Avondje uit
Niets
mooier dan hoe jij in strijkend
tegenlicht het plein op loopt.
Een lichte windkoorts zindert door de kruinen.
Lampen zuchten aan, terrassen rammelen
met bestek, stoelen noden.
Wij worden prinselijk neergezet, bij kaarsen
onder een arcade, het licht ons welgezind:
welwillig, zacht, rimpelgenadig.
Smartphones gaan zowaar aan de kant.
Goudbrons kleuren je schouders.
Je zwijgt en ik kijk, steunend op mijn ellebogen.
Niets mooier dan jij zo zwijgend wegdromend,
voor mij in dit licht.
Obers rennen zich voor ons uit de naad.
Zeevruchten zwemmen aan op bedjes van
kralen. Het zwerk oogt als een blauwe walvisrug,
sterren worden schelpjes,
de hemel een oceaan waarin een almaar
voller maan naarmate glazen worden bijgevuld,
tot alleen smaak en ogen nog bestaan.
Er is een diepe vrede in ons neergedaald.
De weelde is betaald. Wij zweven.
Gearmd zeilen we weg, amper een straatje
scheidt ons van het hemelbed , heel even nog
te lopen.
De gevels glimmen paarlemoer.
De lift zwaait wagenwijd al voor ons open.
© Jan van meenen
Uit "Ontembare begeerte", een typoscript van Jan van meenen in wording.
![]() |
Foto © Trui Gregoir |
Geen opmerkingen:
Een reactie posten