Posts tonen met het label Frank Decerf. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Frank Decerf. Alle posts tonen

vrijdag 13 september 2024

Digther-Een kleine geschiedenis van een taalfout-Hugo Verstraeten

Digther: Een kleine geschiedenis van een taalfout

Op zondag 22 september 2024 is de literaire ontmoeting 'Publiek Geheim' in de Antwerpse 'Den Hopsack', georganiseerd door de VVL (Vereniging van Vlaamse letterkundigen) gewijd aan dichters van en rond dit eigenste online literair tijdschrift.

Een mooie aanleiding voor Hugo Verstraeten om 's terug te blikken in de geschiedenis van Digther: "Kleine geschiedenis van een taalfout".

Schijngestalten

Midzomer 1999. De gammele wenteltrap gaf toegang tot een zolderkamer die voor de gelegenheid dienst deed als vergaderlokaal. Het volkscafé aan de Grote Markt van Diksmuide telde, getekend door de jaren, zijn dagen af. Aan tafel de resterende redactieleden van het tijdschrift SCHIJNGESTALTEN. Op de agenda de vraag of het blad de overgang naar het nieuwe millennium kon of moest halen. Het losbladige tijdschrift werd sedert 1993 de wereld ingestuurd. In de ondertiteling stond met een knipoog ‘Blad voor lezers en schrijvers’.  Het blad was van een lokale, hoofdzakelijk links – progressieve signatuur. SCHIJNGESTALTEN nam via satire en kwinkslag de lokale politieke en maatschappelijke context op de korrel. Het blad verscheen driemaandelijks en werd uitgegeven door Theater Periekel VZW. De grafische vormgeving werd door Rein Lobbestael verzorgd. Die zou dat – tot het opdoeken van de papieren editie van DIGTHER in 2012 – blijven doen. Tim Provoost en Danny Decaestecker werden ‘aanstichters’ genoemd, al zou het vuur anno 1999 onder het gewicht van de tijd minder laaien.

                                             


Dat iemand van de aanwezigen op de vergadering Schijngestalten een veredeld scoutsblad noemde gaf tegelijk de doodsteek en de doorsteek naar iets anders: DIGTHER zou ambitieuzer zijn, met literaire kwaliteit mikken op een ruimer publiek. DIGTHER werd aangezet als een taalfout en niet zonder een vals gevoel van zelfoverschatting bevatte de naamgeving vingerwijzingen naar ‘Die Leiden des jungen Werthers’ van Johann Wolfgang von Goethe (1774). DIGTHER werd door inzenders en recensenten consequent fout gespeld – opzet geslaagd!

In den beginne was het woord

Al in 1999 verscheen het eerste ‘nulnummer’. Danny Decaestecker en Hugo Verstraeten zouden als verantwoordelijke uitgever en hoofdredacteur het schip door woelig water naar veiliger havens loodsen. Zij dienden ervoor te zorgen dat de intentieverklaring in het nulnummer niet enkel een aan het moment gebonden oprisping bleek:

Digther is vooral een schrijverscollectief, op eerder toevallige wijze bijeengebracht rond de wil tot het leveren van een authentieke en creatieve meerwaarde. Met deze intentie voorop neemt het collectief (hoofdzakelijk) literaire initiatieven.

Belangrijke spreekbuis vormt het gelijknamige tijdschrift. Digther wil een blad zijn waarin dichters, schrijvers en theatermakers het woord nemen en dit in de meest brede betekenis.

Schrijvers en lezers ontmoeten er elkaar rond een project dat een frisse, creatieve en tevens kritische vluchtweg biedt voor het aftandse, het banale, het modale.

Van kunst met een grote "K" tot kunst met een knipoog, van cultuur tot cultuurkritiek, van essay tot pastiche. Zonder leerstellingen of dogma's. Zonder beklemmende literaire tradities of commerciële verbintenissen. Maar met de ambitie om aan beginnend, sluimerend en gevestigd talent spreek- en schrijfrecht te doen.

Door lokale elementen en origine te koppelen aan meer universele aspiraties neemt Digther een eigen plaats in binnen het schrijvend en kunstminnend gedeelte van een Nederlandstalig lezerspubliek: eigen-aardig en eigen-zinnig

Was het nulnummer nog schatplichtig aan wat SCHIJNGESTALTEN te bieden had, toch gaven François Vermeulen en Peter Holvoet – Hanssen het tijdschrift mee een duw in de richting van zijn missie. Van Peter Holvoet – Hanssen verschenen gedichten uit Dwangbuis van Houdini  (Prometheus 1998). Bij het ter perse gaan van het nulnummer raakte bekend dat de dichter met de bundel de ASLK – debuutprijs won.

Anno 2000 viel het eerste nummer van de eerste jaargang in de brievenbus van de abonnees. Onder het motto:

               Iedereen moet kunnen lezen

               Iedereen moet kunnen schrijven

 

Het opschrift bedekte de wil en de intentie om de kloof tussen literatuur en de lezer klein te houden. Tegelijk sprak er de onzekerheid uit of er nog behoefte was aan een literair blad in dit o zo kleine en vaak zo vlakke literaire landschap. Het verschijnen van DIGTHER hield gelijke tred met het verdwijnen van gepubliceerde literaire tijdschriften in Vlaanderen. Een cast van bekende en minder bekende auteurs gaven een bevestigend antwoord op de gestelde vraag. Met ‘Fox on the run 2000’ trok Peter Holvoet – Hansen de aandacht. Het gedicht vormde de aanhef tot een derde bundel: ‘Santander – Ontboezemingen in het Vossenvel’ (2001). In de rubriek De Rechtvaardige Rechters besprak Pieter Verstraeten nieuw verschenen werk.

                                                          

Ontwerp DIGTHER anno 2000

De toon was gezet. Wisselende medewerkers bezetten de redactie. Naast Danny Decaestecker[1] en Hugo Verstraeten[2] kwam François Vermeulen[3] op regelmatige basis de redactie vervoegen. Vanaf 2003 sloot Alain Delmotte[4] aan. Vanaf 2004 werkten Frank Decerf[5] en Diana Freys[6] mee. Paul Rigolle[7], Frédéric Leroy[8] en Herlinda Vekemans[9] zouden later volgen. Na enkele jaren redactiewerk haakte François Vermeulen af om eigen redactionele wegen te bewandelen. Op 5 oktober 2010 overleed Danny Decaestecker op 52 – jarige leeftijd aan een hartfalen. DIGTHER was met hem een promotor en performer van het eerste uur kwijt. Hij hield binnen de redactie de wildste dromen altijd binnen het bereik van het haalbare.

                             

Redactievergadering tuin Pastorie Oostkerke - april 2010


Het lichtgevende deel van een knipperlicht

De opgang en ontwikkeling van DIGTHER als literair tijdschrift ging gepaard met het wegdeemsteren van nogal wat gepubliceerde literaire bladen in Vlaanderen. Er werd schrijfruimte gereserveerd voor vrij of op verzoek ingezonden poëzie en proza. Al werden geen financiële vergoedingen gegeven, meer en meer gevestigde schrijvers zouden in DIGTHER publiceren. In 2002, jaargang “, nr. 4 werkten bijvoorbeeld Yves Joris, Philip Hoorne en Joris Denoo mee. Zij brachten samen met een representatief deel van Vlaamse schrijvers DIGTHER voor het literaire voetlicht: Sven Cooremans, Patrick Cornillie, Herwig Speliers, Lut de Block, Frederik Lucien De Laere, Frank De Crits, Steven Graauwmans, Delphine Lecompte, Sylvie Marie, Mark Meekers, Lies Van Gasse, Frank De Vos, Lies Koopman, Joris Iven, Renaat Ramon, Xavier Roelens, Arne Schoenvuur, Richard Steegmans, Willy Spillebeen, Erwin Steyaert, David Troch, Toon Van Laere, Jan Van Meenen, Jo Gisekin, Ivo Van Strijtem, Dirk Vekemans, Reinout Verbeke, Frans de Schoemaeker, Peter Vermaat, Lief Vleugels, Reine De Pelseneer, Maarten Embrechts, om er exemplarisch enkele te noemen[10].

Met auteurs als Cilja Zuyderwyk, Hanneke Eirin Van der Velden, Eelke van Es, Hannie Rouweler, Johanna Geels, Anita Douma, Peter W.J. Brouwer, Inge Boulonois, Estelle Boelsma, Joop Leibbrand en anderen, ontving DIGTHER schrijvers uit Nederland.

Vanaf het begin kende het tijdschrift een aantal vaste rubrieken. De ingezonden kopij waaierde inhoudelijk en formeel uit in de meest brede betekenis. Niet zelden werden linken gelegd met beeldende kunst. Het editoriaal navigeerde het blad door het literaire landschap. De inleidende rubriek hield de vinger aan de pols van de literaire actualiteit. Tegelijk werd kritisch gereflecteerd over het bestaansrecht van literatuur in een toenemende utilitaire, neo-liberale maatschappelijke context.

‘Poëzie heeft zich, meer nog dan de romankunst, ten gevolge van deze ontwikkelingen buiten spel gezet. Ze is, alle stadsdichters en nachten van de poëzie ten spijt, maatschappelijk irrelevant te noemen.’[11]

In de rubriek De Rechtvaardige Rechters werd nieuw werk van diverse auteurs voorgesteld en van commentaar voorzien. In Uit De Toevloed berichtte Frank Decerf over wat in Vlaanderen en Nederland verscheen. De rubriek functioneerde meer als een doorgeefluik. Regelmatig verschenen meer uitgewerkte recensies. Huisrecensent van dienst was Alain Delmotte. Zijn recensies vertonen een sterk essayistisch karakter, niet zelden een pleidooi voor waar het in poëzie om gaat: het bewaren van de woorden, van de taal. Zijn recensies en essays werken diepgaand en nuancerend, en dat in een tijd dat literair werk nog nauwelijks werd besproken:

Want een recensie hoeft voor mij geen wetenschappelijk onderbouwd artikel te zijn. Recensies kunnen en mogen subjectieve leesverslagen zijn. Subjectief, ja, niet egocentrisch. Met egocentrisch doel ik op recensies waarin je, in alle ernst, meer te weten komt over de recensent dan over het gerecenseerde. Ik laat mij in mijn recensies niet de hoofdrol spelen. Ik blijf aanwezig en stel me meer als ‘mogelijkheid’ voor. Subjectief – in het besef van de relativiteit ervan. In eerste instantie probeer ik in mijn recensies een gesynthetiseerd beeld te geven van wat er in de dichtbundel voor mij te lezen valt. Ik schrijf voor de lezer die zich over de besproken bundel wil laten informeren; er een mening wil over horen, geen vademecum. Een lezer die al wat in poëzie is geoefend. (Tot de academicus, de neofiet, andere recensenten of dichters richt ik mij niet expliciet.) Of ik die lezer bereik, weet ik niet. Ik hou me hem of haar bij het schrijven wel voor ogen. Ik probeer niet te bekeren. Mijn recensies zijn wat dat betreft vrijblijvend. Als ik erin kan slagen om bij de lezer enige nieuwsgierigheid voor een bepaalde bundel op te wekken, dan volstaat dat voor mij. Onderhuids smeult er zoiets als een behoefte tot dialoog. Ik wil een dialoog op gang brengen met wat ik heb gelezen. Spelmatig volg ik de taalbewegingen, dein met de bundel mee en/of ga er in tegenstroom op in, varieer op wat er al dan niet staat. Ik nodig de lezer van mijn recensie tot dit samenspel uit.’[12]

Naast de door schrijvers en collega – redacteuren geprezen essays van Alain Delmotte togen ook andere redactieleden ter recensie. Nog in het laatste gepubliceerde tijdschriftnummer schrijft Paul Rigolle zijn leesindrukken neer bij de lectuur van Ademruis van Mark van Tongele[13].

Herlinda Vekemans trok in haar columns andere registers open. Zij maakte zijsprongen naar de filosofie. Met de rubriek Wie blogt die blijft speelde Paul Rigolle in op de steeds dwingender wordende digitale publicatiemogelijkheden binnen de letteren.

Digther: School of bordeel? 

De zeven redactieleden van DIGTHER brachten hun eigen visies op literatuur mee.[14] Voor elke publicatie werd een redactievergadering gehouden, meestal in de Oude Pastorie in Oostkerke.

                                     

Redactievergadering Oostkerke, tuin Pastorie, juni 2010
v.l.n.r. Frédéric Leroy, Hugo Verstraeten, Herlinda Vekemans,
Paul Rigolle, Alain Delmotte en Frank Decerf


Er werd ingezonden werk besproken, over literatuur gereflecteerd, de literaire actualiteit gescand, er werd gelachen en gedronken. De vaandels van de literaire passie wapperden in een wind die uit vele richtingen kwam. Er werd geen rechtlijnige beslissingsprocedure gevolgd. Argumentatie vóór of tegen publicatie volstond.

Die argumenten werden niet gekleurd door een bindende gemeenschappelijke visie. Er volgde geen programma:

‘Poëzie die al te zeer geschreven wordt vanuit de bekommernis een plaats binnen de literatuur te veroveren wordt al vlug programmatisch./…/ Elk gedicht dient zijn eigen poëtica uit te vinden. De wetten van het dichterschap (zo die er al zijn) worden in elk gedicht opnieuw geschreven’[15]

of nog:

‘In gesprekken met schrijvers en uitgevers krijgen we soms te horen dat een tijdschrift een duidelijk ‘programma’ moet hebben, ‘school’ moet maken. Bedoeld wordt dan dat we onze plaats moeten kiezen aan deze of aan gene kant van de brug.[16]

We weigeren post te vatten. Omdat in dergelijke polemische discussies geen waarheid is aan te tonen en we bijgevolg ook geen enkele van die waarheden als eigendom kunnen claimen. Als zouden we de wildernis onteigenen en verkavelen tot parkjes, tuintjes en prieeltjes en als gedreven tuinmannen één daarvan de mooiste verklaren, de éne, de echte.

Interpreteren is een onderneming zonder einde. We erkennen dat tussen beide oevers van de rivier wel degelijk een brug ligt, waarop het trouwens goed vertoeven is. En dat die brug zelf weer de resultante is van een oneindige reeks punten van waaruit  evenveel perspectieven ontstaan die elke waarheid weer onderuit halen en inruilen tegen een andere.’[17]

Vanuit een impliciet holistisch perspectief werd het oor te luisteren gelegd naar wat het ingezonden werk te vertellen had. Een fenomenologische toets is herkenbaar, omdat ‘er geen totalitaire werkelijkheid bestaat. Omdat perspectieven verschuiven en verschillen, zal ook de werkelijkheid altijd anders zijn’.[18] De columns van Herlinda Vekemans over het werk van Emmanuel Levinas zijn in dit verband niet toevallig.

In nogal wat bijdragen houdt DIGTHER gelijke tred met literatuurkritische publicaties. Om er enkele te noemen en andere te vergeten: Hugo BREMS ( De Dichter is een koe, 1991 ); Rutger KOPLAND ( Het mechaniek van de ontroering, 1995 ); Dirk Van BASTELAERE (wwwhhooosshhh. Over poëzie en haar wereldse inbedding, 2001); Ilja Leonard PFEIJFFER ( Het geheim van het vermoorde geneuzel. Een poëtica, 2003 ); Geert BUELENS (Oneigenlijk gebruik. Over de betekenis van poëzie, 2008); William MARX ( Het afscheid van de literatuur. De geschiedenis van een ontwaarding 1700 – 2000, 2008)

Alain Delmotte houdt in zijn discours een pleidooi voor het prozagedicht en vaart op koers van nogal wat Franse inspiratiebronnen. Van Baudelaire en Rimbaud tot Jean – Michel Maulpoix. Referenties aan Mallarmé, Max Jacob, Henri Michaux, Francis Ponge e.a. duiken geregeld op in zijn bijdragen.

Tussen droom en werkelijkheid

Schilderij van Hugo Verstraeten-vanaf 2011 de cover van Digther

DIGTHER zou driemaandelijks verschijnen. Elke jaargang zal echter de geplande 4 kwartalen zelden halen. Geregeld verschijnen dubbelnummers om de achteroplopende publicaties in te halen. Een blad als DIGTHER moest het hebben van vrijwillige inzet. Te veel taken, van postzegels plakken, over redactioneel werk tot het werven van fondsen, kwamen op te weinig schouders terecht. De financiering gebeurde voor de helft bij gratie van subsidies en sponsoring. Betalende abonnees zorgden voor de rest. DIGTHER verscheen in een oplage van 200 exemplaren. In zijn beste dagen bereikte het blad 130 betalende lezers. Dat deze situatie op termijn onhoudbaar was bleek uit het stopzetten van de gepubliceerde versie van het blad in 2012. In 2011 verscheen DIGTHER nog in een vernieuwde Lay- out, nadat in 2010 DIGTHER om zijn 10 – jarige literaire passie nog werd gefêteerd. Het achteromkijken vond zijn beslag in de gelijknamige bloemlezing:  DIGTHER: Watermerk. Een doorslag van 10 jaar literaire passie.[19] Het moest voor een nieuw elan zorgen. Het bleef echter bij enkele publicaties. Voortaan zou DIGTHER als ‘De schaal van DIGTHER’ enkel nog digitaal de ether in gaan.[20] Deze vorm wordt tot op heden, anno 2021, nog steeds en met succes aangehouden. Online. Alive. En wél! Het digtiaal adres: https://digther.blogspot.com

Affiche voor 'Met Andere Woorden' - Digther 10 jaar


EEN STRAK GEREGISSEERD GEFLUISTER[21]

Er is tijd en afstand nodig om de verdiensten van DIGTHER op te maken binnen het literaire landschap. In Watermerk[22] doet Pieter Verstraeten[23] een poging daartoe. Hij stelt zich de vraag hoe een tijdschrift als DIGTHER kan ontsnappen aan de alledaagsheid:

‘Het (DIGTHER nvdr) staat allerminst voor een eenduidig poëticaal programma en hoewel er in tien jaar heel wat interessante auteurs aan bod kwamen, zou het me sterk verbazen als er ook maar één de tand des tijds zou weerstaan. De grote waarde van DIGTHER ligt volgens mij juist in de weigering om aan het alledaagse te ontsnappen, in de poging om de alledaagse literaire werkelijkheid zo pretentieloos mogelijk weer te geven. In de ambitie om alle kamers, ja zelfs alle hoeken van het literaire dagdagelijkse te laten zien. De verscheidenheid van de literatuur die in DIGTHER aan bod kwam is dan ook bijzonder groot. Er werd zowel plaats ingeruimd voor de zelfverklaarde volksdichter Jozef Vandromme als voor de taalacrobaat Peter Holvoet – Hanssen, zowel voor kolder als voor doodsangst, zowel voor bakvispoëzie als voor erudiete essays over dode filosofen, zowel voor de verstilling van het nauwelijks uitgesproken woord, het rustige gekeuvel van het literaire interview als voor het geschreeuw van de polemiek, zowel voor het herkenbare als voor het verrassende of afwijkende, zowel voor gedichten mét als voor gedichten zonder interpunctie, zowel voor verhalen mét als voor verhalen zonder verhaal.’

DIGTHER ontwikkelde zich langs de bijdragen van schrijvers en redactieleden. Los van literaire verwantschappen of hardleerse dogma’ s. De redactie lukte er in schrijfruimte te voorzien voor beginnend en gevestigd literair talent. De markt is echter klein voor ‘taal die zich kwetst aan het zachte’. Het ontbrak het blad niet aan literaire kwaliteit. Met de tijd werden de zwakke punten zichtbaar. Het op de been houden van een literair tijdschrift vergt ondernemerschap, een neus voor marketing en een duidelijke communicatiestrategie. Net daaraan ontbrak het en bleef erkenning en verspreiding binnen de ruimere literaire canon uit. Het neemt niet weg dat gedichten en dichters uit het tijdschrift regelmatig geselecteerd werden voor literaire prijzen. Het neemt ook niet weg dat de redactie van DIGTHER, ondanks de visionaire verschillen van de redactieleden, een hecht collectief bleek, dat in het tijdschrift een middel zag haar literaire passie met velen te delen.

© HugoVerstraeten


Negen Digther’s op het podium in ‘Den Hopsack’ - Publiek Geheim op zondag 22 september 2024


[1] Danny Decaestecker (1958 – 2010) was fractieleider voor sp.a-open in de Diksmuidse gemeenteraad.  Hij zetelde er sinds 2006.  Vakbondsman bij het ABVV. Medeoprichter van Theater Periekel en DIGTHER.  Kroop graag in de pen. Schreef toneelstukken, was mede- auteur van Meandertalers (2004) en redactielid van DIGTHER.  Verder trad hij op als performer-dichter (Dacd), hij was voorzitter van de Culturele Centrale en de Congowerkgroep.  Verder vond men hem terug bij een pak vernieuwende, sociale initiatieven.

[2] Biografie in  Bloemlezing uitgegeven door DIGTHER: Watermerk. Een doorslag van 10 jaar literaire passie. Comsa, 2010, p.139.

[3] François Vermeulen, °1952. Schrijver en beeldend kunstenaar; uitgever van diverse ‘eigenzinnige’ literaire publicaties. Sedert 2010 uitgever en bezieler van het literaire e- zine ‘De Vallei’.

[4] Biografie in  Bloemlezing uitgegeven door DIGTHER: Watermerk. Een doorslag van 10 jaar literaire passie. Comsa, 2010, p.101.

[5] Id., p. 93

[6] Id., p. 109

[7] Id., p. 123

[8] Id., p. 116

[9] Id., p. 129

[10] Voor meer: DIGTHER, Watermerk. Een doorslag van 10 jaar literaire passie. Comsa, 2010, 144 pp.

[11] Met ‘deze ontwikkelingen’ wordt het modernisme bedoeld. Hugo VERSTRAETEN, Is er nog iets op deze aarde te zoeken? Editoriaal in:  DIGTHER, 2011, (12jg) , 3 & 4, p.3.

[12] Alain DELMOTTE, in: DIGTHER, Watermerk. o.c. p.13

[13] Paul RIGOLLE, Een beetje honing. Over ‘Ademruimte’ van Mark van Tongele. in: DIGTHER, 2012 (13jg) 1 &2, p. 54 – 56.

[14] Deze werden uitvoerig beschreven in de bloemlezing DIGTHER: Watermerk. Een doorslag van 10 jaar literaire passie, o.c.

[15] VERSTRAETEN, H. De Glimlach van een Engelsman. Over Poëzie. in: DIGTHER, 2001, jg2 nr 3, p.14.

[16] Beeldspraak voor de subject – object tegenstelling binnen de literatuur.

[17] Editoriaal DIGTHER 2005 1

[18] VERSTRAETEN, H. De Glimlach van een Engelsman. Over Poëzie, o.c.

[19] Watermerk, o.c.

[20] Onder redacteurschap van Paul Rigolle: https://digther.blogspot.com

[21] Met dank aan Laurine VERWEIJEN: uit ‘Luister’, gedicht opgenomen in ‘Gasthuis’, Van Oorschot, 2020

[22] Watermerk, o.c. p. 88

[23] Pieter VERSTRAETEN (°1980). Docent lerarenopleiding. Was wetenschappelijk medewerker aan de KUL Leuven. Deed onderzoek naar moderne Nederlandse letterkunde. Promoveerde als Doctor in Taal- en Letterkunde in 2008 met ‘IN ALLE GESTALTEN VAN LEVEN BEGREPEN. Literaire kritiek in Vlaanderen tijdens het interbellum: Joris Eeckhout, Urbain van de Voorde, Paul de Vree’.

 


 

dinsdag 29 november 2022

Rouwen om Frank Decerf

Met grote verslagenheid verneemt de Schaal van Digther het overlijden van haar Oostends redactielid Frank Decerf. Frank (°1958) was sinds jaar en dag redactielid en zorgde doorheen de jaren bij Digther voor creatief werk en vooral voor een pak milde en minder milde recensies.

Frank debuteerde in 1981 met de dichtbundel "Na de afwezigheid". In 1997 volgde onder de titel "Vrienden" zijn eerste proza. Decerf streefde altijd duidelijkheid na in zijn poëzie en ander literair werk. Als sociaal bewogen auteur en leraar stelde hij steeds de mens centraal. Zijn werk getuigt dan ook van veel maatschappelijk engagement.

In het voorjaar van 2014 verscheen over zijn werk het literair essay "De trage zandloper van het geluk", geschreven door de Antwerpse auteur Guy van Hoof.
Frank was sinds 2020 ook voorzitter van de VVL (Vereniging Vlaamse Letterkundigen).
Hij overleed op zaterdag 26 november 2022 en hij werd amper 64 jaar. Het afscheid vindt plaats in intieme kring. Namens de redactie heel veel sterkte aan vrienden en familie.

Bibliografie
Weg (Roman) 2020
Getuigenissen : 3 - talige dichtbundel : Nederlands-Engels-Frans (Uitgeverij Partizaan, 2015) - Poëzie
Het Bezoek (VKH Literair, 2010) - Proza
Maria Cordobés: 2-talige dichtbundel : Nederlands - Spaans (Uitgeverij VKH Literair, 2006) - Poëzie
Kinderen van niemand (Paradox, 2001) - Poëzie
Helle-tijd (Paradox, 1999) - Poëzie
Vrienden (Zuid en Noord, 1997) - Proza
Witte brand (Zuid en Noord, 1994) - Poëzie
Stof van spiegels slaan (Manga, 1991) - Poëzie
WEG (Uitgeverij VKH Literair, ) - Proza


vrijdag 25 maart 2022

Sandra Roobaert wint de Poëzieprijs van de Stad Oostende - Een interview

Frank Decerf sprak met Sandra Roobaert (°1968), die met het gedicht 'Als het trilt kan het barsten' winnares werd van de Poëzieprijs van de Stad Oostende 2022.

Sandra, proficiat met het behalen van deze prestigieuze literaire prijs. Mag ik je vragen waarom je meedeed aan de Poëzieprijs van de stad Oostende? Was dit je eerste deelname?

Ik nam aan de vorige editie ook deel, maar werd toen niet geselecteerd. Wanneer je nog niet

Foto: Arwen Van Hummelen
gedebuteerd bent, is deelnemen aan wedstrijden – naast inzenden naar literaire tijdschriften of online platforms – een goede manier om te zien waar je staat. Maakt mijn poëzie iets los? Raakt ze voorbij een drempel? In sommige gevallen krijg je ook feedback op je inzending en dat is altijd nuttig.  

 

Heb je naast deze bekroning nog nominaties op je palmares?

Ik behaalde in 2017 de tweede prijs in de open categorie van de Julia Tulkens poëziewedstrijd van de gemeenten Landen-Linter-Zoutleeuw.


Foto: Goedele Miseur




Ik kan me voorstellen dat zo een belangrijke prijs winnen iets doet met een mens. Kun je dat uitleggen? Op de avond van de proclamatie in De Grote Post te Oostende leek je overdonderd...

Op het moment zelf was er ongeloof en euforie, en ook vreugde en dankbaarheid. Plots gaat er een vuurwerk van erkenning en lof voor je af en dat is natuurlijk fijn. Wat het op langere termijn doet, kan ik nog niet helemaal inschatten, maar ik voel wel dat het mijn schrijfvertrouwen en –motivatie versterkt. Ik probeer sinds een tijdje een doorgaande lijn te maken waarbij ik met regelmaat mijn gedichten onderwerp aan beoordeling en mik op publicatie. Soms mislukt het en ik heb ook al pijnlijke afwijzingen gekregen waarvan ik een tijd mijn schrijfzin kwijtraakte, maar andere keren komt er iets moois van. En deze prijs is ineens best wel een grote stap, dat besef ik. Ik durf mezelf stilaan dichter of schrijver te noemen.

Op welke basis koos je de inzending die uiteindelijk de jury kon overtuigen?

Ik heb er niet al te lang over nagedacht en heb vooral intuïtief gekozen voor een gedicht waar ik op het moment van insturen een band mee had. Wel besloot ik bewust dat ik iets wilde insturen waar ik geen uitgebreide feedback van anderen op had gekregen.

Hoe en wanneer zette je de eerste stappen in de literaire wereld? Waarom beginnen schrijven? Waren er bijzondere triggers?

Ik schrijf zo lang ik me kan herinneren. Als kind verhaaltjes en rijmende versjes, als tiener dagboeken en gedichten in vrij vers. Toen ik ergens in de 20 was, stond het voor mij vast dat ik schrijver wilde worden, maar dat plan ebde weg. Ik slaagde er niet in om het in te passen in de werkelijkheid van een gezin met jonge kinderen, de noodzaak van betaald werk. Er bleef geen ruimte over. En blijkbaar was ik ook niet genoeg overtuigd van mijn kunnen. Over de dingen die urgent waren schreef ik enkele decennia lang alleen in dagboeken.  

Is er een traditie van schrijvers of artistieke mensen in jouw familie?

Een traditie niet echt. Mijn vader was professioneel muzikant, hij werkte als leraar en orkestlid, dus ik ben opgegroeid in een gezin waar muziek een grote plaats innam.

Kun je vertellen waarmee je nu bezig bent of wat je toekomstplannen zijn wat je literaire productie betreft?

Op dit moment zit ik in de laatste maanden studie aan de schrijversacademie in Antwerpen. Dat houdt in dat er van me verwacht wordt dat ik tegen de zomer een afstudeerwerk kan voorleggen. Ik zit dus middenin het selecteren van gedichten, verwerpen, herschrijven, schikken, rode draden opsporen, de ene na de andere titel bedenken en weer afvoeren. Het meest nabije toekomstplan is mijn debuutbundel publiceren. Daarna ligt alles open.

Wie waren / zijn je grote voorbeelden uit de hedendaagse literatuur en waarom?
Of volg je louter je eigen inzichten?


Als ik enkele namen noem, sluit ik er onterecht vele andere uit, maar goed. Ik hou erg van Wislawa Szymborska en Tomas Tranströmer, meer recent ontdekte ik Louise Glück en vond ik dat prachtig. Waarschijnlijk niet toevallig allemaal Nobelprijswinnaars. Nazim Hikmet lees ik graag opnieuw en van ‘Gedicht aan de duur’ van Peter Handke ben ik telkens weer onder de indruk. Ik kan me helemaal laten meeslepen door het taalvuurwerk van Lucebert en de haarfijne poëzie van Leonard Nolens, ben fan van Menno Wigman, ontdekte recent het betoverende werk van Frederike Harmsen van Beek en was verbluft door wat Maud Vanhauwaert als stadsdichter van Antwerpen deed. Ik stuit telkens ook weer op andere dichters die me middenin een gedicht in plotse bewondering doen staan: Hester Knibbe, Radna Fabias, Marieke Lucas Rijneveld, Elly Stolwijk, Babs Gons ... Tot slot zeker ook mijn docenten en coaches aan de schrijversacademie, het is mooi en inspirerend om te zien hoe zij hun oeuvre uitbouwen: Ruth Lasters, Peter Holvoet-Hanssen, Hilde Keteleer, Annemarie Estor en Charlotte Van den Broeck.

Wat publiceerde je tot op heden? 
Waar kunnen we die teksten vinden?


Foto: Goedele Miseur

Ik publiceerde online op Het Gezeefde Gedicht en Meander Magazine en in De Vallei. In Poëziekrant werd een gedicht van me besproken dat op Het Gezeefde Gedicht verscheen en in het recentste nummer van Verzin staat één van mijn gedichten als leestip met commentaar. Voor de rest vind je mijn teksten op de website van Villa VanZelf en op mijn persoonlijke blog ‘schrijvenoverleven’.

Is er ook proza gepland?

Er zit geen proza aan te komen in de zin van verhalen of een roman. Wat ik wel doe, is blogstukken schrijven en daar vind ik heel veel voldoening in. Ik schrijf onder andere voor Villa VanZelf, de vzw die ik samen met mijn partner Marc Van Hummelen heb opgericht. Een deel van onze missie is ‘inspireren’. Ik schrijf over onze duurzame levensstijl of over non-fictie die ik heb gelezen en aanraad.

Moet een auteur zich beperken tot één literair genre of is het zijn taak om ook andere disciplines te proberen, m.a.w. mag een dichter enkel met poëzie bezig zijn?

Ik denk dat het verruimend is om in verschillende genres te experimenteren en ook buiten je eigen artistieke branche te gaan – heel verfrissend om achter je schrijftafel uit te komen en een landschap te gaan tekenen of fotograferen bijvoorbeeld, ook al is dat totaal onvertrouwd voor je. Maar niks moet.

De wereld is momenteel in een heel moeilijke fase verzeild geraakt; er zijn de maatschappelijke evoluties, spanningen en desastreuze conflicten. Hebben die zaken een invloed op je werk? Moet jij als dichter oog hebben voor de maatschappelijke spanningen in eigen land of daar buiten? Moet je daar ook over schrijven?

‘Moeten’ in combinatie met kunst roept altijd een zekere aversie bij me op. Elke kunstvorm lijkt me gebaat bij de grootst mogelijke vrijheid en zo min mogelijk vernauwing van perspectief onder de vorm van eisen, verwachtingen en ‘moetens’. Stel je voor dat we ons allemaal verplicht voelden een klimaatgedicht, coronagedicht of oorlogsgedicht af te leveren. Er zijn dichters die pertinent en aangrijpend maatschappelijk geëngageerd schrijven, anderen hebben er minder affiniteit mee en beide lijken me prima. Ik denk wel dat poëzie een rol te spelen heeft om mensen in barre omstandigheden tot steun en troost te dienen, dat hebben we ook gezien in de coronacrisis. Maar dat hoeven dan niet per se gedichten te zijn die over precies die barre omstandigheden gaan. De meerduidigheid van een gedicht maakt soms ook dat het plots kan interfereren met een maatschappelijke werkelijkheid zonder dat de dichter het zo bedoeld heeft. Een mooi voorbeeld: na de prijsuitreiking in Oostende kwam er een vrouw naar me toe die vond dat mijn gedicht heel actueel was. Terwijl ik het een hele tijd geleden schreef en er dus geen bewuste verwijzing naar de actualiteit van nu inzit.
Mijn engagement uit zich denk ik sterker in de blogartikels die ik schrijf dan in mijn gedichten.  

Heb je nog andere artistieke talenten?

Vanaf mijn kindertijd tot het einde van de middelbare school studeerde ik piano. Ik overwoog om muziek verder te studeren, maar deed het niet. Toen ik halfweg 40 was, kwam het toch nog opzetten en begon ik aan een bachelor piano aan het conservatorium. Ik heb hem niet helemaal afgemaakt en het was op sommige vlakken heftig, maar ik heb er ook prachtige herinneringen aan. Wat wel opmerkelijk was: hoe langer ik bezig was met uren muziek studeren per dag, des te harder kwam de schrijver in mij opzetten met de dwingende eis om ook aandacht aan haar te besteden. Intussen is het weer omgekeerd en voelt de pianiste in mij zich gefrustreerd en verwaarloosd. Blijkbaar kan ik ze niet allebei tegelijk min of meer tevreden houden.
 
Heb je een eigen schrijfproces; een bepaalde dagindeling, een vaste manier van werken, een vaste werkplek? Hoe ontstaat een typisch Roobaert-gedicht? Heb je je eigen formule gevonden?

Ik start mijn dag altijd met schrijven. Ofwel schrijf ik met de hand drie bladzijden ofwel minstens 600 woorden op mijn laptop. Dat is geen literair schrijven. Ik probeer dan zo automatisch mogelijk te schrijven, zonder enige censuur. Als ik vroeg van huis moet, doe ik het in de trein. Voor literair schrijven heb ik geen vaste structuren. Op sommige dagen werk ik niet aan gedichten, op andere uren lang, soms start ik laat in de avond en schrijf ik ‘s nachts. Ik heb wel een goeie schrijfthermostaat: wanneer ik het schrijven verwaarloos, ga ik me al heel snel ongemakkelijk en richtingloos voelen. Ik heb een vaste werkplek, maar kan ook prima buitenshuis schrijven, in een bibliotheek of koffiebar. De aanzet tot gedichten komt ofwel wanneer ik in beweging ben – op de fiets, in de trein, stappend – of tussen waken en slapen. Het valt bijna letterlijk naar binnen, alsof ik een postbus ben. Dan heb ik bijvoorbeeld een half vers, een kleine kern waar ik verder mee wil. Heb ik de tijd dan ga ik die direct uitwerken tot een eerste grove versie. Ik heb op mijn computer een document met als titel ‘kruimels’ en daar stop ik alle invallen in. Het werkt voor mij als een kladblok dat ik nooit wis. Heel wat halve of hele verzen en halve of hele gedichten raken niet voorbij het kruimels-stadium, maar het gebeurt meer dan eens dat ik er iets van een hele tijd geleden uitvis en integreer in een nieuw gedicht. Wanneer een gedicht sterk genoeg is om op eigen benen te staan, haal ik het weg uit de kladsfeer en kopieer ik het in een nieuw document. Een eerste versie gaat soms snel, een kwestie van enkele uren of dagen. Daarna kunnen er heel veel revisies volgen en sinds een tijdje hou ik die ook allemaal bij. Sommige gedichten blijven steken. Ik kan er maandenlang een zeurend gevoel bij hebben zonder dat ik er verder mee raak, alsof zo’n gedicht zich dan gesloten heeft en ik er niet meer inkom. Dan weet ik dat ik geduld moet oefenen tot ik weer een nieuwe ingang vind. Of niet.

Je liet dit interview verrijken door foto’s van Goedele Miseur (1975), waarom deze keuze?

Goedele Miseur (@mindthegaby) fotografeert met de tedere, speelse en te gelijk nuchtere blik van de dichter die in haar woont. Vandaar wilde ik haar werk in dit artikel.

Word je beïnvloed in je schrijven? Zo ja, kun je dat wat nader uitleggen?

Ik vermoed dat elke schrijver – bij uitbreiding kunstenaar – een heel gevoelige antenne heeft voor invloeden en indrukken, zodat alles wat in- en doorstroomt potentieel een spoor achterlaat in teksten of kunstwerken. Invloed is letterlijk overal en op elk moment: in plekken, landschappen, interacties tussen mensen, gesprekken, in relaties, in de kindertijd, in gebeurtenissen in de privé-sfeer of erbuiten, in alle mogelijke zintuiglijke prikkels. En natuurlijk ook in de poëzie en het proza van anderen, en in kunstwerken uit andere disciplines.

Had je als kind een favoriet boek en werd in de richting van boeken gestimuleerd?

Ik was een leesveelvraat als kind, ook al hadden we thuis geen rijk gevulde boekenkast en zag ik mijn ouders, behalve de krant, zelden lezen. Blijkbaar had ik geen stimulansen nodig. Zodra ik oud genoeg was om in mijn eentje naar de bibliotheek te gaan deed ik dat.
Ik hield van typische kinderseries uit die tijd zoals De Vijf van Enid Blyton, Pinkeltje van Dick Laan en Pietje Puk van Henri Arnoldus. Als tiener had ik een Thea Beckmann-fase en een Bomans-fase, was ik diep onder de indruk van ‘Karakter’ van Bordewijk en las ik de ene Heinrich Böll na de andere.  

Je bent al jaren bezig met een opleiding in de Schrijversacademie van Antwerpen.
Is dat een must voor schrijvers? Is dat geen beperking van de schrijfvrijheid; je moet immers regels volgen? Hoe zou je die keuze verdedigen?

Ik heb lang getwijfeld voor ik me kandidaat stelde voor de Schrijversacademie. Ik was bang dat ik zou afknappen op het eindeloos analyseren van teksten of allerlei schrijfopdrachten waarin ik me niet zou kunnen vinden. Maar nu ik het traject bijna af heb, heb ik er alleen maar lof voor. Een grote plus voor aankomende schrijvers is dat je les krijgt van mensen die middenin het schrijversvak en de literaire wereld staan. Die zelf auteur, dichter, vertaler zijn en vanuit talent en ervaring spreken en niet alleen maar literatuur hebben gestudeerd en er een cursus over geven. Je werkt in groep met enkele medestudenten en krijgt daarnaast individuele feedback en coaching en die combinatie is bijzonder waardevol en stimulerend. Regels volgen is op zich geen probleem als je het bekijkt als een experiment en een uitdaging voor jezelf. Je leert er ook echt het métier door. Als dichter kan je alleen maar beter worden als je je bewust bent van wat allerlei stijlmiddelen voor een gedicht kunnen doen. Dat wil niet zeggen dat je ze in jouw eigen poëzie ook allemaal moet toepassen, maar het is wel goeie bagage om achter de hand te hebben. De schrijfopdrachten prikkelen, zowel om je eigen poëzie te onderzoeken – dingen als hoe het zit met je lyrische ik en of je luide of eerder stille gedichten schrijft bijvoorbeeld – als om bewust anders te schrijven dan je gewend bent.

Foto: Goedele Miseur



Men probeert schrijvers vaak in een hokje te plaatsen, hen te determineren. Ben jij in een of ander literair hokje te plaatsen?

Ik denk niet dat er ook maar iemand graag in een hokje zit, dus ga ik mezelf dat zeker niet aandoen. Ik hoop altijd maar dat er over me zal gezegd worden dat ik een eigen stem en stijl heb, dat vind ik een mooi compliment.

Wat stoort jou het meest in de literaire wereld?

Ik ben een absoluut groentje in de literaire wereld. Ik stel me voor dat je er alles vindt wat je in andere werkterreinen ook kan vinden: van vriendschappen, fijne contacten en loyaliteit tot afgunst en kleinzieligheid. Waar ik niet zo van hou is de neiging van sommigen om met grote stelligheid dingen te poneren over hoe poëzie moet zijn en wie niet binnen hun classificatie valt de grond in te boren, iets wat mannen makkelijker doen dan vrouwen. Ik vind dat je je uitspraken best altijd laat voorafgaan door ‘ik vind dat …’ en stoor me eraan als mensen dat niet doen.

Sandra ik wil je graag danken voor deze interessante babbel. Nog veel succes in je schrijfcarrière. Ik heb zo het gevoel dat we nog veel van jou zullen horen.
Proficiat!

© Frank Decerf