vrijdag 30 augustus 2013

Amour fou

Gedichten schrijven - als je het niet kan (zoals ik) moet je ermee ophouden op de dag dat je zestien jaren oud wordt maar als je zo goed bent als, bijvoorbeeld, Ilja Leonard Pfeijfer zal je moeten doorschrijven tot de dood erop volgt. Ik ben er na vijftig jaar lezen nog altijd niet achter wat poëzie is. Het brengt iets te weeg - een onzichtbaar deeltje dringt door de pupillen de hersenen binnen en raakt een receptor, dan gebeurt er iets. Ontroering. Een vorm van verliefdheid, intens, kort. Het lezen van een gedicht maakt je niet onmiddellijk ongelukkig - zoals plotselinge verliefdheden bijna altijd doen - maar naarmate de tijd verstrijkt, blijken zich herinneringen aan het gedicht te hechten, zoals wieren en zeebeesten die zich vastklampten aan de houten schepen waarmee ontdekkingsreizigers de oceanen verkenden. Die herinneringen groeien aan naarmate de tijd verstrijkt. Omdat verstreken tijd voltooide tijd is, zijn ze onbereikbaar geworden, behalve voor het geestesoog. Op termijn veroorzaken de meeste goede gedichten weemoed en uiteindelijk verdriet, soms tot ontroostbaarheid aan toe.

Paul Dijstelberge op de Neder-L-blog (via dit bericht op de Contrabas)

Rubriek:Citaat

vrijdag 23 augustus 2013

Voor de vleugels

"Verbeelding dwing je niet af, voor de vleugels van de poëzie bestaat geen handleiding."

Piet Gerbrandy in een recensie in de Groene Amsterdammer over Liefde en aarde, de tweede dichtbundel van Tom Van de Voorde (Poëziecentrum 2013) (Link: poëziecentrum).

Vrij recent stonden ook 5 gedichten van Van de Voorde, die ook vertaler is van werk van ondermeer Wallace Stevens, op "Het moment". Zie verder ook deze recensie van Liefde en aarde op Meander.

donderdag 22 augustus 2013

Dood zijn doet geen pijn - Philippe Cailliau


Een zerk was hem beloofd. Echt marmer bovenop,
dat werd verzekerd. Maar poedersgewijs waren
verbazing en verdriet verspreid tussen de zoden.

De dode was aldus verstrooid, vertelde, die van
marmer was, de steen: “Hij struikelde over zijn
stoppelbaard toen hij, als elke nacht, het huis
verliet”. Verloederd was zijn leven al. Nu nog zijn

dood. Aangevinkt stond in het register van het
kerkhof dat deze verscheiden man geen ligging
had. Geen knekelhuis, geen schuilkapel. En op
een glimmend bord: dat elke verse bloem moest
worden overhandigd aan de gravers van de dag of
de conciërge. Ook dat verstrekte diensten werden
gefactureerd pas na betaling van het liggeld.

Wat een bekend terrein! Hier is hij thuis, hier is
hij. In de grond een lap lankmoedigheid, veel
doodstrijd en verkommering. Gelukkig is het
niets. Wat zwijgt. Dat spreekt.


© Philippe Cailliau


Meer info over Philippe Cailliau via deze Digther-link


dinsdag 20 augustus 2013

Tableau mort - Philippe Cailliau


Weg is niets. Geen afstand
meer. Gezelschap is verlangen
amper. Prijsgegeven naakt.

De nachten in de stormkampen
waarin een liefde werd
bedreven als zeehandel drijven,
hebben de hete buigzaamheid
van toen niet meer. Geen
toekomst lonkt. Om weg te zijn.

In waken heerst berekening.
In slaap is water onvoltooid.


© Philippe Cailliau


Meer info over Philippe Cailliau via deze Digther-link


zondag 18 augustus 2013

Was jij erbij - Philippe Cailliau


Was jij erbij toen ik, me van geen kwaad
bewust, acht jaar terug geworpen werd
uit een hoog raam? Mijn blik die brak.
Mijn botten werden soepel.

Was jij erbij toen ik, me niet bewust van
veel gevaar, mijn darmen aan de kapstok hing?
Mijn buikvlies klapte weg, de voedingsbaan
werd ingekort en omgeleid. Wat was ik blij
dat ik mijn bloed beleed en door het oog
kroop van een naald. Was jij erbij

toen ik erbij was? Toen ik erbij was, nog,
om met een open borst mijn navelsliert
te laten knopen aan een zenuwbaan,
waardoor het eindelijk weer werd
voor mijn eigen weerbericht?



© Philippe Cailliau


Meer info over Philippe Cailliau via dit bericht op Digther


Drie gedichten van Philippe Cailliau

Digther publiceert in de komende dagen 3 gedichten van Philippe Cailliau. Vandaag het gedicht “Was jij erbij”.

Philippe Cailliau (°1954 Congo-Elisabethstad) publiceerde bij Kleinood & Grootzeer begin dit jaar met Het boek nul al zijn negende dichtbundel. Zijn vorige bundel, Zwijgboek, verscheen in 2007.
Gedichten van hem verschenen eerder o.a. in Maatstaf, Nieuw Vlaams Tijdschrift, De Vlaamse Gids, Yang en Poëziekrant.
Cailliau werkte in het verleden mee aan literaire tijdschriften als Kreatief en Randschrift, leverde bijdragen aan het Kritisch Lexicon van de Moderne Nederlandstalige Literatuur, schreef een monografie over Jef Geeraerts en schoolboeken over Hugo Claus.

Meer info:

Kleinood & Grootzeer
Philippe Cailliau bij Ampersand & Tilde
Het boek nul op de CDR-blog
De vloeibaarste der angsten - Recensie Joop Leibbrand op Meander
Poëzie begint bij nul - VVL-Boekhouding


woensdag 7 augustus 2013

Poëzie is gevoel, meneer

Column Alain Delmotte

1.

Een tijd geleden verzorgde ik het voorwoord bij de voorstelling van een nieuwe dichtbundel van een collega dichter. Ik gaf een persoonlijk leesverslag. Na de voorstelling kwam iemand me op eerder verwijtende toon aanspreken: ‘poëzie is gevoel, meneer, en ik heb u daarover niets horen zeggen!’

‘Poëzie is gevoel’: dit zou het voor veel lezers blijkbaar moeten zijn. Ik beschouw deze uitspraak noch als waar, noch als onwaar, maar toch wel meer als onwaar dan als waar. Waarmee ik bedoel dat deze uitspraak mij te reductionistisch uitvalt. Ik zal in deze column proberen die uitspraak met de nodige reserves, sereniteit en respect voor die anonieme toehoorder te rectificeren. Dit wel – en ik dring daar hard op aan - niet op zogenaamde literair-wetenschappelijke basis maar op basis van eigen meningen, subjectieve inzichten en persoonlijke overtuigingen in verband met poëzie.

Poëzie afgerond definiëren lijkt me, gelukkig, onmogelijk. Elke generatie herontdekt en herdefinieert het poëtische gegeven voor zichzelf. Een grote rol spelen daarin uiteraard de historische omstandigheden, het tijdsgewricht. Elke generatie wordt met een eigen problematiek geconfronteerd en poogt er eigen antwoorden op te bedenken. Ik kan maar voor mezelf vaststellen dat poëzie er is, zonder echt duidelijk te kunnen omschrijven wat er is. Ik merk enkel dat er (binnen de Westerse cultuur althans) sprake is van een soort historische ontwikkeling rond het gegeven ‘poëzie’. Ik ontwaar er traditie in. En evenzeer breuklijnen. Traditie en breuklijn die je als dichter en lezer niet zomaar kunt negeren. Uit die ontwikkelingen kan men alvast een ding leren: poëtica’s zijn ook maar kinderen van hun tijd.

‘Poëzie is gevoel’: dit is vaag, het komt me voor als een metonymie. Wat die toehoorder me wellicht wou duidelijk maken is dat voor hem poëzie de uitdrukking van een gevoel moet zijn.

Ik sta nu even stil bij het begrip ‘gevoel’. Gevoelens, wat is hun kern? In hun zuiverste staat komen ze zelden op ons af. Gevoelens komen ons in een mengvorm voor. In hun chemie. Voor Freud, las ik, is melancholie een vorm van opgekropte woede. Een chemie tussen kwaadheid, frustratie en verdriet. Gevoelens doen zich dus vaak als ‘gemengde’ gevoelens voor. Letterlijk en figuurlijk. Ze beantwoorden aan een psychisch mechanisme. Een complex psychisch proces gaat eraan vooraf en ze worden vaak door een al even complex psychisch proces opgevolgd. Er bestaat dus zoiets als een (al dan niet) onbewuste en acute continuïteit in de wijze waarop we gevoelens ondergaan. Waardoor je ze niet zomaar uit hun context kunt isoleren. Men mag ze niet loskoppelen uit het existentieel kader waarin ze zich voordoen. Daarmee bedoel ik het leven van elke dag, ons hebben en houden. Onze biografie. Ik stel daarom voor het wat te simpel begrip ‘gevoel’ tot het veel complexere begrip ‘ervaring’ te verruimen. ‘Poëzie is de uitdrukking van een menselijke ervaring’.

Uitdrukking. Sla een dichtbundel open en wat ziet men doorgaans? Woorden. Taal. ‘Poëzie is de verwoording, de vertaling van een menselijke ervaring’. Wat kenmerkt die verwoording en/of vertaling? Ik introduceer twee termen: exclusief en specifiek.

Wat een dichter nastreeft is ‘exclusieve verwoording’. Dat streven naar het exclusieve houdt de vruchtbare utopie van de poëzie in. Namelijk: de dichter probeert iets te verwoorden dat nooit eerder op die manier werd verwoord. Deze ‘opdracht’, deze ‘roep’ is in zijn radicaliteit aartsmoeilijk. Wat dichters zeggen, is heel vaak maar een variatie op wat al eerder werd gezegd. Poëzie is een poging tot exclusieve verwoording: het is nooit af, het kan altijd beter, het kan altijd anders. Absolute exclusiviteit bestaat m.i. als betrachting, als een onophoudelijk proces. Het valt in wezen relatief uit en is daarom in zijn realisatie uitzonderlijk.

Om als poëzie benoemd te kunnen worden, moet (volgens een bepaalde traditie - en/of breuklijn - die dit stilzwijgend zo voorschrijft) de nagestreefde verwoording, aan een aantal specifieke, zij het van generatie tot generatie in klemtoon fluctuerende, kenmerken voldoen. De dichter werkt met taal. Een romanschrijver ook. Een filosoof. Een journalist. Wie een doorsnee gedicht vergelijkt met een doorsnee krantenartikel merkt het meteen. Ruim ingeschat: in een krantenartikel ligt de nadruk op het feitelijke en/of op het ‘statement’ dat expliciet wordt bekend gemaakt. Van zo’n artikel wordt verwacht dat het met een vlotte en losse pen is geschreven.

In een gedicht, daarentegen, valt het formele aspect op: het ritme dat wordt aangegeven door plaatsing van bijvoorbeeld een versregel (en de wijze waarop die wordt afgebroken) of door woorden die geïsoleerd worden in het wit van het blad. En er is het klankspel (dat niet alleen melodieus kan zijn maar evenzeer schril). Geen feiten: de woorden in het gedicht staan voor de feiten zelf. Zoiets als een ‘statement’ is niet meteen te ontwaren: misschien is het impliciet, zit het in het netwerk van de woorden verweven – als er al sprake kan zijn van statement, natuurlijk. En het gedicht werd met een haperende pen geschreven – al lijkt het soms meteen niet zo.

Specifiek aan een gedicht is de manier waarop met taal wordt omgegaan. Klank en ritme zorgen ervoor dat het gedicht iets van een ‘zang’ heeft. Dit is de lyrische component. Om deze lyriek waar te maken beschikt de dichter over een aantal stilistische middelen die ik nu graag zou willen verzamelen onder de term ‘prosodie’.

Poëzie, vanuit een antropologisch gezichtspunt, zou een orale en sacraal-religieuze origine hebben. ‘Gedichten’ werden al zingend en dansend uitgesproken en binnen bepaalde rituelen ingepast. Poëzie welt in oorsprong uit oeroude bronnen. Uiteraard staan we daar nu ver van af. Nochtans leeft dit ‘ritualiserende’ en ‘sacrale’, al dan niet verdund, voort in bepaalde poëzieopvattingen: sonore poëzie, etno-poëzie, performance, podiumpoëzie en dergelijke. Met wat ik hier evoceer (het zingen, het ritueel) laat ik me nu verleiden tot een veralgemening, zij het van betrekkelijke aard. Ik zou het willen hebben over taal als ‘spraak’ en verwijs hiermee naar het muzikale en orale karakter van de poëzie. Spraak - zijnde de symbiose tussen taal en prosodie.

Maar poëzie wordt niet alleen uitgesproken, poëzie wordt ook neergeschreven. Poëzie heeft een scripturaal en beeldend karakter. Taal als ‘spraak’ maar ook taal als ‘teken’. Lijkt dit elkaar tegen te spreken? Men moet het zien als twee extremen op een zelfde lijn. Punten op die lijn staan voor de mogelijke gradaties die men tussen spraak en teken kan bedenken. Enerzijds de sonore poëzie die niet met woorden werkt maar met klanken. Anderzijds wat o.m. genoemd wordt de visuele/concrete poëzie waarbij men soms enkel met lettertekens aan het werk gaat.

Het begon dus met ‘poëzie is gevoel’ en we kwamen voorlopig uit op ‘poëzie is een poging tot de exclusieve verwoording van een menselijke ervaring. Die verwoording gebeurt op een specifieke wijze op basis van stilistische elementen die we prosodie noemen. De dichter kenmerkt zich door een heel eigen verhouding met de taal die als, naargelang de gradatie, zowel spraak kan zijn als teken. Of iets tussenin.’ Maar is hiermee nu alles gezegd?

2.

Drie vragen wil ik nog stellen. Hoe ontstaat een gedicht? Wat is de aard van de verhouding die de dichter met de taal heeft? Hoe moet men gedichten lezen? Men weze gerustgesteld: op geen enkel van die drie vragen zal ik een adequaat antwoord kunnen geven. Ik zal ze open moeten laten en dat is op zich al een poëtische daad.

Hoe ontstaat een gedicht? Wordt het geschreven bij gratie van wat inspiratie wordt genoemd? Of is het een fundamenteel voluntaristische daad, een kwestie van wilskracht? Is het zweven? Is het zwoegen? Of is het een wisselwerking?

Onlangs las ik van de fijne Franse dichter Antoine Emaz het volgende. Over één van zijn bundels wist hij te melden: ‘ik heb dat boek in twee maand tijd geschreven en heb er twee jaar aan gewerkt’. Het schrijven van een gedicht - die uitspraak bevestigt dit – kent een procesmatig verloop dat zich in verschillende faseringen voordoet. Die faseringen verschillen van dichter tot dichter: in hun vorm, in hun timing, in hun verloop. Ik stip één fase aan: het ‘kristallisatiemoment’ tussen dichter en taal. Laat me het zo stellen: het moment waarop taal spraak (of teken) wordt. Op zo’n moment lijkt het of de dichter een vrijgeleide krijgt aangereikt waarmee hij zich naar believen in de taal mag bewegen: het ene woord roept met grote gemakzucht het andere op. De dichter is dan (dixit Leonard Nolens) als een derwisj: hij tolt in de taal. Iets laat zich dan ervaren van wat Paul Van Ostaijen heeft omschreven als ‘de laagste trap van de extase’. Een magische fase: die van de inval en de vondst. De taal in zijn aanvang betrapt.

Er zijn weliswaar uitzonderingen: soms wordt die ‘kristallisatie’ inderdaad het definitieve gedicht. Maar meestal volgt na de magie de fatale ontnuchtering: als de dichter terugblikt op zijn invallen en vondsten en hij met schaamte vaststelt dat het minder magisch uitvalt dan hij meende. Hij kan niet anders dan kritisch die invallen bewerken, herschikken, contexten geven. Dit bewerken en herschikken heeft als gevolg dat de dichter continu over taal dient te reflecteren: hij zoekt het juiste woord, het passende woord voor het nog nooit eerder gezegde. Dat is meestal het ontbrekende woord. We zijn hier op het metafysische niveau beland: het nooit eerder gezegde komt hier heel dicht in de buurt van het onzegbare.

Opnieuw Van Ostaijen voor wie poëzie ‘een in het metafysiese geankerde spel met woorden’ was. De poëzie zit, mijn inziens, geworteld in het spanningsveld van een zijnsproblematiek: in het spanningsveld tussen zijn en niet-zijn, tussen ‘leven en dood’, spreken en zwijgen. De poëzie stelt de fundamentele vraag naar het menselijke zijn, naar het zijn van de taal - want de mens is de taal en de taal is de mens. ‘De taal is het huis van het zijn’ leert ons de filosoof.

Opnieuw weer: het betreft hier een eigen mening. Ik geef hier uiteindelijk maar mijn eigen grenslijnen aan. Maar hoe dan ook: de verhouding van de dichter met de taal is problematisch. In de eerste instantie zoekt de dichter zijn plaats in de taal, een taal waarin hij kan zijn, waarin hij woorden kan laten zijn. Taal die niet uniform is, die afwijkt van het dagelijks taalgebruik. ‘Idiosyncrasie’ is het woord dat hier hoort. Eigen-aardigheid, eigengereidheid, eigenzinnigheid. ‘Een taal zoeken in de taal’ zo omschreef Paul Valery deze zoektocht. Met andere woorden (en ik weet dat veel lezers dit doorgaans niet graag horen): een poëtische tekst is een (taal)constructie - het wordt voor een groot deel gemaakt. Gekunsteldheid (ik vermijd bewust het woord ‘kunstmatigheid’) zijn gedichten niet vreemd.

Deze ‘idiosyncratische’ beweging doet veel lezers, zoals ik al vaker mocht ervaren, de poëzie als ontoegankelijk beschouwen. Want het effect dat idiosyncrasie soms sorteert is veelvormigheid. De betekenis balanceert. De betekenis omsluit niet maar integendeel de betekenis staat open: lezer, vul maar in. Vreemd genoeg wordt die openheid wel eens als ‘hermetisch’ bestempeld. Het is heel vaak de manier waarop de dichter de dingen formuleert, ‘zijn specifieke zeggingswijze’, die ongewoon aandoet en die zijn gedichten minder vanzelfsprekend maakt: maar de drang naar openheid, het woord dat zich wil richten naar de lezer, de ander, zijn aanwezige elementen. Of (laat me op mijn hoede blijven) moeten voor mij aanwezige elementen zijn.

Hoe moet men nu poëzie lezen? Er is geen recept. Dit zou een opluchting moeten zijn. Ik citeer de dichter Paul Celan: ‘Lees! Herlees: het begrip komt vanzelf.’. Wat Martinus Nijhoff schreef ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ is een heel mooie uitspraak, van een diepe wijsheid. Het refereert aan wat ik noemde ‘het ontbrekende woord’. Maar wie voor het eerst een gedicht leest, vangt met deze formulering niets aan. Als lezer van poëzie heb je enkel de woorden die in het gedicht staan als referentiepunt. Ik zei het al: de woorden zijn de feiten in en van het gedicht. Hoe lees ik zelf? Ik luister (spraak) en ik kijk (teken). Luisteren: elk woord, elke versregel laat ik rustig in mijzelf resoneren en dan luister ik naar wat die resonantie in andere woorden, in andere versregels doet oproepen. Kijken: ik kijk niet tegen een bundel aan als tegen een verzameling afgedrukte teksten maar als een architectuur die zich binnen een bepaald ceremonieel laat inpassen. Een bundel is dan voor mij een huis waarin zich iets gaat afspelen en waarin de cycli of de afzonderlijke gedichten de verschillende kamers zijn. Daarbinnen tekenen zich bewegingen af, rituele manoeuvres die ergens in verband staan met andere bewegingen in de andere kamers.

En dat kijken en luisteren, gebeurt bij mij zeer intuïtief. In eerste instantie raakt me de prosodie van een dichter, de aanwezige lyrische drijfkracht – ook als die paradoxaal tegen een lyrische stroom ingaat. Maar het duurt soms jaren vooraleer ik een dichter min of meer in zijn volheid begrijp. Of soms begrijp ik een dichter in zijn volheid nooit. Hoe vaak ik sommige dichters ook herlees: ik lees ze altijd voor het eerst.

Ik schreef dat ik wel eens ‘intuïtief’ op een poëtische tekst inga. Dat is natuurlijk wel erg snel van mij beweerd. Ik hoor het sommigen al zeggen: die intuïtie is niet meer dan een geconditioneerde leesgewoonte. Het is een discussie waard maar die ga ik hier niet voeren. Ik beperk me tot een niet gestaafde stelling: intuïtie kan zich op zo’n wijze fijn laten slijpen door een langdurige leeservaring dat het een lezer over zijn geconditioneerde leesgewoonte heen kan helpen. Overigens ligt het in de aard van de poëzie dat zij niet, of nauwelijks, of minder, te benaderen valt met een geconditioneerde leesgewoonte: ze vereist risico, ze is uitdaging. Misschien gokt een bepaald soort van poëzie, voor wie haar voor het eerst leest, nu net op het intuïtieve dat in elke lezer potentieel aanwezig is.

Dat het intuïtieve met een grote dosis gevoelsmatigheid is opgeladen, lijkt me vanzelfsprekend. Inderdaad, dus toch, het gevoelsmatige! Waarmee de persoon die me aansprak dan toch niet helemaal ongelijk krijgt.

©Alain Delmotte

dinsdag 16 juli 2013

De schaduw van de tijd - Rita Geys

(Rubriek: Uit de toevloed)

Als er tot voor kort slechts sporadisch dichteressen waren die de interesse van uitgevers konden opwekken, is daar vandaag gelukkig een kentering in gekomen. Uitgeverij P boog zich over het manuscript van Rita Geys en vond dat het goed was.
De schaduw van de tijd huisvest 6 cycli met elk een afwisselend aantal verzen. In de poëzie van Geys wordt de lijn heel strak gehouden. Het is alsof de dichteres met zo weinig woorden als kan tot goede gedichten wil komen. Door deze vorm van ontvetting komen we tot poëzie die met haiku zou kunnen verbroederen. Eén samengestelde zin krijgt door verknippen de vorm van een gedicht. De auteur herwerkt vaste uitdrukkingen, gebruikt herhalingen, hanteert alliteraties en schept abstraherende metaforen als hulpmiddelen om de lezer te boeien. In haar werk beschrijft Rita Geys onder andere details uit de natuur: rotsen, woestijn, witte roos, enz. Weer anders zijn de gedichten waar vooral de leegte spreekt; het rustpunt, de anonimiteit, het verstilde bestaan. Deze dichteres is geboeid door de rust. Ze laat de kalmte overheersen.

Door een scheur
in de nacht
komt ochtend
aangelopen

en driemaal
kraait
de haan

de droom
van gisteren
is dood

hoe het
zover
kwam
is niet geweten

evenmin
geweten is
hoe zwart
gras groeit
na zonsondergang.

(uit de cyclus V - Eindeloos de einder)

Er wordt amper gefluisterd, Rita Geys schuwt harde of stoute woorden. De sfeer in deze bundel is stijlvol somber. De vergankelijkheid overwint op het licht. De auteur bouwt haar gedichten op d.m.v. een simpel woordenpalet. Er lijkt zelfs gelet op het aantal lettergrepen in elke constructie. Zij verplicht zichzelf tot een keurslijf van weinig woorden op zoek naar essentie. Geys trekt haar poëtica open tot strofen waar afgeslankte versregels de resultante zijn. In deze leegte wordt het evenwicht gevonden tussen wat woorden zeggen en wat ze achterhouden. In De schaduw van de tijd wordt alles fragiel gehouden. Wat het oog van de lezer ziet, is van belang. De vorm wordt een essentieel onderdeel. Deze bundel geeft de lezer de vrijheid van interpreteren. Om het kaf van het koren te scheiden, liet de auteur zich bijstaan door Bart Claerhout en Dirk Hanssens. Intimistische poëzie.

De schaduw van de tijd, Rita Geys
Uitgeverij P, 2013
ISBN 978-94-91455-16-2
Prijs: €16,00
Meer info: website Uitgeverij P

Recensie: Frank Decerf (juli 2013)

zondag 7 juli 2013

Steven Graauwmans - BR#10



BR#10


Gehurkt in het hoge gras ziet niemand je:
je duikt onder in je gebalsemde hart
dat je houdt voor uitverkoren ridders
jij bent hun stille weeskind.
Je staat voor niemand en jezelf
met de hand aan het zwaard.

Je ontspringt aan eenieder de dans
in onbemande kroegen waar boekaniers
niet durven toasten op de troost
voor hun huizige vrouwen
je wentelt je in hun deemoed
wiegt je waanzin achter gesloten gordijnen.

Ik luister naar de echo van je hartslag
je lage huid tegen het staal
je adem die koudslaat op het glad tussen je borsten.
Ik volg het zweet langs je lemen benen
hurk me als een foetus
in je gespannen vel.


© Steven Graauwmans


Uit de cyclus Boy’s Night, Lofzangen en brieven voor een BPM*
(* BPM is de Beatutiful Perfect Mother uit 'Brooklyn Follies' van Paul Auster)

Meer info: Steven Graauwmans: 6 gedichten uit "De Tranen van Napoleon"

FL#5
FL#9
FL#16
BR#4
BR#5
BR#10


zaterdag 6 juli 2013

Steven Graauwmans - BR#5



BR#5


Je ontdubbelt
je zenuwbanen nauwkeurig
keert je vel binnenstebuiten
vult het soepel met ijskoude brandlucht.
Ten slotte sluit je ook het buitenlicht
onder je tastzin uit.

Ik herinner me in jou
in je hellende blik (je wil iets weten)
in je ingesneeuwde mond.
Ik verleer jouw stem aan de mijne
hoog aan mijn huig.
We slikken samen de stilte.

Als ik jou zie wil ik geloven
in dubbelgangers en ontheemden
hoe jij je in mij herinnert
hoe onze lippen lucht zoeken.
We beademen ons zelf
in tweevoud.


© Steven Graauwmans


Uit de cyclus Boy’s Night, Lofzangen en brieven voor een BPM*
(* BPM is de Beautiful Perfect Mother uit 'Brooklyn Follies' van Paul Auster)

Meer info: Steven Graauwmans: 6 gedichten uit "De Tranen van Napoleon"

FL#5
FL#9
FL#16
BR#4
BR#5


vrijdag 5 juli 2013

Steven Graauwmans - BR#4



BR#4


Geen kaarslicht kan de vleugels
van je neus aan als een vlinder
geen maan je schaduw in het bos
geen gefluister niet
je naam tussen mijn lippen
de gemeden offerande aan je naakte voeten.

Zo ik jou mijn laffe woord niet schenk
zo ik hulpeloos naar je vingers grijp
om niet te vallen zie je me
tot nooit meer wuiven.
Ik luister je hart af, vertaal het in mijn dagen
zo niemand onze namen in goud slaat.

Hoe de verzonnen zonde in de ogen
onderaan je rug schuilt, de gepolijste kromming
waar je kaakbeen je hals volgt
daar waar je bil tussen je passen
mijn angst jaagt om de geur
van een zoetzure bloesem.


© Steven Graauwmans


Uit de cyclus Boy’s Night, Lofzangen en brieven voor een BPM*
(* BPM is de Beautiful Perfect Mother uit 'Brooklyn Follies' van Paul Auster)

Meer info: Steven Graauwmans: 6 gedichten uit "De Tranen van Napoleon"

FL#5
FL#9
FL#16

donderdag 4 juli 2013

Steven Graauwmans - FL#16



FL#16


Ik word geen kind meer rond de grond
waar je nooit verloren loopt (blijf doorgaan)
met ander bloed door hoogsteigen aders
met slagen die je eeuwen noemt
met ochtenden die nooit ophouden.

Ik word geen danser meer
op duinen die onder me opwaaien
tot verder dan golven slaan,
ik zwem naar het eiland met de clown
weer hinterlanden in.

Nu het zand in mijn knieën schuurt
help ik kleine voeten door fabels
op strandkastelen die tussen kleutertenen spoelen.
Ik vertel me verder
nu ik niet langer dans, nu ik

geen zoon meer word.


© Steven Graauwmans


Uit de cyclus Superbia, Flarden uit gesprekken tussen vaderfiguren

Meer info: Steven Graauwmans: 6 gedichten uit "De Tranen van Napoleon"

FL#5
FL#9

woensdag 3 juli 2013

Steven Graauwmans - FL#9



FL#9


De moeder wil in een land wonen
waar niemand haar kent
waar ze achter gesloten deuren kan bloeden
waar niemand het wellen stelpt.
Ze wil tussen lucht verdwijnen
tussen barsten in de rots
weer naar haar middenaarde waren.

In het vuur glimt haar blote huid
waar zich dromen en demonen houden,
in de schaduw van haar zwetend hart
verschonen we ons van achterklap.
Ze rolt een kei als een huis
voor de ingang
zet zich.

Ze wil in een wereld wonen zonder geluid
zonder muziek voor wonderkinderen.
Ze wil haar kind houden
in haar tweedelig hart.
Het licht achter haar ogen valt samen
met het geluid dicht van het doek.
Daarna valt ook dat stil.


© Steven Graauwmans


Uit de cyclus Superbia, Flarden uit gesprekken tussen vaderfiguren

Meer info: Steven Graauwmans: 6 gedichten uit "De Tranen van Napoleon"

FL#5

dinsdag 2 juli 2013

Steven Graauwmans - FL#5



FL#5


Ik vlucht in een kamer zonder naam
zonder muren zonder vloeren.
Ik vlucht in een kamer zonder dak
zonder architect zonder trauma.
Ik lever me uit aan barmeisjes
laat de lakens.

Wij halen nooit de winter
in dit ontarmde land.
Wij houden ons aan de regels,
boeien ons aan de reling.
Wij sterven weer als foetussen
in de schoot van jongere moeders.
Wij verlaten ons op de nar.

Wij checken mensen af
zonder pardon of medeleven
(een rug stelt geen vragen.)
Wij wachten niet,
hernieuwen geen geloften.
Wij delen ook
onze doden.


© Steven Graauwmans


Uit de cyclus Superbia, Flarden uit gesprekken tussen vaderfiguren

Meer info: Steven Graauwmans: 6 gedichten uit "De Tranen van Napoleon"

maandag 1 juli 2013

Steven Graauwmans – 6 gedichten uit “De tranen van Napoleon”

Vanaf morgen en in de loop van de komende week hebben we op deze Digther-bladzijden het genoegen om 6 gloednieuwe gedichten van Steven Graauwmans te publiceren.

Drie uit de cyclus Boys ’Night (Lofzangen en brieven voor een BPM) en drie uit de cyclus Superbia (Flarden uit gesprekken tussen vaderfiguren).

Steven Graauwmans woont en werkt in Brussel. Eerder verschenen van hem de bundels Uitzicht Lotto (Holland, 2006), Reservisten van maandag (2009) en In een blauwe zon (2012). Deze twee laatste bundels verschenen bij het Poëziecentrum onder redactionele leiding van Hedwig Speliers. Over Reservisten van maandag schreef Paul Demets in De Morgen: ‘Het is een werkelijkheid waarin de protagonisten in zijn universum naar hun plaats zoeken. Graauwmans ontwikkelt er een eigenzinnig idioom voor’, ‘Hij is [...] de soldaat van taal die voor weerbaarheid strijdt.’ Eerder noteerden we in een recensie die Frank Decerf voor Digther over In een blauwe zon schreef, ondermeer deze staande uitdrukking “Het onheilspellende karakter van de schriftuur houdt ons waakzaam”. De volledige Digther-recensie vind je overigens hier.

© foto: Jorge Rojas

zondag 23 juni 2013

Taal is maar een model

In het voorwoord van Na de punt (Asterion) citeert Dautzenberg Jorge Luis Borges, die in zijn verhaal Het huis van Asterion de Griekse koning Asterion laat zeggen: “Net als de filosofen denk ik dat niets mededeelbaar is via de schrijfkunst.” ‘We leven in een tijd waarin het beeld bepalend is en in toenemende mate randvoorwaarden stelt aan het geschreven woord’, zegt Dautzenberg. ‘Vergelijk de kranten en tijdschriften van nu met die van pakweg twintig, dertig jaar geleden. Meer foto’s, minder tekst, schreeuwerige koppen en streamers. De opkomst van internet werkt daar natuurlijk aan mee: een bulk aan informatie, je moet in een oogopslag kunnen shiften. Met deze bundel probeer ik buiten de schrijfkunst om een literaire wereld te evoceren. Taal is uiteindelijk ook maar een model.’

Vindplaats: "Interview met A.H.J. Dautzenberg: 'Volgens mij heeft poëzie geen grenzen' op Stille Suikers

Website A.H.J. Dautzenberg

(Rubriek: Citaat)

maandag 17 juni 2013

Adagium

Ik huldig het adagium van de net overleden grote poëziecriticus Hans Groenewegen: ‘Als openbaar lezer is de recensent een voorlezer. Dan heeft hij de plicht er voorbeeldig op in te gaan. Poëzie die hem niet bevalt, zou hij niet moeten veroordelen, maar zien als een mogelijkheid om inzicht te krijgen op zijn eigen vooroordelen. Anders verdient zijn kritiek een onvoldoende.’ Bovendien geloof ik in de recensietechniek van Marnix Gijsen. Hij kon een hele bundel slecht vinden, maar dan ingaan op dat ene gedicht dat goed was. De schrijver over poëzie moet enthousiasmeren, niet zijn eigen dada’s naar voren schuiven. Als je dat standpunt huldigt, geloof ik dat het ook in mijn functie mogelijk blijft om poëzie te bespreken.

Carl De Strycker over het recenseren van poëzie in Knack – Boeken – ma 17/6/2013 - 'Poëzie in Vlaanderen is méér dan poëzieverkoop'

Rubriek: Citaat

donderdag 13 juni 2013

Een gedicht is een gedicht

Wat is de definitie van poëzie? Een van de meest pragmatische en best hanteerbare antwoorden op deze vaak gestelde vraag is van de vroegere Amsterdamse hoogleraar Redbad Fokkema. ‘Een gedicht is een gedicht,’ zei hij, ‘als het er uitziet als een gedicht en is uitgegeven in Amsterdam.’ Alle andere definities zijn aanmerkelijk onpraktischer, dat moet gezegd. Meestal komen ze neer op variaties van de opvatting dat poëzie gemarkeerde taal is. Daarmee wordt bedoeld dat het bijzondere taal is, die opzettelijk afwijkt van alledaagse taal. Het is taal die wil opvallen, taal 2.0. Er is iets aan toegevoegd.

Op NRC-Boeken: Waarom Kira Wuck de C. Buddingh’-prijs moet winnen.

Rubriek: Citaat

woensdag 5 juni 2013

55-Fiction - Nog tot 19/6 - Wat jij?

maandag 20 mei 2013

Omwille van het bloed - Suzanne Binnemans

(Rubriek: Uit de toevloed)



Suzanne Binnemans overrompelt haar lezers niet met snel opeenvolgende publicaties. Ze is eerder bescheiden. Zij serveert kieskeurige kwaliteit waarbij goede smaak en strenge afwegingen kenmerkend krachtig zijn. Wat zij schrijft is doorwerkt. Bij haar is trage tijd een onderdeel van de opdracht als schrijfster. Haast kent zij niet, ook haar gedichten volgen die visie. Met Omwille van het bloed krijgen we een keurige bundel in handen en bij het lezen valt al vlug op dat we hier te maken hebben met tedere poëzie die een strakke lijn trekt doorheen wat een doorworsteld leven moet zijn geweest. Deze bundel is geen potpourri, geen amalgaam van gedichten die gedwongen worden onder één dak samen te wonen. Bij Binnemans is het boek één geheel. De dichteres kijkt naar wat voorbij is. Die analyses groeiden uit tot een bundel van 27 gedichten, verspreid over drie cycli. Haar verzen bestaan uit afgebeitelde woorden die via uitverkoren metaforen tot een duidelijke poëtica leiden. Sterke visualisatie. Oude wonden worden opnieuw geopend, maar enkel om een totale genezing mogelijk te maken. Na 25 jaar schrijverschap is dit Suzanne Binnemans’ rijpe debuutbundel.

De verzoeking

In deze cyclus herleeft de auteur de (wan)daden van de vaderfiguur. Hoe dichter zijn einde komt, hoe vergevingsgezinder de dichteres wordt. Hier is geen plaats voor afrekeningen, wel voor inzicht en mede voelen. Zij begrijpt het waarom en hervindt respect. Geen plaats voor woede, wel veel ruimte voor ingetogen klasse. Een dieptreffende cyclus. Een erkenning van hoe moeilijk een mens soms strijden moet.


3.

het werd een droeve reis
niemand voer met hem mee
opgesloten in een zinkend schip
zelden was er kalme zee

hij heeft nooit om hulp geroepen
ondanks de laster en de pijn
onder zijn bevende ledematen
alleen uit onmacht riep hij even

toen hij nog jong was
ging alles aan hem voorbij
elke dag was anders en niets
bleef langer dan de dag zelf

spijt doet hem nu rillen
koude dringt door tot op het bot


Belofte en schuld

Het toevallig vinden van een foto opent een sluis aan herinneringen. Voorbij gewaande emoties treden op de voorgrond en eisen de aandacht. Vanuit dat perspectief herschrijft Suzanne Binnemans een fase uit haar leven. Daarbij bespeelt zij alle storende elementen die krachtig in haar onderbewustzijn gegraveerd zijn; deze opborrelende associaties worden de hulpmiddelen om deze cyclus op te bouwen. Hier is meer dan nostalgie aan de gang, hier krijgen we het getuigenis van in de tijd bevroren emoties. De loze beloften om met het drinken te stoppen, breken de valse eerlijkheid open. De dichteres voelt weer aan en gelukkig is er nergens plaats voor meligheid. Nergens passages die herkenbaar zijn of aan iemand anders doen denken. Een eigen stijl en taalgebruik, dat vind ik bij Binnemans. Haar woorden zoeken eenvoud, vinden schoonheid.

De verzoening

Het naderende einde wordt beschreven in gestroomlijnde verzen waar geen woord teveel is en in die afslanking wordt de kracht versterkt. Met weinig zegt Suzanne Binnemans heel veel. Hoe dan ook overwint in dit werk de liefde voor de vader. De dichteres vermenselijkt het warmste gevoel dat een mens kan voortbrengen, namelijk de solidariteit met diegene die het minder goed heeft. Ook daarom vind ik Omwille van het bloed een heel humane bundel.
De stijl van Suzanne Binnemans is een eigen concept voor nu al volwassen gedichten die traag gerijpt zijn tot tijdsloze getuigenissen. Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat dit een debuutbundel is.


Omwille van het bloed, Suzanne Binnemans
Uitgeverij De Knipscheer, Haarlem, 2013
ISBN 9789062658107
Pagina's: 40
Prijs: 15 Euro

Meer info: website auteur: www.suzannebinnemans.be


Recensie: Frank Decerf (mei 2013)