1998 en 2019 - zo langzamerhand de dichter van het Licht genoemd worden die ook in deze troebele tijden bewust blijft kiezen voor de warme kant van de woorden. De lezer ervaart deze poëzie als "zinderend zintuigelijk". In "De zee is een zij" maakt Jan van meenen, die er ook nu weer aan houdt om zijn naam zonder  hoofdletters te schrijven, werk van zijn jarenlange fascinatie voor de zee en de "oneindige vrouwelijkheid" die de zee in hem weet op te roepen.

De bundel is net als de vorige bundels van Jan van meenen een uitgave van Uitgeverij P. Inleider van dienst op 23/2/2019 in Harelbeke is Digther-redacteur Paul Rigolle.
Vanaf vandaag en de volgende dagen publiceert de Schaal van Digther in voorpublicatie vijf gedichten uit de nieuwe bundel:

Zwaar weer op komst (Di 11/2/2019)
Del (Woe 12/2/2019)
Strandloper (Do 13/2/2019)
Poëzie (zakelijk bekeken) (Vr 14/2/2019)
Melancholie (Za 15/2/2019)




woensdag 30 december 2015

De warme kant van de woorden

Over de aarzelende Lichtgezichten van Jan van meenen

“Er zijn dichtbundels die evoceren en er zijn er die bewaren”. Meer dan een uitspraak uit de losse pols, is het niet. En zoals het geval met wel meer uitspraken, even gratuit als ze een flinke portie waarheid bevat. De nieuwste dichtbundel ‘Lichtgezichten’ van Jan van meenen die vorig jaar uitkwam bij uitgeverij P behoort tot de poëzie die
én evoceert én bewaart, al ligt het accent toch wel bijzonder vaak op “het bewarende” element. Van meenen is sinds zijn debuut als dichter in 1998 met de bundel 'Aarzelend gedicht’ de auteur geworden van een klein maar fijn en precieus oeuvre. Met mondjesmaat publicerend en minzaam, bescheiden, een beetje teruggetrokken in de omgang is deze voormalige leraar Nederlands en expressie met ‘Lichtgezichten’ aan zijn derde bundel toe.

In ‘Aarzelend gedicht’ had van meenen op een erg integere en dwingende manier poëtisch afgerekend met de ziekte van zijn geliefde. Waar hij voordien als leraar zijn leerlingen op een gedreven en speelse manier met de taal leerde omgaan, en het er niet onmiddellijk naar uitzag dat hij zijn eigen poëzie ooit zou publiceren, werd door de ziekte van de geliefde Spielerei plots ijzige ernst. Het schrijven verkreeg voor de dichter in die periode een heel nieuwe betekenis. Schrijven werd bezweren. Incantatie. “Duizend gratiebrieven zal ik voor je schrijven” stond er fluisterend in ‘Aarzelend gedicht’. Het was een aangrijpend debuut dat indruk maakte. ”Zelden las ik in onze taal een mooiere verwezenlijking van literatuur als therapie voor lezer en schrijver… Heel mooie en indringende poëzie”… schreef men in Leesidee over de bundel. In 2001 verscheen de opvolger Weerwerk. Gelukkig was het met de geliefde van de dichter goed gekomen zodat de verzen in Weerwerk opnieuw alle ruimte kregen om zich in Windingen en Spranken over te leveren aan de hervonden draaglijke lichtheid van het bestaan. In zijn recensie over Weerwerk dat in Poëzierapport een zeldzame 8 op tien kreeg, omschreef Philip Hoorne op zijn badinerende manier de dichter al als een meester van de personifciatie. In de wereld van deze dichter lijkt alles te leven. Hij kan goed kijken, maar dat kunnen er wel meer. Daar schitterende poëzie uit puren is weinigen gegeven. Ik ontmoette Jan van meenen een keer of drie. Een bescheiden dichter die niet half beseft hoe goed hij wel is, die indruk heb ik. Daarom besef ik het in zijn plaats.”

Nu pas is er, veertien jaar later, Lichtgezichten. Over het hoe en het waarom van die vrij lange tussentijd – zegt Jan van meenen (die zijn literaire naam uiterst consequent zonder hoofdletters blijft schrijven) dat “dat enkel en alleen te maken heeft met mijn eigengereide zorg om zonder spoor van overblijvende twijfel uiteindelijk vrede te vinden met elk gedicht dat in een bundel staat. Publiceren is immers prijsgeven. Definitief. Ook vond ik niet onmiddellijk, zo zegt hij, behalve de algemene noemer van het Licht, bij elkaar horende cycli in deze bundel, zodat ik ‘Lichtgezichten uiteindelijk zonder afzonderlijke afdelingen heb gepubliceerd.”

’Lichtgezichten’ is dan ook een lijvige bundel geworden die werk bevat uit een periode van meer dan tien jaar. De bundel bestaat uit 55 lichtgedichten die in hun geheel alle aspecten van het licht (en van het leven) onderzoeken en met zorg proberen vast te leggen. De bundel mag dan in zijn geheel als een lichtstraat voorbij de ogen van de lezer schuiven, een niet onaardige vondst is wel dat elk gedicht onderaan de pagina als ondertitel één of andere licht-omschrijving heeft meegekregen. Zo begint de bundel met glimlicht - klimlicht – grimlicht en dimlicht – om ondermeer via lik- en driftlicht te eindigen in gedichten die ondertitels dragen als schrijnlicht - zwijglicht en blijflicht. Het laatste gedicht van de bundel heet bovendien “Wellicht”. Met een motto, ontleend aan Rutger Kopland “Het is wat we zien, zover/we zien, zover we denken te zien” brengt de dichter met ingehouden adem én vaak koesterend zijn vederlichte lichttoetsen aan. Zoals bijvoorbeeld het geval in navolgend gedicht:

Wanneer de avond gevallen is

Wanneer de avond is gevallen en de wind
en jij nog net niet slaapt, terwijl
je leden de vorm aannemen
van vermoeienis,

dat louter liggen van licht
op je dij als tegen een heuvel
gefluisterd.
Dat en wat zich verzwijgt.

Ik kijk en koester en laat je,
met in het geheugen de withete dag,

in de kamer: het verlegen, naar de nacht
willende licht,

je heup als een stralende steen,
mijn adem aanstrelend tegen.


Dat Jan van meenen in deze bundel alle luiken, blinden, ramen, deuren openzet voor het licht mag voor wie hem kent geen toeval heten. Nog voor hij zijn toevlucht
nam tot het woord was van meenen al een vakkundig fotograaf die op zijn netvlies al de foto zag nog voor ie had afgedrukt. (“dat kunnen alleen de goeie”). Gezichten, aangezichten van het licht… De bundel is een ware explosie geworden van licht en vuurwerk waarin Jan van meenen verdergaat op de toon die ook al in Weerwerk aanwezig was en waarin hij kiest - volop mag kiezen - voor de warme kant van de woorden… De lezer ervaart deze poëzie als “zinderend zintuiglijk”. De gedichten zijn van een troostende puurheid en worden gedragen door een onbevangen manier, een intensiteit van kijken, essentie waar we uiteindelijk allemaal naar op zoek zijn. De dichter legt in elk gedicht de werkelijkheid en de dingen als in een luchtbel vast. Als in een Lichtbel! Van Meenen exploreert het licht niet; noch exploiteert hij het. Hij breekt niet in bij de dingen maar maakt ze tastbaar in hun breekbaarheid. De dichter is een vederlichte verkenner die met een lamp vol taal aarzelend en weifelend langs de dingen en de mensen strijkt. Zoals het spelletje “Freeze” of “Bevries” op de speelplaats vroeger, of hoe het ook in al zijn variantes mag heten… Je loopt met een groep kinderen achter iemand aan en als die zich plots omdraait en “bevries” roept mag je – als was je een standbeeld - niet meer bewegen terwijl al je spieren in dat jonge lijf blijven trillen. Dit is een beetje wat de gedichten van Jan van meenen met de lezer en mét de taal doen. Ze blijven trillen ook al lijken ze stil te staan, verstild te staan als “stills” in stille films… In het korte heel mooie gedicht “Er is” lezen we:


Er is de herinnering,
het verste, het gesneeuwde.
Er is dat iets aan de rand van
de stilte, verpoederd,
potloodzacht vermoeden.
Altijd wel iets is er:
het wit. Het omhelzen van niets.


De zachte mooie kant, je kan welhaast zeggen de vakantiekant van de dingen lijkt bijna centraal te staan in deze bundel. De momenten worden zacht bevroren als zet de dichter een stolp over de dingen. Er is heel veel om aan te strepen. Een lieflijk aandoend landschap uit de jeugd van de dichter komt in de gedichten opnieuw tot leven. In zijn jeugd was de dichter - naar we weten, een notoire Kortrijkzaan - immers helemaal geen dooie stadsmus. Van zodra hij kon en elke vakantie opnieuw was hij te vinden op het platteland van de mooie Zwalmstreek. In Sint Denijs Boekel bij een schoonbroer van zijn tante. Een aantal gedichten ademen dan ook een zacht soort heimwee naar die tijd en naar het ongerepte van de natuur, zoals die vroeger was en zoals we die in de vroege herinnering koesteren. ‘Leeuweriken vallen in het koolzaad zomaar als een steen uit de lucht naar beneden’. In 'Ontembaar lente' bootsen vleugeltjes vliegen na en in ‘Vogelei’ loopt de jongen voorzichtig rond met een ei waarbij het er op aankomt om zolang het geheim te bewaren tot het vleugels krijgt… Die vroege ongereptheid vindt de dichter later ook honderdvoudig op zijn reizen terug. Hij zoekt ze op tot hij ze vindt. Terre di Toscana, Umbrië, Portugal, Lisboa, Zuid-Frankrijk, de Camargue, de Durance, ook en zelfs Amsterdam... Even zoveel geliefde plaatsen als de dichter in zijn hoofd bewaart, maken het voorwerp uit van zijn poëzie. In een gedicht als “Durance” dat vol "vlimlicht" steekt, staat:

‘Een schorre keel is de rivier, het dal een mond vol dorst
Zon zuigt het merg, verzengt, verzandt, dorst
’.

In de Camargue wordt de dichter samen met de flamingo's roze van verlangen en in de Olijfgaard bij Piccolo Casa “slaapt het nog dat het kraakt/in stokoude armen’...

Ook vliesvleugelachtige woorden als slaap, droom, vleugels komen op veel plaatsen terug.

Alles is heden. Verleden. Zou ook toekomst
kunnen zijn. Want verder schrijven wil het meer
De droom waarin we drijven
.

Zo klinkt het in het gedicht ‘Want blijven wil het meer’.

Is alles in deze poëzie dan paradijselijk of idyllisch, ingegeven door een jeugd waaraan de jongen die de dichter was welhaast arcadische indrukken overhield?
Heeft deze poëzie met al haar vormen van lichtinval dan geen schaduwkanten? Zijn er dan geen honden die zichzelf staartbijtend achterna jagen en worden zelfs de dapperste kinderen niet het huis in gebliksemd? Jazeker wel! Dit is broze, tere poëzie maar de latente angst dat het genieten van de kleine en mooie dingen niet kan blijven duren hangt, zonder dat dat expliciet wordt gemaakt, boven en binnen de woorden. Het bewustzijn van hoe kwetsbaar alles in het leven blijft, is nooit veraf. Lichtheid maskeert het gemis, deemoed vermomt wat voorbijgaat. Er is sprakeloosheid waarmee we zoals in het mooie “Bezoek aan de steen” achterblijven. Er zijn liefdesgedichten en er zijn zoals Vladslo en Tyne Cot gedichten die refereren naar oorlog en vrede. Een aantal verzen knopen aan met de schrijnende gedichten uit de debuutbundel. Er is een In memoriam patris, er is het afscheid van de moeder…

De taal van Jan van meenen is helder en toch ingehouden en beheerst. Deze dichter heeft intussen een métier bereikt dat hem behoedt voor elke vorm van sentimentaliteit. Emotie mag maar goedkoop sentiment wordt door de dichter vakkundig vermeden. Deze gedichten zijn technischer dan men op het eerste gezicht bij hun onbevangen voorkomen zou vermoeden. Binnen- en eindrijm, dubbele bodems, klankkleur en alliteraties alles is aanwezig om deze poëzie tot een ingehouden feest van de lezer te maken. Nooit heeft van meenen er een geheim van gemaakt dat hij vooral begrijpelijk wil schrijven, en dat hij er bijzondere waarde aan hecht dat zijn nabije omgeving en zijn vrienden door zijn woorden worden geraakt. Zeker is dat Jan van meenen daar ook in deze bundel – met letters die als libellen keren in het wit - veelvudig is in geslaagd. Het gedicht Reigers is één van de vele voorbeelden.

Reigers

Reigers sterven niet. Ze verzeilen in hun gebaren
blijven wuiven, of ze geen afscheid kunnen nemen.

Reigers vervliegen, zoals vissen vervloeien. Zoals

de wind met de tijd gaat liggen in vergeten,
zoals dichters gaan.

Dichters sterven niet. Ze verstillen zoals reigers gaan.
Zoals letters als libellen keren in het wit.



Slotsom:
Lichtgezichten is een bundel die perfect in staat is om een aantal hartverwarmende lichttoetsen aan te brengen in wat wij gemeenzaam noemen, "deze donkere tijden".

Recensie: Paul Rigolle


Lichtgezichten, Jan van meenen, Uitgeverij P, 2014, Leuven, ISBN978-94-91455-10-0

Noot:
Deze recensie is gedeeltelijk gebaseerd op de lezing die ik verleden jaar op 27/9/2014 mocht geven bij de voorstelling van de bundel in het Kortrijkse stadhuis.(Paul R.)

Extern:
Recensie Frank Decerf bij “De Boekhouding”
Recensie Lichtgezichten Romain John van de Maele bij Meander


vrijdag 26 september 2014

Wellicht - Jan Van Meenen


(Val d’Abbruggio, Crete)

Wellicht is dit het einde wel en altijd al, misschien
het laatste wat zal blijven, dit landschap
ingehouden als een huid, wachtend.

En altijd al en weer dit licht,
en altijd wel net even anders oogstrelend.

Als ooit op mijn huid een hand moet passen,
laat die het maar zijn.


(Blijflicht)


© Jan Van Meenen


Uit de bundel 'Lichtgezichten' - Uitgeverij P
Voorstelling za 27/9/2014


donderdag 25 september 2014

Tafeltje naast ons - Jan Van Meenen


Tafeltje naast ons. Zijn er die er beter tegen kunnen:
slurpen van schelpen, nippen van glazen.

Dit lijkt me een voorspel. Zou me niet verbazen.

Ergens in zijn kleren rinkelt telefoon. Beeldschoon
kijkt zij opzij. Ontsteekt een sigaret.

Ze lijkt bedreven in het wachten,
zolang tot hij haar god-weet – ergens uit de kleren schilt.

Wij drinken kleine wijn.
Ik zie jou naakt al in gedachten.


(Schijnlicht)


© Jan Van Meenen


Uit de bundel 'Lichtgezichten' - Uitgeverij P
Voorstelling za 27/9/2014