Daniël Franck in kort bestek over 'Want straks komen de wolven' van Liesbeth D’Hoker.
In kort bestek - Notities van de redactie (6)
Als maatschappelijk
fenomeen is ook poëzie aan de slingerbeweging van de mode onderhevig. Toch heb
je altijd dichters die zich precies op het snijpunt van traditie (de bundel
opent met ‘altijd weer nesten’ en ook onderweg stuit je regelmatig op externe verwijzingen)
en vernieuwing weten te positioneren. Deze poëzie is ruw en teder. Gedichten
kunnen helder als bergwater klateren of opgestapelde beelden torsen. Het lukt
haar allemaal.
Als klimaatdichter schrijft Liesbeth D'Hoker vanuit een zekere urgentie, maar ze heeft de hoop zeker nog niet opgegeven. Een aantal gedichten zijn ook geïnspireerd door de landschappen die ze bezocht.
De taal zoekt en vindt altijd
een geconcentreerde uitdrukking, staat ook onder een voortdurende spanning. De vele
beelden zijn met de nodige accuraatheid uitgezocht. Elk gedicht bijt zich woord
na woord in je vast. De bundel zelf is vooral heel consistent van taal, beeld
en gevoel en laat zich, ondanks de lijvigheid, met veel plezier in één lange
beweging lezen.
Helder
knisperkoud vanmorgen
als helder ook
een smaak heeft
moet het zoiets zijn,
zeg je
dieper en vrediger
met aangescherpte zin,
zak ik
in warmwollen omhelzing,
dingen die mooi zijn,
kinderstemmen, witblauwe ijlte,
een wild opspringend hart
we blazen ademwolkjes,
ik reis in minuscule druppels
jouw kant uit
uit Want straks komen de wolven van Liesbeth D’Hoker, Poëziecentrum, 2025

Geen opmerkingen:
Een reactie posten