Did you sleep well last night, my dearest Yoko?
I slept like an angel, dear John.
Terwijl het pasgehuwde stel John Lennon en Yoko Ono in de suite van het Amsterdamse Hilton Hotel wakker wordt, liggen Magnolia en Bram op deze zonnige, maar ijskoude ochtend in de Langebeemdstraat 44 nog in lepeltjeshouding te slapen.
Het pasgehuwde stel John en Yoko is bezig aan een zevendaagse bed-in. Magnolia en Bram kennen elkaar nog maar enkele uren.
In Amsterdam hangen de slogans Hair peace en Bed peace boven het bed. In de Langebeemdstraat is de muur boven het bed leeg.
De enen hebben hun witte pyjama aan en liggen klaar om de internationale wereldpers te ontvangen, de anderen liggen spiernaakt onder de dekens en hebben niets speciaals gepland voor vanmorgen.
Zowel de enen als de anderen hebben lang haar.
Het is donderdag 27 maart. Het jaar is 1969.
Magnolia slaat als eerste haar ogen open. Ben je wakker?
Geen antwoord. Hij slaapt nog, weet ze nu.
Ze blijft enkele minuten bewegingloos liggen en voelt zijn lichaamswarmte in haar rug, zijn rustige ademhaling.
Het was een vreemde avond geweest, gisteren. Ze had een dagje vrij genomen op haar werk, was in haar eentje met de trein naar Gent afgezakt. Daar had ze zich ongewild gemengd in het studentenprotest dat aan de gang was.
Vorig jaar in mei had ze via radio en tv van op een afstand al kennis gemaakt met de rellen in Parijs. Daarna was ze werk van Jean-Paul Sartre gaan lezen, de marxistische schrijver/filosoof die mee vooraan op de barricades stond. Ze had er wat sympathieën voor de heer Marx aan overgehouden.
Vanuit Parijs was het protest later ook naar andere universiteitssteden overgewaaid. En nu was Gent dus in de greep van het oproervirus dat zich razendsnel over de wereld verspreidde.
Er was even paniek ontstaan toen de politie gisteren op onbeschaamde wijze enkele betogende studenten tegen de grond knuppelde. Enkelen waren het café ingevlucht waar Magnolia een kom soep met brood zat te eten. Eén van die studenten had lang, sluik, lichtbruin haar en heette Bram.
Magnolia voelt beweging in haar rug. Langzaam ontsluit het lepeltje zich.
Ben je wakker? vraagt ze nog eens.
Mmmmhh. Met zijn donkere, diepe stem laat hij een bevestigend gebrom horen.
Ze draait zich om, staart in zijn mooie, bruine ogen en geeft hem een kus op de mond. Het was lekker vannacht, zegt ze dan.
Hij glimlacht, trekt haar wat dichter tegen zich aan, beantwoordt haar kus.
Zullen we samen douchen? zegt ze.
Mmmmhh, bromt hij opnieuw.
Na het late ontbijt lopen ze samen door de stad, Magnolia en Bram.
Het is al bijna middag. Om twee uur moet ze werken en vertrekt Bram met de trein terug naar Gent, naar zijn bloedbroeders, naar zijn oorlog.
Weet je wat we doen? zegt Magnolia. We gaan naar het stadspark en kerven daar onze namen in de grootste boom die we tegenkomen. Elke keer als ik hier voorbijkom zal ik aan je denken daar in dat verre Gent, terwijl je bezig bent de dames en heren van de gevestigde orde op hun donder te geven, mijn rebel, mijn krijger, mijn lief.
Midden op straat omhelzen en tongzoenen ze elkaar.
Vanuit een voorbijrijdende bestelwagen wordt er getoeterd. Als ze onbeschroomd verder gaan met kussen, toetert de bestelwagen een tweede keer, indringender en langer dan voorheen.
Vanachter Magnolia's rug steekt Bram uitdagend zijn middenvinger op.
Even later staan ze voor een dikke, hoge eik in het stadspark. Bram haalt zijn sleutelbos uit zijn jas. Dan begint hij te kerven. Eerst een hoofdletter M, dan een hoofdletter B, en daaromheen een groot hart met een pijl erdoor.
Tot zijn vingers er pijn van doen.
Hoewel het een doordeweekse donderdag is in de maand maart, is het druk in de superette. Magnolia zit op haar stoel aan kassa twee, haar gebruikelijke werkplek. Van hieruit kan ze helemaal tot achter in de winkel kijken en tegelijk ook een glimp van de straat opvangen. De stoel is haar uitkijkpost. Haar arendsnest. De plaats van waaruit ze ongemerkt de wereld kan bespieden. De Oude Wereld welteverstaan, want de Nieuwe lijkt van hieruit verder weg dan ooit.
Koffie, wortelen, chocolade, keukenzout, salami, melk, scheerzeep, tomaten,... Alles gaat door haar handen en wordt zorgvuldig opgeteld. Het hele klotezootje voedingswaren en onderhoudsproducten die de volgende dagen door de bewoners van deze wijk en de omliggende straten gebruikt gaat worden. Het komt allemaal terecht op haar rolband en het wordt allemaal door haar mooie, fijne vingers vastgenomen en betast.
Die hele rotverdomde consumptiemaatschappij komt zomaar eventjes dag in dag uit in een eindeloos lange rij onder haar neus voorbijglijden. En ondertussen vecht Bram zich, samen met zijn strijdmakkers, bijna te pletter, steunt hij de opstand tegen de verouderde burgerij, hakt hij zich een weg door de jungle van bekrompen ideeën, op weg naar de Nieuwe Wereld. Waarschijnlijk is Bert, haar vorige vriend, al dan niet in het gezelschap van een aantal bevallige jongedames, nu ook op een of ander ver continent met zijn revolutie bezig.
En wat doet zij? Bussen shampoo en blikjes bier van 25 of 33 cl op een donkergrijze rolband van A naar B brengen en kilometerslange kasticketten uitdelen. Appelen en peren verkopen aan huisvrouwen. Flessen wijn en goedkope aftershave aan oude mannen. Snoepgoed aan kinderen op weg naar school.
Wordt de wereld daar nu echt zoveel beter van? En hoelang wil ze dit nog blijven doen?
Buiten slaat de klok van de kerktoren éénmaal. Halfvier.
Magnolia ziet jonge moeders bij bosjes voorbijkomen, overdreven glimlachend, druk gebarend en onophoudelijk pratend, op weg naar het kleuterschooltje verderop.
Wil ze ooit zelf kinderen hebben? Wil ze kinderen opvoeden in een wereld die vierkant draait en waarin alles eerst nog afgebroken en daarna weer opgebouwd moet worden? En zal Bram kinderen willen? Is er in zijn oorlog plaats voor baby's en luiers en papflessen en schoolgaande kleuters?
Hij zal ondertussen al wel in Gent toegekomen zijn, vermoedt ze.
Zou hij zich, meteen nadat de trein hem uitgespuwd heeft, weer in de strijd gooien? vraagt ze zich toch wat bezorgd af. De strijd tussen enerzijds de stroeve, vergrijsde en vastgeroeste rectors, de meedogenloze, gewetenloze rijkswachters en dito politieagenten, en anderzijds een stuk of wat studenten die voor een betere toekomst ijveren. Niet alleen voor zichzelf, maar ook voor al die kleuters die nu, verstopt in hun veilige klaslokaaltjes, zitten te wachten op hun kwetterende moeders. En op morgen.
De oneerlijke strijd die overal aan de gang is. Die in alle landen en in alle steden woedt, in alle straten en universiteitsgebouwen. De strijd tussen legers met helmen, gummiknuppels, waterslangen en traangas gewapende ordediensten en een handvol opstandige, protesterende, langharige tieners en twintigers.
Aardappelen, afwasmiddel, limonade, gehakt, pakjes vanillepudding... terwijl Bram verder vecht... rookworst, chocopasta, mosterd... terwijl Keith Richards al maandenlang de opzwepende gitaarakkoorden van Street Fighting Man tot in de verste hoeken van deze planeet laat galmen... terwijl de wereld in brand staat... smeerkaas, gloeilampen, spruiten, kauwgom, pannenkoekendeeg, ajuin, frambozenconfituur, pruimenconfituur,...
Ze heeft zin om alles op de grond te gooien, om het op een lopen te zetten, naar buiten, gillend en luid vloekend, maar ze kan zich nog net op tijd bedwingen.
De daaropvolgende dagen zullen John Lennon en Yoko Ono hun Amsterdamse vredesboodschap op plaat uitbrengen.
The Rolling Stones zullen hun gitarist en medeoprichter Brian Jones verliezen.
In Los Angeles zal Charles Bukowski zijn Notes of a dirty old man schrijven.
De studentenstrijd in Gent zal na amper twee weken een stille dood sterven, zoals ook de Parijse rellen van '68 net voor het begin van de examens plots stopten.
Het sprookje van Magnolia en Bram ten slotte zal, hoewel ze in vriendschap uit elkaar gaan, na vijf weken en drie dagen eveneens ophouden te bestaan.
In het stadspark zal een dikke, grote eik nog jarenlang geluidloos staan liegen.
En Magnolia zal zonder boe of bah haar job in de superette opzeggen.
© Angelo Di Berardino
Uit "Het geluk", roman, verschenen bij uitgeverij Lannoo.
Angelo Di Berardino debuteert als romanschrijver.
vrijdag 25 augustus 2017
Angelo Di Berardino debuteert als romanschrijver
Angelo Di Berardino maakte eerder, en in een wat verder van ons afliggend verleden, naam
als dichter. Hij schreef een zestal dichtbundels en publiceerde in binnen- en buitenlandse literaire tijdschriften en bloemlezingen. In 2012 werd hij onderscheiden met de tweejaarlijkse Julia Tulkens Poëzieprijs.
Als reclameman wonnen zijn campagnes prijzen in onder meer Londen, New York, Cannes en Hollywood.
Met “Het geluk” verschijnt nu van hem bij Uitgeverij Lannoo een roman! De schaal van Digther die eerder in januari van dit jaar van Di Berardino een aantal gedichten publiceerde (Herinnering 15, 33, 136 en 8) publiceert nu ook graag een fragment uit “Het geluk”.
Extern:
Angelo Di Berardino op de Meandersite
Gedichten van Angelo Di Berardino op de Schaal van Digther
Recensie van de Vadergedichten op Meander (Levity Peeters)
Uitgeverij Lannoo
![]() |
| Angelo Di Berardino |
Als reclameman wonnen zijn campagnes prijzen in onder meer Londen, New York, Cannes en Hollywood.
Met “Het geluk” verschijnt nu van hem bij Uitgeverij Lannoo een roman! De schaal van Digther die eerder in januari van dit jaar van Di Berardino een aantal gedichten publiceerde (Herinnering 15, 33, 136 en 8) publiceert nu ook graag een fragment uit “Het geluk”.
Extern:
Angelo Di Berardino op de Meandersite
Gedichten van Angelo Di Berardino op de Schaal van Digther
Recensie van de Vadergedichten op Meander (Levity Peeters)
Uitgeverij Lannoo
vrijdag 18 augustus 2017
Magritte - Achilles M. Surinx
Als die pijp geen pijp is, dan is het
niet wat je zou willen. Mooi bedrog.
Kijken, bewonderen, koesteren, afblijven.
Dingen die ongrijpbaar zijn en blijven.
Mensen die geen dingen zijn, maar even
ongrijpbaar voor je staan,
die je bekoren en die je afweren.
Er zijn dingen die je leven overnemen.
Je keert alles om, zet het op zijn kop,
vergroot en verkleint. Een doorschijnende
vogel laat een droom vermoeden en
door de krant blijf je bomen zien.
Als alles een begin heeft, loopt er
ook een weg naar het einde. Onderweg
kom je verloren engelen tegen,
achter je ligt een leeuw. Je ontsnapt.
© Achilles M. Surinx
Gedicht n.a.v. de verjaardag van de sterfdag van René Magritte.
niet wat je zou willen. Mooi bedrog.
Kijken, bewonderen, koesteren, afblijven.
Dingen die ongrijpbaar zijn en blijven.
Mensen die geen dingen zijn, maar even
ongrijpbaar voor je staan,
die je bekoren en die je afweren.
Er zijn dingen die je leven overnemen.
Je keert alles om, zet het op zijn kop,
vergroot en verkleint. Een doorschijnende
vogel laat een droom vermoeden en
door de krant blijf je bomen zien.
Als alles een begin heeft, loopt er
ook een weg naar het einde. Onderweg
kom je verloren engelen tegen,
achter je ligt een leeuw. Je ontsnapt.
© Achilles M. Surinx
Gedicht n.a.v. de verjaardag van de sterfdag van René Magritte.
vrijdag 11 augustus 2017
De loeiende tier - Mark van Tongele
Een nieuwe dichtbundel van Mark van Tongele is, noch min noch meer, altijd wel weer een gebeurtenis. Op zondag 27 augustus 2017
wordt om 11:00 u. in Boekhandel De Zondvloed in Mechelen met nogal wat daadkracht 'De loeiende tier' voorgesteld.
De ietwat gezwollen aankondiging liegt er alvast niet om. Wij citeren, omdat we de poëzie van Mark van Tongele hier
een warm Digther-hart toedragen, graag wat volgt:
In zijn nieuwste bundel De loeiende tier gaat de poëzie tekeer als een storm voor de kust van Oostende. Dit is spectaculaire poëzie, zoals ze nauwelijks nog gemaakt wordt - maar wie in deze tijd gedichten schrijft, zou niet voor minder dan het onmogelijke hoeven proberen. En dat doet van Tongele, met zeldzame bezieling, en in gedichten waarin de taal tot het uiterste wordt beproefd en beelden over elkaar tuimelen tot een woest geheel.
'De loeiende tier' is een uitgave van Atlas Contact. Toegang tot de voorstelling bedraagt 3 euro en inschrijven daartoe kan via bestelling@dezondvloed.be.
Meer info: Boekhandel De Zondvloed
De ietwat gezwollen aankondiging liegt er alvast niet om. Wij citeren, omdat we de poëzie van Mark van Tongele hier
een warm Digther-hart toedragen, graag wat volgt:In zijn nieuwste bundel De loeiende tier gaat de poëzie tekeer als een storm voor de kust van Oostende. Dit is spectaculaire poëzie, zoals ze nauwelijks nog gemaakt wordt - maar wie in deze tijd gedichten schrijft, zou niet voor minder dan het onmogelijke hoeven proberen. En dat doet van Tongele, met zeldzame bezieling, en in gedichten waarin de taal tot het uiterste wordt beproefd en beelden over elkaar tuimelen tot een woest geheel.
'De loeiende tier' is een uitgave van Atlas Contact. Toegang tot de voorstelling bedraagt 3 euro en inschrijven daartoe kan via bestelling@dezondvloed.be.
Meer info: Boekhandel De Zondvloed
vrijdag 4 augustus 2017
Het boekje van de dichter - Walter Haesaert
"Sommige boekjes van de dichter bestaan uit kleine notities die net in een vestzak passen".
Walter Haesaert schrijft zuinig en wel... Velletjes tegen het vergeten!
(Foto van de auteur: Paul Rigolle-16/11/2015)
Alle "Boekjes van de dichter"
woensdag 2 augustus 2017
de wisselbokaal - Bert Struyvé
meidenvingers vertellen in letters en smileys
wat de wereld nú moet gaan weten
de tekens zijn inhoudelijk levendbarend
woorden springen kwetterend uit hun huid
als jonge vogels die om hun moeder roepen
de vrienden zullen het wel begrijpen
oud proza zit aan de slapen vast in grijs
beitelen of kleuren blijft steken in velours
de hier-nu-meteen klatert als bergbeek
de leunstoel weidt uit als een vlakke rivier
het Zuckerbergje tussen monding en bron
© Bert Struyvé
wat de wereld nú moet gaan weten
de tekens zijn inhoudelijk levendbarend
woorden springen kwetterend uit hun huid
als jonge vogels die om hun moeder roepen
de vrienden zullen het wel begrijpen
oud proza zit aan de slapen vast in grijs
beitelen of kleuren blijft steken in velours
de hier-nu-meteen klatert als bergbeek
de leunstoel weidt uit als een vlakke rivier
het Zuckerbergje tussen monding en bron
© Bert Struyvé
dinsdag 1 augustus 2017
hete adem van het blazen-Bert Struyvé
hij is de fotograaf
zegt hij
zij woont ademloos in haar bol
dan wordt het zwart-wit besluit hij
en sneeuwt haar uit de zevende hemel
zij verzit voor de vorm voor het oog
kun je de vlokken van je mantel vegen
zij bevriest haar glimlach en antwoordt
je moet schudden en draaien
van verre lijkt het op het Bolsjojtheater
ik maak een uitsnede in Lightroom zegt hij
je begint kleur en praatjes te krijgen
zij is het model
zegt zij
hij houdt vast aan zwart-wit
© Bert Struyvé
Bert Struyvé publiceerde eerder in Meander, Gierik & NVT, Op Ruwe Planken en Het Gezeefde Gedicht. In 2016 met drie gedichten in de bloemlezing van HGG. In 2014 en 2016 op de shortlist Ongehoord Rotterdam, in 2017 genomineerd voor de driejaarlijkse RinkeTolmanpoëzieprijs.
Komend najaar werd werk van Struyvé geselecteerd voor het project ‘Poëzie op straat’ in Gent.
zaterdag 29 juli 2017
Een dag uit het leven van Herwig V. - Hendrik Carette
Een heiligenleven schrikt mij af.
(Michel Bartosik)
Om de klok van zes stommelt hij naar beneden
in zijn verstelde vrijgezellenkleren
en verlaat zijn volgeladen stolp.
Om de klok van zeven stapt hij
op een rode stadsbus
naar Steenbrugge, naar het kerkhof.
Daar plant hij de eerste bloemen en planten
aan het houten kruisje
in de bevochtigde grafgrond boven Magda V.
Later mompelt hij minzaam
een paar woorden voor een voorbijganger
die naar een naam of een nummer zoekt.
Hij staart bijna ascetisch en versteend
naar een zwarte zwaar ingezonken tombe
met een eeuwige vergunning.
Om de klok van elf eet hij een boterham
met kruimels, drinkt buiten een glas bier
en veegt het schuim van zijn paarse lippen.
Zijn verblijf bij de doden eindigt al met het angelus.
Hij loopt naar de haag, stamelt een woord
van Gezelle en keert terug naar de zwanenstad.
Dan wacht hij op de nacht; haalt
een brief uit Canada uit zijn archief
en herleest een Japanse haiku.
Na de dagsluiting vlijt hij zich neer
op zijn veldbed
waar hij rust vindt en zaligheid.
Hij gelooft in de goedheid van zijn God
en zijn lot en droomt luid van een loofhut
of een prieel dicht bij de kerkhofdreef.
© Hendrik Carette
donderdag 27 juli 2017
Acht tips om met Afwijzing om te gaan - Marc Bruynseraede
Voor Alain Delmotte
1. Wijs af
2. Wijs met stelligheid af
3. Wijs de afwijzer af
4. Wees afgewezen
5. Wees de afgewezen afwijzer
6. Afwijzen ? Afwijzen ? Waar heeft U het over ?
7. Afgewezen worden : daar hebben wij geen boodschap aan
8. Waar afwijzing is, is vuur
© Marc Bruynseraede
1. Wijs af
2. Wijs met stelligheid af
3. Wijs de afwijzer af
4. Wees afgewezen
5. Wees de afgewezen afwijzer
6. Afwijzen ? Afwijzen ? Waar heeft U het over ?
7. Afgewezen worden : daar hebben wij geen boodschap aan
8. Waar afwijzing is, is vuur
© Marc Bruynseraede
dinsdag 11 juli 2017
Na de voorstelling-Wat het voorstelt
![]() |
| Vlnr: Frans Deschoemaeker - Marc Desmet en Willy Spillebeen |
“Na de voorstelling… is er witte wijn”
Voorstelling van “Wat het voorstelt” van Achilles M. Surinx
Boekhandel Theoria Kortrijk – zaterdag 17 juni 2017
Vlnr: Frans Deschoemaeker, Marc Desmet en Willy Spillebeen.
maandag 10 juli 2017
Hemel en Hel - Frans Deschoemaeker
Wordt op oude fresco's het lot van de gelukzaligen die bij het Laatste Oordeel hemelwaarts stijgen doorgaans zoet, conventioneel en stereotiep uitgebeeld, met des te meer verve, verbeeldingskracht en perverse zin voor detail worden de verschrikkingen geëtaleerd die de hel voor de verdoemden in petto heeft. Brian de Palma's killer met de kettingzaag krijgt een verre voorafschaduwing in het duiveltje dat met een soort houtbewerkersboor het geslachtsdeel van een kermende verdoemde bewerkt. Het is, naast vele andere verfijnde folteringen, te zien op het fresco van Taddeo di Bartolo uit 1393 in de kapittelkerk van San Gimignano.
Volgde de vroege renaissancekunstenaar slaafs de kerkelijke ordonnantie dat de muren van het gebedshuis een donderpreek moesten zijn, zodat de gelovige zich huiverend tot God wendde, of vond hij in de bestraffing van het kwaad een onderwerp dat zijn onderbuik prikkelde en zijn verbeelding vleugels gaf? Vond zijn heimelijke genoegen het kwaad te stileren en te esthetiseren hier een geoorloofde uitweg? Liggen de verre wortels van het kunstenaarschap in romantische, modernistische zin, onder de bloemen van het kwaad, lang vóór die bloemen een naam en een boek kregen? Wie de demonische figuren uit het erotisch prentenkabinet van Félicien Rops bekijkt, ziet de baarlijke, gevleugelde duivel van Luca Signorelli uit 1500, die de Hoer van de Apocalyps op zijn rug meevoert door het luchtruim, door de plaat heen schemeren.
Na de tientallen kerken tijdens elke Italiëreis, waarbij Dantes inferno steevast tot leidmotief uitgroeit, met als hoogtepunten de extatische visioenen van Luca Signorelli in de kathedraal van Orvieto en van Michelangelo in de Sixtijnse kapel, weet ik het wel: het moet verdomd saai zijn in de hemel.
© Frans Deschoemaeker
Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.
Volgde de vroege renaissancekunstenaar slaafs de kerkelijke ordonnantie dat de muren van het gebedshuis een donderpreek moesten zijn, zodat de gelovige zich huiverend tot God wendde, of vond hij in de bestraffing van het kwaad een onderwerp dat zijn onderbuik prikkelde en zijn verbeelding vleugels gaf? Vond zijn heimelijke genoegen het kwaad te stileren en te esthetiseren hier een geoorloofde uitweg? Liggen de verre wortels van het kunstenaarschap in romantische, modernistische zin, onder de bloemen van het kwaad, lang vóór die bloemen een naam en een boek kregen? Wie de demonische figuren uit het erotisch prentenkabinet van Félicien Rops bekijkt, ziet de baarlijke, gevleugelde duivel van Luca Signorelli uit 1500, die de Hoer van de Apocalyps op zijn rug meevoert door het luchtruim, door de plaat heen schemeren.
Na de tientallen kerken tijdens elke Italiëreis, waarbij Dantes inferno steevast tot leidmotief uitgroeit, met als hoogtepunten de extatische visioenen van Luca Signorelli in de kathedraal van Orvieto en van Michelangelo in de Sixtijnse kapel, weet ik het wel: het moet verdomd saai zijn in de hemel.
© Frans Deschoemaeker
Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.
zaterdag 17 juni 2017
Stills uit een taalcaleidoscoop - Alain Delmotte
Bij de bundel ‘Bokalen’ van Nanne Nauta
Nanne Nauta (1959) staat bekend als flarfdichter. De geschiedenis van flarf in ons taalgebied moet nog geschreven worden. Zelf ben ik van mening dat daarmee even mag worden gewacht: op die manier kan flarf nog wat geschiedenis maken. Maar één feit is nu al duidelijk: dat Nanne Nauta o.m. door eigen werk en zijn uitgeverij ‘crU’ (die zogenaamde ‘axiomatisch poëzie’ uitgeeft en waartoe flarf lijkt te horen) deel zal uitmaken van die geschiedenis.
Maar Nauta is meer dan dat. Hij is ook een dichter die werkt in de oulipo-lijn met bundels als bijvoorbeeld ‘Kruissonnetten’ en ‘Sudaiku’s’. Oulipo experimenteert met vormen, zoekt naar nieuwe ontwerpen voor vormen. Nauta inspireert zich op en citeert wel eens de grote Raymond Queneau met wie hij dezelfde fascinatie voor het mathematische deelt. In zijn vorige bundel ‘Moralen’ maakte hij gebruik van een door Queneau bedachte oulipo-vorm ‘Morale élémentaire’. Ik kan het niet laten om de titel van deze bundel in de titel van ‘Bokalen’ mee te laten resoneren. Alsof Nauta ze expliciet in elkaars verlengde wil situeren?
Nauta’s bundel is één van die publicaties die je in zijn geheel moet benaderen. Dit wil zeggen in hoe de gedichten zich formeel voordoen, hoe de bundel is gestructureerd and last but not least, hoe de bundel wordt vorm gegeven en/of gevisualiseerd.
Formeel bestaat deze bundel uit gedichten van elk zeven regels. De eerste regel is de langste en geleidelijk aan worden de zinnen korter, wat het ritme in hoge mate bepaald. De zevende regel is dus de kortste en bestaat maar uit enkele woorden. De zinnen zijn grammaticaal gesproken rudimentair en elementair. Ze hebben de toon van een droge vaststelling. In de vormgeving werden de gedichten gecentreerd zodat ze uiterlijk, met wat goede wil, op een driehoek gelijken. Je kunt daarin het bovenstuk van een drinkbeker of een drinkschaaltje in herkennen (vandaar ‘bokaal’). Maar dit bevredigt me niet helemaal, ik kom erop terug. Zeven speelt duidelijk de structurerende hoofdrol binnen het geheel. Er zijn zeven cycli en elke cyclus bestaat uit zeven gedichten. De bundel bestaat dus uit 343 zinnen. Uit vorige bundels weten we dat Nauta graag met getallen speelt zoals ook Queneau en de oulipo-groep zich daarin vergenoegden. Het getal zeven lijkt vele deuren te openen wat mogelijke interpretaties betreft. Die deuren houd ik liever dicht en laat het aan de lezer over welke deuren hij al of niet wil openen. Straks open ik wel even zo’n deurtje op een kier zonder te weten of dit deurtje wel bij deze teksten past.
De manier waarop de bundel is vormgegeven: vooraan - en achteraan doorlopend - een foto van een muur. Wat een omsluitend en omsloten effect teweegbrengt. Dat wordt bevestigd door het typografisch beeld dat na de inleiding volgt: het woord ‘ik’ dat tussen rechthoekige haakjes staat. Binnen de inleiding geeft Nauta overigens aan dat dit zijn meest intieme bundel is. Dat het woord ‘ik’ tussen haakjes staat, heeft zijn weerslag in de bundel zelf: het woord ‘ik’ wordt eruit geweerd. ‘Ik’ is het onderwerp van al die zinnen maar het wordt verzwegen door het 343 keren te schrappen wat de dichter in staat stelt om de bundel niet in een eindeloos ik-gelamenteer te laten vervallen. Achteraan lezen we dat de muur op de voor- en achterflap de muur van de het oude postkantoor van Neude is en dat op basis van de letters die zich op dit postkantoor bevonden een nieuw lettertype (dat je op de voorkaft en in het typografische beeld bemerkt) is ontworpen en dat met zekere ironie de Neudefont wordt genoemd.
Ik weet wat sommigen nu zullen denken: kan je nu eigenlijk eens terzake komen, kan je het eindelijk even hebben over wat er te lezen staat – ga nu toch eens naar wat de kern van de zaak zou moeten zijn.
Welnu, dat is het grote misverstand. Dit is een bundel die tot in details een zo ruim mogelijk interpretatieveld wil creëren. Een (ludiek) speelveld. En dat het uitdenken van het speelveld deel uitmaakt van het poëtische proces: het scheppen van mogelijkheden, percepties, duidingen, zijsporen. Dus niet alleen een kwestie van tekst maar ook hoe de tekst in beeld wordt gebracht. De formele setting: hoe de tekst binnen de vormgeving wordt geregisseerd.
Maar goed, nu toch wel weer naar de tekst. Elke regel is een aparte notitie naar aanleiding van een droom. Dit weet ik dankzij de inleiding. Nauta gaat zelfs verder: sommige notities ontstonden naar aanleiding van een ‘nachtmerrie’. De vraag is of ik zonder die inleiding dat ook zo zou begrepen hebben? In ieder geval lees ik in elk gedicht zeven verschillende, soms laconieke notities die zonder verband lijken met elkaar. Vreemd genoeg, kon ik het niet laten om vruchteloos op zoek naar een mogelijk verband te gaan. Waarmee ik natuurlijk op raadsels uitkwam. En op een soort vervreemding, die eerder komisch dan tragisch uitviel. Daarom vind ik het niet echt noodzakelijk om te weten dat de notities ‘droomverslagen’ inhouden. De soms hilarische nachtmerries van de vervreemding komen toch zo op je af als je de gedichten leest.
De stilistische kracht van deze bundel ligt dan ook in de manier waarop Nauta die zinnen tactisch en meticuleus bij elkaar plaatst: een kwestie van scherp geslepen juxtapositie. Interessant vind ik de dynamiek die daarbij op twee fronten ontstaat.
Dynamiek op het formele vlak. Op zijn weblog noteerde Nauta over ‘Bokalen’ (waaraan hij op dat moment werkte): ‘Ik werk aan een nieuwe bundel die ik achterstevoren schrijf’. Ik trek daaruit de conclusie dat elke tekst ook achterstevoren kan worden gelezen. Dat heeft zijn repercussie op het ritme dat die teksten kenmerkt. Van boven naar onder, van onder naar boven. Al dalend, al klimmend. Inkrimpend, aanzwellend. De tekst blijft dezelfde maar de ritmische dynamiek verschilt. Of Nauta het zo bedoeld heeft? Dat weet ik niet maar hij lijkt me wel ruimte vrij te maken om zo’n lectuur toe te staan. Hij lijkt me een dichter die zijn lezers vertrouwt. Dichters willen de lezer verrassen. Maar evenzeer kunnen zijn lezers hem verrassen.
Dynamiek op het inhoudelijke vlak. De notities die bij elkaar zijn geplaatst ontlokken een spanningsveld dat een bizarre verwarring teweegbrengt. Wat ik daarnet als ‘vervreemding’ omschreef. Je wordt een dwaaltuin van woorden binnen geduwd en vind er maar je weg in terug. De gedichten doen je iets meebeleven. Je weet evenwel niet goed wat en dus onderga je het maar.
Kortom deze gedichten lijken stills uit een taalcaleidoscoop van eerder (geveinsd?) gratuite aard. Natuurlijk duiken binnen de bundel allerlei motieven, aanknopings- en herkenningspunten op. We lezen verschillende verhalen, we vermoeden allerlei sluimerende intratekstualiteit. Maar ik voel me niet geroepen om al die zaken aan elkaar te knopen. Ik vermoed dat ze er zijn en dat volstaat voor mij. Evenmin riskeer ik me aan een amateuristische ‘Traumdeutung’: ik heb geen zin om zo ver in de intimiteit van een dichter door te dringen.
De bundel heb ik een aantal keren herlezen en dan weer doorbladert en ik merk dat ik in deze recensie niet één regel eruit heb geciteerd. Dat maak ik goed door hieronder een gedicht te plaatsen. De reden waarom ik niet citeerde was omdat ik de lezer niet het gras van onder zijn voeten wou maaien. Ik wou mijn lectuur niet opdringen. Ik recenseer zoals ik het boekje graag heb gelezen. Ik laat de lezer van dit zeer verrassend en relatief plezierig werkstuk de vrijheid tot eigen invullingen.
Maar nog iets over de titel. Is de naam ‘Bokaal’ enkel die voor de vorm (zeven op elkaar volgende regels die in lengte steeds kleiner worden en bij visualisatie een ‘beker’ vormen)? Ik vermoed het maar ik vraag me af of ook het inhoudelijke een rol in het opzet speelt: het feit dat de regels ‘droomverslagen’ moeten voorstellen.
In mijn dialect is de eerste betekenis van een bokaal, een weckpot en in de tweede betekenis een klein aquarium, een bolvormige visbokaal. Nooit wordt hiermee een drinkbeker bedoeld.
Het lijkt me plausibel om ‘bokaal’ ook in deze twee betekenissen te hanteren, gezien het omsluitende karakter van het gegeven. En het idee van zeven regels in de vorm van zeven visjes in een bokaal vind ik bevallig.
Maar helemaal tevreden was ik nog niet. Ik ging om advies bij de familie Google en tikte ‘Bokalen zeven’ in en kwam middenin het tarot-kaartspel terecht. Bokalen zeven of bekers zeven wordt op een van die websites als volgt omschreven: ‘Bekers Zeven is een zeer complexe kaart waarvan de betekenissen op allerlei manieren dooreenlopen, zoals dat ook het geval kan zijn bij dromen. Vaak wordt de kaart gezien als een kaart van fantasie en illusie, dromen en verbeelding... (..)Bijvoorbeeld als verbeeldingskracht, visualisatievermogen, dromen, dagdromen enz., maar ook als betovering, verlokking, verleiding, fascinatie, in de ban zijn van iets. ’
Ik ben van nature uit zeer terre à terre en compleet tegenstander van elke vorm van esoterische en occulte quatsch. Esoterische verklaringen van dichtwerken (zoals dat bijvoorbeeld gebeurde met het gedicht ‘Voyelles’ van Rimbaud) doen de poëzie meer kwaad dan goed. Maar nu moet ik toch wel toegeven dat in dit citaat een aantal ingrediënten te herkennen zijn die ik in Nauta’s tekstwereld terug vond. Ik neem aan dat het toeval is, want in zijn inleiding refereert Nauta aan populair-wetenschappelijke werken in verband met dromen die hij las. Maar poëzie moet het toeval toestaan (zoals ik al vaker schreef). De lezer kan daar al dan niet gebruik van maken – hij kan het laten gebeuren of niet laten gebeuren.
Toch sta ik even bij dat toeval stil: oulipo richt zich op concreet formalistische experimenten. Wat niet belet dat in het werk van Raymond Queneau onderhuids hier en daar esoterische en spirituele referenties te vinden zijn (hij was vertrouwd met de geschriften van René Guénon). Ik weet niet of dergelijke verwijzingen bewust bij Nauta terug zijn te vinden. Ik lees hem (en poëzie) in ieder geval daarvoor niet. Maar ik kon het niet laten dit toch wel gelukkig en vreemd toeval te signaleren.
Met deze overdenking bij een merkwaardige bundel en met onderstaand gedicht eruit dompel ik de lezer graag onder in een bokaal van Nauta’s wonderlijk onirische universum.
6-7
© Alain Delmotte
Bokalen, Nanne Nauta, uitgevrij crU, Utrecht, 2017, ISNB 97-90-79993-15-4; 15 euro.
Nanne Nauta (1959) staat bekend als flarfdichter. De geschiedenis van flarf in ons taalgebied moet nog geschreven worden. Zelf ben ik van mening dat daarmee even mag worden gewacht: op die manier kan flarf nog wat geschiedenis maken. Maar één feit is nu al duidelijk: dat Nanne Nauta o.m. door eigen werk en zijn uitgeverij ‘crU’ (die zogenaamde ‘axiomatisch poëzie’ uitgeeft en waartoe flarf lijkt te horen) deel zal uitmaken van die geschiedenis.
Maar Nauta is meer dan dat. Hij is ook een dichter die werkt in de oulipo-lijn met bundels als bijvoorbeeld ‘Kruissonnetten’ en ‘Sudaiku’s’. Oulipo experimenteert met vormen, zoekt naar nieuwe ontwerpen voor vormen. Nauta inspireert zich op en citeert wel eens de grote Raymond Queneau met wie hij dezelfde fascinatie voor het mathematische deelt. In zijn vorige bundel ‘Moralen’ maakte hij gebruik van een door Queneau bedachte oulipo-vorm ‘Morale élémentaire’. Ik kan het niet laten om de titel van deze bundel in de titel van ‘Bokalen’ mee te laten resoneren. Alsof Nauta ze expliciet in elkaars verlengde wil situeren?
Nauta’s bundel is één van die publicaties die je in zijn geheel moet benaderen. Dit wil zeggen in hoe de gedichten zich formeel voordoen, hoe de bundel is gestructureerd and last but not least, hoe de bundel wordt vorm gegeven en/of gevisualiseerd.
Formeel bestaat deze bundel uit gedichten van elk zeven regels. De eerste regel is de langste en geleidelijk aan worden de zinnen korter, wat het ritme in hoge mate bepaald. De zevende regel is dus de kortste en bestaat maar uit enkele woorden. De zinnen zijn grammaticaal gesproken rudimentair en elementair. Ze hebben de toon van een droge vaststelling. In de vormgeving werden de gedichten gecentreerd zodat ze uiterlijk, met wat goede wil, op een driehoek gelijken. Je kunt daarin het bovenstuk van een drinkbeker of een drinkschaaltje in herkennen (vandaar ‘bokaal’). Maar dit bevredigt me niet helemaal, ik kom erop terug. Zeven speelt duidelijk de structurerende hoofdrol binnen het geheel. Er zijn zeven cycli en elke cyclus bestaat uit zeven gedichten. De bundel bestaat dus uit 343 zinnen. Uit vorige bundels weten we dat Nauta graag met getallen speelt zoals ook Queneau en de oulipo-groep zich daarin vergenoegden. Het getal zeven lijkt vele deuren te openen wat mogelijke interpretaties betreft. Die deuren houd ik liever dicht en laat het aan de lezer over welke deuren hij al of niet wil openen. Straks open ik wel even zo’n deurtje op een kier zonder te weten of dit deurtje wel bij deze teksten past.
De manier waarop de bundel is vormgegeven: vooraan - en achteraan doorlopend - een foto van een muur. Wat een omsluitend en omsloten effect teweegbrengt. Dat wordt bevestigd door het typografisch beeld dat na de inleiding volgt: het woord ‘ik’ dat tussen rechthoekige haakjes staat. Binnen de inleiding geeft Nauta overigens aan dat dit zijn meest intieme bundel is. Dat het woord ‘ik’ tussen haakjes staat, heeft zijn weerslag in de bundel zelf: het woord ‘ik’ wordt eruit geweerd. ‘Ik’ is het onderwerp van al die zinnen maar het wordt verzwegen door het 343 keren te schrappen wat de dichter in staat stelt om de bundel niet in een eindeloos ik-gelamenteer te laten vervallen. Achteraan lezen we dat de muur op de voor- en achterflap de muur van de het oude postkantoor van Neude is en dat op basis van de letters die zich op dit postkantoor bevonden een nieuw lettertype (dat je op de voorkaft en in het typografische beeld bemerkt) is ontworpen en dat met zekere ironie de Neudefont wordt genoemd.
Ik weet wat sommigen nu zullen denken: kan je nu eigenlijk eens terzake komen, kan je het eindelijk even hebben over wat er te lezen staat – ga nu toch eens naar wat de kern van de zaak zou moeten zijn.
Welnu, dat is het grote misverstand. Dit is een bundel die tot in details een zo ruim mogelijk interpretatieveld wil creëren. Een (ludiek) speelveld. En dat het uitdenken van het speelveld deel uitmaakt van het poëtische proces: het scheppen van mogelijkheden, percepties, duidingen, zijsporen. Dus niet alleen een kwestie van tekst maar ook hoe de tekst in beeld wordt gebracht. De formele setting: hoe de tekst binnen de vormgeving wordt geregisseerd.
Maar goed, nu toch wel weer naar de tekst. Elke regel is een aparte notitie naar aanleiding van een droom. Dit weet ik dankzij de inleiding. Nauta gaat zelfs verder: sommige notities ontstonden naar aanleiding van een ‘nachtmerrie’. De vraag is of ik zonder die inleiding dat ook zo zou begrepen hebben? In ieder geval lees ik in elk gedicht zeven verschillende, soms laconieke notities die zonder verband lijken met elkaar. Vreemd genoeg, kon ik het niet laten om vruchteloos op zoek naar een mogelijk verband te gaan. Waarmee ik natuurlijk op raadsels uitkwam. En op een soort vervreemding, die eerder komisch dan tragisch uitviel. Daarom vind ik het niet echt noodzakelijk om te weten dat de notities ‘droomverslagen’ inhouden. De soms hilarische nachtmerries van de vervreemding komen toch zo op je af als je de gedichten leest.
De stilistische kracht van deze bundel ligt dan ook in de manier waarop Nauta die zinnen tactisch en meticuleus bij elkaar plaatst: een kwestie van scherp geslepen juxtapositie. Interessant vind ik de dynamiek die daarbij op twee fronten ontstaat.
Dynamiek op het formele vlak. Op zijn weblog noteerde Nauta over ‘Bokalen’ (waaraan hij op dat moment werkte): ‘Ik werk aan een nieuwe bundel die ik achterstevoren schrijf’. Ik trek daaruit de conclusie dat elke tekst ook achterstevoren kan worden gelezen. Dat heeft zijn repercussie op het ritme dat die teksten kenmerkt. Van boven naar onder, van onder naar boven. Al dalend, al klimmend. Inkrimpend, aanzwellend. De tekst blijft dezelfde maar de ritmische dynamiek verschilt. Of Nauta het zo bedoeld heeft? Dat weet ik niet maar hij lijkt me wel ruimte vrij te maken om zo’n lectuur toe te staan. Hij lijkt me een dichter die zijn lezers vertrouwt. Dichters willen de lezer verrassen. Maar evenzeer kunnen zijn lezers hem verrassen.
Dynamiek op het inhoudelijke vlak. De notities die bij elkaar zijn geplaatst ontlokken een spanningsveld dat een bizarre verwarring teweegbrengt. Wat ik daarnet als ‘vervreemding’ omschreef. Je wordt een dwaaltuin van woorden binnen geduwd en vind er maar je weg in terug. De gedichten doen je iets meebeleven. Je weet evenwel niet goed wat en dus onderga je het maar.
Kortom deze gedichten lijken stills uit een taalcaleidoscoop van eerder (geveinsd?) gratuite aard. Natuurlijk duiken binnen de bundel allerlei motieven, aanknopings- en herkenningspunten op. We lezen verschillende verhalen, we vermoeden allerlei sluimerende intratekstualiteit. Maar ik voel me niet geroepen om al die zaken aan elkaar te knopen. Ik vermoed dat ze er zijn en dat volstaat voor mij. Evenmin riskeer ik me aan een amateuristische ‘Traumdeutung’: ik heb geen zin om zo ver in de intimiteit van een dichter door te dringen.
De bundel heb ik een aantal keren herlezen en dan weer doorbladert en ik merk dat ik in deze recensie niet één regel eruit heb geciteerd. Dat maak ik goed door hieronder een gedicht te plaatsen. De reden waarom ik niet citeerde was omdat ik de lezer niet het gras van onder zijn voeten wou maaien. Ik wou mijn lectuur niet opdringen. Ik recenseer zoals ik het boekje graag heb gelezen. Ik laat de lezer van dit zeer verrassend en relatief plezierig werkstuk de vrijheid tot eigen invullingen.
Maar nog iets over de titel. Is de naam ‘Bokaal’ enkel die voor de vorm (zeven op elkaar volgende regels die in lengte steeds kleiner worden en bij visualisatie een ‘beker’ vormen)? Ik vermoed het maar ik vraag me af of ook het inhoudelijke een rol in het opzet speelt: het feit dat de regels ‘droomverslagen’ moeten voorstellen.
In mijn dialect is de eerste betekenis van een bokaal, een weckpot en in de tweede betekenis een klein aquarium, een bolvormige visbokaal. Nooit wordt hiermee een drinkbeker bedoeld.
Het lijkt me plausibel om ‘bokaal’ ook in deze twee betekenissen te hanteren, gezien het omsluitende karakter van het gegeven. En het idee van zeven regels in de vorm van zeven visjes in een bokaal vind ik bevallig.
Maar helemaal tevreden was ik nog niet. Ik ging om advies bij de familie Google en tikte ‘Bokalen zeven’ in en kwam middenin het tarot-kaartspel terecht. Bokalen zeven of bekers zeven wordt op een van die websites als volgt omschreven: ‘Bekers Zeven is een zeer complexe kaart waarvan de betekenissen op allerlei manieren dooreenlopen, zoals dat ook het geval kan zijn bij dromen. Vaak wordt de kaart gezien als een kaart van fantasie en illusie, dromen en verbeelding... (..)Bijvoorbeeld als verbeeldingskracht, visualisatievermogen, dromen, dagdromen enz., maar ook als betovering, verlokking, verleiding, fascinatie, in de ban zijn van iets. ’
Ik ben van nature uit zeer terre à terre en compleet tegenstander van elke vorm van esoterische en occulte quatsch. Esoterische verklaringen van dichtwerken (zoals dat bijvoorbeeld gebeurde met het gedicht ‘Voyelles’ van Rimbaud) doen de poëzie meer kwaad dan goed. Maar nu moet ik toch wel toegeven dat in dit citaat een aantal ingrediënten te herkennen zijn die ik in Nauta’s tekstwereld terug vond. Ik neem aan dat het toeval is, want in zijn inleiding refereert Nauta aan populair-wetenschappelijke werken in verband met dromen die hij las. Maar poëzie moet het toeval toestaan (zoals ik al vaker schreef). De lezer kan daar al dan niet gebruik van maken – hij kan het laten gebeuren of niet laten gebeuren.
Toch sta ik even bij dat toeval stil: oulipo richt zich op concreet formalistische experimenten. Wat niet belet dat in het werk van Raymond Queneau onderhuids hier en daar esoterische en spirituele referenties te vinden zijn (hij was vertrouwd met de geschriften van René Guénon). Ik weet niet of dergelijke verwijzingen bewust bij Nauta terug zijn te vinden. Ik lees hem (en poëzie) in ieder geval daarvoor niet. Maar ik kon het niet laten dit toch wel gelukkig en vreemd toeval te signaleren.
Met deze overdenking bij een merkwaardige bundel en met onderstaand gedicht eruit dompel ik de lezer graag onder in een bokaal van Nauta’s wonderlijk onirische universum.
6-7
zie de dichter met de bête glimlach een natte krant in de shredder stoppen.
koop in een Grieks plaatsje aubergine, prei, tomaat en aardappelen.
stap gelijk met een halve schoolkas in de bus naar het station.
help al schietend mee de stad te bevrijden.
krijg vijftig euro van een Indisch iemand.
krijg een waarschuwing van een dichter.
heb nog drie maanden te leven.
© Alain Delmotte
Bokalen, Nanne Nauta, uitgevrij crU, Utrecht, 2017, ISNB 97-90-79993-15-4; 15 euro.
maandag 12 juni 2017
"Wat het voorstelt" van Achilles M. Surinx
![]() |
| Achilles M. Surinx |
Komende zaterdag 17 juni 2017 presenteert dichter Achilles M. Surinx samen met uitgeverij Aleph Press om 15u30 in het Kortrijkse boekenhuis Theoria met veel genoegen zijn bundel "Wat het voorstelt". De bundel krijgt als ondertitel "Gedichten 1989-2017" mee en is dan ook een mooie bloemlezing uit het verzameld werk van deze minzame en bescheiden Kortrijkse dichter.
Achilles M. Surinx (°1941, Godsheide- Hasselt) groeide op als zoon van een mijnwerker in Winterslag maar mag zich al sinds verschillende decennia een waarachtige Kortrijkzaan noemen. Hij gaf er zowat zijn hele beroepsloopbaan les in het basis- en buitengewoon onderwijs. Behalve een aantal dichtbundels publiceerde Surinx ook essays over ondermeer Theodoor Stevens, Sylvia Plath en Georges Simenon
De plaats van afspraak: Boekenhuis Theoria, Casinoplein 10, 8500 Kortrijk
Uitgever Marc Desmet verwelkomt en toneelauteur Stefan Vancraeynest interviewt de dichter en draagt ook gedichten voor. Er zijn voorts muzikale intermezzi van Herman Streulens. Een receptie sluit de voorstelling af.
Er wordt gevraagd om jouw aanwezigheid vooraf te bevestigen via een mailtje aan Aleph Press.
Meer info:
aleph.press@scarlet.be
achilles.surinx@skynet.be
Boekenhuis Theoria
Wat het voorstelt, Gedichten 1989-2017, Achilles M. Surinx, Uitgeverij Aleph Press, 2017, 17,99 €
![]() |
| Uitnodiging "Wat het voorstelt" |
vrijdag 9 juni 2017
Brief uit Normandië - Frans Deschoemaeker
(aan Hendrik Carette)
Crépon, zaterdag 18 juli 2009
Cher Henri,
Ik schrijf je deze brief vanuit de blauwe kamer van onze suite in de Manoir de Crépon. Wij zijn hier deze namiddag aangekomen na een voorspoedige reis vanuit Bourgtheroulde, een oordschap ten zuidwesten van Rouen, waar we een aantal dagen de gasten waren van Madame du Plouy op het Château de Boscherville.
Niet met de diligence zijn wij hier aangekomen, maar met onze kleine en zilverkleurige automobiel, die ons in deze dagen over de Normandische wegen voert. Ach, ik vind het best leuk zo; aan een rustig tempo, met vrouw, hond en boek over Frankrijks wegen struinen, een beetje doelloos, van Honfleur naar Barfleur, van Lisieux naar Bayeux, door het appelgroene land van Flaubert, Proust, Maupassant, Barbey d’Aurevilly.
Logeren in een kasteeltje uit de achttiende eeuw, waar de zoon des huizes, die zichzelf peintre-artiste noemt, het hele jaar door zijn werken in een salon van het kasteel exposeert (het wordt donker en gotisch, de honden bassen, de eeuwenoude bomen van de zeer lange oprijlaan ruischen onder een opkomend onweer, wanneer hij ons rondleidt en uitvoerig commentaar geeft bij zijn onhandige doeken).
Of logeren in een manoir, eveneens daterend uit de achttiende eeuw, waar de patronne, tevens brocanteuse en burgemeester van het tweehonderd zielen tellende Crépon, op zondagmorgen haar drie kleinzonen appelconfituur leert maken (en geen Calvados!). Er zit een soort vanzelfsprekende eenvoud in het bestaan, die wij nog slechts bij momenten verwonderd kunnen of willen constateren.
Op meer gesofistikeerde wijze genieten wij echter ook intens van een zekere Normandische tristesse: een afbladderend badplaatsje als Arromanches, zielig verkoolde worstjes van de barbecue op een rommelmarkt onder breed zeilende wolkenformaties en steeds dreigende buien in de buurt van Ste-Honorine-des-Pertes, of de kade van Isigny-sur-Mer, met de roestige vissersboten diep onder ons in de smalle geul, bij eb, het is nog bijlange Bretagne niet.
Te Giverny, langs de grillig tussen kalkrotsen meanderende Seine, ligt het domein van Monet, waar hele busladingen academiestudenten gedropt worden om er de waterlelies op de vijver na te schilderen. Hier mag ook aan Proust gedacht worden. Ik raakte bijzonder gecharmeerd door het heldere, snelstromende beekje dat het domein omspoelt (en waarschijnlijk de vijvers voedt). Er loopt een pad langs de lage oever, dat je onder bomen een tijdlang kunt volgen. Dat beekje, met zijn op de stroming mee wiegende wieren en onderwaterplanten, met zijn vlekken dansend zonlicht en libellen, deed mij op de een of andere manier denken aan dat riviertje dat door de eerste delen van A la recherche du temps perdu meandert; de Vivonne. En even verliezen we ons, man, vrouw, hond en boek, op dat pad, dat de kant van Guermantes opgaat.
De Vivonne van Combray (of de Loir van Illiers zo je wilt) is in werkelijkheid breder, eerder een riviertje dan een beek, maar op de een of andere manier valt de Vivonne die ik via de lectuur van Proust in mijn hoofd heb, volmaakt samen met dit beekje te Giverny: Mais plus loin le courant se ralentit, il traverse une propriété dont l’accès était ouvert au public par celui à qui elle appartenait et qui s’y était complu à des travaux d’horticulture aquatique, faisant fleurir, dans les petits étangs que forme la Vivonne, de veritables jardins de nymphéas. Comme les rives étaient à cet endroit très boisées, les grandes ombres des arbres donnaient à l’eau un fond qui était habituellement d’un vert sombre mais que parfois, quand nous rentrions par certains soirs rassérénés d’après-midi orageux, j’ai vu d’un bleu clair et cru, tirant sur le violet, d’apparence cloisonnée et de goût japonais (Marcel Proust, A la recherche du temps perdu/Combray).
De beek als idee. De emblematische, mythische beek! Nu eens in de gedaante van Prousts Vivonne, dan weer in die van Claude Monets impressionistische onderwaterwereld of in die van mijn op heden sterk vervuilde Vlietebeek (Bavikhove, jaren zestig van de vorige eeuw, de jacht op vlinders en stekelbaarzen, geheime spelletjes, knapenjaren, onrust). Que voulez-vous, mon cher, je suis et je resterai toujours un Proustien et un Proustomane!
Waaruit kan worden besloten dat uiteindelijk Marcel Proust als mijn geheime gids zal gefungeerd hebben tijdens deze Normandische trip, zoals Jan Morris dat voor jullie zal zijn in Triëst. Zelf ben ik nooit in Triëst geweest, maar ik heb het wazige silhouet van de stad gezien vanuit het Sloveense Koper (of Capodistria – Caput Istriae, het hoofd van het aloude schiereiland Istrië) en ik herinner me nog goed de onwezenlijke rust van het water van de baai van Triëst waarop de vrachtschepen voor anker lagen als op een matglanzende glazen plaat.
Naast Morris kan ik je nog twee kortere teksten over Triëst aanbevelen, die mij hier en nu spontaan te binnen schieten: Triëst: eenzaam in het midden van Stefan Hertmans (uit Steden) en Een roker uit Triëst/Het vogeltje en de kooi van Luc Devoldere (uit Grand Hotel Italia).
Wat je nieuwe bundel betreft, je drijft de spanning op, mon cher! Wanneer ik als een van de eersten een kopie zal ontvangen, zal ik zeer vereerd zijn (verguld, zegt de Hollander). Ik beloof je dan ook mijn spontaan opwellende en meer bezonken leeservaringen in een brief vast te leggen. Zover zijn we nog niet. Nu wens ik jullie beiden, jij en Bea, ook vanwege Myriam en Pistache (die tijdens deze reis merkwaardig volwassen geworden is en met haar voorpootjes krabbend op het papier ijverig aan deze brief probeert mee te schrijven) buon viaggio!
Cordialement, ton
François de Crépon
© Frans Deschoemaeker
Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.
Crépon, zaterdag 18 juli 2009
Cher Henri,
Ik schrijf je deze brief vanuit de blauwe kamer van onze suite in de Manoir de Crépon. Wij zijn hier deze namiddag aangekomen na een voorspoedige reis vanuit Bourgtheroulde, een oordschap ten zuidwesten van Rouen, waar we een aantal dagen de gasten waren van Madame du Plouy op het Château de Boscherville.
Niet met de diligence zijn wij hier aangekomen, maar met onze kleine en zilverkleurige automobiel, die ons in deze dagen over de Normandische wegen voert. Ach, ik vind het best leuk zo; aan een rustig tempo, met vrouw, hond en boek over Frankrijks wegen struinen, een beetje doelloos, van Honfleur naar Barfleur, van Lisieux naar Bayeux, door het appelgroene land van Flaubert, Proust, Maupassant, Barbey d’Aurevilly.
Logeren in een kasteeltje uit de achttiende eeuw, waar de zoon des huizes, die zichzelf peintre-artiste noemt, het hele jaar door zijn werken in een salon van het kasteel exposeert (het wordt donker en gotisch, de honden bassen, de eeuwenoude bomen van de zeer lange oprijlaan ruischen onder een opkomend onweer, wanneer hij ons rondleidt en uitvoerig commentaar geeft bij zijn onhandige doeken).
Of logeren in een manoir, eveneens daterend uit de achttiende eeuw, waar de patronne, tevens brocanteuse en burgemeester van het tweehonderd zielen tellende Crépon, op zondagmorgen haar drie kleinzonen appelconfituur leert maken (en geen Calvados!). Er zit een soort vanzelfsprekende eenvoud in het bestaan, die wij nog slechts bij momenten verwonderd kunnen of willen constateren.
Op meer gesofistikeerde wijze genieten wij echter ook intens van een zekere Normandische tristesse: een afbladderend badplaatsje als Arromanches, zielig verkoolde worstjes van de barbecue op een rommelmarkt onder breed zeilende wolkenformaties en steeds dreigende buien in de buurt van Ste-Honorine-des-Pertes, of de kade van Isigny-sur-Mer, met de roestige vissersboten diep onder ons in de smalle geul, bij eb, het is nog bijlange Bretagne niet.
Te Giverny, langs de grillig tussen kalkrotsen meanderende Seine, ligt het domein van Monet, waar hele busladingen academiestudenten gedropt worden om er de waterlelies op de vijver na te schilderen. Hier mag ook aan Proust gedacht worden. Ik raakte bijzonder gecharmeerd door het heldere, snelstromende beekje dat het domein omspoelt (en waarschijnlijk de vijvers voedt). Er loopt een pad langs de lage oever, dat je onder bomen een tijdlang kunt volgen. Dat beekje, met zijn op de stroming mee wiegende wieren en onderwaterplanten, met zijn vlekken dansend zonlicht en libellen, deed mij op de een of andere manier denken aan dat riviertje dat door de eerste delen van A la recherche du temps perdu meandert; de Vivonne. En even verliezen we ons, man, vrouw, hond en boek, op dat pad, dat de kant van Guermantes opgaat.
De Vivonne van Combray (of de Loir van Illiers zo je wilt) is in werkelijkheid breder, eerder een riviertje dan een beek, maar op de een of andere manier valt de Vivonne die ik via de lectuur van Proust in mijn hoofd heb, volmaakt samen met dit beekje te Giverny: Mais plus loin le courant se ralentit, il traverse une propriété dont l’accès était ouvert au public par celui à qui elle appartenait et qui s’y était complu à des travaux d’horticulture aquatique, faisant fleurir, dans les petits étangs que forme la Vivonne, de veritables jardins de nymphéas. Comme les rives étaient à cet endroit très boisées, les grandes ombres des arbres donnaient à l’eau un fond qui était habituellement d’un vert sombre mais que parfois, quand nous rentrions par certains soirs rassérénés d’après-midi orageux, j’ai vu d’un bleu clair et cru, tirant sur le violet, d’apparence cloisonnée et de goût japonais (Marcel Proust, A la recherche du temps perdu/Combray).
De beek als idee. De emblematische, mythische beek! Nu eens in de gedaante van Prousts Vivonne, dan weer in die van Claude Monets impressionistische onderwaterwereld of in die van mijn op heden sterk vervuilde Vlietebeek (Bavikhove, jaren zestig van de vorige eeuw, de jacht op vlinders en stekelbaarzen, geheime spelletjes, knapenjaren, onrust). Que voulez-vous, mon cher, je suis et je resterai toujours un Proustien et un Proustomane!
Waaruit kan worden besloten dat uiteindelijk Marcel Proust als mijn geheime gids zal gefungeerd hebben tijdens deze Normandische trip, zoals Jan Morris dat voor jullie zal zijn in Triëst. Zelf ben ik nooit in Triëst geweest, maar ik heb het wazige silhouet van de stad gezien vanuit het Sloveense Koper (of Capodistria – Caput Istriae, het hoofd van het aloude schiereiland Istrië) en ik herinner me nog goed de onwezenlijke rust van het water van de baai van Triëst waarop de vrachtschepen voor anker lagen als op een matglanzende glazen plaat.
Naast Morris kan ik je nog twee kortere teksten over Triëst aanbevelen, die mij hier en nu spontaan te binnen schieten: Triëst: eenzaam in het midden van Stefan Hertmans (uit Steden) en Een roker uit Triëst/Het vogeltje en de kooi van Luc Devoldere (uit Grand Hotel Italia).
Wat je nieuwe bundel betreft, je drijft de spanning op, mon cher! Wanneer ik als een van de eersten een kopie zal ontvangen, zal ik zeer vereerd zijn (verguld, zegt de Hollander). Ik beloof je dan ook mijn spontaan opwellende en meer bezonken leeservaringen in een brief vast te leggen. Zover zijn we nog niet. Nu wens ik jullie beiden, jij en Bea, ook vanwege Myriam en Pistache (die tijdens deze reis merkwaardig volwassen geworden is en met haar voorpootjes krabbend op het papier ijverig aan deze brief probeert mee te schrijven) buon viaggio!
Cordialement, ton
François de Crépon
© Frans Deschoemaeker
Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.
Abonneren op:
Posts (Atom)





