Posts tonen met het label Cursiefje. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Cursiefje. Alle posts tonen

zondag 13 september 2026

Vogels - Willy Brandt

Vogels  

Voor mij ligt ‘
Het Vogelboek’ van de Engelse professor Robert Macfarlane. Een boek waarin op meesterlijke wijze 47 vogelportretten verzameld zijn. De poëtische teksten worden ondersteund door tintelende aquarellen van de hand van Jackie Morris. De Engelse bijtitel ‘A field guide to wonder and loss’ wijst ons op hoe breekbaar en bedreigd die kleine vliegende wonderen zijn. 

Ik heb ook het boek ‘Vogels in de cultuur’ van mijn vriend en poëet Johan Boussauw. Hier gaat het over naamgeving, legendes en sprookjes in verband met vogels.

Die twee boeken vormen voor mij een tandem, een bron van veel leesplezier.

Bij mij roepen ze de vraag op hoe de wereld er zou uitzien zonder vogels. Het zou alvast een stille, veel minder kleurrijke wereld zijn. Da's wel zeker.

Ook kwam de vraag in mij op welke vogel ik zou willen zijn, indien ik ooit als vogel zou reïncarneren.

Zou ik een fazant zijn? Een kleurrijke pronker die laat zien welke talenten hij in huis heeft? 

Zou ik eerder een grijze mus zijn? Al is het maar om niet op te vallen, om me niet te moeten uitsloven in kleurenpracht, of om gewoonweg deel uit te kunnen maken van een pluimige bende die graag verstoppertje speelt?

Of zou ik eerder een putter zijn? Klein maar mooi, met een rode vlek op mijn gezicht als teken van schaamte voor de wereld waarin ik leef?

Of zou ik een wilde zwaan zijn, omdat ik geloof in een leven lang samenzijn met dezelfde partner. Om de sierlijkheid ook, of omdat het niet nodig zou zijn om mooi te kunnen zingen.

Of een goudvink. Om op mijn manier kleur te kunnen geven aan het leven. Al zou ik dan aan woningnood lijden wegens het verdwijnen van de boomgaarden waarin ik zou leven.

Of simpelweg een nachtegaal? Om het leven te kunnen bezingen, misschien samen met mijn partner, in een schemerduet, met in elkaar gevlochten stemmen?

Of liever nog een veldleeuwerik? Om mijn hoogtevrees te kunnen overwinnen en om van daar heel boven de schoonheid van het vlakke land te kunnen bewonderen?

Of zou ik een kwikstaart zijn? Om niet langer een stijve hark te zijn, maar om te kunnen bewegen als in een dans, een ballet. Om rank en snel te kunnen zijn.

Of een Noordse stormvogel? Om urenlang boven de grijze oceanen te kunnen zweven, ongevoelig voor de koude winden, onvermoeibaar te zijn?

Of een winterkoning? Om onopvallend te zijn, om in een wereld te kunnen leven waarin alles klein is, maar waarin ik toch een koning zou kunnen zijn?

Of een ijsvogel. Sprankelend blauw te zijn, de kleur van het diepe gletsjerijs, maar toch niet koud en ijzigs. Of gewoonweg omdat het azuurblauwe van mijn verenkleed een van de mooiste kleuren in de natuur zou zijn?

Of word ik liever een bosuil? Om de mensen met een slecht geweten met mijn nachtelijke roep de stuipen op het lijf te kunnen jagen? Of om geluidloos door het leven te kunnen zweven?

Ik kan moeilijk kiezen welke vogel ik zou willen zijn. Misschien toch maar een merel, gewoon, om dat mooie lied dat ik zou kunnen zingen. Een liefdeslied voor al wat leeft.

Om het even, maar ik zou alvast iemand zijn waarbij mooi of lelijk zingen geen rol speelt, maar deel uitmaakt van het wezen met veren en vleugels dat ik zou zijn.

Het zou geen rol spelen wie ik ben. Een vogel, al dan niet een rare vogel. Met een toekomst, of ook weer niet. Want ons luchtruim wordt ieder jaar leger.

Denkend aan de woorden van Bertolt Brecht: "In de duistere tijden, zal er dan ook gezongen worden? Ja, er zal ook gezongen worden. Over de duistere tijden". En zo laat ik de gevleugelde toekomst haar vrije vlucht nemen.

© Willy Brandt  

Willy Brandt - de naam is echt géén pseudoniem - is voornamelijk fotograaf. Maar af en toe schrijft hij ook wel 's een gedicht of een flard persoonlijk proza annex cursiefje. 


dinsdag 1 september 2026

Het vitrinekastje - Lieven Vandekerckhove

Het vitrinekastje

Het witgelakte vitrinekastje is niet hoger en niet breder dan vijfentwintig centimeter. Het is ongeveer vijf centimeter diep, en de plankjes waarmee het is samengesteld, zijn ongeveer twee centimeter dik. Vrij veel hout dus, waardoor het kastje vrij zwaar is en stabiel staat. Binnenin is tegen de wijnrode rug een sneeuwwitte passe-partout geplaatst, die als een geopend venster mooi ruimte laat voor de felle achterliggende kleur.                                                                             
Ik heb dat ding gekocht op een markt voor hobbykunstenaars als verjaardagsgeschenk voor Lode, mijn tweelingbroer. Immers, tegen de rode rug heeft de schepper van het werkje het gebombeerde restant van een gebroken eierschaal gekleefd, waaruit de plastic kopjes van twee lachende borelingen tevoorschijn komen. Kwamen ze niet uit het ei gekropen, ik had er de twee oude mannekes uit de Muppet Show in gezien. Maar de figuurtjes in het vitrinekastje staan niet voor twee sarcastische ouderlingen die op alles en nog wat mekkeren, ze staan voor het leven zelf van twee broertjes die vol verwachting samen het leven zijn binnengestapt. De kopjes zijn identiek, ze hebben dezelfde grote oren en eenzelfde kleine bolletje dat hun neusje voorstelt; en onder hun neusje laat eenzelfde rode streepje de twee baby’s lachen van blijdschap, nu ze eindelijk uitgebroed zijn. Dat kan nog niet lang geleden gebeurd zijn, want bij beiden kleeft nog een stukje van de eierschaal op het hoofd. Boven de tweeling fladderen twee spierwitte plastic duifjes, in de lucht geworpen om het feestelijk gebeuren kracht bij te zetten.  Links van de rode doorkijk staat op de witte passe-partout in potlood de handtekening van de kunstenaar, onleesbaar zoals de handtekening van een kunstenaar moet zijn. Onder het venster lees ik, eveneens in potlood geschreven: ‘Happy Birthday’. Treffender kon in dit geval een verjaardagsgeschenk niet zijn, vond ik.                                                                                                                      
Maar hoe gaat dat met geschenken die men aankoopt lang vóór ze dienstig moeten zijn? Ze komen voorlopig in een lade terecht, in een koffer, in een kast, waar ze zelfs het risico lopen de vergetelheid in te duiken. Het presentje voor mijn broer verging het zeker niét zo. Ik had het dan wel gekocht lang vóór zijn verjaardag, maar het domweg vergeten op die dag kon in principe niet, want juist om dat te voorkomen – en er ook zelf een beetje van te genieten - had ik het op mijn buffetkast geplaatst, van waarop ik elke morgen door de net verloste tweeling lachend begroet werd. Maar goed dat er geen geluidsopname in verwerkt werd.                                          

Helaas, toen onze gemeenschappelijke verjaardag aanbrak, waren we onvoorzien zo ver van elkaar verwijderd, dat het contact van lieverlee beperkt bleef tot een telefonische uitwisseling van gelukwensen - zonder veel poespas, zoals dat gaat bij mannen die elkaars binnenste binnen sinds jaar en dag kennen, en het met sentimenten graag kort houden. Dus bleef de plastic tweeling vooralsnog op mijn buffetkast staan wachten op de volgende verjaardag. Want er weken, laat staan maanden later mee komen aandraven vond ik nu ook niet bepaald de juiste manier van doen, ik hou niet van mosterd na de maaltijd. En er bij een andere feestelijke gelegenheid mee uitpakken is nóg zinlozer: een geschenk dat zo exclusief als verjaardagsgeschenk in de verkoop gezet was, kon bezwaarlijk als kerst- of nieuwjaarsgeschenk dienen - gegeven dat we tegen elke verwachting in elkaar in de kersttijd met een geschenk zouden verrassen. Ik zou dus maar beter mijn ongeduld nog een jaar langer verbijten.                 

Maar ook met dat plan liep het weer mis. Die ‘volgende verjaardag’ was niet alleen – zoals steeds - ook mijn verjaardag, het was daarnaast ook voor beiden een ronde verjaardag: een verjaardag die maar om de vijf jaar gevierd wordt. Daar had ik natuurlijk zelf geen schuld aan, en mijn broer ook niet, maar die samenhang was er wel verantwoordelijk voor dat ik ook die keer niet met mijn presentje naar Lode kon afzakken om het hem ‘op het juiste moment’ te schenken. Mijn eigen familiale aanhang had immers thuis enig feestgedoe geprogrammeerd, waardoor er voor een bezoek aan mijn broer geen ruimte was. Dus bleef het vitrinekastje weer eens staan waar het nu al zo lang was blijven staan.

Les excuses sont faits pour ’s en server
, n’est-ce pas? Dat zich maar één keer per jaar de juiste gelegenheid voordeed om met dat kastje te doen waarvoor ik het gekocht had, was een aanvaardbaar excuus om er zelf al die tijd van te genieten. Op de duur vond ik het zelfs alleen nog maar een beetje vervelend dat mijn attentie de oorspronkelijke bestemmeling niet bereikte. Hoe langer dat kastje bij mij thuis bleef staan, hoe méér de urgentie leek af te zwakken om het daadwerkelijk ook te geven aan het feestvarken voor wie het oorspronkelijk bedoeld was. Maar dit jaar was er plots wél haast bij. Lode was ziek, ernstig ziek, en het was zelfs de vraag of hem nog een verjaardag gegund was. We bezochten hem enkele keren, telkens bang afwachtend hoe we hem zouden aantreffen. Ik kon het niet helpen dat vóór we de rit begonnen, mijn blik iedere keer op het vitrinekastje viel waarin de plastic tweeling lachend tegen het leven aankeek. Maar twijfel overviel me. Of het überhaupt nog zinvol was dit mee te nemen? En bovenal knaagde de wroeging, hem dat plezier niet te hebben gedaan op een moment dat hij er nog kon om lachen. Maar die kans was verkeken, het lachen was hem vergaan – uitgerekend hij, die moppen tappend door het leven was gegaan.                                       

Zijn verjaardag haalde hij nog - de laatste, dat wist hij, dat wisten we allen. Hij zat aan tafel toen we toekwamen voor een feestje in mineur. Zijn ogen waren glazig. Een slangetje dat zich splitste onder zijn neus voerde vanuit een apparaat dat centraal in de woning stond opgesteld zuurstof naar zijn longen. De lange plastic slang die de zuurstof aanvoerde, krulde van onder zijn stoel naar de machine waaraan zijn leven vasthing. Toen ik al een poosje naast hem zat, haalde ik het vitrinekastje boven en plaatste het opzij van het bord dat vóór hem stond. Ik wist niet wat ik kon zeggen. Hij bekeek het kastje, en zweeg eveneens. Hij legde zijn hand op de mijne, ik voelde al zijn warmte, de warmte die hij zijn hele leven had uitgestraald. Ook deze keer kon hij niet uitspreken wat hij voelde, dat had hij nooit gekund. Maar hij toonde het, met dat simpele gebaar waartoe hij nog in staat was. Zelfs dat verraste me, want ik had hem als volwassen man nooit ofte nooit zijn diepste gevoelens zien uitdrukken, op welke wijze dan ook. Hij kon het niet, ook niet wanneer hem pijn werd gedaan, wat vaak is gebeurd, té vaak. Als kleine jongen reeds was hij constant op onbegrip gebotst omdat de wereld zijn onrust niet begreep. Hij heeft zijn leven lang veel moeten incasseren. Nog immer word ik opstandig als ik eraan denk dat zelfs een zielenknijper naar wie ze hem hadden meegenomen, hem ooit de mantel had uitgeveegd in plaats van hem te helpen. Zelfs Sinterklaas, die 'grote kindervriend', heeft hem ooit pijn gedaan, verschrikkelijk pijn gedaan, toen de heilige man op 6 december van het jaar stillekes alle broers met wat lekkers en wat leuks verblijdde, voor Lode echter niet méér dan een resem latjes veil had, waaraan telkens een stuk touw was vastgeknoopt. Ik vrees dat zijn onuitputtelijk gekscheren het ultieme kapitaal was waarmee hij geleerd had erkenning te kopen. En dat, terwijl hij de goedheid zelve was. Ik heb er weet van, ook al verborg hij het, hoe hij met zijn roekeloze vrijgevigheid anderen uit de brand heeft geholpen en daarmee zichzelf de das omdeed. Ja, ik kende hem. Nooit ofte nooit zou hij iemand in de steek hebben gelaten.
                                             

We zwegen. Ik besefte dat zijn reis ten einde liep, een reis die we nog vóór de geboorte samen waren begonnen, en die daarom over alle mogelijke wissels heen voor een stuk ook onze gemeenschappelijke reis geweest was. Lang was het bezoek ons niet gegund. Ondanks de zuurstoftoevoer werd het ademen hem te moeilijk, zodat professionele interventie zonder uitstel noodzakelijk werd. Toen er werd aangebeld, zocht hij met beide handen steun op de tafel, duwde zich recht, en liet zich in de rolstoel zakken die tot tegen zijn kuiten werd geschoven. Hij verliet de woonkamer zonder nog om te kijken. Buiten keek ik de ziekenwagen na die hem voor de laatste keer naar de kliniek bracht. Ik keek, en keek, en keek, tot de wagen met mijn broer daarin uit het zicht verdwenen was. Ik besefte het, hij was op weg naar het eindstation. Een immense droefheid kreeg mij in de greep, mijn ziel werd in twee gesneden, messcherp.            

Het vitrinekastje is terug bij mij beland, mijn neef zegde dat het mij toekwam. Het staat dus weer op de zwarte buffetkast, van waarop de plastic tweeling mij elke morgen toelacht. Het zal wel kitsch zijn, zeker? Allicht is het dat. Dierbare kitsch.     

© Lieven Vandekerckhove
Uit het typoscript “Eerst koffie, dan de waarheid” van
Lieven Vandekerckhove.

De auteur schreef eerder de bundels kortverhalen en cursiefjes: In schuinschrift (2019), Van A tot Z, of toch bijna (2022) en Koorddansen (2024).



 

donderdag 18 juni 2026

De ooievaar - Lieven Vandekerckhove

De ooievaar

Bernd en Christa wonen in een groot huis op een groot stuk grond aan de oever van de Spree, in de buurt van Berlijn. Heerlijker kan een woonplek niet zijn. In de zomer brengt het weelderige groen rondom rond schaduw en koelte. In de winter verleent de sneeuw aan het oord een paradijselijke schoonheid. Aan de oever ligt het bootje aangemeerd waarmee het paar op zomerse dagen ontspanning zoekt op het water. ´s Winters gaan ze uren wandelen met de vier honden - besneeuwde wandelwegen lopen er in alle richtingen.

Beiden zijn hartstochtelijke dierenliefhebbers. Dat Christa met een dierenarts gehuwd is, zal dus wel geen toeval zijn. Zelf helpt ze weliswaar niet in de praktijk van haar man, maar op haar manier is ze intensief met dierenwelzijn begaan. In huis vliegt Bubbi, de papegaai, vrij rond. Ze heeft hem leren spreken als de beste: ‘Pappi geht zur Arbeit, und Bubbi bleibt zu Hause.’ Of mocht hij per ongeluk buiten geraken en verdwalen, dan kan hij voluit zijn personalia voorleggen: ‘Bubbi Schönbiss, am Ulmenmarkt acht.’

Maar de dierenliefde van het echtpaar komt wel op een héél bijzondere manier tot uiting. Zowat een decennium geleden heeft Bernd naast het huis een zware, lange paal laten oprichten en er met de hulp van enkele buren een klein wagenwiel op geplaatst, dat als draagvlak kon dienen voor een ooievaarsnest. Zulke nesten op een paal in de tuin of op een schoorsteen ziet men regelmatig als men het noorden van Duitsland doorkruist. Hoog boven de grond zijn de jongen veilig voor roofdieren, en is het nest daarenboven een goede uitkijkpost voor de bewoners ervan.

Al gauw werd de constructie opgemerkt door een ooievaarspaar dat, uit het zuiden teruggekeerd, op zoek was naar een broedplaats. Maar al te graag gingen de vogels in op het vriendelijk aanbod van Bernd en Christa. Takken, gras en aarde werden ingenieus tot een groot nest verbonden. Christa volgde met vreugde de vorderingen van de nieuwbouw. Tussendoor lokte ze de nieuwe buren met stukjes vis, die ze naast de paal op de grond wierp. Een tactiek die snel resultaat opleverde. Zodra de vogels haar opmerkten of hoorden dat ze hen met geklop op een plankje wenkte, vlogen ze het nest uit en landden in haar buurt. Zó vertrouwd raakte het gezelschap, dat de vogels zelfs uit Christa´s hand kwamen eten terwijl zij gehurkt de porties aanreikte.

Toen de broedtijd was aangebroken, kwam maar één van de twee dieren Christa´s diner genieten. Als zijn buikje rond was, vloog de vogel daarna met de tweede portie naar boven. Tot Christa´s verrassing was het niét vader, doch moeder ooievaar die de spijs kwam oppikken. Vader bleef rustig op de uitkijk staan, terwijl moeder vanop de eieren rechtstond en voor wat lekkers naar beneden vloog. Een bewijs te meer, lachte Christa, dat overal en altijd de vrouwelijke soortgenoten de ijverigsten zijn. Niettemin, als de eieren waren uitgebroed, en een vijfkoppige kroost het nest vulde, kweet ook vader ooievaar zich van zijn ouderlijke plichten, en hielp hij de provisie ophalen voor de kuikens.

Op een dag evenwel veranderde het vertrouwde ritueel grondig. Die morgen viel het Christa op dat moeder ooievaar zich maar traag bewoog ginder boven. Ze zag hoe de vogel voorzichtig de vleugels spreidde, een rondje vloog, en landde op het dak van het schuurtje. Ze riep naar het dier, dat na een poos dan toch naar haar toegevlogen kwam. Maar in plaats van zachtjes op de lange poten te landen, viel de vogel plomp vóór haar voeten op de grond. Daar strekte hij zich, en bleef roerloos liggen. Christa begreep niet wat er gebeurd kon zijn, ze aaide het dier lange tijd, maar kon alleen maar toezien hoe ieder leven langzaam van onder de mooie veren wegvlood.

Als Bernd erbij kwam, en de gezwollen hals van het dier zag, vermoedde hij meteen wat er mis was. Hij opende de keel en kreeg effectief bevestiging van zijn vermoeden. Klaarblijkelijk was moeder ooievaar in de omgevende weilanden haar honger gaan stillen en had daarvoor een mol gevangen. Dat doen ooievaars wel meer, net zoals ze ook kikkers en hagedissen en veldmuizen, soms zelfs hun eigen overleden kuikens opeten. Maar een mol op de spijskaart is geen goed idee. Dat wist de dierenarts uit ervaring. Een mol klemt zich immers met zijn graafpoten vast in de keel, en dat luidt de zekere, pijnlijke dood in van de vogel.

Christa was ervan aangedaan. Ze dacht aan de verschrikkelijke pijn die haar ooievaar moest geleden hebben, en streelde opnieuw de lange, witte veren. Ze kon maar moeilijk geloven dat zoiets mogelijk was, en dit dan nog met haar geliefde, mooie vogel moest gebeuren. Dan dacht ze aan vader ooievaar. Of hij het verder alleen zou aankunnen met zijn kroost van vijf?

Bernd ging in de schuur de kruiwagen en een schop halen, en legde het kreng in de laadbak. Ze bleven er nog even staan naar kijken, dan gingen ze er met z`n tweeën stilzwijgend het bos mee in.

© Lieven Vandekerckhove

Uit het nieuwe typoscript ‘Eerst koffie, dan de waarheid’ van Lieven Vandekerckhove.
Lieven publiceerde eerder de verhalen- en cursiefjesbundels:
2019: In schuinschrift
2022: Van A tot Z, of toch bijna
2024: Koorddansen

Lieven Vandekerckhove bij ‘Woordenwevers’