woensdag 22 september 2021

stilte - Francis Cromphout

het leven gaat oorverdovend verder
wij blijven achter, gestold in de stilte
met jouw beeld gekleefd op ons netvlies

losgerukte bloesemtak, knak in deze lente
je lichaam is uit je ziel getuimeld
neerwaarts nog éénmaal

je leed dat weggleed
wordt opgevangen
door het dons van ons verdriet
tot dit geruisloos uitgeraasd zal zijn
en jij voor altijd rust zal vinden binnen in ons


© Francis Cromphout

Voorpublicatie uit de nieuwe bundel 'Tijdscapsule'. Meer info via dit Digther-bericht.


dinsdag 21 september 2021

twee - Francis Cromphout

twee lichamen
die elkaar rakelings scheren
in de zee van nacht

fabrieksboten van de slaap

als zij onderduiken
maken bizarre kwallen
zich van hen los

zij stijgen naar het oppervlak
waar zij dobberen
ten prooi aan plukgrage winden

op de kust wachten geduldig
twee andere lichamen nog

zij bieden zich aan
gewillig
voor het smeltwerk van de zon

als zij samenvloeien
zijn zij vrij


© Francis Cromphout

Voorpublicatie uit de nieuwe bundel 'Tijdscapsule'. Meer info via dit Digther-bericht.


maandag 20 september 2021

eerste gedicht - Francis Cromphout

glijdend op het nachtwater zoals toen de maan
een lichtbaken achter de grote sprong

bij het raam, in de kille kamer, een jongen
hij kijkt verlamd toe
hoe de bol schuift en schuift
tot het volledig nacht wordt in zijn hoofd
en hij in het gedicht belandt
waarbinnen hij zich wakker droomt


© Francis Cromphout

Voorpublicatie uit de nieuwe bundel 'Tijdscapsule'. Meer info via dit Digther-bericht.


zondag 19 september 2021

'Tijdscapsule' van Francis Cromphout-De voorstelling

Francis Cromphout is al zijn hele leven lang actief als cultureel journalist en schrijver van romans en poëzie. Daarnaast waarderen velen in hem ook een gedreven muzikant-saxofonist. Cromphout schrijft in het Nederlands, Frans en Spaans. Zijn bekendste dichtbundel is wellicht ‘Als een pas vernielde stad’, verschenen in de legendarische Yang-Poëziereeks.
In 2017 publiceerde Cromphout de roman ‘Al die tijd hield de berg de adem in’ waaruit De Schaal van Digther een fragment publiceerde.
Nu nodigt Francis Cromphout de belangstellende lezer uit op de voorstelling van Tijdscapsule, zijn nieuwste dichtbundel, net als zijn roman een publicatie van Beefcake Publishing. De voorstelling gaat door op donderdag 30 september 2021 in de kapel van het oud O.-L.-Vrouwehospitaal te Oudenaarde. Aanvang om 20 uur.
Samen met gitarist Juri Cosman zorgt Francis Cromphout zelf ook voor de muzikale intermezzo's als duo Barrio Latino. Ze brengen Latijns-Amerikaanse songs en Franse chansons, maar deze avond vooral eigen nummers.

Wie niet aanwezig kan zijn op de voorstelling en toch de dichtbundel wil ontvangen kan u die bestellen door 15€ + 5€ (verzendingskost) te storten op de rekening BE12 2900 2472 2792 (Francis Cromphout “Tijdscapsule”) met de vermelding van uw adres.

In de nieuwe bundel speelt de dood van zijn dochter een centrale rol.

De komende dagen publiceert de Schaal van Digther in voorpublicatie drie gedichten uit de bundel.

Extern:
Recensie ‘Al die tijd hield de berg de adem in’ (André Oyen)
Al die tijd hield de berg de adem in (fragment bij Digther)
Francis Cromphout bij De Schaal van Digther
Beefcake Publishing
Blog Francis Cromphout (Frans)

donderdag 9 september 2021

Poëzie blijft voor het leven

Over ‘Woestijnzucht’ van Geert Jan Beeckman 

Wie de bundel ‘Woestijnzucht’ van Geert Jan Beeckman bij een eerste kennismaking oppervlakkig doorbladert, zal wellicht de indruk krijgen dat er hier gedichten te lezen staan

waarin reisindrukken worden verwoord. Maar van zodra het boek wat geconcentreerder wordt benaderd, wordt het duidelijk dat er meer aan de hand is. Dat wordt al aangebracht in het citaat van Rilke dat de bundel opent: ‘Er is maar één reis/de reis naar binnen.’ Deze bundel speelt zich af op de tweespalt tussen een binnenwereld en een buitenwereld. Ze worden beide geëxploreerd. Ze assimileren elkaar. Ze reiken elkaar de hand in de taal. Een buitenwereld wordt getoetst aan een binnenwereld en vice versa. Elke geëvoceerde plek houdt een verkenning van een innerlijkheid in.

Met deze bundel situeert Beeckman zich als een dichter voor wie de poëzie een pelgrimage is, een zoektocht - die de vorm van een (zelf)bevraging aanneemt - naar betekenis. En meestal is in dit soort poëzie die betekenis te vinden in de zoektocht zelf: waarmee de betekenis open en weifelend blijft. De betekenis van de weg die in deze reeks gedichten wordt afgelegd zou dus de weg zelf kunnen zijn. Ik laat hier bewust wat Taoïsme in doorklinken want ik sluit niet uit dat die weg, in brede zin, ook een spirituele weg zou kunnen zijn. Er is dus geen sprake van een of andere specifieke bestemming: enkel van ‘verplaatsingen’, van beweging. Waarmee de beweging van de tijd wordt meegerekend. De gedichten zijn verwoordingen van het proces dat de verplaatsingen, beweging en tijd teweeg brengt. Ze geven fases aan, het zijn onderdelen van wat zich aan het ontwikkelen is. In deze bundel meen ik die ontwikkeling als volgt te onderkennen: het vertrek, de tocht, de doortocht, de overtocht. In die overtocht blijkt er zich toch zoiets als een ‘aftiteling’ voor te doen: een finale stilte en leegte.

Het openingsgedicht ‘De eerste voorwaarde’ stipuleert de modaliteit of de nodige ingesteldheid voor iemand aan de ‘reis’ begint. Er worden repetities gehouden: ‘Wij denken lezen en schrijven stelt alles voor’. Er moet een verlangen zijn naar verte (dat later in de bundel ‘Woestijnzucht’ zal worden genoemd): ‘de kop die wij opkijken/is er voor verte in het hoofd’. Verte, gedachten, dromen worden in het boek terugkerende stramienen, telkens in andere contexten geplaatst. Ze werken de grote en open meerduidigheid van deze bundel in de hand. In de eerste cyclus worden voorbereidingen getroffen, plannen gemaakt, dromen uitgewerkt. Het wordt de reis van iemands leven. Hij of zij ‘vult de bagage met sterrenbeelden/voor alles wat werkelijk kan’. Voor het vertrek wordt afscheid genomen van het huis in het opvallende vierluik ‘Het huis blijft achter’. ‘Stap uit de toeloop van de laarzen’ wordt ons geadviseerd. ‘Begraaf nu de manieren van leven’. Je moet ‘uitvouwbaar’ blijven. Je zo deconditioneren dat er vrije ruimte ontstaat, dat er ruimte wordt toegestaan ‘voor alles wat werkelijk kan’ en voor wat later in de bundel als ‘andere werkelijkheden’ wordt omschreven. En dat impliceert andere manieren van denken. De muren van het vertrouwde worden gesloopt. Wie het huis verlaat, begeeft zich in het ongewisse dat door de dichter als ‘wit’ wordt aangewezen.

Deze deconditionering begint zich langzaam te voltrekken in de tweede cyclus ‘Plaats en tijd’. ‘Wie in zijn hoofd ontstaat laat zich door rust/verplegen al zijn dat zijn geen manieren van leven’. De cyclus vangt aan met het gedicht ‘Puri Rinjana’. Volgens wat google me vertelt zou dit een vakantiepark in Indonesië zijn. Een typisch reisgedicht (maar het wordt het enige in de bundel). Een prentbriefkaartje, charmant, zorgeloos. Er wordt een ‘zee van tijd op iets losgelaten’. Enkel buitenwereld dus, waarbij de binnenwereld tot een milde gemoedstemming beperkt wordt. Maar binnen de cyclus komt daarin al een kentering. Zo onder meer in het gedicht ‘Josfov, Praag’. Een slotrede aan een onbekend graf. Er is hier van tijdloosheid geen sprake meer. Veeleer van het temporele, het anonieme (waarmee het blijkt dat we als figuranten in ‘de stomme film van het passeren’ blijken): ‘Duizend keer op de wereld geregend/worden wij een ruïne van tijd.’ Een besef dat gaandeweg in de bundel steeds beklemmender zal worden.

En ook het poëtische wordt gerelativeerd: ‘ook woorden opgezocht in schoonheid/worden weerloos en wak. ’ Overigens is er in al deze gedichten een grote laag aan een metapoëtisch discours aanwezig. Met de tocht wordt het gedicht geschreven. De tocht is het gedicht. De tocht is een metafoor voor het schrijfproces. De buitenwereld is de schriftuur van de binnenwereld: ‘Omdat het uitzicht zo goed is in schrijven’. Het woord speelt hierbij een centrale rol. In het gedicht ‘Ten huize van Rimbaud’ wordt de grote meester geëerd. De woorden worden aanroepen: ‘woorden richt je op de aarde/de schedels het model dat voor altijd heeft bewogen.’ In dit citaat worden we geconfronteerd met het stilistische eigen van Beeckman: het zoveel mogelijk weglaten van interpunctie op het punt na. Geïsoleerd ving ik wel eens een eenzaam deelteken en vraagteken op. Het schrappen van de komma e.d., gecombineerd met een regelafbreking zorgt voor storingen binnen de syntaxis waarmee meer interpretaties de kans krijgen. Of waarmee interpretatie zich niet meteen laat vangen en zelfs aan de lezer kan ontsnappen. Beeckman houdt dit goed in de hand. Af en toe laten de regels op die manier binnen de zinsbouw ‘plooien in het spreken’ na. Nee, nieuw of vernieuwend is dit niet, maar Beeckman gaat er vakkundig en intelligent mee om, met een hem typerende subtiele touch.

Het lijkt soms dat het niet de dichter is die de woorden begeleidt maar dat het de woorden zelf zijn die de wegen binnen het gedicht uittekenen. Het zijn de woorden die het gedicht tot beweging dwingen. De woorden zijn het kompas van de dichter.

In de volgende cyclus worden we geconfronteerd met wat ik hierboven als ‘andere werkelijkheden’(titel van deze cyclus) duidde. ‘Kijken’ - een voortdurend terugkerend begrip – wordt geproblematiseerd. Een kijken dat een zien wordt. Hier denk ik onvermijdelijk terug aan Rimbaud voor wie de dichter een ziener moet zijn. Mits hij in staat is tot een ontregeling van alle zintuigen: le dérèglement de tous les sens. Zien als fysieke beleving. Zien ontwaart meer dan kijken: ‘Kijk een gedicht kijkt de wereld bloot’. Zien: ‘Een gedicht kan dat beter beschrijven’. Zien is geen statisch kijken maar een kijken metterdaad. Het aanwezige zichtbare en het vermoedelijke onzichtbare, het metapoëtische en het metafysische, het woord en de stilte vloeien in elkaar samen.

In deze complexe en geschakeerde reeks vol schaduw, winter, tijdsbesef en verweesdheid wordt de vraag gesteld naar wat gedichten vermogen: ‘Troost bieden met wit./Wonden genezen met zacht./Een gebied leggen rond navelstrengen./ Hoe ze ook dieren het zwijgen opleggen.

Het zien wordt verder uitgediept in de cyclus ‘Kijken tot je het ziet’. ‘In een verte zien/wat men ons niet laat weten. ’ Zien is verte exploreren. Deze tocht leidt ons langs een landschap (Andalusia) en brengt drie schilderwerken (één van de Staël, twee van Hopper) in het vizier. ‘In de verf verdwijnt de tijd schreef de dichter’. Vooral desoolaatheid en het tijdelijke worden in deze gedichten beklemtoond: ‘Wat reist er behalve tijd nog door hun kamer?/Elke vraag vult weglating aan./ Elke eenzaamheid blijft uit verte bestaan./Wat het minst te zien is valt het meest te raden.

Kwantitatief gesproken vormt de cyclus ‘Woestijnzucht’ de hoofdmoot van de bundel en is er de diepste grondtoon van het geheel in terug te vinden. De tocht gaat ‘eeuwige richtingen’ uit. Men gaat ‘op weg naar nergens’ en men vraagt zich af: ‘Wat weten we over wat we blind volgen’? We bevinden ons midden in het ongewisse, een niemandsland, het thuisverblijf van lacunes. ‘Een buitenpost’, ‘Voorbij de huizen’: titels van gedichten die voor zichzelf spreken. Landschappen, uitzichten: waar de dichter is aanbeland, valt er weinig te communiceren: ‘Wij weten niet hoe wij met de inwoners/moeten praten. ’ Leegte, schraalheid, verwijdering: ‘Breng mij geen mensen zei de vlakte’. (Een versregel die me het gedicht ‘Winter te Schilde’ van Maurits Gilliams in herinnering bracht.) Het tijdsbesef staat hier op zijn scherpst. ‘Wie woorden neerzet/ziet ze leegwaaien sneller dan het schreeuwen/tegen de tijd in’. De tocht kantelt tot een doortocht in de tijd: de doortocht is de tijd, een doortocht naar de nachtzijde, het eroderende, het vergankelijke, de entropie toe: ‘oude gestrande muziek restvuur/van ceremoniën en karkassen/zij verzamelen veel dood.

Foto’s van de dichter horen bij deze reeks gedichten. Ze zijn niet illustratief, ze vertonen in hun sober- en somberheid verwantschappen met de gedichten. Maar is somber het woord dat hierbij past? Veeleer suggereren deze foto’s perturbaties, vervreemding, onrust. Het is de menselijke afwezigheid die erin opvalt – op een halve selfie na. Ook op de voor- en achterflap kwamen er foto’s die de dichter nam terecht. Al is die op de voorflap bijzonder donker. Ook hier geldt ‘kijken tot je het ziet’.

Na deze zucht slaat de bundel om tot een treurzang, zoals blijkt uit de elegische cyclus ‘De overtocht’ waarbij Beeckman zich behoedt voor al te riskante beladenheid. ‘Zie vandaag hoe morgen gisteren wordt/en sterf.’ De dichter maakt zelf de conclusie over waar de zoektocht op uitmondde: ‘Ik doe iets wat lijkt op het zoeken/naar de hersenstam van de dood zelf. ’ Het laatste gedicht de ‘aftiteling’ kan beginnen: ‘Elders is zoals elders het zelfde/dus laat de gedichten hier eindigen/het is wat het is/als noodzaak te pijnlijk voor taal/als huis te leeg voor bed stoel/en tafel.

Met deze mooie bundel brengt Beeckman een met vele motieven doordesemde en gestructureerde compositie. Ik bracht hier niet alle motieven te berde. De bundel is heel breed, in geen geval oppervlakkig en vraagt om meerdere lezingen zoals dat moet zijn bij goede gedichten. Het is vooral de wijze waarop hij gewetensvol over het wezen van de poëzie reflecteert dat mij heeft aangesproken. Hoe hij waakt over al te apodictische uitspraken in verband met poëzie. Voor Beeckman is poëzie gelijklopend aan het bestaan: het is het bestaan zelf. Poëzie en leven : ze zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Ze vormen een pact: ‘het is de som van de plek/het huis dat op geluk past/hoe poëzie de bestemming naar je toe haalt’. Zijn poëzie heeft iets van een heroïsche daad – het is verweer en uithouding, ‘Een laatste plooi voor je van de wereld valt. ’ Er is in dit geval voor het gedicht één zekerheid die overeind blijft: ‘Maar de dood zorgt dat het poëzie blijft/voor het leven.


© Alain Delmotte

WoestijnzuchtGeert Jan Beeckman – uitgeverij P, Leuven, 2021 ISBN 978 94 93138 41 4

Geert Jan Beeckman - Foto © Christophe Ywaska

zondag 5 september 2021

Stratenatlassen - Patrick Cornillie

Ook moeten we het nog hebben over dat
ingebeelde genoegen van weleer om alsmaar
weer op pad te willen gaan. Een eindweegs,
op vreemd terrein. Naar het onbestemde dat we

zelf hadden geschapen: verte, steden en hoe we
daar rondreden. Scherm noch stem wees ons een
richting aan. Er was alleen het vergapen: aan oude
gevels, kroegen, etalageramen, gevat in een vlecht-

werk van straten en pleinen. Hoe wij dan uit het
register van een beduimeld boek de namen van
verloren gelegde steegjes prevelden. Straatlichten

en neonreclames achter elke hoek telkens weer
een ander verhaal verzonnen. En wij daar, ergens
vandaan, beduusd aan voorbij zijn gegaan.


© Patrick Cornillie




zaterdag 4 september 2021

Magneetbanden - Patrick Cornillie

Over de dingen die ooit van iemand zijn geweest
en velerlei klanken bewaren: muziekcassettes,
GX-koppen, bandrecorders. En namen die stof
vergaren: Revox en BASF, Grundig en Akai.

Over de tijd toen geluid nog op rolletjes liep
en de dagen oren hadden naar Veronica, Caroline –
ons doen en laten werd bepaald door deze of gene
tune. De vinger bij de startknop en maar hopen

dat de presentatoren ze zeker tot de laatste noot
zouden laten lopen: Tell me why, Love me do,
Venus van Shocking Blue. Over het opnemen en

het afspelen moeten wij het hebben. Het terug-
spoelen naar de jaren die ergens nog op band staan.
En van stemmen de mensen die zijn voorbijgegaan.


© Patrick Cornillie




vrijdag 3 september 2021

Schrijfmachines - Patrick Cornillie

Van oude dingen moeten wij schrijven.
Die overbodig staan te wezen, zijn vergeten,
maar om de een of andere reden alsnog blijven.
Dingen die Olivetti, Adler of Remington heten.

Van tijden moeten wij schrijven, vervlogen,
verdwenen achter inktlint, wagen en rolknop.
Over zij ook die bij zo'n klavier zaten gebogen,
worstelend met letterarmen en kantlijnstop.

De gewichtigheid waarmee een vel
werd vastgeklemd, de brieven die zij plachten
te tikken. De verkrampte vingers, het uitstel.

Van zoiets moeten wij schrijven: de gedachten,
hersenspinsels die nooit op papier hebben gestaan.
En van oude dingen de mensen die voorbijgaan.

 
© Patrick Cornillie





vrijdag 23 juli 2021

Weg met het geheimschrift. Leve het geheim!

Leesnotities bij ‘Waar is mijn hoed?’ van Johan Wambacq.
Recensie: Paul Rigolle


 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Waar is mijn hoed?’ is de titel van de recentste dichtbundel van Johan Wambacq. De bundel bevat een selectie van de gedichten die de dichter schreef in de periode 2012-2014. Johan Wambacq (1950), in de jaren tachtig mede-oprichter van het theatertijdschrift Etcetera en daar ook een tijdlang hoofdredacteur van, heeft - zover hij zich dat kan herinneren - altijd al gedichten geschreven. Maar met publiceren begon hij pas toen in het jaar 2004 een aantal gedichten van hem ‘aanvaard en goed bevonden’ werden voor publicatie in Het Liegend Konijn.

De nieuwe bundel is verschenen bij Uitgeverij Fluxenberg, een zo goed als gloednieuw en erg sympathiek ogend uitgavenproject waarbij Wambacq samen met collega-dichter Jan Ducheyne, bekend van ‘de Sprekende Ezels', en mede-teksten-en-theaterman Bernard Van Eeghem van nabij betrokken is.

Johan Wambacq die ons sinds jaar en dag maandelijks verblijdt met ‘Coupletten’, een gesmaakte nieuwsbrief, debuteerde in 2016 als dichter in boekvorm met ‘Seks, mystiek & urbanisatie’. Het was een lijvig debuut waarover onder meer Maria Barnas zeer te spreken was. In de Volkskrant maakte ze toen gewag van “gedichten die stralen van het aanstekelijk leesplezier, springplanken naar een onvermoede wereld”. Wel kijk, in zijn nieuwe bundel doet Johan Wambacq dit kunststukje lichtvoetig en met bravoure nog ’s over. En dat is wie het werk kent van Wambacq helemaal niet onverwacht. “Waar is mijn hoed?” is een bundel die vanaf het eerste, tevens titelgedicht een glimlach van milde herkenning (of juist niet) op het gezicht van de lezer tovert.


Waar is mijn hoed?

Alle land is buitenland,
iedereen is allochtoon,
polyfoon en dissonant.

We zijn vlees en water,
pis en bloed.

Ik wil naar buiten, maar
waar is mijn hoed?


Met dit eerste gedicht is meteen de toon gezet. Je monkelt wat af bij de gedichten van Johan Wambacq. Al vroeg in de bundel komt hij in het derde gedicht van de titelcyclus tot de vaststelling:

Soms heb ik het gevoel:
mijn hoofd staat naar een hoed,
sterker nog: ik wil een hoed,
hoewel ik van nature zonder
door het leven ga.

In de volgende cyclus ‘Letterzetter’ koppelt hij luciditeit aan vormvastheid. In vijf korte gedichten fixeert hij met de nodige ironie, die veelvuldig en in laagjes doorheen de hele bundel stroomt en zindert, de dichterlijke staat en status waarin de dichter als ‘letterzetter’ verkeert.


De dichter wordt prozaïsch

De werkwoorden zijn
verbogen , de tijden
gekend, geen taal of
ze is gelogen, geen feit
of het wordt ontkend.

De blinde kijkt het aan
met argusogen, de dove
stemt zijn instrument,
de dichter wordt prozaïsch
afgezogen
in een goedkope
hoerentent


In de volgende cyclus ‘Dwalen’ gaat hij achtereenvolgens met God, een theoloog en ondermeer een aantal muzikanten op pad maar staat in ‘Tjielp’ uiteindelijk met al zijn zelven in een lege kerk. Het onzekerheidsprincipe mag hem in zijn gedichten best wel beroeren:

En ik weet: nergens en traag,
dus doe mij maar onzekerheid
als principe, voor alle zekerheid
geserveerd met een glas wijn

In de reeks ‘Aspirant’ doet de dichter zich tegoed aan de liefde die er ook bij Wambacq geregeld ‘lenig’ en ‘ademloos’ bijloopt en -ligt. Van de geliefde leest hij haar brille en haar braille (Litteken), wil bij haar gewoon bloot zijn en beginnen (Iets wohltemperierts), luistert zich ademloos, kust haar de wereld in en hoopt vooral ‘dat ik dan een laatste stuk/mag spelen/ iets in d-klein/en spelenderwijs verdwijn’ (Iets in d-klein).

In de afsluitende cycli ‘Het uitkijkschavotje’ en ‘Gemurmel’ wandelt de dichter het landschap in en kijkt naar de stad en de wereld die in rep en roer staat. In ‘Portret van de dichter als ouder wordende man’ stelt hij een beetje abrupt zijn eigen ‘vermist zijn’ vast, verdwenen via een gat in de taal.

In het allerlaatste gedicht uit de bundel ‘Flaptekst’ vat hij het allemaal nog ’s knap en kundig, én verblijdend voor ons samen:


Flaptekst

Gedichten als kortverhalen.
Weg met het geheimschrift!
Leve het geheim!

Leve de al dan niet
op rijm gestelde
bijsluiter.


Johan Wambacq heeft slechts deze zes verzen nodig om zijn poëtisch kunnen voor ons neer te zetten.

Voor het soort gedichten in ‘Waar is mijn hoed’ is het recensentenpredikaat lichtvoetig uitgevonden. Maar laten we ons niet vergissen. Waar is mijn hoed? Is veel meer dan een verzameling vlot-leesbare en toegankelijke gedichten. De toon van Wambacq is persoonlijk en af en toe eigengereid filosofisch van aard. In al hun helderheid en directe zeggingskracht herbergen de gedichten een flukse geut ironie en wijsheid die je niet altijd in die mooie mate aantreft in dichtbundels. Dit is intelligente, kwikzilveren poëzie van en met filosfische inslag die heel regelmatig aan een gedicht een dosis onweerstaanbaarheid verschaft.

Light verse is en blijft een verraderlijke vorm voor het bedrijven van poëzie. Voor je het weet wordt je weggezet als ‘plezierdichter’, alsof daar tussen haakjes iets aan zou mankeren… Het zal Johan Wambacq alvast een zorg zijn.

Waar is mijn hoed?’ is gewoon een uitstekende bundel. Ik hoop dat Johan Wambacq nog lang op poëtische wijze mag blijven zoeken naar zijn hoed. En Fluxenberg wens ik het lange leven. Dat heeft dit bijzondere uitgavenprojekt alleen al verdiend met de uitgave van deze mooie, persoonlijke en heel mooi vormgegeven dichtbundel.
 

Recensie: Paul Rigolle


Johan Wambacq, Waar is mijn hoed? Fluxenberg, Wolvertem, 2020, 84 blz., € 18,00. ISBN 9789464070101
 
Extern:
Johan Wambacq verzamelt werk. Thuissite.
Thuissite Uitgeverij Fluxenberg
Publicaties Fluxenberg

Fluxenberg: Avontuurlijke uitgeverij uit Brussel  

Bij Fluxenberg is er ondertussen ook al nieuw werk verschenen van Dirk Elst, Bruno Neuville en van Jan Ducheyne en Simon Van Buyten.

Noot vanwege Johan Wambacq over ‘Coupletten’ zijn maandelijkse nieuwsbrief: Elke maand een gedicht en enkele pentimenti in uw mailbox? Jawel, dat kan! Stuur een mailtje naar info@johanwambacq.be (met de melding 'coupletten') en het wonder zal zich aan u voltrekken, geheel gratis en met alle respect voor uw privacy. 

Leve de poëzie! 

 


zondag 18 juli 2021

Poëziewedstrijd van de Stad Harelbeke-Editie 2022

De jaarlijkse poëzieprijs van de Stad Harelbeke is in 2022 aan haar 43° (!) editie toe. Stuur uiterlijk op zondag 7 november 2021 een tot drie gedichten in! Het onderwerp is helemaal vrij. Jury: Philip Hoorne, Sylvie Marie en Maarten Inghels (die Herman Leenders vervangt). Prijsuitreiking tijdens de Dag van het Woord op zaterdag 5 februari 2022 om 10:00 uur in Harelbeke.

Alle info en het volledige reglement:
https://www.cchetspoor.be/poeziewedstrijd

Ook van ons en vanuit onze Digtherlijke residenties: Véél succes!




 

 

 

 

 

 

 

(P.R.)



woensdag 14 juli 2021

Emil(i)e - Miel Vanstreels

Ik fiets naar het graf
van mijn grootvader

om de geboorte
van mijn kleindochter
te melden,

ze wordt genoemd
naar mij zoals ik
naar hem,

ik fiets voorwaar
drie eeuwen
aan elkaar


©Miel Vanstreels





dinsdag 6 juli 2021

Daar is 'De Veerman' - literair e-tijdschrift

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We hadden én hebben al het veelzijdige “Roer” (een ware Vrijhaven in het land van de poëzie), en nu is er al in even vriendelijk en aansluitend vaarwater het nieuwe e-literair tijdschrift “De Veerman”. Het e-zine dat ontstaan is onder impuls van Romain John van de Maele zal drie keer per jaar en enkel in pdf-versie verschijnen. In die optiek is het intiatief een beetje vergelijkbaar met “De Vallei” van François Vemeulen, nog zo’n sterkhouder in het Vlaams literaire e-landschap, al is De Vallei inmiddels wél al aan jaargang 11 toe!!! 

Uit het eerste editoraal van 'De Veerman' (Driemaal is scheepsrecht): 

Drie maal per jaar neemt De veerman je gratis mee naar de verschillende kusten aan de rand van het verzwolgen Doggerland. Na elke overtocht ontdek je nieuwe kunst en nieuwe literaire bijdragen uit West- en Noord-Europa. Soms worden de teksten in meer dan één taal opgenomen, soms alleen in de oorspronkelijke taal. De bedoeling van het tijdschrift is kunst en literatuur uit andere taalgebieden toegankelijker te maken. Er zal teruggeblikt worden en er komen ook nieuwe talenten aan bod.” 

Het eerste nummer van ‘De Veerman’ is intussen verschenen. Het bevat onder meer bijdragen (en vertalingen van werk) van Jo Gisekin, Christina Guirlande, Marleen de Crée, Alexandra Bernhardt, Emily Brontë, Maureen Boyle, Paul Rigolle, Staf Rummens, Gustaf Munch-Petersen, Leo Gillessen, Gustav Wied en August Strindberg. 

Er is en er zal ook veel aandacht zijn voor visuele kunst en digitale collages. Die is er in het eerste nummer van Jan Vanriet, François Vermeulen en Stinne Boye. 

Wie in de toekomst de volgende nummers in de mailbox wil krijgen, stuurt onverwijld een mailtje naar romain.vandemaele@gmail.com.

Extern:
De Veerman - Thuissite
Driemaal is scheepsrecht
Roer.Land
De Vallei

#DeVeerman #RoerLand #DeVallei #RomainJohnvandeMaele

(Paul Rigolle) 


maandag 5 juli 2021

Sneakers - Hendrik Carette

Niemand keuvelt nog; iedereen chat.
Niemand loopt nog langzaam en waardig.
Iedereen draaft als een runner.
En niemand loopt nog het vuur
uit zijn sloffen
maar beweegt zich
sluipend als een gluiperd
met modieus lelijk en goedkoop schoeisel
uit China waar niemand nog iemand is.


© Hendrik Carette





zaterdag 3 juli 2021

Leerdicht over boeken - Alain Delmotte

Voor Jan Van Herreweghe

1.

Boeken, ze zijn je reisgidsen in de taal.

De geheimplaatsen voor je opvattingen en je geweten.

Al kom je met dat laatste nooit in het reine – net vanwege van die boeken.


2.
Alles waar je je van bewust bent dat het geen steek houdt. Alles waarmee je voor altijd in het ongewisse blijft.

Aan je boeken heb je dat te danken.


3.
Je hebt licht nodig om ze te kunnen lezen. Vroeg of laat worden ze voor wie ze lazen lichtgevend.

Zelfs die waarin de meest sombere verhalen zijn ondergedoken.

Ze wekken zinnelijkheid in je op. Of ze zijn zuurstof voor je melancholie.

Sommige staan garant voor je zwartste gedachten.


4.
Hoe ordentelijk ze ook gerangschikt staan, hun chaos is onoverzichtelijk. Hun opstelling is een wanhoopsdaad.


5.
Een boek kan uitsluitend in meervoudsvorm: boeken.

Met hun enkelvoud spreken ze elkaar tegen, gaan ze tekeer, vechten ze het met hun vermeende betekenissen uit.

Hun meervoud is je leven.


6.
Een boekenkast is een wijnkelder.
Je leest met volle teugen.
Een boek is elke dag jouw dosis dronkenschap.


7.
Wees op de hoede voor lezers!

Er valt niet met hen samen te leven. Het stilzwijgen dat hen omgeeft is niet uit te houden: ze provoceren ermee, dringen er scherp mee door je heen.

Hun verstomming is een aanslag op het lawaai.

Lezen is binnensmonds schreeuwen tegen.

8.
Bij het dichtslaan van het boek lijkt het alsof de woorden zijn verdwenen. Alsof ze je niets hebben gezegd, het voor zich hebben gehouden, het voor zich willen houden.

Maar ze fluisteren verder in wat de slaap je voort zal brengen. In wat je morgen uit zult spreken.


© Alain Delmotte



Alain Delmotte schreef dit leerdicht n.a.v. het professioneel afscheid van boekenman par excellence, Jan 'Bib' Van Herreweghe, gisteren in Harelbeke.

vrijdag 2 juli 2021

Jan 'Bib' Van Herreweghe: vier volle decennia gekleurd door het boek

De zegeningen van het boekenschap













Allemaal laten we sporen en spoortjes na. Gelukkig maar! Woorden, beelden, herinneringen…  Sensaties, zieleroerselen… We zijn een vat dat vol verzameld wordt.

Maar toch is het na verloop van tijd duidelijk dat de een wat meer nalaat - en zal nalaten - dan de andere. Een man die van ons bij het achteruitkijken overduidelijk tot de voorgaande vaststelling mag komen is Jan ‘Bib’ Van Herreweghe, sinds jaar en dag bibliothecaris van het boekenparadijs dat de Bib van Harelbeke onder zijn leiding geworden is. Expo’s, lezingen, boekvoorstellingen, vernissages, leesbijeenkomsten met auteurs … Talloos zijn de activiteiten die in Harelbeke op zijn initiatief het boeken-daglicht zagen. Maar ook als schrijver zal Jan niet zomaar voorbijgaan. Jan Van Herreweghe is en blijft immers de auteur van een fascinerende en nu al meer dan tien delen tellende boekencyclus “Het menselijk tekort bij een teveel aan papier”.

En kijk, zo gaat het met het voortschrijden (en voortschrijven) van de tijd. Inmiddels en plotseling zijn er alweer vier decennia aan ons en aan Jan voorbijgetrokken. Met de finissage vanavond van de laatste tentoonstelling die hij heeft opgezet “Het boek in de kunst en de kitsch” komt in de Bib ook een einde aan het professionele leven van Jan. Met een orgelpunt! Dat moet en wordt vanzelfsprekend gevierd! 

Volgens Jan, die zo’n 150 boeken per jaar verslindt, zijn er slechts drie middelen om de boekenziekte enigszins te lijf te gaan: er over lezen, er over schrijven en … een groter huis kopen of verbouwen. Wij wensen hem heel veel plezier met al zijn verdere activiteiten.

Het zal even wennen worden om Jan er niet eeuwig en altijd tegen het lijf te mogen lopen maar wees maar zeker, in de Harelbeekse Bib, staan zijn opvolgers klaar om zijn levenswerk keurig voort te zetten. Helemaal in de lijn van de gedrevenheid en de passionele boekenspirit van wat Jan Bib zo uniek maakte. En maakt! 

Het avontuur houdt nooit op!

Extern:
Finissage: 'Het boek in de kunst en de kitsch'
Website Jan Bib
Bib Harelbeke










(Paul Rigolle)




dinsdag 29 juni 2021

zondag 20 juni 2021

Nominaties voor de Poëziedebuutprijs - Editie 2021

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Poëziedebuutprijs die dit jaar al voor de vijfde keer wordt toegekend ging verleden jaar naar de mooie bundel van Iduna Paalman 'De Grom uit de hond halen'. De vier nominaties voor 2021 zijn intussen bekend en bevestigen dat er zich in Vlaanderen en Nederland elk jaar opnieuw straffe poëtische talenten aandienen. En blijven aandienen! 

Dit jaar nomineerde de jury de navolgende debuten: Anna de Bruyckere met Voor permanente bewoning (Cossee), J.V. Neylen met En niet bij machte (Atlas-Contact), Elly Stolwijk met liefde de vluchtige holte (In de Knipscheer) en Meity Völke met aan het licht (Singel uitgeverijen-De Arbeiderspers). De winnaar wordt op 21 augustus 2021 bekend gemaakt in onder meer de Standaard der Letteren en bij het Poëziecentrum.

De prijs is een fel te waarderen initiatief van het Poëziecentrum Gent en de Auteurs. Meer info over de editie 2021 (met bijhorende beeldfragmenten) op deze pagina van het Poëziecentrum.

Al zetten we hem bij de Schaal van Digther heel graag hélemaal in neutraal, toch hebben we hier voor een keer een lichte favoriet en dat is...'En niet bij machte' van  J.V. Neylen. Maar laten we wel wezen: alle vier verdienen ze de prijs! Wel opvallend dit jaar dat de jongste van de vier debutanten intussen al een eindje voorbij de dertig zijn. Nu al 'gerijpte' debutanten dus.


(P.R.)


vrijdag 18 juni 2021

Er is iemand die geen stem bezit - Eric Vandenwyngaerden

Er is iemand die geen stem bezit
Bij ‘De mensengenezer’ van Koen Peeters (2017, De Bezige Bij)


1 Westhoek

       Het wezen, er bestaat misschien zoiets
       als het wezen van de Westhoek.

Waaraan denk je als je dat leest?
Hoe ontplooit zich de geest in dit verhaal?
En wat vertelt jou de taal van oorlog en verleden?
Waar kom je het heden tegen?

In de stilte op het zwijgersveld, langs die oneindige
rijen witte graven? Je hebt de tijd niet om alle schone
boodschappen te achterhalen, om alle namen te lezen
– jong, en jonger nog.

Kijk om je heen: dit is het leven. Hier zie je vlakte
en horizon, toren en haan, zwaluwen scherend
over weilanden en geknotte wilgen, ganzen
met uitzinnige kreten, gedragen door de wind
en vrede.

In de Westhoek dwalen de zielen,
liggen ze.


2 Carabouya

       Mistslierten over de akkers
       onder de herfstmaan.


Het wezen ligt hier, in zichzelf gekeerd
en dekt de diepe wonden toe:
de botten en de hulzen van obussen.
Het schrift vol heimwee en verdriet.
De pen, de leesbril en de zilveren knopen.

De toverwoorden van de zwarte man,
ze baatten niet. Ook niet het bidden tot de
‘Lieve Heer’. Geloof werd ongeloof, werd bitter.

Hoe dicht de mist; hoe stil de akkers nog.
Wat raakte toen, is heen. De vijand ligt,
of keerde naar de Heimat weer –

alles is stuk.


3 Onzichtbaar is de wind

       Daar loopt de lange baan
       over de vlakke streek […]


Het land herleest de diepe groeven
in de klamme grond. De boeren zaaien in.
De akkers vangen op.

Van verderop klinkt er gebrul in het moeras.
Een breuk slingert zich over ons gezicht.

We staan te staren naar de nevels,
horen hoe mensenkinderen zingen –

En als het leven stopt, zien we de wereld
door een retro zonnebril: zo zwart als dit.
Zo tropisch vochtig en zo kil.


4 In stilte uitdovend

       De Yaka zijn een levendig,
       artistiek, ondeugend ras.


Wij kwamen hier over de bruine
stroom, met stoom. Zij verdwenen
het woud in, ze liepen. We riepen hen na.
Zij keerden niet weer. Ze zochten hun heil
in de brousse: waar ze veilig en vrijer waren.
Geen quota, geen bleekscheet – het leven alleen.

Zo zijn ze verdwenen, in stilte uitdovend.
Zij kenden de wegen. Wij kenden er geen.


5 Trance

       Toen de zon opkwam dampte de wereld.
       Een voorouder was teruggekeerd.


Na dagen van koorts …

Ben ik overeind gekropen en boven
de dampende aarde gaan zweven.
Naar het land gekeken – het wil mij niet meer.

Genezers gevolgd. Om gunsten gesmeekt.
Alles van hen geleerd. Ik praat met hun woorden.
En begrijp ook stilaan dit verhaal:

uit de stoffige aarde ben ik geboren
- met leden, zo wit als het lijf van de zwarte
doden, ben ik opgestegen uit hun knoken.

Laat de demonen tot mij spreken. Toon mij
de fetisjen. Spreid ze welwillend om me heen
op de grond, als de zon opkomt en de aarde
weer dampt … Als ik dans.


© Eric Vandenwyngaerden







donderdag 17 juni 2021

Eindelijk gedicht - Geert Setola

De hoogmoed van de plattelander
zijn ogen op de stad te slaan –
men is geen vriend van wie men wil
       Wel van Parijs

Stroomafwaarts van de Maas
smelt winterharde ironie
en men verdient te gaan
       Op reis!

Een vogelslag, het universum thuis
bourdon lawines rozen –
melancholie is goed gemutst
       Zij kent geen prijs


© Geert Setola




woensdag 16 juni 2021

Bij - Geert Setola

in dankbare herinnering aan H. C.

Bij al Uw sakkerse gedichten
myope vergezichten
palimpsesten, leren
vesten met in toorn
doorboorde woorden.

Bij al uw gepastoorde
meiden neukend in de koude keuken,
‘t kontekraafs gevleesde binnenrijm bezweet

kwam ik o Hugo-lief
genadig en terloops aan
mijn poëtisch naaigerief.


© Geert Setola




dinsdag 15 juni 2021

Balladette - Geert Setola

à Maistre Françoys Villon & Maistre Jacques Brel

Klokkend, zachtjes schokkend is
het weten van de kip Clémence:
laatste maal van grastop, pier en keukenrest –
en na benadering de veldmuis, jong
en zonder naam voortaan.

Boven Rôtisserie Jeanne D’Arc
rust op zijn linkerzij rechtvaardig
vaardig snijder van beneden
die nu zijn messen wetten zal –
hij heet zoals zijn pa Pascal.

De vrouw die immer luistert naar
de naam Mi-Jo vindt onderwijl
de cantharellen knipt dragon en laat
haar tranen vrijelijk de loop –
altijd bij ui en bij sjalot.

Princes,
Comme tristesse et bonne fortune
nous guideront vers l’âge adulte
assurons-nous de mettre à la une
que chaque jour le corps exulte.


© Geert Setola


maandag 14 juni 2021

Atelier (de restauration) - Geert Setola

Daar troont het heerschap met bekraste jas
het zwaarberookte boerenland met staar
een vlaag van java-binnengoed-sigaar

Ernaast de sneeuwbeplakte bergen
een kwetsuur van herfstig hellingbos zo
hopeloos en uitgegleden

Een heilige met kind – vermoede lente die
verlegen al in bloesemende vegen rond
het meisjeshoofd gewemeld ligt

Alleen de blonde vrouw – gespogen kapitein
richt nog een borend oog
de mond gedicht de bovenlip een lijn
de onderste bol van genade

De avond die vervliegt en valt
in terpentijn.


© Geert Setola



zondag 13 juni 2021

Eindelijk los - Geert Setola

Met slagen weids de grond
verlaten bedding van klavieren –
waar warme voren harde vouwen
in het laken kruien.

Een zwaan ben ik en hoor
grijsgroene kleuren klimmen
zeilend op de graszee hoog
boven het zeegras. Pijn
is een gedachte achterom –
de schaduw van een kleine zuurte
tussen schouders schuivend.

Daar raken ook drie vrouwen los
pijlsnel en zonder woorden langs
en waarom zien ze mij dan niet.

Ik wuif een armbreed – alles kruit
en krult in een verwaaid
triool van trillers – einder vol
verliefde kolibris.

Nooit meer moe en enkel
nog het zeer van
zondagmiddag om van te
zingen lamentationes
jeremiae – god
wordt verderop gedacht
in loden letters en
losbladig lispelend
verschiet.


© Geert Setola


zaterdag 12 juni 2021

Het jaar vóór de Invasie - Guido Eekhaut

Precies om 08u34 verlaat ik het Blue Raddison Hotel aan de Avenue du Printemps in het verdorven hart van Parijs, waar de epidemie zo hard heeft toegeslagen. Ik heb zonet Adolphe achter me gelaten in de kamer, in onderdelen. Ik kan voor hem geen gepaster straf bedenken — terwijl het niet aan mij is om hem te straffen. Koppig zet hij echter zijn plannen verder, en dus confronteer ik hem keer op keer met zijn noodlot. De uitkomst van onze interacties is echter steeds dezelfde. 

       “Allemaal,” zegt hij, “willen ze Père Lachèse bezoeken, omdat ze er het graf van Napoleon of De Gaulle verwachten te vinden. Die toeristen zijn dwaas. Net zoals jij. Waarom aanvaard je niet dat je voorgoed aan mij gebonden bent? Dat dit een avontuur is voor ons beiden?”
       Dit is het soort van excuus waarvan hij zich keer op keer bedient. Hij schept radicale maar absurde situaties, en verwacht dat ik ze oplos. “Jij en ik,” dringt hij aan, “kunnen ons lot gewoon niet scheiden.”
       Ik los deze radicale situaties op, maar niet zoals hij het van mij verwacht. Vandaar de scène in het hotel. Toch is hij zelden verbaasd over wat ik voor hem in petto heb. De politie zal binnen enkele uren — of ten laatste morgenochtend — de hotelkamer betreden. De rechercheurs zullen zich verbazen over de broze gedroogde resten die ze er vinden. Ze zullen zelfs twijfelen of er werkelijk een misdaad plaatsvond.

Een clochard voorspelt het einde van wereld aan al wie het wil horen. We gaan ten onder, wat dan ook. Die wereld steekt hem graag een handje toe: enorme branden, sprinkhanenplagen, een epidemie, valse profeten die zich tot God uitroepen, mesjogge totalitaire leiders. De clochard — vuil en naakt onder zijn smerige mantel — wuift de handen ten hemel en roept de apocalyps aan. Het dient dit jaar nog te gebeuren, zegt hij.

       Ja, dat zal wel lukken, denk ik dan.
       Wanneer Adolphe weer opduikt, sluipt hij tot voor de gesticulerende man, maar uiteraard ziet die hem niet. “Hij heeft gelijk,” zegt Adolphe tot mij. “Grotendeels toch. Wat nog ontbreekt is een buitenaardse invasie.” En hij zegt: “Binnen het jaar is hij dood.” Ik vermoed dat hij het over de clochard heeft.

Mijn nieuwe optrekje ligt in de buurt van het Musee d’Orsay, maar nu in een driesterren hotelletje waarvan balie, bar en salon één kleine ruimte op de gelijkvloerse étage in beslag nemen. Ik laat een spoor na, over heel Parijs, maar geen rechercheur die daar wat mee kan beginnen.

       Mijn wonde heeft zich opnieuw geopend: uit mijn dij groeit wat nog het meest op een groengele tentakel lijkt. Het moment is slecht gekozen. Ik ben geneigd het fenomeen te negeren, maar ik heb ook afspraken gemaakt in verband met rapporten en zo. Elke fysieke verandering melden, dat is de opdracht. Daaraan moet ik me houden.
       Drie dagen lang verdwijnt Adolphe. Niks met mij te maken, deze keer. Maar het komt me goed uit. Ik probeer de verborgen betekenis achter schilderijen in het Musée d’Orsay te ontcijferen. Mijn ideeën schrijf ik op in een zwart boekje.

        Elke avond rapporteer ik over de stand van zaken, Orsay, de stad, Adolphe en mijn fysieke veranderingen. Die verslagen zijn nuchter en beknopt. Ik word niet verondersteld literatuur te leveren.

Britta drinkt geen koffie, althans niet in de pure vorm. Ze drinkt een cappuccino met marshmallows, en soms een andere complexe koffie. Ze heeft Adolphe nog nooit gezien en weigert voorlopig nog te geloven in zijn bestaan. Hij is er alleen maar in mijn verbeelding, zegt ze me, omdat ik al die bizarre, moeilijke boeken lees. Als ik een verhaal schrijf met een open einde, stuurt ze me een verschrikte emoji. Dat heb ik dan verdiend, vindt ze. Elk verhaal moet een gedegen einde kennen.
       Ze heeft er uiteraard geen idee van wie ik werkelijk ben.
       “Ik weet niet zeker of ik nog zo’n jaar wil meemaken,” zegt ze. Heeft ze het over de epidemie dan wel over een veel persoonlijker crisis waarvan ze me de details slechts met mondjesmaat voert (verraad, leugens, en ontgoocheling primeren daarbij). Ze loopt het risico te eindigen als personage in een boek of in een verhaal, want ze weet hoe schrijvers in dat opzicht zijn. Hoe zijn ze? Het zijn — vertel ik haar — parasieten die teren op het leven van anderen, zeker wanneer het hen persoonlijk aan verbeelding ontbreekt.
       Dat zegt natuurlijk net iets teveel over mij.
       Van op het dak van de Printemps observeert ze mensen in de boulevard onder haar. Ze heeft daarvoor een verrekijker meegebracht. Twee gevechtshelikopters passeren, onderweg naar Orly. Daar zijn opnieuw rellen uitgebroken, tussen passagiers.
       “Het zijn alleen maar banale levens,” zegt ze. “En waarom moeten we ons daarmee bezig houden?” Het is een retorische vraag. Zij heeft teveel verbeelding, al meent ze van niet. “Ik droom die verhalen,” zegt ze. “En dan als ik wakker wordt moet ik me ervan overtuigen dat de werkelijkheid heel anders is.”

       In de lift hangt een kopij van The Awakening Consciousness. William Holman Hunt, mijn favoriete Pre-Raphaëliet. Misschien is er ergens in Parijs een tentoonstelling.
       “Ik vraag me af,” zegt ze, “of alles nog wel betekenis heeft. Zovele dingen gebeuren, maar ze hebben geen doel en geen zin. Neem nu die epidemie. Waarom? Wat voor doel dient dit evenement? Het uitdunnen van de menselijke genenpoel? Zelfs dat is betekenisloos.”
       Ik zeg haar dat ik de toekomst zag, en dat niets ooit nog betekenis heeft. “Maar leven is er overal,” zeg ik haar, bij wijze van troost, “en dus is niet alles betekenisloos. Ook is er overal informatie. Zo is entropie nog niet aan de winnende hand.”
       “Niet in dit deel van de kosmos, alleszins,” bevestigt ze. “Maar we kunnen béter doen.”
       Ik stel haar een tweede cappuccino voor. Die slaat ze niet af.
       “Hoe lang blijf je nog?” vraagt ze me, na een tijdje. “Overigens: ik heb de boodschap achter dat schilderij nooit begrepen.”
       “Het schilderij in de lift,” verduidelijkt ze.
       “Verraad, denk ik,” zeg ik. “De ontdekking van de waarheid die voordien ver buiten je bereik lag. De verloren onschuld, en het schuldgevoel daaromtrent. De tuin die in de spiegel reflecteert. De Pre-Raphaëlieten waren sterk in dat soort symboliek.”
       “Geen mens bekommert zich daar nog om.”
       “Ik wel. Het is mijn opdracht de subtiele boodschappen van deze beschaving te ontcijferen.”
       “Dat lijkt me een onmogelijke taak.”
       “Het vergt veel tijd,” geef ik toe. “Het vergt veel geduld, want cultuur is een zaak van tijd en geduld.”

Adolphe keert terug, zoals hij dat altijd doet. Hij is mijn uitdaging. Zonder hem lijkt mijn leven weinig zin te hebben. Of hij deel uitmaakt van mijn opdracht, en met welk doel, is mij nooit duidelijk geworden. Britta houdt hem uit onze flat (we delen ondertussen een flat) en hij spreekt af met mij op een terras van de Place des Vosges, vlakbij het huis waar ooit Victor Hugo woonde.
       “Misschien roepen ze je binnenkort terug,” zegt hij.
       Ik merk dat zijn hals misvormd is. Er groeit daarbinnen iets wat niet tot hem behoort. Hij lijkt er geen last van de hebben. Mensen aan andere tafeltjes proberen niet te staren. Gelukkig zien ze mijn aanwas niet.
       “Je bent met Britta nu,” zegt hij. “Dat lijkt me geen gunstige ontwikkeling.”
       Het is niet alsof we daarover afspraken hebben, hij en ik. “Ze doet meer voor mij dan jullie,” verwijt ik hem. “Ze is geduldig, een uitmuntende kwaliteit.”
       Met zijn blik geeft hij toe dat ik gelijk heb. “Toch moet je je van haar losmaken,” waarschuwt hij mij. “Zo zal het immers gaan.”
       “Het loopt niet zo’n vaart. Wanneer willen ze me terug?”
       “Ik zei: misschien.”
       Het is 08u34 en ik heb later een afspraak met Britta. We dineren ergens sjiek. Dat heeft ze verdiend. Zoveel betekent ze voor mij. Adolphe zucht. “Wat doen we deze keer?”
       Omdat we ons op een openbare plek bevinden, is er weinig wat ik kan doen. Maar zelfs dat lukt me. Ik laat hem achter, na afgerekend te hebben. Ze vinden een leeg maar stijf omhulsel, waarmee ze niets kunnen beginnen. Het bevat niet eens zoiets banaal als DNA. Op de sociale media vermenigvuldigen zich de complottheorieën, maar geen daarvan benadert zelfs maar de waarheid.
       Vraagt iemand mij ergens, in de toekomst, wat de zin van dit alles is, dan ken ik ondertussen het perfecte en onvermijdelijke antwoord: observatie. Zolang er leven is, en dus observatie, bestaan wij. Wij observeren, maar daar blijft het ook bij. Ook wij hebben geen theorieën over het leven.

William Holman Hunt huurde, toen hij aan The Awakening Conscience wilde beginnen, een kamer ergens in St. John’s Wood, in een maison de convenance, waar zijn fictieve heer zijn al even fictieve maîtresse (waarvoor Hunt’s jonge vriendin Annie Miller model stond) installeerde. Je ziet op het schilderij dat ze niet zijn echtgenote is, en misschien de echtgenote van niemand, want ze draagt geen trouwring. Samen zingen ze Thomas Moore’s Oft in the Stilly Night, en zij heeft plots een spirituele ervaring.

       Ze staat op van de schoot van haar minnaar en kijkt naar de tuin (die zichtbaar is in de spiegel achter haar). Ze beseft dat ze haar onschuld aan het verliezen is, maar dat verlossing van de zonde nog altijd mogelijk blijft.
       Zoals altijd bij de Pre-Raphaëlieten, bevolken symbolen het hele schilderij. De man heeft zijn handschoen terzijde gesmeten (een waarschuwing voor de maîtresse die, eens verstoten, in de prostitutie terecht zal komen), en een verwarde streng garen op de vloer duidt op het gevaarlijke web waarin de jongedame is terecht gekomen.
       Britta schuift haar koffie met gestoomde melk, ijsblokjes en siroop opzij. “Laat me dat schilderij nog es zien,” zegt ze. Ik heb een boek met illustraties gekocht, voor haar, en voor mij, van het werk van de voornaamste Pre-Raphaëlieten. Ze bestudeert de illustratie. Ze is jaloers omdat ik ooit twee keer het origineel zag.

       Ik kijk op de klok, gewaarschuwd. Adolphe komt opnieuw langs, maar ik heb nog wat tijd. Ik hou hem nu uit de buurt van Britta. Hij is soms een babbelkous, en vertelt teveel in de aanwezigheid van mensen. Dan doen er geruchten de ronde en worden complotten ontwikkeld. We houden onze zaken liever geheim.
       Later vandaag zal ik hem opnieuw ergens achterlaten, vrees ik. Opnieuw in onderdelen. Misschien moet ik deze keer beter opruimen. De politie gaat bepaalde conclusies trekken, ook al hebben ze geen idee waar dit om gaat.
       Later, wanneer het allemaal achter de rug is, maakt het niets meer uit. Tot dan beweeg ik me op de rand van geheim en ontdekking. 


© Guido Eekhaut







woensdag 9 juni 2021

niet gemist, niet vergeten - Levi Jacobs

De verpleging is K. niet vergeten, integendeel: telkens wanneer ze zijn dichte deur passeren, staan ze even stil en concluderen: vreemd, K. ontbreekt op de lijst. Dan gaan ze naar de volgende bewoner, K. zal wel zijn uitgeschreven. ‘s Avonds mist K. het klaverjassen. Niet erg, zegt de kaartendeler, dan spelen we hartenjagen.
Gelukkig is er de dementerende mevrouw B., die is vergeten dat K. niet wordt gemist. Ze praat honderduit, over de leegte en de geur in de kamer van K. en de magere poes op zijn schoot, die zo mooi stil en opgerold is blijven liggen. 


© Levi Jacobs

Een ZKV (Zeer kort verhaal) van Levi Jacobs ter nagedachtenis van A.L. Snijders, maandagmorgen 7/6/2021 laatst overleden in zijn werkkamertje achteraan in zijn tuin.

Levi Jacobs woont in Den Haag. Hij schrijft korte verhalen die o.a. in De Gids, Deus ex Machina en literair tijdschrift Liter zijn verschenen. 

 

 


 

 

 

zaterdag 5 juni 2021

Gedichten die blijven nasmeulen

Daniël Franck over 'De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan' van Mattijs Deraedt.

          Dit is hoe het voelt om voor man door te gaan.
 

Het einde van de autoritaire mannen, die menen de waarheid in pacht te hebben, heeft zich aangediend.

Mattijs Deraedt getuigt in zijn debuutbundel van zijn ontworsteling aan die masculiene cultuur en kijkt om zich heen met vragende ogen: hoe kun je nog man zijn in deze wereld? Wanneer het te zwaar wordt om dragen, vraagt hij “Kan er iemand alsjeblieft de draden komen doorsnijden.”

De bundel verloopt over vier cycli. We beginnen met de jeugd en de wordingstijd, maken de intrede van de liefde mee en bereiken uiteindelijk het leven van de volwassene, wat meteen ook melancholie met zich meebrengt en de strijd die moet worden geleverd met het man zijn, maar vooral ook met de existentie zelf.

In een bezielde retoriek verkent hij als “een badgast aan de kustlijn van het denken” een nieuw soort humanisme.

Mattijs Deraedt draagt dus een boodschap uit, maar gelukkig heeft hij meer te bieden en heeft hij dat op zich niet nodig om poëtisch te overtuigen. Zijn poëzie is toegankelijk, bijna verraderlijk alledaags, maar hij verbindt daar wel een sterke, poëtische stem aan:

          Helder wil ik zijn, geen druppel op mijn tong
          tot ik zo nuchter word dat ik mezelf niet meer herken.


Zijn ideeën komen uit het dagelijks leven of uit directe herinneringen. Zijn poëzie bezit voldoende poëtisch vermogen om dicht bij haar lezers te staan. De gedichten zijn vrij, zonder nadrukkelijke poëticale aankleding. Ze werken door de heldere blik, gekoppeld aan een soort onbevangenheid om dat op te schrijven. En uiteindelijk komt ook altijd een vers langs waarvan je alleen maar kan zeggen dat het beklijft.  

          Mijn handschrift lijkt steeds meer op dat van mijn vader.
          In het schrijven een mediterende monnik,
          in mijn borst een blauwe rivierdelta
 

Mattijs Deraedt heeft een groot talent in het beeldend verwoorden, want de prachtige zinnen en wendingen liggen in deze bundel dik gezaaid. Regelmatig verbindt hij die directe en herkenbare beelden ook nog eens met een onderhuids gevoel van onbehagen. Ook de dood is al snel een gast die de deur niet meer kan worden gewezen, want

          Zodra we uit onze moeders vallen,
          schemert de dood door onze huid.


Of

          De dood is een inktzwarte liftkoker op onze verdieping.
          Alle lichten in de gang branden.

          Hoewel voorspelbaar zijn de dingen
          nauwelijks voor te bereiden.

Het is moeilijk uit te maken of zijn glas halfleeg dan wel halfvol is, en net die spanning voegt een belangrijke meerwaarde toe. Zie

          Ik ga liggen op het asfalt
          en mag niet vergeten
          dat alles een grap is.


          In een meer melancholische setting heet dat dan
          Er zijn geen miljoenen jaren
          van uitgestrekt niets na je laatste adem.


Zo kom je tot poëzie die tegelijk helder is en toch genoegdoening verschaft. Het zijn gedichten met een grote restwaarde, ze smeulen na. Het doet ook wel eens deugd in een vlot toegankelijke en toch oprecht poëtische wereld te vertoeven. Eén van de vele fraaie gedichten is ‘Maankus’:

          Vannacht droomde ik
          dat er een maan naar de aarde dreef.
          Op de radio sprak men van een kus
          tussen hemellichamen.

          Wij woonden aan de goede kant
          en gingen de straat op.
          Het leek wel nieuwjaar, we telden af
          en toen de nul weerklonk,
          zagen we een gloed achter de huizen.

          Geen geluid, enkel die gloed,
          van gele, torenhoge vlammen.


Zo simpel kan goede poëzie zijn. Enkele zinnetjes, goed geschikt, maar wat een beeldende en verbeeldende kracht. Dit is uiteindelijk een bundel die nooit verveelt en een steengoed debuut. De bundel werd dan ook met recht en reden genomineerd voor de Grote Poëzieprijs.

          Een man zou een dichter kunnen zijn,
          maar daar heeft de wereld al jongens voor


Gelukkig voor de lezer heeft Mattijs Deraedt zich bij de jongens geschaard.


© Daniël Franck