dinsdag 31 maart 2026

Inleiding op 'Lagen van glas' - Alain Delmotte

Glas is een bron van scherven

Op zaterdag 21 maart 2026 stelde Digther-redacteur Daniël Franck in het Gentse Paulushuis met 'Lagen van Glas' zijn nieuwe dichtbundel voor. Alain Delmotte (eveneens Digther-redacteur) was inleider van dienst. Zijn integrale inleiding lees je in het bericht hieronder. 

Dames en heren, vandaag, op de werelddag van de poëzie, verschijnt na een stilzwijgen van 30 jaar een nieuwe bundel van Daniël Franck. Aangezien Daniël van zijn vroegere bundels afstand lijkt te nemen, is ‘Lagen van glas’ een vernieuwd debuut. Ik weet van Daniël weinig af. Ik heb alleen zijn gedichten voorhanden. Mijn lectuur vertrekt vanuit een wit blad. Hetzelfde witte blad waarop gedichten hun aanvang nemen. Dichter en lezer vertrekken vanuit dezelfde positionering.

Er staan in de bundel twee gedichten waarin het ‘wit’ (een essentieel stijlmiddel voor de poëzie) wordt geëvoceerd. In het eerste gedicht wordt het wit voorgesteld als ’een zee van verhalen/voor er talen waren’. Alsof het wit de prenatale staat van de taal is. En laat ik hier meteen ook signaleren dat het motief van de zee in de bundel sterk aanwezig is. De zee en de daaraan verwante woordvelden: getijden, water, rivieren, meer, kust, strand, vloed. Opvallend daarbij is dat het element ‘water’ niet altijd als positief wordt ervaren. Het water biedt geen solide consistentie: ‘stap het water in en je verliest houvast’.

In het tweede gedicht bevindt het wit zich, voor de dichter, ‘midden in ons’. Daar waar ‘bestaansrecht, ongerepte lichamelijkheid’ verborgen ligt. Het wit verkrijgt de status van een ‘zijnstoestand’. Die uitspraken over het wit hebben hun repercussies binnen het geheel.

Laten we de buitenkant van de bundel bekijken. De inhoudstafel geeft aan dat de bundel bestaat uit een introgedicht en vier cycli: met name ‘De getijden’,  ‘Scherven’ (bestaande uit een gedichtenreeks van 11 gedichten en één los gedicht), ‘hoe bij leven afscheid te nemen’ en ‘tot stof’.

Het introgedicht kreeg als titel ‘nulpunt’ mee. Het laatste gedicht uit de bundel heet ‘eindpunt’. De bundel legt een traject af, volgt een neerwaartse beweging die me van onder meer existentiële aard lijkt: van geboorte tot dood. Er wordt gaandeweg afscheid genomen: ‘Afscheid is dat ding dat met stenen verzwaard neerzinkt in het meer.’ Het draagt ook iets spiritueels in zich. Ik kom er op terug.

De laatste regel van ‘eindpunt’ luidt: ‘het slotakkoord dat zich om mij sluit’. Het eindpunt als een dood punt. Het introgedicht vertelt ons iets over hoe de dichter de taal ervaart: ‘Ik lig in mijn taal als in een naakt lichaam’.  Resoneren hier de regels van Van Ostaijen mee: ‘ik wil naakt zijn en beginnen’? Het deed mij denken aan een uitspraak van de controversiële, Franse psychoanalyticus Jacques Lacan. Volgens hem zouden we tweemaal geboren zijn: de eerste keer is dat onze biologische geboorte, de tweede keer is dat de geboorte in de taal en/of de geboorte van de taal in ons. In het geval van de dichter valt die geboorte als een miskraam uit. De taal lijkt hem te veel voorgezegd. Ze zit krachteloos vast in een ‘rudimentaire ritmiek’. Die taal is niet zijn taal. Een door de dichter hopeloos genoemde positie.

Dit is een constante in heel wat poëzie. Het is misschien één van de kernen van de poëzie: het onbehagen in en van de taal, de ontoereikendheid, het voortdurende echec. (Vandaar dat prenatale wit dat soms meer betekenis in zich kan dragen dan de taal zelf).

Van dit motief vond ik in de bundel een aantal sporen terug. Vier citaten.

‘Ik zoek letters
om mijn onkunde mee te bekleden’    

‘ Woorden zijn wolken.
Eer je ze aan kunt raken muteren ze’

‘ik kon geen woorden vinden voor de wereld’ 

de woorden willen niet mee’

‘Filosofen meanderen zich naar een uitspraak.
Zelf kon ik niet verder dan een positie
en de onderwerping eraan.’

Voor de dichter is daar maar één ding tegen te doen: hij gaat op zoek naar een eigen taal, naar een  andere taal binnen de conventionele taal. Het impliceert dat hij zich in een soms zeer afwijkende taal uitdrukt, een taal vanuit een psychofysische constitutie gerijpt, een soort lichaamstaal.

De taal van Daniël Franck is een heel aparte, hoekige, soms vreemde al dan niet associatieve sprongen makende taal waarin de dichter zich compact en verdicht te kennen heeft. Het is een taal in het verweer, een taal die zich beschut. (Of hiermee het daarnet opgemerkte onbehagen is verdwenen, durf ik te betwijfelen.)

Poëzie is iets wat je moet herlezen. We hebben namelijk de neiging om in een gedicht naar een omlijnd verhaal te zoeken. Dit wil zeggen: we zoeken naar eenduidigheid. Bij deze bundel is dat geenszins het geval: meerduidigheid is er troef.

Hoe herlees je dan poëzie? Door het spoor van de woorden te volgen. Laten we de weg van de woorden uit de titel volgen. Zoals die titel suggereert, zijn er verschillende ‘Lagen’ te ontdekken in deze gedichten. Het woord komen we aantal keren in de bundel tegen: ‘kleilagen vallen van mij af’- ‘Diep onder de laklaag van de aarde’ – Jacob (de bijbelse figuur) ‘trekt de dag als een laklaag over zijn gezicht’. Hieruit blijkt dat de dag een laklaag van de tijd is. Die laklaag bevindt zich onder de grond, onder kleilagen, onder ‘bodemlagen’ zoals die in het gedicht ‘Archeologie’ genoemd worden. De lagen moeten bij lectuur worden opgegraven. Zou dit een metafoor zou kunnen zijn voor onze psyche waarin allerlei lagen vanuit een persoonlijk ervaren tijd werkzaam zijn? Onze psyche brengt onze ‘getijden’ in beeld. Onze herinneringen, trauma’s, verlangens. Alles wat zijn tijd heeft gehad. Ik zinspeel op de titel van een gedicht. Waarvan hier de eerte strofe:

Hebben we de tijd gehad tussen heden en verleden 
bestendigheid na te streven of lieten we onszelf na
als een donkere veeg op het gordijn? Wat we zien
bij het vertrekken komt altijd op het moment 
van het onherstelbare, het houvast dat ons ontglipt
terwijl we slaperig in samen liepen te dwalen.

Ik stel vast dat die ‘lagen’ tegen elkaar aanbotsen. Ze hebben geen lineair verloop. Ze lopen uit op een warrig kluwen.

Het woord ‘glas’ komt in de bundel slechts tweemaal voor. Ik zocht naar definities voor het woord ‘glas’. Op het internet vond ik in een puzzelwoordenboek waarin een prachtige omschrijving. Glas wordt ‘een bron van scherven’ genoemd. Van het doorzichtige glas blijven slechts in deze bundel de verspreide scherven over.

De woorden ‘scherf’ en scherven’ komen regelmatig terug. Een gedichtenreeks kreeg de titel ‘scherven’mee. Die scherven worden in de reeks als ‘Vertakkingen, spinsels, vlechtwerk’ beschreven. Ze vormen ‘grafische lijnen’ die, naar de dichter schrijft, ‘vertrouwen inboezemen’ en een toestand creeëren ‘om aan vast te klampen’. Opnieuw die nood aan solide consistentie.

Al lezend kunnen we dit alles ‘scherf na scherf bot na bot’ proberen op te graven. Opgraven wat ‘de kaken van de tijd hebben vermalen’. Het is duidelijk dat ondergronds al dan niet persoonlijke herinneringen opwellen. Het zijn wel eens pijnlijke herinneringen. ‘Herinneringen bijten zich vast in spijt’. ‘In het lange vergeten heb ik mij nooit bekwaamd’.

Het is natuurlijk niet de bedoeling om hier de hele bundel op die manier verder te ontsluiten. Het is daarvoor niet het moment. Een aantal zaken zijn overigens niet te ontsluiten. Een versregel stelt dat er ‘sleutels (zijn) waaraan het slot blijft ontbreken’.

Een aantal zaken hebben me geïntrigeerd. Onder meer de vaststelling dat er in deze verzameling een soort bestiarium verscholen zit. Ik telde er een twintigtal: van de kleine mier tot het imposante edelhert. Ze lijken alweer een vast element in de wereld aan te bieden: ‘ik zal blijven/voorbijgaan en niet zoals de ganzen in het veld jaar na jaar verrijzen’.

Eén van centrale patronen in de bundel zijn een ik, een je, een we. De ik en de je zijn een liefdespaar. Al rijst er een moeilijkheid:

‘Dat wij bij de liefde niet parallel bewegen 
maar hakend klauwend stuttend ontvangend’ 

Tot een symbiose tussen de ik en de je komt het niet: 

‘Dat je beweert mij al een beetje te kennen 
maar nog nooit vroeg je mij een zintuig te leen’

Niettemin, in al hun lichamelijkheid heeft het paar nood aan elkaar. Ze zijn een schuiloord voor elkaar. Ze bieden elkaar onderkomen. Zoals in volgende regels:

‘Voorzichtig vlei ik mijn hoofd aan je buik,
hoog boven me de horizon van je hart en borsten,
van mijn onderkomen het dak,
schuilplek van een verblindende zomer’

Het paar modelleert zich een binnenwereld die zich afsluit van een buitenwereld die als bedreigend en angstig wordt ervaren.

‘Van geen kwaad bewust 
laten wij, wanneer het donker begint 
en wij van belofte op herstel
verstoken blijven,
de rolluiken neer.’

Het motief van het beschuttende huis duikt meer dan eens op:

‘Diep gebunkerd
bedrijven we het huis’. 

Het paar blijft dus van herstel verstoken. In het gedicht ‘geen herstel’ blijkt waaruit er geen herstel mogelijk is:

‘(…) Geklonken aan elkaar janken
wij: hier schuilt vergankelijkheid.’

De gedichtenreeks ‘scherven’ lijkt ‘een kwade droom’. De ‘je’ haalt met een scherf naar haar polsen uit en staat in een bloedplas. Er volgt een vlucht naar buiten: de weg leidt door een bos, naar een zee. Na een grote vloed spoelen ze aan op een kust. Op dat stuk land ‘moeten wij beginnen’ maar er is een ‘verlatenheid, die ons blijft bezitten’. De ik loopt van de ‘je’ weg: ‘Jij velde mij stripte mij vilde mij’. Maar is het wel de ik die vertrekt? ‘Jij was het die uiteindelijk mij zou laten’. De ik vraagt zich af: ‘hoe verklaren dat ik op haar bleef wachten? Want ‘het alledaagse bleef me versplinteren’.

Wat mij aansprak in deze pregnante reeks was de vlucht, de dwaaltocht. Dit is het laatste wat ik thans ter sprake wil brengen. Ik had het in het begin over spiritualiteit. Er vallen met name verwijzingen naar het religieuze in brede zin te onderkennen. Leven wordt een heidens ritueel genoemd. Een godswonder, orakels en een meditatie worden te berde gebracht. Goden worden aangeroepen. Er is het gevecht van Jacob met de Engel. Laserstralen kruisigen een hoofd. Het ironische gedicht ‘verboden onderwerp’ brengt de machteloze ziel in beeld.

Vanwege die passussen kan ik het niet laten om in het afgelegde traject die de bundel uitlijnt, als een archetypische spirituele pelgrimage te ervaren.  Bij een pelgrimage ligt de klemtoon op het onderweg zijn: een mentale tocht ‘van uitzicht naar inzicht’ –  vanuit de nacht naar het licht. Er staat: ‘ik weet niet zeker of de richting/juist werd uitgezet. Ik zoek licht.’ - ‘de kromme routes van het licht voor één keer recht’ - ‘Zouden we in dat licht nog herbeginnen?’- ’Uit onherbergzame oorden/wordt het licht verwacht’.

De dichter ‘hangt de mystieken aan’. Wat als iemand stelt dat het wit zich midden in ons bevindt of die kleilagen van zich laat afvallen? Wat blijft er dan over? Het mystieke nulpunt: de leegte.

Wat ik bedoel is dat je in de leegte
kunt afdalen en tekens vinden
in een schaduw, in roerloosheid. 

Wat kan er van die leegte worden verwacht? De dichter is duidelijk:

‘Vormen van helderheid, ochtenden
in het leven geroepen om kwade dromen te verjagen,
het concept gevoel gevat in een lichaam
dat niet ophoudt zichzelf uit zijn constructie te willen bevrijden.’

‘Zichzelf uit zijn constructie bevrijden’. Hieruit spreekt een nood aan transcendentie. In de schaduw en in de roerloosheid van deze gedichten zijn er momenten die getuigen van transcendentie. Er kan een link gelegd worden naar het citaat van Wallace Stevens (één van de groten uit de twintigste eeuw) die vooraan de bundel staat. Een fragment uit het gedicht ’The idea of Order in Key West’. Ik citeer uit een commentaar die ik van dit gedicht vond: ‘In dat vermaarde gedicht verkent Wallace Stevens het concept van transcendentie door middel van kunst en verbeelding, waarbij de menselijke daad om orde te scheppen uit chaos de ervaring verheft boven het louter fysieke bestaan.’

In ‘lagen van glas’ lezen dergelijke, sublieme ogenblikken van transcendentie. Zoals bijvoorbeeld in volgende regels uit ‘drijvend gedicht’:

 ‘Ik blijf verlangen naar meer water om in te drijven, 
zacht deinend water dat zich lui uitstrekt,
rustig dalend zonder plan of vooruitzicht
tot alles rondom kleur krijgt, een geschenk.’

Hiermee zijn we evenwel niet op een eindpunt aangekomen. Ik heb zelfs het gevoel dat ik niet verder geraakt ben dan het nulpunt. De bundel is een blijvend herbegin. Deze rijke en taalbewuste bundel is tot in de puntjes gestructureerd. Ik liet onvermijdelijk een aantal aspecten onbesproken. Ik hoop u wel enkele handvaten voor verdere lectuur te hebben aangereikt. Ik laat verdere verkenning graag aan u over en wens u veel herleesgenot.

© Alain Delmotte


Daniël Franck, Lagen van glas, Uitgeverij P, 2026, 72 pagina's, ISBN 978-94-93534-00-1

Lees ook het bericht over de voorstelling van de bundel.



Daniël Franck signeert


Achterflap 'Lagen van glas'

Geen opmerkingen: