zaterdag 17 februari 2024

Drie gedichten uit 'Verstrengelingen' - Jan M. Meier

koel verdriet


er krioelen mieren in zijn kop
ze kleuren zijn wangen rood
trekken lenig langs aders heen en weer
proberen uit te breken op zijn rug

stichten puistige kolonies op gladde huid
hij voelt hoe hij braadt als gek
ligt gezalfd en verbonden te bekomen
een babyreus gebakerd in het grote bed

nu houden ze zich gedeisd
morgen verkennen ze zijn voeten
trekken voren op zijn zolen, zoeken
voedsel tussen tenen en onder nagels

zijn huid pokdalig, zijn borst
een korstig stoppelveld na de maisoogst
sprietige haarplukken schieten als grijze
grashalmen uit verbrokkelde kluiten

hij wisselt ijsbad voor hete douche
ze trekken diep terug in sluimerslaap
hij vreest elk seizoen behalve de winter
rolt als een peuter over sneeuw en ijs

de vreugde van koel verdriet 


© Jan M. Meier


droomlichaam


het is een verhaal van schaal
verandering van toestand
als water in ijs, regendruppels in sneeuw

het is schuiven en glijden
van onzichtbaar tot reusachtig
van dorpel tot dorp tot stad

van quark tot tektonische plaat
van lichaam tot hemellichaam
sterrenstelsel tot melkweg

alleen in dromen vermengen schalen
rekken uit voorbij enige realiteit
verbaasd dat zijn vingertoppen ogen hebben

verrukt over hun sierlijke wimpers
hoe fijnharige tentakels een route aftasten
hij mist zijn nagels geen ogenblik

alles verandert nu een sensitieve
vloedgolf waarneming overspoelt
zijn hoofd begint uit te zetten

zwelt zodat hij haast
van lichtheid zweeft
zijn lichaam krimpt

meer en meer hoofd en handen
continu op zoek doorheen de wereld-
bibliotheek onder zijn vingers

wakker geschrokken
betast hij zijn hoofd
voelt geen verschil

vingertoppen glad en blind

© Jan M. Meier


drie passen terug


letters uitgelegd op het bord
geven een profetie prijs
ze haperen in de huig
als haringen aan een touw
happend naar lucht

er zit niets aan het koord
dan de open haak van waarheid
tover in pure leegte
het ontbreken verrast en ontgoochelt
maakt onbegrijpelijk rustig

het toeval heeft geen belang
altijd wel een zinnebeeldig bord
een spel om je in de boot te nemen
te verdrinken in droom na droom
als je leeft ga je naar de volgende ronde

een bocht toont een andere weg
de lijnen in je hand laten zich
lezen als een nieuw testament
een scheur in het toneeldoek
onthult het oog van de gluurder

ga nu drie passen terug

© Jan M. Meier


Op zaterdag 9/3/2024 wordt in Drongen in de grote zaal van het Landgoed
de campagne om 15:30 u  de nieuwe dubbelbundel "Verstrengelingen"  van Jan M. Meier voorgesteld.

Het programma:
Bart Stouten leidt in en interviewt de dichter
Jan M. Meier en Diane Rutgheers lezen voor
Niels Poppe speelt op handpan

'Verstrengelingen' bestaat uit de bundels 'Taalslag' en 'Verstrengelingen'

Jan M. Meier op PoëzieCentraal 
Poëzie van Jan M. Meier
Alle info over de voorstelling





vrijdag 16 februari 2024

Drie gedichten uit 'Taalslag'-Jan M. Meier

blazoen


ze dwarrelen aan parachutes
drijven lijk zaaddoosjes het beeld in
de tros op een kermiskraam die net
voor zijn hand de lucht in gaat

niet voorspelbaar hoe ze opduiken
welke gedaante ze aannemen
gepantserd beest met blinkend gebit
glad gewalste steen kaatsend op water
 
hij grijpt naar lettergrepen in gruis
de as van nog smeulend vuur
het kleingeld in zijn zakken
en wat in het raam voorbij waait

hij gebruikt wat ieder ander achteloos
achterlaat, bouwt een luchtkasteel
uit sleetse term en gevallen letter
poetst uit puin, manco en gemis

een blazoen, ziel van zijn bestaan

© Jan M. Meier



leidraad


kunst is de witte hitte
van klinkers zo te koelen
dat ze uit te spreken zijn
als heldere parels rollen van de tong

op vingertoppen van groen geduld
wachten op wie wint
dauw nog op de gespannen woordhuid
het sap proef op de tong

bereken niet de dagschade
maar het lichtgewicht van dauwklank
bijt tanden niet stuk op wraak en wrevel
schommel op wat los laat

tuimel, duik en keer om
leen de blinde een hand
de goedgelovige dove een oor
de vrouw je dwaze droom


© Jan M. Meier


inktveeg


een sloep op nachtzee
insect in een halve okkernoot
hij hoort gelach in de golfslag
het onstuimige schuim van een droom

hij draait onder dubbeldeken van dons en wol
zoekt een wak om in diepte te verdwijnen
vindt opening in slaap, de wekker op vier bevroren
het moment van roerloos evenwicht

tussen gaande en kerende strandgolf
milliseconden tussen het klikken
van de klok, alsof tij zich
in het eigen mechaniekje verslikt

hij vaart over verticale lijnen
loodrecht op de richel van de horizon
spreekt zacht tegen de stroom in
schildert tekens voorbij de kantlijn

vloeit uit in paarse vegen inkt

© Jan M. Meier


Op zaterdag 9/3/2024 wordt in Drongen in de grote zaal van het Landgoed
de campagne om 15:30 u  de nieuwe dubbelbundel "Verstrengelingen"  van Jan M. Meier voorgesteld.

Het programma:
Bart Stouten leidt in en interviewt de dichter
Jan M. Meier en Diane Rutgheers lezen voor
Niels Poppe speelt op handpan

'Verstrengelingen' bestaat uit de bundels 'Taalslag' en 'Verstrengelingen'

Jan M. Meier op PoëzieCentraal 
Poëzie van Jan M. Meier
Alle info over de voorstelling




woensdag 14 februari 2024

Wonderen van mijn wereld - Hendrik Carette

De Drieëndertig Wonderen van Hendrik Carette
(ons toegestuurd op woensdag 14/2/2024)

"Wij waren boven de wereld en de wereld
was boven ons en drukte zwaar op ons
."
Nescio in Titaantjes



1) de Waddenzee bij eb waar ik ooit pleisterde en waar ik heb gewaad
2) de kreet van een pauw bij dag  
3) het gefladder van een kerkuil boven een kerkruïne in Damme bij nacht
4) het zien van een zwarte blinkende raaf in Raversijde bij windkracht acht
5) het vinden van een kievietsei in de verzande monding van het Zwin
6) de frisse zeelucht in Zoutelande
7) het Zeeuwse licht boven Domburg
8) het drinken van een jonge jenever in één van de elf steden van Friesland, het klein Siberië van de Nederlanden  
9) het blozen van een jonge pachtersdochter in de voutekamer van een boerenhof in Houthulst in het Houtland, aan de rand van  het Vrijbos
10) het ruisen van de bomen langs de haast onbevaren Damse vaart, aan de boorden van het onnutte en stille Napoleonkanaal  
11) het horen van een akelige misthoorn in de mist van een novemberdag op een verlaten strand ergens tussen Breskens en Cadzand
12) het staren naar een afgesleten fresco op de vochtige berookte muur van een volkscafé in Frans-Vlaanderen
13) het eten van een donkerbruine boterham met gezouten boter en droge vis in Lampernisse
14) de strandvonderij en het strandjutten op het strand van Vlieland
15) het helmgras en de verstuivende en instortende duinen van Ameland1
6) het drinken van een glas bier ( Bourgogne de Flandre) in café La Laiterie met die witgekalkte gevel in Zuienkerke   
17) de moeren van het verzonken moerenland
18) het klotsen van het reiewater tegen de keldermuur van een kelder onder de versteende binnenstad van Brugge
19) de geur van wierook en smeltende kaarsen in dat kerkje in de duinen van Mariakerke naast de graftombe van James Ensor
20) een gemaskerde boeteling in de boetprocessie van Veurne die    blootsvoets op de straatstenen op een stront trapt
21) het geschreeuw van een zeug die wordt gekeeld en dat tot ver over de akelige akkers van de Achterhoek hoorbaar is
22) de zondagsrust en het psalmgezang op Walcheren
23) het gregoriaans gezang in de abdij van Zevenkerken
24) de rattenkoning in de cloaca van de overwelfde Zenne
25) de godsdienstwaanzin en de schemering
26) de onzichtbare rivieren die volgens Nescio naar het ondergrondse meer van de haat vloeien
27) een boeddhistische tempel in de Ardennen
28) het hoorngeschal op de weg van Nijmegen naar Berg en Dal  
29) een diafane dag op het einde van juni
30) het promenadeconcert met de opwekkende muziek van de fanfare  van de Vrienden van Sint-Cecilia uit Westende, op een heldere zondagmorgen op de zeedijk van Oostende
31) de naakte borsten van alle aanwezige vrouwen tijdens een deftig en plechtig colloquium in de symposiumzaal van het kasteel van Male
32) de bede van de smekelingen en de ruigheid van het hart
33) de vreemdeling in onszelf, de vreemdeling in mezelf       
                 

© Hendrik Carette 
Schaarbeek, februari 2024




dinsdag 13 februari 2024

Elk begin bergt zijn einde

Over ‘De weg terug’ van Richard Foqué
Recensie Alain Delmotte


De poëzie van Richard Foqué kenmerkt zich door allerlei subtiliteiten. Formeel bevinden zijn gedichten zich kantje boord bij wat ‘woordpoëzie’ wordt genoemd. Dit laat zich zien door een neiging naar een verticale typografische schikking. Uit het aanwezige wit komt een beklemmende en urgente zoektocht naar het onuitspreekbare tevoorschijn. Spreken en zwijgen houden elkaar in evenwicht. Of brengen elkaar uit evenwicht.

Thematisch is er een existentiële problematiek. Er worden conflicten blootgelegd. Er is een spanningsveld tussen een ik-problematiek en een wereldse betrokkenheid. Er worden heel vaak innerlijke en desolate landschappen geëvoceerd als metaforen voor die spanningsvelden en existentiële eenzaamheid.  

In zijn nieuwe bundel ‘De weg terug’ staat het conflictueuze opnieuw centraal. Maar in een andere verwoording en in een ander opzet.

Kern van dat opzet lijkt me de antinomie. De bundel is doordacht gestructureerd (zonder dat het artificieel aanvoelt) zoals we dat bij Foqué gewoon zijn. De titel van de bundel is meerduidig. ‘De weg terug’: het zou kunnen inhouden dat iemand zijn afgelegde weg in beschouwing neemt, dat iemand zijn verleden en de herinneringen eraan zal pogen te inventariseren en te evalueren.

Hij loopt langs de vloedlijn
de jaren terug. De oude weg
naar spiegelend verleden
het kind tegemoet.


Maar in al zijn complexiteit zou de titel ook kunnen betekenen dat het beginpunt het eindpunt wordt, dat het eindpunt evenzeer het beginpunt is. Eeuwige wederkeer, eeuwige metamorfose. Begin en einde vallen samen:

Alles in één ogenblik.

Worden hiermee de potentiële antinomiën van het bestaan opgeheven of wordt hiermee de vicieuze cirkel, eigen aan het bestaan, weergegeven?  

Eenmaal komt de cirkel expliciet ter sprake:

Hij kan zo overleven
lopend langs water
in cirkels verdwaald.


Andere verzen dragen in zich een cirkelbeweging:

Thuis gebracht om te leven
weer te keren later
naar nergens vandaan

En uiteindelijk is de bundel in zijn geheel als een cirkelbeweging te ervaren: het introgedicht heet ‘Getijden’ net zoals het laatste gedicht uit de bundel.

Maar in de titel meen ik enkele beroemde regels uit de ‘Four Quartets’ van T.S. Eliot te horen nagalmen: ‘What we call the beginning is often the end/And to make an end is to make a beginning. /The end is where we start from.’ In het introgedicht staat het er zo:

Elk begin
bergt zijn einde,
einde, begin.
Tijd golft
er tussen.
Neemt het leven.


De sleutelwoorden ‘begin’en ‘einde’ zitten in de bundel verweven. En je weet als lezer nooit goed of dat ‘begin’ nu al dan wel of al dan niet het einde is. Een ambivalentie die de bundel helemaal opentrekt en meerdere lezingen toelaat.

Want de antinomie, zoals gezegd, lijkt me één van de bouwstenen in Foqué’s opzet. Het blijkt al uit de de titels van het uit twee cycli bestaande boek: ‘De orde van het gaan’ en ’De orde van het komen’. Tussen dat ‘gaan en komen’ herkennen we de aanwezige motieven van eb en vloed - een golfbeweging. De ondertitels verstevigen de antinomie: waterlijnen versus landlijnen. Wat het verschil is tussen beide is lezen we in het laatste gedicht:

Waterlijnen wissen.
Landlijnen trekken.


Onderhuids markeren die lijnen de thema’s aanwezigheid en afwezigheid, leven en dood. Sporen worden gewist, sporen worden achtergelaten. Opnieuw die golfbeweging. De tijd is een van de sleutelbegrippen uit de bundel. ‘De tijd ongemeten’, die van de blijvende continuïteit, die van het afwisselend begin en einde?

In de tijd ongemeten
begin en einde.
Het leven ongevraagd.
De ruimte gebakend.


En ‘De tijd gemeten’, die van de existentie?

Het is de hartslag
van de jaren
in de tijd gemeten.


Die opbouw aan tegenstellingen laat zich ingenieus zien in de eerste cyclus. De gedichten zijn er elkaars tegenbeeld. Het eerste gedicht draagt de titel ‘De tijd ongemeten’, het laatste ‘De tijd gemeten’. In de reeks zelf volgen afwisselend ‘eb’ en ‘vloed’ in zes gedichten elkaar op. Halfweg is er een gedicht ‘Doodtij’: opkomend water gaat over in afgaand water. Een soort verpozing, een uitstel dat op ‘af-wachten’ gelijkt binnen deze reeks.

Zo komt dat ene ogenblik
waar de zee het land
verlaten achterlaat,
het water roerloos wacht.


In deze cyclus komen eerder persoonlijke herinneringen aan wat is verdwenen (maar toch is bijgebleven) aan bod. Het neemt de allures van een confrontatie met zichzelf aan:

In een zilveren vlies
gespannen, zijn leven gekaderd.
Hij herkent het niet,
de gespiegelde man.
Onvermogen zichzelf te zien,
daar te gaan,
waar het antwoord wacht,
de waarheid onbegaanbaar.


Er is uiteraard ook de confrontatie met de dood en met de vraag ‘wat nadien’.

Schipper, zei hij,
kan ik overvaren
maar Charon
kent het antwoord niet.
Zijn boot vastgevroren
in onwetendheid al eeuwen.
Is er een overkant
een oever met ankerpunt?
Waar water land wordt,
slik vaste grond.

Binnen de gedichten herhalen zich woordelijk de motieven die in vele andere gedichten binnen de cyclus zijn terug te vinden. Er ontstaan verbanden. Het is bijvoorbeeld interessant om het eerste gedicht uit deze reeks ‘De tijd ongemeten’ te vergelijken met het afsluitende gedicht ‘De tijd gemeten’. Hoe er wordt  tegengesproken, gevarieerd, verschoven, losgekoppeld, aaneengeschakeld. Alsof de antinomieën het onder elkaar aan het uitvechten zijn. Er is duidelijk een verband tussen de eerste strofe van ‘De tijd ongemeten’ en de laatste strofe van de ‘De tijd gemeten’.

Eerste strofe van ‘De tijd ongemeten’

In de tijd ongemeten
begin en einde.
Het leven ongevraagd.
De ruimte gebakend
om grenzen te breken.
Tussen eb en vloed
De hartslag van de jaren
Als lijnen getekend
In zand om te verdwijnen.
God-spel van het lot.


Laatste strofe van ‘De tijd gemeten’

Het is de hartslag
van de jaren,
in de tijd gemeten
Eeuwige metamorfose,
gemaskerd en verborgen.
Het ene
verbergt het andere.
Het andere
verandert in het ene.
God-spel van het lot.


Deze vaststelling maakt de cyclus tot een samenhangend en volvoerd geheel.

De tweede cyclus is conceptueel ietsje anders: vijf gedichten met de repectievelijk titels ‘Val’, ‘Stilstand’, ‘Kering’, ‘Opstanding’ en het afsluitend gedicht ‘Getijden’ dat dus dezelfde titel heeft als het introgedicht. We kunnen uit de titels verschillende verhalen onderkennen.

In deze reeks zijn opnieuw tegenstellingen te detecteren (Het gedicht ‘Val’ staat tegenover het gedicht ‘Opstanding’; ’Stilstand’ tegenover ‘Kering’). Evenzeer valt een neerwaartse en opwaartse beweging op (dalen en stijgen, gaan en komen): eerst de ‘Val’ gevolgd door een ‘Stilstand’. Dan een keerpunt in het gedicht ‘Kering’ – wat een beetje dezelfde functie in de reeks vervult,  als ‘Doodtij’ in de vorige  cyclus. Dat keerpunt maakt een ‘Opstanding’ mogelijk. In ‘Getijden’ merk ik aanvaarding en synthese die een soort kans op een nieuwe dynamiek bieden.

Laat de eeuwigheid versmelten
met het licht van de sterren.
Zo het leven vloeibaar maken,
gegoten in de mallen van de tijd,
in de orde van het komen,
in de orde van het gaan.


Hier staat het eigen bestaan niet langer centraal. Hier komt met empathie de werkelijkheid van het wereldse (het ‘daar’) aan bod:

Daar,
voorbij het pad
uitgevreten
ligt de weg naar boven.
Daar.
Voorbij stervende kinderen,
die bedelen om brood.

Daar.
Voorbij blootsvoetse vrouwen,
die je ziel besluipen,
in wanhoop strompelend.
Daar.
Staart de dood in je ogen.
Uitgeteerd en verloren.

Symboliek laat zich hier meer onderscheiden dan in de vorige reeks. Bijvoorbeeld het opduikende woord ‘roos’ is op zich al een met grote symboliek en draagwijdte beladen woord. We komen in typerende uitzichten terecht. In eerste cyclus speelt uiteraard het ‘zeezicht’ een rol in een eerder horizontale setting: zand, water, eb- en vloedlijn, slik, oever, wind, licht, wolken, golven… In de tweede cyclus laat zich een landschap met meer reliëf van verticale aard zien. De eerste regels uit ‘Val’ geven het meteen aan:

Hoog
klieft de zon
het blauw doormidden.
Een zeil van lood
hangt over de vlakte,
drukt de heuvels
dwars door de vallei.


In heel deze cyclus verandert van gedicht tot gedicht het landschap van uitzicht. In ‘Val’ is het eerder van apocalyptische aard: aardbevingen, glijdende rotsen, braakland, huilende wind, opstandige aarde. ‘Stilstand’ maakt een balans op:

Veel is verloren
tussen oceaan en woestijn
tussen zand en water.
Grenzen gewist.
Verkoolde grond.
Termietenheuvels
uitgerookt.


Een landschap dat getuigt van ‘afwezigheid van genade’. Vanaf ‘Kering’ komt er meer kleur naar boven:

Rood, wit, groen en roze,
toetsen van blauw en geel.


Zo wordt landschap
gekaderd
in heuvelse omhelzing.


In ‘Opstanding’ is er sprake van een beloofd land.

Veel was verloren.
De tuin verborgen,
De veilige plaats.
Volg het pad van de muzen.
Proef de geuren
van een nieuw begin.
De valk is verdwenen.
Vrede komt
met de geur van een roos.


De ‘weg terug’ die deze gedichten volgen is die van het dystopische naar het utopische, van het degeneratieve naar het regeneratieve.

Met deze bundel getuigt Foqué nogmaals rijkelijk van vakkundigheid en groot inzicht in hoe je een bundel componeert en voor velerlei interpretaties vatbaar kunt maken. Deze bundel is af. Er (vol)trekken zich landlijnen tussen de gedichten uit beide cycli, in de betekenis van verbindingslijnen. Mooi om te observeren hoe die gedichten elkaar inpassen. Ik gaf hier enkele van die mogelijke verbindingen aan. De lezer ontdekt er wellicht meer. Want hoe meer je leest, hoe breder deze verzen aan betekenis winnen.


© Alain Delmotte

De weg terug’, Richard Foqué, Uitgeverij P, Leuven, ISBN 978 94 64757 21 7, 2023

 


zondag 11 februari 2024

Drie gedichten van Shabnam Baqhiri

 

De tweede date

‘’Ja klopt, je hoefde maar vier keer te raden, echt goed.’’
Het is niet zijn schuld.
Hij heeft het leven in zijn rechterhand.
Andere hand op mijn schouder.
‘’Hoe was de oorlog?’’
‘’Geen idee. Ik ben in Duitsland geboren.’’
Nu is hij in de war.
Onbegrip in ogen zorgt voor blijven en nooit meer weg willen,

© Shabnam Baqhiri


De tweehonderdste date

Het is laat geworden.
Te laat voor gevoelens
op stoelen of banken
waar ik op heb gelegen.
‘’Weet je nog?’’
Hij houdt nog steeds niet van ongemakkelijke stiltes.
‘’Weten komt met de jaren.’’
‘’Jij weet hoe ik me voel.
Heb je daar al spijt van?’’


© Shabnam Baqhiri


Van twaalf tot in de eeuwigheid  

Daar verstop ik mij voor stenen.
Daar worden ze over en weer gegooid.
Daar worden alleen vrouwen geraakt.
Daar zijn hersencellen pijnlijk afwezig.
Daar is de dood nooit ver weg.
Daar kijk ik in holle ogen.
Daar kan ik ze niet negeren.
Daar ga ik mijn best doen om ze te negeren.
Daar lijken dode hersencellen op mij.
Daar kom ik vandaan?

‘’Daar kom jij vandaan.’’

Het is moeilijk vast te stellen
wat de doodsoorzaak zal zijn.
Stenen produceren hier littekens.

Laat mij daar niet vandaan komen
alsjeblieft.

Ik zal blijven
ontkennen.


© Shabnam Baqhiri