vrijdag 27 februari 2015

van ergens naar nergens - Gerard Scharn

van kromme nol tot lop nor
loopt een rode draad getwijnd
het spoor van landverhuizers

de grote trek van hot naar haar
voor het kastje in de blinde muur
lange rijen voor een nansenpas

wilde ganzen op de vlucht geschoten
bittereinders en hun agterryers
ontsnapten van de slavenkaap

berend botje is verdwenen maar wie
beschrijft in verzen zijn onzeker lot
drenthe blijft een woest en ledig land


© Gerard Scharn


donderdag 26 februari 2015

en altijd weer tijdens het eten - Gerard Scharn

u spreekt met laila iks
van de onderspitters
uit onderzoek kwam naar voren
dat de kosten van teraardebestelling
enz. enz.

is uw polis nog wel toereikend?

mevrouw iks ik heb een spade
in de berging en een plattegrond
wat steigerplanken op de zolder
en mijn laatste woord op band

wij wensen elkaar een prettige avond toe


© Gerard Scharn


woensdag 25 februari 2015

Hans Vlek - gedicht van Gerard Scharn

vandaag kwam ik hans vlek tegen
op zoek naar rabelais in winkels
waar ze 't boek per stapel verkopen

onlangs werd hij nog gezocht maar
niet gevonden hij zou toch verloren lopen
tussen dichters van het tweede garnituur


© Gerard Scharn


dinsdag 24 februari 2015

Vers van het Mes XXXII

Uitnodiging

Donderdag 26 februari 2015 om 20 uur - Poëziecentrum Gent
Tijdens Vers van het Mes staan nog niet gedebuteerde Nederlandstalige dichters
centraal. Ze lezen uit eigen werk en spreken een kleine poëtica uit. Gasten: Lize Spit (BE) en Kees van Houte (NL). Digther-redacteur Herlinda Vekemans vertelt over haar ervaring met Vers van het Mes in 2005 en draagt voor. De jonge Gentse band St. Grandson brengt dromerige ‘close harmony’. I.s.m. Perdu, deBuren, Democrazy en met de steun van de Taalunie.

Lize Spit (1988, Lier) groeide op in Viersel, woont sinds 2006 in Brussel en behaalde een Master Audiovisuele kunsten, specialisatie Schrijven aan het Rits. Naast haar passie voor film, Argusogen was haar eerste langspeelfilm, schrijft ze proza en poëzie. Ze was finaliste Write Now! 2012 en won in 2013 publieksprijs én juryprijs.

Kees van Houte woont in Amsterdam en is er actief als dichter en journalist. Van Houte puliceerde in tijdschriften als Poezine en Lava.

Herlinda Vekemans (Duffel, °1961) publiceerde poëzie in o.a. De Revisor en Poëziekrant. Bij Poëziecentrum verschenen haar bundels Versneden (2005), Buiging (2006) en Schrikdraad (2011). Ze werkt aan de K.U.Leuven als docente Engels voor studenten geneeskunde en onderzoekers in het biomedische veld.

De Gentse band St. Grandson, een project van singer-songwriter Benjamin Decloedt, brengt Dreamy indiepop. De band werd pas winnaar van De Nieuwe Lichting van Studio Brussel, samen met de bands I Will, I Swear en Zinger. Hun eerste single, ‘Midnight Swim’, is net uit.

Praktisch
Datum: Donderdag 26 februari 2015, 20 uur Locatie: Poëziecentrum, Vrijdagmarkt 36, BE-9000 Gent Toegang: € 5 / € 4 Info en reserveren: tel. 09 225 22 25 of events@poeziecentrum.be Nodig vrienden en kennissen uit via het Facebook event.
Meer info via de site van het Poëziecentrum.

Op vrijdag 27/2/2015 is het programma "Vers van het Mes XXXIII" dan weer mee te maken in Perdu Amsterdam. Zaal open: 20:00 u. Entree: 5/3 euro. Reserveren via www.perdu.nl.
Voor de muziek in Amsterdam zorgt dan weer Leo Svirsky.
Meer info: www.perdu.nl



zondag 22 februari 2015

Een risico lopend en storend verlangen...

Aangetroffen

‘La poésie est peut-être ce qui dénonce le plus fondamentalement et visiblement les honteuses manipulatIons de notre société marchande. (...). La poésie n’est que par hasard source de profit. On ne peut pas vraiment l’exploiter, ni investir à coup presque sûr en elle. Elle n’est pas le résultat d’ un travail qu’on puisse gérer. Mais plutôt celui d’un désir qui risque de déranger. Exit donc la poésie de la plupart des librairies, et des journaux qui entretiennent la cote des livres rentables.’

James Sacré: ‘D’autres vanités d’écriture’ – Tarabuste 2008. Pagina 23.

(Aangetroffen & genoteerd door Alain Delmotte)

zaterdag 21 februari 2015

De burgemeester zucht - Bert Bevers


Bijna weg, de geur van potloodslijpsel. Bijna
weg ook de huppelsprongetjes en springversjes.

De tersluikse omhelzingen, en het geluid van
speeldoosjes. Nijpend is het tekort aan jong

bloed, en dat zint hem niet bepaald. Hij zit
wel regelmatig een zaal voor vol gedachten

van anderen, maar ziet zich dan als een open
wonde gapen naar draaimolens op hol. Ach.

Hij pelt een mandarijntje dat groeide in Turkije.


©Bert Bevers


Uit: “Gedichten uit een stadje in de heuvels”


Extern:
Thuissite Bert Bevers
Bert Bevers bij Digther

Gedichten op de Schaal van Digther uit “Een stadje in de heuvels”
- De perronchef gaapt
- Het kamermeisje zwijgt
- In het notariskantoor
- De lotgevallen van de slager
- De burgemeester zucht


vrijdag 20 februari 2015

De lotgevallen van de slager - Bert Bevers


Zijn tante kijkt ieder kwartier naar de pendule.
Onder de luchter van satijnbrons en geslepen

glas ruikt ze naar Keuls water. Om klokslag tien
tijgt ze ter sponde. Zoals ze al jaren alle dagen

doet. Moed zinkt hem in de schoenen. Hij was
bijna vergeten dat hij zijn enkel verzwikte bij

het tennisspelen, en hinkt nu lichtjes het hakblok
tegemoet. De nasleep van een zo granaatduistere

droom houdt hem bevreesd nog ver van het bed.


©Bert Bevers


Uit: “Gedichten uit een stadje in de heuvels”


Extern:
Thuissite Bert Bevers
Bert Bevers bij Digther

Gedichten op de Schaal van Digther uit “Een stadje in de heuvels”
- De perronchef gaapt
- Het kamermeisje zwijgt
- In het notariskantoor
- De lotgevallen van de slager
- De burgemeester zucht


donderdag 19 februari 2015

In het notariskantoor - Bert Bevers


Soms moet hij, zomaar, wenen. Hij weet:
de straten zijn vol van mensen die dansen

uit angst voor mindere goden. Afgesloten
van enig besef van geschiedenis zweven ze

als ballons door het leven. Droevig applaus
denkt hij te horen. En o, wat wordt hij moe

toch van de spanningsvonk tussen reflecties
in een etalageraam. Hij ziet het, hij ziet het wel.

Als het morgen regent gaat hij de zolder kuisen.


©Bert Bevers


Uit: “Gedichten uit een stadje in de heuvels”


Extern:
Thuissite Bert Bevers
Bert Bevers bij Digther

Gedichten op de Schaal van Digther uit “Een stadje in de heuvels”
- De perronchef gaapt
- Het kamermeisje zwijgt
- In het notariskantoor
- De lotgevallen van de slager
- De burgemeester zucht


woensdag 18 februari 2015

Het kamermeisje zwijgt - Bert Bevers


Langzaam heult de reiziger samen met deze
vreemde kamer. Bij de loosheid van de tijd aarzelt

hij, bij het schijnlicht in de stilte van dit stadje weet
hij vooral te houden van lege boeken. Nabij, op

de gang, is het kamermeisje pompaf. Ze rust even
uit met de handen op de heupen. Witter dan

geitenmelk is haar huid. In de pinkbrede gleuf
tussen haar borsten parelt wat zweet. Uit haar

vroege mond geen verzwegen sleutelwoorden.


©Bert Bevers


Uit: “Gedichten uit een stadje in de heuvels”


Extern:
Thuissite Bert Bevers
Bert Bevers bij Digther

Gedichten op de Schaal van Digther uit “Een stadje in de heuvels”
- De perronchef gaapt
- Het kamermeisje zwijgt
- In het notariskantoor
- De lotgevallen van de slager
- De burgemeester zucht


dinsdag 17 februari 2015

De perronchef gaapt - Bert Bevers


Niet zo ver weg spant een zuigeling haar
huilspier op. De perronchef gaapt. Hij

herinnert zich hoe vader hem vertelde
dat diens maat aan het front ’s avonds

in het slijk in zijn slaap om zijn moeder
riep. Met de hand op het hart wachtten ze

de aanval van de ongelovigen af. Versies
van overwinnaars zijn aan het vergelen.

Huurlingen weten nergens wat twijfelen is.


©Bert Bevers

Uit: “Gedichten uit een stadje in de heuvels”


Extern:
Thuissite Bert Bevers
Bert Bevers bij Digther

Gedichten op de Schaal van Digther uit “Een stadje in de heuvels”
- De perronchef gaapt
- Het kamermeisje zwijgt
- In het notariskantoor
- De lotgevallen van de slager
- De burgemeester zucht


Gedichten uit een stadje in de heuvels - Bert Bevers

Vanaf vandaag 17/2/2015 en de komende dagen publiceert De Schaal van Digther vijf gedichten van Bert Bevers. De gedichten werden voor de gelegenheid door de dichter losgemaakt uit de cyclus "Gedichten uit een stadje in de heuvels".

Bert Bevers (° Bergen op Zoom, 1954) is dichter en beeldend kunstenaar. Hij woont en werkt reeds sedert de vorige eeuw in Antwerpen. Bij uitgeverij WEL verschenen twee ruime bloemlezingen uit zijn oeuvre: Afglans – Gedichten 1972-1997 (1997) en Eigen terrein – Gedichten 1998-2013 (2013). Bert Bevers gaf De Houten Gong – Tijdschrift voor poëzie uit, was jarenlang medewerker aan Poëziekrant en is momenteel redacteur van de Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie. Ook is hij medewerker van Fleurs du Mal en Versindaba, lid van de raad van bestuur van de Vereniging van Vlaamse Letterkundigen en lid van de jury van de Melopee Poëzieprijs. Werk van hem werd opgenomen in onder meer Gerrit Komrij’s Mijn poëziekalender, in Uitgeverij Van Genneps Scheurkalender van de poëzie en in De 100 mooiste wielergedichten uit de Nederlandse en Vlaamse literatuur. Hij stelt regelmatig poëziebloemlezingen samen. Op YouTube is een aantal verfilmingen van zijn gedichten te vinden. Bert Bevers onderhoudt verschillende blogs, die te ontsluiten zijn via zijn website www.bertbevers.com


Extern:
Thuissite Bert Bevers
Bert Bevers bij Digther

Gedichten op de Schaal van Digther uit “Een stadje in de heuvels”
- De perronchef gaapt
- Het kamermeisje zwijgt
- In het notariskantoor
- De lotgevallen van de slager
- De burgemeester zucht


zaterdag 14 februari 2015

Ode aan Isabella Rossellini - Hugo Verstraeten


Want ook de jaren zijn muren waarachter de tijd zich verbergt.

Zoveel is verlangen: droom die ik elke dag te slapen leg. Armloos,
dicht tegen je aan. Zachte waan je naam te spellen in de taal van geluk.

Ach laat het gedicht beter zijn dan de dichter. Altijd zijn we op zoek
naar iets beter dan onszelf. We verlangen naar verlangen. Het onbereikbare
toch binnen handbereik?

Alles is er. Niets kan ontbreken. Blik die de klaarte verklaart. Het
getik van de regen op de schrijfmachine van de wereld. De eenvoud van

naakt (de trap afdalend). Verwaaiende geur van Lancôme.


© Hugo Verstraeten


(Isabella Rossellini werd op haar veertigste als het gezicht van Lancôme ontslagen omdat ze te oud was...)


dinsdag 3 februari 2015

Dansen op de rand der dingen

over ‘Het uur van de wolf’ van Antoon Van Den Braembussche

Recensie Hugo Verstraeten

De keuze van ‘Het uur van de wolf’ als titel van de bundel is veelzeggend. Hij verwijst naar het moment waarop de nacht in de ochtendschemer overgaat: “Het tijdstip waarop de grens tussen waan en werkelijkheid vervaagt en
langzaam oplost”, zoals de auteur zelf in de aanhef van de bundel opmerkt. Deze wereld ‘tussenin’ is meteen ook de positie die de dichter kiest om de altijd wijkende werkelijkheid te benaderen. Een werkelijkheid die beweegt tussen materie en mysterie en per definitie on(be)grijpbaar blijft. De dichter weet als cultuurfilosoof dat het ding ‘an sich’ ons altijd onbekend zal blijven. De werkelijkheid wordt ons in de bundel gepresenteerd in de iconografie van een vrouwenlichaam. De foto’ s ervan zijn gefixeerde momenten in de vluchtigheid van de dans, het bewegen in het niemandsland tussen waan en werkelijkheid.
‘Het uur van de wolf’ betekent meteen ook de bekentenis van een onvermogen. Namelijk dat onze ervaring met de geestelijke en spirituele dimensie der dingen niet in onze gebruikelijke taalcategorieën weer te geven is. In de bundel komen we iets over lichaam, dans, leven en werkelijkheid te weten wanneer we ons met de dichter begeven in het niemandsland tussen waan en werkelijkheid, tussen geest en lichaam, tussen leven en dood:


Maar kijk hoe uit de stilte, het oponthoud,
beweging ontstaat
zoals alle leven ooit uit zee oprees.

En het lichaam zich neerschrijft
in onophoudelijke beweging,
aan gene zijde van de huid,
van haar en leden.

Als een nomade,
zonder enige richtsnoer
het niemandsland betreedt
tussen vrees en beven.

Tussen brein en beweging.
Tussen de doden en de levenden,
tussen het nu en wat eeuwig is.
In ‘Het uur van de wolf’ treffen een dichter (Antoon Van Den Braembussche), een fotograaf ( Benn Deceuninck) en een danseres (Emilie De Vlam) elkaar. Trefplaats is het ondefinieerbare van de menselijke ervaring. Het ‘tegenover staan’ dat ons vervreemdt van de dingen. De bundel toont 13 foto’ s, overwegend voorstellingen van een vrouwelijk naakt. Veelzeggend is het ontbreken van tijd en context waarin het naakt aan ons wordt gepresenteerd. Het naakte lichaam bevindt zich in ‘ruimteloze ruimtes’ waarin de bewegingen van de danseres tot stilstand komen. Tekst en beeld werken samen om de vluchtigheid van de werkelijkheid in beelden te fixeren. De fotograaf wil niet flatteren. De meeste foto’ s zijn geslachtloze voorstellingen van een menselijk corpus, verstoken van goedkope en voor de hand liggende erotiek.

Met de opname van dit beeldend werk neemt de dichter een al dan niet berekend risico. De tekstuele gedichten zullen het moeten opnemen tegen de dominantie van het beeld. Het gevaar is niet denkbeeldig dat het beeld overheerst, ten koste van de gedichten. Temeer daar de fotografie niet enkel functioneert als illustratie bij de poëzie. Uit de gedichten en de fotografie spreken eenzelfde perceptie. In het vierde gedicht uit de eerste cyclus lijkt de dichter zelf de kloof tussen literatuur en fotografie te verkleinen. Is niet alle kunst uiteindelijk poëtisch? In dat gedicht noemt de dichter de fotografie ‘schrijven met licht’.

De foto’ s onthullen meteen waar het in de bundel om gaat. De mimesis van het menselijk naakt, de genese van de dans en de suggestie van de tijdruimtelijke context zijn de drie referentiepunten waarop de dichter dit existentiële project uitbouwt. De drie referentiepunten vormen evenveel perspectieven van waaruit het menselijk naakt wordt beschreven. Uiteraard is de dichter niet geïnteresseerd in de poëtische anekdotiek omtrent een willekeurig naakt. Het lichaam van de danseres verschijnt als een metafoor van het verglijden van de tijd en bij uitbreiding van het leven zelf.

De bundel werd strak geredigeerd volgens de drie perspectieven. De drie delen beslaan elk een cyclus van zes gedichten. Of om Czeslaw Milosz te citeren: hier is een dichter aan het werk die de chaos beschrijft met een zekere nostalgie naar orde. En chaotisch is de werkelijkheid, hier zowel figuurlijk als letterlijk ‘belichaamd’ door het vrouwelijke naakt. De auteur is zich als kunst- en cultuurfilosoof bewust van de gapende kloof tussen taal en werkelijkheid. Benieuwd of en hoe de dichter de valkuil(en) van de trivialiteit weet te omzeilen.

Elk ervaren begint bij een materieel – zintuiglijke input. In de eerste cyclus ‘Het lichaam, een universum’ laat de dichter het lichaam in zijn materialiteit aan het woord. Het lichaam van de danseres als pure stilstand, als vleesgeworden sculptuur. De gedichten zijn geschreven naar het lichaam zelf, waar elke spier, elk orgaan zijn eigen universum heeft. Echter al vrij vlug wordt deze wetenschap geproblematiseerd door:

..//
de zucht naar bevrijding
uit het strakke keurslijf.

//..

De menselijke blik functioneert niet als een neutrale lens, maar als een verborgen camera die zelf beelden (fata morgana’ s) projecteert. Het naakt is de incorporatie van de menselijke conditie die, naarmate de tijd vordert (de tijd die danst als een gek), zijn innerlijke kwetsuren laat zien. Volgende fragmenten berichten daarover:

‘in pijn gemetseld ‘ (gedicht 2)
‘gemartelde schoonheid’ (gedicht 4)
‘het diepe geheugen van het vlees’ (gedicht 5)


Gedichten 5 en 6 uit de eerste cyclus vormen een keerpunt. In die gedichten verschijnt het lichaam als archief. Het lichaam wordt bezield met betekenis wanneer het lichaam ‘zijn vergeten verhaal vertelt:

Dan breekt het absolute ogenblik

waarop herinneringen gegrift in het lichaam
en innerlijke kwetsuren ontwaken.

In flarden vlees, stiltes, fragmenten.

Dan is er niets meer dan het ene fragment
Dat naar het andere leidt, onophoudelijk.
De ene bloedcel die de andere aanwakkert:
Een spitsuur van de bloedsomloop.

Eindeloze keten waarin het lichaam
Zijn vergeten verhaal vertelt.
Het diepe geheugen van het vlees.


In de tweede cyclus – ‘Tussen vrees en beven’ – lost de dichter de dualiteit tussen lichaam en geest op in de dans, het bewegen:

Zie tenslotte hoe het lichaam denkt

//…

Het inleidend citaat bij de cyclus ontleend aan Kazuo Ohno: ‘Does the gesture tell us something about the wound you once suffered?’ ontsluit de thematiek van deze eveneens zes gedichten durende cyclus. In het eerste gedicht overheerst nog de fysieke waarneming. De dans als gevecht met de zwaartekracht. Het gewetenloze lichaam zonder historiek komt zijn eigen absurditeit op het spoor, zoals alles wat bestaat om uiteindelijk te vergaan:

…//

Tenslotte zijn eigen waanzin ontmoetend,
Wezenloos en onverrichter zake stuitend
Op het mond- en klauwzeer van het eigen vlees.


In zijn fenomenologie van het lichaam neemt de dichter het perspectief in van de dans en van de danser. Ook hier verschijnt de dans als de plaats van de ongeheelde pijn. Geparafraseerd klinkt het in het tweede gedicht: het verhaal van aders en bloed, hoe weerspannig en onbeheersbaar ook, rijt het verleden als een wonde uiteen.
Het derde gedicht van de cyclus kent dan weer een moment van stilstand, van ‘verstening’ van de danseres. Het is een moment van terugkeer in het zelfbewuste: de danseres die zelf getuige wordt van haar eigen expressie:

…//

Zoals iemand die onder het oog van de camera
plots elk gebaar en elke zenuwtrek beseft.


Het in de inleiding van deze recensie geciteerde vierde gedicht speelt op een subtiele manier met de wet van Haeckel: de ontogenese (of de ontwikkeling van een organisme) is een herhaling of een weerspiegeling van de fylogenese (de ontwikkeling van de soort). Zoals de mens als ééncellig wezen uit de zee ontstond, zo ontstaat uit de oerstilte, het oponthoud, de dans. De dans lost in het gedicht de tegenstelling (het niemandsland) op tussen lichaam en geest. Gedicht 5 herinnert me aan het werk van Roger Garaudy ‘Danser sa vie’ . De dans als ode aan de leegte, het lichaam dat vorm geeft aan de leegte. Het onvoltooide lichaam - ‘de organen’ – is onvoltooid omdat het door de ziel nog niet is aangeraakt en nog moet ontwaken uit zijn minerale slaap: nog moet zingen op de rand der dingen.

Een dans als ode aan de leegte?
Waarin de cirkels rond het lichaam
zich sluiten en openen

Als oesters van een onaards universum.

Dit is het ogenblik waarop de organen
zingen op de rand der dingen.

Waarop het onvoltooide lichaam
de handen, armen en mond
door de ziel onverhoeds aangeraakt
ontwaken uit hun minerale slaap.
In de laatste cyclus plaatst de dichter zich in het perspectief van de bezoeker. In dit derde deel worden tijd en ruimte gelokaliseerd – ‘Izegem 25 juli 2012, Château du loup’. De vervallen grandeur van het kasteel belicht de titel van de bundel vanuit een nieuwe invalshoek. De locatie moet het raadsel versterken. Toch heb ik het gevoel dat deze lokalisering het in vorige cycli aangehouden mysterie afzwakt. Ook de taal lijkt de dichter ditmaal meer weerstand te bieden. Het zoeken naar een talig equivalent voor wat in principe onuitspreekbaar is, blijft hier een tastend zoeken, een ‘barenswee zonder einde’, om het met de woorden van de dichter te zeggen. Sommige passages kreunen wat onder het gezochte taalidioom. Die passages missen de natuurlijke noodzakelijkheid van het taalgebruik uit de vorige cycli:

..//

Toen viel in stilte
het licht binnen en doordrong
de danseres die in uiterste torsie
de strijd aanbond
met het eigen onvermogen.


//..


Tot twee keer duiken verwijzingen op naar Marcel Duchamps ‘Naakt de trap afdalend’:

‘Zij: de legendarische trap afdalend
Als een gekapseisd lichaam’ (P. 51)

‘Het ogenblik waarop zij slaapdronken
tussen nacht en nevel
hurkend de trap afdaalt.’ (p. 52)


Meteen plaatst het de studie van het naakt in een cultuurhistorisch perspectief: de dichter kent zijn klassieken.

Poëzie moet het raadsel versterken. Het lezen van poëzie blijft een pelgrimage naar een land dat wel beloofd is maar nooit bereikt kan worden. Wat beklijft na de pelgrimage naar ‘Het uur van de wolf’ blijft (gelukkig) diffuus en tegen beter weten in. Wat betekent het en wat blijkt wanneer het lichaam onaangeraakt is door de snel ontbladerende tijd? Wat maakt deze tijd als ‘ruimteloze ruimte’ zichtbaar? De naaktheid van een zich aankondigende winter? Het verval? Het is de verdienste van de bundel dat hij vragen stelt zonder sluitende en voor de hand liggende antwoorden. Het zijn verklaringen zonder te verklaren. Wetenschap zonder bewijs. En zo er al antwoorden worden gegeven, is de vraag nooit expliciet.
Zowel thematisch als in haar benadering gaat de poëzie van A. Van Den Braembussche aan de filosofie vooraf. Al is die filosofische vraagstelling niet veraf, toch is de bundel geen op vers gezet filosofisch traktaat.
De vraag blijft hoe doelmatig de dichter zijn taalmiddelen inzet. De taal blijft sober, enkele passages uit het laatste deel uitgezonderd. De dichter peilt naar diepliggende emoties: pijn, waanzin, het ‘mond-en-klauwzeer van het eigen vlees’. De dichter raakt ons, voert ons mee, zonder te willen behagen. Hij blijft weg van wijdsprakerige poëtische ontboezemingen. Zijn benadering blijft cerebraal en ingehouden. Veel blijft zwijgen, onuitgesproken in de witruimten tussen de woorden. Om de bundel echt te smaken is enige aandacht en openheid van de lezer nodig. Het neemt niet weg dat deze bundel - deze ode aan de leegte – meer dan aandacht verdient. Want dit is poëzie: het ogenblik waarop de organen zingen op de rand der dingen.


© Hugo Verstraeten


VAN DEN BRAEMBUSSCHE, A., DECEUNINCK, B., EMILIE DE VLAM, Het uur van de wolf. Leuven, P, 2014, 54 – V pp.


Extern:
Het uur van de wolf - op de website van de auteur
Het uur van de wolf - performance op Vimeo
Uitgeverij P
Hoe zij versteent - Recensie Meander
Het uur van de wolf op Boek.be


vrijdag 30 januari 2015

Cliché

”Op de rand van het cliché is het mooi dansen”. Ingmar Heytze bij het lezen van “Cello”, een gedicht uit de Top100 van de Turing-gedichtenwedstrijd. Bij "Met het oog op morgen" is men ondertussen met 'Cello' al aan keuzegedicht nr. 5 toe. Of er mooi volk achter de gedichten uit de Top100 steekt leren we straks als we doorheen de verzamelbundel met als stichtende titel “Liegen op een hoger plan” mogen bladeren...


Walter Haesaert - Droevig feest

Verjaardagen zijn wel vaker uitgelezen momenten om stil te staan bij de betekenis van een literair oeuvre. Dichter en prozaïst Walter Haesaert die op 13 januari tachtig werd, ontsnapt niet aan de waan van de verjaardagsaandacht. Maar mooier is dat Uitgeverij Lannoo deze gelegenheid aangrijpt om de poëzie van Haesaert opnieuw samen te brengen. Dit onder de titel 'Droevig Feest. Het boek wordt op zaterdag 31/1/2015 tijdens een hommageavond met veel liefhebbende aandacht voorgesteld in het Malpertuis-theater in Tielt, de stad waar Walter Haesaert zowat zijn hele leven doorbracht.

Walter Haesaert publiceerde zes dichtbundels: De kleine Prins (1967), Droevig feest (1969), Koudbloedig (1970), Over warme en koelere Gronden (1972), Langzaam naar het zand
(1976) en Een warme holte. Daarnaast schreef hij twee romans Vivomanen (1965) en Regenvogels (1970) en een bundel dierenverhalen Onder de dierenriem (1974). Na zijn zesde dichtbundel ‘Een warme holte’ uit 1979 kreeg hij het gevoel dat hij alles had gezegd en nam een even konsekwente als intrigerende en moedige beslissing door onverbiddelijk op te houden met publiceren. “Er viel een enorme last van mijn schouders eenmaal ik die beslissing genomen had. Dichten is schandalig lastig en vergt veel van een mens” liet hij later daarover weten. In Tielt werd hij al ’s eerder gefêteerd. In 2010, toen hij 75 werd, las hij een niet eerder gepubliceerd gedicht voor dat indruk maakte en dat ongetwijfeld nu ook wordt opgenomen in het verzameld werk.

Vaak wordt de poëzie van Walter Haesaert in verband gebracht met die van Paul Snoek die een goede vriend was van de dichter en die op de terugweg van een bezoek aan Haesaert in oktober 1981 verongelukte in het West-Vlaamse Egem. In Tielt gaat Walter Haesaert morgen zaterdag 31/1/2015 in gesprek met Hugo Brems en Victor Vroomkoning terwijl Wim Opbrouck voor enkele muzikale tussenkomsten zal zorgen.

Extern
Walter Haesaert bij Dbnl
Droevig Feest bij Uitgeverij Lannoo
Theater Malpertuis: Hommage Walter Haesaert


(Paul Rigolle)


donderdag 29 januari 2015

Mijn stad - Paul Rigolle


Mijn stad heeft iets van alle steden.
In het concertgebouw komen
de mooiste stemmen thuis terwijl
buiten ketchup tegen de muren kleeft.

Je eet en je slaapt, je vergaloppeert je
in de parken. Je noteert het gonzen
en het huilen. Van elke leeftijd
is de mens die jou op de trappen

van het station net niet weet
aan te raken. Op elke rotonde
breekt een beeld de hemel open.
In de glasbol sterft het gerinkel.

Mijn stad heeft iets van alle steden.
Wie het hier - levend tussen Laagland
en Polder - over het sublieme heeft zal niet
zwijgen over wat neerligt in de straten.

Er zal neergang zijn en verblijding!
Het bloed zal ruisen. Dozen doe je dicht,
boeken sla je open. Wie hier wil wonen
zoekt geen reden om hier te blijven.


© Paul Rigolle


(eerder ook gepubliceerd in het literair tijdschrift Ballustrada)


woensdag 28 januari 2015

Kruisheuvel - Albert Hagenaars


Zondagochtend. Gedachten aan een kinderkuil
vol broeiend stro en licht uit de jaren vijftig
op deze heuvel die nog aan alle kanten vastgroeit

in hout, ijzer, marmer en vooral vastberadenheid.

Honderdduizenden kruisen, medaillons en balken,
behangen met tinkelende rozenkransen en foto's
van wie eenduidig gekend wil worden, door-

grond op dit snijpunt van geloof en politiek.

Elke blik roept oudere namen op nu,
elke stap nieuw leven, woord voor woord
aangeblazen tot geknetter van ondertonen,

traag opstijgende rook in het zuidwesten.

Hier heersen de dogma’s en genade van U
die tot mij zwijgt, ontkent wat zich in onze hof,
die geblakerde diepte, eindelijk doet verstaan
als het oorverdovend oogsten van de wereld.



© Albert Hagenaars


KRYŽIŲ KALNAS




Sekmadienio rytas. Mintys apie vaikišką duobę,
pilną bręstančio šieno ir šviesos iš penkto dešimtmečio,
ant šios kalvos, kuri vis plečiasi ir iš visų pusių apauga

medžiu, geležimi, marmuru ir ypač pasiryžimu.

Šimtai tūkstančių kryžių, medalionų ir sijų,
nukabinėtų skimbčiojančiais rožančiais ir nuotraukomis
tų, kurie neabejotinai nori būti pažinti, per–

smelkti šioje tikėjimo ir politikos sankirtoje.

Kiekvienas žvilgsnis iškviečia senuosius vardus į dabartį,
kiekvienas žingsnis naują gyvenimą, žodis po žodžio
įpučiamas iki pusbalsio spragsėjimo,

palengva kylantis rūkas pietvakariuose.

Čia viešpatauja dogmos ir gailestingumas Tavasis,
man nebylus esi, paneigi Save mūsų rojaus sode,
ta išdegusi gelmė, galiausiai suprantama

kaip kurtinantys pasaulio derliai.


Vertaling / Vertimas: Andromeda Grigalevichiute


© Albert Hagenaars

Kruisheuvel op de Albert Hagenaars-thuissite

Zie ook "Dodenherdenking" op Bergen op Zoom-in beeld


zaterdag 24 januari 2015

Jonathan, 2006

je hebt een leven gekregen, liefde, de borst, een hart-
operatie, wat menselijk falen en een gat in de grond
precies groot genoeg voor je belachelijk kleine kistje.

En jij, Jonathan, als was je een van ons, maar graaien
met je vingertjes van plezier. Pak het dan, Jonathan,

pak me dan.


© Olaf Risee



Bovenstaand gedicht is opgenomen in de debuutbundel ‘in de kersenboom’ van Olaf Risee. De bundel, deel 9 van de reeks Amsterdam Renaissance Chapbooks, is net verschenen bij uitgeverij Stanza.

In een (eerste) recensie zegt Mark van der Schaaf op Eekhoornoase over de bundel:
‘In de kersenboom’ is voor mij een bundel met twee gezichten: één die hartelijk wil lachen om deze belachelijke wereld en één die per se in de wereld wil staan, die verslag doet van de werkelijkheid. Geef mij die eerste maar. En misschien denkt Risee er zelf ook zo over, als hij zegt:
een relevantie ligt doodgelachen achter een raam


Meer info en te bestellen via dit Stanza-adres: Stanza-Crug-Tungsten-in de kersenboom
In samenspraak met de auteur publiceert Digther de komende dagen drie gedichten uit de bundel:

Een man en een raam
Man met de tuba (reprise)
Jonathan, 2006


vrijdag 23 januari 2015

man met de tuba (reprise) - Olaf Risee

de man met de tuba blijkt achteraf
nooit een tuba te hebben gehad

jarenlang zat de tuba verscholen
in het stugge zwijgen van de man
(zoals men enkel in West-Vlaanderen zwijgen kan)

als een komisch misverstand dat ergens achterop de tong
is blijven steken en zich daar uitstekend vermaakt

of zoals de mist boven de akkers van het boerenland
melancholiek de kruinen van de bomen aait

zo zat achter het raam de man met de tuba
die dus nooit een tuba gehad heeft
maar daarover altijd onverstoorbaar zweeg

'dag man met de tuba'


© Olaf Risee



Bovenstaand gedicht is opgenomen in de debuutbundel ‘in de kersenboom’ van Olaf Risee. De bundel, deel 9 van de reeks Amsterdam Renaissance Chapbooks, is net verschenen bij uitgeverij Stanza.

In een (eerste) recensie zegt Mark van der Schaaf op Eekhoornoase over de bundel:
‘In de kersenboom’ is voor mij een bundel met twee gezichten: één die hartelijk wil lachen om deze belachelijke wereld en één die per se in de wereld wil staan, die verslag doet van de werkelijkheid. Geef mij die eerste maar. En misschien denkt Risee er zelf ook zo over, als hij zegt:
een relevantie ligt doodgelachen achter een raam


Meer info en te bestellen via dit Stanza-adres: Stanza-Crug-Tungsten-in de kersenboom
In samenspraak met de auteur publiceert Digther drie gedichten uit de bundel:

Een man en een raam
Man met de tuba (reprise)
Jonathan, 2006


donderdag 22 januari 2015

Een man en een raam - Olaf Risee

Een man en een raam zitten rond een eettafel van beukenhout.
Achter een raam verschuilt zich een zekere relevantie
maar dat doet niet ter zake.

Een man staat op, loopt naar een raam, opent een venster en kijkt
en ziet: een raam rond een eettafel van beukenhout
en achter een raam een niet ter zake doende zekere relevantie.

Een man zwijgt.

Zitten een zwijgende man en een raam rond een eettafel van beukenhout.
Verschuilt zich achter een raam een zekere relevantie
die niet ter zake doet.

Een antwoord arriveert hoogmoedig bij een beukenhouten eettafel.
Een zekere relevantie duikt dieper weg in het kreupelhout.
Een raam sluit een venster.
Een zwijgende man bedenkt een thema.

'Tien.'

Een antwoord krimpt ineen tot nauwelijks waarneembare proportie.
Een niet ter zake doende zekere relevantie haalt opgelucht adem en zucht
gniffelend een nauwelijks waarneembaar antwoord weg door een raam.
Een raam verbaast zich.

Een man staat op, loopt naar een raam, opent een venster en kijkt
en ziet: een opnieuw verbaasd raam, een gniffelende relevantie,
ergens in de verte een eettafel.

Een man en een raam zitten rond niets van beukenhout.
Een relevantie ligt doodgelachen achter een raam


© Olaf Risee



Bovenstaand gedicht is opgenomen in de debuutbundel ‘in de kersenboom’ van Olaf Risee. De bundel, deel 9 van de reeks Amsterdam Renaissance Chapbooks, is net verschenen bij uitgeverij Stanza.

Meer info en te bestellen via dit Stanza-adres: Stanza-Crug-Tungsten-in de kersenboom
In samenspraak met de auteur publiceert Digther drie gedichten uit de bundel:

Een man en een raam
Man met de tuba (reprise)
Jonathan, 2006