dinsdag 25 februari 2020

Een commentaar bij 'Zwart lam', een gedicht van Hubert van Herreweghen - Frans Deschoemaeker


 Zwart lam
Op de wandelingen

        in mijn klein leven
zag ik grote dingen
de wolf van Gubbio
het lam dat stond te zingen
op de Chaussée Brunehaut
een zwart lam – en het zong.
´t Was winter nog de korte maand
         het regende ijs
een boogscheut achter Edingen
         waar een geheim begint
         van taal en tijd
van vliezen nat en jong.
Zie me daar dan
gebeeldhouwd in de kou
staan wenen om een lam
dat uit zijn moeder kwam
         te vroege vrolijkheid
in de armen van een man
die het schoonwreef met stro.
Een zwart lam. En het zong
                                    lamsgewijs.

Het gedicht Zwart lam van Hubert van Herreweghen illustreert treffend de uitspraak van Schopenhauer: de opdracht van de schrijver is niet grote voorvallen te vertellen, maar kleine interessant te maken.

De dichter is de schrijver bij uitstek die oog heeft voor het kleine, het ogenschijnlijk banale, dat waar iedereen achteloos aan voorbij gaat. Het lijkt er sterk op dat hij zijn lezer wil treffen met het besef: kijk ik wel goed genoeg naar de werkelijkheid, dring ik er wel diep genoeg in door? Is wat ik groot en belangrijk vind in het leven wel echt zo groot en belangrijk?

Zelf lijkt Hubert van Herreweghen het onderscheid gemaakt te hebben: op de wandelingen in zijn klein leven zag hij grote dingen. Hij is begonnen met zijn eigen leven kleiner te maken, dienstbaarder, ontvankelijker voor de dingen, ook de onaanzienlijke, die hij met plezier uitvergroot, grootheid toedicht. Hij is tot het besef gekomen dat bescheidenheid de verwondering voedt. Verwondering om de geboorte van een lam, een zwart lam bovendien, in een verlate winter, onder natte sneeuw, op de zompige hoek van een weiland; dat bijvoorbeeld.

De dichter verhevigt dit op zichzelf banale feit met enkele vervreemdende, in al hun concreetheid toch raadselachtige elementen (waarom inderdaad moeten wij het gedicht herlezen voor het zich begint te openen?). Vervreemdende elementen die de kleine gebeurtenis breed kaderen en een haast mythische dimensie meegeven.

Die vervreemdende elementen zijn bij nader inzien helemaal niet vreemd. De wolf van Gubbio komt uit de legende van Sint-Franciscus van Assisi. Sint-Franciscus kon met de dieren spreken en bracht de wolf die het stadje Gubbio teisterde tot betere gedachten. Gubbio staat daar natuurlijk omdat het rijmt op Brunehaut, de wolf omwille van de tegenstelling wolf-lam. Merk op dat van Herreweghen op zijn wandelingen een plaasteren beeld of een bidprent van Sint-Franciscus met Broeder Wolf in een veldkapelletje gezien kan hebben.

Of was Gubbio eerst, en staat Brunehaut daar omdat het rijmt op Gubbio? Het straatnaambordje Chaussée Brunehaut kan je her en der in België en Frankrijk nog aantreffen. De naam verwijst naar Brunhilde (of Brunichilde) van Austrasië, die in de zesde eeuw stukken Romeinse heirweg zou hebben laten restaureren en in ere herstellen. Een dergelijke steenweg loopt van Mons naar Enghien (Edingen) en passeert zodoende, het Pajottenland schampend, aan de achterdeur van de dichter Hubert van Herreweghen (ik ontleen een klein, medeplichtig genoegen aan het feit dat ook aan mijn achterdeur een Chaussée Brunehaut de Vlaamse Ardennen schampt: de Romeinse heirweg die zich in het Waalse Blicquy afsplitst naar de kust van de Noordzee loopt via Frasnes-lez-Anvaing, Ronse en Kwaremont naar Kaster, waar het spoor doodloopt in het veld).

Waar een geheim begint van taal en tijd: wie moet hier niet denken aan de taalgrens, en aan donkere, Visigotische tijden? En aan oude wegen die doodlopen in het veld?

Het lam zingt, maar het zingt lamsgewijs, op de wijze van het lam. We kunnen er dus rustig van uitgaan dat het gewoon mekkert, of krijst, zoals een zwart lam op zijn tocht van de warme baarmoeder naar een ijskoude wereld, een wereld van alleen maar witte soortgenoten bovendien, krijst. Maar onder de pen van de dichter wordt dat krijsen een zang, iets groots, iets wat het gemoed beweegt (een vrolijk maar al te vroeg lentelied?, een hymne op het leven?, een existentiële wanhoopskreet?, een geheim van taal en tijd?).

Hoe dan ook, je moet het gedicht een paar keer lezen voor het helemaal aanslaat, maar dan kan je het verder alleen maar wonderlijk en mooi vinden (en deze commentaar moet nu dringend ophouden). Op mijn dwaaltochten door mijn kleine bibliotheek kom ik grote dingen tegen.





Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.


























Geen opmerkingen: