dinsdag 23 november 2021

Waterland - Cyclus gedichten van RoBie Van Outryve

 1.

grijs

dat geen grijs
meer is

asgrauw

in de guurte
van verzilte wind

de zee

die haar golfslag
versnijdt schuim
uit de mondhoek
van de morgen
duwt

landwaarts

naar nerven
ingekerfde
stilte


2.

zwaarte
van wassend
water

haast

in drijvend
wrakhout
opgedrongen

stuwen

dat weerbarstig
weerstand
onderdrukt

uiteindelijk

dit landschap
een verwaterd oord
onmeedogend

het verzwelgen

3.

zachtaardig

als de zomer
in zijn milde marge
wolken mijdt windstil
rust verzint stijgt
de geur van wier
uit iedere engte

adem daarom diep
de tijd tijgebonden
schuift komen en gaan
aan het bitter
van brak water
zalvend voorbij


4.

wat rond schrale
woorden deint
waait in een waas
van warmte open

middag
nu weer
middelpunt

en helder
op dit netvlies
de zee schuurt
haar verzilverd
zwijgen uit


5.

de boog
van een schuit
aan zijn schaduw
gekluisterd

het klare klotsen
tegen een boeg
van doelloos
talmen

het wachten

dat voor anker
ligt


6.

baken

in het blikveld
ijkpunt voorbij
de boogscheut
van dit denken
ingeplant

een teken

voor zover het oog
naar verten speurt
verzandt rust
in de bezinking
van stilstand

niets gebeurt
tenzij

het zeilen


7.

pal

als een paal
boven water

staat een paal

pal

in het breedbegrensde
nergens


8.

twijfel

in wolken
opgestapeld

ingeteerde
somberheid

traagte
van grauw

licht

dat wenkt
en zwicht

onledig

door water
aangezuiverd


9.

hoor het wit
dat uit de mantel
van meeuwen glijdt

hoor het grijs
dat zich uit cirkels
van zweven scheurt

onrust

tussen land en lucht
krijsend bijkleurt


10.

elk woord
op zout gelegd
bewaart wat jubelt
tussen vel en vlees

languit vervlakt
een ruime leegte
waarin de tijd
tijdloos
getijen keert

ontzenuwd

aan oevers
oeverloze
herhaling


11.

is er een vuiltje
aan de lucht

jaagt een onweerswolk
wisselvallig vlekken
licht en schaduw
over het watermerk
van de leegte

helder en hoog

op het gespan
van de regenboog
meten hemelen
hun hemelsbreed
verschil


12.

aangeslibd

op het modderbed
van de herinnering

een klaarte
blinkend op klei

gekarteld

donkerten
drassig groen

aards geaderd

geraakt en vertekend
door eb en vloed


13.
 

plek
pleisterplaats
bij uitstek plek

hier schrijf ik de zin
voor terugkeer neer
om door een vlies
van verwondering

te kijken

hoe de inborst
van dit landschap
haar beelden balsemt
tussen de weke wervels
van het woord

water

 

© RoBie Van Outryve

44 > < 77 vader-dochter tentoonstelling RoBie en Anne Van Outryve  
RoBie Van Outryve bij De Schaal van Digther
Waterland-bericht bij DSvD




maandag 22 november 2021

Waterland van RoBie Van Outryve

Van 19/9/2021 tot en met 17/10/2021 liep in Galerij Montanus 5 in Diksmuide "Geverfde landschappen" een mooie dubbeltentoonstelling met schilderijen en ander werk van RoBie Van Outryve en van zijn dochter Anne Van Outryve. Beiden delen, en dat is af te lezen van hun gehele  oeuvre, een intense interesse voor het landschap. 44 ><77 was de cijferspeling die aanleiding gaf tot de tentoonstelling (zie ook de bijgaande affiche).

RoBie is niet alleen schilder maar sinds jaar en dag ook dichter. Naar aanleiding van de tentoonstelling werd ook de artisanale uitgave ‘Waterland’ voorgesteld. De map bevat een cyclus van dertien gedichten van RoBie vergezeld van een origineel werkje op papier van hem van dochter Anne. De volledige Waterland-cyclus kunnen we hier morgen met toestemming van de auteur in haar geheel plaatsen.

In zijn inleiding op ‘Waterland’ schreef Roger De Neef onder meer:
Met die samenklank ‘Water- Land’, twee begrippen die elkaar hevig en innig bevechten, kan de Westhoek met zijn drie Frontsteden indringend geduid en omschreven worden; bij uitbreiding ook de natuurreservaten en ‘schuldige’ landschappen met oorlogswonden om en rond de Somme, in de Hauts-de-France.

WaterLand verrast ons als de titel van een verzenbundel met dertien breed ademende en vooral vloeiende landschapsgedichten die RoBie Van Outryve ongeveer dertig jaar geleden schreef en thans voor het eerst als bibliofiele uitgave in een beperkte oplage voorstelt.

De bundel bevat naast de dertien gedichten eveneens twee originele werkjes op papier, een van dochter Anne Vanoutryve en een van de auteur-schilder zelf. Onafhankelijk van elkaar lieten zij zich in hun werkstukken, behalve door de gedichten, leiden door de manier waarop zij landschappen ervaren en met oplettende verf vorm geven en bestendigen.


Website Anne Van Outryve
Kunst in huis-RoBie Van Outryve
Website Roger Deneef

44 > < 77 vader-dochter tentoonstelling RoBie en Anne Van Outryve 
RoBie Van Outryve bij De Schaal van Digther






 

zondag 21 november 2021

Terzinen geschreven op het scherp van het bestaan

Inleiding van Paul Rigolle op 'Schreeuw mijn aarde', de nieuwe bundel van Toon Vanlaere

Met zijn vijfde bundel, zijn vijfde op rij ook bij Uitgeverij P, neemt Toon Vanlaere ons mee op een diepgaande poëtische excursie richting kern van het bestaan, richting midden aarde. Een ware wordingsgeschiedenis, ja zelfs scheppingsverhaal. Ik had de eer om de bundel als een van de eersten te mogen lezen en ik kan jullie van bij het begin van dit inleidend betoog al meteen verzekeren dat Schreeuw mijn aarde een dichtbundel is die aan de ribben kleeft.

In deze bundel die vooraan dit jaar nog de werktitel ‘Archief van toekomstige woorden’ droeg, schrijft en boetseert Toon Vanlaere met grove en minder grove klei een poëtische inventaris van de aarde bij elkaar. Daarbij schuwt hij geen enkel groot aards thema. Zijn poëzie is niet bang om zich letterlijk en figuurlijk vuil te maken aan de aarde. Het kind dat verboden wordt om zich ongedwongen bij het spelen vuil te maken staat hier heel ver van ons af. Alle facetten van de huid, het weefsel en het hart van de aarde heeft Vanlaere, in de handen van de taal spuwend, in deze bundel omgewoeld, omgespit, verkend, gecultiveerd en naar boven gehaald. Schreeuw mijn aarde ontgint de grensgebieden van het aards bestaan. Hij zet in, als ik goed geteld heb, niet minder dan 45 gedichten zowel een hymne voor als een afrekening met de aarde neer.

Ik lees ’s ter illustratie het eerste gedicht zodat je meteen weet wat je verwachten kan.

Het weefsel waarin

Kon ik toen met een rood schopje over mijn aarde glijden
als over een huid, zonder het een strelen te noemen?  
Zoals een kind aarde gladstrijkt om er een knikkerbaan
 
van te maken. Ik stond daar alleen met mijn schopje.
Aarde was de schepping waarmee ik niet kon praten.
Ik moest iets tastbaars schreeuwen om zand
 
uit mijn keel te hoesten. Ik beet in mijn polsen.   
Was ik echt? Of was mijn lijfje een handpop?
Mijn schop bleef steken in de kop van een berm.  

Zo is meteen de toon gezet. Niet onbelangrijk ook is hier even de opdracht te vermelden die Toon Vanlaere aan dit eerste en aan alle volgende gedichten laat voorafgaan. En hoe hij dat formuleert:

Voor wie veerkrachtig op aarde wil dansen.
Voor wie op harde grond heeft geknield.
Voor wie omwille van de aarde heeft gesmeekt, bemind, gespuwd, gejuicht.

Geef toe met een opdracht als deze kun je niet anders dan je als lotgenoot van de dichter, en net zo rechtop lopend op de aarde, aangesproken te voelen.
En toch is het, nu deze bundel er effectief is, vreemd om van Toon te horen dat hij lang gedacht heeft dat er van hem nooit nog een bundel zou verschijnen.  Niet dus, al heeft die rare pandemie-periode daar ook wel wat mee te maken. Ineens vond hij in de afzondering weer de drive en de inspiratie om aan nieuwe gedichten te werken.

In een van zijn eerste mails die hij mij begin dit jaar over de bundel schreef, zei hij:
Mijn nieuwe bundel is ook voor mezelf een verrassing. Het is heel heftig geweest. Als het ware een geboorte zonder verdoving. Het is geen prettige bundel. Ik ben heel diep geweest. En ik wilde een vormvaste bundel. Alle gedichten bestaan uit drie terzinen. En vanuit die beperking heb ik mij een stijl moeten aanmeten. Heel grimmig en rauw. Alles draait om leven met aarde. En in die zin is de bundel ook - maar heel breed - gelinkt aan de klimaatopwarming.

Tijdens een voorbereidend gesprek bevestigde hij mij op een mooie donderdagnamiddag in september dat het schrijven een erg intense aangelegenheid was geweest. “Weetje wat zo’n bundel vergt van een mens? Je loopt er maanden, soms jaren mee rond, je gaat er mee slapen en je staat ermee op. Intensief werk. Het is mijn vijfde bundel en ik heb het gevoel dat ik nooit eerder de boetseerklei van de taal zo heb gekneed.

Maar anderzijds zei hij ook: “Ik heb nu ’s alles gegeven wat ik kon zonder ook maar een moment rekening te houden met externe elementen en factoren… Ik heb mij nu ’s van niets of niemand iets aangetrokken. Ik hoefde niemand te pleasen, dat gevoel had ik heel sterk. Ik heb in Schreeuw mijn aarde echt geschreven zoals ik wilde schrijven.”

De thematiek en de inhoud van ‘Schreeuw mijn aarde’ mag dan indringend en prangend zijn, ze hoeft, voor wie het vroegere werk van Toon Vanlaere een beetje kent, niet te verbazen. Al in zijn allereerste bundel, Notaris van de kleine akker uit het jaar 2000, staan er al gedichten die intens refereren aan de aarde. Gedichten met als titels ‘Opgravingen, Graver, Archeoloog, Reconstructie, Amfitheater, Kleitablet, Paardenbit, Schraper… Alleen al te merken en te horen aan die titels kun je zeggen dat 21 jaar na zijn debuut en zowat 150 gedichten later een bundel als “Schreeuw mijn aarde” niet uit de lucht komt vallen.
In het gedicht Archeoloog uit die eerste bundel staat de strofe “Langzaam uit aarde losgewikkeld/kan de vondst/het ijle luchtruim nauwelijks/aan".

Wie de cover bekijkt is meteen getroffen door het beeld waarmee de kaft is uitgevoerd. Paul de Doncker waarmee Toon al langer samenwerkt maakte voor de gelegenheid een tekening los uit zijn boek ‘Sub rosa’, ‘Onder de roos’ die perfect past bij de indringende inhoud van het boek.

Aan de gedichten uit Schreeuw mijn aarde gaat een intense vroege herinnering van Toon vooraf. Hij vertelde mij een anekdote die mij lichtjes verbijsterde en die zijn verhouding met de aarde een flink pak duidelijker maakt. Hij was nog heel jong, begin jaren vijftig, toen zijn vader, de landbouwer, hem ’s op een goeie dag meenam met emmer, schopje en touw naar het einde van een van hun akkers. Daar bleek een rioolbuis verstopt geraakt te zijn met aarde. Toon, die nog klein genoeg was om in de buis te kunnen kruipen, kreeg de taak om die buis vrij te maken zodat het water weer van de akker zou worden afgeleid. Met zijn schopje en zijn emmer begon de kleine Toon de aarde uit de buis te schrapen. Tot hij op een bepaald ogenblik vast kwam te zitten en opgesloten raakte. Het was de aanleiding tot een levenslange vorm van claustrofobie. Uiteindelijk kon hij door zijn vader worden bevrijd. Toon Vanlaere noemt het sindsdien een beetje metaforisch zijn tweede, maar dan vaderlijke geboorte. Het is niet niets wat zo’n ervaring met een kind doet. Maar gek genoeg, vertelt hij, was hij niet kwaad op zijn vader. Nee, hij was kwaad op de aarde die hem had ingesloten.

En zo zie je maar dat de aarde niet enkel symbool staat voor ongebreidelde groei en vruchtbaarheid maar ook bijzonder bedreigend kan overkomen. Toon heeft de anekdote niet expliciet in zijn bundel verwerkt maar ze maakt wel een en ander duidelijk over zijn fixatie en fascinatie voor de aarde. Dat intense ervaringen uit de jeugd vaak bepalend zijn voor het latere creatieve werk van dichters en kunstenaars, moeten we in deze niet vertellen. “Wij zijn immers onze kindertijd” weet ook Toon! Het rode schopje in het eerste gedicht is al meteen een motief. De landelijke jeugd op de boerderij is voor Toon altijd een waardevolle voedingsbron geweest voor zijn poëzie. Zijn gedichten bevatten veel beelden van vroeger die de ouderen onder ons moeiteloos zullen herkennen. Een dichter werkt niet met woorden, verklaart Toon, hij werkt met beelden. Vanlaere roept een wereld op die doorheen de voorbije decennia hopeloos is verloren gegaan maar niettemin heel sterk in ons blijft bestaan. De dingen van de jeugd gaan immers wel voorbij, maar nooit over. Het bloed opvangen van op de boerderij geslachte varkens, de magie van - je mag het niet luidop meer zeggen - het roven van vogelnesten. “We hadden 365 wilgen”, vertelt Toon, we kropen daarin en mijn lichaam vertoont nog altijd littekens van uit de bomen te vallen. Het spelen met salamanders, ‘lokketissen’ in het beschaafd West-Vlaams. De bijen in hun nesten kwaad maken, met de hand of met een stok, nesten die gaan gonzen wanneer je er de hand oplegt… Het zijn allemaal zaken die mee de voedingsbodem vormen voor de poëzie van deze dichter.
Ook het feit dat hij zowat tien jaar van zijn vroege jonge leven in internaten in Haasrode en Torhout heeft moeten doorbrengen, heeft hem getekend. Het maakte dat hij zich vervreemd ging voelen van wat hem lief was. Maar toen ook heeft de natuur hem gered.

In de cyclus “Zeven aardsacramenten” evoceert hij, de schuilplekjongen, ook de vroege jaren van een nog streng geloof. “Als een mens in stof uiteenvalt, is dat stof dan nog menselijk”, staat er. En ook “Erbarm u onzer”. De hechte band met de aarde en de natuur is bij Toon nooit weggegaan. Op latere leeftijd heeft Toon zelfs nog met de graanblazer meegeholpen aan de oogst.

Het mag niet verbazen dat de dichter in deze bundel vaak de aarde aanspreekt. In het gedicht ‘Aderen in zaad’ staat:  Aarde, ik loop met pezen uit jouw hiel.” Maar toch weet de dichter ook geregeld los te komen van de aarde. Er is het gedicht Boompijn bijvoorbeeld waarin de dichter zegt: geen aarde kan me nog raken. Ook dit gedicht is trouwens gebaseerd op een concreet gegeven uit het leven van de dichter. We hadden in onze boomgaard een troostboom. Als er iets niet ging, gingen we onder die boom zitten. Stilzwijgend trokken we daar naartoe.
We noemden hem de kameel omdat hij een gebogen stam had.


Het gedicht gaat zo:

Boompijn
 
Diep in de boomgaard staat de troostboom.
Vlees van hout, huid op takken. Wat is pijn
als ze langs de stam klimt, verdampt in bladeren?
 
Korst op het loof van fruitbomen.  
De pezen van de boom vormen de trapeze  
waaraan ik me vastklamp.
 
Een lange zenuw zegt me dat ik schommel.
Ik hang aan touwen die ik vertrouw.
Geen aarde kan me nog raken.


Opmerkelijk is voorts hoeveel vragen er in de gedichten staan. “Was mijn lijfje een handpop?”, “Wie heeft nog meer varkenskoppen?”,”Wie zegt mij welke kant van het mes het scherpst is?” “Wie blijven we zien als de ware? De indringer? Wie blind wegliep? Wiens bord geeft een doffe klank? Wie treft schuld toen niemand er was? Wat zalft ons van boven tot onderen? En er staan er nog veel meer in.

Heel regelmatig is dit een harde confronterende bundel. De gedichten zijn stevig in de aarde geënt. Geaard zou ik zeggen. Ze lijken soms in een geut, in een breed zaaigebaar in de grond gebracht. Gepoot. Neergepoot. Rechttoe, rechtaan. Niet fijn- maar eerder ruwborstelig.

Ook de titels van de drie cycli waarin de bundel is opgedeeld vertellen op dat vlak boekdelen.

Zure room van aarde
Spuwen op de verdorring
en de derde: het dunne schrapen van ontbering


Wat prettig aanvoelt is de hechte structuur waarin de bundel gegoten is. Schreeuw mijn aarde bestaat uit niets anders dan terzinen, drieregelige strofen. Drie strofen per gedicht. Ik moest even aan dat fantastische ‘La Divina Commedia’ van Dante denken. De Goddelijke Komedie van vooraan in de veertiende eeuw bestaat immers uit meer dan 3000 terzinen. Schreeuw mijn aarde komt dus, als ik het goed heb aan 45 gedichten x 3 of 135 terzinen. Toon heeft dus nog wat werk wil hij zich met de beroemde Florentijn meten. Vormvastheid zorgt in goeie handen (vreemd genoeg altijd) voor vrijheid! En ze dient het geheel. Er is over nagedacht. En toch doen de verzen binnenin het gedicht wat korrelig, hoekig aan. Het schuurt regelmatig in deze taal. Mager zoals de aarde soms kan zijn. Gelaagd, een voetafdruk op het land. De dichter hanteert zonder franjes ook elementen uit de spreektaal. Hij gebruikt ordinaire wendingen en taal die af en toe bagatelliseert.

Een van de kernbegrippen uit de bundel is het woord ‘Schaarste’. Toon Vanlaere verheelt niet dat ze het bij hem op de boerderij in zijn jeugd niet breed hebben gehad. Ze hadden genoeg maar dat was ook alles. Wellicht is die lijfelijke ervaring ook de verklaring waarom er zoveel schaarste en leegte spreekt uit de bundel. Je kunt veel kanten uit met de aarde maar de boerenstiel is lang niet meer de makkelijkste. In Perceeldrift zegt de dichter: “De boerenstiel geeft ons slechts het vel op de melk.”
Ook in zijn compacte stijl bespaart de dichter op ‘weelde’. Als voorbeeld is er het gedicht ‘De Snee’.

De Snee

We houden niet op iets te verliezen.
Schaarste ligt in lege nesten uitgebroed.
We eten zwijgend. Niemand durft het vlees
 
te overschreeuwen. Wie zegt mij welke kant
van het mes het scherpst is? Met een armlengte
voorsprong grijpt iemand een brok. Ik plet
 
met mijn tanden wat jij niet hebt gekauwd.  
Een beugel belet me te slikken
wat beet na beet wordt ingezet.

Een van de kernvragen van de hele bundel is ‘Bezitten wij de aarde? Of behoren wij de aarde toe?
Toon heeft het zichzelf en ook ons met deze bundel niet makkelijk gemaakt… Schreeuw mijn aarde is een zeer consistente bundel geworden waarin de taal schrikt en schikt, wikt en wrikt, wroet ook. Maar niettemin ook elegant kan en mag zijn. De dichter wordt een landbewerker die de aarde aanschouwt in haar algehele essentie. Noestig, doorgrond, dooraderd…
Er zit ook veel tweespalt in. Tussen man en vrouw, grond en hemel, jeugd en ouderdom, tussen lijf en aarde, stof en as, vlees en bloed…
Talloos zijn de verzen die blijven hangen, beklijven, nazinderen… De bundel staat bol van de existentiële regels. ”Een hond bijt zich in zijn hoest vast”. “Vechtaarde wil duwen als een mol”, “Het graan heeft de baard in de keel”, “We zuigen de ruggegraat van de aarde leeg”. “Familieverhalen zitten in tattoos uitgespaard”.

In het allerlaatste gedicht vinden we het rode schopje van bij het begin terug. Het slotgedicht lijkt daarmee de cirkel rond te maken.

Adem van elders

Ik zoek een lichaam waarin ik genees van stof en as.
Mijn geboorte moet ik met bestaan doordrenken.
Ik was het kind dat niet bestond.
 
Een schopje had ik. Het was rood geverfd.
Wat ontbrak was de huisjesslak die ik aanbad.
Ik had ze omhelsd om bij haar in te breken.     
 
Een mond zocht ik om adem te ontvreemden.   
Ik moet nog kinderkleding dragen om op te groeien.  
Ik pel het vel van aarde. Daar is ze. Dampend.   
 
Je kunt niet los schrijven van de wereld. Dat is wat Toon Vanlaere ons met deze bundel leert. Niet toevallig heeft hij de quotes die hem frappeerden  terwijl hij de bundel schreef, achteraan in zijn bundel opgenomen.

'Schreeuw mijn aarde' is een bundel geworden op het scherp van het bestaan. Werk van een ouder geworden dichter die zijn eigen existentie, en bij uitbreiding die van de mens, vrank en vrij in de ogen kijkt, durft te kijken. De schuilplekjongen is uit zijn beschutting getreden. Hij legt de grondtoon van ons bestaan bloot. Rakend aan de blote existentie van wie we allen zijn. Het is een bundel die ontgint. En ook af en toe op een mijnenveld stoot. Want ook dat is de aarde. Een geheugen van de tijd. Het is voor Toon Vanlaere niet alleen “Schreeuw mijn aarde”, het is ook en vooral “Schreeuw mijn poëzie”. Ik begrijp niet altijd wat ik geschreven heb, zei Toon Vanlaere mij tijdens het gesprek... Maar da’s ook niet nodig. De poëzie ontstaat in de lezer. Je koopt een toegangsticket tot je eigen beelden. De Nederlandse dichter Henk van der Waal schreef ooit “Het kunstwerk of gedicht is niet het resultaat van een influistering, eerder een antwoord op het uitblijven daarvan.

Van een van zijn vroege leraars Guido Cafmeyer leerde hij dat er in het hoofd van ieder van ons een klein creatief theatertje zit, maar dat maar weinig mensen het ook echt gebruiken. Wel kijk aan het slot van dit betoog wens ik ons allemaal toe dat we dat kleine theatertje in ons hoofd goed blijven ontginnen en verzorgen. Voorts hoop ik dat deze nieuwe bundel van Toon Vanlaere meer dan geregeld zijn Schreeuw zal laten horen! In de aarde, en in de wereld.


© Paul Rigolle
Pittem, vrijdag 8 oktober 2021.


Deze tekst die hier lichte aanpassingen bevat, werd op vrijdag 8 oktober 2021 in Pittem, het thuisdorp van de dichter, uitgesproken voor een talrijk opgekomen publiek. De bundel krijgt bij uitgeverij P al meteen een tweede druk die in januari 2022 zal verschijnen.


Toon Vanlaere bij Uitgeverij P
Wikipedia-pagina Toon Vanlaere
Toon Vanlaere bij De Schaal van Digther

Schreeuw mijn aarde, Uitgeverij P, 2021, 64 pagina's










dinsdag 9 november 2021

klimaatverandering - Ann Van Dessel

wanneer het ijs in onze harten smelt
breken de dijken van onze oordelen
de overstroming is ongehoord

overtuigingen buitelen over elkaar
en nemen in hun razen alle loslippige
woorden mee. we weten, angst

laat zich niet blussen met bloed
herinneringen aan onze wortels
breken in bosbranden uit onze hoofden

we ruimen het puin uit onze monden
gooien grenzen in de vuurmand
en brengen een rookoffer voor de leegte

die zingt. wij zijn onze eigen
wachters op een nieuwe adem   

© Ann Van Dessel
 

Uit de nieuwe bundel ‘Als de lucht valt’ van Ann Van Dessel die op zaterdag 20 november 2021 wordt voorgesteld in Mortsel.

Meer info:
Website Ann Van Dessel, Uitgeverij P en dit Digther-bericht.




maandag 8 november 2021

koeien - Ann Van Dessel

ze dragen de namen van hun moeders
die de namen van hun moeders dragen en zo gaat dat
generaties door, alleen een nummer aan hun oor
geeft recht op enig privé bestaan

ze nemen hun collectief geheugen te grazen
herkauwen herinneringen aan vers gras
en leggen zich neer in een voorschoot van een weiland

in de dunne lende tussen Vaart en Leuvensesteenweg
loeren gigantische bedrijven op het aasgeld
van wie zich blind laat uitmelken

maar zolang één fietser opkijkt, zullen ze blijven
liggen in de tijd, herinneringen herkauwen
aan de moeders van hun moeders en nergens is haast
want gras wordt groen geboren


© Ann Van Dessel


Uit de nieuwe bundel ‘Als de lucht valt’ van Ann Van Dessel die op zaterdag 20 november 2021 wordt voorgesteld in Mortsel.

Meer info:
Website Ann Van Dessel, Uitgeverij P en dit Digther-bericht.


zondag 7 november 2021

zo hoort het - Ann Van Dessel

onze zangvogels, door wetenschappelijk onderzoek
uitgefloten omdat ze niet toonvast zingen
imiteren slechts feilloos je gsm-beltoon

of de notenkraker van Tjaikovski en halen helaas
verschillende toonsoorten door elkaar
wat jammer toch dat ze niet passen

in het strakke maatpak van de notenleer
dan konden we hun stemmen classificeren
evalueren en rangschikken op de toonladder

van twijfelachtig tot uitstekend
en de wereld weer recht kwaken
waar luchtzinnig wordt gekwetterd


© Ann Van Dessel


Uit de nieuwe bundel ‘Als de lucht valt’ van Ann Van Dessel die op zaterdag 20 november 2021 wordt voorgesteld in Mortsel.

Meer info:
Website Ann Van Dessel, Uitgeverij P en dit Digther-bericht.




zaterdag 6 november 2021

chronos - Ann Van Dessel

het bureau van grootvader ruikt
naar beurs geworden geduld
dag na dag bijeen gespaard
en weggestopt in minuscule laatjes

daar sorteer ik de veertjes en radertjes
van de taal, zet met pincet mijn zinnen
in elkaar. grootvader was horlogemaker
aan zijn pokdalig bureau las ik

lettergrepen aan elkaar, wind
woorden op, polijst betekenissen
tot ze kloppen als een klok
nog kijkt hij over mijn schouder mee

een diepe frons zet de loep vast
zijn oog brengt mijn woorden in de war  
zoals destijds zijn hand mijn haar
op zijn schoot schrijf ik de tijd uit

met ultrageluid gewassen verzen
leggen zich te luisteren naar mijn pen


© Ann Van Dessel


Uit de nieuwe bundel ‘Als de lucht valt’ van Ann Van Dessel die op zaterdag 20 november 2021 wordt voorgesteld in Mortsel.

Meer info:
Website Ann Van Dessel, Uitgeverij P en dit Digther-bericht.





vrijdag 5 november 2021

Als de lucht valt - Nieuwe bundel van Ann Van Dessel

Als de lucht valt (Uitgeverij P Leuven) is de titel van de nieuwe dichtbundel van Ann Van Dessel die  op zaterdag 20 november 2021 om 15u wordt voorgesteld in de Kaleidoscoop in Mortsel.

De Schaal van Digther is verheugd om hier in de komende dagen vier gedichten uit de bundel te kunnen publiceren. Het zijn de gedichten chronos, zo hoort het, koeien en klimaatverandering.

Flaptekst (voor)

Als de lucht valt, zijn alle mussen dood, klinkt behoorlijk apocalyptisch. In haar nieuwe bundel zet Ann Van Dessel inderdaad en bij momenten letterlijk de wereld op z’n kop. Want de tijd stort in en als er sterren in het gras gloeien lijkt de dood dichtbij. Die wordt als een oude vriend in de ogen gekeken. Vers na vers geeft de leegte zich bloot. Die blijkt geen angstwekkende diepte maar een levende bron van mogelijkheden te zijn.

Van Dessel schrijft lang nog geen einde aan de wereld. Integendeel. Als straks de lucht valt / leggen we de zon in een bergkom / zetten we voorzichtig / de hemel op aarde neer.

Als de lucht valt leest als een openbaring. Om te kunnen vliegen hoeven we de zwaartekracht slechts te herschrijven

Flaptekst (achter)

Dichter en schrijfcoach Ann Van Dessel woont in Mortsel.

Haar bundels Een kei in duren (2013) en Toverstroming (2017) verschenen bij Uitgeverij PLeuven.

Als de lucht valt staat op stapel.

Samen met H. Pinnoo, E. Steyaert, H. Van Cauteren en D. Billiet schreef zij Een kier in het rumoer, een bundel vol stiltegedichten en Lopen op los zand: gedichten om kanker neer te schrijven, ook uitgegeven door Uitgeverij P.

Ann is lid van Campo Copla, een kleinschalig dichterscollectief dat op grote schaal schrijf- en levensvreugde veroorzaakt.

Ann is overtuigd Klimaatdichter en Dichter van Wacht in hart en pen.

Missie: poëzie van het voetstuk halen en terug aan de mensen geven. Want poëzie is van iedereen. En iedereen is poëzie. 

Website Ann Van Dessel
Ann Van Dessel bij Uitgeverij P

 



Ann Van Dessel - Foto © R.Vollekindt

zondag 31 oktober 2021

waai - Monique Bol

ik tel ze op mijn vingers, de geluiden
het tsjirpen, geruis, een reiger
die vist in de vijver, een kind
met gele laarzen pletsend in een plas

ik hoor de waai van stil
een plons, krakende takken, sparren
die tikken. blozende bladeren spetteren.
een dennenappel valt

ik dwarrel tussen paars en purper
laat wensen waaien. ik huil om niets
en om alles. ik zoen een boom vol zon
ik zucht de stilte in mezelf


© Monique Bol


Uit de bundel “er liggen twee holtes op je kussen” die op 9/11/2021 verschijnt bij Uitgeverij C. de Vries-Brouwers

Monique Bol (°Hoogstraten, 1966) observeert in haar poëziedebuut wat personages drijft. Ze lardeert eenzaamheid en verlies met schoonheid en een vleug humor. (Citaat achterflap) 

Meer info en bestellen via Uitgeverij C. de Vries-Brouwers 
Site Monique Bol

Monique Bol schreef over haar poëzie, en haar eerste pogingen daartoe, overigens een mooie bekroonde brief die op de site van het Letterenhuis staat. Gericht aan de diepbetreurde dichteres Marleen De Crée die verleden week overleden is.

https://www.letterenhuis.be/nl/pagina/brief-aan-marleen-de-crée





zaterdag 30 oktober 2021

midzomer - Monique Bol

het huis kraakt. mijn pink draait cirkels
in het stof op de platenspeler. ik leg er mijn bril, val
achterover in bloemen, ze vermommen muf linnen

buiten bromt de nachtkar, langs de staande klok
waait gerommel. de koekoek verbergt zich
achter het scheve deurtje. tussen raam en bed

beweegt een beest in de wind. waas belemmert
mijn zicht. feest dreunt na. ik heb dorst, tel
tot zestig en terug. mijn oren vangen druppels

schreeuwen, tsjirpen. bij dageraad pak ik mijn bril.
het monster wordt weer kapstok, achteloos
verpakt in oude hoed en winterjassen


© Monique Bol


Uit de bundel “er liggen twee holtes op je kussen” die op 9/11/2021 verschijnt bij Uitgeverij C. de Vries-Brouwers

Monique Bol (°Hoogstraten, 1966) observeert in haar poëziedebuut wat personages drijft. Ze lardeert eenzaamheid en verlies met schoonheid en een vleug humor. (Citaat achterflap) 

Meer info en bestellen via Uitgeverij C. de Vries-Brouwers 
Site Monique Bol

Monique Bol schreef over haar poëzie, en haar eerste pogingen daartoe, overigens een mooie bekroonde brief die op de site van het Letterenhuis staat. Gericht aan de diepbetreurde dichteres Marleen De Crée die verleden week overleden is.

https://www.letterenhuis.be/nl/pagina/brief-aan-marleen-de-crée





vrijdag 29 oktober 2021

afscheid - Monique Bol

de sporen blinken als de bomen en de letters
op een dradenkast en een bord met een zeven op
half afgebladderd, de vier bleef overeind
op het perron. een man en een vrouw
proeven elkaars getuite lippen, even nog
een laatste oogcontact, hun handen lossen.
hij stapt weg en hij stapt op

ik ben opeens klaarwakker

gescheiden door het glas sturen ze elkaar
de ogen strak op het scherm in de hand.
ze schatert nu, blijft maar staren naar het scherm
ze raakt een tepel, schudt de haren
toont de hals voor een ingekaderde kus
onder het bord met de zeven en de vier

pas bij het fluitsignaal kijkt ze op.
een snelle zwaai en weg zijn wij.
wat zou ik graag
hun stortvloed van berichten lezen


© Monique Bol


Uit de bundel “er liggen twee holtes op je kussen” die op 9/11/2021 verschijnt bij Uitgeverij C. de Vries-Brouwers

Monique Bol (°Hoogstraten, 1966) observeert in haar poëziedebuut wat personages drijft. Ze lardeert eenzaamheid en verlies met schoonheid en een vleug humor. (Citaat achterflap) 

Meer info en bestellen via Uitgeverij C. de Vries-Brouwers 
Site Monique Bol

Monique Bol schreef over haar poëzie, en haar eerste pogingen daartoe, overigens een mooie bekroonde brief die op de site van het Letterenhuis staat. Gericht aan de diepbetreurde dichteres Marleen De Crée die verleden week overleden is.

https://www.letterenhuis.be/nl/pagina/brief-aan-marleen-de-crée





zaterdag 23 oktober 2021

Kats! - Nieuwe publicatie van Johan Wambacq

Van dichter Johan Wambacq is een nieuw boek uit. Dit keer gaat het om literaire non-fictie. In 'Kats!' verhaalt Wambacq over de negentiende-eeuwse Brusselaar Jakob Kats. "Of hoe in in de vroege negentiende eeuw een Brusselse theatermaker aan de wieg van het socialisme stond".

Het boek is een literaire documentaire over ‘de origineelste van de internationale socialistische pioniers, de schepper van de eerste arbeidersvereniging en van het eerste volkstheater in Vlaanderen’.

Kats! is geen historisch-wetenschappelijke studie maar een non-fictieboek, een literaire documentaire die de figuur en het werk van Jacob Kats tot leven wil wekken, die zijn tijd tekent en zijn werk beschrijft tegen de achtergrond van onze tijd.

Auteur Johan Wambacq brengt het relaas van Kats’ avontuurlijke en spannende leven en van de bewogen negentiende eeuw. Hij laat Kats zelf aan het woord in uitgebreide citaten uit diens teksten en toneelstukken. En hij brengt een gesprek op gang tussen auteurs en historici van toen en van vandaag. Daartussen mijmert Wambacq een eind weg over thema’s die ons vandaag nog beroeren, bijvoorbeeld het basisinkomen of de idee van een ‘wereldtaal’.

Kats! Of hoe in de vroege negentiende eeuw een Brusselse theatermaker aan de wieg van het socialisme stond verschijnt in het najaar van 2021, in een co-editie van Fluxenberg en Mammoet, een imprint van uitgeverij EPO.


Extern:
Kats bij Uitgeverij Fluxenberg
Thuissite Johan Wambacq
Johan Wambacq bij De Schaal van Digther




vrijdag 22 oktober 2021

Een stedeling op Borgtocht

Alain Delmotte over Borgtocht, de Verzamelde poëzie van Renaat Ramon.

Een dichter (en daarin verschilt hij niet van zijn lezers) leeft op ‘borgtocht’ tot op de dag dat hij onherroepelijk wordt ‘gedagvaard’ en hem de taal wordt ontnomen. Al verschenen in 2021 Renaat Ramons ‘Verzamelde gedichten’ (onder de titel Borgtocht), het betekent geenszins dat zijn oeuvre af zou zijn. Het zal het trouwens nooit zijn: een poëtisch oeuvre wordt enkel afgebroken – na de dagvaarding. We citeren James Sacré : ‘Le livre ne sait pas si viendra un dernier poème sinon par la disparition de la main qui l’écrit.[1] – ‘Het boek weet niet of er nog een laatste gedicht komt tenzij door het verdwijnen van de hand die het schrijft.’

In deze flinke bundeling staat een nieuwe reeks woordwerk, onder de titel Zwart zout. Die bestaat uit twee cycli: Metier en Gedagvaard. In de eerste cyclus lezen we volgende regels waarin we bevestigd horen dat het werk nooit afgerond zal zijn, niet afgerond mag raken:

Nee
de zang eindigt niet
er zijn nog duizend blauwe verhalen
te vertellen in een lange nacht

Zwart zout (een oxymoron - waarbij de tegenstelling zwart-wit voor de hand ligt), kadert perfect in de paradoxale denkwereld (of moet ik schrijven in de denkwereld vol paradoxen) van Renaat Ramon. Al bestaat er wel degelijk iets als zwart zout: het is niet verzonnen. Kala namak is een Indiaas voedselbestanddeel dat een roze kleur heeft en populair is bij veganisten. Zwart zout is eveneens de soortnaam voor een heksenbrouwsel dat magische krachten zou bevatten. Maar ik geloof niet dat de dichter op dit soort ‘zwarte zouten’ zinspeelt. In de cyclus Metier vinden we de term terug in een gedicht met als titel ‘Appel aan een jonge collega’.

(…) 

Strooi

zwart zout op je tropen.

Een troop is een stilistische figuur. Volgens het woordenboek ‘een oneigenlijke uitdrukking, overdrachtelijke, figuurlijke voorstelling’. Maar de nuance zorgt ervoor dat het woord ook een tweede betekenis in zich draagt. Een troop is in de wiskunde een vlak dat een oppervlak langs een kromme raakt. (We komen in de constructivistische, Ramon typerende buurt.) Kortom een woord dat een wijdverbreide meerduidigheid kan toestaan. Wat Ramon in deze cyclus ter sprake brengt, is niet meer dan de problematische, poëtische taal-vormgeving. Een meta-poëtische cyclus – maar die tussen de regels een ethos verwoordt dat verder reikt dan het puur poëticale. En het is ook hier en daar een intertekstueel onderonsje. De regels uit hetzelfde geciteerde gedicht: ‘Luister naar het oordeel/van de klinkers’ is van Lucianus. En wie herkent niet in het gedicht ‘Appel aan een oude vriend’ Remco Campert:

Poëzie kan ook een daad
van ontkenning zijn
een roos in verzet.

Zo vallen er nog wel wat literaire, grammaticale en mathematische toespelingen en naar de grafiek en boekdrukkunst verwijzende terminologie (bijvoorbeeld in volgende regel ‘cicero vervangen door punt twaalf’ – cicero is de naam voor een letterkorps) te rapen in deze cyclus. Het zou teleurstellend zijn mocht er alleen maar dat te lezen zijn. In het titelgedicht Metier (een blad dat 'effen', blank en als 'gestreken’ is maar het betekent ook ‘vakmanschap’) wordt duidelijk gesteld waar het volgens de dichter in poëzie op aankomt:

Je werkt tot alle woorden
naar het leven getekend zijn.

Het ethos waarover ik het had is niet meer of minder het ethos van de dichter, van het vakmanschap waaraan een dichter zich heeft te houden, zijn relatie tot de woorden, wat tegelijkertijd zijn relatie tot de wereld impliceert.

je koestert wat je dierbaarst is:
je gegeven woord
woorden die je gegeven zijn

In het gedicht ‘Spraakkunst’ verwittigt de dichter ons (oude en jonge collega’s en hun lezers):

let op je woorden
in elk woord is er wonder
in elk woord is gevaar

Op het einde van het gedicht wordt het nog scherper gesteld:

let op je woorden
in elk woord is er wonder
in elk woord is verraad

Renaat Ramon zoals we hem al langer kennen: de scepticus en de moralist. Maar zelden zo verbeten en zo aanmanend. De imperatiefvorm (en hier en daar een optredende repetitio en anafoor) van deze gedichten is in die zin te situeren en te begrijpen.

Metier is een sterke reeks. Het zijn leerdichten – maar dan zonder het gestrekte vingertje dat meestal bij het genre hoort. Er gaat van deze teksten inderdaad een appel uit. Laat het zwart van de inkt en het wit van het blad het zout op de taal zijn. Een ‘Rappel’ en een pleidooi voor wat dichters te doen staan, waar hun aandacht naar toe gericht moet zijn: ze moeten het opnemen voor het woord!

(…)Woorden
die voor je ogen liggen
zijn nooit voltooid. Woorden

ga er voorzichtig mee om

Thematisch lijkt het of deze cyclus niets nieuws heeft te brengen: we vinden er quasi alles in terug wat in ander werk eerder werd geformuleerd. Maar nog nooit op zo’n urgente manier! Ironie is er natuurlijk (in het intertekstuele spel bijvoorbeeld) maar minder expliciet dan we gewoon zijn.

Of het de bedoeling is, weet ik niet maar ik kan het niet laten om in deze gedichten iets controversieels te lezen. Het is een oproep tot een terugkeer naar het blad, het (wit)schrift, de schriftuur, de gedrukte tekst, tot de omzichtige, kritische en alerte omgang met het woord. En dat op een moment waarop vele dichters drummen om het podium op te klimmen (met de gevaarlijke en verraderlijke retorische trucages en uitschuivers die daarvan het gevolg kunnen zijn). Deze reeks klinkt daarom als een polemisch statement dat zich tegen die tijdsgeest richt. Poëzie luidop? Nee, Ramon is eerder voorstander van een poëzie die zich enkel in echo’s laat onderkennen:

Woorden – raak ze aan
met een gaaf geluid
overhoor het ritme. Wacht
tot de echo zuiver is.

Gedagvaard, net als de overkoepelende titel voor de verzamelde gedichten Borgtocht, is een juridische term. We weten dat Renaat Ramon meer dan eens uit het jargon van de rechtspraak put. De ‘wet’ is één van Ramons mentale premissen. Te plaatsen natuurlijk in een poëticale, metaforische context. Gedagvaard: het woord geeft iets dubbelzinnigs aan. Deze zes gedichten gaan letterlijk over een dagverloop en hoe de dichter zich daarvoor heeft te verantwoorden. Ten aanzien van zichzelf en ten aanzien van de lezer. Deze gedichten gaan onder meer over de tijd.

De zandloper is opgezet.
Je vraagt je af
loopt de tijd door het zand of
loopt het zand door de tijd.

De dagen lijken geteld:

Je weet
je dagen zijn reeds jaren opgeteld
je levens door Diensten becijferd
je woorden afgerond op papier.

Waardoor:

Alles vervaagt in schemer

Maar altijd is er de hoop, het verlangen naar een lichtschijn:

Wat in het duister werd geschreven
wordt straks leesbaar in de zon.



Je bemint het licht en je bemint
de boom die schaduw geeft.

Ook hier weer literaire referenties in overvloed: het intertekstuele laagje bovenop de gedichten belemmert niet dat deze gedichten schommelen tussen een flegmatische, blauwachtige melancholie en een nuchter ontwaken - waarmee de droom (het woord – de droom in het woord) open blijft.

Je droomt dat je ontwaakt
gebogen boven je blad.

De toon verschilt van die van de vorige cyclus. Ze zijn in een aansprekende ‘je’-vorm geschreven en hebben een intimistisch karakter.

[1] James Sacré in zijn voorwoord tot ‘Quel tissu se déchire?’ Tarabuste, 2020.

 

©  Alain Delmotte