Aangetroffen gedichten in het straatbeeld
Melktanden
Ik kan het niet meer aanzien. De grijze lichamen. De rode
vlekken.
De gebouwen die ooit scholen waren en nu nog slechts plekken
Waar het puin opklautert tegen het puin.
Ik kan het niet meer aanzien. De zwarte handen die
verkrampten
In een godvergeten gebaar. De kapotte ogen. De kapotte mond.
Het witte kinderhaar.
Ik kan het niet meer aanzien hoe een land dat zo goed
weet
Wat lijden is, de donkerste nacht heeft overleefd,
nu zelf zoveel vergeten is.
Ik kan het niet meer aanzien hoe elke poging tot gesprek
Vastloopt in hetzelfde getrek van wel en niet en wel en niet
Terwijl een volk wordt uitgemoord.
Ik kan het niet meer aanzien hoe de waarden waarmee wij
zwaaien
Geen woorden worden, geen akkoorden breken, geen verboden geven
Maar hoe wij blijven draaien rond onze oude spijt.
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij melktanden uit
monden slaan
Vingerkootjes maaien hoe we kinderbuikjes openscheuren en daar
Dorst en honger zaaien.
Ik kan het niet meer aanzien hoe wij zo van schuld
doordrongen
Zo verwrongen kijken naar zij die op ons lijken
En naar de bergen lijken.
Ik ween om kandelaren die onnoemelijk hebben geleden
Ik ween om hoefijzerbogen die geen gebed meer zullen horen
Ik ween om het geprevel van veel te vele lippen.
Ik kan het niet meer aanzien. De stoffige lijven. Het
donkerrode kaakgewricht.
Maar ergens op een heuvelkam staat een geitje met een lam
Dat mekkert, mekkert naar het ochtendlicht.
© David Van Reybrouck
18 mei 2025
De gebouwen die ooit scholen waren en nu nog slechts plekken
Waar het puin opklautert tegen het puin.
In een godvergeten gebaar. De kapotte ogen. De kapotte mond.
Het witte kinderhaar.
Wat lijden is, de donkerste nacht heeft overleefd,
nu zelf zoveel vergeten is.
Vastloopt in hetzelfde getrek van wel en niet en wel en niet
Terwijl een volk wordt uitgemoord.
Geen woorden worden, geen akkoorden breken, geen verboden geven
Maar hoe wij blijven draaien rond onze oude spijt.
Vingerkootjes maaien hoe we kinderbuikjes openscheuren en daar
Dorst en honger zaaien.
Zo verwrongen kijken naar zij die op ons lijken
En naar de bergen lijken.
Ik ween om hoefijzerbogen die geen gebed meer zullen horen
Ik ween om het geprevel van veel te vele lippen.
Maar ergens op een heuvelkam staat een geitje met een lam
Dat mekkert, mekkert naar het ochtendlicht.
18 mei 2025
Aangetroffen
op woensdag 7 Januari 2026 aan de deur van Boekhandel Raaklijn in Brugge.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten