zaterdag 29 augustus 2015

Voorstelling 'Getuigenissen' van Frank Decerf

Op zondagmorgen 8 november 2015 wordt in het VLC van Oostende, Kazernelaan 1 de 3-talige dichtbundel Getuigenissen van Digther-redacteur Frank Decerf
voorgesteld.

Naar aanleiding van de 70ste verjaardag van de bevrijding van de nazi-kampen creëerde de Oostendse auteur een nieuw werk. Het betreft een reeks van 27 gedichten in de talen : Nederlands, Frans en Engels. De bundel werd verlucht met 27 miniaturen van de Ierse kunstenaar Joe Moran.

Frank Decerf schreef in het voorwoord : “Stilaan verdwijnen de laatste getuigen van een waanzinnige tijd uit onze geschiedenis, maar als de mond sluit dan kan de dichter die verstilde stem overnemen. Het is het werk van de dichter om onrecht aan te kaarten en het vergeten tegen te gaan. Straks is er niemand meer, vandaar deze reeks gedichten. Een broze poging om wat waar was als waarheid te laten overleven. De tijd zal beslissen of het allemaal de moeite was…

Het boek werd uitgegeven bij Uitgeverij Partizaan te Oostakker. U kunt intekenen door storting van 17,50 euro op rekening : Decerf Frank IBAN 001-5218159-23 BIC GEBABEBB of via de uitgeverij .

Maak alvast een aantekening in je agenda voor 8/11/2015; u bent uitgenodigd!!!

Meer info over Getuigenissen / Testimonies / Témoignages via deze Partizaan-pagina.

vrijdag 28 augustus 2015

Knoop - Meliza de Vries


op de kaart kruis ik aan waar ik
ben geweest. met welke hand ik eet
verraadt waar ik vandaan kom.

je wijst naar het noorden, bouwt
huizen van kaneelstokjes. buiten
wachten honden met dunne vachten.

we knopen onze huiden aan elkaar
vast, doen beloftes, maken alvast
rimpels in onze hoofden.


© Meliza de Vries


donderdag 27 augustus 2015

Slaapzak - Meliza de Vries


dit is de laatste slaapzak die ik voor je koop. je vraagt
hoeveel eenden erin zijn verwerkt. ik antwoord met
synthetische woorden.

warmte is gering. de rits blijft altijd hangen door
een stukje pyjama, de binnenvoering of misschien
onoplettendheid.

je ritst de slaapzak open, negeert kapotte tandjes,
legt hem neer als een tweepersoonsdeken.



© Meliza de Vries


maandag 24 augustus 2015

Nominaties Melopee-poëzieprijs 2015

Sinds 2009 reikt de gemeente Laarne de Melopee-poëzieprijs uit. De prijs vult sinds zijn ontstaan een mooie leemte op want hij bekroont "het meest beklijvende, oorspronkelijk Nederlandstalige gedicht" dat (in het voorafgaande jaar)
verschenen is in een selectie van Vlaamse literaire tijdschriften. Aan de prijs is een geldbedrag van € 2.500 verbonden en het winnnende gedicht wordt jaarlijks samen met 20 andere genomineerden door de gemeente gepubliceerd. Het winnaarslijstje van de voorbije jaren oogt wat ons betreft al heel erg aardig. Hier volgt het:

2009: Charles Ducal met Onvoorbereid
2010: Marc Tritsmans met Geen Aanleg
2011: Erwin Steyaert met De moeder van de zelfmoordterrorist
2012: Roel Richelieu Van Londersele met Alzheimer
2013: Yannick Dangre met Vader
2014: Luuk Gruwez met Kapper

Ondertussen zijn de genomineerden voor de editie 2015 bekend. Het zijn: Bart Vonck, Christina Guirlande, Toon Van Laere, Tom Lanoye, Peter Ghyssaert, Anne Vegter, Astrid De Wancker, Fleur Bourgogne, Erick Kila, Aleidis Dierick, Patrick Cornillie, David Troch, Erna Schelstraete, Myrthe Leffring, Charlotte Van den Broeck, Runa Svetlikova, Maud Vanhauwaert, Aloys Vonckx, Menno Wigman, Charles Ducal en Elvis Peeters.

Bij de redactie van Digther kunnen we ons nogal vinden in deze selectie want niet minder dan drie genomineerden hebben hun nominatie te danken aan een gedicht dat in het voorbije jaar verschenen is op 'de Schaal van Digther'. Het gaat om de gedichten Vrede van Toon Vanlaere, Vladslo Soldatenfriedhof van Patrick Cornillie en Samen, uiteen van Bart Vonck.

Wie uiteindelijk de laureaat voor 2015 vernemen we in Laarne later dit najaar.

Meer info:
Melopee-community op Facebook
Thuissite Melopee


(P.R.)


zaterdag 18 juli 2015

Helena in Pompeï, Johan Teirlinck: Ultieme soberheid uit het onderbelichte

Recensie: Frank De Vos

Helena in Pompeï is de nieuwe roman van Johan Teirlinck (Kraainem, 19.4.1960). (1)
Hij studeerde Germaanse Filologie, Filosofie en Literatuurwetenschappen. Hij is docent, regisseur, en dichter. Hij schrijft filmscenario’s, theaterteksten, romans en essays.(2) Met sober, poëtisch proza bevestigt hij in Helena in Pompeï opnieuw zijn opmerkelijke stijl. In 2012 schreef ik over ‘Van hier tot aan de brug’, zijn vorige roman: “De korte, heldere zinnen zonder een overdaad aan adjectieven knacklauten, hameren en zorgen voor een daverend staccato-effect. Indringend…”. Ook in Helena in Pompeï blijft dit onverminderd van kracht. (3)



Ze wou iets – sterk en van een groot vuur afgescheurd… Met Borgas maakte ze afspraken voor het leven… Drie meisjes.

Helena in Pompeï is het liefdesverhaal van de dromerige Helena en de eenvoudige Borgas. Het ontwikkelt zich in dertien delen waarin gedichten met proza alterneren. Zijdelings figureren Valentin, Dimitriurk, Elvira,en Balger Kahn, die op hun beurt hun weg in het leven zoeken. Deze roman gaat over verwachtingen en desillusies, over verlies en terugvinden, magneten die elkaar afstoten en aantrekken: Alles wat verloren
is. En wat gebleven is. Tijd en verlies. Nu en later. Over het leven en afscheid nemen.
Wanneer Helena de leegte rondom haar voeten niet meer aankon en ze naar Pompeï vertrekt, een plaats die haar verbeelding had geprikkeld, volgt de catharsis. Na haar terugkomst vindt zij Papier. Met woorden. Van Borgas. Over zijn nu naar haar toe. Het romantische gedicht ‘Zeg haar niet’ met Een boodschap over tijd en ruimte heen, dringt uiteindelijk door haar pantser: Zeg haar // niet // dat ik van haar hou // en in haar bed // wanneer ze weg is // de vormen van haar lichaam // met één vinger // teken … zeg haar niet // dat ik in wind // die in bomen klimt // haar stem plots hoor // die mij vertelt // dat alles goed is // samen… dat als de nacht gevallen is// en de muren van ons huis // spreken gaan // haar geur in elke lade // haar schaduw in elke kast // haar naam op alle muren // staat gekrast… // en haar mooie benen // mijn wereld vullen // wanneer ik vanop een afstand // stiekem naar haar kijk…// zeg van de afgrond // niets // aan niemand // de afgrond // tussen haar en mij // de angst // dat ik erin verdwijn // en niets mag houden // van ons… // als je haar ziet // beperk je tot een lied… // bespreek de wereld niet… // maak bochten rond verdriet… // laat beek en wind en huis // vertellen // dat ik van haar hou // maar zeg het niet // als je haar ziet.

‘Zij waren gedoemd elkaar tegen te komen’

Helena in Pompeï’ is verre van opbeurende literatuur en de filosofische ondertoon vergt van de lezer een inspanning. Teirlinck schildert de existentie soms op het cynische af: “Vertrouwen, onwetendheid als voornaamste wapen…Het leven als een onwaarschijnlijke kramp… Op de zinloosheid van diep witte sneeuw… Seks verzonnen door hormonen en demonen… Pogen een beter inzicht te krijgen op de diepe zinloosheid…, vechtend tegen het nu… Nu is een dief// hij geeft en neemt // wat we hebben, mogen we niet houden…

‘Teirlinck weet als geen ander de stotteraars, die wij allen zijn, een stem te geven… zodat hun wanhopige pogingen om alles een betekenis te geven een oefening wordt in magistraal stamelen’ staat er op de achterflap te lezen. Dit ‘magistraal stamelen’ kan ik alleen maar bevestigen. Het is ronduit Indrukwekkend!

Tijdens het lezen moest ik aan twee dingen denken nl. “de onvolmaaktheid – zonder welke men / niet ademen, niet leven kan”, een vers uit ‘Afscheid’ van Maria Vasalis en dank zij het uiterst afgemeten taalgebruik aan de staalblauwe, afstandelijke pen van Ferdinand Bordewijk.

Ik dien nog aan te stippen dat het boek prachtig werd geïllustreerd met tekeningen en schilderijen van Maria Swinnen.


© Frank De Vos


(1) Helena in Pompeï Deystere uitgeverij, 225 pg, ISBN 9789079666171, 24.95€

(2) Bibliografie Johan Teirlinck:

Het actuele denken: de mentale ruimte, contaminaties en serendipiteit, eerste uitgave Acco- herdruk Deystere uitgeverij, 135 pg, ISBN 9789079666072, 19,95 euro
De wereld voor beginners: over de wereld die we dromen en waarom we hem niet willen (2010)eerste uitgave Colibro, herdruk Deystere uitgeverij, 102pg, ISBN 9789079666089, 9,95 euro
Branes: een toneelstuk (2008), Deystere uitgeverij, 58 pg, ISBN 9789079666034, 7.95€
Schitterend Werk (gedichten)(2008), Deystere uitgeverij, 70 pg, ISBN 9789079666027, 11.95€
Van hier tot aan de brug (roman)(2008), Deystere uitgeverij, 150 pg, ISBN 9789079666010, 19.95€
Tennis, het mentale verhaal: ideeën over tennis, je tegenstander, jezelf en je leven (2012), Deystere uitgeverij, 232 pg, ISBN 9789079666102, 19,95€

(3) Frank De Vos over 'Van hier tot aan de brug'

(4) Nuttige Links:
www.johanteirlinck.be
www.deystere.be


maandag 13 juli 2015

Tour de Velovino-gedichten

Nu het grote Poëtische spektakel van de Tour de France zich Richting Bergen (niet the Dutch maar the French Mountains) verplaatst, even deze mooie mededeling van Fietsvarianten-man Miel Vanstreels:

Poëtische tour 

Het Nederlandse Mergelland is een fietsroute rijker: de Tour de Velovino, een poëtisch rondje van 78 km langs 6 Zuid-Limburgse wijngaarden (Slavante, Nekum, de Planck, le Coq Frisé, St Martinus en Ceres). De route is een initiatief van Velovino, dat zich richt op fietsende wijnliefhebbers. Het vleugje poëzie wordt geleverd door acht dichters (Emma Crebolder, Frans Budé, Frits Criens, Bert Bevers, Paul Rigolle, Willie Verhegghe, Patrick Cornillie en Miel Vanstreels) en één fotografe (Nienke Jager), die een link leggen tussen wijn, fietsen en landschap. In de route zijn negen hellingen opgenomen (o.a. Loorberg, Camerig, Kruisberg, Fromberg en Sibbergrubbe). De routebeschrijving van de tour, die start en eindigt bij het station van Maastricht, kan op Velovino gedownload worden. Een wonderschoon en verrassend rondje!
(Miel Vanstreels)

TOUR DE VELOVINO POËZIE

Tour de Velovino Poëzie

‘Velovino op Buitengoed Slavante’ door Emma Crebolder
‘Nabij Hoeve Nekum en Nabij de Apostelhoeve’ door Frans Budé
‘Wijndomein De Planck’ door Bert Bevers
‘Loorberg’ door Paul Rigolle
‘Rott, Sint-Martinus’ door Patrick Cornillie
‘Fromberg’ door Miel Vanstreels
‘Mont Merlot’ door Frits Criens
‘In vino veritas’ door Willie Verhegghe


Naar Tour de Velovino






vrijdag 10 juli 2015

Aambeien

Aangetroffen

Eén ding is zeker: de wereld zoals wij, West-Europeanen, die al meer dan een eeuw hebben gekend lijkt fundamenteel te veranderen of veranderd te zijn. Er gebeuren dingen die we nog geen naam kunnen geven, maar we weten wel dat ze gebeuren en we hebben het gevoel dat ze wel eens onherroepelijk kunnen zijn. Zowel economisch, filosofisch, ecologisch, militair enz. De verworvenheden van de verlichting, zo lang het hart van ons denken en doen en hopen, worden in ijltempo uitgehold. Woorden als rechtvaardigheid en utopie zijn gekaapt en geperverteerd. Ook in ons land. In onze regio. In ons gewest. In onze regeringen. Spreek het woord solidariteit uit en men kijkt alsof er aambeien in je mond groeien. Perversie alom, door de staat gelegitimeerd opportunisme, exploitatie van primaire angsten, slachtofferdenken, vermengd met superioriteitsdenken, de terreur van economisch denken, een almaar explicieter gebrek aan mededogen onder het mom van noodzakelijk pragmatisme. Wij weten wat goed is voor ons. Een afrekening met alles wat weerloos is. Het systematisch demoniseren van alles wat zwak is. Divide et impera.


Peter Verhelst


Vindplaats: Het genre van de toekomst. Een tekst voor Passa Porta (pdf).

Meer met het "Label-Aangetroffen"

(Aangetroffen & genoteerd voor 'de Schaal van Digther' door Paul Rigolle)


maandag 6 juli 2015

Voor Hellas - Oxi! - Frédéric Leroy

Nee! Opdat dit land geen lege doos zou zijn
maar een opstandig, rammelend kerkhof,
een plek om wijn te morsen, broederlijk
armen over schouders te slaan, demonen
uit de voorvaderlijke grond te stampen.

Nee! Omdat dit leven in de moederschoot,
deze bottende schandpaal, geen snelweg
naar de dood is, maar een feestkalender,
omdat we tussen de maaltijden bereid zijn
de kroonschatten van dit bestaan te dragen.

Nee! Omdat waarde schuilt in het woord
van het orakel en in de adem van de zee
die meeuwen en molenwieken vaart geeft,
nooit in de tijdelijke wetten van tirannen
of in het dragen van gestreken uniformen.

Nee! Opdat dit Hellas geen staat zou zijn
van onderdrukten, enkel van de goden
een overwogen handdruk in het blauwe
afwassop van Europa, een halsketting
van aaneengeregen eilandgedachten.

Nee! Omdat grenzen denkbeeldig zijn,
we allen drieste Bulgaren zijn in de harten
van Australiërs, argonauten en nomaden
langs de paden van het wildvee, met hoop
in de harten, op zoek naar oorsprong.

Nee! Opdat je altijd één van ons zou zijn,
iedereen je naam zou dragen: Vrijheid.


© Frédéric Leroy


Geschreven in 2005, nu exact 10 (!!!) jaar geleden

Frédéric Leroy, "Gedichten", 2005, Uitgeverij De Contrabas, p.26)

In de Digther-rubriek:"Heropgefrist".


zaterdag 4 juli 2015

Recept om iets gedenkwaardigs te maken

Notitie bij de opening van "Ivo Michiels. Tussen Woord en Beeld"

Men neme een bibliothecaris. Niet zomaar een bibliothecaris. Nee, nee. Men neme één van de allerbeste die je kunt vinden. Men neme Jan - Jantje Bib - Van Herreweghe, van de Bib van Harelbeke. En daarna neme men een auteur die nooit zal sterven in het hoofd, niet zomaar een auteur, nee, nee. Maar een auteur die het voorwerp uitmaakt van menige lezerspassie en verzamelwoede. Een auteur waarvan men niet zijn losse boeken leest maar zijn oeuvre! Men neme Ivo Michiels waaraan jij en waarin ik, waaraan iedereen die schrijft, of niet schrijft, meer dan schatplichtig is. En dan kijk je toe hoe men met het werk begint, hoe men de krachten aanbindt én met inzet van al de passie die in een mens voorradig is, iets "gedenkwaardigs" realiseert... En het gebeurt! Het is gebeurd. Je kunt gaan kijken. Je kunt het zien in Harelbeke. Invloeden, schilderijen, grafici, kunstenaars, filmfragmenten, handgeschreven brieven, gadgets, eerste drukken, foto's... Alles is rond Ivo Michiels in een tentoonstelling bij elkaar gebracht. "Tussen woord en beeld" is een expo die staat als een huis in een huis vol boeken...

Gisteren was ik met genoegen op de vernissage. Ik zag dichters, schilders, grafici, sociaal inspecteurs, galerijhouders, essayisten, sterkhouders... Ik zag mensen met een lezersblik. Anderen met een leesbril. Dames met én zonder oranje handtas.
Mannen, zwetend in de tijd. Vanwege de heel erg milde zomeravond - het leek wel Provençaals, maar dan zonder krekels - gingen de openingstoespraakjes door op het middenplein van de bibliotheek en "Het Spoor". Vlak in de buurt hoorde je af en toe een trein denderend aankomen in Harelbeke. Een andere vertrok. Even zwegen we dan, tot het geluid was uitgeraasd. Lars Bernaerts situeerde Ivo Michiels in de tijd. Sigrid Bousset maakte fraaie biografische kanttekeningen en Christiane Faes, Ivo's echtgenote ontroerde ons en mij om zoveel aanwezigheid van de schrijver levendig en vanaf de overkant weer op te roepen. En plots hoorde ik een schaterlach die van over de onzichtbare velden kwam, alsof de Meester zelf kwam zeggen dat het goed was.... Een lach als een handtekening. Minister Sven Gatz en schepen van cultuur Annick Vandebuerie hadden enkel de tentoonstelling "Tussen woord en beeld" nog te openen.

Mag ik jullie deze prikkelende tentoonstelling met werk van de schrijver, van zijn vriend Jef Verheyen en van al die verwante kunstenaars waarvan hier - tussen de Harelbeekse boeken door - werk verzameld is (Alechinsky, Dille, Fontana, Ibou, Jorn, Lismonde, Szukalski, Vandenbranden en Verstockt...) eventjes heel erg aanbevelen. Ja dat mag ik! Een tripje naar Harelbeke, moet - zo vinden wij hier - echt wel kunnen, deze zomer.

Paul Rigolle

Op de foto: Christiane Faes tijdens haar mooie getuigenis.

Extern:
Ivo Michiels. Tussen woord en Beeld. 3 juli - 26 augustus 2015 Bibliotheek Harelbeke, Eilandstraat 2 - 8530 Harelbeke.
www.bibliotheekharelbeke.be


donderdag 25 juni 2015

Wormgoor on the road

Han van der Vegt, auteur en dichter van epische en andere gedichten, laat u en mij weten dat hij samen met Jan Frans van Dijkhuizen een cd maakt met opnames van
zijn gedicht Wormgoor en de Wormgoorsuite. Om een deel van de financiering te regelen gaat ie graag voor u en voor ons “on the road”. De optredens die amper 150 euro kosten, kunnen overal plaatsvinden; in een huiskamer of in een zaaltje. Het idee is om de cd, die ook los verkrijgbaar zal zijn, bij te sluiten bij de volgende dichtbundel van Han van der Vegt. Dit mooie plan wordt toegelicht op de website van de dichter. Aldaar kun je ook de Wormgoorprequel van Jan Frans van Dijkhuizen beluisteren, mét de stemmen van Hélène Gelèns, Kees 't Hart, Rozalie Hirs, Erik Lindner en Ben Zwaal.

Het gedicht Wormgoor is het verhaal van Orfeus en Eurydice, geschreven in de vorm van een handleiding voor een computergame. In een hel van ontzielde lichamen gaat Orf op zoek om zijn geliefde Ryddic te bevrijden uit de klauwen van Wormgoor, de heer van ontbinding. De Wormgoorsuite is een compositie geschreven in het idioom van minimal music.

Een idee misschien voor wie van een koele zomeravond gebruik wil maken om ’s binnenshuis iets poëtisch te organiseren… Al moet je toch wel even opletten want de combinatie van de Wormgoor Roadshow met sterke drank of andere geestverruimende middelen wordt sterk afgeraden.

Meer info: http://www.hanvandervegt.com/wormgoorroadshow.html

(Paul Rigolle)


zaterdag 20 juni 2015

dinsdag 9 juni 2015

De Queeste naar de lezer (6/6)-Alain Delmotte

Aflevering 6

NIEMANDSLANDEN


Zoals ik heb aangegeven lag het niet in mijn bedoeling om binnen deze notities expliciet een polemische houding aan te nemen. Daarom repte ik met geen woord over wat ‘het literair systeem’ wordt genoemd. Noch minder wou ik uitspraken doen over het literaire beleid en de geldkwesties in dit verband. Met een grote bocht ging ik langs het pedagogische heen en de eventueel te volgen strategieën om het lezen van poëzie te stimuleren of te onderwijzen. Niet omdat ik de discussies in dit verband onbelangrijk of onbenullig zou achten. Zeker niet. Maar dit was hier niet mijn bezorgdheid. Mijn vraagstelling was niet literair sociologisch, ging niet over literaire politiek. Mijn vraagstelling was ontologisch: wat zou het zijnswezen van de poëzie kunnen zijn en de betekenis ervan, het nut voor de lezer? Open vragen waarvan ik wist dat de antwoorden zouden uitblijven, maar die ik alleen met zorg en omzichtigheid heb willen benaderen. De sociologische benadering mag ons binnen de talrijk gevoerde debatten niet beletten om de open vragen in verband met de (menselijke) bestaansreden van de poëzie niet voor ogen te houden. Niet meer dan dat heb ik willen aangeven.

Ook ten aanzien van het puur poëticale heb ik afstand genomen. Ik besef evenwel dat mijn ontologische vraagstelling, zoiets als elementen van een poëtica bevat. Het laatste punt dat ik ter sprake wil brengen, brengt ons wel erg op het domein van de poëtica. Het lijkt mij onvermijdelijk. Ik wil hier nog iets kwijt over het oude, in de voorbije halve eeuw steeds terugkerende debat dat onder meer ooit door Hugo Brems (in de jaren tachtig van de voorbije eeuw) werd aangegeven als ‘open’ versus ‘gesloten’ poëzie. In sommige dichtersmonden ‘toegankelijke’ en ‘ontoegankelijke’ poëzie geheten. (Maar zoals het citaat van Ten Berge al aangaf, dateert die kwestie al van veel langer.)

Toegankelijk en ontoegankelijk. Twee begrippen die een dichotomie aangeven die ik niet deel, die mij bedroeft. Het lijkt wel of het over twee apart opererende werelden gaat. Twee poëtica’s die niets met elkaar zouden delen. Twee poëtica’s zonder doorsneden. Voor mij maken beide poëtica’s deel uit van het grote domein, het grote niemandsland dat de poëzie is en die uit meer dan twee poëtica’s bestaat. Er zijn tussenvormen, andere verschijningen te ontwaren. Niettemin, pour le besoin de la cause, ga ik toch pragmatisch verder uit van het gegeven dat die dichotomie er zou zijn.

De ontoegankelijk genoemde poëtica (‘ontoegankelijk’ is een onverbiddelijke term die vooral door de zichzelf toegankelijk beschouwende dichters wordt gebruikt) is er een die meer de klemtoon legt op de formele en structurele aspecten van het gedicht. Een poëtica, zoals bekend, die zich meer op het taalmechanisme en –proces zelf richt.

En de toegankelijke genoemde poëtica (waarbij de ‘ontoegankelijke’ dichter zich inderdaad vaak aanmatigend over uitlaat) vertoont een loyalere houding ten aanzien van de traditie en staat een wat directere coherentie en ordening voor, zij het met de nodige en onontbeerlijke aandacht voor taal.

Ik blijf erop aandringen dat poëzie voor mij in wezen altijd complex moet uitvallen, dat het die complexiteit is die haar in al haar broosheid waardevol maakt – dat is en blijft mijn uitgangspunt, mijn apriori. Ik denk evenwel dat dit geldt voor zowel de ‘ontoegankelijke’ als ‘toegankelijke’ poëzie. In de kern is hun wezen hetzelfde. Maar ze zien er wel anders uit.

Ik wil dit kort met een voorbeeld illustreren. Neem nu Toon Tellegen, een door vele lezers geliefd dichter en die zich, bij mijn weten, ver van literaire slagvelden heeft gehouden. Van Tellegen mis ik zelden een bundel. Bestaat er een simpelere, toegankelijkere zegging dan deze waarvan Tellegen gebruik maakt? Zijn gedichten zijn quasi in dezelfde taal als die van zijn kinderboeken geschreven. Of zou het zijn kinderboeken zijn die in dezelfde taal als zijn gedichten zijn geschreven?

Hoezeer zijn tot de nok met melancholie opgevulde gedichten gelaagd zijn, besef je als lezer maar als je ze moet gaan resumeren. Meestal zijn Tellegens bundels thematisch-conceptueel van aard. Het uitgewerkte motief valt zonder moeite aan te wijzen. Maar het onvatbare, het onzegbare dat er tot in de diepste plooien verwerkt is en geëvoceerd wordt, is zo goed als niet na te zeggen: het ontbreekt ons aan adem en woorden als je die teksten wilt gaan objectiveren – je moet het bij de gedichten laten, bij hun adem en hun woorden. (Overigens steekt in wat we aan adem hebben, aan ademhalen niet al het onzegbare?). De gedichten van Tellegen zijn spinsels vol wendingen en paradoxen, gevoelsmatig en bedacht. Je raakt er vaak als lezer niet uit, terwijl het lezen van die gedichten zo vanzelfsprekend blijft, ons zo uit zichzelf aanspreken. Een poëzie waarin het ongebondene zijn werk doet, maar je stoot je evenzeer aan de impasses. Een dubbelzinnigheid, een warrigheid die me bundel na bundel steeds weer verrast.

Daartegenover plaats ik Paul Celan. Celan drukte zich in een extreem getraumatiseerde taal uit, die bundel na bundel steeds woeliger en radelozer werd. (Levinas noemde zijn poëzie: ‘De l’insomnie dans le lit de l’être’ – ‘Slapeloosheid in het bed van het zijn' (1). Nochtans zijn er maar weinig dichters met zo’n diep snijdende nood aan dialoog, voor wie poëzie een overlevingskans was. Voor hem – zoals ik al eerder opmerkte – was er geen verschil tussen een gedicht en een handdruk. Ich sehe keinen prinzipiellen Unterschied zwischen Händedruck und Gedicht (2). De ontvankelijkheid van de lezer waarop Celan hoopt, wijst hij als een fysieke, intuïtieve ontvankelijkheid aan: een capaciteit die hij in iedereen aanwezig achtte.

Celan werd duisternis aangewreven (maar was het duisternis? was het niet eerder een donkere aswolk?). Sommige critici namen hem zijn abstraherende metaforiek die volgens hen te zeer zijn gedichten zou omsluieren, kwalijk. Het is opmerkelijk hoe verontwaardigd Celan daar telkens op reageerde, hoe deze bewering hem beproefde. Het klinkt bijna smekend: ‘Lesen Sie! Immerzu nur Lesen: das Verständnis kommt von selbst.’’Lees! Herlees: het begrip komt vanzelf’. Eén van de Franse vertalers van Celan, Jean-Pierre Lefebre, noteert dat ‘begrijpen’ in het geval van Celan, hoe dan ook een andere kijk op het gedicht impliceert: het gedicht is niet uitsluitend de expressie van iets, maar evenzeer de zoektocht naar iets: comprendre (...) que la poésie ne soit pas d’expression, mais de recherche’(3). Begrijpen is een dynamisch proces, iets wat laveert tussen intuïtie en intellect. Tussen lezen en herlezen, en blijven herlezen. In poëzie schakel je niets uit, je schakelt alles in: intuïtie en intellect, tastzin, oog en oor, beschouwing, emotie, geheugen en wat nog meer. (Want dit maakt nu precies haar complexiteit uit.) Als poëzie stem is, dan begint begrijpen met het exact capteren van die stem. ‘Begrijpen’ is een zoektocht naar de onbereikbare graal van het ‘integraal begrijpen’: elk gedicht draagt nu eenmaal ook een portie schaduw mee. Zoals het bestaan zelf. Zou het?

In verband met zijn beroemde gedicht ‘Todesfuge’ heeft Celan altijd hardnekkig beweerd dat er niets metaforisch of abstracts aan was, dat elk woord ervan wel degelijk naar een concrete invulling verwees. Wat was dan bijvoorbeeld de concrete invulling van ‘Schwarze Milch’ in dat gedicht? Celan heeft het nooit aangegeven. Wellicht om de afstand en het juiste evenwicht tussen het ‘ik’ en het ‘niet ik’ niet te verbreken: hij laat die invulling open. Omdat expliciete anekdotiek al te zeer die openheid (die ook een (moeilijke)vrijheid impliceert), zou hebben geschaad? ‘Het woord is een Psyche’ schrijft Mandelstam in het woord en de cultuur ‘Het levende woord is niet de aanduiding van een voorwerp: het kiest in vrijheid, als om erin te wonen, deze of gene objektieve betekenis, iets concreets, een dierbaar lichaam.’ (Natuurlijk - nieuwsgierigheid is onze aard - zijn er allerlei speculaties geweest naar de niet metaforische betekenis van die ‘zwarte melk’. Een ervan hou ik alvast als plausibel, of had ik graag als plausibel gehouden: in een Nazi-werkkamp zou Schwarze Milch de spottende naam geweest zijn die joodse gevangenen bedachten voor de bocht dat ze te vreten kregen (4). Dat is anekdotiek. In wezen helpt het ons niet echt vooruit. Ik hou het bij de gedachte dat die zwarte melk best wel inkt zou kunnen zijn. Of iets anders: weinig voedzame, vloeibare as bijvoorbeeld, al is dat dan waarschijnlijk weer veel te metaforisch.)

Laten we het op het volgende houden: hoe verregaand het verstommende zich ook in Celan heeft opgedrongen, nergens heeft hij er blijk van gegeven om zich moedwillig van en voor de lezer af te sluiten.

Tellegen en Celan, twee uitersten? Ze zijn absoluut niet met elkaar te vergelijken. En toch benaderen ze elkaar, ontmoeten ze elkaar in het niemandsland van hun complexiteit, in hun, weliswaar anders in hun schriftuur voordoende, gelaagdheid: op het niveau van wat niet gezegd kan worden, wat geen stem kan krijgen. Iets waarvoor geen woord bestaat maar enkel maar adem is. Vormelijk dragen zij dat compleet verschillend uit maar het poëtische gebaar blijft hetzelfde.

Toegankelijk, niet-toegankelijk. Twee punten op dezelfde lijn: er is niet meteen een duidelijk, voor de hand liggende grens tussen beiden; er is veel niemandsland tussen beide poëticale benaderingen. Soms ontmoeten ze elkaar wel eens. Al dan niet confronterend. Bovendien gebeurt het vaker dan dat beide partijen willen toegeven. Maar aan beide kanten loert een risico. Bij de ene is dat het goedkope effect (het over-sentimentele, de slogan, de one-liner, de woordspelige grap). Bij de ander een te flagrant intellectualistische charade. In beide gevallen levert het teksten op die van mij afglijden. Ik vertolk een eigen standpunt en verwachting. Primordiaal komt het er voor mij op neer dat, hoe ondoordringbaar een dichter ook kan uitvallen, het zoeken naar eenvoud centraal moet staan. Eenvoud die door Roland Jooris ooit gevat al volgt werd gedefinieerd: ‘Eenvoud is gedepouilleerde complexiteit’.

De al genoemde René Char, door velen als een extreem hermetisch bestempelde dichter, legde zijn teksten, voor eerste lezing, vaak aan een herder voor.

Er is volgende uitspraak van de fijnzinnige Max Jacob. ‘J’essaie toujours l’effet d’une phrase sur une personne imaginaire qui serait une très humble campagnarde; je la parle au-dedans de moi-même comme si je m’adressais à une cuisinière’(5). Ik probeer altijd het effect van een zin op een verbeeld iemand uit. Iemand die een zeer nederige boerin zou zijn; ik praat dan vanuit mezelf alsof ik me tot een gewone kokkin richtte.’ Toegegeven: de ironie van Jacob is subtiel want het evenwicht tussen ernst en ironie is wankel en precair: daar tussenin huist ‘tristesse’.

Ik herinner me een bijna hulpeloze en hulpeloos makende uitspraak van Annie Reniers, een zeer filosofisch maar uitermate naar de dialoog gerichte dichter. Toen na een lezing, de opmerking vanuit het publiek werd gemaakt dat haar poëzie toch o zo moeilijk was, kon je haar horen verzuchten terwijl ze daarbij zonder geveinsde pathos haar beide handen voor het gezicht hield: ‘En nochtans betracht ik de zo grootst mogelijke eenvoud.’ Als een dichter een gedicht schrijft dan gaat daar geen marktonderzoek aan vooraf. Als een dichter een gedicht schrijft dan kan hij een gedicht naar iemand toe schrijven – willekeurig vanuit een verte naar een andere verte toe, zowel binnen als buiten de grenzen van het niemandsland dat de poëzie is. De dichter (die voor deze weg kiest) is op zoek naar een gespreksgenoot en wie die wordt daarover beslist de dichter niet. Het is het toeval dat de gespreksgenoot doet treffen: wat alles open laat – ongebonden (en hiermee trouw aan haar eigen ongebondenheid) laat het gedicht het toeval toe, tot het toeval toeslaat, tot het gedicht iemand overkomt: een jij die in potentie een ik-jij kan worden. Hoe, wanneer en waar dit zich voordoet, is niet te voorspellen. Daarvoor is er geen (morele) norm, daarvoor is geen plek of een precies tijdstip voor te voorzien. De Onberekenbaar Tegenwoordige Tijd is de werkwoordsvorm waarvan het gedicht gebruik maakt. Laten we tot slot het gedicht de as van zich afschudden. Laat het zich een weg zoeken in de wereld, in het lopende nu. Het ligt binnenin het gedicht te smeulen, het ligt binnen het gedicht gesmeed: het verlangen om aan te spreken, om te participeren in wat in de wereld leeft. Met wat de wereld aan leven verwekt. Een leven dat mee het gedicht tot iets ongehoords in het voorlopige maakt. Een leven dat verlangt, dat bevrucht.

Het gedicht is iets wat verlangen doet duren: lezer, ‘- Hypocrite lecteur, — mon semblable, — mon frère!,’ - lezer laat het gedicht met wat het aan verlangen en leven te bieden en te geven heeft in jou duren.


© Alain Delmotte

________________________
(1) Emmanule Levinas ‘Paul Celan, de l’ëtre à l’autre’1, Editions Fata Morgana, 2002
(2) Die "Spur" im Werk Paul Celans – Google books
(3) Paul Celan, Choix de poèmes, traductions en presentator de Jean-Pieere leefbare, Poésie/Gallimard, 2007
(4) John Felstiner, Paul Celan; Poet, Survivor, Jew, Yale University Press, 1995 P.33
(5) in Max Jacob, Béatrice Mousli, Grandes BIographies, Flammarion,2005


Alain Delmotte: De queeste naar de lezer:
* Ma 4/5/2015: Aflevering 1: Van geschreven tot gelezen
* Ma 18/5/2015: Aflevering 3: De ander
* Ma 25/5/2015: Aflevering 4: Het poëtische gelijk
* Ma 1/6/2015: Aflevering 5: De ontmoeting met de tijdgenoot
* Di 9/6/2015: Aflevering 6: Niemandslanden




maandag 8 juni 2015

Robert Desnos (1900-1945)

De boekenbijlage van le Monde maakte er vrijdag (5/06) al een item van: "zeventig jaar geleden (op 8 juni 1945), overleed de Franse dichter Robert Desnos".
Hij was anderhalf jaar eerder door de Nazis opgepakt omwille van verzetsactiviteiten. Hij stierf, enkele dagen na zijn bevrijding, in Theresiënstadt (Terezin, waar hij na een ‘dodenmars’ terecht was gekomen) aan tyfus en uitputting. Bij de bevrijding werd een foto gemaakt die ik als één van de meest schokkende uit de literatuurgeschiedenis ervaar. Op de foto leunt Desnos tegen de man die een zwarte vest draagt, aan.

Robert Desnos nam actief deel aan het surrealisme van de twintiger jaren. Met twee publicaties hielp hij het surrealisme groot maken: het cultboek ‘La liberté et l’amour’ en de wonderbaarlijke reeks ‘A la mystérieuse’, een hoogtepunt in de Franse liefdespoëzie. Later volgde hij andere wegen: klassiekere vormen kregen een plaats in zijn poëzie. Zoals bijvoorbeeld het ‘Complainte de Fantomas’, waarop Kurt Weil muziek componeerde (http://www.bide-et-musique.com/song/15021.html). Maar het ludieke altijd vindingrijke woordspel uit zijn surrealistische periode blijft hem kenmerken.Hij schreef romans. Was een radioman. En een actieve anti-fascist.

Hij werd immens populair vanaf de jaren 40/50 toen enkele van zijn gedichten in chansons werden omgezet en deel gingen uitmaken van het repertoire van onder meer Julliette Gréco en Yves Montand. Ook enkele van zijn kindergedichten uit ‘Chanteflables’ en ‘Chantefleurs’ zijn op de lippen van nu al vele generaties Franse scholieren blijven plakken.

Het verzetsgedicht ‘Le veilleur du Pont-au-change’ verhief hem na de oorlog tot de status van Nationaal monument.

Toeval of niet maar onlangs verscheen bij Druksel een vertaling van enkele van zijn gedichten. Gezien de zo op het woord- en klankspel gerichte, virtuoze poëzie van Desnos zal dat geen sinecure zijn geweest. Vertaalster Katelijne De Vuyst haalt een krachttoer uit! Ze slaagt erin om voor het Nederlands adequate equivalenties voor het Frans te vinden. Ik zou haar vertaling een verdichting durven noemen. Niettegenstaande er niet fundamenteel van het oorsponkelijke model wordt afgeweken.


L’OISEAU MÉCANIQUE


L’oiseau tête brulée
Qui chantait la nuit
Qui réveillait l’enfant
Qui perdait ses plumes dans l’encrier
L’oiseau pattes de 7 lieus
Qui cassait les assiettes
Qui dévastait les chapeaux
Qui revenait de Suresnes

L’oiseau l’oiseau mécanique
A perdu sa clef
Sa clef des champs
Sa clef de voûte

Voilà pourquoi il ne chante plus


© Robert Desnos


DE OPWINDVOGEL


De vogel was een wildebras
Die ‘s nachts zijn liedje floot
Die het kind wakker zong
Die zijn veren in zijn inktpot verloor

De vogel met zevenmijlspootjes
Die de borden stukbrak
Die de hoeden sloopte
Die uit Menen weer was gekomen

De vogel de opwindvogel
Is zijn sleutel kwijt
Zijn weg naar buiten
Zijn sleutelsteen

Daarom zingt hij niet meer


© Robert Desnos


Gedicht uit: ‘Literatuur en andere gedichten van Robert Desnos’, vertaling Katelijne De Vuyst en te verkrijgen via www.druksel.be

Bron foto: http://desnos.1944.1945.over-blog.com/la-derniere-photo


Alain Delmotte



maandag 1 juni 2015

De Queeste naar de lezer (5/6) - Alain Delmotte

Aflevering 5

DE ONTMOETING MET DE TIJDGENOOT

Er is in het essay van Mandelstam een passus die ik niet kan nalaten te citeren. Het gaat over het onderscheid dat hij maakt tussen literatuur en poëzie, de literator en de dichter. De literator (en dus niet de dichter!) portretteert hij als volgt: ‘een literator wendt zich altijd tot een concrete toehoorder, een levende vertegenwoordiger van zijn tijdperk. Zelfs als hij profeteert, houdt hij zijn ogen gericht op een tijdgenoot in de toekomst. De inhoud van de literator stroomt over in de tijdgenoot volgens het principe van de natuurkundige wet van de ongelijke niveaus. Dientengevolge is de literator verplicht om ‘hoger’, ‘verhevener’ te zijn dan de maatschappij. Lering is het wezen van de literatuur. Daarom kan een literator niet buiten een voetstuk.

Ik neem aan dat deze omschrijving wel zal kloppen voor de tijd waarin Mandelstam zijn tekst schreef. Het beeld is sindsdien bijgesteld: we leven – voor wie het nog niet mocht weten - in een radicaal, globaal gemediatiseerde wereld belust op spektakel, sensatie en consumptie. Consumptie. We leven onder de afmattende stress van rentabiliteit, grootschaligheid, meetbaarheid. Meetbaarheid. De kritische stem blijft in onze democratieën weliswaar toelaatbaar maar klinkt door een steeds groter wordende ruis (o.m. door een overaanbod aan niet altijd controleerbare informatie) niet meer efficiënt door. Literatuur is ternauwernood nog tot lering, veeleer tot vermaak. Het hogere en het verhevene behoren niet meer tot het lopende discours. Het voetstuk is weg. De literator werd een copywriter.

Een zaak bleef mijn inziens onveranderd: de literatuur die in dit marktsysteem wil blijven meedraaien, blijft zich richten tot een concrete toehoorder. Of tenminste, in hedendaagse termen, tot een statische ‘consument’. De prooi, de doelgroep: van ‘kid’ tot ‘chick’. (Hierbij hoort een nuancering. Het gegeven ‘doelgroep’ hoeft in sommige gevallen niet noodzakelijk een negatieve lading te hebben. Er is bijvoorbeeld niks tegen kinder- en jeugdliteratuur - die zich overigens kan beroepen op een eeuwenlange traditie. Haar pedagogische waarde is groot en het beste eruit zelfs meer dan pedagogisch. Mijn bedenking betreft de literaire kwaliteit - ook die van de jeugdliteratuur - die vaak ten koste van het verkoopcijfer gaat.)

In dit systeem helt de schaal van het ‘ik’ en ‘het niet-ik’ in de richting van het niet-ik. Een niet-ik van wie enkel maar een passieve houding verwacht wordt. Van een dialoog is geen sprake tenzij als schijnmanoeuvre, als list, als trucage: men behaagt, men verleidt, men verblindt, verdooft, verkoopt.

Ik ben me ervan bewust dat ik de situatie aandik. Er verschijnen nog kwaliteitsvolle romans en essaybundels. En, ja, zelfs een dichtbundel valt wel eens relatief succesvol uit. Maar het aandeel van kwaliteitsvolle publicaties binnen de boekenmarkt in zijn geheel wordt steeds kleiner, hoor ik. Het gevaar dreigt (of liever grijpt plaats): voor het broze spreken van de poëzie is binnen dit systeem gestaag, crisis na crisis, minder plaats.

Nee, poëzie is niet van ‘deze tijd’. Ze behoort nu eenmaal niet tot de berekende tijd van de Polis. Het gedicht liet zich schrijven, laat zich schrijven in de huidige tijd en die tijd laat zich handhaven: het is altijd nu in het gedicht – als je het leest. Een ‘nu’ dat in de tijd blijft. Een continuüm van nu. Vraag aan een gedicht hoe laat het is en het gedicht zegt ‘het is nu’ – over meer tijdsbesef beschikt het niet. Lawrence Ferlinghetti citeert D.H.Lawrence: ‘making poetry out of the urgent insurgent Now, of the immediate instant self, the incarnate carnal self (1)'.

Niet vroeger, niet later. Het gedicht is altijd het begin van iets. Poëzie is de taal van het begin van iets, taal van voor de taal tot een retorisch-ideologische machinerie wordt. Het gedicht vangt het moment op waarop taal een aanvang neemt. De spankracht die dit gegeven opwekt, is, naar mijn mening, de ware aard van het gedicht. Bij James Sacré las ik het volgende (hij heeft het over de rol van de woorden in een gedicht) ‘(...) des mots qui cherchent sans savoir bien quoi, qui s’avavancent dans la rencontre sans but défini ni désir de convaincre ou d’imposer quoi que ce soit(2)' . Dit is het wat poëzie ons toelaat: woorden die in al hun kwetsbaarheid naar ergens op weg zijn. (Het gedicht heeft een blind date met jou, lezer, mis die niet.) Het is met kwetsbaarheid dat poëzie ‘voor den dag komt’.

In de laatste aangehaalde passage uit Mandelstams essay laat zich eerder een laagdunkende houding vermoeden ten aanzien van de levende vertegenwoordiger van zijn tijdperk, met andere woorden de tijdgenoot. Elders lezen we bij Mandelstam: ‘De angst voor de concrete gespreksgenoot, een toehoorder uit het eigen tijdperk (...) heeft de dichter altijd hardnekkig achtervolgd. Hoe genialer een dichter, hoe acuter de vorm die deze angst bij hem aannam. Vandaar de befaamde vijandschap tussen kunstenaar en maatschappij.

Iets soortgelijks maar radicaler verwoord, laat Spinoy in zijn essay horen als hij de dichter Grünbein citeert: ‘De Duitse dichter Durs Grünbein, over zijn ‘Sehnsucht nach Kontaktsaufnahme ausserhalb meiner Zeit’; ‘weil ich die Zeitgenössenschaft als Gefängnis gefinde.’ Dit citaat valt net na een alinea waar het woord ‘tijdsgeest’ viel. De angst voor het bestel en de verwerping van de ‘tijdsgeest’ vindt zijn oorsprong in de afkeer om in de maatschappelijke categorieën te worden ingelijfd waarmee elke directe toegang tot het reële wordt ontzegd. Vandaar dus die gang naar Kontaktsaufnahme ausserhalb meiner Zeit.

De omschrijving van de tijdgenoot (zowel bij Mandelstam als bij Grünbein) die hieruit resulteert (met name de cipier) beschouw ik als te verregaand, want te beperkend en te generaliserend.

De tijdsgeest wordt geïdentificeerd met de tijdgenoot. Hem wordt een asteken op het voorhoofd aangewreven: het domein van de dialoog wordt hem ontzegd. De tijdgenoot is zowel een ingelijfde als een cipier. Hij is als ingelijfde zijn eigen cipier.

Als dit de stelling is, dan kan ik dit niet zomaar voor waarheid nemen. Als onvoorwaardelijk. De tijdgenoot wordt hier in het keurslijf van de veralgemening gedwongen. In een door de dichter zelf ontworpen categorie. Wat moet er in het begrip ‘tijdgenoot’ dan worden bezworen? Is het de angst dat de dichter in het gezicht van de ander die de tijdgenoot is, zijn eigen trekken herkent? Met name die van het particuliere waarin de dichter hoe dan ook zit verstrikt, en hem, zoals Spinoy schrijft, tot gespleten subject maakt? Maar waarom dan de ontkenning van het particuliere, die zelfontkenning? Waarom de ontkenning van het alledaagse? Omdat het de dichter anoniem maakt en in die zin tot een gelijke maakt met de tijdgenoot? Delen dichter en lezer niet dezelfde anonimiteit?

Maakt dat particuliere ook geen ondubbelzinnig deel uit van het ware gezicht van de dichter? Ervaart hij het als een smet, als iets reddeloos? Is het het reddeloze in het gezicht van de tijdgenoot, van de ander dat hem afkerig maakt? Terwijl het nu net dat reddeloze, dat particuliere is dat dichter en tijdgenoot gemeen hebben.

Uiteraard betekent mijn minzaamheid ten aanzien van de tijdgenoot niet dat de dichter geen kritische houding ten aanzien van hem mag aannemen. Ik had het al eerder over ‘oorvijgen’. Waar ik me tegen verzet (en ik stel het met zachte ironie), is wat Stig Dagerman als ‘hagedishouding’(3) omschreef. Een houding die best wel valt te begrijpen maar die wezenlijk een enorme ‘valkuil’ voor de dichter is op het niveau van de dialoog. De hagedishouding is de dichter die zich afsluit, die zich afschermt, gevoelloos, roerloos. Ahistorisch en asociaal. (Deze houding is niet te verwarren met de egelstelling die vanuit een grote kwetsbaarheid te verklaren valt. De hagedis, daarentegen, is te trots, te hoogmoedig en te koudbloedig voor kwetsbaarheid.)

Om die hagedishouding te typeren, maak ik gebruik van wat ooit iemand op een niet langer beschikbaar weblog schreef. Symptomatisch voor die hagedishouding, is wat er staat geschreven en wordt beweerd: ‘Men vergeet dat literatuur (kunst) ook als functie kan hebben een standpunt in te nemen, dat er niet gezocht wordt naar een dialoog of een samenwerking, dat er geen begrip moet zijn voor de ander. Integendeel, ‘haat is een deugd’. Literatuur is een bevestiging van het standpunt van de eenling. Literatuur dient om het eigen denken aan te scherpen, om de gedachten te verdiepen, om de grenzen juist duidelijk te bepalen: hier sta ik, daar jullie en tussen ons de oceaan. Het denken leidt er niet toe dat men aanvaarden moet dat iedereen gelijk is en dat iedereen wel iets van dit en iets van dat is. Nee, literatuur zegt ons: ‘geef niet toe’. Vermorzel wormen. De scheiding als morele norm. Het anders-zijn als het anders-zijn.

Net als bij Mandelstam valt hier het woord ‘oceaan’. Maar in een totaal andere context.Voor Mandelstam is de oceaan iets dat overbrugd moet worden. De oceaan als uitdaging. In deze passus staat de oceaan voor de dik aangestreepte scheidingslijn waarmee het ik-territorium streng wordt afgebakend: weg buitenstaanders, weg wormen!

Ik heb de keuzes van deze auteur te respecteren en ik twijfel niet aan zijn goede, zeer gepassioneerde bedoelingen: in de posting waaruit ik deze passage knipte (en dus een beetje uit de context zette), neemt hij het onvoorwaardelijk voor waarachtige literatuur op. Vrijheid van spreken is de prerogatief van de auteur. Geen discussie daarover. Maar ook ik maak keuzes: voor mij ligt het breek- en twistpunt bij de passus: ‘De scheiding als morele norm.’ Geen betere omschrijving voor wat ik als hagedishouding aanwees.

Ik kan dus die gedachtengang niet volgen. Waarom zou het hebben en het vormen van een eigen standpunt (tegen de keer) het einde van de dialoog betekenen? Voor mij is dit er het begin van. Die hagedishouding kan ik niet in zijn geheel begrijpen. Ik noem dit zonder meer een capitulatie, een morele capitulatie.

Deels, ik herhaal het, kan ik er begrip voor hebben: iedereen heeft wel eens last van een inzinking, een bui van slecht humeur. Want het is waar: de ander maakt nu eenmaal deel uit en is oorzaak van het gezeur, het eindeloze gezeur dat ons omringt - de ander, de slechte adem van de ander maakt ons wel eens afkerig. Heel zeker: de verhouding met de ander is problematisch en hoe... Om eens Cioran te citeren: ‘Comment imaginer la vie des autres, alors que la sienne paraît à peine concevable. (4)’ ‘Hoe kan men het leven van anderen inbeelden, als het eigen leven nauwelijks denkbaar is.’

Niettemin voel ik meer voor de uithouding, het Stehenn van Celan, het ‘desondanks' (5)’. Scheiding is een diep kervend existentieel failliet. Er staat geen maat op, op dat failliet. Het lijkt me buiten elke morele norm te staan. Scheiding is de norm van de worm in ons. Hoe moeilijk en hoe afmattend ook: dialoog is mij meer tot morele norm. Dialoog, poëzie zijn voor mij maatschappelijke overlevingskansen. Noem het compensaties. Want de inzet is duidelijk: het is onze menselijke waardigheid die op het spel staat. Waardigheid waarvan voor mij het poëtische Ich und Du gebaar één van de vormgevingen is. Nee. Waarvan het poëtische gebaar onderdeel van is. De poëzie spreekt uit dat we ons in commune présence bevinden.

Overlevingskansen schreef ik: voor mezelf, voor de ander. Voor de ander in mij, voor dat deel van mij in de ander. Het demoniseren van de ander als tijdgenoot (in naam van het anders-zijn), het vermorzelen van wormen haalt op langere termijn niets uit: in al onze eindigheid verorberen die wormen ons toch.

Voor mij staat die hagedishouding gelijk aan defaitisme – als men erin stagneert. Een inzinking en een slechte bui houden we ons voor vergeven. Maar het gecultiveerde anderszijn is mij te absoluut. Te karikaturaal. Te sjiek. Kortom wat de auteur met de allerbeste bedoelingen van de wereld schrijft is me niet tot alternatief. Eerder tot schaamte.

Een ongeschreven regel dicteert dat er in een gedicht nooit een woord teveel mag staan. Maar in alle gedichten die ik las, is precies het tegendeel aan de gang. Er staat telkens weer een woord te weinig - het juiste woord. Altijd het woord waarnaar zowel dichter als lezer op zoek zijn: het utopische woord dat alles zou kunnen omsluiten en tegelijkertijd ontsluiten. Sesam open u: een poging om het leven in zijn dynamische volheid te kunnen benaderen. Dit gemeenschappelijk zoekende is het fundament van de dialoog tussen lezer en dichter, tussen ik en niet-ik. Ich und du.

Ik heb het over hoe we zijn als levende wezens. Hoe we zijn met een niet altijd fraai gezicht. Het zeer kleine van het particuliere bindt ons maar verbindt ons evenzeer. Het particuliere: zowel een bron van afkeer, als een bron van verzoening. In ieder geval: er is me te veel as in de ogen gewaaid om zomaar de tijdgenoot de rug toe te keren of om hem te ontkennen. Ook de ander is een gespleten subject, ook hij lijdt onder de tijdsgeest en de premissen van de Polis: alleen verwoordt hij het niet. Maar misschien zoekt een schaarse, ja ik geef het toe, een zeer schaarse enkeling er de bijna juiste, zoekende woorden bij de dichters voor. Vindt hij die? Vinden lezer en dichter elkaar?

Ook de dichter is een tijdgenoot. Ook de dichter is een zeur. Ook de dichter is een worm.

Met scepsis en relativisme maak ik nog één kanttekening. Ausserhalb meiner Zeit: voor mij niet meer dan een sublimatie. Een verrukkelijke, een ambitieuze, maar een sublimatie. Hoeveel stemmen van dichters van nu zullen het ausserhalb meiner Zeit bereiken. Mandelstam houdt het bij de ‘geniale dichters’. Laat het me bij de term ‘de grote uitzonderingen’ houden. Wie die zullen worden, dit zal nog moeten blijken. Deze survival of the fittest zal ik niet mogen meemaken. Ik heb er overigens geen nood aan.

Mandelstam was in ieder geval zo één van die uitzonderingen maar ik vrees dat de meeste dichters, als regel, alleen hun tijdgenoten als gespreksgenoot hebben. Overigens wie garandeert dat de gespreksgenoten in een ander tijdvak beter zouden uitvallen dan de huidige tijdgenoten? Wie garandeert dat er morgen überhaupt nog gespreksgenoten te vinden zullen zijn? Ik heb inderdaad mijn twijfels over het begrip ‘toekomst’: de toekomst is niet meer dan een toekomstbeeld, een luchtspiegeling, een petit objet a. (Heel anders wordt het als ik de klimatologische voorspellingen in acht neem: dan wordt die toekomst minder denkbeeldig en des te meer feitelijk. En dubieuzer.)

Nee, tijdgenoot of niet, de dichter kan enkel op de kans hopen dat zijn gedicht een lezer ontmoet die bereid is tot een zo groot mogelijke ontvankelijkheid voor wat Mandelstam prachtig noemt: de lucht van het onverwachte. Is die lucht, die zuurstof niet de kern van alle poëzie? Is dat onverwachte niet de kern van haar dwingende chimères? Ze vergeten dat moderne poëzie een gevecht is om lucht, schreef de Poolse dichter Tadeusz Rozewicz.

En als poëzie zuurstof is voor de dichter, waarom dan niet voor de lezer?

© Alain Delmotte

______________________
(1) Lawrence Ferlinghetti ‘Poetry as insurgent art’, A new direction book, 2007
(2) James Sacré in ‘L’inquiétude de l’esprit ou pourquoi la poésie en temps de crise?’ , éditions nouvelles cécile defaut, nantes, 2014 p. 235
(3) Stig Dagermam in ‘Notre besoin d consolation est impossible à rassasier’ – Actes sud, 1989.
(4) Cioran, Oeuvres, Quarto Gallimard, 1995 p. 595
(5) Met het 'desondanks' refereer ik hier naar twee titels: ‘La poésie malgré tout’ van Jean-Michel Maulpoix en ‘Et, néanmoins’ van Philippe Jaccottet


Alain Delmotte: De queeste naar de lezer:
* Ma 4/5/2015: Aflevering 1: Van geschreven tot gelezen
* Ma 18/5/2015: Aflevering 3: De ander
* Ma 25/5/2015: Aflevering 4: Het poëtische gelijk
* Ma 1/6/2015: Aflevering 5: De ontmoeting met de tijdgenoot
* Di 9/6/2015: Aflevering 6: Niemandslanden




donderdag 28 mei 2015

Bidden om verboden vruchten

De autobiografische fictie van Bart Stouten – Recensie Frank De Vos

Bart Stouten debuteerde als prozaschrijver in 2009 met Het ware Eden. Beminde Eilanden verscheen in 2011 en Kersen eten om middernacht in 2013. (1) In mijn jaaroverzicht ‘2013 eigenzinnig in boeken’ stond: ‘Kersen eten om middernacht van Bart Stouten las ik met de spreekwoordelijke ‘stijgende verbazing’. Het is een cliché, ik weet het. Maar voor mij is het zijn opus magnum (tot nu toe) met intiem als het kernwoord. Het is een polyfone ode aan muziek waarmee zijn leven is verbonden. En wat een stijl! In een taal van fijn gekloste kant werd zijn verleden er doorheen geweven.’ (2) Kersen eten om middernacht werd met de Grote Inktslaaf Literatuurprijs 2013 bekroond.

In bidden om verboden vruchten is Kaius de hoofdfiguur. In zes hoofdstukken met evenveel alternerende passages in cursief ontspint het verhaal dat begint in 1964 en tot in 1975 rolt. In het voorwoord verantwoordt Kaius (de verteller), het afscheid van zijn ‘Ik’: Het tijdperk van zijn imperialistische Ik was voorbij. Die makke Ik was een woord op drift… In tegenstelling tot Kersen eten om middernacht is dit boek in de hij-vorm geschreven.

Kaius zit geklemd tussen zijn gelovige, en praktiserende grootmoeder, de navelstreng tussen Kaius en het Katholiek verleden van Vlaanderen en het uitgesproken
atheïstisch socialisme van zijn moeder. Slechts zijdelings, pas op het einde duikt de vaderfiguur uitdrukkelijk op, een liefhebber van motorcross die met Joël Robert ging motorcrossen. Wanneer hij ophoudt met bidden begint het geloof van Kaius: bidden was verworden tot het kreunend gezang van een sputterende oude motor die alleen de dood kon stilleggen. Hij lapt het kerkverbod van moeder aan zijn laars en gaat te biecht. Na het bezoek van de pastoor bij zijn moeder aan wie hij de ‘heel intieme kracht van Kaius geloof toelicht, krijgt hij . omwille van zijn morele muiterij een ‘Darwin-therapie’, en L'Évolution créatrice van Henri Bergson, spannender dan God, toegestopt: En daarmee werd God pas echt een verboden vrucht. Dank zij deze ontluizingstrategie van Mama krijgt zijn geloof een enorme boost. Onder invloed van zijn tante Jozefina – Proustiaanse madeleines zijn ook hier aanwezig- verandert Kaius godsbeeld van strenge opperrechter naar een abstracte grootheid, verlangen, verrukking of twijfel. Het klein icoontje dat hij van zijn tante ontvangt wordt zijn talisman en in 1974 neemt hij dit mee naar Ecuador. Hij gaat er op excursie met een indiaan en ternauwernood ontsnapt hij aan de verdrinkingsdood. Borgloon is zijn biotoop met het lichtjes hautaine, niet razend originele ouderlijk huis in een saai-moderne wijk, de stoomstroopfabriek: een legendarisch suikerwalhalla, zijn clandestiene trektochten, de liefde voor zijn piano alsof hij er verkering mee heeft, de dampende stoomtreinen. Anna of Anneke verschijnt met licht astrante blik… die hem op de rand van verliefdheid bracht. Op haar achteloze ‘ oké’ knapt hij af. Kaius ontmoet een Lennon-Christus, een metaherder die verder leeft in zijn opgewarmde fantasie. Een doos met brieven en ansichtkaarten die hij zijn oma verstuurde toen hij 12 was, roepen herinneringen op aan de astma-verdrijvende therapie met zijn ouders in Zwitserland. waar hij een ontmoeting heeft met een jonge Japanner die op zijn gitaar een fuga van Bach speelt. Iets raakt hem wat hij nauwelijks kan bevatten en waarvoor elk woord als de muts op een kaars zou lijken. Deze Japanner wordt de Ideale Vriend waardoor Kaius herhaalde malen Japan zal bezoeken. Anneke droomt ervan om danseres te worden en onverschrokken onthult ze de herenliefde van Kaius. In zijn klas wordt hij als ‘een flikker’ gestigmatiseerd. Hij was een gevallen engel, een gay angel die tiranie en chaos niet op een afstand kon houden. Anna stelt hem voor aan haar vriendje André, de zoon van mijnheer Jeaumot, zijn leraar zedenleer. Door zijn pianospel maakt Kaius indruk. Voor André weet hij zijn verliefdheid te onderdrukken. Hij ontdekt dat deze samen met ‘Duivel ’Wolfram er een handeltje in vervalste iconen op nahoudt. Met Duivel trekt hij naar een klooster in het Bretoense Loudihan. Door Wachten op Godot, de rijke onder-waterwereld in Becketts ideeënaquarium valt Lucky, de gastenmonnik door de mand.

Het zonlicht was gul, maar ook zacht. In de verte klepperden de ooievaars hun stille heroïek van zwangerschap en geboorte. Kaius had het nest verlaten. Het fris gewassen linnen geurde als nooit voorheen. De ontknoping zal men zelf moeten lezen. Daarom heb ik de samenvatting als een decrescendo afgebouwd.

Ja, hij had ook een muzikaal bestaan.

Op het einde van elk hoofdstuk slepen de passages in cursief de lezer naar een apart verhaal. Kaius begeleid en verantwoordt zich. Ze lezen als een annotatie bij het grote verhaal. Muziek speelt een beslissende rol en is het Leitmotiv in Kaius’ leven: Hij ontdekt oude Byzantijnse zangen, op de Nederlandse VARA de muziek van de sociaal bewogen Kurt Weill, een favoriet van zijn moeder waardoor haar socialisme eindelijk eens ontsnapte aan de laagvliegende dooddoeners van de één-meistoet, Hij beluistert Paul Hindemith en Claude Debussy. Zijn oma deed haar duitje in de zak bij de muzikale opvoeding van haar kleinzoon…de grote Bach die Kaius’ favoriet zou worden. Hij drong Bachs geest binnen zonder zich verplicht te voelen daar langer te verwijlen dan zijn redelijk beknopte contrapuntkennis hem toeliet. Tijdens zijn reis naar Ecuador ontdekt hij op oude langspeelplaten de fusiemuziek tussen de ingevoerde Spaanse barok en inheemse ritmes en melodieën, net zoals Bach in zijn muziek zangerige invloeden uit Italië en danselementen uit Frankrijk integreerde. Volgen dan Vivaldi, Corelli, Bartok, The Doors ,The Beatles, Eric Satie, John Cage enz. Kortom een musicologisch overzicht van Kaius’ voorkeuren. De wijze waarop hier de muzikale passages worden beschreven is ronduit indrukwekkend. Ze getuigen eveneens van een markante eruditie.

‘Ik heb maar een klein beetje gelogen’

Zowel op 6 mei in Reyers Laat als tijdens de voorstelling van het boek op 21.5 2015, verklapte hij deze ‘spoiler’. Vandaar ‘autobiografische fictie’ als ondertitel. Kaius is Stouten’s alter ego. Hierdoor kan men als lezer onmogelijk afstand nemen van deze dichter en gezegend radiomaker. Ik las het dan ook als een vervolg op Kersen eten om middernacht.

Met zijn verwijzing naar klassiek humanioramateriaal zoals Bergson, samen met Theillard de Chardin een icoon van godsdienstlessen, Mao’s Rode Boekje, Dostojevski, Demosthenes, T.S.Eliot en Beckett, de hypes uit die tijd: Mei 68, The Beatles, repressieve tolerantie (Marcuse) of de hete zomer van 1975, schetst Bart Stouten een treffend sfeerbeeld van het tijdsgewricht dat eveneens het mijne is. Het is herinneringsproza, belijdenissen in terugblikken die zoals Kersen eten om middernacht met zo een sierlijke intensiteit zijn geschreven dat ik geen adequate adjectieven kan vinden om mijn weemoedig leesgenot te schilderen. Het is weerom een stilistisch pareltje zonder nutteloze acrobatie, een voorbeeld van ragfijne esthetiek. Erotiek benadert hij heel suggestief en zonder het aftands en oubollig schokeffect van auteurs die vandaag hun pen nog steeds niet achter hun rits weten te houden, met strelingen die door de stilte reisden met de schemering van een andere liefde, een samengebalde massa gevoelens….afkomstig van onbekende liefdes, liefdes voor jongens zoals André en Duivel.

In mijn studeerkamer staat zijn proza naast Elias van Maurice Gilliams, In en uit het paradijs, en Van School van Benno Barnard, Zestig van Ingrid Vande Veken, en Souvenirs van Lucienne Stassaert. Hij blijft mijn bewondering strelen.

Wij hebben beslist een toekomst, Anna en die begint bij een onuitwisbaar verleden. Deze zin neem ik mee naar mijn wachttoren op uitkijk naar het vervolg van de spirituele zoektocht van de ‘latere’ Bart Stouten.

© Frank De Vos

Bart Stouten, Bidden om verboden vruchten, 382 blz, Vrijdag ISBN 9789460013348 19.95€

(1) Bart Stouten, Het ware Eden, 160 blz ,Uitgeverij Averbode. ISBN 9789031727285. 15.50€
Bart Stouten, Beminde eilanden, 224 blz ,Uitgeverij Averbode ISBN 9789031732760. 24.95€
Bart Stouten Kersen eten om middernacht , 299 blz, De Bezige Bij Antwerpen. ISBN 978-90-854-25045. 19.95€

(2) Frank De Vos: 2013 eigenzinnig in boeken


woensdag 27 mei 2015

Doe mee aan de Oogst Gedichtenwedstrijd 2015!

Ingezonden mededeling Oogst Gedichtenwedstrijd

In de zomer van 2015 vindt een grootse gedichtenwedstrijd plaats. Schrijf een raak gedicht rondom het thema ‘Oogst’ en maak kans op een geldprijs en een publicatie!

Wat kun je winnen?
Alle genomineerde gedichten worden gepubliceerd in een dichtbundel en de dichters krijgen daarvan vanzelfsprekend een exemplaar. De winnaar van de eerste prijs wint €500,-, de tweede prijs is €250,-, de derde €125,-.

Wat moet je doen:
1. Schrijf een (of meer) gedicht(en) rondom het thema ‘Oogst’ dat voldoet aan onze formele criteria (zie Oogst Gedichtenwedstrijd )(http://www.npbbennekom.nl/pagina147.html)).
2. Stuur je gedicht(en) vóór 1 juli naar oogstgedichtenwedstrijd[at]gmail.com, vermeld daarbij je contactgegevens (je eigen naam, leeftijd, adres en telefoonnummer) zodat we je kunnen bereiken zodra de genomineerden bekend worden;
3. Maak per gedicht €5,00 over naar NL94RABO0307082903, t.n.v. NPB Bennekom, o.v.v. je eigen naam en de titel van het gedicht;
4. Wacht af: medio juli ontvang je bericht of je bent genomineerd;
5. Ben je genomineerd en/of geïnteresseerd, kom dan op 26 augustus 2015 naar de prijsuitreiking.

Waar vindt de prijsuitreiking plaats?
De winnaars worden op 26 augustus 2015, op een nader te bepalen tijdstip, tijdens Vlegeldag te Bennekom, tijdens een feestelijke prijsuitreiking bekendgemaakt.


Poëzie in De Zeeland - Aha Erlebnis

UITNODIGING: Poëziemiddag in De Zeeland in Bergen op Zoom naar aanleiding van de expositie ‘Aha Erlebnis. Schilderijen van Jan Wessendorp en sculpturen van Marcel van Zijp’

Op zondag 7 juni 2015 wordt een poëziemiddag georganiseerd. Aanleiding zijn de gedichten die de uit Bergen op Zoom afkomstige dichters Albert Hagenaars en Bert Bevers geschreven hebben over de persoon en het werk van Jan Wessendorp.
De middag begint met de dichter Philippe Cailliau die uit eigen werk voorleest, gevolgd door Bert Bevers en Albert Hagenaars.
Martin Hoevenaars en Willemien van Dijke brengen een ‘MiMiatuur’ als ode aan de schilder Jan Wessendorp. Zij hebben zich voor dit korte bewegingsstuk laten inspireren door diens schilderijen maar ook door de poëzie die de afgelopen jaren naar aanleiding van zijn werk geschreven is.

Janno den Engelsman op klavecimbel en Manon Zeeman op altblokfluit brengen de Suite in e-klein van Jacques Hotteterre le Romain (1674-1763) ten gehore.
Na een korte pauze leest dichter Ewoud Willem van Doorn voor uit eigen werk.
De Nederlands-Indische schrijver en dichter Barney Agerbeek, geboren in Soerabaya, citeert uit werk dat Indonesië als thema heeft.
Schrijver, dichter en journalist Erick Kila interviewt Jan Wessendorp en Marcel van Zijp.
De middag wordt afgesloten met de Sonata Prima van Dario Castello uitgevoerd door Janno den Engelsman en Manon Zeeman.
Daarna is er tot circa 18.30 uur een informeel samenzijn onder het genot van een glas en oosterse en westerse hapjes: Oost ontmoet West!

Voor achtergrondinformatie van enkele deelnemers, raadpleeg de volgende links:
Erick Kila
Philippe Cailliau
Bert Bevers
Ewoud van Doorn
Albert Hagenaars

De toegang voor deze poëziemiddag in de tentoonstellingsruimte in De Zeeland is gratis. Er is ruimschoots gratis parkeergelegenheid aanwezig.

EXPOSITIE ‘Aha Erlebnis. Schilderijen van Jan Wessendorp en sculpturen van Marcel van Zijp’
9 mei tot en met 7 juni 2015 in (de voormalige suikerfabriek) De Zeeland, Markiezaatsweg 17 te Bergen op Zoom: gratis te bezoeken op vrijdag 14.00-21.00 uur, zaterdag 14.00- 20.00 uur en zondag 14.00-18.00 uur.

Contactpersonen: Yvonne Buriks, 0164-251249 / 06-38534411, colombine@kpnplanet.nl; Johanna Jacobs, 0164-604750 / 06-22548910, johanna.jacobs@kpnmail.nl.


maandag 25 mei 2015

De Queeste naar de lezer (4/6) - Alain Delmotte


Aflevering 4

HET POËTISCHE GELIJK


In deze en volgende afleveringen sta ik nog even stil bij drie aspecten van Mandelstams essay. Met name bij datgene wat als hij als ‘poëtisch gelijk’ omschrijft, bij het verschil dat Mandelstam aangeeft tussen literatuur en poëzie en bij wat het begrip ‘tijdgenoot’ wordt genoemd.'

‘ Ik maakte in vorige aflevering een scheidingslijn. Ik schreef ‘enerzijds’ en ‘anderzijds’ alsof Mandelstam een soort tweeledigheid in zijn redenering aangaf. Hij doet dat niet. ‘‘Zorg en omzichtigheid’ en het ‘ eigen gelijk ’ behoren tot dezelfde beweging. Ik maakte een onderscheid omdat ik de quote ‘‘Poëzie is het besef van het eigen gelijk ’ als een problematische uitspraak ervoer.

Het woord ‘gelijk’ valt een paar keer in ‘‘De gespreksgenoot ’. Er is zelfs sprake van ‘het kostbare besef van het gelijk . Hoe volstrekt moet ik dat interpreteren? Want een expliciete verklaring voor het begrip gelijk geeft Mandelstam in dit essay niet aan. Even spitten tussen de lijnen.

In verband met de dichter Balmont die volgens Mandelstam blijk gaf van een afkerige benadering van de gespreksgenoot, noteert hij: ‘‘Zijn behoefte aan zelfbevestiging is ronduit ziekelijk. Hij is niet in staat op zachte toon ‘ik’ te zeggen. Hij schreeuwt ‘ik’.(...) In de balans van Balmonts poëzie wint de schaal van het ‘ik’ het op een overduidelijke, oneerlijke manier in het gewicht van de schaal van het ‘niet-ik’; dat al te immaterieel blijft. (...) een individualisme ten koste van andermans ‘ik’.

Dit kon voor mezelf een geruststelling heten: het poëtische gelijk houdt niet het gelijk van het ‘ik’ in. Het beeld van de ‘schaal’ verduidelijkt het: wat nagestreefd wordt is het evenwicht tussen het ‘ik’ en het ‘niet-ik’. (Martin Buber zal later over het in elkaar verweven woordpaar ‘‘Ich und Du ’ spreken.) Dit evenwichtspunt ligt in het bewaren van de juiste, discrete afstand (of beter: het zoeken naar de juiste afstand van de discretie). Wat meteen een mate van vaagheid als gevolg heeft. ‘‘De afstand die ontstaat door het van elkaar verwijderd zijn doet de trekken van een dierbare persoon vervagen. Slechts dan komt het verlangen bij mij op hem die belangrijke woorden te zeggen die ik niet kon zeggen toen ik zijn beeld in zijn reële volte voor me had.' Mandelstam legt de nadruk op het feit dat de providentiële lezer nooit een concrete lezer kan zijn. Het is iemand, het is iedereen, er is ruimte voor de vage trekken van een gezicht. Maar een gezicht moet het blijven. Naamloos maar toch te benoemen: ‘jij, lezer, jij bent het, de ander .

In een ander essay, waarvan ik geen Nederlandse vertaling ter beschikking heb, ‘An army of poets(1) , lijkt Mandelstam zelfs aan te geven dat lezen en schrijven beiden hun oorspong vinden in dezelfde drijfveer. Dichter en lezer delen dezelfde drijfveer maar geven die een andere invulling: ‘‘the vocation of reader is no less respectable than the vocation of poet’.

Wat nu de invulling zou zijn van dat ‘poëtisch gelijk’, vinden we in nog andere essays van Mandelstam.

In De ochtend van het acmeisme is de dichter iemand die ‘‘gelooft in de realiteit van het materiaal, waarvan hij de weerstand moet overwinnen’ . Dat materiaal is voor de dichter ‘het woord’ dat hij een ‘waardiger vertikale houding laat aannemen, dan dit bij het dagelijks woordgebruik (de retorische machinerie van de Polis?) het geval is. Het woord is voor Mandelstam zo goed als een menselijk feit, geen manipulatief instrument. In ‘Het woord en de cultuur verwoordt hij het heel prangend:’Het woord is vlees en brood. Het deelt het lot van brood en vlees: lijden. Mensen hebben honger’

Poëzie is spreken. In ‘An army of poets streept Mandelstam het belang van de ‘stem’ aan: ‘‘Of course the voice, being a workers’s tool, is inconceivable without recitatives, like a geometrical plane. Poets works with the voice, the voice’

Ik probeer samen te vatten. Het poëtische gelijk is niet het retorische gelijk. Het poëtische gelijk is het ‘spreken’ zelf, de beweging van het spreken. (Wat in het citaat van Gerhardt als het ‘voor den dag komen’ wordt benoemd.) Het is niet het spreken om het gelijk te krijgen. ‘Wozu Dichter in dürftiger Zeit ? Het is het volharden in het spreken!

Het poëtische gelijk is een soort ‘desondanks’ manoeuvre. Wat Celan ‘Stehen noemt. ‘‘Stehen, im Schatten/ des Wundemas in der Luft// Für-niemand-und-nichts-stehn. // Unerkannt,/für dich/allein .(2). Staan,/in de schaduw / van het avondteken in de lucht. // Voor-niemand –en niets-staan. / Onherkend, / voor jezelf / alleen.

Zolang dit spreken zich wil laten horen, bestaat de kans dat het wordt ontvangen, bestaat de mogelijkheid tot aanwezigheid in de wereld: zowel van het gedicht als van de lezer ervan. Mandelstam: ‘‘De oceaan is de fles met de volle omvang van zijn elementaire kracht te hulp gekomen; hij heeft hem geholpen zijn bestemming te vervullen en de vinder wordt overmand door het gevoel van aanwezigheid van een providentiële kracht ’.

Het poëtische spreken, zoals ik al eerder te kennen gaf, is in al zijn broosheid complex en zonder die complexiteit kan het gedicht niet: het is inherent aan het poëtische gebaar.

En dat gebaar is elementair menselijk. Poëzie, zegt men vaak, is ons tot een memoriaal voor het menselijke. Ze brengt ons het menselijke in herinnering. James Sacré noteert: ‘Je me prends à penser qu’aussi pour la poésie/d’anciens gestes sont à continuer.’(3)


© Alain Delmotte



(1) Osip Mandelstam Critical Prose and letters, ardis publishers woodstock & new-york, p.191
(2) Paul Celan Verzamelde Gedichten, uit het duits vertaald door Ton Naaijkens, Meulenhoff Amsterdam, 2003
(3) James Sacré ‘Ne sont-elles qu’images meutes et regards qu’on ne comprend pas?’ – Aencrages &co, 2014

Alain Delmotte: De queeste naar de lezer:
* Ma 4/5/2015: Aflevering 1: Van geschreven tot gelezen
* Ma 18/5/2015: Aflevering 3: De ander
* Ma 25/5/2015: Aflevering 4: Het poëtische gelijk
* Ma 1/6/2015: Aflevering 5: De ontmoeting met de tijdgenoot
* Di 9/6/2015: Aflevering 6: Niemandslanden




vrijdag 22 mei 2015

(.....) - Bert Struyvé

stil maak je een foto
van het moment
en legt het vast

haar dag is vierkant
vloer plafond vier muren
een kubus

niet groots
begrensd
zeventig bij zeventig

haar kind tekent
vloer plafond twee muren
een vierkant

maar het blijft stil
met olieverf op doek




© Bert Struyvé