zondag 20 juni 2021

Nominaties voor de Poëziedebuutprijs - Editie 2021

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Poëziedebuutprijs die dit jaar al voor de vijfde keer wordt toegekend ging verleden jaar naar de mooie bundel van Iduna Paalman 'De Grom uit de hond halen'. De vier nominaties voor 2021 zijn intussen bekend en bevestigen dat er zich in Vlaanderen en Nederland elk jaar opnieuw straffe poëtische talenten aandienen. En blijven aandienen! 

Dit jaar nomineerde de jury de navolgende debuten: Anna de Bruyckere met Voor permanente bewoning (Cossee), J.V. Neylen met En niet bij machte (Atlas-Contact), Elly Stolwijk met liefde de vluchtige holte (In de Knipscheer) en Meity Völke met aan het licht (Singel uitgeverijen-De Arbeiderspers). De winnaar wordt op 21 augustus 2021 bekend gemaakt in onder meer de Standaard der Letteren en bij het Poëziecentrum.

De prijs is een fel te waarderen initiatief van het Poëziecentrum Gent en de Auteurs. Meer info over de editie 2021 (met bijhorende beeldfragmenten) op deze pagina van het Poëziecentrum.

Al zetten we hem bij de Schaal van Digther heel graag hélemaal in neutraal, toch hebben we hier voor een keer een lichte favoriet en dat is...'En niet bij machte' van  J.V. Neylen. Maar laten we wel wezen: alle vier verdienen ze de prijs! Wel opvallend dit jaar dat de jongste van de vier debutanten intussen al een eindje voorbij de dertig zijn. Nu al 'gerijpte' debutanten dus.


(P.R.)


vrijdag 18 juni 2021

Er is iemand die geen stem bezit - Eric Vandenwyngaerden

Er is iemand die geen stem bezit
Bij ‘De mensengenezer’ van Koen Peeters (2017, De Bezige Bij)


1 Westhoek

       Het wezen, er bestaat misschien zoiets
       als het wezen van de Westhoek.

Waaraan denk je als je dat leest?
Hoe ontplooit zich de geest in dit verhaal?
En wat vertelt jou de taal van oorlog en verleden?
Waar kom je het heden tegen?

In de stilte op het zwijgersveld, langs die oneindige
rijen witte graven? Je hebt de tijd niet om alle schone
boodschappen te achterhalen, om alle namen te lezen
– jong, en jonger nog.

Kijk om je heen: dit is het leven. Hier zie je vlakte
en horizon, toren en haan, zwaluwen scherend
over weilanden en geknotte wilgen, ganzen
met uitzinnige kreten, gedragen door de wind
en vrede.

In de Westhoek dwalen de zielen,
liggen ze.


2 Carabouya

       Mistslierten over de akkers
       onder de herfstmaan.


Het wezen ligt hier, in zichzelf gekeerd
en dekt de diepe wonden toe:
de botten en de hulzen van obussen.
Het schrift vol heimwee en verdriet.
De pen, de leesbril en de zilveren knopen.

De toverwoorden van de zwarte man,
ze baatten niet. Ook niet het bidden tot de
‘Lieve Heer’. Geloof werd ongeloof, werd bitter.

Hoe dicht de mist; hoe stil de akkers nog.
Wat raakte toen, is heen. De vijand ligt,
of keerde naar de Heimat weer –

alles is stuk.


3 Onzichtbaar is de wind

       Daar loopt de lange baan
       over de vlakke streek […]


Het land herleest de diepe groeven
in de klamme grond. De boeren zaaien in.
De akkers vangen op.

Van verderop klinkt er gebrul in het moeras.
Een breuk slingert zich over ons gezicht.

We staan te staren naar de nevels,
horen hoe mensenkinderen zingen –

En als het leven stopt, zien we de wereld
door een retro zonnebril: zo zwart als dit.
Zo tropisch vochtig en zo kil.


4 In stilte uitdovend

       De Yaka zijn een levendig,
       artistiek, ondeugend ras.


Wij kwamen hier over de bruine
stroom, met stoom. Zij verdwenen
het woud in, ze liepen. We riepen hen na.
Zij keerden niet weer. Ze zochten hun heil
in de brousse: waar ze veilig en vrijer waren.
Geen quota, geen bleekscheet – het leven alleen.

Zo zijn ze verdwenen, in stilte uitdovend.
Zij kenden de wegen. Wij kenden er geen.


5 Trance

       Toen de zon opkwam dampte de wereld.
       Een voorouder was teruggekeerd.


Na dagen van koorts …

Ben ik overeind gekropen en boven
de dampende aarde gaan zweven.
Naar het land gekeken – het wil mij niet meer.

Genezers gevolgd. Om gunsten gesmeekt.
Alles van hen geleerd. Ik praat met hun woorden.
En begrijp ook stilaan dit verhaal:

uit de stoffige aarde ben ik geboren
- met leden, zo wit als het lijf van de zwarte
doden, ben ik opgestegen uit hun knoken.

Laat de demonen tot mij spreken. Toon mij
de fetisjen. Spreid ze welwillend om me heen
op de grond, als de zon opkomt en de aarde
weer dampt … Als ik dans.


© Eric Vandenwyngaerden







donderdag 17 juni 2021

Eindelijk gedicht - Geert Setola

De hoogmoed van de plattelander
zijn ogen op de stad te slaan –
men is geen vriend van wie men wil
       Wel van Parijs

Stroomafwaarts van de Maas
smelt winterharde ironie
en men verdient te gaan
       Op reis!

Een vogelslag, het universum thuis
bourdon lawines rozen –
melancholie is goed gemutst
       Zij kent geen prijs


© Geert Setola




woensdag 16 juni 2021

Bij - Geert Setola

in dankbare herinnering aan H. C.

Bij al Uw sakkerse gedichten
myope vergezichten
palimpsesten, leren
vesten met in toorn
doorboorde woorden.

Bij al uw gepastoorde
meiden neukend in de koude keuken,
‘t kontekraafs gevleesde binnenrijm bezweet

kwam ik o Hugo-lief
genadig en terloops aan
mijn poëtisch naaigerief.


© Geert Setola




dinsdag 15 juni 2021

Balladette - Geert Setola

à Maistre Françoys Villon & Maistre Jacques Brel

Klokkend, zachtjes schokkend is
het weten van de kip Clémence:
laatste maal van grastop, pier en keukenrest –
en na benadering de veldmuis, jong
en zonder naam voortaan.

Boven Rôtisserie Jeanne D’Arc
rust op zijn linkerzij rechtvaardig
vaardig snijder van beneden
die nu zijn messen wetten zal –
hij heet zoals zijn pa Pascal.

De vrouw die immer luistert naar
de naam Mi-Jo vindt onderwijl
de cantharellen knipt dragon en laat
haar tranen vrijelijk de loop –
altijd bij ui en bij sjalot.

Princes,
Comme tristesse et bonne fortune
nous guideront vers l’âge adulte
assurons-nous de mettre à la une
que chaque jour le corps exulte.


© Geert Setola


maandag 14 juni 2021

Atelier (de restauration) - Geert Setola

Daar troont het heerschap met bekraste jas
het zwaarberookte boerenland met staar
een vlaag van java-binnengoed-sigaar

Ernaast de sneeuwbeplakte bergen
een kwetsuur van herfstig hellingbos zo
hopeloos en uitgegleden

Een heilige met kind – vermoede lente die
verlegen al in bloesemende vegen rond
het meisjeshoofd gewemeld ligt

Alleen de blonde vrouw – gespogen kapitein
richt nog een borend oog
de mond gedicht de bovenlip een lijn
de onderste bol van genade

De avond die vervliegt en valt
in terpentijn.


© Geert Setola



zondag 13 juni 2021

Eindelijk los - Geert Setola

Met slagen weids de grond
verlaten bedding van klavieren –
waar warme voren harde vouwen
in het laken kruien.

Een zwaan ben ik en hoor
grijsgroene kleuren klimmen
zeilend op de graszee hoog
boven het zeegras. Pijn
is een gedachte achterom –
de schaduw van een kleine zuurte
tussen schouders schuivend.

Daar raken ook drie vrouwen los
pijlsnel en zonder woorden langs
en waarom zien ze mij dan niet.

Ik wuif een armbreed – alles kruit
en krult in een verwaaid
triool van trillers – einder vol
verliefde kolibris.

Nooit meer moe en enkel
nog het zeer van
zondagmiddag om van te
zingen lamentationes
jeremiae – god
wordt verderop gedacht
in loden letters en
losbladig lispelend
verschiet.


© Geert Setola


zaterdag 12 juni 2021

Het jaar vóór de Invasie - Guido Eekhaut

Precies om 08u34 verlaat ik het Blue Raddison Hotel aan de Avenue du Printemps in het verdorven hart van Parijs, waar de epidemie zo hard heeft toegeslagen. Ik heb zonet Adolphe achter me gelaten in de kamer, in onderdelen. Ik kan voor hem geen gepaster straf bedenken — terwijl het niet aan mij is om hem te straffen. Koppig zet hij echter zijn plannen verder, en dus confronteer ik hem keer op keer met zijn noodlot. De uitkomst van onze interacties is echter steeds dezelfde. 

       “Allemaal,” zegt hij, “willen ze Père Lachèse bezoeken, omdat ze er het graf van Napoleon of De Gaulle verwachten te vinden. Die toeristen zijn dwaas. Net zoals jij. Waarom aanvaard je niet dat je voorgoed aan mij gebonden bent? Dat dit een avontuur is voor ons beiden?”
       Dit is het soort van excuus waarvan hij zich keer op keer bedient. Hij schept radicale maar absurde situaties, en verwacht dat ik ze oplos. “Jij en ik,” dringt hij aan, “kunnen ons lot gewoon niet scheiden.”
       Ik los deze radicale situaties op, maar niet zoals hij het van mij verwacht. Vandaar de scène in het hotel. Toch is hij zelden verbaasd over wat ik voor hem in petto heb. De politie zal binnen enkele uren — of ten laatste morgenochtend — de hotelkamer betreden. De rechercheurs zullen zich verbazen over de broze gedroogde resten die ze er vinden. Ze zullen zelfs twijfelen of er werkelijk een misdaad plaatsvond.

Een clochard voorspelt het einde van wereld aan al wie het wil horen. We gaan ten onder, wat dan ook. Die wereld steekt hem graag een handje toe: enorme branden, sprinkhanenplagen, een epidemie, valse profeten die zich tot God uitroepen, mesjogge totalitaire leiders. De clochard — vuil en naakt onder zijn smerige mantel — wuift de handen ten hemel en roept de apocalyps aan. Het dient dit jaar nog te gebeuren, zegt hij.

       Ja, dat zal wel lukken, denk ik dan.
       Wanneer Adolphe weer opduikt, sluipt hij tot voor de gesticulerende man, maar uiteraard ziet die hem niet. “Hij heeft gelijk,” zegt Adolphe tot mij. “Grotendeels toch. Wat nog ontbreekt is een buitenaardse invasie.” En hij zegt: “Binnen het jaar is hij dood.” Ik vermoed dat hij het over de clochard heeft.

Mijn nieuwe optrekje ligt in de buurt van het Musee d’Orsay, maar nu in een driesterren hotelletje waarvan balie, bar en salon één kleine ruimte op de gelijkvloerse étage in beslag nemen. Ik laat een spoor na, over heel Parijs, maar geen rechercheur die daar wat mee kan beginnen.

       Mijn wonde heeft zich opnieuw geopend: uit mijn dij groeit wat nog het meest op een groengele tentakel lijkt. Het moment is slecht gekozen. Ik ben geneigd het fenomeen te negeren, maar ik heb ook afspraken gemaakt in verband met rapporten en zo. Elke fysieke verandering melden, dat is de opdracht. Daaraan moet ik me houden.
       Drie dagen lang verdwijnt Adolphe. Niks met mij te maken, deze keer. Maar het komt me goed uit. Ik probeer de verborgen betekenis achter schilderijen in het Musée d’Orsay te ontcijferen. Mijn ideeën schrijf ik op in een zwart boekje.

        Elke avond rapporteer ik over de stand van zaken, Orsay, de stad, Adolphe en mijn fysieke veranderingen. Die verslagen zijn nuchter en beknopt. Ik word niet verondersteld literatuur te leveren.

Britta drinkt geen koffie, althans niet in de pure vorm. Ze drinkt een cappuccino met marshmallows, en soms een andere complexe koffie. Ze heeft Adolphe nog nooit gezien en weigert voorlopig nog te geloven in zijn bestaan. Hij is er alleen maar in mijn verbeelding, zegt ze me, omdat ik al die bizarre, moeilijke boeken lees. Als ik een verhaal schrijf met een open einde, stuurt ze me een verschrikte emoji. Dat heb ik dan verdiend, vindt ze. Elk verhaal moet een gedegen einde kennen.
       Ze heeft er uiteraard geen idee van wie ik werkelijk ben.
       “Ik weet niet zeker of ik nog zo’n jaar wil meemaken,” zegt ze. Heeft ze het over de epidemie dan wel over een veel persoonlijker crisis waarvan ze me de details slechts met mondjesmaat voert (verraad, leugens, en ontgoocheling primeren daarbij). Ze loopt het risico te eindigen als personage in een boek of in een verhaal, want ze weet hoe schrijvers in dat opzicht zijn. Hoe zijn ze? Het zijn — vertel ik haar — parasieten die teren op het leven van anderen, zeker wanneer het hen persoonlijk aan verbeelding ontbreekt.
       Dat zegt natuurlijk net iets teveel over mij.
       Van op het dak van de Printemps observeert ze mensen in de boulevard onder haar. Ze heeft daarvoor een verrekijker meegebracht. Twee gevechtshelikopters passeren, onderweg naar Orly. Daar zijn opnieuw rellen uitgebroken, tussen passagiers.
       “Het zijn alleen maar banale levens,” zegt ze. “En waarom moeten we ons daarmee bezig houden?” Het is een retorische vraag. Zij heeft teveel verbeelding, al meent ze van niet. “Ik droom die verhalen,” zegt ze. “En dan als ik wakker wordt moet ik me ervan overtuigen dat de werkelijkheid heel anders is.”

       In de lift hangt een kopij van The Awakening Consciousness. William Holman Hunt, mijn favoriete Pre-Raphaëliet. Misschien is er ergens in Parijs een tentoonstelling.
       “Ik vraag me af,” zegt ze, “of alles nog wel betekenis heeft. Zovele dingen gebeuren, maar ze hebben geen doel en geen zin. Neem nu die epidemie. Waarom? Wat voor doel dient dit evenement? Het uitdunnen van de menselijke genenpoel? Zelfs dat is betekenisloos.”
       Ik zeg haar dat ik de toekomst zag, en dat niets ooit nog betekenis heeft. “Maar leven is er overal,” zeg ik haar, bij wijze van troost, “en dus is niet alles betekenisloos. Ook is er overal informatie. Zo is entropie nog niet aan de winnende hand.”
       “Niet in dit deel van de kosmos, alleszins,” bevestigt ze. “Maar we kunnen béter doen.”
       Ik stel haar een tweede cappuccino voor. Die slaat ze niet af.
       “Hoe lang blijf je nog?” vraagt ze me, na een tijdje. “Overigens: ik heb de boodschap achter dat schilderij nooit begrepen.”
       “Het schilderij in de lift,” verduidelijkt ze.
       “Verraad, denk ik,” zeg ik. “De ontdekking van de waarheid die voordien ver buiten je bereik lag. De verloren onschuld, en het schuldgevoel daaromtrent. De tuin die in de spiegel reflecteert. De Pre-Raphaëlieten waren sterk in dat soort symboliek.”
       “Geen mens bekommert zich daar nog om.”
       “Ik wel. Het is mijn opdracht de subtiele boodschappen van deze beschaving te ontcijferen.”
       “Dat lijkt me een onmogelijke taak.”
       “Het vergt veel tijd,” geef ik toe. “Het vergt veel geduld, want cultuur is een zaak van tijd en geduld.”

Adolphe keert terug, zoals hij dat altijd doet. Hij is mijn uitdaging. Zonder hem lijkt mijn leven weinig zin te hebben. Of hij deel uitmaakt van mijn opdracht, en met welk doel, is mij nooit duidelijk geworden. Britta houdt hem uit onze flat (we delen ondertussen een flat) en hij spreekt af met mij op een terras van de Place des Vosges, vlakbij het huis waar ooit Victor Hugo woonde.
       “Misschien roepen ze je binnenkort terug,” zegt hij.
       Ik merk dat zijn hals misvormd is. Er groeit daarbinnen iets wat niet tot hem behoort. Hij lijkt er geen last van de hebben. Mensen aan andere tafeltjes proberen niet te staren. Gelukkig zien ze mijn aanwas niet.
       “Je bent met Britta nu,” zegt hij. “Dat lijkt me geen gunstige ontwikkeling.”
       Het is niet alsof we daarover afspraken hebben, hij en ik. “Ze doet meer voor mij dan jullie,” verwijt ik hem. “Ze is geduldig, een uitmuntende kwaliteit.”
       Met zijn blik geeft hij toe dat ik gelijk heb. “Toch moet je je van haar losmaken,” waarschuwt hij mij. “Zo zal het immers gaan.”
       “Het loopt niet zo’n vaart. Wanneer willen ze me terug?”
       “Ik zei: misschien.”
       Het is 08u34 en ik heb later een afspraak met Britta. We dineren ergens sjiek. Dat heeft ze verdiend. Zoveel betekent ze voor mij. Adolphe zucht. “Wat doen we deze keer?”
       Omdat we ons op een openbare plek bevinden, is er weinig wat ik kan doen. Maar zelfs dat lukt me. Ik laat hem achter, na afgerekend te hebben. Ze vinden een leeg maar stijf omhulsel, waarmee ze niets kunnen beginnen. Het bevat niet eens zoiets banaal als DNA. Op de sociale media vermenigvuldigen zich de complottheorieën, maar geen daarvan benadert zelfs maar de waarheid.
       Vraagt iemand mij ergens, in de toekomst, wat de zin van dit alles is, dan ken ik ondertussen het perfecte en onvermijdelijke antwoord: observatie. Zolang er leven is, en dus observatie, bestaan wij. Wij observeren, maar daar blijft het ook bij. Ook wij hebben geen theorieën over het leven.

William Holman Hunt huurde, toen hij aan The Awakening Conscience wilde beginnen, een kamer ergens in St. John’s Wood, in een maison de convenance, waar zijn fictieve heer zijn al even fictieve maîtresse (waarvoor Hunt’s jonge vriendin Annie Miller model stond) installeerde. Je ziet op het schilderij dat ze niet zijn echtgenote is, en misschien de echtgenote van niemand, want ze draagt geen trouwring. Samen zingen ze Thomas Moore’s Oft in the Stilly Night, en zij heeft plots een spirituele ervaring.

       Ze staat op van de schoot van haar minnaar en kijkt naar de tuin (die zichtbaar is in de spiegel achter haar). Ze beseft dat ze haar onschuld aan het verliezen is, maar dat verlossing van de zonde nog altijd mogelijk blijft.
       Zoals altijd bij de Pre-Raphaëlieten, bevolken symbolen het hele schilderij. De man heeft zijn handschoen terzijde gesmeten (een waarschuwing voor de maîtresse die, eens verstoten, in de prostitutie terecht zal komen), en een verwarde streng garen op de vloer duidt op het gevaarlijke web waarin de jongedame is terecht gekomen.
       Britta schuift haar koffie met gestoomde melk, ijsblokjes en siroop opzij. “Laat me dat schilderij nog es zien,” zegt ze. Ik heb een boek met illustraties gekocht, voor haar, en voor mij, van het werk van de voornaamste Pre-Raphaëlieten. Ze bestudeert de illustratie. Ze is jaloers omdat ik ooit twee keer het origineel zag.

       Ik kijk op de klok, gewaarschuwd. Adolphe komt opnieuw langs, maar ik heb nog wat tijd. Ik hou hem nu uit de buurt van Britta. Hij is soms een babbelkous, en vertelt teveel in de aanwezigheid van mensen. Dan doen er geruchten de ronde en worden complotten ontwikkeld. We houden onze zaken liever geheim.
       Later vandaag zal ik hem opnieuw ergens achterlaten, vrees ik. Opnieuw in onderdelen. Misschien moet ik deze keer beter opruimen. De politie gaat bepaalde conclusies trekken, ook al hebben ze geen idee waar dit om gaat.
       Later, wanneer het allemaal achter de rug is, maakt het niets meer uit. Tot dan beweeg ik me op de rand van geheim en ontdekking. 


© Guido Eekhaut







woensdag 9 juni 2021

niet gemist, niet vergeten - Levi Jacobs

De verpleging is K. niet vergeten, integendeel: telkens wanneer ze zijn dichte deur passeren, staan ze even stil en concluderen: vreemd, K. ontbreekt op de lijst. Dan gaan ze naar de volgende bewoner, K. zal wel zijn uitgeschreven. ‘s Avonds mist K. het klaverjassen. Niet erg, zegt de kaartendeler, dan spelen we hartenjagen.
Gelukkig is er de dementerende mevrouw B., die is vergeten dat K. niet wordt gemist. Ze praat honderduit, over de leegte en de geur in de kamer van K. en de magere poes op zijn schoot, die zo mooi stil en opgerold is blijven liggen. 


© Levi Jacobs

Een ZKV (Zeer kort verhaal) van Levi Jacobs ter nagedachtenis van A.L. Snijders, maandagmorgen 7/6/2021 laatst overleden in zijn werkkamertje achteraan in zijn tuin.

Levi Jacobs woont in Den Haag. Hij schrijft korte verhalen die o.a. in De Gids, Deus ex Machina en literair tijdschrift Liter zijn verschenen. 

 

 


 

 

 

zaterdag 5 juni 2021

Gedichten die blijven nasmeulen

Daniël Franck over 'De schaduw van wat zo graag in de zon was blijven staan' van Mattijs Deraedt.

          Dit is hoe het voelt om voor man door te gaan.
 

Het einde van de autoritaire mannen, die menen de waarheid in pacht te hebben, heeft zich aangediend.

Mattijs Deraedt getuigt in zijn debuutbundel van zijn ontworsteling aan die masculiene cultuur en kijkt om zich heen met vragende ogen: hoe kun je nog man zijn in deze wereld? Wanneer het te zwaar wordt om dragen, vraagt hij “Kan er iemand alsjeblieft de draden komen doorsnijden.”

De bundel verloopt over vier cycli. We beginnen met de jeugd en de wordingstijd, maken de intrede van de liefde mee en bereiken uiteindelijk het leven van de volwassene, wat meteen ook melancholie met zich meebrengt en de strijd die moet worden geleverd met het man zijn, maar vooral ook met de existentie zelf.

In een bezielde retoriek verkent hij als “een badgast aan de kustlijn van het denken” een nieuw soort humanisme.

Mattijs Deraedt draagt dus een boodschap uit, maar gelukkig heeft hij meer te bieden en heeft hij dat op zich niet nodig om poëtisch te overtuigen. Zijn poëzie is toegankelijk, bijna verraderlijk alledaags, maar hij verbindt daar wel een sterke, poëtische stem aan:

          Helder wil ik zijn, geen druppel op mijn tong
          tot ik zo nuchter word dat ik mezelf niet meer herken.


Zijn ideeën komen uit het dagelijks leven of uit directe herinneringen. Zijn poëzie bezit voldoende poëtisch vermogen om dicht bij haar lezers te staan. De gedichten zijn vrij, zonder nadrukkelijke poëticale aankleding. Ze werken door de heldere blik, gekoppeld aan een soort onbevangenheid om dat op te schrijven. En uiteindelijk komt ook altijd een vers langs waarvan je alleen maar kan zeggen dat het beklijft.  

          Mijn handschrift lijkt steeds meer op dat van mijn vader.
          In het schrijven een mediterende monnik,
          in mijn borst een blauwe rivierdelta
 

Mattijs Deraedt heeft een groot talent in het beeldend verwoorden, want de prachtige zinnen en wendingen liggen in deze bundel dik gezaaid. Regelmatig verbindt hij die directe en herkenbare beelden ook nog eens met een onderhuids gevoel van onbehagen. Ook de dood is al snel een gast die de deur niet meer kan worden gewezen, want

          Zodra we uit onze moeders vallen,
          schemert de dood door onze huid.


Of

          De dood is een inktzwarte liftkoker op onze verdieping.
          Alle lichten in de gang branden.

          Hoewel voorspelbaar zijn de dingen
          nauwelijks voor te bereiden.

Het is moeilijk uit te maken of zijn glas halfleeg dan wel halfvol is, en net die spanning voegt een belangrijke meerwaarde toe. Zie

          Ik ga liggen op het asfalt
          en mag niet vergeten
          dat alles een grap is.


          In een meer melancholische setting heet dat dan
          Er zijn geen miljoenen jaren
          van uitgestrekt niets na je laatste adem.


Zo kom je tot poëzie die tegelijk helder is en toch genoegdoening verschaft. Het zijn gedichten met een grote restwaarde, ze smeulen na. Het doet ook wel eens deugd in een vlot toegankelijke en toch oprecht poëtische wereld te vertoeven. Eén van de vele fraaie gedichten is ‘Maankus’:

          Vannacht droomde ik
          dat er een maan naar de aarde dreef.
          Op de radio sprak men van een kus
          tussen hemellichamen.

          Wij woonden aan de goede kant
          en gingen de straat op.
          Het leek wel nieuwjaar, we telden af
          en toen de nul weerklonk,
          zagen we een gloed achter de huizen.

          Geen geluid, enkel die gloed,
          van gele, torenhoge vlammen.


Zo simpel kan goede poëzie zijn. Enkele zinnetjes, goed geschikt, maar wat een beeldende en verbeeldende kracht. Dit is uiteindelijk een bundel die nooit verveelt en een steengoed debuut. De bundel werd dan ook met recht en reden genomineerd voor de Grote Poëzieprijs.

          Een man zou een dichter kunnen zijn,
          maar daar heeft de wereld al jongens voor


Gelukkig voor de lezer heeft Mattijs Deraedt zich bij de jongens geschaard.


© Daniël Franck


zaterdag 29 mei 2021

De rododendron - Miel Vanstreels

De rododendron
die hij plantte
in mijn tuin:

lang na zijn dood
groeit hij nog
gestaag

en ieder jaar
in mei

bloeit hij
zo uitbundig

dat het weer gaat
leven: mijn vader
en zijn pijn


© Miel Vanstreels


woensdag 19 mei 2021

Alles is kamers - Hans Hanssens

(voor K.G.)

Ik ken een plaats waar een man piano speelt
Een plek waar de zinnen verkorten
De wereld niet tot letters vervaagt
Om een historie nadien nooit meer te vertellen

De vingers spelen over de toetsen
Zo ook over de oude letters
Bij voorkeur vloeiend als wat water
Zo met de regen op de pannen van het dak

Meer zie ik niet voor mij
Zoals ik alles in kamers zie
Een lied, een dag
Zon door de ramen – buiten pratende wolken

En dan is het gedaan
Zo is het gegaan

Naast de piano een asbak
Naast de asbak de schrijfmachine
De smeulende sigaar
Het hele verhaal


© Hans Hanssens






dinsdag 18 mei 2021

Polaroid - Hans Hanssens

als in een droom is elke reis een splinter vrijheid
een roman zonder interpunctie waarin een kat lang na middernacht een verlaten straat oversteekt
een insect vangt bij volle maan de slag van zee nabij
waarbij een stad alleen vuurtoren en baken voor een handvol uitgestrooide sterren is

zaailingen in een nachthemel waarin
mijn vriendin slaapt

ik neem een foto
ik schrijf haar een brief

over

de kat
de straat
het insect

de zee
de stad
de maan

over de sterren heen


© Hans Hanssens






maandag 17 mei 2021

Woestijnzucht van Geert Jan Beeckman - De voorstelling

Uitnodiging! Geert Jan Beeckman nodigt uit!



 









 

Op zaterdag 19 juni 2021 wordt om 19:00 u de bundel 'Woestijnzucht' van Geert Jan Beeckman voorgesteld. Aanpassingen aan het gebeuren zijn wegens de corona-beperkingen nog altijd mogelijk.  Wie aanwezig wil zijn kan best reserveren op Geertbeeckman@telenet.be of GSM 0497/29 21 49. De plaatsen zullen wellicht beperkt zijn. 

Een aantal gedichten uit de bundel verschenen eerder op De Schaal van Digther en kunnen nagelezen worden via 'het Geert Jan Beeckman-label'.

(P.R)

 

 


 

 

zondag 16 mei 2021

Het ware leven van Charles Baudelaire - Alain Delmotte

Enkele weken geleden (om precies te zijn op 9/04/2021) plaatste de Schaal van Digther mijn tekst over Charles Baudelaire naar aanleiding van zijn 200ste geboortedag. Daarin schreef ik dat er een boek op komst was waarin de Baudelaire-vertalingen waren opgenomen die Menno Wigman (1966-2018) aan
het prille begin van zijn dichterscarrière had gemaakt. Ondertussen is het boek verschenen. Het is voor wie van Menno Wigman houdt (en daar hoor ik bij!) zeker een niet te missen publicatie.
Want het is meer een boek van Menno Wigman en minder een boek over Baudelaire geworden. Dat merken we overigens meteen als we het openslaan. Waar we eigenlijk een foto of een portret van Baudelaire zouden verwachten, zien we een foto van Wigman samen met enkele biografische specificaties. De boodschap is duidelijk en ik heb daar niets op tegen.

Wat heeft het boek te bieden? Alle vertalingen van Wigman die in 1986 in eigen beheer verschenen (en herdrukt werden in 1989), samen met de inleiding die Menno erbij schreef. Wigman (°1966) was toen nog geen 21 jaar en als dichter nog niet gedebuteerd. Zijn eerste bundel ('s Zomers stinken alle steden') verscheen pas in 1997. (Zelf heb ik zijn werk leren kennen bij het verschijnen van ‘De wereld bij avond’, het boekje dat hoorde bij gedichtendag 2006. En ik was meteen gewonnen.)

Naast de inleiding, de vertaalde gedichten, de beknopte notities die bij de vertaalde gedichten horen en een bibliografie lezen we ook enkele vertaalde prozagedichten van Baudelaire die eerder in de bloemlezing ‘Wees altijd dronken – Franse prozagedichten uit het fin de siècle, gekozen, vertaald en ingeleid door Menno Wigman’ (1998). Een verzameling die best ook wel eens zou mogen herdrukt worden, vind ik. 

Wat de vertalingen betreft: ze zijn hoogstwaarschijnlijk bekritiseerbaar. Ik zal me niet aan een bespreking ervan wagen. Wel ervaar ik ze als authentiek. Ik meen er zelfs de stem in te herkennen van Wigmans later dichtwerk. Zoals ik het aanvoel, hebben we hier quasi te maken met proto-Wigman.

Het boek wordt afgesloten met een (liefdevolle en) verhelderende tekst van professioneel vertaalster Kiki Coumans (met wie Wigman bevriend was) die deze vertalingen situeert binnen de ontwikkeling van het werk van de dichter.
 
Naar mijn mening had het boek aangevuld mogen worden met een tekst die eerder in de essaybundel ‘Red ons van de dichters’ (2010) gepubliceerd werd, met name ‘Een buikspreker van Baudelaire’. Hier terug te vinden op dbnl. Kiki Coumans refereert weliswaar aan dat essay maar in zijn geheel had die tekst van Wigman best wel een interessante toevoeging kunnen zijn. We lezen erin hoe Wigman het vertalen van poëzie ervaart, wat hij aan Baudelaire schatplichtig is en waarom hij zijn vertalingen later nooit meer heeft willen heruitgeven (‘Ik herlees die bundel niet graag’.)

Ik had er een lange aanloop voor nodig maar waar het mij in dit artikel om te doen is, is de inleiding van Wigman. Die valt in twee delen uit. Het eerste deel schetst de biografie van Baudelaire. In het tweede lezen we hoe Wigman Baudelaire inhoudelijk benadert.

Het is bij het eerste deel dat ik enkele bedenkingen heb. De focus van deze (veel te) korte schets (en die dus noodgedwongen reductionistisch van aard is) ligt op de ‘poète maudit’-kant van Baudelaire (zijn liefdesaffaires, zijn experimenten met ‘artificiële paradijzen’, de onvermijdelijke gerechtszaak in verband met ‘Les Fleurs du mal’, zijn berooidheid, zijn fysieke neergang e.d.). Terwijl Baudelaire eigenlijk ook wel meer is dan dat. Er wordt nauwelijks iets gezegd over zijn politieke ontwikkelingen, zijn moralistisch-filosofische uitspraken en vooral zijn zuiver intellectuele kant (de krantenmedewerker, de literaire criticus, zijn verbondenheid met schilders en schilderkunst (tot in zijn scheppend werk terug te vinden), de pleitbezorger van Richard Wagner…). Ik val vooral over een aantal storende mystificaties. Verderop geef ik hiervan twee voorbeelden.

Uit de bibliografie blijkt dat Wigman zijn informatie haalde uit twee Engelstalige biografieën. Onder meer uit deze van Enid Starkie, een veelgelezen schrijfster die vooral furore maakte met haar biografieën over Rimbaud. Boeken die indertijd heel wat controverse losweekten en in academische kringen kwaad bloed zetten. Onder meer bij de kleurrijke professor René Etiemble die er met verve jarenlang over polemiseerde. Wat ik van die discussies heb onthouden: dat Starkie, niettegenstaande haar mooi verwoordende pen, een niet erg betrouwbare bron is. Ik vertrouw daarom meer op de biografie die werd geschreven door Claude Pichois-Jean Ziegler. Claude Pichois  annoteerde en stelde het verzamelde werk van Baudelaire samen voor de Pléiade-reeks in 1975. Een vijfsterren-editie die tot op vandaag herdrukt wordt en die voor velen nog steeds een referentiepunt vormt. (Op basis van deze editie koos Wigman overigens de gedichten die hij vertaalde.) Pichois is iemand die minutieus en gewetensvol te werk gaat. Hij laat niets aan het toeval over. Een geboren filoloog, die terecht zijn status als ‘autoriteit’ verdiende. Ik heb het volste vertrouwen in de Baudelaire-biografie die hij in samenwerking met Jean Ziegler in 1987 schreef en systematisch aanvulde tot in 2005.

Aan het begin van zijn inleiding schrijft Wigman het volgende: ‘Als hij tenslotte voor het gerecht verschijnt, heeft hij zijn hoofd kaalgeschoren en draagt hij een kraagloos hemd.’ Dit verhaal had ik nog nooit eerder gehoord of gelezen. Als ik bij Pichois-Ziegler ten rade ga, lees ik daar niets over. Het proces ging door op 20 augustus 1857 en het oordeel viel nog diezelfde dag. Pichois-Ziegler geven verslag van de zitting van dit proces. Ze melden niets over de vestimentaire aanwezigheid van Baudelaire. Waaruit ik concludeer dat er geen schriftelijke documenten of getuigenissen bestaan over hoe Baudelaire er die dag uitzag. Niets wijst er op dat Baudelaire er als een ter dood veroordeelde bij liep. Het lijkt me zeer speculatief. Ik geloof er niets van. Baudelaire provoceerde graag maar of hij het risico zou hebben genomen om op de beschreven manier op de rechtszitting te verschijnen, betwijfel ik: er stond te veel op het spel en Baudelaire was niet dom. Haalt Wigman het bij Starkie?

Wat Pichois-Ziegler wel citeren is een notitie uit het dagboek van de gebroeders Goncourt (die twee venijnige en wat mij betreft weinig sympathieke roddeltantes van het Franse naturalisme) waarin Baudelaire wordt beschreven zoals Wigman dat doet. Het is een notitie die is gedateerd ‘oktober 1857’. Dus enkele maanden na het geruchtmakende proces. Ik kan me niet van het gevoel ontdoen dat de Goncourts enkel rapporteren wat ze graag met hun deterministische petit-bourgeois-ideologie wilden rapporteren: dat in hun ogen Baudelaire eruit zag als een pathologische halve gare.

Andere uitspraak: ‘Hoewel de dichter al sinds lange tijd van zijn spraakvermogen was beroofd, lukt het hem toch nog vlak voor zijn dood, met zijn vuisten naar de hemel schuddend, een laatste vloek uit te stoten ‘Crénom, oh! Crénom.’ Dit verhaal was mij nu wel bekend en ik geloofde het graag. Alleen klopt het niet. Volgens Pichois-Ziegler was Baudelaire dermate lichamelijk afgetakeld dat hij op zijn laatste dag en in zijn laatste ogenblikken niet bij machte was nog een vuist naar de Schepper te maken. Nee, hij zou ‘rustig’ (sic) zijn ingeslapen, zonder een plotse blasfemische opstoot. Ik moet toegeven dat toen ik dit voor het eerst las, teleurgesteld was. Plots had die dood niets heroïsch meer. Alsof de dood iets heroïsch zou hebben.

Wat wel waar is: na zijn tuimeling bij een bezoek aan l’église Saint Loup in Namur, kon Baudelaire op een bepaald moment enkel nog maar ‘crénom’ zeggen. Daarom werd hij door de nonnen die hem moesten verzorgen in ‘l’institut Saint-Jean et Sainte-Elisabeth (Maison de Bon Secours)’ in Brussel op een weinig liefdadige manier de deur uitgewezen: ze stoorden zich aan zijn voortdurend gevloek.

Een onverwoestbare godslasteraar, een getormenteerde junkie, een perverse hoerenjager. Dit is zowat het beeld dat je van Baudelaire krijgt na het lezen van die paar bladzijden. Halve waarheden die de Mythe Baudelaire bevestigen. Het geeft in ieder geval iets aan wat we in het werk van Wigman op de achtergrond blijvend zullen aantreffen: zwarte romantiek waarvan het poète-maudit-model het archetype vertegenwoordigt. In deze tekst wordt het wel erg beklemtoond en grof uitgetekend, helemaal uit de context en het tijdskader gelicht. Het is in werkelijkheid allemaal complexer. Wigman schreef zijn inleiding in een tijd (de jaren tachtig) waarin de sombere, wanhopige en nihilistische aanvoelende romantiek van de grootstad bij vele jongeren aansloeg. De cultfilm ‘Christiane F – wir kinder vom Bahnhof Zoo’ is daarvan een beetje een symptoom van.

In het tweede deel van de inleiding herpakt Wigman zich. Wat zijn intelligentie bewijst. Hij merkt het volgende op: ‘Het lijkt inderdaad onmogelijk een strikte scheiding tussen het leven en het werk van Baudelaire aan te brengen: zoals bij iedere poète maudit zijn leven en werk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Toch zal in deze korte inleiding getracht worden het werk zonder verwijzing naar zijn leven te behandelen.’ Dit lijkt me een goed uitgangspunt voor een benadering van het werk van Baudelaire. Wigman houdt er zich correct aan. Ook in zijn notities bij de gedichten.

Maar ik veroorloof mij toch een opmerking bij volgend zinsdeel: ‘zoals bij iedere poète maudit zijn leven en werk onlosmakelijk verbonden’. Ik kan daarin een beetje meestappen maar waarom zouden leven en werk bij een poète maudit meer verbonden zijn dan bij een doordeweeks dichter wiens leven schijnbaar zonder conflicten lijkt te verlopen? Omdat het leven van een zogenaamde ‘poète maudit’ meer sensatie heeft te bieden dan de kleine, futiele maar daarom niet minder pijnlijke feitjes uit het leven van die doordeweekse dichter? Je hoeft geen honger te lijden, opium tot zich te nemen of een resem maîtresses of minnaars erop na te houden om een interessante dichter te zijn. We mogen niet vergeten dat oorspronkelijk met ‘poète maudit’ (de term werd voor het eerst gebruikt door Paul Verlaine) simpelweg miskende dichters werden aangewezen. Thans lijkt het wel alsof het ‘poète-maudit-schap’ een soort decoratie is die sommige dichters zichzelf naar believen opspelden. Het probleem is niet de miskenning van de dichter, maar veeleer de miskenning van de poëzie. Poète maudit zijn, het lijkt me geen luxe, niet iets om na te streven. Niemand kiest voor miskenning: het wordt iemand opgedrongen. (Op een masochistische persoonlijkheid na. En zulke dichters zijn er wel.) Poëzie bedrijf je tegen beter (maatschappelijk) weten in – wat de levensomstandigheden van de dichter ook moge zijn. Zijn uithoudingvermogen, zijn onkreukbaarheid in de expressiviteit maken met de nodige nuances de echte biografische waarde van een dichter uit. Om het even wat in zijn of haar leven al dan niet heeft plaatsgevonden. Hoe dan ook in elk leven (spectaculair of niet) is er iets dat achterwege en verzwegen blijft. Een biograaf kan onmogelijk in zijn geheel greep krijgen op dat leven. Hoeveel we ook van zijn correspondentie ter beschikking hebben, wie Baudelaire in de kern was zullen we nooit met absolute zekerheid te weten komen. Als ik hier even Christian Bobin mag citeren: ‘Ce que l’on sait de quelqu’un empêche de le connaître.’ – ‘Wat we over iemand weten belet ons hem te kennen’.  
 
Ik heb dus de neiging om te stellen dat het ware leven van een dichter zijn gedichten zijn. Natuurlijk - ik zal het niet ontkennen - er gaat vanuit het poète maudit gegeven van Baudelaire een enorme aantrekkingskracht uit. Vooral bij jongeren spreekt dat ‘dandyesk-rebelse’ en/of anti-maatschappelijke karakter aan. Dat was in ieder het geval zo voor de adolescent die ik ooit was. Op zich is dat niet erg: het brengt aan het lezen. Maar je kunt je niet aan dat beeld blijven hechten. Of je verstart erin. Je moet het blijven bijstellen en verbreden. In het geval van Baudelaire hebben teksten van Jean-Paul Sartre, Yves Bonnefoy, Walter Benjamin, Jean Starobinski, Jean-Michel Maulpoix, Gerard Macé (en wie nog allemaal) me over dat beeld heen geholpen. Zonder het toch helemaal opzij te kunnen schuiven. Pichois merkt op: ‘On aurait le plus grand tort de ne pas tenir compte de la légende: c’est une forme particulière mais réelle de la création baudelairienne.’ Het zou dus Baudelaire zelf zijn die voor een deel verantwoordelijk is voor de mystificaties rond zijn persoon. Het leven als creatie, als theater: het past perfect in zijn dandyisme. Er zijn hoe dan ook aspecten in de biografie van Baudelaire die blijvend fascinerend zijn. Maar dit hoeft niet te betekenen dat we daarbij onze kritisch zin uit handen moeten geven. 


© Alain Delmotte 

Bloemen van het kwaad Charles Baudelaire vertaald door Menno Wigman, Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2021

Wees altijd dronken – Franse prozagedichten uit het fin de siècle, gekozen, vertaald en ingeleid door Menno Wigman, Uitgeverij Voetnoot, Amsterdam, 1998

Red ons van de dichters, Menno Wigman, Uitgeverij Prometheus, 2010

Verzamelde gedichten, Menno Wigman – Samengesteld door Neeltje Maria Min en Rob Schouten, Uitgeverij Prometheus, Amsterdam, 2020

Charles Baudelaire – nouvelle édition, Claude Pichois & Jean Ziegler, Fayard, 2005

Gedichten van Menno Wigman op internet

Het citaat van Bobin vond ik een boek terug van Yves Namur ‘Les ennuagements du coeur’. Vertaling is van Jan H.Mysjkin.























vrijdag 14 mei 2021

1986 - Jana Arns

Wij horen zo ver buiten bereik.
Wanneer je koffer de straat inrijdt
klapt het huis als een boek open.

Je stapt ons verhaal binnen
en wij spelen dat dit mogelijk is.

We hebben zelf de souvenirs gehaald:
koffie uit de wereldwinkel om de hoek,
een familieportret in wasco botsauto's.

Jij trekt de kermis op gang:
verbeeldt postkaarten die nooit arriveren,
pakt grootse plannen uit.

Je spoelt onze stilte door,
overstemt Boudewijn De Groot


© Jana Arns


Uit de duobundel ‘In welke vrouw ik leef’ van Jana en Astrid Arns die op 30/5/2021 in Sint-Amandsberg wordt voorgesteld.

Meer info via deze Facebook-bladzijde en dit Schaal van Digther-bericht







donderdag 13 mei 2021

Beweging - Jana Arns

IV. Beweging

Ik jog niet, maar patrouilleer.
Wanneer een donker beeld de gedachtestreep overschrijdt
sla ik mezelf met de estafettestok.
Niemand om mee af te lossen.

Mijn hoofd doet aan sluikstorten.
Hier en daar drop ik een vorige geliefde.
Een route met vele knooppunten,
maar ik ontwaar geen weg vooruit.

Zolang je maar buiten bent, zegt de dokter,
binnen komt alles zoveel harder aan.
Dus loop ik op haperende voeten
naar geen horizon en terug,

een voortvluchtige met een bunker op de rug.


© Jana Arns


Uit de duobundel ‘In welke vrouw ik leef’ van Jana en Astrid Arns die op 30/5/2021 in Sint-Amandsberg wordt voorgesteld.

Meer info via deze Facebook-bladzijde en dit Schaal van Digther-bericht





woensdag 12 mei 2021

Residentie R.R. - Jana Arns

In een rolstoel die net niet onder tafel past,
vraagt hij zich af hoe hij met weekendbroek
in woensdag is gerold.

Iemand plaatst foto’s in lege ruimtes.
Iemand is zijn vrouw.
Zij draagt rouwranden onder de nagels.

Elke dag legt zij de oude heerweg in het plakboek af,
komt hem weer heel even bewonen.
Vandaag is alweer zo lang geleden, zegt hij dan

en schenkt thee uit de koffiekan.
Jaloezieën scannen een verkeerde barcode op de muur.
Het laatste memoblaadje valt niet uit een boom.


© Jana Arns


Uit de duobundel ‘In welke vrouw ik leef’ van Jana en Astrid Arns die op 30/5/2021 in Sint-Amandsberg wordt voorgesteld.

Meer info via deze Facebook-bladzijde en dit Schaal van Digther-bericht





dinsdag 11 mei 2021

Brons - Astrid Arns

Soms komt ze naar mijn kamer. Dan wil ik weggaan en toch blijven.
Wij zijn aders met hetzelfde bloed.

Draaiend om haar as, de armen uitgestrekt als een derwisj,
wuift ze me weg alsof ze een vlieg verjaagt..

Ongehavend lijkt ze wel van brons.
Geen bed ligt lekker als haar blik mij kruist en zegt:' ik ben hier niet, ik ben niet in je huis'
Ik kan niet slapen voor ik haar ontmasker.

Zij is het die mij achterliet, haar woorden hangen weerloos in de ruimte.
Ze fluistert dat de dood doorzichtig is en zoeter dan gebrande suiker,

ik weet niet wat echt is.


© Astrid Arns


Uit de duobundel ‘In welke vrouw ik leef’ van Jana en Astrid Arns die op 30/5/2021 in Sint-Amandsberg wordt voorgesteld.

Meer info via deze Facebook-bladzijde en dit Schaal van Digther-bericht





maandag 10 mei 2021

Rimpels - Astrid Arns

Ze opent de deur, de straat staat in haar ogen.
Haar rimpels oud behang onder een laag verf.

Ze stut een leeg huis. Ik sta stil,
zie hoe de wereld om ons heen beweegt.

Wanneer ze lacht trekt warmte in onze vezels.
Zij ziet kleuren die er niet zijn, een vierkant zonlicht op tegels.

Tot alles mistig wordt, weggegomd als een mislukte kindertekening.
Ik haal beschaamd de kauwgom van mijn schoenzool

en vraag mij af in welke vrouw ik leef.

en gaan naar binnen, de warmte in.

Ze doet de deur open maar er komt niemand binnen
alleen de wind
schrijven is een vorm van dans.


© Astrid Arns


Uit de duobundel ‘In welke vrouw ik leef’ van Jana en Astrid Arns die op 30/5/2021 in Sint-Amandsberg wordt voorgesteld.

Meer info via deze Facebook-bladzijde en dit Schaal van Digther-bericht

'Rimpels' werd onlangs ook gepubliceerd in de cyclus 'Les Vieux', bij en in het mooie Tijdschrift Ei ('F(r)ictie in Woord & Beeld).




zondag 9 mei 2021

Halfslaap - Astrid Arns

Je hebt de aarde met jezelf bedekt
maar in mijn halfslaap leef je nog.
Tussen de lakens leg je woorden neer.

Ik proef de leegte hiervan in mijn mond,
met elke ademhaling word je uitgevlakt.
De muren praten niet, mijn lippen te groot,

vingers te kort om aan een wond te krabben.
Herinneringen vallen als regen.

Tijd die niet keert en het verdriet
onzichtbaar als houtworm,
brand waar iemand een deken over heeft gegooid.


© Astrid Arns


Uit de duobundel ‘In welke vrouw ik leef’ van Jana en Astrid Arns die op 30/5/2021 in Sint-Amandsberg wordt voorgesteld.

Meer info via deze Facebook-bladzijde en dit Schaal van Digther-bericht





zaterdag 8 mei 2021

'In welke vrouw ik leef' van Astrid en Jana Arns

Bundelvoorstelling en voorpublicatie ‘In welke vrouw ik leef’- Astrid & Jana Arns

 

Op zondag 30 mei 2021 wordt in het Groot Begijnhof van Sint-Amandsberg “In welke vrouw ik leef” voorgesteld, een duo-bundel van 2x Arns, moeder en dochter Astrid en Jana Arns. Ze schreven samen en ook los van elkaar gedichten over hun gemeenschappelijk verleden. Beiden vanuit hun eigen standpunt en ervaring. Van deze intense samenwerking is "In welke vrouw ik leef" het indringende resultaat.
De bundel wordt uitgegeven door de vaste uitgever van Jana en Astrid, Uitgeverij P

De komende week, vanaf morgen zondag, publiceren we, gespreid over zes dagen, zes gedichten uit de bundel in voorpublicatie. Waarvoor onze Digtherlijke dank, dames!  

"De breekbaar verwoorde poëzie uit ‘In welke vrouw ik leef' handelt o.a. over de relatie tussen twee vrouwen, een moeder en een dochter. Beiden gaan het troosteloze te lijf, met bittere humor en gevatte strofen. Achter veel gedichten gaat een tragiek schuil. De doden spelen nog steeds een rol, spoken uit het verleden blijven aanwezig. Emoties en details worden niet geweerd.
Er is ‘geen horizon' en 'donkere wolken drijven hun kant op'.
De korte mails die moeder en dochter naar elkaar sturen relativeren, zorgen voor lichtheid.
Beklemmende poëzie van twee zielsverwante dichters in interactie. Met elk een eigen stijl en een groot poëtisch gehalte.
"

Meer info via deze Facebook-bladzijde








dinsdag 4 mei 2021

De dichter als zijn eigen buurman

Frank Decerf over Oase van Jos Daelman

Het menselijk ras kent een oneindige variatie aan verschillen, afwijkingen en eigen aardigheden. Zo is dat ook bij schrijvers. Je hebt bananenvliegjes, eendagsvlinders en galapagosschildpadden waarvan niemand nog de leeftijd kent. Je hebt

hoog- en laagvliegers, maar allen zijn ze even waardevol omdat ze ieder an sich een reden van bestaan hebben. Sommigen schrijven datgene wat volgens hen broodnodig is, anderen arbeiden dag en nacht en nog enkele anderen tenslotte laten uiteindelijk een imposant oeuvre achter. Bij Jos Daelman (°1937-2021) kan niemand ontkennen dat dit een dichter is die een weg heeft afgelegd die alle respect verdient. Daelman heeft vele pennen versleten. Onsterfelijkheid is voor een literair mens enkel weggelegd door toeval, door geluk of door zijn toewijding aan de kunst… Door de kracht anderen met zijn woorden te inspireren en daardoor een schoonheid achter te laten die ons als lezer alleen maar kan belonen. Maar ooit loopt de laatste korrel uit de zandloper van elke auteur…

Bij Jos Daelman is die laatste zandkorrel Oase geworden. De bundel bevat een selectie gedichten uit de periode 2015-2020. Via een gecontroleerde taal en het spaarzaam gebruik van woorden, deelt de dichter zijn visie op wat komen zal. Hij wordt de visonair. Hij zit in het keurslijf van de aftakeling die dwingt en determineert. Het is vooral de menselijke achteruitgang die in dit werk alle aandacht krijgt. En die moeilijkheid, dat parcours vol emotionele obstakels, overwint Daelman dankzij zijn afgewogen taal en de strikte controle.

Een teveel aan emoties is, net als suiker, te mijden. Daelman wordt op zijn eigenste manier de analyticus van de vertraging; de observator van de verre stilstand. Hij weet wat achter de horizon ligt en aanvaardt.

Pleidooi voor een Autochtoon

Het plein voor de kerk
was opmerkelijk groter.
Geplaveid door plechtigheden
is de herinnering weg
maar niet verdwenen.

Een wereld van verschil
is het niet, maar
de weemoed is groter
dan de ruimte om me heen.

De straat verlengt zich
in andere bewoners
die de taal spreken
van nu naar tijdloos
binnen een kring van bloed en bodem.


Nuancering en een humoristische ondertoon zorgen ervoor dat Oase bij momenten luchtig blijft. Lachen met miserie als antidotum.

(…)Er is een mannetje in komen te wonen/Hij is wie ik ben./Morst met mijn soep./Steekt een boterham in mijn neus. (…)

De dichter aanvaardt de hulpeloosheid die zich opdringt, maar hij blijft kalm en sereen. Bij hem geen nijd of protest. Geen gekwijl of zelfbeklag. Integendeel hij gaat de groeiende onvolmaaktheden omarmen. Als mens leeft hij naast zijn verzen. De dichter wordt zijn eigen buurman. De woorden hebben plannen met de dichter en dat lot bepaalt het langzaam afsluiten van zijn wereld. Elke dageraad is weer net dat ietsje anders. Jos Daelman bereidt de ultieme verhuis voor naar zijn nieuwe oase…

(…) Dit is het laatste rustbed/voor roerloos stijfte bezit neemt./Lijkbleek ziet hij vingers/op het laken danspasjes/ naar de overkant wagen. (…)

De cover van de bundel heeft een sierlijk omslagontwerp van de hand van Jos Daelman zelf. Oase bestaat uit de navolgende cycli: Oase, Bij een schilderij van Francis Bacon, Mr. Parkinson, I presume en Nazomerse gedichten. Ik mag vermoeden dat in de schuif van deze in januari overleden auteur nog ongepubliceerde gedichten liggen. Die poëzie verdient het om postuum te worden uitgegeven. Daarvoor is enkel wat durf en diep menselijk respect van een uitgever nodig. Voor nu zeg ik enkel nog: Bedankt Jos!


Oase, Jos Daelman, Uitgeverij C. de Vries-Brouwers, Antwerpen, Rotterdam,2020, ISBN 978 90 5927 050 3


© Frank Decerf

Extern:
I.M. Jos Daelman bij VVBAD
Oase biij Uitgeverij de Vries-Brouwers
PZC: Er is een mannetje komen inwonen
Jos Daelman bij Schrijversgewijs.be






 

 

Foto: Camile Schelstraete

 

 

vrijdag 30 april 2021

Mijn moeder - Dirk Rommens

Op de oude foto’s zie ik haar in grijze grauwe woorden
Opduiken als in een donkere kamer vol witte kleuren
Ze wrijft me op mijn wangen, ze biedt me eten aan
Alsof ze bedelend om liefde vraagt en me vergeeft

Zij weet het wel hoe ik in haar ogen kijk naar toen
Naar een kind met speelgoed dat opgebaard ligt
In de kelder van angsten en verdriet om krantenknipsels
Waarin de hoofdrol door niemand is beschreven


© Dirk Rommens










donderdag 29 april 2021

De doodgezwegen dingen - Dirk Rommens

Weet dat de dingen slapend zen worden
met nergens het ondenkbare zingen
met de lawaaierige dreun van voorbijrijdende auto’s
die zouden moeten slapen in enorme parkeergarages

met bumpers die gloeien van slachtoffers
en verkeersdrempels met het glooiende gras
en de diepgaande sporen van dit kind
dat op een fiets om het leven kwam

met drie regels in de krant
en die duizend andere engeltjes

samengeraapt op gedenkmomenten en vuurwerk

dit gezegd zijnde is de burgemeester heel ontstemd
dat zijn stad genoemd wordt in het jaaroverzicht
van de vrt


© Dirk Rommens










woensdag 28 april 2021

Mijn poëtica - Dirk Rommens


De taal is van mij
ik spreek, ik luister, ik ben de stem

overal sleept het woord over me heen
laat me slapen, drinken, eten en voelen

hoe de aap tot spreken kwam
door de eeuwen door de straten door de pleinen

het wonder van de stem ontwortelt de kern
en nergens is het over, nooit stopt het spreken

nergens slaapt het in de donkere stegen
geen zinvol water trekt de zin in klanken

nooit is de modder zonder mijn hoop op morgen
op het enkelvoudig denken over mezelf

tot de wegen gespreid klinken als verdriet

want het woord is om te mijden
er is geen onderkomen
er is geen klankbord van mijn zwijgen

er is het immer weten dat het in geen geval tot
mijn happy einde komt


© Dirk Rommens






maandag 26 april 2021

Stee - Dinie Sophie Fintelman

Ze heeft de boerderij teruggebracht tot
de essentie

het dak blauw
de muren wit

en ondertussen de dagen geteld
alsof zij jaren waren

lijden aan het leven
hoort erbij zei vader

je hebt zoveel te bieden
je ziel is zuiver als van een engel
Jezus je verlosser

ze heeft zich opgehangen in de schuur
ze heeft de grenzen van het erf verlegd


© Dinie Sophie Fintelman




zondag 25 april 2021

Leven - Dinie Sophie Fintelman

Nerveus van angst wantrouw ik
de uitverkoren korte verhalen in een van de
tijdschriften in de wachtkamer van de neuroloog

Het nu bestaat niet en het niets is een uitvinding
In het nu kun je niets doen
Korte samenvatting

Dan buigt de neuroloog zich over mijn leven
vat het samen tot een ultra kort verhaal

Ik heb een leven nodig om het te lezen


© Dinie Sophie Fintelman




zaterdag 24 april 2021

Aylesham UK - Dinie Sophie Fintelman

Ik was in de heuvels waar
een dorp is gebouwd

een dorp als een hoefijzer voor
mannen die van ver kwamen
met beslagen paarden
met bikkels met beitels
om Zwart Goud op te graven
met dwingende winterse koren
zingend over ondoordringbaar steen

hier hoorde ik restanten
van een vergeten taal
wat ervan overbleef
een glottisslag een sjwa

’s avonds keek ik uit
over achteloze velden
zag een spoorlijn in de verte
een verlaten kolenmijn

een uitzicht waar iets over viel te zeggen
iets wat recht deed aan het haveloze taalveld
van de mannen

iets wat bleef


© Dinie Sophie Fintelman




donderdag 22 april 2021

Vissenschild, een episch gedicht

Frank Decerf over Vissenschild van Liesbeth Lagemaat

Er gleed een episch gedicht mijn brievenbus naar binnen. Een lang episch gedicht vermomd als dichtbundel met op het voorplat een dartel beeldje uit de Oudheid.

Op de achterflap lezen we :
… Een kalligrafist vertelt het mysterieuze verhaal van het meisje Elpis, dat op een nacht wordt onteerd door Allesman/Nietsman. Haar lichaam zinkt naar de bodem van de weterig, haar geest stijgt ten hemel. In een magistrale woordenstroom doet de kalligrafist een poging Elpis tot leven te wekken…

Bij de eerste kennismaking viel het al meteen op dat deze bundel tot een serieuze trage lezing verplicht. Lagemaat schrijft in een taal die beladen is en de nodige slow reading vraagt. Pas op die manier ontdek je haar eigen nieuwe woordenschat die ze in dit gedicht tot leven brengt. De woordkeuze is rijk en soms vergezocht. Er is een gul gebruik van neologismen. De basis voor dit werk is de sproke van Fiere Margriete, een verhaal uit de 13de eeuw. Het geheel is opgebouwd uit tweeregelige verzen. Lagemaat omarmt aldus het distichon.

De kalligrafist en zijn wetten

De kalligrafist, met zijn hoofd vol schaduwbanen,
knipt in gedachten de juiste vormen uit, schikt ze en herschikt,

verkorrelt onuitgeschreven woorden: snippers sneeuw landen
in zijn schedelbokaal, blijven maar dalen, tot er een suikerdunne

laag verzwegen taal te wachten ligt – op heroverweging? Of
te slapen, of misschien gewoon te verkommeren in wegwerpstilte.

De kalligrafist trekt dan ineens trefzeker lijn voor lijn, torenhoog
ligt ergens in hersenkwabben, hartkamers, harmonie gestapeld op

ijlte en waterdruppeligheid. De pen kerft het zachte papier.
Inkt weet zich opgezogen. Dat blanke vlak lag als een lakentje

te wachten en nu: zo nat van draad, hier en daar, zo helemaal
klaar om bevolkt te worden. Zomaar ideeën, het geel past in

het wit past in de schaal van het ei, zo wat zich aandiende en
genoeg bezonken was, ter trede brengen op het papier, is hem

onwaardig, de kalligrafist. De inktpot bruist. Geklonken moet er
worden op wat schoonheid heet, elke letter een guirlande,

zo ook de gestalten van wie hij schepselt.


Lagemaat vertrekt vanuit een interessant concept en brengt in wezen een goed verhaal. Ze doorspekt haar episch-lyrisch gedicht vol droombeelden. De sterkte van de bundel is haar gecompliceerde eigen taal die zeer ritmisch en klankrijk is. De muzikaliteit van de versregels doet denken aan een muziekstuk. Naast een waterval aan beelden lezen we visioenen en vaak wisselende perspectieven omdat diverse figuren aan het woord komen. De auteur is beïnvloed door haar, wellicht, uitgebreide studie van middeleeuwse en klassieke verhalen.

Om Vissenschild ten volle te begrijpen en te appreciëren is een zeer geconcentreerde lezing van deze verzen nodig. Deze poëzie vergt een zware oefening en is bestemd voor een beperkt publiek.

Vissenschild, Liebeth Lagemaat, Uitgeverij Wereldbibliotheek, 2020, ISBN 9 789028 450486 

© Frank Decerf  

Deze recensie verscheen eerder ook op ‘De Boekhouding’, de blog van de VVL.

zaterdag 17 april 2021

Op nieuwe planken - Luc C. Martens

één hoog zit ik op nieuwe planken
in veel meer blauwe lucht
maar de wolken zijn zwaarder

ik plant narcissen en tulpen, knip
in potten de oude hortensias,
mijn passie wordt een fait d’hiver,

één hoog op nieuwe planken lees ik meer
gedichten of doodsberichten, staar ik, naar
rode daken vol onbeschaamde zwarte liefde

in koude schoorstenen. nu weet ik
waar de kauwen vrijen. zij laten
eens per jaar hun nesten vegen

één hoog ben ik nog niet uitgeveegd


Luc C. Martens







vrijdag 16 april 2021

Nieuwe kaders - Luc C. Martens

in de woonkamer altijd het heden.
achter deuren het archief van jaren,
op zolder niemand

tot de container op de oprit
ons hart versteende, het valluik openviel.

we lieten onze verhalen achter
in gebarsten voegen, in rechthoeken
op het behang

aan witte muren nieuwe kaders


Luc C. Martens







vrijdag 9 april 2021

De actualiteit van Charles Baudelaire - Alain Delmotte

Het is vandaag net tweehonderd jaar geleden dat Charles Baudelaire (9/04/1821-31/08/1867) werd geboren. Dit wordt op allerlei manieren herdacht. Al vind ik het jaar van publicatie van ‘Les fleurs du mal’ met name 1857, eigenlijk boeiender. (Ik zal dat, jammer genoeg, in 2057 niet mogen meevieren). 1857 is eveneens het jaar waarin ‘Madame Bovary’ van Flaubert verscheen. De auteurs van beide boeken kregen een gerechtszaak aan hun been: Flaubert won en Baudelaire verloor (wat deel is gaan uitmaken van de mythe en cultus rond de dichter).

Het 200° geboortejaar wordt gevierd met nieuwe publicaties, tentoonstellingen en wat nog meer. In ons taalgebied worden nieuwe en/of herwerkte vertalingen verwacht. Zelf kijk ik uit naar de vertalingen van Menno Wigman die naar verluidt weldra bij Prometheus zullen verschijnen.

Ook kranten laten van zich horen. Ik sta stil bij de ‘Standaard der letteren’. In de krant van vrijdag 3 april las ik twee artikels. Eén van Paul Claes die een algemeen beeld van Baudelaire schetst en één van Marijke Arijs die de recent verschenen keuze uit de brieven van Baudelaire bespreekt (‘Mijn hoofd is een vulkaan’, vertaald en geannoteerd door Kiki Coumans, Privédomein, Arbeiderspers – warm aanbevolen).

Wat meteen opvalt zijn de kwalitatieve verschillen tussen beide artikels. Maar dat is wellicht een misplaatste opmerking. Het artikel van Arijs is een journalistiek stuk, dat van Claes een column. Wat Claes meer bewegingsvrijheid bood dan Arijs werd gegund. Het belet niet dat het stuk van Claes de recensie van Arijs met het hem typerende dédain opzij lijkt te schuiven – al was dat waarschijnlijk niet echt de bedoeling.

In het begin van haar artikel schrijft Arijs het volgende: ‘Charles Baudelaire is in ons taalgebied nooit erg populair geweest. Het duurde tot de jaren 80 van de vorige eeuw voor er een degelijke vertaling van zijn Bloemen van het kwaad beschikbaar kwam’. Dat moet genuanceerd worden. Claes verwijst naar een vertaling van Bert Decorte uit 1946. Al kan die vertaling niet bepaald als briljant worden omschreven. Degelijk is inderdaad anders. Althans naar de vertaalnormen van nu. Decorte had zijn verdiensten.

Wat die populariteit betreft: wat houdt populariteit precies in? En hoe populair is poëzie? Dat lijkt me moeilijk te meten. Althans niet op basis van verkoopcijfers, neem ik aan. Er worden nu eenmaal meer kookboeken verkocht dan vertalingen van Baudelaire. Maar hoe zat het bij onze dichters? In zijn artikel merkt Claes op hoe belangrijk de invloed van Baudelaire op de tachtigers is geweest. Invloed van Baudelaire onderkent hij terecht bij Karel van de Woestijne ‘voor zijn poëzie vol zinnenroes, levenswalg en mystiek’. Hij signaleert het gedicht ‘Aan een onbekende vrouw’ van Van Ostaijen dat expliciet herinnert aan ‘Une passante’ van Baudelaire. Een gedicht uit 1914. Toen Van Ostaijen nog Van Ostaijen moest worden. Hij wijst er ook op dat de poëzie van Menno Wigman met elementen van Baudelaire doordesemd is. Dit lijstje zou zeker kunnen worden aangevuld. Voldoende om te concluderen dat Baudelaire dus niet zo onpopulair was als op het eerste gezicht lijkt. Althans bij de dichters.

Er is nog een niet te onderschatten factor die de late vertalingen verklaart. Claes vermeldt dat in de schoolboeken die bij de Franse lessen hoorden en waarvan zijn Jezuïetenschool gebruik maakte meerdere gedichten van Baudelaire te lezen stonden. Is dat één van de bijkomende redenen waarom vertalingen zijn uitgebleven: omdat het Frans in Vlaanderen (en zou ik mogen stellen ook in Nederland?) lange tijd de tweede taal en bij sommigen zelfs de voertaal was? Dat er daarom minder nood aan vertalingen van Baudelaire was?

Dat Claes werd aangesproken om iets over Baudelaire te schrijven, is geen verkeerde keuze. De man beschikt over grote deskundigheid wat bijvoorbeeld de Franse poëzie uit de 19de eeuw betreft. Zijn eruditie verbluft. Een man op zijn plaats, ja - al betreur ik zijn latent gebrek aan bescheidenheid. Hij weet werkelijk alles en de lezer weet uiteraard niets. Terwijl hij toch ook wel eens open deuren intrapt (zoals in het geval van T.S. Eliot) of er met de grove borstel doorgaat. In dit geval: in de manier waarop hij Baudelaire met de Franse zanger en mediafiguur Serge Gainsbourg vergelijkt. (Waarbij Brigitte Bardot de rol speelt van Madame Sabatier en Jane Birkin die van Jeanne Duval? Wie zou dan ‘l’affreuse juive’ kunnen zijn?)

De keuze lijkt me vrijblijvend. Claes had evengoed Léo Ferré kunnen uitkiezen. Die heeft meerdere gedichten van Baudelaire op muziek gezet. Sommige teksten van Ferré ademen helemaal Baudelaire uit (terwijl Rimbaud in de verte meeklinkt). Zeker tussen Charles en Serge zullen er ‘correspondances’ en enkele ‘decadanses’ te bespeuren vallen. Volgens Claes hebben Gainsbourg en Baudelaire o.m. dezelfde dandyeske manier van provoceren gemeen.

Het dandyeske gedrag van Baudelaire wordt vaak in de verf gezet en daarmee aangedikt. Voor de anekdotiek daaromtrent ben ik gevoelig maar in het besef dat het anekdotiek is. Het ‘poète maudit’ aspect van Baudelaire, daar ik kan me meteen overheen zetten als ik zijn geschriften lees. Wat in zijn tijd als ‘zedenschennis’ werd ervaren, is het vandaag niet meer. Aan de fixaties van Baudelaire op ‘prostitutie, sadisme, fetisjisme’ heb ik nog weinig als ik in 2021 zijn gedichten lees. Het is in ieder geval niet de reden waarom ik hem herlees. Het is niet zozeer de dandyeske houding die me aantrekt maar wel de implicaties ervan in zijn geschriften. Hoe hij de fundamenten ervan in zijn geschriften motiveert en uitvoert. Niet de pose van de dichter, maar hoe de poëzie van de dichter zich positioneert.

De zogenaamde provocaties van Gainsbourg hadden trouwens iets dépassé en déjà vu. Het zijn geen provocaties: het was spektakel, het was amusement. De inzet is bij Baudelaire van een totaal andere aard want van een andere tijd: onder meer waren er toen nog geen televisiecamera’s in de buurt! Dat maakt een groot verschil uit. Gainsbourg kon naar believen hees en vals zingen, zich kapot roken en zich bewusteloos zuipen terwijl de goegemeente op het scherm meekeek en daar dan de volgende dag op het werk of bij de bakker therapeutisch schande kon over spreken.

Hoe zelfdestructief beiden ook mogen zijn, puur artistiek gesproken staat Baudelaire stukken hoger op de ladder dan Gainsbourg. En dat weet niemand beter dan Claes zelf. Maar hij weet er zijn column wat pit mee te geven in een poging om, zo schat ik in, Baudelaire te actualiseren. (Wat niet hoeft uit te sluiten dat Gainsbourg een vernieuwend chansonnier is geweest.)

Het is bekend dat Claes gedichten geen geheimen gunt. Op elk gedicht past een sleutel. Het gedicht is een gesloten circuit aan betekenissen. Alles valt te verklaren, alles moet verklaard worden. Hij stroopt graag de huid van het gedicht af: dat is dan zijn trofee. In zijn artikel lezen we het volgende: (…) ‘les chats’ het meesterlijke sonnet dat zelfs het structuralistische scalpel van Roman Jacobson overleefde’. En dat terwijl Claes zelf maar al te graag van een scalpel gebruikt maakt, structuralistisch of niet.

Claes zinspeelt op een artikel van Roman Jakobson dat hij samen met Claude Levi-Strauss (respectievelijk de linguïst en antropoloog/structuralist) had geschreven. Ik geef hierbij een link naar die tekst   : https://www.persee.fr/doc/hom_0439-4216_1962_num_2_1_366446. Wie dit artikel wil lezen, wens ik veel succes. U weze verwittigd: het gedicht wordt compleet kaalgeplukt.

Dit artikel zorgde ervoor dat ‘Les chats’ het meest geanalyseerde gedicht van de anders al flink geanalyseerde Baudelaire werd. Ik moet bekennen dat het gedicht – los van de commentaren die het uitlokte – mij nooit heeft aangesproken: er zijn zoveel andere gedichten en teksten in het werk van Baudelaire die tot mijn persoonlijk lectuurpatrimonium zijn gaan behoren. Het artikel zorgde ettelijke jaren voor de nodige polemieken. Tegenstanders en voorstanders vochten het verbaal uit. Er werd zwaar en hard over gekibbeld en gekakeld in de academische kippenren. Het gerucht ging dat Jakobson en Strauss deze tekst hadden bedacht tijdens een dinertje waarbij de glazen meerdere keren werden bijgevuld. Dit artikel zou dus als een soort frats zijn bedoeld. Of dit klopt weet ik niet. Laten we het als legende beschouwen.

Belangrijker lijkt de vraag wat buitenstaanders, de modale Baudelaire-lezers aan dit gegeven hebben? Ik citeer hier een tegenstander van dergelijke al te linguïstisch-structurele analyses. Michaël Riffaterre: ‘Aucune analyse grammaticale d’un poème ne peut nous donner plus que la grammaire du poème’. Geen enkele grammaticale analyse van een gedicht kan ons niet meer opleveren dan de grammatica van het gedicht’. Vaststellen dat een cirkel rond is.

De manier waarop Claes zich van de versificatie-retoriek bewust is en die mee laat spelen in zijn doorlichtingen, is zeer inzichtelijk, zeer virtuoos en zeer indrukwekkend maar au fond heb ik er als lezer weinig aan. Niet dat het geen nut zou hebben: zoiets moet nu eenmaal gebeuren al was het maar om al te vergezochte interpretaties en extra-literaire inkapselingen te vermijden (en bij Baudelaire dreigt dit gevaar). Zo’n een analyse neem ik mee en laat die op de achtergrond woelen als ik dan het gedicht herlees. Het kan dus wel degelijk verhelderend werken. Maar het zegt niets over de innerlijke verrukking, de spankrachtige zang, de aanspreekbaarheid van een gedicht. Ik sta niet in bewondering over hoe miraculeus en inventief een versregel in elkaar kan steken. Waar het mij om te doen is: op het effect dat het vers op mij heeft, hoe het zich in mij inwerkt, deel van mijn geheugen wordt. Het gaat mij om de manier waarop het zich lichamelijk kan laten beleven.

Ik probeer altijd na een dergelijk en degelijke analyse het gedicht heelhuids en synthetisch terug te winnen. Ik hoef niet altijd alles te begrijpen of te plaatsen. Er zijn nu eenmaal gedichten die een lezer in het ongewisse laten – en wat mij betreft maakt dat nu eenmaal deel uit van het leesgenot.

Wat mij blijvend aantrekt in Baudelaire: de lyrische opstoot, de zure terugval. Zijn bipolaire kant, zoals Claes suggereert. De poëzie die in al zijn ander werk omwingerend is terug te vinden. In zijn essayistiek, zijn moralistische notities, zijn correspondentie, zijn onafgewerkt gebleven plannen. Er is altijd wel een woord, een zin, een fragment te vinden dat mij met de taal, die zinnelijke taal van hem, verbijstert om niet zeggen bedwelmt.

De coup de foudre voor Baudelaire overkwam mij op mijn zestiende toen een Franse leraar aan het conservatorium het gedicht ‘Le balcon’ voorlas. Sindsdien hou ik Baudelaire mentaal altijd bij mij. Er staan in ‘Les fleurs du mal’ gedichten die ik steeds weer ter hand neem. De spleen-gedichten bijvoorbeeld. ‘L’examen de minuit’ (heerlijk om te lezen na een rotdag – het kalmeert: Vite soufflons la lampe, afin/De nous cacher dans les ténèbres! ), het overgevoelige en ontroerende ‘La servante au grand coeur’. Van de cynische snedigheid van ‘La Charogne’ krijg ik maar niet genoeg. En vele andere meer. Maar mijn absolute voorkeur gaat natuurlijk uit naar ‘Les poëmes en prose’. Hoeveel keer herlas ik die niet. Als ik die herlees is het alsof ik alsof ik die voor het eerst lees. En dan zijn er zijn essays: die ik lees alsof het (proza)gedichten zijn. Le vin en Le hachisch uit ‘Les paradis artificiels’. Zijn opstel over Wagner (als je dat gelezen hebt, beluister je Wagner niet meer op dezelfde wijze). ‘Le peintre de la vie moderne’ (over de schilder Constantin Guys, waarin een onmisbare passus over het dandyisme staat). Het is maar een greep.

Hoe zit het nu met de actualiteit van Baudelaire? Ach, ik stel me die vraag niet eens. Lees hem en merk het zelf op. Je hebt er Gainsbourg niet voor nodig. Ezra Pound kan daarbij wel even helpen: Literature is news that stays news


© Alain Delmotte