dinsdag 29 november 2022
Rouwen om Frank Decerf
Frank debuteerde in 1981 met de dichtbundel "Na de afwezigheid". In 1997 volgde onder de titel "Vrienden" zijn eerste proza. Decerf streefde altijd duidelijkheid na in zijn poëzie en ander literair werk. Als sociaal bewogen auteur en leraar stelde hij steeds de mens centraal. Zijn werk getuigt dan ook van veel maatschappelijk engagement.
In het voorjaar van 2014 verscheen over zijn werk het literair essay "De trage zandloper van het geluk", geschreven door de Antwerpse auteur Guy van Hoof.
Frank was sinds 2020 ook voorzitter van de VVL (Vereniging Vlaamse Letterkundigen).
Hij overleed op zaterdag 26 november 2022 en hij werd amper 64 jaar. Het afscheid vindt plaats in intieme kring. Namens de redactie heel veel sterkte aan vrienden en familie.
Bibliografie
Weg (Roman) 2020
Getuigenissen : 3 - talige dichtbundel : Nederlands-Engels-Frans (Uitgeverij Partizaan, 2015) - Poëzie
Het Bezoek (VKH Literair, 2010) - Proza
Maria Cordobés: 2-talige dichtbundel : Nederlands - Spaans (Uitgeverij VKH Literair, 2006) - Poëzie
Kinderen van niemand (Paradox, 2001) - Poëzie
Helle-tijd (Paradox, 1999) - Poëzie
Vrienden (Zuid en Noord, 1997) - Proza
Witte brand (Zuid en Noord, 1994) - Poëzie
Stof van spiegels slaan (Manga, 1991) - Poëzie
WEG (Uitgeverij VKH Literair, ) - Proza
zondag 20 november 2022
De uitgedroogde tuin - Marcel Vanslembrouck
De uitgedroogde tuin van deze tekst smaakt naar inkt.
Op collages staat soms een gevulde gieter, maar die gaat nooit rond.
Aanschouw de welbespraakte aanhanger, de ontwortelde woordbreuk, de breeduit gezette tijden, de ontmantelde waarschuwing, de gekrompen schootsafstand, de net niet prominente plaats, de ontbotte overhaasting en de alsnog niet kwijtgeraakte toekomst die over enkele ogenblikken volledig opgaat in het niets.
Aanschouw op eigen risico ook Herr Jupp Ernst junior.
Onmiddellijk na zijn onderdompeling in de nacht, maar nog voor de kuren van de morgenstond, geeft hij zich, terwijl overal ter wereld kernwapens worden afgestoft, over aan naaktloperij.
Slechts versleten slippers scheiden hem van de koude vloer.
Van kop tot teen viert zijn loomheid hoogtij.
Het kost hem een boel moeite vele keren geruisloos langs hetzelfde open raam te passeren en tezelfdertijd naar een omvangrijk buiten te kijken.
Hij haat het zien van duizenden grassprieten en bloemstelen, ze snijden zijn pupillen aan flarden.
Een kat zonder muis in haar bek vindt hij een aanfluiting van de natuur.
Niet voor hij aan twee kopjes zwarte koffie heeft geslurpt, denkt hij aan iets in verband met het surrealisme.
Meestal komt zijn grootvader Max eerst aan de beurt, als tweede Picasso vanwege zijn kletskop.
Als het ’s morgens slecht weer is, scheurt Herr Jupp Ernst junior minstens één bladzijde uit de oeuvrecatalogus van de Spaanse rivaal.
De luxueuze editie is op vandaag gehalveerd.
Alleen grote hoeveelheden zonneschijn en de aanblik van een muur vol kunst fleuren zijn humeur op.
Hoewel, een Ernst tilt zwaar aan elk teveel, zelfs aan te veel Ernst.
© Marcel Vanslembrouck
Uit
het zopas verschenen boek ‘Heimelijke vreemdheden’ ‘Collages en
prozagedichten over een Ernst’ van de Torhoutse dichter Marcel
Vanslembrouck.
Verkrijgbaar via marcel.vanslembrouck@scarlet.be
(Uitgeverij Pi)
vrijdag 18 november 2022
Spaarzaam schilderen met taal
Inleiding van Richard Foqué bij de voorstelling van ‘De schaduw van Morandi’, de nieuwe dichtbundel van Antoon Van den Braembussche.
Jeugdhotel De Snuffel, Brugge - zaterdag 12 november 2022
La Dotta, la Grassa, la Rossa, zo karakteriseren de Italianen de stad Bologna. La Dotta - de geleerde - slaat op hun befaamde en oudste universiteit van Europa, la Grassa – de vette - op hun culinaire reputatie en hun beroemde mortadella, la Rossa – de rode - op hun gevels in rode baksteen maar ook op hun socialistisch engagement. Het is binnen deze driehoek van wetenschap, cultuur en politiek dat Bologna leeft. Het is een stad, die niet is ingenomen door een lawine aan toeristen zoals dat met vele Italiaanse steden het geval is, maar waar je meteen geconfronteerd wordt met een bloeiende economische en culturele activiteit. Het is een stad waar ik graag en dikwijls vertoef. Het is ook een bewandelbare stad met zijn circa 44 kilometers overdekte galerijen, die langs de straten lopen. Zelfs bij een verzengende zon kan je er dwalen in de schaduw. Het was zo dat ik tijdens één van mijn eerste bezoeken aan Bologna, bij één van die dwaalwandelingen, toevallig het huis van Giorgio Morandi ontdekte, waar hij woonde, zijn atelier had en waar hij ook overleed in 1964. Het is nu ingericht als een museum. Vanuit de beschaduwde straat stapte ik binnen in de schaduw van Morandi. De confrontatie met zijn werk, waarmee ik, toegegeven, toen niet vertrouwd was, opende een wereld van geschilderde stilte.
Morandi is inderdaad vooral bekend voor zijn stillevens. In een subtiele stijl met zeer beperkt kleurenpalet schildert hij kruiken, vazen en flessen. Steeds opnieuw dezelfde voorwerpen, die hij telkens anders rangschikt en schildert op ooghoogte. Het zijn relatief kleine schilderijen van zo een 30 bij 45 cm, steeds mat zonder glans, beschouwend en peilend, steeds hetzelfde maar anders.
Als professor emeritus in de cultuurfilosofie en auteur van het in meerdere talen vertaalde standaardwerk ‘Denken over kunst’ is het natuurlijk geen toeval dat Antoon Van den Braembussche vaak zijn poëtische inspiratie vindt bij kunstenaars en hun werk. Zo ook bij deze bundel maar er is meer aan de hand.
Met zijn nieuwe bundel plaatst Antoon Van den Braembussche zich heel bewust in Morandi’s voetsporen niet zozeer inhoudelijk maar transcenderend. Meer nog dan in zijn vorige bundels zijn hier de gedichten zelf stillevens geworden, geschilderd met taal. Uiterst spaarzaam gaat Van den Braembussche om met deze taal, kiest elk woord zeer zorgvuldig om het dan heel precies te plaatsen in het vers. Zoals Morandi in zijn stillevens tracht om de kleur te laten verdwijnen in het beeld en zo te laten vervagen in het canvas, zo tracht hier de dichter het vers te laten verdwijnen in het absolute wit van het papier.
De dichter heeft zijn gedichten thematisch gerangschikt in 5 cycli: ‘Pandemie’, een serie Corona gedichten, ‘Beeldgedichten’, geïnspireerd door uitgekozen schilderijen, ‘Moments de grâce’, gedichten aan de geliefde, die doorlopen in de volgende cyclus ‘Paradoxen’, de bundel sluit dan af met een ode aan Paul Celan en zijn verwerking van de holocaust. Ook Celan gaat in zijn gedichten zeer spaarzaam om met woorden en zijn poëzie wordt dan ook vaak hermetisch genoemd. Het is dan ook geen verrassing dat voor Van den Braembussche de dichter Celan een belangrijke inspiratiebron is. Maar in tegenstelling tot Celan is zijn poëzie zeker niet hermetisch. Eigenlijk zeer toegankelijk en toch geschreven op de rand van het zwijgen.
Zoals de dichter zelf zegt:
Want wie ooit eenzaam was
verglijdt snel in ongenaakbaar zwijgen.
Hier komen we tot de fundamentele paradox van deze bundel. De thematische bijna rationele opdeling in cycli verwijst naar de zichtbare en te begrijpen bovenwereld. Maar het zijn slechts handvaten om af te dalen naar die onzichtbare en ongrijpbare onderwereld van gevoelens, kortom al die gemoedstoestanden, die elke mens bewust en onbewust ervaart.
Zoals in het gedicht opgedragen aan de schilder Jef Verheyen:
Het bewustzijn van de dingen
is er slechts tussen
licht en donker,...
De dichter is daarbij sterk beïnvloed door het Boeddhisme, een leer, die inzicht wil krijgen in het menselijk lijden en hoe daar mee om te gaan. Heel duidelijk is dat in de coronacyclus, waarmee deze bundel aanvangt.
Corona. Utopia.
De lucht zuivert zich
in de slagaders van de stad.
Nog nooit hoorde je
in straten en pleinen zozeer
de stilte en het onuitsprekelijke.
Alsof de stilstand ons meer dan ooit
iets onvergetelijks leert:
de herademing van het ogenblik.
Meteen ook is hier het meditatieve aanwezig. Meditatie als het pad naar innerlijke verlichting. Dat de bovenhand krijgt in zijn reeks gedichten ‘Liefde in tijden van Corona’. Het zijn van de tederste liefdesgedichten uit de pen van een Nederlandstalige dichter. Wat een simpel maar onnoemlijk sprekend vers, waarmee deze cyclus begint:
Ik leg mijn hand
op de stilte
van je lichaaam.
Ik kus het herfstlicht
op je schouder.
In jou zal ik sterven
en nooit sterven.
Weer is dat woord ‘stilte’ daar. Alsof de dichter er door bezeten is en de stilte voor altijd wil vastleggen in woorden en verzen. Kunstrecensent en zelf dichter Johan Van Cauwenberge noemde in een gesprek, dat ik nog niet zo lang geleden met hem had, Antoon Van den Braembussche de dichter van de stilte. Hij had het niet beter kunnen verwoorden.
Het is precies dat zoeken naar de stilte diep in zichzelf dat Van den Braembussche’s poëzie ook dat sterk meditatief karakter geeft. In zijn beeldgedichten, zoals hij het zelf noemt, is de aanschouwing van het kunstwerk de aanleiding om door te dringen naar wat achter dat kunstwerk ligt. Wat het teweegbrengt. Zo wordt voor de dichter ‘aanschouwing’ ‘beschouwing’, reflectie naar zichzelf en uiteindelijk zo binnentreedt in de schaduw van Morandi.
Als je stil bent
dan kan je de hartslag
van de dingen horen.
Hoe ze denken
in het flinterdunne licht.
Onaards.
Hoe ze spreken
tot de eigen schaduw.
Tot elkaar
Stil en gelaten.
In steeds wisselende tonen.
De gedichten worden meditaties. Het wordt doorgetrokken in de cycli ‘Moments de grâce’ en ‘Paradoxen. Ik noem een paar gedichten als voorbeeld zoals ‘Blow up’, ‘De gedachte’ en ‘Alles, onvergetelijk zelfs’ maar je zou de hele cyclus kunnen citeren.
De laatste cyclus, ‘De ode aan Paul Celan’ vormt het sluitstuk van deze bundel en meteen ook de ultieme poging van de dichter om de stilte en het onzegbare in woorden te vangen en te doen verdwijnen in het schaduwland van innerlijke verlichting.
Sterf voor je sterft,
zegt de mysticus.
Wij hebben in het kamp
en de rookblauwe,
ongeheelde herinnering
niets anders gedaan.
In de herfst, getijde en het niets.
Ons stuk kauwend
op de tekens van het ongeziene.
Beste poëzievrienden,
Deze bundel is een zeldzame verademing in een wereld eerst geteisterd door de corona pandemie om dan geconfronteerd te worden met een meedogenloze oorlog aan onze grenzen. Een wereld gedomineerd door algoritmes, waar persoonlijk contact langzaam aan het verdwijnen is. Waar poëzie langzaam debet is aan de waan van de dag, die bestaat uit hypes, die meteen opbranden en waar poëzie maar al te vaak het niveau van therapeutische geschrijf nauwelijks ontstijgt en nog erger enkel slam-lawaai wordt.
Daarom verdient deze bundel en zijn dichter de grootste waardering om tegen deze stroom in te roeien en ons lezers eraan te herinneren dat we stilte en vrede moeten vinden in onszelf.
Het is een bundel, die we kunnen lezen en herlezen, gezeten op een bank in ‘breekbaar licht’, in de schaduw van de stilte en zo het onuitspreekbare begrijpen, zoals de dichter schrijft in de schaduw van Morandi:
Tot jezelf geheel en al verdwijnt.
Langzaam in het ijle.
© Richard Foqué
De schaduw van Morandi, Antoon Van den Braembussche, Uitgeverij P, 2022, 56 p., 18,00 €. Afbeelding cover: "Souviens toi" van Sofie Muller
Facebook-bericht van Frederik De Laere
![]() |
| Een beeld van de voorstelling in De Snuffel vlnr Els Deceukelier, Antoon Van den Braembussche, Sofie Muller en Frederik De Laere (foto) |
donderdag 17 november 2022
Beschouwing - Luc Vandromme
De moeder is duidelijk. De vader, daarentegen.
‘Wanneer we je ouders zien en wanneer we jou zien. Zo verschillend. Klopt alles?’ Ongetwijfeld ben ik niet de enige die met deze opmerking in het reine moest komen. Zeker toen ik jonger was..
Ik probeerde deel van de tijd te zijn. Met lange haren, oosterse sandalen en tot op de draad versleten kleren. Vond de verkeerde dingen belangrijk. Was enthousiast, sportief en wou het geld herverdelen. Een carrière stonk, tenzij ze de weg van de kunst volgde. Er waren Bob Dylan. Crosby, Stills, Nash en Young. Lou Reed. Onze grote idealen. De tijden zouden veranderen..
Tijdens familiefeesten klopte ik niet. Een tang op een varken..
Was het generatieconflict aan het werk? De revolutionaire zestiger en zeventiger jaren? Misschien was ik slechts een product van de tijd?.
Of was er meer?.
Stel dat ik een jong van de melkboer was. Of van de postbode. Roger met de drankneus en het zweethaar. .
Dan beschuldigde ik mijn moeder van het ondenkbare..
In het andere geval was ik weldegelijk de zoon van mijn vader..
Wellicht een mutatie..
Tenzij er verklaringen waren. .
Op een bepaald ogenblik kun je niet langer langs je levensvragen. Blijf je die ontwijken, dan gaan ze etteren. Doe je dit niet, dan ben je verplicht al je moed te vergaren. De strijd aangaan. Met durf, dapperheid en kracht. Onderzoeken leidt tot onverwachte en vaak ongewilde resultaten. Je moet ontwarren en het raadsel in de ogen kijken. ‘Wie ben ik? Van waar kom ik? Hoe komt het dat ik ben zoals ik ben?’.
Ben ik echt de zoon van mijn vader dan moeten er aanwijzingen zijn. Verklaringen hoe mijn DNA zich heeft ontwikkeld..
Genen worden van generatie op generatie doorgegeven. Telkens wijzigen ze een beetje, maar in hun kern blijven ze quasi identiek.
Dit betekent dit dat ik op zoek moet gaan in het verleden.
Zijn er bij mijn voorouders sporen te vinden? Karaktertrekken. Talenten. Levenskeuzes. Andere. Zaken die een licht werpen. Die, wanneer je ze bundelt, mezelf kunnen voorspellen?
Dit is geen kroniek over koningen, veroveraars, legeraanvoerders of vrome heiligen. Het is het verhaal van eenvoudige lieden. Mijn voorvaderen.
Ik heb hun lijn gekozen. Een man zoekt zijn mannelijke eigenschappen. Hoewel ze minstens even cruciaal zijn, komen mijn voormoeders zijdelings in beeld. Behalve wanneer ze de dochter is van iemand die de geschiedenis fout inschat. Zoals in elke familie het geval is, kende de onze bijzondere personen. Grote zielen. Reislustige avonturiers. Ondernemers. Landarbeiders. Kunstenaarsharten. Liefhebbende echtgenoten.
Ze groeiden op. Droomden. Hadden lief. Zondigden. Stichtten. Overwonnen. Zochten vervulling.
In hun tijd. Tijdens hun wentelen van de wereldgeschiedenis. Tijdens oorlogen en periodes van onbezorgde voorspoed.
Langs Joannes Christiaen Godefridus Warnitz kan dit epos niet. Met zijn aankomst begint de verspreiding van onze familiale kenmerken. Terecht is hij een soort stamvader naar wie onze grondslag terug te voeren is.
Weinig is over hem bekend, behalve wat het bevolkingsregister vermeldt. Hij ziet het levenslicht in april 1799 bij Lübeck. Naar de precieze datum en geboorteplaats blijft het gissen.
Op woensdag 28 januari 1852 huwt hij in Brugge met de vierenveertigjarige Anna Thérèse Synave. Als beroep laat hij optekenen: matroos. Tegelijkertijd laat hij acht kinderen wettigen. Voortaan dragen ze zijn familienaam. Het is het zesde kind en jongste zoon, Leopold Egidius Warnitz, dat onze aandacht verdient. Bij het huwelijk is de jongen acht jaar oud. Geboren in Brugge op 30 augustus 1844. Leopold wordt later de grootvader van Eugène Warnitz, mijn moeders grootvader. Joannes Christiaen Warnitz inspireert en zet aan tot speculaties. Waar komt hij vandaan? Wanneer arriveert hij in Brugge? Begin 1828, wanneer we in rekening brengen dat een zwangerschap negen maanden duurt en hij Anna Synave moest ontmoeten?
Waarom huwt hij pas op tweeënvijftigjarige leeftijd? Woont hij al die tijd in Brugge of is Anna een havenliefje dat hij telkens opzoekt wanneer zijn schip aanmeert? Waarom dragen de kinderen allemaal haar naam tot 1852, de dag van het huwelijk? Zijn het echt zijn kinderen of strikt Anna hem in haar netten en zadelt ze hem op met een rij bastaards?
Is hij een Pruisische zeeman? Of ontvlucht hij om een of andere reden zijn thuisland? Heet hij werkelijk Joannes Christiaen Godefridus Warnitz?
Is het weldegelijk zijn geboorteakte die hij op zak draagt?
Een andere mythische voorzaat is Egidius, Amandus, Eugeen, Joseph Dolphens. Geboren in Helkijn op zaterdag drie maart 1770.
Legendarisch omwille van zijn beroep: cabaretier. En omwille van zijn dochter, Marie-Thérèse, die op zevenentwintigjarige leeftijd met de een jaar oudere Pierre Joseph Verbeke huwt.
Wat is haar beroep? Helpt ze in de zaak? Heeft ze als cabartierdochter automatisch vaderloze kinderen? Bij haar huwelijk zijn er vier. Is Pierre Joseph een doodbrave ziel die zich over het ongelukkige gezinnetje ontfermt? Of zijn het wel degelijk zijn kinderen? Waarom schenkt hij hen zijn familienaam? Samen krijgen ze nog zes kinderen waarvan er slechts drie in leven blijven. De tweede heet Ferdinand François Verbeke, de latere grootvader van mijn moeders grootvader. Stamt ons DNA langs deze zijde uit een huis van verderf?
Ik kan mezelf niet van op een afstand bekijken. Onmogelijk kan ik uit dit lichaam en uit deze ziel treden. Wellicht laat ik het beter aan anderen over om gelijkenissen en verschillen met mijn voorvaderen aan te wijzen. Zien ze kenmerken van een crimineel, een variétéartiest, een paardenfluisteraar, een wielrenner, een comedian, een wereldreiziger, een ziekelijke muzikant en een uitvinder?
Een andere kwestie is minstens zo ernstig: ik ben zelf een vader. Heb ik iets van het plaatje overgedragen?
Geeft een individu de eeuwen door?
Het is aan de volgende generatie om dit uit te maken. Tijd brengt raad.
Het is goed om een zoon te zijn.
Van welke vader dan ook.
Welke verschillen er zijn, het is het eenvoudigst en het fijnst om de zoon van je vader te zijn.
Mutaties of niet.
Als zoon kan je alleen maar dankbaar zijn.
Voor het gegeven leven.
© Luc Vandromme
Deze beschouwing is een aantekening van de auteur bij ‘Niets verlaat de tijd’, de nieuwe roman van Luc Vandromme die komende zaterdag 19/11/2022 verschijnt en gelanceerd wordt.
Luc Vandromme (België, 1961) is pedagoog, schrijver, beeldend kunstenaar en jazz-zanger. Eerder publiceerde hij zes romans. De verschillende kunstdisciplines ziet hij als een middel om beelden te creëren. Zijn artistieke werk beschouwt hij als een onlosmakelijk geheel, waarbij zijn hoofdaandacht uitgaat naar het schrijven. Daarin vinden zijn verbeelding en zijn ‘stem’ hun diepste uitdrukking.
"In
Niets verlaat de tijd neemt Luc Vandromme de lezer in negen beklijvende
portretten mee op een levensechte reis door de tijd die we misschien
allemaal wel zouden willen maken."
woensdag 16 november 2022
De paardenbezweerder - Luc Vandromme
De paardenbezweerder (fragment)
1.
Ooigem ruik je.
Ofwel sla je je hand voor je gezicht, draai je om en ga je er van door. Ofwel aanvaard je de rotting.
Ooigemnaars ruiken niets. Ze snuffelen in de lucht en daar blijft het bij. Alleen wanneer de ijzeren rootputpoorten openschuiven, ondergaan ze een lichte onrust.
Ook tijdens het voorjaar van 1908 wordt het dorp een eiland. De vette kluiten vloeien uit tot meren breekbaar groen waar de lente purperen bloemknoppen over streelt. De zon en de zachte wind brengen bijen. Nectar. Gouden toekomst. Winst en geld. Voorbij is de armoede. Gedaan met de eeuwige aardappelen, het brood en de soep.
2.
Ik steek mijn spade in de grond. De weerbarstige klei vereist dat ik mijn voet er op plaats. Eenmaal door de harde korst is de onderlaag smeuïg. Ze blijft aan het blad kleven. Zwaar en dood. Toebehorend aan een weerspannige onderwereld. Met dezelfde voet schuif ik de massa in de kruiwagen. Nog de helft te gaan en dan rijd ik naar de kar die het goedje naar de oven voert. Het aantal kruiwagens houd ik bij. Ze vormen mijn dagopbrengst. Nu ben ik de tel kwijt. Het komt door het paard. Of door de kar die het trekt. De oude is door een wiel gezakt. Vandaag is er een lager model met een minder hellende loopbalk. Dat spaart krachten. Kracht die ik nodig heb voor mijn spade.
Het hinniken brengt me terug naar de beelden die ongewijzigd zijn opgeslagen. Helder. Naar de angst en het bonzende hart van het zesjarige kind. Hoeveel kruiwagens waren het nu?
3.
De hengst heeft schuim op de lippen. Zijn ogen rollen. Onheilspellend opengesperd wit. Zijn hoeven hameren op de kasseien. Dan zwaait hij op zijn achterbenen en de menner kan hem niet meer houden. Machtig slaat het dier zijn hoofd en gaat er met de kar vandoor. De vlasarbeiders vliegen alle kanten uit en blijven in een stofwolk achter.
Het geluid valt. Het opstijgen van de leeuweriken. Het dreunen van de poorten. Het kraken van de assen.
‘Pas op!
‘Aan de kant!’
‘Hou het tegen!’
‘Doe iets!’
‘Help!’
Benen kunnen onder wielen terechtkomen. Borstkassen ingedrukt.
Diezelfde benen aarzelen. Door de akker naar beneden gezogen.
De armen hangen levenloos, van adem beroofd.
Het hoofd van gedachten gewist.
Dan schiet een kind vooruit. Argeloos kruist het de dodelijke galop van het aanstormende beest. Geen volwassene die de moed heeft tussen het kind en het paard te springen.
Groots spreidt het jongetje de armen. Heilig als een stamvader die oerkrachten temt. Het gezicht onbewogen. Zijn aanwezigheid bezweert de demon.
Het schuim verdroogt. Het wit verdwijnt. Miraculeus vallen de dodelijke hoeven en de vernietigende wielen stil. Op een halmbreedte van de frêle ribbenkast.
De aarde herwint haar kleur. Het geel van het vlas. Het groen van het seizoen. Het uitspansel dat zijn eeuwigheid terugvindt. Armen reiken. Noeste handen grijpen en plaatsen het kind op brede schouders. Klompen roffelen. Dansen de reddende engel door het dorp. In een onvergetelijk ritme dat de naam Camiel vervangt. ‘Boeverke! Boeverke! Boeverke!’
© Luc Vandromme
Fragment uit ‘Niets verlaat de tijd’, de nieuwe roman van Luc Vandromme
die komende zaterdag 19/11/2022 verschijnt en gelanceerd wordt.
Luc Vandromme (België, 1961) is pedagoog, schrijver, beeldend kunstenaar en jazz-zanger. Eerder publiceerde hij zes romans. De verschillende kunstdisciplines ziet hij als een middel om beelden te creëren. Zijn artistieke werk beschouwt hij als een onlosmakelijk geheel, waarbij zijn hoofdaandacht uitgaat naar het schrijven. Daarin vinden zijn verbeelding en zijn ‘stem’ hun diepste uitdrukking.
"In
Niets verlaat de tijd neemt Luc Vandromme de lezer in negen beklijvende
portretten mee op een levensechte reis door de tijd die we misschien
allemaal wel zouden willen maken."
maandag 14 november 2022
Pessoa's dood - Geert Van Hoe
De grote scheepslamp van je geest
barstte lekkend open,
maar er is nog klaarte:
in mijn hoofd wandelt traag
het droeve dwaallicht van je
roeste, roerloze gevaarte.
De zon verbrandde boven de
overbevaren haven van je brein, dat het
blauwgroene geluid van je ziel bleef meten.
Maar er is nog warmte:
mijn huid zindert als de
druiven van je gehavende herfst en de
versplinterde winter van je
weigerende, oververhitte weten.
Je stierf ten slotte toch je allerlaatste
dood.
Het helwitte schietlood tussen je
zwarte sterren
verlicht mijn koele grot met je
duizelende sterven.
© Geert Van Hoe
![]() |
| Belem Mosteiro Tombe Pessoa |
zaterdag 12 november 2022
Buigen of barsten - Internationaal Poëzietrefmoment in Roeselare
Op zondag 27 november 2022 gaaat in Roeselare de tweede editie van een Internationaal poëzietrefmoment door.
Plaats van afspraak de Augustijnenkerk van het Klein Seminarie, Zuidstraat 25, 8800 Roeselare om 16:30 u.
Gratis! en geschikt voor 14 tot 99 jaar! 🙂 (Wel vooraf even inschrijven)
Achttien dichters uit binnen- en buitenland lieten zich op initiatief van Stadsdichter #VANRSL Edward Hoornaert inspireren door het gedicht ‘Buigen of bersten‘ van Guido Gezelle en brengen een ode aan de weerbaarheid van mens en natuur. De presentatie is in handen van Benedikte Crombez en stadsdichter #vanrsl Edward Hoornaert. De Nederlandstalige band Meander, die op de elfde editie van Nekka nog de publieksprijs wegkaapte, zorgt voor de muzikale noot.
De achttien dichters: Stadsdichter Roeselare #VANRSL Edward Hoornaert/Laura Accerboni (Ita)/Geert Jan Beeckman (BE)/ Rosa Berbel (SPA)/Moya De Feyter/Christine Guinard (FRA)/Peter Holvoet-Hanssen (BE)/Tijl Nuyts (BE)/Paul Rigolle (BE)/Arnoud Rigter (NL)/Steven Van Der Heyden (BE)/Ann Van Dessel (BE)/Shari Van Goethem/Steven Van der Heyden/ (BE)/Wim Vandeleene (BE)/ Reinout Verbeke (BE) en Martje Wijers (NL)
Stadsdichter #VANRSL-Roeselare
Facebookpost Stadsdichter
Facebookpost Paul Rigolle
vrijdag 11 november 2022
O Odessa - Hendrik Carette
O Odessa
Na een grote pogrom zijn er haast geen Joden
meer in Odessa en Stalin, de Osseet van Ossetië,
maakte van heel Rusland een ossuarium.
De beroemde Odessiet Isaak Babel,
Le Juif de service, en Anna Achmatova
werden er niet eens plechtig begraven.
Geef mij dan maar dat portret van Babel
met dat brilletje zoals ooit geschilderd
door vriend Eriek Verpale van wie
de grootmoeder een Joodse was uit Litouwen.
Of geef mij zo’n klein keppeltje om aan te doen
zoals Renaat Ramon dat deed in Firenze
op de grijze haren van zijn grijs achterhoofd
in een stemmige synagoge bij den Hoge.
O Odessa stad aan de veel te zwarte Zwarte Zee.
© Hendrik Carette
donderdag 10 november 2022
[ogen klimmen] - Luc C. Martens
zonder titel
ogen klimmen uit zwarte kasten, blijven
zwak schijnen als de zon van december
op winterhoogte. ze kijkt en herkent
ze lacht spaarzaam met onze verhalen, laat de zon
vroeg ondergaan en droomt haar verleden. vingers
vertellen hoe ze de eindjes aan elkaar knoopte
het werd elke dag zondag. de mooiste blouse, de
gouden ketting. haar kapsel zeeft haar geheugen.
naar huis draag ik haar kruis op mijn voorhoofd
© Luc C. Martens
Uit de pas bij Uitgeverij P verschenen nieuwe bundel “Twee uur per maand kom ik van je houden” van Luc C. Martens. Daarin diept de dichter in prangende beelden scènes uit een gezinsleven uit. De dichter pleistert en zalft, gedreven door een niet aflatende zorgzaamheid.
"Twee uur per maand kom ik van je houden” is veruit zijn meest persoonlijke bundel tot dusver.
Meer info:
Website Luc C. Martens
Luc C. Martens bij Uitgeverij P
woensdag 9 november 2022
Levenslang - Luc C. Martens
voor de vader van Christine
op het grijs parket de schaduw van het raam,
het kruis dat hij al jaren draagt. hij weet de zon
maar voelt in hem een oude kilte om het kind
dat altijd kind gebleven is
zeepbellen blazen, bloemenruikers maken,
lachen naar het telraam van de regen.
spreken in lettergrepen waarna steeds weer
de stilte in haar geest van porselein
nooit kon hij binnenkijken door de
broze muur van haar beschadigd huis.
in haar roze tuin staan oude bomen,
bleef zij de twijg
© Luc C. Martens
Uit de pas bij Uitgeverij P verschenen nieuwe bundel “Twee uur per maand kom ik van je houden” van Luc C. Martens. Daarin diept de dichter in prangende beelden scènes uit een gezinsleven uit. De dichter pleistert en zalft, gedreven door een niet aflatende zorgzaamheid.
"Twee uur per maand kom ik van je houden” is veruit zijn meest persoonlijke bundel tot dusver.
Meer info:
Website Luc C. Martens
Luc C. Martens bij Uitgeverij P
dinsdag 8 november 2022
Zus met verstandelijke beperking - Luc C. Martens
Zus met verstandelijke beperking
Uit de cyclus zus
laat haar hand nooit los, zei moeder. in elke winkel
de ogen van jakhalzen. de onvolmaakte leeuwin
kreeg altijd een plakje vlees, deelde haar prooi
nooit met de jongere welpen. zij jaagde niet
met gestrekte klauwen groeide ik in haar schaduw,
de liniaal op mijn kneukels
zou zij ooit binnen de lijnen kunnen kleuren?
de gekwetste koning, onderwijzer van het oude hout,
kon geen tweede nederlaag lijden
over mijn overwinningen zou hij heersen.
zonder gevecht bleef hij leider van de troep.
nu ik mijn littekens en eigen welpen tel,
neem ik nog steeds haar kinderhand
© Luc C. Martens
Uit de pas bij Uitgeverij P verschenen nieuwe bundel “Twee uur per maand kom ik van je houden” van Luc C. Martens.
Daarin diept de dichter in prangende beelden scènes uit een gezinsleven uit. De dichter pleistert en zalft, gedreven door een niet aflatende zorgzaamheid.
"Twee uur per maand kom ik van je houden” is veruit zijn meest persoonlijke bundel tot dusver.
Meer info:
Website Luc C. Martens
Luc C. Martens bij Uitgeverij P
zaterdag 5 november 2022
Erdoor zakken kan zware kwetsuren veroorzaken
Het is lang wachten geweest op een nieuwe dichtbundel van Frank De Crits. De laatste, ‘Dichterbij Brussel’, dateert van 2010. Het betrof een verzameling van eerder en niet eerder gepubliceerde teksten rond het gegeven ‘Brussel’. In die tussentijd zat de dichter evenwel niet stil. Zijn jongste bundel ‘Kleine grimmige gedichten’ was al geruime tijd klaar en het was - teken des tijds - lang zoeken naar een passende uitgever. Ik mag u verklappen dat hij nog wel wat in zijn lade heeft liggen. Dit boekje wordt dus niet zijn laatste. Ik kijk er al naar uit.
De vraag is of Frank met deze verzameling een andere poëtische weg heeft ingeslagen.
Ik zou zeggen dat dit niet echt het geval is want stilistisch herkennen we good old Frank meteen. Deze stijl werd door Geert Van Istendael in zijn inleiding bij ‘Dichterbij Brussel’ als volgt omschreven: ‘Hij mijdt het rijm niet maar zoekt veeleer zijn heil in ritme, hortend, in het midden van een woord afbrekend. Dat ritme stuwt de opeenstapeling van observaties voort, nevengeschikt, zonder leestekens, zodat de ene vaststelling in de andere overslaat. Het lijkt of ze uit de vorige komt kruipen, of iedere waarneming de volgende genereert.’ Beter kan het niet geformuleerd worden: we vinden deze stilistische, grammaticale factoren in deze kleine gedichten vertrouwd terug.
In dit verband lezen we in de bundel een gedicht vol heerlijke zelfspot met als titel ’potlood’. Daarin verraadt de dichter iets over zijn eigen schrijfproces en schrijfwijze: ‘daarmee zijn al mijn gedichten geschreven/met haperingen en allerhande hopeloze/fouten met faal en angst tijdens de/avonden die altijd met dt eindigen’
Ik vestig in deze verzen de aandacht op het woord ‘haperingen’ want deze bundel vertoont op verschillende niveaus ‘haperingen’. De zelfspot die uit deze passage blijkt is nu net één van die haperingen.
Toch merk ik in ‘Kleine grimmige gedichten’ op z’n minst twee afwijkingen bij de vorige stilistische omschrijvingen in vergelijking met zijn vorig werk. Daar waar Geert Van Istendael kon schrijven dat de gedichten van ‘Crits’ ‘net geen prozagedichten’ zijn (een mening die ik overigens deel), stel ik nu vast dat, typografisch gesproken, we hier eerder met reguliere gedichten te maken hebben. Of zo lijkt het toch. Ze blijven weliswaar een prozaïsche toon behouden. Maar de gedichten zijn formeel opgedeeld in twee van elkaar gescheiden strofen, elk bestaande uit vier, min of meer gelijklopende regels. Gemakshalve noem ik ze ‘kwatrijnen’, al beantwoorden ze niet aan wat een klassiek kwatrijn moet voldoen. Ze geven de indruk dat we hier met vormvaste poëzie hebben te maken. Maar dat is een illusie die de dichter zelf ontkracht in het laatste gedicht ‘tuinstoel’ door in het tweede kwatrijn nog een vijfde regel toe te voegen – waarmee hij het formele van de bundel op een narrige manier een beetje op zijn kop zet. Deze regel luidt: ‘erdoor zakken kan zware kwetsuren veroorzaken’. Het kwatrijn zakt dus letterlijk door. En hiermee misschien ook wel de hele bundel. Op de koop toe karakteriseert het de aangeboren, vranke en vrije tegendraadsheid van Frank De Crits.
Tweede vaststelling: de associatieve, in en uit elkaar springende observaties blijven bewaard maar worden teruggedrongen door een sterk aanwezig taal- en woordspel waarbij letterlijke en figuurlijke betekenissen worden uitgespeeld. In het gedicht ‘kaart’ bijvoorbeeld is het niet duidelijk welke ‘kaart’ het gedicht evoceert: gaat het hier over een speelkaart (passend in een pokerspel met de lezer?), gaat het over een leeskaart, een landkaart? Of zelfs over een visitekaart waarop iemand zichzelf kan voorstellen als zijnde ‘een geleerde in de wetenschap van het liegen’. (Zou het niet de visitekaart van een dichter kunnen zijn? ) En kijk, daar hebben we het al: de betekenissen van het begrip ‘kaart’ blijven ‘haperen’, veroorzaken ‘kortsluitingen’. Vormvast is die ‘kaart’ niet: ze is plooibaar.
Het feit dat er gebruik wordt gemaakt van ‘twee kwatrijnen’ weerkaatst een tweeledigheid die we in het opzet van het geheel terugvinden. Ik verklaar me straks nader.
De focus waarop de gedichten zich in deze bundel richten, verschilt met eerdere bundels. Frank brengt in deze gedichten allerlei banale objecten in beeld. Hiermee sluit hij aan bij een specifieke, modernistische traditie. Namelijk bij al die dichters die voorwerpen tot thema maken in hun poëzie. Ik kan er hier niet over uitweiden. Over het waarom dergelijke dichters het voorwerp centraal plaatsen, wil ik enkel kwijt dat die aandacht op het banale object die dichters onder meer in staat stelt om het hoog-lyrische en het al te verhevene terug te schroeven, te ontwijken of zelfs uit te schakelen. Bij Frank gebeurt dit meer dan eens via een strategisch uitgezet understatement. Een lyricus is hij allerminst. Daarvoor staat hij doorgaans hardboiled met beide voeten op de grond – al ontpopt hij zich wel eens als een utopische dagdromer.
Wat Frank aantrekt in de voorwerpen die hij evoceert is, zoals gesuggereerd, de banaliteit ervan. Hij is niet selectief: het zijn allemaal voorwerpen die dicht bij hem en ons staan. Een onderbroek, een onderlegger, een emmer, een bril, kousen (al dan niet met visnetmotief)… Maar belangrijker dan het onderwerp is natuurlijk wat hij ermee aanvangt, de manier waarop hij het met zijn kijk, taal en stijl benadert en bespeelt.
Meestal geldt het voorwerp in deze gedichten als een katalysator waarbij allerlei mechanismen een genererende rol gaan spelen. Het brengt de linguïstische machinerie op gang zoals die zich voordoet in het genoemde taalspel. Er is de machinerie van de herinnering die het voorwerp uitlokt: de vaderfiguur wordt tot tweemaal toe expliciet opgeroepen (in de gedichten ‘huis’ en ‘hamer’), er wordt een paar keer naar de kindertijd verwezen zoals in de gedichten ‘broek’, ‘vergrootglas’, ‘doos’ en ‘knikker’. En er is de levensgevaarlijke machinerie die onze psyche op volle toeren laat draaien: het moment waarop het voorwerp zich tegen ons gaat keren zoals dat tot stand komt in onze meest morbide dromen, onze onvermoede, weggemoffelde angsten, impulsen en lusten waarvan onze fantasma ongeremd getuigen. In de bundel zijn deze fantasma opvallend van sadistische aard. Een greep: nagels worden uit een teen getrokken; in het nogal fetisjistische gedicht ‘visnet’ vreten piranha’s een been op; een afgehakt hoofd wordt, zoals in het lied ‘Heer Halewijn’, op een bord op tafel gezet; een familie wordt middendoor gesneden; nog een hoofd wordt aan spaanders geslagen; een vork kwetst en verminkt; een versneden lijk wordt in een valies gestopt. Ja, het gaat er heftig aan toe. En het is die heftigheid wat die kleine gedichten grimmig en conflictueus maakt.
Dat conflict bezorgt de gedichten een tweeledige structuur. Ze bestaan uit een enerzijds en een anderzijds. (Een anderzijds dat eveneens een nachtzijde of een gene zijde kan zijn.) Een beeld en een tegenbeeld. Een positieve pool en een negatieve pool.
Van de manier waarop dit zich voordoet, geef ik een representatief voorbeeld. Het betreft het gedicht ‘braadpan’. In het eerste kwatrijn wordt aangegeven welke gerechten je er allemaal mee kunt bereiden: van een roerei tot gebraden aardappels. Maar in het tweede kwatrijn keert de braadpan zich tegen ons: je verbrand je vingers eraan en je kan er iemand de kop mee inslaan. De laatste regel concludeert met de nodige laconieke ironie hierover: ‘dat is hoogst ongebruikelijk en ja pijnlijk’.
Zoals het hier wordt gesteld doet het zich meestal niet zo expliciet voor. In vele gedichten gebeurt het wat subtieler maar we ontwaren telkens de confrontatie tussen het positieve en het negatieve. Meestal eindigt het gedicht in het negatieve. Er is maar één gedicht dat daarvan afwijkt. Het gedicht ‘bloempot’ eindigt positief en zelfs wat onwaarschijnlijk sentimenteel – ‘soms leg/je ze naast je en groeit er een bloem in je hart’ - wellicht schuilt hier ook wel ironie. Want hoezeer dit conflictueus gegeven zwaarwichtig zou kunnen worden uitgewerkt, de humor van Frank houdt het geheel luchtig en leesbaar. Deze humor zou je zwarte humor kunnen noemen. Veelal speelt bij dit soort humor de negativiteit en het destructieve een hoofdrol.
Bij Frank doet deze zwarte humor zich als anarchistisch voor. En dat laat zich in deze bundel meer dan eens lezen. Er is sprake van het ‘gelijk van bakoenin’ en ‘van de macht overnemen en in vraag stellen’. Hij herhaalt Proudhon als hij schrijft: ‘bezit is zuiver diefstal’. Hij heeft het over ‘beroemde koningen die hun hoofden zagen rollen’. In het gedicht ‘verfborstel’ laat zich even de glimp van een ‘grand soir’ zien: de verfborstels komen in opstand en keren zich tegen hun baasje!
Die anarchistische houding lokt een vitale dynamiek uit, een jeugdig en grotesk aandoende onstuimigheid. Ik vermeldde al het tegendraadse. Ik signaleer het jongensachtige. In het gedicht ‘zakdoek’ noemt de dichter zichzelf overigens ‘het beste snotjong’. Politiek correct en elegant verwoord is het niet altijd (dat is zelfs de bedoeling). Het cassante wordt niet vermeden. Het is vaak clownesk en altijd ontnuchterend.
Maar we mogen de ‘haperingen’ niet vergeten. Achter deze gedichten gaat een existentiële problematiek schuil. Mogen we dat ‘zware kwetsuren’ noemen? Het clowneske lijkt dit te temperen en probeert het weg te wuiven – zoals Frank dat ook in het dagelijks leven tendeert te doen. Toch is het schrijnend aanwezig zoals in volgende, lukraak gekozen regels: ‘is er gehuil pijn over verlies’ – ‘ik doe mijn bord schreien’ – ‘onherroepelijk verdween ze aan de einder’ – ‘zo kan ik over verlies praten’- ‘kan ik de dubbele knoop ontwarren?’ - ‘hij stierf in de vreselijkste pijnen’ - ‘dat jij een worm bent die papier vreet en gaten maakt in je naam’ – ‘ (ik) speel vals voor het leven’ - ‘met één haal had hij zijn keel overgesneden al lang ver over de wanhoop heen’ – ‘de talloze eigennamen overtuigen hem van de vergankelijkheid’. Het is in dit soort haperingen dat de lezer wel eens in de grond zou kunnen zakken en die de laatste bijkomende regel van het laatste gedicht een benauwende betekenis geven.
Het gevaar dreigt dat we van deze bundel enkel het cabareteske zouden onthouden. Want deze bundel leest vlot, te vlot. Laten we niet in de val trappen van het oppervlakkige: herlees deze bundel. Want deze poëzie reikt verder, zij gaat richtingen uit die we op het eerste gezicht niet zouden vermoeden. Frank schreef met deze bundel een zeer gelaagd en ernstig te nemen geheel.
De illustraties van Pieter Fannes brengen een aantal gedichten in beeld. Het zijn concentraten van het gedicht. Je leest er bijna het gedicht uit af.
© Alain Delmotte
kleine grimmige gedichten, Frank De Crits, Uitgeverij Fluxenberg, 2022, 19,90 €
Illustraties: Pieter Fannes













