Posts tonen met het label Romain John van de Maele. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Romain John van de Maele. Alle posts tonen

vrijdag 28 juli 2023

Over het werk van Roland Jooris - Romain John van de Maele

Dichten en denken in het werk van Roland Jooris

Romain John van de Maele

‘Afgewend
met zijn rug naar
het zijnde spaart hij
zijn stilstand in verstomming
uit’

(De contouren van het verstrijken, 10)



Gedichten van Roland Jooris (1936) lezen, is als luisteren naar de bedrieglijk eenvoudige muziek van Erik Satie (1866-1925) die van repetitieve gregoriaanse gezangen hield, of langdurig kijken naar de (soms bijna monochrome) kleurvlakken van Mark Rothko (1903-1970) die aan de kleurlaag na laag betekenis gaf. De poëzie van Roland Jooris doet me ook denken aan het gedicht ‘Spreker’ van zijn tijdgenoot Jozef Deleu (1937): ‘… hij bouwt / een ranke / brug / van taal / tegen / vergetelheid / van nabestaan’ (Ondoorgrond, 276). De poëzie van Roland Jooris is antithetisch en roept zowel afwezigheid als aanwezigheid op, ze confronteert essentie met existentie, ze maakt duidelijk dat vasthouden gepaard gaat met hulpeloos loslaten, dat woorden bouwstenen zijn van onbestaande bruggen die de spreker slechts mondjesmaat dichter bij de horizon brengen, waarachter het mysterie van zijn en niet-zijn schuilgaat. De gedichten tonen aan dat zien en zijn bijna synoniemen zijn, maar zien en bekijken zijn geen synoniemen. Zien is een onbewuste ervaring, een facet van het zijn zonder meer, terwijl bekijken verwant is aan beluisteren. In tegenstelling tot horen is beluisteren, zoals bekijken, intentioneel. Roland Jooris heeft me al vaak naar de pen doen grijpen, en zijn recentste bundels hebben mijn inzicht in taal als levensuiting opnieuw verdiept.

Hoewel ik zijn werk altijd al ten zeerste bewonderd heb, moet het me van het hart dat ik zijn poging om zijn oeuvre te reduceren tot enkele tientallen gedichten die zijn filosofische zoektocht verwoorden, vooral dan in de bundel Sculpturen, als onverantwoorde censuur ervaar. De beperkte keuze blinddoekt de lezer die het vroege werk niet kent en versterkt de indruk dat Roland Jooris altijd en uitsluitend op de ondoorgrondelijke woorden gericht was. Jooris was ooit een experimenteel dichter, en daarna een nieuw-realist. Zijn zoektocht in de vroege bundels is een fundament dat niet veronachtzaamd mag worden, de vroege gedichten hebben immers geleid tot een ononderbroken verdieping. Dat het vroege werk door de mazen van het selectienet is gevallen, werd door Carl de Strycker als volgt verklaard: een uitgave van de verzamelde gedichten ‘zou voor hem de confrontatie betekenen met te veel oud werk waar hij nu niet meer achter staat’ (Een beeldhouwer van taal, 5).

In een interview met Willem M. Roggeman vertelde de dichter zelf: ‘Ik zeg altijd: mijn schrappen is soms ook een toevoeging’ (Een beeldhouwer van taal, 5). Gelukkig heeft hij het woord soms gebruikt. De stelling gaat op voor afzonderlijke gedichten. Maar gedichten verwerpen omdat hij er niet meer achter staat, voegt niets toe aan zijn oeuvre. Het is alsof Martin Heidegger (1889-1976) al de filosofische teksten die hij voor Sein und Zeit (1927) had geschreven met één gebaar van tafel had geveegd. Sein und Zeit is ongetwijfeld het hoofdwerk in de inmiddels meer dan 100 delen tellende Gesamtausgabe die sinds 1975 bij Vittorio Klostermann (Frankfurt am Main) verschijnt. Maar dat centrale boek over het zijn en de zijnden was het resultaat van een lange ontdekkingstocht. Otto Pöggeler (1928-2014) had het over Der Denkweg Martin Heideggers (1963), in het Nederlands Martin Heidegger. De weg van zijn denken (1969), en benadrukte: ‘Begrip voor Heideggers denken kan alleen dan ontwaken wanneer de lezer van Heideggers geschriften bereid is al het gelezene telkens te begrijpen als een stap naar die denkstof waarheen Heidegger onderweg is. […] Als het volgen van een weg, als onderweg zijn, zo heeft Heidegger zijn denken steeds opgevat’ (Martin Heidegger. De weg van zijn denken, 14-15). Ik ben geneigd om de poëzie van Roland Jooris vanuit een gelijkaardige gedachte te benaderen. Maar dat impliceert dat geen enkel gedicht langs die weg over de haag mag worden gegooid.

Roland Jooris was vrij vlug niet opgezet met het etiket nieuw-realist. In een gesprek met Carlos Alleene verklaarde hij: ‘Ik voel me best als outsider. Zo kan ik me altijd individueel opstellen (Creatief bezig zijn is de dood uitstellen, 66). Maar hij maakte in zijn vroeg – en ook later – werk wel gebruik van nieuw-realistische technieken: ‘Ik probeer mijn teksten zo eenvoudig, zo direkt mogelijk te maken. Dit heeft iets te maken met mijn visuele ingesteldheid, als ik BOOM schrijf, wens ik daarin een boom te zien’ (Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen, 29). De angst om alleen als nieuw-realist te worden beschouwd, heeft wellicht de snoeidrift bevorderd. Het schrappen van gedichten in nieuwe uitgaven blijft voor mij echter onverantwoord, al erken ik volmondig dat Jooris de gedachte heeft laten varen dat het gebruik van het substantief boom niet meer impliceert dat hij daar slechts een boom wenst in te zien. Maar een nieuw-realistisch gedicht als ‘Minimal’ uit de bundel Het museum van de zomer (1974) transcendeert de eenvoudige schets:

Vogel wipt.
Tak kraakt.
Lucht betrekt.

Bijna niets
om naar te kijken
en juist dat
bekijk ik

(Gedichten 1858-78, 58).

Er is in dat uiterst gebalde gedicht geen sprake van het doodgewone – bijna onbewuste – zien, maar van bekijken, een intentionele bezigheid. In een landschap staan en het in eerste instantie ondergaan – zien en horen, en wellicht ook ruiken – eindigt in een bewuste reductie. Het landschap bestaat uit meer dan een wippende vogel, een krakende tak en een lucht die betrekt. Maar het weinige krijgt alle aandacht en wordt primaire aanwezigheid, terwijl de veelheid van de omgeving afwezigheid wordt. De ‘secundaire’ kenmerken van de omgeving worden verzwegen. De dichter ordent zijn omgeving en beslist zelf wat primaire en secundaire verschijnselen zijn. Ook in een nieuw-realistische gedicht als ‘Minimal’ komt het denken over essentie en existentie al tot uiting. Dat denken is gaandeweg belangrijker geworden in het werk van Roland Jooris. Maar het wordt nog altijd verwoord in gedichten, niet in filosofische essays. De prosodie is geenszins een afspiegeling van het filosofisch vertoog, Jooris maakt nog altijd gebruik van eenvoudige woorden zoals in het gedicht ‘Enkelvoud’, en toch is het gedicht duidelijk een gedachte geworden die moeilijker te doorgronden is dan het ‘beeld’ in het gedicht ‘Minimal’.

Enkelvoud

Tastbaar
            abstract
het autonoom gedicht
van een uiteindelijke
leemte

een hijgend
luisteren naar adem
op een blad

wit en volledig (Vertakkingen, 35)

Ook in dit gedicht wordt over de (aanwezige) afwezigheid gesproken: er is immers sprake van een ‘tastbaar’ fenomeen dat als een ‘uiteindelijke leemte’ kan worden aangeraakt. In de eerste strofe botsen de woorden als antithetische fenomenen. De verwoorde leemte heeft een autonome, talige status en kan alleen ‘op een blad’ worden aangeraakt, want het ‘hijgend / luisteren naar adem ‘ is tevergeefs – het heeft slechts enkele ogenblikken geduurd. Wat blijft, zijn de schrale woorden ‘op een blad’. Denken is inderdaad niet tastbaar, en kan slechts indirect worden benaderd: als de neerslag van de adem van een dichter of een denker die gebruik maakt van papier om het denken te fixeren. Denken kan ook visueel worden gefixeerd, in een schilderij of een beeldhouwwerk. Jooris heeft vaak naar beeldende kunstenaars verwezen, vooral naar Roger Raveel (1921-2013), Raoul de Keyser (1930-2012) en andere vertegenwoordigers van de nieuwe visie. In het vrij recente gedicht ‘Venster’ wordt alleen aandacht besteed aan schilderen en denken – de naam van de schilder wordt niet vermeld, of anders gezegd: het anekdotische aspect is naar de achtergrond verdwenen: ‘Afzijdig / betrokken / hecht hij het onvoorziene / aan de beschouwing / vast // In elke kwaststreek / vlaagt / het licht  / als van nature // Binnen het ruwe vierkant / het uitzicht op / ontlediging / tijdloos / dichtbij’ (Vertakkingen, 33).

Wie is afzijdig betrokken, de schilder of de dichter? En is het schilderij een beschouwing, is het de schilder die rekening houdt met  het onvoorziene? Of is ‘afzijdig / betrokken’ een verwijzing naar een beschouwer, meer specifiek de dichter? Men mag niet uit het oog verliezen dat Roland Jooris heel veel omgang heeft gehad met schilders en dat hij ook essays over visuele kunst heeft geschreven. De visuele wereld heeft altijd een grote aantrekkingskracht op de dichter gehad, zoals blijkt uit een gedicht zonder titel in de bundel Het museum van de zomer: ‘een roestig blad / tussen kruin / en grond / beneemt elk / vergezicht / één ogenblik / voor de lens / van dit gedicht (Gedichten 1958-78, 84). Opnieuw wordt aanwezigheid met afwezigheid geconfronteerd: een vallend blad verbergt gedurende één ogenblik een vergezicht voor de lens van het gedicht. Zijn en niet-zijn worden op een speelse, toevallige manier tegenover elkaar geplaatst. In dat gedicht gaat het niet alleen om de nauwkeurige registratie van een gemiste visuele kans – want een ogenblik later is het vergezicht (louter visueel) al niet meer hetzelfde vergezicht – het gaat om de wisselwerking tussen de ‘zijnden’ en het ‘zijn’ in Heideggeriaanse zin. De essentie van het vergezicht verandert niet, maar de manier waarop het zicht openbaart of waargenomen wordt, is afhankelijk van een existentiële pas op de plaats.  Ook in de vroegere ‘nieuw-realistische’ gedichten is de denkende dichter manifest aanwezig.

In de latere bundel Bladgrond (2016), is ook een denkende dichter aan het woord: ‘De vragen die men zich stelt / roepen geen antwoorden / op, ze hangen in de / lucht vanzelfsprekend / ze komen telkens / in je verbazing / terecht, ze / bewolken’ (Bladgrond, 58). Vragen roepen nieuwe vragen op die onverwacht het denken binnendringen en soms tot verduistering leiden (‘ze bewolken’). De verwoording is nog steeds heel toegankelijk - er wordt slechts één metafoor gebruikt (lucht) en de versregels zijn in overeenstemming met de grammatica van de spreektaal. Toch is dit realistische gedicht veel abstracter dan dat over het roestige blad dat de kijker en de beschouwer (een fotograaf?) één ogenblik voor schut zet. De woorden vragen en antwoorden zijn begrippen en fungeren alleen al daardoor op een abstracter niveau. Bladgrond wordt afgerond met het gedicht ‘Tijdens’, waarin Roland Jooris een centrale plaats heeft toegekend aan begrippen:

We koesteren het schrapen
het schuren
            het schrijven

In de war liggen de dingen
als tussen gedachten
verschoven
            op hun plaats

Het beschouwelijke
tast steeds dunner naar
vergankelijkheid

Alsof het nooit meer
voorbijgaat
            staat
een getalm voor
de deur (Bladgrond, 59).

Beweging en stilstand botsen hier met elkaar (‘voorbijgaat’ tegenover ‘staat’, ‘liggen’ tegenover ‘verschuiven’, in het gedicht in de verleden tijd en gebruikt als bijwoord), en de begrippen treden absoluut op de voorgrond: ‘gedachten’, ‘beschouwelijke’, ‘vergankelijkheid’, ‘war’, ‘getalm’. Het lijkt erop dat de dichter tegen een onzichtbare hindernis is gebotst: hij wil nog wel schrapen en schrijven, en schuren (en misschien zelfs polijsten) in het besef dat alles op zijn plaats ligt, terwijl de vergankelijkheid steeds duidelijker op de voorgrond treedt. Het lijkt erop dat die vergankelijkheid nooit meer voorbij zal gaan, of talmt ze alleen? Ouder worden roept existentiële vragen op waarop nooit een definitief antwoord kan worden gegeven. Maar de vergankelijkheid is wel essentieel om nieuw leven mogelijk te maken – bladgrond is een onvervangbare voedingsbodem, een tastbare materie van levende dood. Het zijn inzichten die slechts langzaam ontstaan en een steeds abstractere vorm aannemen. Maar in de woorden en het denken van Roland Jooris zijn ze nog altijd toegankelijk.

De dichter staat nu misschien nog weigerachtig tegenover een uitgave van al zijn gepubliceerde gedichten, maar in de toekomst – wanneer het oeuvre ooit afgerond zal zijn – zijn de verzamelde gedichten van Roland Jooris een absolute must. Wie zijn esthetische en filosofische ontdekkingstocht echt wil leren kennen, moet over al de gedichten kunnen beschikken. Hiaten – vooral doelbewust nagestreefde hiaten – vertekenen zijn (voorlopig nog toekomstige) nalatenschap. Door de hiaten wordt de ‘ranke brug van taal tegen vergetelheid’ te zeer versmald, en dat is niet nodig, want Roland Jooris is (en was) een fenomenologisch georiënteerd dichter. Dat blijkt al uit een vroeg gedicht als ‘Klee’ uit de bundel Bluebird (1958), het enige gedicht uit eerste twee bundels dat in Gedichten 1958-78 werd opgenomen. De fenomenologische invalshoek wordt nog duidelijker in het gedicht ‘Lijnen’ uit de bundel Bladstil (1977): ‘Riet zijn / is lichtjes schuin / in de leegte / blijven staan’ (Gedichten 1958-78, 104). Het is een bij uitstek existentieel gedicht dat aan de hand van een zijnde – een fenomeen – naar het zijn peilt. Het gedicht werd wel uit Structuren geweerd.

‘Lijnen’ maakt duidelijk dat het uiterst vereenvoudigde beeld van riet het resultaat is van intentioneel kijken, of zoals Herman de Coninck het in 1971 wat plastischer omschreef: ‘De dichter is een toerist geworden met een fototoestel bij zich. […] Dichten is een kwestie van découpage, het kiezen van de gezichtshoek is enorm belangrijk, en als er dan liefst geen mensen bij te pas komen, blijft het beeld zuiver. Jooris’ gezicht wordt preciezer naarmate zijn gezichtshoek verkleint’ (Literaire minimal art). En precies die verkleining van de gezichtshoek is kenmerkend voor de evolutie van Roland Jooris’ werk. Vanuit een fenomenologische invalshoek mag worden gesteld dat de noësis (de gerichtheid van het bewust zijn op een object: een boom, een bloem, een wolk…) het noëma meer en meer heeft versmald om daardoor dieper door te kunnen dringen tot de kern van het fenomeen.  Het noëma is echter niet het object zelf, maar datgene wat overblijft wanneer men het bestaan van het ding zelf buiten beschouwing laat. Wanneer een gedicht als de verbeelding (het noëma) van een object wordt beschouwd, moet rekening worden gehouden met de begrippen perceptie en verbeelding, waarover Jean-Paul Sartre het volgende heeft geschreven: ‘Dans la perception, l’élément proprement représentatif correspond à une passivité de la conscience. Dans l’image, cet élément, en ce qu’il a de premier et d’incommunicable, est le produit d’une activité consciente, est traversé de part en part d’un courant de volonté créatrice. In s’ensuit nécessairement que l’objet en image n’est jamais rien de plus que la conscience qu’on en a’ (L’imaginaire, 27). Dichten en denken zijn geen synoniemen, maar ze liggen, alleszins in het werk van Jooris in elkaars verlengde.

Het gericht kijken en verwoorden vormen samen een creatief proces en zijn een zingevende uiting van het bewustzijn, ‘waarin als correlaat [het] noëma tevoorschijn komt’ (Oosthoek encyclopie). De Conincks terloopse bemerking dat Roland Jooris’ beelden vooral zuiver zijn wanneer er geen mensen bij te pas komen, is geen gratuite stelling. Maurice Merleau-Ponty heeft er immers op gewezen dat sommige fenomenen niet in termen van een correlatie kunnen worden beschreven, en dat geldt in de eerste plaats voor het lichaam dat zowel als een object als een subject kan worden beschouwd. Merleau-Ponty ging uit van een ‘zingevende lichamelijkheid’ en hij had het steeds over het ‘lichaam-subject’ (De wijsbegeerte van Merleau-Ponty, 17, 25 e.v.) Het ‘lichaam-subject’ van de dichter Roland Jooris heeft altijd de fenomenen in zich opgenomen, en het verschil tussen de vroege poëzie en de latere gedichten van Roland Jooris is beperkt, in die zin dat de existentiële aspecten van het correlaat nu meer aandacht krijgen dan de essentiële. Maar, nogmaals, dat is geen reden om de vroege gedichten naar de vergeethoek te verbannen, vooral ook wanneer men rekening houdt met het gegeven dat een gedicht een ‘beeld’ is ‘waarin’ een dichter zijn eigen zijnservaring en de wereld verstaat, in de zin die de Duitse filosoof Wilhelm Dilthey (1833-1911) aan het begrip ‘Verstehen’ gegeven heeft. In die context is het gedicht ‘Lijnen’ een oerbeeld dat niet mag uitgewist worden. Door zich het beeld toe te eigenen, er in door te dringen en het te verstaan ‘in het beeld’, ontstaat een gesprekssituatie waarin dichten en denken samenvallen. ‘In het beeld’ vindt de door Hans-Georg Gadamer (1900 – 2002) geanalyseerde ‘horizonversmelting’ van het primaire verstaan van de dichter met het secundaire verstaan van de lezer plaats (Lexicon van literaire termen, 209-210: De leer van het interpreteren), die de  historische horizon – die van het eerste beeld – opheft: ‘Im Vollzug des Verstehens geschieht eine wirkliche Horizontverschmelzung, die mit dem Entwurf des historischen Horizontes zugleich dessen Aufhebung vollbringt’ (Wahrheit und Methode, 383).  De leeservaring is een secundaire vorm van verstaan ‘in’ het opgenomen beeld, niet door het beeld: ‘La compréhension se réalise en image mais non pas par l’image’ (L’imaginaire, 136). De secundaire vorm van verstaan wordt vaak het gemakkelijkst bereikt ‘in’ de vroegere gedichten, vooral omdat de beelden compacter zijn dan in veel van de latere gedichten. Als lezer en liefhebber van Roland Jooris’ poëzie en bescheiden vertegenwoordiger van het dialogisch denken pleit ik dan ook hartstochtelijk voor een totaalbeeld, anders gezegd: de uitgave van de verzamelde gedichten om lezers in staat te stellen gebruik te maken van de inzichten die verbonden zijn aan het begrip hermeneutische cirkel, om de dialoog in stand te houden, en om de gedichten te doen herleven, zoals Martin Heidegger dat heeft gedaan met het werk van Friedrich Hölderlin (1770-1843): ‘Hölderlins denkende Dichtung hat diesen Bereich des dichtenden Denkens mitgeprägt’ (Holzwege, 252).

 

© Romain John van de Maele


Literatuur:

. Alleene Carlos (1983) Roland Jooris. Creatief bezig zijn is de dood uitstellen, Spectator, 5 februari 1983, 62-66.

. Deflo Lionel (1972) Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen. Brugge: Orion-Desclée de Brouwer.

. De Concick Herman (1971). Literaire minimal art, De Standaard, 29 oktober 1971.

. Deleu Jozef (2019) Ondoorgrond. Gent: PoëzieCentrum.

. De Strycker Carl (2014) Een beeldhouwer van taal. Over Sculpturen van Roland Jooris. In: Sculpturen, 5-15.

. Gadamer Hans-Georg (19906) Wahrheit und Methode. Grundzüge einer philosophischen Hermeneutik. Tübingen: Mohr Siebeck Verlag.

. Heidegger Martin (1977) Holzwege. Frankfurt am Main: Vittorio Klostermann (Gesamtausgabe, Band 5).

. Jansen Corine (2022) De leer van het interpreteren, https://corinejansen.com/2022/10/08/in-terpreteren/

. Jansen Thijs (1991) Het project van de moderne hermeneutiek. In: Peter Zeeman, red. Literatuur en context. Een inleiding in de literatuurwetenschap. Nijmegen / Heerlen: SUN / OU, 202-251.

. Jooris Roland (1978) Gedichten 1958-78. Antwerpen: Uitgeverij Lotus.

. Jooris Roland (2008) De contouren van het verstrijken. Amsterdam / Antwerpen: Em. Querido’s Uitgeverij BV.

. Jooris Roland (2014) Sculpturen. Een keuze uit het werk. Gent: Poëzie Centrum (met een inleidend essay door Carl de Strycker).

. Jooris Roland (2016) Bladgrond. Amsterdam / Antwerpen: Em. Querido’s Uitgeverij BV.

. Jooris Roland (2021) Vertakkingen. Amsterdam / Antwerpen: Em. Querido’s Uitgeverij BV.

. Kwant Remigius Cornelis (19682) De wijsbegeerte van Merleau-Ponty. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum N.V. (Aula-boeken).

. Oosthoek Encylcopedie, (https://www.ensie.nl/oosthoek/noesis).

. Sartre Jean-Paul (194915) L’imaginaire. Psychologie phénoménologique de l’imagination. Paris: Libraire Gallimard.

. Pöggeler Otto (1969) Martin Heidegger. De weg van zijn denken. Utrecht/Antwerpen: Het Spectrum N.V. (Aula-boeken).

. Van der Horst Anne (2014) ‘Tussen twee oneindigheden, het gedicht’ De Celan-lezingen van Hans-Georg Gadamer en Jacques Derrida. Leiden: Universiteit Leiden. Instituut voor Wijsbegeerte (masterscriptie).

. Van Gorp Hendrik, Delabastita Dirk, Ghesquire Rita (20078) Lexicon van literaire termen. Mechelen: Wolters Plantyn.

 

 Roland Jooris bij Poëzie Centraal




 

dinsdag 6 juli 2021

Daar is 'De Veerman' - literair e-tijdschrift

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

We hadden én hebben al het veelzijdige “Roer” (een ware Vrijhaven in het land van de poëzie), en nu is er al in even vriendelijk en aansluitend vaarwater het nieuwe e-literair tijdschrift “De Veerman”. Het e-zine dat ontstaan is onder impuls van Romain John van de Maele zal drie keer per jaar en enkel in pdf-versie verschijnen. In die optiek is het intiatief een beetje vergelijkbaar met “De Vallei” van François Vemeulen, nog zo’n sterkhouder in het Vlaams literaire e-landschap, al is De Vallei inmiddels wél al aan jaargang 11 toe!!! 

Uit het eerste editoraal van 'De Veerman' (Driemaal is scheepsrecht): 

“Drie maal per jaar neemt De veerman je gratis mee naar de verschillende kusten aan de rand van het verzwolgen Doggerland. Na elke overtocht ontdek je nieuwe kunst en nieuwe literaire bijdragen uit West- en Noord-Europa. Soms worden de teksten in meer dan één taal opgenomen, soms alleen in de oorspronkelijke taal. De bedoeling van het tijdschrift is kunst en literatuur uit andere taalgebieden toegankelijker te maken. Er zal teruggeblikt worden en er komen ook nieuwe talenten aan bod.” 

Het eerste nummer van ‘De Veerman’ is intussen verschenen. Het bevat onder meer bijdragen (en vertalingen van werk) van Jo Gisekin, Christina Guirlande, Marleen de Crée, Alexandra Bernhardt, Emily Brontë, Maureen Boyle, Paul Rigolle, Staf Rummens, Gustaf Munch-Petersen, Leo Gillessen, Gustav Wied en August Strindberg. 

Er is en er zal ook veel aandacht zijn voor visuele kunst en digitale collages. Die is er in het eerste nummer van Jan Vanriet, François Vermeulen en Stinne Boye. 

Wie in de toekomst de volgende nummers in de mailbox wil krijgen, stuurt onverwijld een mailtje naar romain.vandemaele@gmail.com.

Extern:
De Veerman - Thuissite
Driemaal is scheepsrecht
Roer.Land
De Vallei

#DeVeerman #RoerLand #DeVallei #RomainJohnvandeMaele

(Paul Rigolle) 


dinsdag 22 september 2020

Orgelbouwer - Cornelius van Alsum

Orgelbouwer

Dan verwijdert de assistent de eerste pin.
Compenius pakt zelf de pijpen in.
Ossen gaan vele venijnige mijlen ver op stap:
Als vorsten zich verbonden voelen, gebeurt dat.

En terwijl knechten kisten hieven
Blijft een kamerheer de laatste toetsen gadeslaan:
Het gepeupel zou – wanneer we sliepen…
Hij raakt goedgemutst de kwasten van zijn sjerp aan.

Vanuit Wolfenbüttel trekt de groep op
Naar de koning van Denemarken, machtig en rond.
Die woont in een zelf ontworpen slot,
En schept met grote hand tol aan de Sont.

Zijn hofhouding heeft jicht en staart spoken aan.
Heel binnenkort valt iemand in Praag uit een raam.  


© Cornelius van Alsum


© Vertaling Romain John van de Maele


Orgelbauer


Dann löst der Assistent den ersten Zapfen.
Die Pfeifen hüllt Compenius selber ein.
So viele böse Meilen Ochsenstapfen:
Sind Fürsten sich gewogen, muß es sein.

Und während Knechte Kisten hieven,
Bewacht ein Kämmerling die letzten Tasten:
Der Pöbel würde – wenn wir schliefen ...
Und wohlig streicht er seine Schärpenquasten.

Von Wolfenbüttel zieht der Troß
Zum Dänenkönig, mächtig und rund.
Der wohnt im selbstentworfenen Schloß,
Schöpft reichlich aus dem Zoll am Sund.

Sein Hofstaat hat die Gicht und sieht Gespenster.
Sehr bald fällt wer in Prag aus einem Fenster.


Het gedicht werd gepubliceerd in oda – Ort der Augen 2/2017 en in Palmbaum 65 (2017)


Noot van de vertaler:

In de slotkapel van Frederiksborg (Hillerød), ten noordwesten van Kopenhagen, staat een or-gel dat in 1610 door Esaias Compenius (1560-1617) werd gebouwd voor Juli-us von Braunschweig-Lüneburg (1528-1589). Het orgel werd opgesteld in Schloss Hessen nabij Wolfenbüttel. Na de dood van de hertog heeft zijn weduwe, Elisabeth von Braunschweig (1573-1625), het orgel in 1616 aan haar broer, koning Christian IV van Denemarken (1577-1648), geschonken. De Deense koning liet het plaatsen in het slot Frederiksborg. In 1626, na de dood van de hertogin van Braunschweig-Lüneburg, namen de Denen actief deel aan de Dertigjarige Oorlog, ter ondersteuning van Christian von Braunschweig-Wolfenbüttel (1599-1626), die na de dood van zijn vader door zijn oom Christian IV werd opgevoed.

Frederiksborg is gebouwd in de jaren 1600–1620 in Vlaamse renaissancestijl. Aan de bouw en het ontwerp hebben onder anderen Hans van Steenwinckel de Oude en zijn zonen Hans II van Steenwinckel en Laurens II van Steenwinckel deelgenomen (D.F. Slothouwer, Bouwkunst der Nederlandsche renaissance in Denemarken, Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon, 1924, p. 89-119.)

Bij de vertaling van het sonnet werd zoveel mogelijk getracht het oorspronkelijke metrum te benaderen en het structureel belangrijke eindrijm te behouden, maar het was niet mogelijk het oorspronkelijke rijmschema helemaal te volgen. Er hebben klankverschuivingen plaatsgevon-den zonder dat de inhoud geweld werd aangedaan.


© Vertaling Romain John van de Maele

zondag 17 november 2019

Over ‘Epiloog’ van Jan Vanriet – Romain John van de Maele

‘Epiloog (Winter in Noord-Brabant)’ van Jan Vanriet

In het verlengde van zijn recente recensie op Meander van 'Kouwe kleren' de nieuwe verzamelbundel van Jan Vanriet staat Romain John Van de Maele in een reflectie stil bij het gedicht 'Optocht' van Jan Vanriet. Uit de bundel 'Geen hond die brood lust', daterend uit het gezegende jaar 1984.

Jan Vanriet is niet alleen een ‘literair schilder’, hij is ook een schilderende en tekenende dichter. Twee versregels uit het gedicht ‘Ars poetica’ maken duidelijk dat de dichter de taal gebruikt zoals een schilder of tekenaar borstels en potloden in de hand neemt: ‘… De schouw van een verre fabriek / schaduwt de lucht als een potlood, / een somber grafiet’ (Vanriet, 1984, 5). De dichter kent de iconische beelden uit de kunstgeschiedenis en uitdrukkingen uit de wereld der letteren, zoals blijkt uit de laatste versregel van het zelfde gedicht: ‘We blaffen, woorden trekken voorbij.’ Deze woorden herinneren aan de Franse uitdrukking van Arabische oorsprong: ‘Les chiens aboient et la caravanne passe.’ Blaffende honden die een nomadenkamp bewaken, maken geen indruk op de kamelen die hun tocht rustig voortzetten. De uitdrukking wijst niet alleen op zelfvertrouwen, ze maakt ook duidelijk dat men, zelfs als er kritiek wordt geuit, zich niet van de wijs zal laten brengen. In de context van het gedicht betekent ‘We blaffen’ dat de dichter zijn poëticale uitgangspunten zal blijven bewaken, en dat de woorden van critici hem niet zullen aanzetten tot een koerswijziging. Het gedicht staat als een vingerwijzing op de eerste bladzijde van de bundel Geen hond die brood lust.

Het tekenend schrijven blijkt ook uit het tweede deel van het korte gedicht ‘Sterven’: ‘Sterven op het voetpad / in de regen. // Een appel gevallen / uit het krat’ (8). Hier wordt een verhaal samengebald in
een schets: er ligt een appel te rotten op het voetpad. Dat schilders met appelen bijna magische dingen kunnen doen, heeft Cézanne afdoende bewezen, al schikte hij het fruit op een tafel. Jan Vanriet heeft geen kleur vermeld in zijn snapshot, zijn visueel geheugen heeft duidelijk genoeg aan het stenografisch verslag van een waarneming. De vervlechting van literatuur en beeldende kunst werd al vroeg benadrukt in het gedicht ‘Literatuur’: ‘wanneer ik met iets langere haren / de straat afren / zeggen vrienden: je lijkt net een jood / met mijn zonnebril op / begroeten ze me echter lachend / (klopje op de schouder) // dag Remco!’ (In: Deflo, 1972, 94). De dichter beschrijft een beeld dat nauwelijks wijzigingen ondergaat, maar toch op verschillende manieren gelezen wordt. De aandacht voor de visuele werkelijkheid, de waarneming en de verbeelding van die werkelijkheid in woord en teken is een van de belangrijkste kenmerken van het werk van Jan Vanriet. Dezelfde visuele gedrevenheid valt ook op in het vroege werk van de iets oudere Roland Jooris en in een aantal gedichten van een dichteres die tot de generatie van Vanriet behoort: Patricia Lasoen. Ik denk aan haar gedicht ‘Winter in het dorp’ dat als volgt begint: ‘In het veld van de laatste der boeren / staan de rabarbers stokstijf / en kraken hoorbaar onder de zon…’ (In: Deflo: 1972, 80). In het gedicht ‘Dit is echt’ verwijst ze zonder omwegen naar een schilderij: ‘Je zou zeggen / net een schilderij van Willaert: / de weg recht naar de kerk…’ (In: Vanriet, 1974, z.p.). De generatie die in de tijdschriften Kreatief, Yang en Revolver aan de weg timmerde, was bijzonder visueel georiënteerd.

De sterke verstrengeling van taal en beeld is in het werk van een aantal nieuw-realisten in de loop der jaren minder dominant geworden, maar bij Vanriet is de band onverbrekelijk. Het laatste gedicht in de bundel Geen hond die brood lust illustreert op een zeer toegankelijke manier de kruisbestuiving. Het gedicht ‘Epiloog (Winter in Noord-Brabant)’ bestaat uit vier korte strofen waarin naar kleuren en rechte lijnen wordt verwezen. Het gedicht is bovendien zo gestructureerd dat zowel de horizontale als de verticale dimensie wordt aangetoond: de lucht is een breedtefenomeen dat aan de horizon met het land samensmelt, maar dat land bevindt zich toch onder de lucht, vandaar de visuele en logische ordening: een lucht en daaronder het land. Men mag niet uit het oog verliezen dat een schilder drie dimensies moet suggereren op een doek of een blad dat slechts twee dimensies heeft: hoogte en breedte. De tweede strofe benadrukt de verticaliteit: donkergroen op somberbruin, gestructureerd in drie regels waarbij het voorzetsel op de lagen scheidt en tegelijkertijd verbindt. In de derde strofe schetst de dichter aken op de rivier en hij verwijst naar rechte lijnen: een spoor in het ijs. In de eerste versregel wordt de lucht vergeleken met glanspapier of sitspapier, een vergelijking die aan het metier van de schrijver-schilder herinnert. Papiersoorten spelen een grote rol in de praktijk van aquarellisten, en glanspapier bestaat in vele tinten. Door glanspapier met aquarelpapier te combineren, door gebruik te maken van een gemengde techniek (mixed media), kan een kunstenaar bijzondere effecten oproepen. Jan Vanriet maakt geen gebruik van een metafoor: de lucht is geen glanspapier, de lucht is als glanspapier. De kleur wordt niet vermeld.

Een lucht als glanspapier
En daaronder het land

Donkergroen
op
somberbruin,

het rooster van rechte lijnen,
en aken op de rivier:

een spoor in het ijs
dunner als voorheen.

‘Epiloog’ verwijst duidelijk niet naar een van de vele schitterende winterlandschappen van Johan Jongkind, Jacob Ruisdael, Jan van Goyen, Hendrick Avercamp, Esaias van de Velde, of eventueel Pieter Bruegel de Oude. ‘Winter in Noord-Brabant’ is een vlugge schets die ijs en een spoor in het ijs vermeldt, maar geen schaatsers of feestvierders. De schilder en/of de dichter heeft ook aken opgemerkt. Een aak is een groot vaartuig dat wordt gebruikt op de binnenwateren en grote rivieren. Het is een vaartuig met een platte bodem die voor en achter omhoog is gebogen en maar weinig smaller wordt. Het tijdstip waarop de schets is vervaardigd kan niet uit het gedicht worden afgeleid: gaat het om een recent beeld, of denkt de dichter aan de Gouden Eeuw? Op 10 oktober 2019 schreef Jan Vanriet me: ‘toen ik het [gedicht] schreef dacht ik (onder andere) aan een eenvoudige lijntekening van Rembrandt, de ets van een landschap.’ Op de ets heeft Rembrandt genoteerd: Mynheer Six en Brugh. Jan Six was vanaf 1640 een vriend en beschermer van de schilder. De ets verbeeldt twee personen op een brug, twee vaartuigen, een kerktoren en bomen die hun bladeren nog niet hebben verloren. Het is belangrijk te onderstrepen dat Jan Vanriet de nuancering ‘onder andere’ heeft gebruikt. Hij had toen hij het gedicht schreef figuurlijk ook andere schetsen voor ogen.

In tegenstelling tot Roland Jooris is Jan Vanriet dichter en schilder, maar zoals het werk van Jooris zijn de gedichten van Vanriet in de woorden van Jooris ‘meestal de neerslag van kijkervaringen, visuele toestanden.’ Omdat Jooris het penseel niet gebruikte, liet hij een aantal gedichten op doek aanbrengen. ‘Hetgeen de vraag ontlokt: zijn dat nog gedichten of zijn het nu schilderijen? Om die vraag gaat het wel ergens, niet om een expliciet antwoord erop’ (In: Vanriet, 1974, z.p.). Bij beide dichters valt voortdurend de kruisbestuiving tussen beeldende kunst en poëzie op, maar de schilder Vanriet heeft het voordeel dat hij aan de oude stelregel ut pictura poesis in twee richtingen gestalte kan geven. Jan Vanriet noemt zichzelf niet ten onrechte een literair schilder, maar de typering is niet volledig wanneer niet tegelijkertijd aan de tekenende en schilderende dichter wordt herinnerd. Het gedicht ‘Epiloog (Winter in Noord-Brabant)’ getuigt van de vruchtbare wisselwerking tussen woord en beeld.


© Romain John van de Maele


Freddy de Vree (1996) Jan Vanriet. Schilderijen 1984-1996. [Tielt]: Lannoo
Lionel Deflo (1972) Nieuw-realistische poëzie in Vlaanderen. Een dokumentaire bloemlezing.
Brugge: Uitgeverij Orion / Desclée De Brouwer.
Jan Vanriet (1974) ‘Omtrent de werkelijkheid’, Kreatief, jrg. 8, nr. 1.
Jan Vanriet (1984) Geen hond die brood lust. Antwerpen: Uitgeverij Manteau.


vrijdag 4 oktober 2019

Nacht van de poëzie, Kortrijk 1975 - Romain John van de Maele

Met een stem als een zweep
dreef een me toen nog onbekende dichter
het tempo op. De hal werd een sporttempel
en een zwarte atleet scheerde bliksemsnel
langs de sissende versregels,
alsof het horden waren op weg
naar olympische roem en de vergeetkamers
van de sportjournalistiek.

Een schrijver van soldatenbrieven
stelde op introverte wijze
zijn museum van de nacht voor,
een ontoegankelijk gedicht.

Of toen ook de Selfkicker
het woord nam en ervaren
jongens en meisjes achter de schermen
ook de lenige liefde hebben beschreven,
weet ik niet meer.
Het geheugen is een vreemde fuik.

Een goedgeefse woordkunstenaar
stak me een bundel toe,
getekend met kardinale groeten.
Toen was de nacht nog jong,
en thuis wachtten andere dichters
op mij, zij aan zij
op een nagelnieuw Tomado boekenrekje.


© Romain John van de Maele


zondag 24 februari 2019

Drie gedichten van Cornelius van Alsum

Vertaling: Romain John van de Maele


Denkmal in Ribe, Jütland


Dem Forscher aus dem Städtchen
entschleiert sich die Gärung
bronzen und schlackenlos

für Lab und Reinzuchthefe
im Dienst der Industrie

der Schaumgeborenen
nach erstem Augenschein
fast ebenbürtig


© Cornelius van Alsum


Standbeeld in Ribe, Jutland


Voor de vorser uit de kleine stad
ontsluiert zich de gisting
in brons zonder slakken

voor lab en zuivere gistcultuur
in dienst van de industrie

van wie uit schuim geboren is
is na een eerste oogopslag
bijna alles gelijkwaardig.


© Vertaling Romain John van de Maele


am westmeer *


die lage schwertschei-
denmuscheln knirscht unterm schuh
bis an das röhricht

seehund ohne augen stumpf
sein fell wohin die möwen


© Cornelius van Alsum


Aan de Westzee *


De laag kleine zwaard-
scheden knispert onder de schoenen
tot aan het riet.


Zeehond zonder ogen, stomp
zijn vel waarheen de meeuwen.


© Vertaling Romain John van de Maele


Deichweg


Rückwärts gehen
hilft nicht mehr:
Siebte Plage
die vom Meer
Schrot aus Wolken
niederfährt

Am besten du kniest:
dort in den Maulwurfshügeln


© Cornelius van Alsum


Dijkweg


Rugwaarts gaan
helpt niet meer:
de zevende plaag
die vanaf zee
hagel uit de wolken
meevoert.

Je knielt best
daar in de molshopen.


© Vertaling Romain John van de Maele


Notitie van de vertaler:
* De gedichten herinneren aan een vakantie in Jutland. In het Deens wordt de Noordzee ‘Vesterhav’ (met bepalend lidwoord ‘Vesterhavet’) genoemd, in het Duits ‘Nordsee’. Vroeger werden in het Duits ook de benamingen ‘Westsee’ en ‘Deutsches Meer’ gebruikt. De dichter heeft in het Duits de Deense benaming vervangen door het neologisme ‘Westmeer’, en hij heeft me gevraagd om in de Nederlandse vertaling ook een neologisme te gebruiken, in casu ‘Westzee’. Jutland ligt tussen ‘Vesterhavet’ en ‘Østersøen’ of ‘Østerhavet’, de binnenzee die ook ‘det Baltiske Hav’ wordt genoemd. Door gebruik te maken van een neologisme wordt de ligging van het schiereiland benadrukt. Bovendien herinnert de benaming aan Japan, dat ook tussen een Oost- en een Westzee ligt – qua vorm is het gedicht ‘Am Westmeer’ (‘Aan de Westzee’) geïnspireerd door een Japanse versvorm.


Meer info over de auteur Cornelius van Alsum:
Cornelius van Alsum (pseudoniem van Frank Engel) schrijft niet alleen gedichten maar vooral ook essays. Hij is ook uitgever van het literatuurtijdschrift kalmenzone en de uitgever van het literatuurtijdschrift kalmenzone dat twee maal per jaar als internetuitgave verschijnt, en de stichter van de kunstenaarsgroep Brisenvögel, die er o.a. naar streeft een uitwisseling tot stand te brengen tussen Nederlandstalige en Duitstalige schrijvers. In het decembernummer 2018 zal o.a. de vertaling van een gedicht van Hannie Rouweler verschijnen. Eerder verschenen artikelen over Roland Jooris, Louis Paul Boon e.a., en vertalingen van gedichten van een twintigtal dichters en werk van prozaschrijvers (Gilliams en Buysse). In het zomernummer 2019 wordt uitvoerig aandacht besteed aan het werk van Roger Raveel en de literaire reacties daarop.

www.kalmenzone.de
kalmenzone bij Digther

donderdag 10 januari 2019

kalmenzone – een tijdschrift en een koppelteken - Romain John Van de Maele

kalmenzone – een tijdschrift en een koppelteken

In april 2013 verscheen het eerste nummer van het literaire tijdschrift kalmenzone. De initiatiefnemer en samensteller van het blad, dat gratis gedownload kan worden op dit adres, was Cornelius van Alsum (1976). Hij woont in Bonn en schrijft gedichten, aforismen, essays en verhalend proza. Voorts is hij actief als vertaler van literaire teksten uit verschillende Europese talen.

De titel van het blad, kalmenzone, verwijst naar de gelijknamige regio ten noorden en ten zuiden van de evenaar. In het Nederlands wordt die regio inter-tropische convergentiezone genoemd, in het Frans zone des calmes équatoriaux of in de taal van de zeelieden le pot au noir. Het gebied wordt gekenmerkt door lage luchtdruk en lichte wisselende winden. De relatieve windstilte wordt echter vaak verstoord door hevig onweer en windstoten uit verschillende richtingen. Het blad wil een forum zijn waarin dichters, vertalers, prozaschrijvers en visuele kunstenaars rustig tot ontplooiing kunnen komen, maar nu en dan moet de rust wijken voor teksten die met een donderslag alle aandacht opeisen. In die zin is het blad een spiegelbeeld van wat in Europa en op andere plaatsen in de wereld leeft. Van in het begin werden immers ook vertaalde teksten opgenomen.
In de herfst van 2018 hebben zes kunstenaars die regelmatig aan het tijdschrift meewerken besloten als groep op de voorgrond te treden: Alexandra Bernhardt (Wenen), Caroline Hartge (Garbsen bei Hannover), Christine Kappe (Hannover), Irene Klaffke (Leiter bei Hannover), Cornelius van Alsum (Bonn) en Romain John van de Maele (Heverlee). De groep streeft er o.a. naar Nederlandstalig werk in Duitsland voor te stellen en omgekeerd Duitse literatuur in Vlaanderen en Nederland aan te bieden. Daarnaast zal ook naar samenwerkingsverbanden met Scandinavische en anderstalige bladen worden gezocht.

In het eerste nummer werden Herman Melville en Francesco Petrarca voorgesteld, auteurs die ook in latere nummers aan bod zijn gekomen. Een jaar later, in april 2014, werd een eerste keer aandacht besteed aan een Nederlandstalige auteur: de uitgever besprak toen Het vijfde zegel van Simon Vestdijk. Andere schrijvers voor wie de loper werd uitgerold, zijn Thomas Wyatt, Philip Sidney en William Shakespeare. In december 2014 richtte ik in Heft 6 het zoeklicht op het werk van Roland Jooris en de Duitse dichter Michael Hillen publiceerde een gedicht over de Antwerpse dierentuin: ‘Tiergarten Antwerpen, Abt. “Eisland”’. In april 2015 (Heft 7) werd het vroege werk van Catharina Boer (Karina Alberts) besproken. Heft 8 verscheen in oktober 2015 en bevatte o.a. werk van Miguel de Unamuno en George Rodenbach (twee sonnetten in een vertaling van Sigune Schnabel). In het themagedeelte over elegieën werden drie gedichten van Maurice Gilliams gepubliceerd.

In Heft 9, dat in april 2016 is verschenen, besprak Gabriele Haefs Ierse nachten van Simon Vestdijk, en voorts vielen de namen van W.B. Yeats en de Noors-Deense schrijver Ludvig Holberg op. Het themagedeelte werd in beslag genomen door Vlaamse schrijvers en Duitse auteurs die aandacht hebben besteed aan Vlaanderen. Cyriel Buysse was vertegenwoordigd met het verhaal Gampelaarken en er werd uitvoerig aandacht besteed aan de historische romans van Louis Paul Boon. Jonis Hartmann leverde de bijdrage ‘Auf Schwebereise in Flandern’, Sigune Schnabel vertaalde een fragment uit Bruges-la-Morte en Michael Hillen publiceerde het gedicht ‘hoogstraat, brügge’. Er verschenen vertalingen van gedichten van Jo Gisekin, Patrick Lateur, Lut de Block, Stefan van den Bremt, Charles Ducal, Richard Foqué, Roger de Neef, Inge Braeckman, Mark Insingel, Peter Holvoet-Hanssen, Jan Lauwereyns, Renaat Ramon, Christina Guirlande, Paul Claes, Eddy van Vliet en Charlotte van den Broeck. De vertalers waren Ludo Verbeeck (†), Maria Csollány, Isabel Hessel, Paul Claes, Susanne Grotti en Romain John van de Maele. Afrondend werd nog een fragment gepubliceerd uit Charles de Costers Uilenspiegelroman. Het oktobernummer 2016 was gewijd aan Cervantes, maar het bevatte ook Van Gogh-gedichten van de Nuenense dichteres Catharina Boer en het gedicht ‘Dulcinea, Dulcinea’ van Inge Braeckman in een vertaling van Ralph Dum.


Heft 11 verscheen in april 2017 en bevatte o.a. twee gedichten uit Brieven aan Plinius van Marleen de Crée, een Duitstalige versie van W.B. Yeats ‘The second coming’, vertaald door Caroline Hartge en werk van Edmund Spenser in een vertaling van Sigune Schnabel. In december 2017 was Maurice Gilliams vertegenwoordigd met een fragment uit Oefentocht in het luchtledige: ‘Georgina’. Evelyn Bernadette Mayr vertaalde poëzie van Michele Najlis, Cornelius van Alsum vertaalde fragmenten uit Leituras populares van de Portugese schrijver Antero de Quental, en Gabriele Haefs vertaalde het kortverhaal ‘The Selkie’ van de in Dublin wonende Schotse schrijfster Melissa Murray. Het juninummer van 2018 bevatte o.a. twee Raveel-gedichten van Jo Gisekin, samen met een afbeelding van de schilderijen die haar hebben geïnspireerd. Weldra verschijnt Heft 14 met daarin o.a. een gedicht van Hannie Rouweler. In Heft 15 (2019) zal uitvoerig aandacht worden besteed aan het werk van Roger Raveel en het poëtisch gesprek van Roland Jooris, Jo Gisekin en Bert Kooijman met het werk van de schilder uit Machelen-aan-de-Leie.

kalmenzone wil o.a. een koppelteken zijn dat werk van voorbij de horizon samenbrengt in goed gestoffeerde nummers die gratis ter beschikking worden gesteld. Het werk van Nederlandstalige auteurs mag daarbij niet ontbreken.


© Romain John van de Maele

Extern:
kalmenzone.de




donderdag 15 november 2018

De golfslag van het zijn

Bedenkingen bij het lezen van 'Alles komt terug' van Antoon van den Braembussche

Recensie: Romain John van de Maele

In 1956 publiceerde Louis Paul Boon zijn meest pessimistische roman: Niets gaat ten onder. Ik heb die titel altijd als een variant van Friedrich Nietzsches begrip ‘die ewige Wiederkehr des Gleichen’ beschouwd. Nietzsches stelling heeft vooral geschiedfilosofische implicaties, en ook de titel van Boons roman kadert in een geschiedfilosofische benadering van het leven – hij huldigde een cyclische geschiedopvatting. Voor mij ligt een dichtbundel van Antoon van den Braembussche: Alles komt terug. De ondertitel luidt Over “de eeuwige terugkeer van het gelijke”, en
de bundel wordt ingeleid met een citaat uit Aldus sprak Zarathoestra en met een versregel uit Rutger Koplands bundel Het orgeltje van yesterday: ‘Alles verandert maar keert onveranderd terug.’

Voor ik mijn aandacht op het werk van Van den Braembussche richt, stip ik aan dat het werk van de filosoof met de hamer me altijd een zekere afkeer heeft ingeboezemd. Ik heb nooit zijn vernielingsdrift begrepen. Hij was ongetwijfeld niet de enige filosoof die geweld legitimeerde, ook Voltaire – toch een vooruitstrevende humanist – zat niet om een krachtige oproep verlegen: ‘Ecrasez l’infâme!’ Op de binnenflap van het achterplat van Alles komt terug wordt gesteld dat ‘poëzie de creatieve plek bij uitstek is waar kunst en filosofie elkaar kunnen ontmoeten.’ Dat is een stelling waar ik me graag bij aansluit. Naar verluidt staan – naast die ontmoeting – in deze bundel liefde en stilte centraal, en er zou ook sprake zijn van een mystieke inslag. De terugkerende stilte is een noodzakelijke geluidsdemper in een wereld die in lawaai verdrinkt, en vaak het beginpunt van een even noodzakelijk bezinningsmoment. Vanzelfsprekend mag ook de gevende liefde niet ontbreken, want zonder die liefde is het leven een schrale ervaring.

Als de mededeling van de uitgever klopt, heeft de dichter voldoende afstand genomen van Nietzsche, en dan moet ik als lezer ook niet vrezen voor een late oekaze uit Weimar, waar Nietzsche in een poging om zichzelf te worden op de rand van de afgrond danste. Van den Braembussche en ik staan anders tegenover de denker die ooit schreef dat de mens niet alleen een schepsel maar ook een schepper is die na de dood van God op zoek moet gaan naar de zin van het leven, maar dat mag mijn lezing van de gedichten niet beïnvloeden.

De bundel bestaat uit een doorlopende reeks gedichten, niet uit een aantal cycli, en elk gedicht heeft een titel. De stilte en de liefde zijn niet altijd tastbaar aanwezig, maar de stilte wordt wel gesuggereerd in het gedicht ‘Kant lezend’. (23). Het werk van Immanuel Kant (1724-1804), de denker uit Königsberg en wellicht de meest systematische filosoof van zijn tijd, leest men best in een figuurlijke cocon. Maar ook een cocon schermt niet alle invloeden af: ‘Kant lezend / hoor ik eensklaps / het geluid van een vogel die voorbijvliegt / in mijn tuin / de stem van een vriend die / langzaam verdwijnt in de wind. // Ik ben alleen op de wereld. // Ik ben gelukkig. / Ik denk aan jou.’ Het gedicht doet me wat denken aan schilderijen van Raveel en gedichten van Jooris, waarin gelijkaardige scènes worden verbeeld of verwoord. De verbroken stilte mondt uit in een bespiegeling over het voorbijgaande: de voorbijvliegende vogel verdwijnt samen met de stem van de vriend, maar de afgeleide lezer laat zich niet uit zijn lood slaan. Voor hem betekent alleen-zijn geen straf – Franz Kafka schreef ooit ‘Alleinsein bringt nur Strafe.’ Het denken verbindt het lyrisch subject met de Ander en dat maakt het gelukkig. Verbondenheid lijkt een andere vorm van liefde te zijn. Van den Braembussche verwoordt zijn gedachte op een heel sobere, directe manier, in een echte parlandostijl.

De stilte is ook het beginpunt van ‘Heel even maar’. (17) ‘Wat is er mooier dan / de stilte die de aarde kust?’ vraagt de dichter zich af. Nu verbindt hij de stilte met een droom waarin hij zonder handen een witte lelie plukt en het ‘ogenblik waarop / kastanjes barsten van geluk / en je aanloopt tegen een zeepbel /van een naburig kind.’ Die zeepbel laat hem het mooiste blauw zien dat hij ooit te zien heeft gekregen. Opnieuw is de grondgedachte verbondenheid, ook al bestaat die maar een enkel ogenblik in een droom en in een zeepbel die barst. De kastanjes die barsten van geluk zijn wel blijvers: wanneer de bolster al lang vergaan zal zijn, zal de kastanje vruchtbaar voortleven in een nieuwe kastanjelaar. De kastanje die barst van geluk zou wel een metafoor kunnen zijn, een dichterlijke omschrijving van een vrouw die nieuw leven schenkt. De liefde wordt hier indirect verwoord.

Het gebrek aan stilte wordt kritisch verwoord in het gedicht ‘Het onbestemde’ (18): ‘Er is de waanzin van de stad / die krijst in al haar geledingen.’ Maar wie aan het contingente voorbij kan gaan, zal ook in de stad ‘de eeuwige terugkeer / van het gelijke’ ontdekken: de onwankelbare aanwezigheid van het ‘oneindige en het goddelijke’, al zijn die slechts door een kier bereikbaar. Zinvol leven vraagt een inspanning. De eeuwige terugkeer is ook letterlijk aanwezig in het gedicht ‘Steeds weer’ (35): ‘De tijd omarmend, / de eeuwige terugkeer / in de luwte van je schaduw.’ ‘Steeds weer’ is een liefdesgedicht dat bijna aarzelend het voorrecht van de ontvangende liefde blootlegt en tegelijkertijd de gevende liefde huldigt. In ‘Steeds dezelfde’ (34), een gedicht vrij naar Paul Eluard – ‘Je t’aime’? – wordt ongeveer dezelfde boodschap verwoord, maar zoals bij Eluard wordt de vrouw in dit gedicht min of meer gesacraliseerd. Woorden spelen een grote rol in elke relatie, niet alleen in de liefde, ‘want woorden geven respijt / zoals een rivier ruimte geeft / aan water en verademing.’ (40)

Van den Braembussche gebruikt geen ongewone taal, geen eind- of binnenrijmen, en er valt nauwelijks enige assonantie op. Ook alliteratie is vrijwel geheel afwezig. De eenvoud is bedrieglijk, want de woorden dekken een diepe lading. ‘Magritte indachtig’ (26) wijkt wat af van de algemene regel. In de drie gedichten, die onder die titel werden geplaatst, valt wel een dichterlijke ingreep op – er wordt gebruik gemaakt van schaars eindrijm en assonantie, en precies daardoor blijven de drie korte teksten ook langer nagalmen. ‘Magritte indachtig’ is het gedicht dat mij het meest heeft aangesproken. Inhoudelijk sluit het goed aan bij de andere gedichten, maar de dichter hangt zijn beelden op aan de verbeelding van Magritte. En dat mag – veel dichters hebben zich laten inspireren door het werk van Raveel, anderen hebben de kunst van Rik Wouters of zelfs Jan van Eyck als basis genomen. Ook al gebruikt Van den Braembussche alledaagse woorden, om tot de essentie van zijn gedichten door te dringen, moet men de nodige – vruchtbare – tijd nemen.


© Romain John van de Maele
 

Antoon van den Braembussche, Alles komt terug, Uitgeverij P,
48 blz., € 16,50, ISBN 978-94-92339-53-9.