Een afgemeten spreidstand.
Daniël Franck over ‘Randschade’ van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3)
Johan Clarysse maakte faam als kunstschilder in binnen- en buitenland, maar was ook al vroeg gebeten door het woord. In de jaren ’80 publiceerde hij even in enkele tijdschriften om vanaf de jaren 2020 het dichten terug een prominente plaats te geven. Na zijn gesmaakte debuut ‘Het geduld van water’ (2024) volgt nu ‘Randschade’.
Een dichter en zijn bundel laten zich kennen door het woordgebruik en dat treedt in deze bundel wel heel prominent naar voren. Sommige woorden springen er immers door hun veelvuldige herhaling (al dan niet in samenstellingen) echt uit. De clusters die zo ontstaan gunnen ons een blik op de inhoud van de bundel: een grote cluster rond licht, leven en het vasthouden hieraan, kleinere clusters rond kijken en spreken. We zullen een dichter ontmoeten die gedwongen door externe factoren vol in het leven staat, maar tegelijk een positie vindt om te beschouwen.
‘Licht’ is het meest dominante woord in deze bundel. Dat kan bovendien nog worden gelinkt aan woorden als ‘dag’ en ‘ochtend’. Dat is niet verwonderlijk. Voor een schilder is dat het essentiële element, het dansen van het licht en hoe dat binnen te trekken in je beeld. Maar het is hier helemaal vervlochten met het dominante thema van de bundel, namelijk ziekte, afscheid en het gretige vastklampen aan het leven.
De
openingsregels van de bundel luiden
Er groeien tubes in mijn
holtes.
De QR-code rond mijn pols
weet niet wie ik ben.
Parameters wachten op hun digitale score.
Zo weten we meteen waar we aan toe zijn. De dichter zelf moet vaststellen “ik lig erbij / en kijk ernaar als naar de ruïnes van een tempel // krijg mijn lichaam niet gezegd”. In deze zware omstandigheid waarin het lichaam zich bevindt, zoekt Johan Clarysse aan de hand van die beelden naar het licht, met de taal als toorts en houvast, vatbaar voor alle prikkels die hij ontvangt en opvangt, gaande van de nauwelijks geregistreerde woorden van een dokter tot de geestelijke confrontatie met demonen. Nergens ontwaar je een zweem van fatalisme, slechts af en toe steken “opstandige vragen” nog eens de kop op. Eerder is er een gulzigheid alles nog te omvatten en dus maakt de patiënt zich sterk: “De klaagstoel / aan mijn bed / schroef ik los”. De zieke bezweert zichzelf. Door woorden te vinden voor het moeilijk aanvaardbare kan een begin worden gemaakt van aanvaarding. In die blik vullen objectieve en subjectieve benaderingen elkaar aan.
We
zijn allen onderweg naar het verdwijnen. Wie zich daar bewust van wordt
gemaakt, zal scherper kijken. Al gaat daar zeker een strijd aan vooraf:
Weerstaan of meedeinen
gebalde vuist of golf:
een spreidstand die mij kiest
En er is die ene belangrijke strijdmakker: “Tot jij de kamer binnenkomt, zuurstof / pompt in de zieke lucht.” Het zal leiden tot de cyclus ‘Baken’ waar in het samenzijn met de geliefde even rust kan worden gevonden.
De cyclus ‘Doodgewoon’ brengt de dood tastbaar aanwezig; “Welk masker draagt hij wanneer hij / zijn mond tegen je rechterwang drukt?” klinkt het in het lichtelijk beklemmende ‘Schim’ dat niet zomaar besluit met een sprankeltje als ironie vermomde hoop: “Stemmen vriendelijke dichters hem milder?”
‘Tussentijdse berichten’ is de meest contemplatieve cyclus en biedt ook ruimte voor herinneringen, onder meer aan de grootmoeder, en vooral ook voor de mini-reeks ‘Anoniem’ opgedragen aan de vrijwilligers van Tele-Onthaal en waar de dichter zijn maatschappelijk masker laat vallen.
Ook
de schilder is prominent aanwezig, zie onder meer de weerkerende woorden ‘oog’
of ‘blik’, ‘zien’ of ‘kijken’. Dit komt letterlijk aan de
oppervlakte drijven in de cyclus ‘Wie niet kijkt, ziet niet’. Hier trekken we
nog eens de wereld in, naar de tuin, naar zee, naar het om zijn megalieten
bekende Wéris. Uitgerekend in deze cyclus besluit een gedicht met de woorden “Het
hevigst leeft hij in het woord”. Cyclus en bundel eindigen in een treffend
kleinood:
Nomadisch
Je voert een gesprek met
de eik
waaronder je languit
rust:
over een tweede heelal
waar alles eindeloos
begint
en waar nomadische zielen
naar buitenaardse woorden
zoeken.
Je bereidt je voor.
Johan Clarysse schrijft poëzie zoals ik me voorstel dat een schilder schildert: met rust, aandacht en afstand.
Deze bundel biedt een coherent en open verhaal, waar de woorden adequaat hun werk mogen doen in een direct toegankelijke en heldere taal. Voortdurend wordt de spanning opgezocht tussen de blik van de dichter en zijn gevoelswereld. Dat gebeurt aan de hand van vrije verzen, in een opvallend rustig ritme, die zich met hoorbaar gemak tot een lezer richten, met korte, afgemeten observaties, sober maar helder en raak van taal, gevat in makkelijk behapbare strofes. De bundel is ook netjes opgedeeld in vijf cycli, zodat je als lezer altijd op adem kunt komen. Overal is de zegging welluidend en de gedichten vertonen een opvallende rijkdom aan treffende zinnen en observaties: “het manuscript van de avond”; “de ochtend die tussen de lakens klimt”; “een vertrouwde nacht die tegen de ramen tikt”; “oktober ligt als een natte dweil aan je stoep”; “ergernis krult in mij als een verbrande lucifer”.
Het is geen hogere filosofie die hier wordt beleden. Daarvoor is er geen tijd meer. Als de dood al in het steegje staat, tel je je stappen, je kijkt om je heen, reflecteert nog wat, weet dat de randschade deze keer jou zal treffen en stapt met een mengeling van aarzeling, nieuwsgierigheid en moed verder.
De
bundel evolueert van zeer concreet naar eerder contemplatief. Daar zit een
beweging van loslaten in. De lezer daarentegen blijft alert voor het ganse
gebeuren en tracht mee te dragen wat ondraagbaar is. Voor later.
Kiezel
Gekortwiekt tussen
bedstijlen
heb ik je lang gevreesd.
Al had je iets
onschuldigs.
Even herkende ik je
gezicht
toen je met de armen
zwaaide. Ik vroeg me af
of jij ook uit vlees,
bloed en slijm bestond.
Je bekende dat je een
kiezelsteen bent
in de laars van al wat
leeft en beweegt.
Ik sprak je niet tegen,
wist dat ik niet
dezelfde meer zou zijn.
Nu bespied ik jou
op veilige afstand
verstil je tot
achtergrondruis.
Als een kauw hang je
boven mijn oranjerode
dak.
Ik zie hoe je glanst op
de nok.
![]() |
| Johan Clarysse - Foto c. Paul Rigolle |
Randschade van Johan Clarysse, Uitgeverij P, 2026, ISBN 978-94-93534-06-3


Geen opmerkingen:
Een reactie posten