Posts tonen met het label Geert Jan Beeckman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geert Jan Beeckman. Alle posts tonen

vrijdag 14 november 2025

De vragen van de dichter - Geert Jan Beeckman

De vragen van de dichter

voor Menno Wigman

Wat heeft de dichter in zijn gedichten te zoeken. 

Ontroering voor wie. 
Bewoonbaar voor wat.
Of liefde.
Om aan stukken te leven. 

En niet dat hij daarvan geneest.
Ook niet in het heelal van de lezer
voor god mag weten welke zegen. 

Het is het voedsel voor zijn verzen
voor de code die hij wil kraken.
De code van het leven.
De code om te bestaan. 

Alleen zijn wijn en hij.
Applaus van wie.
Erkenning voor wat.
En hoe kom je in de woorden terecht.  

Alle moed heeft model gestaan.
Zoals roepen tegen een blinde muur.
Zoals adem blazen in een boom.
Zelfs schrijven tussen de honden
voor een stiel met de dezelfde naam.

Er valt weinig te vragen
ja het uur de nacht de tijd naar het besef.
Maar niemand die jou de andere
antwoorden zegt.
Het vergeefse schrijf je voor wat wankele roem.

© Geert Jan Beeckman

 


Uit de nieuwe, 7° bundel, van Geert Jan Beeckman in wording.
Vermoedelijke publicatie: najaar 2026



donderdag 13 november 2025

Somnifobie- Geert Jan Beeckman

Somnifobie

Het woord alleen al. 
Niet geschikt om door verzen te dwalen. 
Maar dat wisten de Grieken al.
Zij die niet verzwegen dat de betekenis
in het liggen lag. 

Geen wiegelied.
Maar zeker ouder dan gedachten.
En dat ook angst poëzie is.
Taal heeft om dat naakt te maken. 

Je denkt de lichamen en ik.
De ogen en wij.
En nacht donker mijn adem niet.
Ik hou mij dood voor de dood.

Hoeveel kan er in vrees
wat voor de mens is beslist.
Eerst nog even niet dan toch
dan meer dan in een hartklop. 

Slaap denk je slaap
zolang je nooit gelijk had
slaap niet te vrezen. 

Licht denk je licht
waar men leeft met hoop
en je dat nooit vergeet.
Nu je te lang weet wat verdrinken is
op de bodem van een woord.

© Geert Jan Beeckman

 


Uit de nieuwe, 7° bundel, van Geert Jan Beeckman in wording.
Vermoedelijke publicatie: najaar 2026

woensdag 12 november 2025

Basisbehoefte - Geert Jan Beeckman

Basisbehoefte

De lofzwaai van de zomer is voorbij.
Wij gaan nu sterker zwijgen dan praten.
En lezen uit het boek der tijden. 

In een binnenoor kantelen gezichten.
In slotredes van kinderboeken
dooft men de brandbrieven van het spel. 

Met eeuwige namen denken wij
aan de gynaecologen van de aarde.
Zij die straks tasten naar het ondergoed
van de sneeuw. 

Wat wij krijgen is het recht
op alleen zijn.
Een basisbehoefte in de diepte
van ons huis.

Tot het albast begint te ademen
in de subliemen van de nacht
reizen wij af naar het hoorspel
van een plas licht.

Daar waar poëzie zonder god zit
en tragedie is tegelijkertijd.

© Geert Jan Beeckman

 


Uit de nieuwe, 7° bundel, van Geert Jan Beeckman in wording.
Vermoedelijke publicatie: najaar 2026


dinsdag 11 juni 2024

Waar het jaagt op betekenissen - Alain Delmotte

Waar het jaagt op betekenissen

Notities van Alain Delmotte bij de bundel 'Archipel' van Geert Jan Beeckman


Archipel’ de titel van de recente bundel van Geert Jan Beeckman was eveneens de titel van het poëziedebuut van Paul Snoek in 1954. Toeval moet je altijd voor mogelijk houden, maar toch heb ik de neiging om ervan uit te gaan dat Beeckman zich daarvan bewust was, dat het een moedwillige referentie betreft – zoals er zovele in deze verzameling te vinden zijn. Nochtans lijkt het me dat Snoeks debuut en de bundel van Beeckman weinig affiniteit met elkaar vertonen. De  intonatie van die vroege Snoek is niet dezelfde als die van de tot volle maturiteit gekomen Beeckman. Hoewel, op het stilistische en  syntactische niveau brengen beide dichters ‘breuken’ en ‘ellipsen’in hun gedichten aan. Zoals bijvoorbeeld bij Beeckman: ‘Je zegt de mensen die morgen weer hier/met het pad dat opnieuw/maar nu lang nog niet’. Van Snoek meen ik overigens even een verschijning in de bundel van Beeckman te ontwaren. Ik kom er op terug.

De titel bracht mij ook ‘La parole en archipel’ (1964) van de Franse dichter René Char in herinnering. Formeel zijn er hier evemin meteen gelijkenissen te maken. Maar opnieuw: hoewel! Char en Beeckman ontmoeten elkaar in het metapoëtische, in het tragisch inzicht van leven en dood en, voor de hand liggend, in de metafoor van de archipel. In het gedicht ‘Nous avons’ – ‘Wij hebben’ uit Chars bundel lezen we aan het begin de volgende prachtige en beroemd geworden regel: ‘Notre parole, en archipel, vous offre, après la douleur et le désastre, des fraises qu‘elle rapporte des landes de la mort, ainsi que ses doigts chaud de les avoir cherchées.’ Rauw vertaald: ‘Onze woorden, in archipel, bieden u, na pijn en rampspoed aardbeien aan, die ze hebben meegebracht van de heidevelden van de dood, evenals hun door het zoeken warm geworden vingers’.

Dat de dichter na het lijden en de rampspoed de lezer woorden als aardbeien aanreikt die op de koop toe in de heidevelden van de dood zijn gerijpt en geplukt, moet een beeld zijn dat Beeckman kan aanspreken. Lijden, rampspoed en levenseinde worden in zijn teksten gethematiseerd: ‘Op de littekens hebben wij een bestaan geënt,/In een nacht hebben wij de nagels geteld.’ - ‘Dag van liefde in rouwgewaad lijden van taal.’ - ‘Nood en dood een wond op rijm’. En in het gedicht ‘Kruisiging’ wordt de passie van Christus geëvoceerd. Reminiscenties aan het sacramentele vinden we trouwens verspreid terug (in het steeds terugkerende motief van de wijn bijvoorbeeld).

De vraag is natuurlijk wat bedoeld wordt met de metafoor van de archipel. Dat is niet zo eenvoudig want metaforen hebben niet altijd een sluitende betekenis, eerder een sluimerende betekenis. Een archipel, in lexicale zin, is een eilandengroep waarbij elk eiland op de een of andere manier met elkaar is verbonden.’Eén en ontelbaar’ luidt de titel van een cyclus: eilanden die verscheiden zijn maar die toch een eenheid vormen. In het geval van René Char zou het eventueel kunnen betekenen dat de woorden van de dichter (‘notre parole’) autonoom zijn maar die in de context (of in de alchemie) van het gedicht met elkaar in conjunctie staan. Concreet: woorden staan meerduidig met elkaar in verband. Een wat nauwe interpretatie die mij niet voldoet: het is veel breder. Maar zoals Beeckman noteert: ‘Er staat geen grenswacht aan het begrip’ – ‘In gedichten mag je het begrijpen uitstellen’. Mijn interpretatie kan hopelijk wel een invalsweg zijn.

Valt mijn interpretatie bij Char gelijklopend uit bij Beeckman? Voor een deel wel. ‘Archipel’ zou dan onder meer kunnen verwijzen naar de manier waarop Beeckmans bundel is gestructureerd: een introgedicht en zeven cycli die samen onderliggend autonoom blijven (zoals ook elk gedicht binnen de cycli autonoom blijft en zelfs elk vers of verzenreeks een eigen zelfstandigheid aangeeft) maar die samen toch een ‘archipel’ aan open betekenissen vormen. In het titelgedicht ‘Archipel’ lezen we over de eilandengroep: ‘dat zij lichamen vormen dat zij/een beeldenstoet zijn op weg/ naar open woorden’. Maar het zou ook over individuen kunnen gaan. Ieder zijn eiland en vaststellen dat de cohesie tussen al die eilanden is verbroken of aan herstel toe is. De poëzie is dan de helende factor.

Het woord ‘archipel’ valt nog tweemaal in de bundel. In het gedicht ‘Naderingen’ lezen we: ‘Eens wij dit moeten aanleggen/een zorgkas voor onze archipel’ en die zorgkas moet ‘een gedicht voor het nageslacht’ zijn. En in het gedicht ‘onder de melkwegen’ staat er: ‘Hoe ik geboren ben uit volgzaam verzet./ Uit een archipel overdragen op/een ander wondvocht./ De herinneringen die in melkwegen terechtkomen’. Wordt hier in zekere zin gerekend op empathie, op een overdracht naar het wondvocht van de andere? De andere als helende factor?

Ongetwijfeld zijn er velerlei thematische schakels die de bundel tot een autonoom en toch een divers geheel samenstellen. Wat maakt dat deze eerder lijvige bundel zich tot een grote complexiteit uitkristalliseert. Dat blijkt uit de laatste regels die ik daarnet citeerde. Dergelijke regels openen vele interpretatieruimtes en doen ‘enigma’s’ ontstaan. Wat ervoor zorgt dat elke nieuwe lectuur een andere lectuur wordt. Om de titel van één van de cycli te parafraseren (zie de titel van deze recensie): voor de lezer wordt het een jacht naar betekenissen. Het is ‘de lezer die de woorden opnieuw maakt’. Nooit eerder overigens waren de gedichten van Beeckman zo met potentiële betekenissen opgeladen. In ieder geval is het in de context van deze recensie onmogelijk alles aan te boren. Ik beperk me tot elementen die mij persoonlijk zijn opgevallen of me aanspraken.

Er is één element dat me na eerste lezing erg is opgevallen: het Westers kunsthistorisch referentiekader waarmee de bundel is omwikkeld. Heel wat kunstwerken (plastische werken, muziekstukken en muziekgenres) en kunstenaars (componisten, schilders, fotografen, dichters, filosofen, prozaschrijvers) passeren de revue. Ik zal er niet de inventaris van opmaken: het zijn er te veel. Meestal gebeurt dit door namedropping. Soms gebeurt het vernoemen eerder vluchtig en laconiek. Elders wordt het dan weer met meer diepgang scherper gesteld: ‘Zoeken zoals Hopper deed.//In hoeken/in licht naast licht./In het traag verschieten van vreemd gemis’. Af en toe wordt de geëvoceerde kunstenaar niet expliciet vernoemd maar vermoed. In de regel ‘Ik houd nog nacht met een dronken boot’ hoorde ik ‘le bateau ivre’ van Rimbaud naklinken. En achter deze verzen: ‘Ik kies nog voor een zee/die zich de zwemmer herinnert./…/ Al volgde ik een man naar hondsdolle tijden’ meen ik, hé ja, Snoek te herkennen: er is de zee, er is de zwemmer en ‘Een hondsdolle tijd’ is de titel van een roman van Snoek. En zou het al vermelde gedicht ‘onder de melkwegen’ naar Dylan Thomas kunnen verwijzen? Ik ga ervan uit dat nog dergelijke intertekstuele verbanden in deze gedichten verscholen liggen. Ik heb ze waarschijnlijk niet allemaal herkend. En daarmee heb ik nog niet eens de talrijke Grieks-mythische toespelingen vermeld!

De vraag is nu: waarom doet de dichter dit? Het introgedicht ‘Bestaansverheldering’ kan ons daarbij helpen. Het is een in de wij-vorm geschreven programmatisch gedicht en stelt ‘de taak’ van de kunstenaar/dichter centraal. Ze moeten ‘engelen’ blijven. Ze moeten ‘durven haperen/aan de stemmen die onzichtbaar blijven.’ Ze gaan op zoek naar ‘het onmogelijke dat bevrijdend werkt’. Ze moeten ‘poëzie (…) veroveren op de tijd. ‘Alles willen waarmaken voor het einde/van de hoop is een hemelse taak.’ Om er nog eens René Char bij te halen ‘Nous n’avons qu’une resource avec la mort: faire de l’art avant elle’ – ‘We hebben maar een verweer tegen de dood: haar voor zijn met kunst’. In die context interpreteer ik dan ook de laatste verzen uit het gedicht ‘Nu nog’: ‘vergankelijkheid/is de oudste beeldhouwer’.  Daarmee laat zich dan meteen het kunsthistorische referentiekader begrijpen: waarachtige kunstenaars proberen de dood voor te zijn. ‘En de dood zeg je de dood./Elk heengaan zo meervoudig/dat je het ziet en hoort’. Kortom hoezeer ze van elkaar verschillen: kunstenaars vormen in hun gelijkenissen en buiten de tijd om een archipel.

 

Het motief van de engel is kenmerkend voor de bundel. Deze metafoor riep in mij Rilke op (al meen ik dat de engel meer een archetype is dan een metafoor).Welke waarde hechtte Rilke aan deze metafoor?  Ik ga te rade bij Florian Jacobs om een synthetiserende omschrijving van de Rilkiaanse engel te kunnen verwoorden: ‘De engel is een eeuwig, niet-vergankelijk wezen. De mens daarentegen is vergankelijk, sterfelijk en eindig.(…) Later draait Rilke dit echter radicaal om. Hij ontdekt dat precies het niet-eeuwige, eindige aspect van ons leven een waarde geeft waar de engel alleen van kan dromen. De soeverein onbereikbare engel wordt hierdoor een te betreuren wezen.’ https://www.filosofie.nl/florian-jacobs-rilke-zuigt-je-in-zijn-wereld/. Herkennen wij hetzelfde bij Beeckman? Er zijn raakpunten, denk ik. Zoals eerder geciteerd moeten volgens hem dichters engelen blijven, wat eigenlijk een terugkeer naar onze vroegste tijden impliceert want het zijn ‘engelen die kinderen moesten blijven’. Maar een dichter is geen etherisch maar een aards wezen. Hij kan en moet zich van het sterfelijke rekenschap geven. Het tastbare is zijn domein, niet het transparante dat engelen typeert: ‘Dat de uitverkorenen de engelen blijven/terwijl wij toch de oorspronkelijken zijn/van huid en voelen’. ‘Vergeef ons de mens’ staat er te lezen. De dichter valt dus willens nillens steeds op het menselijke terug. Hij gaat de mens en het menselijke in: ‘Zo de mens kijk je/zijn wij vermijdend gehecht’. Met wat het impliceert aan tekort: ‘Al dat geijkt verlangen als er verdriet/staat aan ons lied’. De lijn wordt getrokken:’het is de mensenmaat die niet liegt’.

Engelen, ze zijn de knechtjes van hogerhand. Dichters daarentegen hebben hun eigen leven en schrifturen te bepalen: ze zijn ‘zelfzoekers’(alweer de titel van een cyclus) die in het kortstondige verblijven. Engelen voeren uit, dichters vullen in. Engelen beschikken over eeuwigheid. Dichters hebben daarvoor een alternatief: een ‘Tuin van heden’, het nu: ‘Het gebeurt nu schrijft de dichter/ook wat langzaam is en voorspeld’. Het is het ‘nu’ dat de poëzie op de tijd kan veroveren. (Een illusie wellicht maar ook engelen en hun eeuwigheid zijn een illusie. We kunnen nu eenmaal niet zonder illusies. Zoals dichters niet zonder engelen kunnen en engelen niet zonder dichters: jawel, ze vormen een archipel.)

Angst (‘de heelalangst van onze schreeuw’), verlies (‘Verlies blijft het mooiste portret’) en wanhoop (naar ‘wat er niet is’) trekken meer dan eens in dit geheel hun kwetsuren. Beeckman is op het existentiële niveau lucide: ‘Wij zieken een onmacht uit om te overleven’. Maar er is altijd weerwerk mogelijk dankzij de poëzie:’Tegen alles wat wil instorten vecht mijn liefste./Als daad is dat ook poëzie’. Poëzie schrijven is volharden in het zijn:‘In de koorzangen van ons alfabet/houden wij vast aan ik ben’. Tussen de engel en de dichter, tussen het vergankelijke en het nu staat de poëzie. Het woord ‘poëzie’ is overigens één van de sleutelwoorden van deze gedichten. Het woord valt een twintigtal keer. De poëzie als blijvende uitdaging: ‘Wie niet wil stuiten op het woord grens/moet geloven in zalen vol poëzie’. Opnieuw René Char: ‘Faire un poème, c’est prendre possession d’un au-delà nuptial qui se trouve bien dans cette vie, très rattaché à elle et cependant à proximité des urnes de la mort’ - ‘Een gedicht maken is het betreden van een nuptiaal hogerhand dat zich bevindt in dit leven, sterk verbonden met het leven en toch dichtbij de urnen van de dood’. De bundel ‘Archipel’ is m.i. zo goed als een mogelijke illustratie van deze uitspraak.

Al vroeg in deze uitgave lezen we in het gedicht ‘Enigma’: ‘Ik wil niet bekoren./Bekoren is voor schilders en dichters’. Zou Beeckman zichzelf dan niet als een dichter beschouwen? ‘Ik wil beeld zijn zonder adem./Ik wil nacht zijn zonder sleutelwoorden.’ In het gedicht ‘Herfstadvies’ wordt het gedicht omschreven als een ‘zinsverduistering in lettergrepen’. Als dichter wil Beeckman dus verre van bekoren of charmeren: hij wil ‘enigma’ blijven, ‘blindganger in het raadsel’. Zijn poëzie is dwingend en bezwerend. Sommige gedichten zijn in de imperatief-vorm geschreven. Anaforen zorgen voor een incanterend ritme.

Ik legde hier de klemtoon op het metapoëtische. Maar er staan gedichten te lezen waarmee een modale poëzielezer zich best zal kunnen identificeren. Bijvoorbeeld: twee gedichten hebben het over het ouder worden: ‘Bijna winter’ (‘Niet meer met de haast van een kind./Maar met het geduldig raakvlak/tussen lichaam en geest.’) en ‘Fernweh’ (‘Ouder worden is omkijken naar morgen liefste.’) Wereldvreemd is deze poëzie niet: actualiteitsproblemen worden niet ontweken zoals in het gedicht ‘Pleidooi voor een leefbaar milieu’: de titel spreekt voor zich – ‘Want er is nog werk./Zoals aan bomen uitleggen wat wij verkeerd deden’. Al zal hij het waarschijnlijk niet willen toegeven maar het gedicht ‘Bij Panamarenko’ biedt toch enige badinerende charme – ‘Dat hij iets met engelen had en sterren zeker./En met onmogelijke dromen die je/bijna kon bewijzen.’ En het gedicht ‘Monoloog’dat in gesprek gaat met een dode vader is prangend in zijn existentiële bevraging: ‘Ik vroeg hem of elders ook hier is./Zoals alle oefeningen in afwezigheid./Ik vroeg hem wat hem nog naar huis brengt./Naar de gestolde foltering van het gemis./Naar de windstilte van de laatste herinnering.’ Ik ben ervan overtuigd dat de gedichten (in de laatste cycli- ‘Tot er tijd op volgt’) waar een ‘liefste’ wordt aangesproken lezers zullen raken. De bundel (misschien wel de sterkste van Beeckman) biedt een breed spectrum zowel aan intellectuele als aan intuïtief-aanvoelende leesperspectieven. Waarmee ik wil zeggen: niettegenstaande de thematische herhalingen en variaties staat er niet één woord te veel in deze gedichten.

© Alain Delmotte

’Archipel’ -  Geert Jan Beeckman – uitgeverij P – 2024- isbn 978 94 64757 42 2

Uitgeverij P
Archipel bij Uitgeverij P

 

maandag 27 mei 2024

Inleiding op 'Archipel' van Geert Jan Beeckman door Eddy D'Haenens

 


Op zaterdag 27 april 2024 stelde Geert Jan Beeckman in 't Kasteeltje in Denderleeuw 'Archipel', zijn nieuwste dichtbundel voor. Eddy D'Haenens, Stadsdichter van Oudenaarde, zorgde voor een mooie inleiding. Hieronder lees je zijn inleidende tekst bij de bundel.


Goede avond beste mensen.

Wat is een archipel ?

Een archipel of eilandengroep is een landvorm die bestaat uit een ketting of tros van eilanden. Archipels bevinden zich vaak in open zee en zijn meestal vulkanische eilanden, die ontstaan langs oceanische ruggen of vulkanische hotspots.

Ik schakel direct naar Jeroen Brouwers : ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt’ onder meer thema van de poëziezomers van Watou – zoals ik het graag blijf noemen – zeker nu bezieler Gwy Mandelink overleden is na een leven vol passie voor poëzie.

Deze uitspraak van Jeroen Brouwers was het thema van het ‘Kunstenfestival Watou 2019 – zoals het nu heet  - en is onmiskenbaar ook het leidmotief en de ziel van deze nieuwe bundel van dichter Geert Jan Beeckman – en dit via een nieuwe  verzameling taal virtuoze en meermaals gelaagde gedichten waarvan hij steeds opnieuw blijk geeft – ook nu weer. 

1. Archipel 

Met Archipel heeft Geert Jan Beeckman een bundel geschreven die haaks op de tijdsgeest staat – zijn gedichten gaan immers over de verbanden en gelijkenissen, de overeenkomsten tussen mensen – al leven we dan op onze eigen eilanden zoals de titel suggereert, samen vormen ze de archipel van ons bestaan. 

Dit terwijl de huidige tijdsgeest er juist op gericht is het tegenovergestelde, de zogenaamde verschillen te benadrukken, het afbakenen van de eigen levens, eigen landen, eigen identiteiten. Ondermeer in sociale media maar ook in de reguliere pers met het scoren via clickbaits – het klik - aas voor de steeds verwarder wordende mens – zijn we eigenlijk met elkaar verbonden terwijl dat medium paradoxaal model staat voor de benadrukking van onze verschillen onder het mom van de sacrale parabel van de vrije meningsuiting op elk maatschappelijk vlak. Uiteraard mag ieder zijn eigen heiligdom koesteren en om even de parabel van de talenten te gebruiken : zijn giften – wat zij of hij vanuit sociaal, genetisch, energetisch potentieel gekregen heeft – te laten groeien en bloeien.

Anderzijds kan dit nooit een reden zijn om afwijzend, vooringenomen of onverschillig te staan tav de anders voelende en denkende.

Neen, dan wil Geert Jan Beeckman met zijn nieuwe bundel ’Archipel’ het onbetwiste introspectieve dat in ons huist vertalen naar de verbintenissen, de gemeenschappelijkheid van de mensen in dit ondermaanse. Stel dat de oceanen verdampen ook rond de archipel – wat in deze tijden geen psychotische nachtmerrie is – dan zullen we kunnen zien dat al de individuele eilandjes in feite een onmiskenbaar geheel vormen. Maar best wachten we daar niet op - dat besef kan eerder realiteit worden.

Natuurlijk koestert iedereen zijn eigen eiland naar eigen vermogen, dat komt ook naar voor in de bundel, een soort koestering van het eigen heiligdom. 

Maar dat kan nooit een reden zijn om afvallig, ongeïnteresseerd of onverschillig tegenover de ander te staan, de anders denkende, de anders levende.

Het creëert een eenzamere, een ongevoeliger wereld, zonder veel empathisch vermogen en verlangen. 

Neen, dan wil de dichter  met deze bundel het onbetwiste introspectieve, dat zeker huist in ons, poëtisch vertalen naar de verbintenissen tussen de gemeenschappelijke mens en plaatsen toe. 

Niet dat hij hiermee moralistisch uit de hoek wil komen, maar wie goed leest vindt daar wel sporen van terug. Tenslotte zijn wij allemaal van vlees, bloed en hoofd. 

Zeker in deze tijd gaapt een grote kloof tussen de kennis van wat ons verbindt en de mens die zich liever laat verleiden tot het oppoken van de verschillen, alsof die eigen verschillen onoverbrugbaar en niet meer te herstellen zijn. 

Het breekt een soort angst open voor de confrontatie met het eigen zelf en het ik, die ook alle andere ikken zijn - een ik dat deels ook vloeibaar is. Veiligheidshalve vluchten velen liever in wat het eigen gelijk bestendigt, het soort waanwaarheden waar ze zich aan vastklampen en waar nieuwe boosdoeners garen bij spinnen. 

Zelfreflectie is niet meer van deze tijd, alles moet wijken voor de tirannie van een massa die opgesloten zit in het kollosale hok  waar zij zich met veel graagte laten instoppen.

Misschien is angst hier wel de drijfveer - in deze tijd waar in tegenstelling tot 50 jaar geleden alles vloeibaar , fluide is geworden. Waar vinden we nog authentiek houvast , is een belangrijke vraag van deze tijd?

Even de dichter aan het woord :

‘ Het voordeel van een diep hart is
Dat je met ogen een engel krijgt
Tijdens de roekeloze tederheid
Die geen warmte spaart maar toch wil genezen.

Zeker op een eiland waar het veilig is kwetsbaar te zijn
Is een duizeling van overgave
Ons nooit aangeleerd. ‘

Dus ja - de dichter schrijft niet zomaar vrijblijvend. 

Is ‘Archipel’  nu een soort van politieke bundel?  

Dat laat  de dichter in het midden. Vooral een dichter hoeft niet steeds zijn werk te verklaren - ‘lees wat er staat’ is de uitnodiging.. 

Wat ik lees is dat deze gedichten centraal staan in het hier en nu , al gaat er dan verleden en toekomst overheen.  En het is niet omdat een mens terugplooit op zichzelf, wat nogal aanwezig is in deze bundel, dat hij geen aanspraak kan, moet, of wil maken op een ander mens.  

Mensen hebben in deze tijden de neiging de andere mensen, om welke reden dan ook, weg te moffelen of naar de periferie van het bestaan te duwen, terwijl iedereen deel uitmaakt van een centrum waarin wij leven. Tenslotte zitten wij allemaal in het proces tussen leven en dood. Wie naar de ander zoekt en reflecteert, wie bij machte is zich in de ander te verplaatsen en in te leven, blijft hopen en bestaan en vervolledigt hiermee ook zichzelf. 

Net zoals poëzie dat doet. 

In die zin kent deze bundel wel een maatschappelijke inslag.

Helaas is zoals gezegd daarnet - zelfreflectie niet zo van deze tijd. Allerlei krachten zorgen ervoor dat we zonder het soms goed te beseffen ergens in een hokje laten opsluiten dat ons een identiteit probeert te geven, een streling of schouderklopje voor ons Ego, ook via allerlei  brood en spelen voor die kartonnen identiteit. Het is een enorme uitdaging om echt vrij te zijn en te blijven : ook vrij om in mening of visie te evolueren in connectie met de wereld rondom ons. People are strange zoals Jim Morrisson het verwoordde..terwijl we uiteindelijk allemaal bewegen in een identieke weg tussen geboorte en dood- dat hebben we alvast als bindmiddel.

En dat staat het terugplooien op zichzelf , zeker aanwezig in deze bundel van Geert Jan Beeckman, niet in de weg. Reculer pour mieux sauter - dat is het uitgangspunt

Net zoals de poëzie van Geert Jan dat doet. 

Deze dichter is geen wereldvreemd wezen – au contraire.

En heb geduld - vier ook de traagheid - pleit de dichter : 

‘In gedichten mag je begrijpen even uitstellen.
Maar niet het ballet van de vlinder
Niet het zingen dat op wijn wordt gezet.
Het gebeurt nu schrijft de dichter
Ook wat langzaam is en voorspeld.’

In de schriftuur schrijft de dichter ook vaak in de wij vorm – om het gedicht los te weken van zijn maker en open te stellen voor alle lezers, die het gedicht kunnen voltooien, integreren met eigen verbeelding . Dus ook in de schrijfvorm zoekt de dichter verbinding al is het vertrekpunt een eigen archipel eiland van bestaan.

2. Taal           
                                                                          
En dan daarbij aansluitend – iets meer over taal an sich – en de taal van de dichter , de dichter Geert Jan Beeckman in het bijzonder.  

Dagelijks stelt Geert Jan vast dat onze taal soms tekort schiet om de dingen te benoemen. Men zegt een bed, een tuin, een huis, een straat, maar dat ligt allemaal binnen de grenzen van onze dagelijkse taal. Is die taal wel de ‘waarheid’ van de dingen? En is de honger naar die ‘waarheid’ niet groter dan de taal waarmee we het moeten doen?

Is taal geen onbeholpen poging om alles te benoemen en er dan verder niet hoeven over na te denken – te voelen. 

De dichter : 

Wij hebben geen engelen op voorraad

Noch godenkinderen met een gave huid

Wat wij hebben is het onzegbare.

Het zwijgzame naast de ingehouden adem.

Prijsgeven laat een wereld op zich wachten’

En even terzijde : wat met die vele verschillende talen ook en hoe die onze identiteiten mee maakt en oriënteert en ook afzoomt. In wetenschappelijk onderzoek blijkt dat taal een belangrijk element vormt in hoe iemand zijn identiteit omschrijft en we krijgen door taal dus ook verschillende identiteiten. Is daar iets overbruggends in te vinden is opnieuw de verdere vraag.  Drukt’ gifted ‘ beter uit wat het wil tonen dan het Nederlandse ‘getalenteerd’ . Dekt ‘sehnsucht’ niet beter de lading dan ‘melancholie’. Anderzijds – is het Nederlandse woord ‘goesting’ niet veelomvattender dan de equivalenten in andere talen ? 

Benoemen heeft consequenties is ook hier het punt. De Engelse term gifted drukt bv beter uit dat we een ‘talent’ gewoon gekregen hebben - wat noopt tot meer nederigheid. 

Is taal dus ook beperkend – kan taal anderzijds realiteiten of fantasieën of dromen verhelderen en welke taal dan ?

Even terzijde vanuit de taalwetenschap : Een nieuw paradigma is noodzakelijk, met meer aandacht voor taal in context: voor (taal)sociologie dus. Ook de nieuwe aandacht voor meertaligheid in het taalonderwijs vraagt om een taalsociologische blik. Dat gebeurt onder de noemer van taalbewustzijn, language awareness. Taal (ook) zien als sociaal en cultureel aangeleerd gedrag, veronderstelt grotere aandacht voor de identiteit van taalgebruikers: hun positie ten opzichte van andere taalgebruikers. De ander zien en andermans taal begrijpen vereist niet alleen goed leren kijken en luisteren, maar ook empathie. Al langer weten we dat het lezen van literatuur empathischer maakt.

Zou die ultiem verhelderende taal  de poëzie zijn ?

Ik citeer Geert Jan even letterlijk: ‘Wat taal zegt is enkel een getuigenis van het zegbare'. Is het daarom niet merkwaardig dat net poëzie, die nochtans van taal en woorden wordt gemaakt en bedreven, wél toegang verschaft tot het onzegbare, als datgene waarover je niet kunt spreken, maar wel kunt tonen, oproepen, zichtbaar maken. Een woordkunst om ‘tonen’ gestalte te geven. Een woordgebruik niet om iets te zeggen maar om te tonen dat het er ook is.

Het gaat dus in poëzie, net als in andere kunsten, dus niet om menselijke betekenissen maar om de ‘on-menselijke’ wereld, die zich veel subtieler laat vatten.

Dat betekent dat je afstand neemt van de dagelijkse omgeving die binnen de taal van het ‘noemen’ vastzit. Dit alles komt voort uit het verlangen om te weten wat ‘iets’ is, misschien een verlangen naar echte waarheid, los van alle beschrijvingen, los van alle menselijke invullingen. Misschien op zoek naar het grotere dan dat wat menselijke waarheid is. Het onzichtbare wat denkbaar, maar niet zegbaar is. Een idee van een wereld, maar waar wij niet het vermogen toe hebben, er , zonder een voorbeeld van te geven.

Ik schuif even door naar het begrip ‘Esoterie’ zonder daardoor onze wetenschapsscherprechters van Skepp wakker te maken, ook los van de platitudes rond die inhoud  . Esoterie is kennis die slechts voor ingewijden,geïnitieerden toegankelijk is, dit in tegenstelling tot exoterie waarvan de informatie en kennis voor iedereen verifieerbaar en toegankelijk is. 

Veel levensbeschouwelijke stromingen en genootschappen beroepen zich op een dergelijke vorm van kennis die zowel het individu als de kosmos betreffen en ontwikkelen hierbij een eigen leer en methodiek. Esoterisch, occult en arcaan hebben gelijkaardige betekenissen en in de meeste contexten zijn de drie termen die onderling inwisselbaar zijn.

Het woord esoterie is afkomstig uit het Grieks en betekent het inwendige of het verborgene; dit in tegenstelling tot het begrip exoterie, dat het uitwendige of het openbare betekent. Esoterie bekommert zich dus over verborgen aspecten van de werkelijkheid, de niet zintuiglijk waarneembare aspecten, het wezen van de dingen. Dergelijke kennis staat dan ook haaks opnatuurwetenschappelijke kennis , die immers stoelt op waarnemingen, logica en verifieerbaarheid.

Is poëzie een sleutel voor het esoterische in die ruime betekenis - of meer - een onmiddelijke toegang voor iedereen, zodat ze niet langer voor ingewijden, geïnitieerden is  ? Ik gooi dit hier even in het midden - maar ik vermoed dat de dichter hier bevestigend knikt. 

3. Tot slot wil ik even afdalen in dat rijke universum van de dichter zelf – die zichzelf ook spiegelt aan andere door hem geliefde ‘toners’ uit de muziek en beeldende kunsten:

Camille Claudel, Berlinde de Bruyckere, Jezus Christus, William Turner, Marc Rothko , Saul Leiter, de free jazz van Nordmann, Panamarenko ,Chet Baker… en niet te vergeten Jim Morrisson die net als de dichter ‘The Doors of perception' aftast – en dat in die virtuoze taalexpedities van hem.

De dichter :

Over Berlinde De Bruyckere :

‘Ik weet ook zij hangt af van de Grieken.
Van de epische veldslagen om verdriet.
Van de aard om ons te vernietigen met graag zien.
Van aarde en tijd.
Straks doder dan onze resten ‘

Over William Turner : 

‘een dwalen met penseel om te ontsnappen
naar poëzie’ 

hier komt de dichter terug op het tonen van werkelijkheden, maar draait hij het om - de schilder wordt een dichter.

Over Jazz :

‘Het meisje en ik slepen natte straten mee.
Wij delen weggesneden klieren.
Een piano druppelt in. Verlies blijft het mooiste portret.
Zo mooi vinden wij de tijd nog net.’ 

Over Panamarenko : 

‘Zo moest vliegen aan de grond blijven
Omdat het anders geen kunst was.
Zo moest alle tijdelijkheid overbrugd worden
Met een verlangen.

Ik denk dat hij een pleidooi voor 

Deze poëzie hield :

Alles wat kind van de verbeelding vermag
Voor bij het zien dat je zag’

Over synesthesie - het verschijnsel dat wanneer een zintuig geprikkeld wordt , men ook gewaarwordingen van een ander zintuig ervaart.

‘Het tastbare is een uitdaging die nooit stopt.
Hoe gruwelijk of schitterend ook.
Hoeveel stilte er ook in hechtenis is genomen.
Hoeveel akoestische kleuren ook.
Er staat geen grenswacht aan het begrip’

4. Samenvattend 

In zes cycli laat de dichter ons achter op eilanden van de mens die samen de archipel vormen van zijn bestaansbesef.

Een besef waarin hij het woord afstaat aan het voelen, het zien en hetzijn, aan de tijd en het object.

Een besef dat met het zintuiglijke speelt en een filmische en fotografische inslag kent waarbij gestuit wordt op het universele achter het paticuliere. 

Dit leidt tot gedichten die gelaagd en geladen zijn met het ik, het wij, met de pelgrimstochten van een poëzie waarvan de dichter getuigt - tussen oerverlangen en gemis, tussen vervreemding, bezwering en ontroering, tussen leven en dood.

Hierbij wordt de lezer misschien aangeraakt door datgene wat hij misschien nooit eerder ten volle heeft beseft.

Beste mensen, Archipel is een bloedmooie bundel die uitnodigt om het diepste in jezelf en dat in anderen te verkennen en te herkennen, zo te verbinden.

Is de dichter Geert Jan Beeckman een tedere anarchist – zeker – hij legt zich niet zomaar neer bij de maatschappelijke en andere gietvormen allerlei en hij doet het liefdevol en met klasse.

Ook is hij een dichter die voorbij zijn eigen sublieme dichterschap kijkt en boldly goes when no man has ever gone before. Gaat u mee ? Dan moet u Archipel lezen. 

Ik eindig met een laatste citaat van de dichter :

‘Zeggen dat het ooit een gave was
Iets met fluisteren te verdedigen’


© Eddy D’Haenens
Denderleeuw, zaterdag 27 april 2024.

Stadsdichter Oudenaarde



Eddy D'Haenens

Geert Jan Beeckman






donderdag 11 april 2024

Hitte - Geert Jan Beeckman

Hitte


Misschien is dit het enige dat wij vandaag
kunnen doen: koele aarde zoeken
en daarin oeroud liggen.

Het bericht zegt dat wij wel mogen denken.
Denken dat ijs gemaakt is van oud zeer.
Omdat het zo wanhopig smelt.
Omdat dat verlies kan zijn: blijven kijken
nadat het is gebeurd.

Zo hangen ook luie matrozen overboord:
geraakt door zindering en levenloos vertaald
naar het woord.

Een schuilnaam voor de zon.
Is het dat wat wij nu zoeken?
Zoeken zoals Hopper deed.

In hoeken.
In licht naast licht.
In het traag verschieten van vreemd gemis.

Zeker in dit gedicht hou ik nog meer stil.


© Geert Jan Beeckman


Voorpublicatie uit de nieuwe, zesde bundel 'Archipel' van Geert Jan Beeckman die verschijnt bij Uitgeverij P.
De bundel wordt op zaterdag 27 april 2024 om 19u voorgesteld in 't Kasteeltje te Denderleeuw. Eddy D'Haenens, stadsdichter van Oudenaarde leidt de bundel in en er muziek van De Rivier.

Het titelgedicht uit de bundel werd door 'De Rivier/The river curls around the town' op muziek gezet en is te beluisteren op You Tube via deze link.