Vanaf morgen en in de loop van de komende week hebben we op deze Digther-bladzijden het genoegen om 6 gloednieuwe gedichten van Steven Graauwmans te publiceren.
Drie uit de cyclus Boys ’Night (Lofzangen en brieven voor een BPM) en drie uit de cyclus Superbia (Flarden uit gesprekken tussen vaderfiguren).
Steven Graauwmans woont en werkt in Brussel. Eerder verschenen van hem de bundels Uitzicht Lotto (Holland, 2006), Reservisten van maandag (2009) en In een blauwe zon (2012). Deze twee laatste bundels verschenen bij het Poëziecentrum onder redactionele leiding van Hedwig Speliers. Over Reservisten van maandag schreef Paul Demets in De Morgen: ‘Het is een werkelijkheid waarin de protagonisten in zijn universum naar hun plaats zoeken. Graauwmans ontwikkelt er een eigenzinnig idioom voor’, ‘Hij is [...] de soldaat van taal die voor weerbaarheid strijdt.’
Eerder noteerden we in een recensie die Frank Decerf voor Digther over In een blauwe zon schreef, ondermeer deze staande uitdrukking “Het onheilspellende karakter van de schriftuur houdt ons waakzaam”. De volledige Digther-recensie vind je overigens hier.
© foto: Jorge Rojas
maandag 1 juli 2013
zondag 23 juni 2013
Taal is maar een model
In het voorwoord van Na de punt (Asterion) citeert Dautzenberg Jorge Luis Borges, die in zijn verhaal Het huis van Asterion de Griekse koning Asterion laat zeggen: “Net als de filosofen denk ik dat niets mededeelbaar is via de schrijfkunst.” ‘We leven in een tijd waarin het beeld bepalend is en in toenemende mate randvoorwaarden stelt aan het geschreven woord’, zegt Dautzenberg. ‘Vergelijk de kranten en tijdschriften van nu met die van pakweg twintig, dertig jaar geleden. Meer foto’s, minder tekst, schreeuwerige koppen en streamers. De opkomst van internet werkt daar natuurlijk aan mee: een bulk aan informatie, je moet in een oogopslag kunnen shiften. Met deze bundel probeer ik buiten de schrijfkunst om een literaire wereld te evoceren. Taal is uiteindelijk ook maar een model.’
Vindplaats: "Interview met A.H.J. Dautzenberg: 'Volgens mij heeft poëzie geen grenzen' op Stille Suikers
Website A.H.J. Dautzenberg
(Rubriek: Citaat)
Vindplaats: "Interview met A.H.J. Dautzenberg: 'Volgens mij heeft poëzie geen grenzen' op Stille Suikers
Website A.H.J. Dautzenberg
(Rubriek: Citaat)
maandag 17 juni 2013
Adagium
Ik huldig het adagium van de net overleden grote poëziecriticus Hans Groenewegen: ‘Als openbaar lezer is de recensent een voorlezer. Dan heeft hij de plicht er voorbeeldig op in te gaan. Poëzie die hem niet bevalt, zou hij niet moeten veroordelen, maar zien als een mogelijkheid om inzicht te krijgen op zijn eigen vooroordelen. Anders verdient zijn kritiek een onvoldoende.’ Bovendien geloof ik in de recensietechniek van Marnix Gijsen. Hij kon een hele bundel slecht vinden, maar dan ingaan op dat ene gedicht dat goed was. De schrijver over poëzie moet enthousiasmeren, niet zijn eigen dada’s naar voren schuiven. Als je dat standpunt huldigt, geloof ik dat het ook in mijn functie mogelijk blijft om poëzie te bespreken.
Carl De Strycker over het recenseren van poëzie in Knack – Boeken – ma 17/6/2013 - 'Poëzie in Vlaanderen is méér dan poëzieverkoop'
Rubriek: Citaat
Carl De Strycker over het recenseren van poëzie in Knack – Boeken – ma 17/6/2013 - 'Poëzie in Vlaanderen is méér dan poëzieverkoop'
Rubriek: Citaat
donderdag 13 juni 2013
Een gedicht is een gedicht
Wat is de definitie van poëzie? Een van de meest pragmatische en best hanteerbare antwoorden op deze vaak gestelde vraag is van de vroegere Amsterdamse hoogleraar Redbad Fokkema. ‘Een gedicht is een gedicht,’ zei hij, ‘als het er uitziet als een gedicht en is uitgegeven in Amsterdam.’ Alle andere definities zijn aanmerkelijk onpraktischer, dat moet gezegd. Meestal komen ze neer op variaties van de opvatting dat poëzie gemarkeerde taal is. Daarmee wordt bedoeld dat het bijzondere taal is, die opzettelijk afwijkt van alledaagse taal. Het is taal die wil opvallen, taal 2.0. Er is iets aan toegevoegd.
Op NRC-Boeken: Waarom Kira Wuck de C. Buddingh’-prijs moet winnen.
Rubriek: Citaat
Op NRC-Boeken: Waarom Kira Wuck de C. Buddingh’-prijs moet winnen.
Rubriek: Citaat
woensdag 5 juni 2013
55-Fiction - Nog tot 19/6 - Wat jij?
Schrijf een verhaal van max 55 woorden. Herman Brusselmans trapt de verhalenwedstrijd af: 55-fiction #joos radio1.be/programmas/joo…
— Radio 1 (@radio1be) June 3, 2013
maandag 20 mei 2013
Omwille van het bloed - Suzanne Binnemans
(Rubriek: Uit de toevloed)

Suzanne Binnemans overrompelt haar lezers niet met snel opeenvolgende publicaties. Ze is eerder bescheiden. Zij serveert kieskeurige kwaliteit waarbij goede smaak en strenge afwegingen kenmerkend krachtig zijn. Wat zij schrijft is doorwerkt. Bij haar is trage tijd een onderdeel van de opdracht als schrijfster. Haast kent zij niet, ook haar gedichten volgen die visie. Met Omwille van het bloed krijgen we een keurige bundel in handen en bij het lezen valt al vlug op dat we hier te maken hebben met tedere poëzie die een strakke lijn trekt doorheen wat een doorworsteld leven moet zijn geweest. Deze bundel is geen potpourri, geen amalgaam van gedichten die gedwongen worden onder één dak samen te wonen. Bij Binnemans is het boek één geheel. De dichteres kijkt naar wat voorbij is. Die analyses groeiden uit tot een bundel van 27 gedichten, verspreid over drie cycli. Haar verzen bestaan uit afgebeitelde woorden die via uitverkoren metaforen tot een duidelijke poëtica leiden. Sterke visualisatie. Oude wonden worden opnieuw geopend, maar enkel om een totale genezing mogelijk te maken. Na 25 jaar schrijverschap is dit Suzanne Binnemans’ rijpe debuutbundel.
De verzoeking
In deze cyclus herleeft de auteur de (wan)daden van de vaderfiguur. Hoe dichter zijn einde komt, hoe vergevingsgezinder de dichteres wordt. Hier is geen plaats voor afrekeningen, wel voor inzicht en mede voelen. Zij begrijpt het waarom en hervindt respect. Geen plaats voor woede, wel veel ruimte voor ingetogen klasse. Een dieptreffende cyclus. Een erkenning van hoe moeilijk een mens soms strijden moet.
3.
het werd een droeve reis
niemand voer met hem mee
opgesloten in een zinkend schip
zelden was er kalme zee
hij heeft nooit om hulp geroepen
ondanks de laster en de pijn
onder zijn bevende ledematen
alleen uit onmacht riep hij even
toen hij nog jong was
ging alles aan hem voorbij
elke dag was anders en niets
bleef langer dan de dag zelf
spijt doet hem nu rillen
koude dringt door tot op het bot
Belofte en schuld
Het toevallig vinden van een foto opent een sluis aan herinneringen. Voorbij gewaande emoties treden op de voorgrond en eisen de aandacht. Vanuit dat perspectief herschrijft Suzanne Binnemans een fase uit haar leven. Daarbij bespeelt zij alle storende elementen die krachtig in haar onderbewustzijn gegraveerd zijn; deze opborrelende associaties worden de hulpmiddelen om deze cyclus op te bouwen. Hier is meer dan nostalgie aan de gang, hier krijgen we het getuigenis van in de tijd bevroren emoties. De loze beloften om met het drinken te stoppen, breken de valse eerlijkheid open. De dichteres voelt weer aan en gelukkig is er nergens plaats voor meligheid. Nergens passages die herkenbaar zijn of aan iemand anders doen denken. Een eigen stijl en taalgebruik, dat vind ik bij Binnemans. Haar woorden zoeken eenvoud, vinden schoonheid.
De verzoening
Het naderende einde wordt beschreven in gestroomlijnde verzen waar geen woord teveel is en in die afslanking wordt de kracht versterkt. Met weinig zegt Suzanne Binnemans heel veel. Hoe dan ook overwint in dit werk de liefde voor de vader. De dichteres vermenselijkt het warmste gevoel dat een mens kan voortbrengen, namelijk de solidariteit met diegene die het minder goed heeft. Ook daarom vind ik Omwille van het bloed een heel humane bundel.
De stijl van Suzanne Binnemans is een eigen concept voor nu al volwassen gedichten die traag gerijpt zijn tot tijdsloze getuigenissen. Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat dit een debuutbundel is.
Omwille van het bloed, Suzanne Binnemans
Uitgeverij De Knipscheer, Haarlem, 2013
ISBN 9789062658107
Pagina's: 40
Prijs: 15 Euro
Meer info: website auteur: www.suzannebinnemans.be
Recensie: Frank Decerf (mei 2013)

Suzanne Binnemans overrompelt haar lezers niet met snel opeenvolgende publicaties. Ze is eerder bescheiden. Zij serveert kieskeurige kwaliteit waarbij goede smaak en strenge afwegingen kenmerkend krachtig zijn. Wat zij schrijft is doorwerkt. Bij haar is trage tijd een onderdeel van de opdracht als schrijfster. Haast kent zij niet, ook haar gedichten volgen die visie. Met Omwille van het bloed krijgen we een keurige bundel in handen en bij het lezen valt al vlug op dat we hier te maken hebben met tedere poëzie die een strakke lijn trekt doorheen wat een doorworsteld leven moet zijn geweest. Deze bundel is geen potpourri, geen amalgaam van gedichten die gedwongen worden onder één dak samen te wonen. Bij Binnemans is het boek één geheel. De dichteres kijkt naar wat voorbij is. Die analyses groeiden uit tot een bundel van 27 gedichten, verspreid over drie cycli. Haar verzen bestaan uit afgebeitelde woorden die via uitverkoren metaforen tot een duidelijke poëtica leiden. Sterke visualisatie. Oude wonden worden opnieuw geopend, maar enkel om een totale genezing mogelijk te maken. Na 25 jaar schrijverschap is dit Suzanne Binnemans’ rijpe debuutbundel.
De verzoeking
In deze cyclus herleeft de auteur de (wan)daden van de vaderfiguur. Hoe dichter zijn einde komt, hoe vergevingsgezinder de dichteres wordt. Hier is geen plaats voor afrekeningen, wel voor inzicht en mede voelen. Zij begrijpt het waarom en hervindt respect. Geen plaats voor woede, wel veel ruimte voor ingetogen klasse. Een dieptreffende cyclus. Een erkenning van hoe moeilijk een mens soms strijden moet.
3.
het werd een droeve reis
niemand voer met hem mee
opgesloten in een zinkend schip
zelden was er kalme zee
hij heeft nooit om hulp geroepen
ondanks de laster en de pijn
onder zijn bevende ledematen
alleen uit onmacht riep hij even
toen hij nog jong was
ging alles aan hem voorbij
elke dag was anders en niets
bleef langer dan de dag zelf
spijt doet hem nu rillen
koude dringt door tot op het bot
Belofte en schuld
Het toevallig vinden van een foto opent een sluis aan herinneringen. Voorbij gewaande emoties treden op de voorgrond en eisen de aandacht. Vanuit dat perspectief herschrijft Suzanne Binnemans een fase uit haar leven. Daarbij bespeelt zij alle storende elementen die krachtig in haar onderbewustzijn gegraveerd zijn; deze opborrelende associaties worden de hulpmiddelen om deze cyclus op te bouwen. Hier is meer dan nostalgie aan de gang, hier krijgen we het getuigenis van in de tijd bevroren emoties. De loze beloften om met het drinken te stoppen, breken de valse eerlijkheid open. De dichteres voelt weer aan en gelukkig is er nergens plaats voor meligheid. Nergens passages die herkenbaar zijn of aan iemand anders doen denken. Een eigen stijl en taalgebruik, dat vind ik bij Binnemans. Haar woorden zoeken eenvoud, vinden schoonheid.
De verzoening
Het naderende einde wordt beschreven in gestroomlijnde verzen waar geen woord teveel is en in die afslanking wordt de kracht versterkt. Met weinig zegt Suzanne Binnemans heel veel. Hoe dan ook overwint in dit werk de liefde voor de vader. De dichteres vermenselijkt het warmste gevoel dat een mens kan voortbrengen, namelijk de solidariteit met diegene die het minder goed heeft. Ook daarom vind ik Omwille van het bloed een heel humane bundel.
De stijl van Suzanne Binnemans is een eigen concept voor nu al volwassen gedichten die traag gerijpt zijn tot tijdsloze getuigenissen. Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat dit een debuutbundel is.
Omwille van het bloed, Suzanne Binnemans
Uitgeverij De Knipscheer, Haarlem, 2013
ISBN 9789062658107
Pagina's: 40
Prijs: 15 Euro
Meer info: website auteur: www.suzannebinnemans.be
Recensie: Frank Decerf (mei 2013)
zaterdag 11 mei 2013
Naar Auschwitz willen - 5 gedichten van Hugo Verstraeten
Naar Auschwitz willen
Het waren ochtenden zonder verweer. Hij
schreef iets in kantlijnen. Taal vluchtte het
verdriet achterna. Het kreeg iets aandoenlijks.
Er was geen terugkeren aan en dan nog zat hij
gevangen achter de tralies in zijn hoofd.
Zijn pen kraste schaduwen langs invallend
licht. Langs dichtzittende ramen waartegen
affiches, dat wel: concerten, voorstellingen
waaruit ontsnappen weer mogelijk was. Hij
op de eerste rij wanneer het melancholie betrof.
Wanhoop uit opengesperde ogen, uitgestrekte
armen. Altijd de macabere gezichten. Onheil
spellend op hun dunne lippen van verval. En dan
hij: er is geen lente, laten we de zomers overslaan.
Laat het winters sneeuwen uit het behang.
I.
Zo begonnen de feesten: hij
zocht wit bij elkaar, de stilste
onder de kleuren. Daarop zwart
‘Op zijn pinguins’, lachte zij de ernst
van zijn gezicht. Alleen de vorm
kon hem nog redden. Feesttafels
gedekt voor de honger in hem.
Toeloop van fragmenten. Lege
rituelen van opstaan, weggaan.
Zij bleef maar blijven. Alles voor
de vorm. Eten met de mond
dicht. Spreken met de twee
woorden die hij nog kende.
II.
Boeken leken hem nog het veiligste
onderkomen. Om van de wijn de vorm
te herstellen brak hij het glas.
Van ogen het verslag. Blik die rondom
moest kijken. Of zij niet languit
in de matte spiegels lag.
Vliegen bij gebrek aan vleugels, zo
leek het wel. Hij wist niets van glijvlucht,
zachte thermiek. Duikvlucht
waarna het hard aankomen was. Hij
las de woorden één na één.
Alsof hij ze at.
(Gibraltar)
Laat het nu maar ophouden. Het klonk
als het gebod van een almachtige God.
Hij stak het gebaar in de richting van
het onvoltooide. Probeerde de razernij
te bedwingen van branding, onderstroom.
Achtergrond van wat niet naar de voorgrond
wilde. Maar het hield niet op. Hij was de
mindere God. Eén die zich van continent
vergiste en op de kaart de namen niet vond
van straten die naar vrouwen werden
genoemd. Hij telde de uren op de vingers
van de tijd. Lachte naar nu: van toen
het onvatbare later. Sprak zacht een naam.
Murmelde aan zijn oor iets over oceanen.
Stak kiezels in zijn mond. Schreeuwde
zijn onmacht in de schelpen die hij vond.
Sporen
Boom. Heimwee van een bos.
Woorden. Het gedicht als een arm
er omheen geslagen.
Perspectief van een morgen.
Het kopje op de tafel deed een tweede poging te breken.
Stilleven met verlies
Van wat we toch nooit hadden.
Sneeuw verstuift als verlangen
naar niets bijzonders. Wat hier is
is al weg en ik eet en ik slik:
niets houdt ons vast
niets neemt ons over.
© Hugo Verstraeten
(Rubriek: 'Werk van de redactie')
vrijdag 10 mei 2013
Gedachten aan haar
Ze komt altijd op jou terug. Ze laat zich herhalen in jou.
Je herhaalt haar en ze laat jou niet los in je gedachten.

Uit: 'Gedachten aan haar' - Alain Delmotte - een poster van Poëzieplein uit 2008... Ook op Facebook.
Rubriek: ('Werk van de redactie')
Je herhaalt haar en ze laat jou niet los in je gedachten.

Uit: 'Gedachten aan haar' - Alain Delmotte - een poster van Poëzieplein uit 2008... Ook op Facebook.
Rubriek: ('Werk van de redactie')
dinsdag 30 april 2013
Verdwijnzucht- vijf gedichten van Leen Charles
NOODLOT
Hij ontwaakt in koningsblauw
het licht is inkt en chroom
hij ontwaakt, hij ontwaakt
en een slordige wildheid toont
een jonge god die nog in spiegels gelooft
hij ontwaakt, hij ontwaakt
in een hallucinerend universum en weet,
ook bange mensen krijgen slaag
een enkeling ontsnapt in de klauwen van een adelaar,
hij niet, hij niet
SPRINGEN
ze hunkert schrijnend naar de 17de eeuw
waar de tijd tergend traag over de muren strijkt
de geuren van een knoestige appelboom, rottend hooi
en oude kleren waaruit de doden nog niet zijn weggegaan
ze wil aan de rand van dat verleden staan en dan springen
naar het gedempte, heilige zijn
naar waar de stilte klinkt als een hoge fluittoon
en het rode licht rond port als een pook van vuur
ze wil oplossen in een tijd die achteruit loopt in rode tegelvloeren,
dansend stof, een biezen stoel en dromen van hevige liefde
PORSELEINEN PEUTERS
de adem van de wereld raast door merg en been
hoofd en hand en houdt nooit stil
alles is gedurig, parels en penselen, schuld en boete
vergeten kastelen,
porseleinen peuters uit de geschiedenis
omhoog gedregd
hij staat op het punt te stappen uit de steen geworden tijd
het is een leugen dat alles slijt, tussen zee en stad
ligt gehavend mijn leeg land
LEKKEND LICHT
de zon maakt de ochtend koud,
met topless bomen en skeletten van vogels
plastic velden en zwijnendrek
de natuur loopt naar haar einde
dat is ons lot
de tijd staat weer gevaarlijk open
ik droom van oceanen en duivels
een woonboot vaart hoog boven de velden
het huis schreeuwt rondom mij
het is niet anders, het licht lekt weg
WOORDENVANGER
soms laat hij de tijd slobberen als een oude sok
dan pas kan hij rustig reizen naar waar de stilte staat
een zuil van zout in zijn binnenste kant
daar sprokkelt hij woorden en twijgjes voor het vagevuur
van lange winteravonden vol kwelling
en onnoembaar groot verlangen naar tijd te zijn
hij herschrijft de kleine chronologie, de intieme afrekening
met klimop die woekert op een overgroeide muur, zo lang al,
tot iets zijn gedachten afdekt en het leven afremt
hij verlangt te verdwijnen, nog steeds, uit het gezicht
hij heeft last van zijn verschijning in andere ogen
hij wil dat punt van wanhoop bereiken en dan oplossen
© Leen Charles
Leen Charles (Ieper, 1960) debuteerde in 2011 met de bundel Ancien Regime bij Uitgeverij P (Leuven). In 1987 was zij met het gedicht Japanse lente laureate van de Hamse Lente (Dendermonde). Eén van haar gedichten is opgenomen in de bundel De 100 beste gedichten voor de VSB poëzieprijs 2012 (Arbeiderspers).
Meestal illustreert zij zelf haar gedichten met tekeningen. Zij studeerde middeleeuwse geschiedenis en is archivaris van beroep. Beroepshalve en filosofisch is zij geboeid door het fenomeen van de tijd.
vrijdag 29 maart 2013
Jezus spelen - Vier gedichten van Maarten Embrechts
Onze Vader
Ik kan geen onze vader zeggen
Slechts in de schoot van zijn zonen
kunnen mijn zonden sterven
De moeders
hun heilig water
moest me naar andere oevers
brengen
Helaas
ze keerden weer naar huis
en leren mores
in zijn bed
Veel honger heb ik opgeteld
Ik kan alleen de voornaam van de liefde
schrijven
Ik heb nog niet geleefd
Zijn naam
I
Dat ik zijn naam korter schrijf het kan
alleen de fout van moeder of van Maria
zijn Ze hangen aan de muur als heiligen
Met hun water gaan we naar huis Kuis
moeten maagden blijven Zo is het met
moeders Ze vertrouwen amper op zich-
zelf als God even niet in hun zieltje kijkt
Ik ben het kind dat slechts hun daglicht
kent Steels test ik hun schaduwzijde uit
II
Met hun schoenen aan ben ik op weg
Waarom zou ik niet van Jezus houden
De wereld ligt daar veel groter dan zij-
zelf Ik ruik aan hem Zijn lijf geschonden
hangt in al hun kerken uit Hun nacht is
als een open wonde die ik niet begrijp
Waarom zou ik niet van Jezus houden
En als zijzelf een beetje bloeden ikzelf
‘s nachts voor duizend en één zonden
Jezus spelen
Het hangt hier vol
met vlees
dat van Rubens
is het mooist
Zijn lichaam wil ik
Maar niet zijn God
Let maar eens op Alleen in onze kerken hangt
Er verhakkeld vlees Niet in de moskee
of in het huis van Jahwe
Hier alleen spelen ze
voor dokter met een mes
Ze hebben me al uitgekleed
Het was niet veel
Voor boven is een moeder
goed
God is pas lager aan de orde
Hij werkt met kerels die het ijzer smeden
Want
ook al is-ie al morsdood
zijn naam zullen wij schreeuwen
© Maarten Embrechts
Bio-Biblio
Maarten Embrechts (°1946).
Publiceerde sinds 2008 achtereenvolgens in Meander, De Brakke Hond, Het Liegend Konijn, Digther en De Contrabas. In 2010 en 2011 werd hij genomineerd voor de Melopeeprijs. In juli 2012 nam hij deel aan het poëziefestival Dichters in Prinsentuin in Groningen.
donderdag 7 maart 2013
Drie gedichten uit “Tot het bestaat” – Paul Rigolle
Vrede
Sonoor en nodig de zang die zich te pletter
zingt; voortholt, hooglied dat heidens heftig
tekeer moet gaan in alle zinnen. Het haar
dat openvalt, de hals die kantelt naar de beet.
Roder aangezet de lippen waarop vervoering
bloeit en om voltooiing smeekt. Geef
het vorm, geef het namen. Noem het taal
en teken, klauwaapje, beeld dat spoken moet
en schreeuwen: kooi mij, breek mij open,
bekroon mij met de laveloze luister
van mijn lichaam. Vind mij uit. Hervind mij.
Verstrooi mij over de dorpen en de dingen.
Want zijn wil ik. Zijn in alle staten waar
de laatste wilden wonen en volop
vrede vinden met hun eigen handen.
(uit de cyclus 'Hooglied')
Gezelle
Een hoofd dat groter is, heeft de tijd hem
met de hand, in zijn kleed van taal genaaid.
De eeuw die knelt. Met totem en taboe,
met turbo en tactiek, de eeuw heeft hem
leeggeroofd. Pitten op de tong, handen
in het kroos. Misboek, nageldeuntjes,
taal haakt en hinkelt zich een weg.
Een stem die totaal en teugel tomeloos
een wereld die enkel op papier bestaat,
weer tot leven zingt, wie zal zeggen
dat ze niet bestaat.
Lavendel moet je kneuzen om zijn geur.
Er zijn huizen, het gebeurt.
(uit de cyclus 'De Galerij')
Recanati
(Denkend aan Wallace Stevens)
Het maakt een verschil van jaren.
Hier, neergestreken in dit oude oord
dat Recanati heet, bewoon ik het landschap
van voor de regen terwijl thuis
de struiken in mijn kamer groeien.
Het hoofd te bieden aan wat voorafging, Wallace!
Het leven blijft ons voorgaan in wat we zijn
begonnen. De stukken die we hebben
weggenomen, voegen we jaren later opnieuw
aan onze archieven toe tot we denken
iets nieuws te hebben uitgevonden.
Het een draai te geven, tot slot! Een krul
in een geschrift. Vol ontzag te buigen!
Omdat niets voorspelbaar is, wordt alles
waargemaakt in wat er staat geschreven.
(uit de cyclus 'Ver weg in Europa')
“Tot het bestaat” is de nieuwste dichtbundel van Paul Rigolle. De bundel werd met Gedichtendag 2013 uitgegeven door uitgeverij De Vries-Brouwers. Dit in nauwe samenwerking met de stad Roeselare, de geboortestad van de dichter. De bundel werd op 30 januari 2013 voorgesteld in de Roeselaarse deelgemeente Rumbeke.
Rubriek: Werk van de Digther-redactie
zondag 6 januari 2013
Braziliaans blauw - Joris Iven
(Rubriek: Uit de toevloed)
Joris Iven is dichter-vertaler of is hij integendeel vertaler-dichter? Wat er ook van zij deze man is van alle markten thuis en zeer actief. Hij duikt met de regelmaat van een fraudeschandaal in het literaire landschap op. Zijn naam klinkt als een huismerk. Zijn laatste product heet Braziliaans blauw en ik mocht er even van proeven.
In de eerste cyclus - met dezelfde titel als de bundel – serveert Iven zes gedichten die telkens onderverdeeld zijn in vijf delen. Daarin houdt de dichter streng vast aan de geplande structuur. Er is orde en evenwicht. In de daaropvolgende cyclus met de titel Bloedrood zien we een identieke invalshoek… Daarna volgen een tiental bladzijden Aantekeningen waarin de auteur de noodzakelijke informatie over de hoofdfiguren uit de bundel aan de lezer aanbiedt. Het is broodnodig deze passages te lezen vooraleer aan de lectuur van Braziliaans blauw te beginnen. Het versterkt de boodschap die de auteur wil meegeven.
Bekentenissen van Bessie Head
aan Breyten Breytenbach
1
Je begint aan iets en je denkt : dit wordt niets.
Maar, zoals altijd, neem je je voor: ik ga door,
en je gaat ermee door tot het uit elkaar spat
in het meest zelfzekere gezicht, dat oplicht
terwijl aan tafel nog een kaart wordt gedeeld.
Jij bent ooit al je kaarten kwijtgespeeld, maar
ik ben geïmplodeerd, zoals mijn moeder deed.
Zij implodeerde in een instelling, in Fort Napier.
Ja, in Pietermaritzburg, en nog voor ik er was.
Hemel en aarde zijn één vinder, zoals je schreef.
De man naast de vogel op de rug van een paard,
die uit een celraam kijkt, dat is mijn vader niet.
Dat ben jij. Ik werd op de wereld gezet zonder
verwanten. Mijn naam draag ik wijd als een kleed.
Joris Iven brengt de confidenties van diverse artiesten, schrijvers, kunstenaars en ander aardig creatief volk. Hij verstrengelt de psyche van diverse wereldfiguren tot bekentenissen die ze in alle intimiteit menen te moeten uiten. Joris Iven gooit ze de wereld in omdat daar nood aan is. De dichter beslist en beschikt. De lezer luistert af, leert bij en snakt naar meer. Diezelfde lezer wordt gluurder. Ivens taal is koel, secuur, afgemeten, trefzeker beschrijvend en sober. Verstaanbaarheid is de kers op deze taart. Deze man schildert zijn metaforen tot mooie tableaus. Waar de broze scheidingskloof ligt tussen de historische waarheden en de losse interpretaties, die de scheppende dichter maakt, is moeilijk te bepalen, maar de gedichten kunnen verder zonder deze bezorgdheid. Het lezen van Braziliaans blauw wordt, naargelang men doorheen deze sterke bundel vordert, een luisteren naar mensen die iets te vertellen hebben, maar dat niet kunnen zonder het medium van de dichter. Deze poëzie is vrij van ballast. Aan dit boek is gewerkt. De gedichten zijn geen bevlieging van een mooi moment, geen vluggertje dat nog goed is ook. Doorheen deze verzen lopen de levenslijnen en levende littekens van mensen die beleefd en geleefd hebben. Joris Iven breit doorheen zijn nieuwste bundel: de menselijke waardigheid, de eerlijke toegeving, de aarzelende bekentenis en de moeilijkheden van het menselijk bestaan. Er zijn geen pijnlijke zwaktes in deze testamenten. Iven heeft zijn historische personages vermenselijkt. Ook hun kleine kantjes zijn de noodzakelijke kracht in deze bundel.De schoonheid van het concept is een intelligente verwerking van een zeer individuele invulling. Zo krijgen deze gedichten een grote menselijkheid. Over Braziliaans blauw is nagedacht. Aan de bundel is gekapt en geschaafd. In Braziliaans blauw treedt een verborgen wereld uit de schemer naar het daglicht van vandaag. Trefzeker vuurwerk dat ons enkel kan doen opkijken. Joris Iven vertelt vooral niet, wat we al wisten en dat wens ik alle dichters toe...
Braziliaans blauw, Joris Iven
Uitgeverij P Leuven, 2012
ISBN 978-94-91455-14-8
www.joris-iven.be
Recensie: Frank Decerf (december 2012)
Noot: Eerder werd de bundel al door bijna-naamgenoot Yves Joris besproken op deze bladzijden van Meander.
Joris Iven is dichter-vertaler of is hij integendeel vertaler-dichter? Wat er ook van zij deze man is van alle markten thuis en zeer actief. Hij duikt met de regelmaat van een fraudeschandaal in het literaire landschap op. Zijn naam klinkt als een huismerk. Zijn laatste product heet Braziliaans blauw en ik mocht er even van proeven.
In de eerste cyclus - met dezelfde titel als de bundel – serveert Iven zes gedichten die telkens onderverdeeld zijn in vijf delen. Daarin houdt de dichter streng vast aan de geplande structuur. Er is orde en evenwicht. In de daaropvolgende cyclus met de titel Bloedrood zien we een identieke invalshoek… Daarna volgen een tiental bladzijden Aantekeningen waarin de auteur de noodzakelijke informatie over de hoofdfiguren uit de bundel aan de lezer aanbiedt. Het is broodnodig deze passages te lezen vooraleer aan de lectuur van Braziliaans blauw te beginnen. Het versterkt de boodschap die de auteur wil meegeven.
Bekentenissen van Bessie Head
aan Breyten Breytenbach
1
Je begint aan iets en je denkt : dit wordt niets.
Maar, zoals altijd, neem je je voor: ik ga door,
en je gaat ermee door tot het uit elkaar spat
in het meest zelfzekere gezicht, dat oplicht
terwijl aan tafel nog een kaart wordt gedeeld.
Jij bent ooit al je kaarten kwijtgespeeld, maar
ik ben geïmplodeerd, zoals mijn moeder deed.
Zij implodeerde in een instelling, in Fort Napier.
Ja, in Pietermaritzburg, en nog voor ik er was.
Hemel en aarde zijn één vinder, zoals je schreef.
De man naast de vogel op de rug van een paard,
die uit een celraam kijkt, dat is mijn vader niet.
Dat ben jij. Ik werd op de wereld gezet zonder
verwanten. Mijn naam draag ik wijd als een kleed.
Joris Iven brengt de confidenties van diverse artiesten, schrijvers, kunstenaars en ander aardig creatief volk. Hij verstrengelt de psyche van diverse wereldfiguren tot bekentenissen die ze in alle intimiteit menen te moeten uiten. Joris Iven gooit ze de wereld in omdat daar nood aan is. De dichter beslist en beschikt. De lezer luistert af, leert bij en snakt naar meer. Diezelfde lezer wordt gluurder. Ivens taal is koel, secuur, afgemeten, trefzeker beschrijvend en sober. Verstaanbaarheid is de kers op deze taart. Deze man schildert zijn metaforen tot mooie tableaus. Waar de broze scheidingskloof ligt tussen de historische waarheden en de losse interpretaties, die de scheppende dichter maakt, is moeilijk te bepalen, maar de gedichten kunnen verder zonder deze bezorgdheid. Het lezen van Braziliaans blauw wordt, naargelang men doorheen deze sterke bundel vordert, een luisteren naar mensen die iets te vertellen hebben, maar dat niet kunnen zonder het medium van de dichter. Deze poëzie is vrij van ballast. Aan dit boek is gewerkt. De gedichten zijn geen bevlieging van een mooi moment, geen vluggertje dat nog goed is ook. Doorheen deze verzen lopen de levenslijnen en levende littekens van mensen die beleefd en geleefd hebben. Joris Iven breit doorheen zijn nieuwste bundel: de menselijke waardigheid, de eerlijke toegeving, de aarzelende bekentenis en de moeilijkheden van het menselijk bestaan. Er zijn geen pijnlijke zwaktes in deze testamenten. Iven heeft zijn historische personages vermenselijkt. Ook hun kleine kantjes zijn de noodzakelijke kracht in deze bundel.De schoonheid van het concept is een intelligente verwerking van een zeer individuele invulling. Zo krijgen deze gedichten een grote menselijkheid. Over Braziliaans blauw is nagedacht. Aan de bundel is gekapt en geschaafd. In Braziliaans blauw treedt een verborgen wereld uit de schemer naar het daglicht van vandaag. Trefzeker vuurwerk dat ons enkel kan doen opkijken. Joris Iven vertelt vooral niet, wat we al wisten en dat wens ik alle dichters toe...
Braziliaans blauw, Joris Iven
Uitgeverij P Leuven, 2012
ISBN 978-94-91455-14-8
www.joris-iven.be
Recensie: Frank Decerf (december 2012)
Noot: Eerder werd de bundel al door bijna-naamgenoot Yves Joris besproken op deze bladzijden van Meander.
zondag 23 december 2012
Dansen tot na sluitingstijd
Nu al mooi om aan te kondigen: Met Gedichtendag 2013 verschijnt bij Van Gennep de bloemlezing 'Dansen tot na sluitingstijd - Het beste uit Poëzierapport'. Het boek zal o.a. ook bijdragen bevatten van Digther-redacteurs Alain Delmotte & Paul Rigolle.
Links
Uitgeverij Van Gennep
Dansen tot na sluitingstijd bij Lettergoesting
Links
Uitgeverij Van Gennep
Dansen tot na sluitingstijd bij Lettergoesting
dinsdag 18 december 2012
Mark Braet-Poëzieprijs-Editie2-Het juryverslag
Voor de tweede editie van de Mark Braet poëzieprijs ontving het Masereelfonds 91 inzendingen. Dit was minder dan de vorige edities. Wellicht was dit te wijten aan de hoge moeilijkheidsgraad. Het opgegeven thema ‘Verontwaardiging en engagement’ deed zich minder vanzelfsprekend voor dan op het eerste gezicht leek. Een thema waarmee en waarbij men allerlei poëtische wegen uit kon. Een zeker risico viel niet uit te sluiten. Er loerde met name een gevaar. Het gevaar van het al te opdringerig expliciete dat ten koste gaat van het subtiel en taalgevoelige impliciete dat goede poëzie meestal kenmerkt.
De eerste reactie van de meeste juryleden bij heel wat van de inzendingen was dat de meeste teksten weliswaar bruisten van verontwaardiging en engagement (wat uiteindelijk als hoopgevend werd ervaren), maar dat slechts weinig inzendingen blijk konden geven van het voor poëzie levensnoodzakelijke impliciete (wat voor sommige juryleden dan weer een teleurstellende vaststelling was). Die ‘weinig inzendingen’ haalden dus wel de eindselectie.
Uit het pakket kozen de juryleden, elk voor zichzelf, tien bijdragen uit. De keuzes werden bij elkaar gevoegd en van daaruit werden naar gemeenschappelijke doorsneden gezocht. Men kwam op die manier en op basis van compromis op zes inzendingen uit. Het waren stuk voor stuk correcte bijdragen die zeker een publicatie zouden verdienen. Maar er kon maar één winnaar zijn.
In termen van ‘lengte en breedte’ was de bijdrage van Maurice Petrarca wellicht de meest opvallende. Het gedicht ‘Wegwaaiende straat’ kenmerkt zich in eerste instantie door de narratieve, zo men wil, expliciete lijn. De taal is direct, zonder franjes. Het gedicht wordt in een rechte lijn uitgesproken: eindpunten worden weggelaten, wat het gedicht een snelle vaart bezorgt - tot er in de slotregels een wrange stilte valt. De tekst getuigt van een sterke adem die het gedicht in de diepte een lyrisch, zo men wil, impliciet karakter bezorgt. Het narratieve laat zich dan als schijnbeweging zien: de eerder elegische ondertoon is alles. Verontwaardiging om verloedering en om wat verloren gaat laat zich onderhuids de schijnbaar achteloze taal aanvoelen. ‘Wat niet door mensenhanden gebeurt, is altijd minder erg’ is een versregel die de juryleden niet zo vlug zullen vergeten. Achter de schuilnaam Maurice Petrarca verschool zich Jan Posman uit Maldegem.
Het gedicht ‘Huis’ is van een heel andere teneur. De juryleden kozen duidelijk voor het voluit impliciete, voor het engagement van en in de taal. Het betreft een compact en af gedicht bestaande uit een vierregelige en twee vijfregelige strofen. Een gedicht geschreven door iemand die zich mentaal aan de rand van een ‘komma’ bevindt. Een puike maar nimmer honkvaste plek. Waar dichters wonen staat nooit iets vast – misschien is dit wel hun maatschappelijke rol: dingen in vraag stellen, dingen zich in vraag laten stellen. In dit geladen gedicht ontwaren we weinig zekerheid: de vaderfiguur wijst naar het ijle en op de achtergrond tekenen zinkende schepen en een doolhof zich af. In de spankracht van deze versregels kristalliseren zich abstract klinkende begrippen als ‘verontwaardiging’, ‘ontreddering’ en ‘vervreemding’ tot een pregnant geheel dat in alle eenvoud wordt verwoord. Maar een eenvoud die niet ten koste gaat van de complexiteit die de hoger vernoemde begrippen mee veronderstellen. Nee, dit gedicht schopt niet meteen de lezer een geweten. Maar de lezer hoort er wel een geschopt geweten in knagen. Philippe Jacobs uit Korbeek-Lo bleek zich achter het pseudoniem ‘Ennis’ te verschuilen.
Ik zei het al: er kan maar één winnaar zijn. Na een twee uur durend secuur overleg van de jury werd als winnaar uitgekozen: het gedicht ‘Huis’ van Philippe Jacobs. Het gedicht van Jan Posman ‘Wegwaaiende straten’ werd een eervolle vermelding gegund en krijgt de prijs van de stad Brugge.
Een tevreden jury feliciteert de laureaten.
(Juryverslag: Alain Delmotte)
De jury bestond uit Koen Stassijns (voorzitter), Paul Rigolle, Alain Delmotte, Lisette Keustermans en Frank De Crits.
Vic De Raeymaecker (secretaris Masereelfonds Brugge) en Bernard Desmet (directeur Masereelfonds) namen deel aan de beraadslaging, zonder beslissingsrecht.
Bernard Desmet nam de notulen van de vergadering, Alain Delmotte stond in voor dit juryverslag.
De winnende gedichten zijn hier na te lezen:
Huis van Philippe Jacobs
Wegwaaiende straten van Jan Posman
Zie ook het verslag op de bladzijden van het Masereelfonds.
De eerste reactie van de meeste juryleden bij heel wat van de inzendingen was dat de meeste teksten weliswaar bruisten van verontwaardiging en engagement (wat uiteindelijk als hoopgevend werd ervaren), maar dat slechts weinig inzendingen blijk konden geven van het voor poëzie levensnoodzakelijke impliciete (wat voor sommige juryleden dan weer een teleurstellende vaststelling was). Die ‘weinig inzendingen’ haalden dus wel de eindselectie.
Uit het pakket kozen de juryleden, elk voor zichzelf, tien bijdragen uit. De keuzes werden bij elkaar gevoegd en van daaruit werden naar gemeenschappelijke doorsneden gezocht. Men kwam op die manier en op basis van compromis op zes inzendingen uit. Het waren stuk voor stuk correcte bijdragen die zeker een publicatie zouden verdienen. Maar er kon maar één winnaar zijn.
In termen van ‘lengte en breedte’ was de bijdrage van Maurice Petrarca wellicht de meest opvallende. Het gedicht ‘Wegwaaiende straat’ kenmerkt zich in eerste instantie door de narratieve, zo men wil, expliciete lijn. De taal is direct, zonder franjes. Het gedicht wordt in een rechte lijn uitgesproken: eindpunten worden weggelaten, wat het gedicht een snelle vaart bezorgt - tot er in de slotregels een wrange stilte valt. De tekst getuigt van een sterke adem die het gedicht in de diepte een lyrisch, zo men wil, impliciet karakter bezorgt. Het narratieve laat zich dan als schijnbeweging zien: de eerder elegische ondertoon is alles. Verontwaardiging om verloedering en om wat verloren gaat laat zich onderhuids de schijnbaar achteloze taal aanvoelen. ‘Wat niet door mensenhanden gebeurt, is altijd minder erg’ is een versregel die de juryleden niet zo vlug zullen vergeten. Achter de schuilnaam Maurice Petrarca verschool zich Jan Posman uit Maldegem.
Het gedicht ‘Huis’ is van een heel andere teneur. De juryleden kozen duidelijk voor het voluit impliciete, voor het engagement van en in de taal. Het betreft een compact en af gedicht bestaande uit een vierregelige en twee vijfregelige strofen. Een gedicht geschreven door iemand die zich mentaal aan de rand van een ‘komma’ bevindt. Een puike maar nimmer honkvaste plek. Waar dichters wonen staat nooit iets vast – misschien is dit wel hun maatschappelijke rol: dingen in vraag stellen, dingen zich in vraag laten stellen. In dit geladen gedicht ontwaren we weinig zekerheid: de vaderfiguur wijst naar het ijle en op de achtergrond tekenen zinkende schepen en een doolhof zich af. In de spankracht van deze versregels kristalliseren zich abstract klinkende begrippen als ‘verontwaardiging’, ‘ontreddering’ en ‘vervreemding’ tot een pregnant geheel dat in alle eenvoud wordt verwoord. Maar een eenvoud die niet ten koste gaat van de complexiteit die de hoger vernoemde begrippen mee veronderstellen. Nee, dit gedicht schopt niet meteen de lezer een geweten. Maar de lezer hoort er wel een geschopt geweten in knagen. Philippe Jacobs uit Korbeek-Lo bleek zich achter het pseudoniem ‘Ennis’ te verschuilen.
Ik zei het al: er kan maar één winnaar zijn. Na een twee uur durend secuur overleg van de jury werd als winnaar uitgekozen: het gedicht ‘Huis’ van Philippe Jacobs. Het gedicht van Jan Posman ‘Wegwaaiende straten’ werd een eervolle vermelding gegund en krijgt de prijs van de stad Brugge.
Een tevreden jury feliciteert de laureaten.
(Juryverslag: Alain Delmotte)
De jury bestond uit Koen Stassijns (voorzitter), Paul Rigolle, Alain Delmotte, Lisette Keustermans en Frank De Crits.
Vic De Raeymaecker (secretaris Masereelfonds Brugge) en Bernard Desmet (directeur Masereelfonds) namen deel aan de beraadslaging, zonder beslissingsrecht.
Bernard Desmet nam de notulen van de vergadering, Alain Delmotte stond in voor dit juryverslag.
De winnende gedichten zijn hier na te lezen:
Huis van Philippe Jacobs
Wegwaaiende straten van Jan Posman
Zie ook het verslag op de bladzijden van het Masereelfonds.
Huis - Philippe Jacobs
(winnend gedicht Marc Braet Poëzieprijs 2012)
Ik vraag mijn vader de weg
naar mijn huis.
Hij wijst in de verte
naar zinkende schepen.
Ik woon aan de rand
van een komma,
mijn zakken vol spijkers
sper ik mijn vleugels en
kantel naar binnen.
Met de mol ben ik blind,
ik sta waar geen plaats is
en val me een nacht.
en we delven een doolhof
en we spelen met kruimels.
Philippe Jacobs, Korbeek-Lo
Ik vraag mijn vader de weg
naar mijn huis.
Hij wijst in de verte
naar zinkende schepen.
Ik woon aan de rand
van een komma,
mijn zakken vol spijkers
sper ik mijn vleugels en
kantel naar binnen.
Met de mol ben ik blind,
ik sta waar geen plaats is
en val me een nacht.
en we delven een doolhof
en we spelen met kruimels.
Philippe Jacobs, Korbeek-Lo
Wegwaaiende straten - Jan Posman
(eervolle vermelding Marc Braet poëzieprijs 2012)
Ik moet nog achterhalen waar jij tegenwoordig woont
misschien geef je les aan kinderen in de jungle,
verblijf je in een sanatorium in een land van bergen
je had iets dat nooit genas, zat altijd in de nevel
op de wc stond een volle asbak als een karikatuur
die inrichtingen hebben vaak nog iets van de jaren twintig
zoals in je verbeelding als je leest dat Van Ostaijen er
onder een geruite deken het einde van zijn leven doorbracht
mijn moeder woonde als kind in de buurt van een sanatorium,
waar mensen uit twee provincies kwamen om te lijden
als ze er met de fiets langsreed, durfde ze nooit adem te halen
het was de tijd van tuberculose, elke tijd heeft zijn ziekten
waaraan mensen dan niet proberen te denken
de straat waar je woonde, voor we samen die studio huurden,
is onlangs afgebroken, vraag me niet waarom ik je
Dat nu zo nodig moet schrijven, onachterhaalbare plicht
tegenwoordig worden hele straten op één morgen afgebroken
er is wat lawaai en dan ineens niets dan stof en steenresten
met kalk en behangselpapier met arabesken aan
mensen die er langskomen houden even stil en reconstrueren
een slaapkamer met drama of een keuken vol overspel
ook mijn straat van vroeger is onlangs verdwenen
op een morgen is ze weggewaaid, zo stel ik het me voor
wat niet door mensenhanden gebeurt, is altijd minder erg
er komt een gebouw zo groot als mijn straat in haar geheel was
een gebouw met een logo voor mensen in donkere pakken
we behoren tot een groep, ooit moest het er van komen
we woonden lange tijd in een straat die niet meer bestaat
mijn straat was voor mij nooit lelijk, ze had een zeldzame orde
ik begreep dat anderen haar lelijk vonden, begreep het goed
ik stel me de stilte voor zoals ze om je heen is als je dit leest
die stilte ben ik
Jan Posman
Ik moet nog achterhalen waar jij tegenwoordig woont
misschien geef je les aan kinderen in de jungle,
verblijf je in een sanatorium in een land van bergen
je had iets dat nooit genas, zat altijd in de nevel
op de wc stond een volle asbak als een karikatuur
die inrichtingen hebben vaak nog iets van de jaren twintig
zoals in je verbeelding als je leest dat Van Ostaijen er
onder een geruite deken het einde van zijn leven doorbracht
mijn moeder woonde als kind in de buurt van een sanatorium,
waar mensen uit twee provincies kwamen om te lijden
als ze er met de fiets langsreed, durfde ze nooit adem te halen
het was de tijd van tuberculose, elke tijd heeft zijn ziekten
waaraan mensen dan niet proberen te denken
de straat waar je woonde, voor we samen die studio huurden,
is onlangs afgebroken, vraag me niet waarom ik je
Dat nu zo nodig moet schrijven, onachterhaalbare plicht
tegenwoordig worden hele straten op één morgen afgebroken
er is wat lawaai en dan ineens niets dan stof en steenresten
met kalk en behangselpapier met arabesken aan
mensen die er langskomen houden even stil en reconstrueren
een slaapkamer met drama of een keuken vol overspel
ook mijn straat van vroeger is onlangs verdwenen
op een morgen is ze weggewaaid, zo stel ik het me voor
wat niet door mensenhanden gebeurt, is altijd minder erg
er komt een gebouw zo groot als mijn straat in haar geheel was
een gebouw met een logo voor mensen in donkere pakken
we behoren tot een groep, ooit moest het er van komen
we woonden lange tijd in een straat die niet meer bestaat
mijn straat was voor mij nooit lelijk, ze had een zeldzame orde
ik begreep dat anderen haar lelijk vonden, begreep het goed
ik stel me de stilte voor zoals ze om je heen is als je dit leest
die stilte ben ik
Jan Posman
zondag 16 december 2012
In een blauwe zon - Steven Graauwmans
(Rubriek: Uit de toevloed)
Het is bekend dat het Poëziecentrum op het gebied van poëziebundels vaak oog heeft voor de esthetiek van de publicatie. Ook dit keer is dit voor In een blauwe zon van Steven Graauwmans het geval. De kaft toont het mooie ontwerp van Ilse Mertens die voor haar creatie een beeld gebruikt uit “ Champignon Nucléarie Vertical ”; een ets van Danny Danino. Maar wat kan over de inhoud van deze nieuwe bundel gezegd worden? In HONGERDAGEN observeert de dichter schijnbaar anonieme personages vanop een veilige afstand. Hij observeert hun wat bizarre handelingen, probeert aan te voelen wat ze denken en ziet wat ze van plan zijn. Hun mysterie wil de dichter ten alle prijze beschermd houden. Hij schakeert zijn strofen vol tussenideeën. Zijsporen waarop andere werelden ontstaan en waar andere sentimenten dirigeren. De cyclus GLINSTERDINGEN groepeert een geladen gevoel van verlies en vertwijfeling. Klinisch zuiver maakt Graauwmans de eindbalans op; het verlies wordt ervaren en toegegeven. Genezing lijkt niet meer mogelijk. De dichter wentelt zich niet in lakens van optimisme. Hij is eerder zwartgallig, maar dan wel zonder ten onder te gaan. Hij blijft in controle. Wanneer het evenwicht in zijn poëzie verloren lijkt, komt plots het herstel. De dichter speelt met zijn lezer. Hierin is Steven Graauwmans sterk; zijn gedichten zetten de geduldige lezer op het verkeerde been. Zowel korte stukjes als wat langere gedichten strikken. Die reis - hoewel niet rechtlijnig - is wel boeiend, want gave poëzie moet proberen meer te zijn dan wat losse woordjes op een juiste plaats gezet. De dichter muilkorft het noodlot; die uitdaging gaat hij niet uit de weg.
Drie dochters
Drie dochters herstellen het huis
Moeder hoedt de schapen
Vader is al jaren ziek
De regen breekt door het dak
De kraan lekt
De kracht van de drie dochters
hoor je bovenuit de storm die het huis in stukken rijt
met blote tanden slachten ze de varkens voor het feestmaal
met hun ogen slaan ze het vuur, het vlees
saignant om geen hongerdagen
Wanneer nood niet meer is
dan het zacht vermoeden
op genezing
IN EEN BLAUWE ZON is het derde deel van de bundel waarin nogmaals wordt aangetoond dat de poëtica van Steven Graauwmans een subtiele gelaagdheid heeft. Wie zich inspant zal beloond worden. Wie genoeg tijd neemt om de versregels rustig te laten uitgroeien, komt tot de aantrekkelijkheid van deze metaforen. Kwaliteit vraagt inzet, ook van de lezer. Steven Graauwmans creëert een nieuwe wereld, een aparte biotoop waarin mutaties hun plaats opeisen. Traag maar zeker sijpelen ze door elke vorm van belemmering. Het onheilspellende karakter van de schriftuur houdt ons waakzaam. In poëzie ga ik nogal vaak op zoek naar doordrenkt leven, miserie, hoop, vertwijfeling en authenticiteit. De publicatie In een blauwe zon heeft het allemaal. De andere soort poëzie laat ik over aan de verantwoordelijkheid en de persoonlijke smaak van anderen, want zoals vriend Marcel van Maele me ooit zei: “Er zijn veel soorten poëzie Frank…”.
In een blauwe zon, Steven Graauwmans
PoëzieCentrum Gent, 2012
ISBN978-9056552657
Recensie: Frank Decerf (december 2012)
Het is bekend dat het Poëziecentrum op het gebied van poëziebundels vaak oog heeft voor de esthetiek van de publicatie. Ook dit keer is dit voor In een blauwe zon van Steven Graauwmans het geval. De kaft toont het mooie ontwerp van Ilse Mertens die voor haar creatie een beeld gebruikt uit “ Champignon Nucléarie Vertical ”; een ets van Danny Danino. Maar wat kan over de inhoud van deze nieuwe bundel gezegd worden? In HONGERDAGEN observeert de dichter schijnbaar anonieme personages vanop een veilige afstand. Hij observeert hun wat bizarre handelingen, probeert aan te voelen wat ze denken en ziet wat ze van plan zijn. Hun mysterie wil de dichter ten alle prijze beschermd houden. Hij schakeert zijn strofen vol tussenideeën. Zijsporen waarop andere werelden ontstaan en waar andere sentimenten dirigeren. De cyclus GLINSTERDINGEN groepeert een geladen gevoel van verlies en vertwijfeling. Klinisch zuiver maakt Graauwmans de eindbalans op; het verlies wordt ervaren en toegegeven. Genezing lijkt niet meer mogelijk. De dichter wentelt zich niet in lakens van optimisme. Hij is eerder zwartgallig, maar dan wel zonder ten onder te gaan. Hij blijft in controle. Wanneer het evenwicht in zijn poëzie verloren lijkt, komt plots het herstel. De dichter speelt met zijn lezer. Hierin is Steven Graauwmans sterk; zijn gedichten zetten de geduldige lezer op het verkeerde been. Zowel korte stukjes als wat langere gedichten strikken. Die reis - hoewel niet rechtlijnig - is wel boeiend, want gave poëzie moet proberen meer te zijn dan wat losse woordjes op een juiste plaats gezet. De dichter muilkorft het noodlot; die uitdaging gaat hij niet uit de weg.
Drie dochters
Drie dochters herstellen het huis
Moeder hoedt de schapen
Vader is al jaren ziek
De regen breekt door het dak
De kraan lekt
De kracht van de drie dochters
hoor je bovenuit de storm die het huis in stukken rijt
met blote tanden slachten ze de varkens voor het feestmaal
met hun ogen slaan ze het vuur, het vlees
saignant om geen hongerdagen
Wanneer nood niet meer is
dan het zacht vermoeden
op genezing
IN EEN BLAUWE ZON is het derde deel van de bundel waarin nogmaals wordt aangetoond dat de poëtica van Steven Graauwmans een subtiele gelaagdheid heeft. Wie zich inspant zal beloond worden. Wie genoeg tijd neemt om de versregels rustig te laten uitgroeien, komt tot de aantrekkelijkheid van deze metaforen. Kwaliteit vraagt inzet, ook van de lezer. Steven Graauwmans creëert een nieuwe wereld, een aparte biotoop waarin mutaties hun plaats opeisen. Traag maar zeker sijpelen ze door elke vorm van belemmering. Het onheilspellende karakter van de schriftuur houdt ons waakzaam. In poëzie ga ik nogal vaak op zoek naar doordrenkt leven, miserie, hoop, vertwijfeling en authenticiteit. De publicatie In een blauwe zon heeft het allemaal. De andere soort poëzie laat ik over aan de verantwoordelijkheid en de persoonlijke smaak van anderen, want zoals vriend Marcel van Maele me ooit zei: “Er zijn veel soorten poëzie Frank…”.
In een blauwe zon, Steven Graauwmans
PoëzieCentrum Gent, 2012
ISBN978-9056552657
Recensie: Frank Decerf (december 2012)
woensdag 28 november 2012
Ann Van Dessel - Een kei in duren
(Rubriek: Uit de toevloed)
Een debuutbundel is altijd iets speciaals. Het is als een nieuwe relatie; wat zal het worden? Is het de moeite? Zal de opwinding blijven of is de oefening uiteindelijk veel te vermoeiend? Of moeten we geduldig zijn? Ann Van Dessel is dorpsdichteres van Haacht. Dorp? Toen ik jaren terug ten huize Karel Jonckheere een babbel met de grootmeester had, leek de omgeving niet op een dorp. Maar goed deze dorpsdichteres dus, heeft haar gedichten uitgespreid over 6 cycli.
MET ZWIJGEN GEWAPEND bevat vooral mijmeringen, nostalgische metaforen waarin een sterk persoonlijk vocabularium wordt gehanteerd. De dichteres heeft oog voor sociaal onrecht en beschrijft die situaties aan de hand van verrassende taalwendingen. Als de lezer de moeite doet om traag en beheerst te lezen, zullen de dubbele zinnigheden charmeren. Typografisch vermijdt Ann Van Dessel hoofdletters; een keuze. Ook buitenlandse oorden drijven haar om in de pen te kruipen en daarvan verslag te doen. De dichteres schuift anonieme personages naar voor die op hun beurt grenzen doorbreken en universeel worden. Dan weer worden de versregels filmische opnamen van tenger integere momenten.
In DE KANT VAN DE KERING lezen we kanttekeningen bij menselijke drama’s. Die fragmenten uit een bestaan zijn zo subtiel beschreven, zo fijn als de beste batik, streelzacht. De kern van de boodschap is uitgepuurd, spanning verhogend. De schrijfster houdt haar versregels kort. Zo bedwingt ze haar woorden tot duidelijk bericht, tot authentieke poëzie. Ze bereikt een vorm van apart zijn.
BANANENDOZEN bestreelt de kindertijd. Hier worden associaties opgeroepen die de onmogelijke terugkeer bewijzen, maar er wordt toch getracht de sentimenten terug te brengen. De dichteres wordt sjamaan.
vaart
ze fluit de school uit, stopt
haar jeugd in bananendozen onder
en trekt een huis om zich heen
de nieuwe gordijnen staan haar beeldig
wanneer ze ’s morgens het raam
op de wereld wijd open lacht
dan vouwt ze, groot als een mens,
de stad open en scheurt op de fiets
haar versgebakken leven door
Wat in heel wat poëziebundels aanwezig is, is de herinnering aan de vaderfiguur. In de cyclus DE ZON SLOEG IN is dit het geval. Het gemis, het verlorene en de hopeloosheid drijven de dichteres tot het schrijven van deze gedichten. Zij hoedt zich er voor niet melodramatisch te worden en nergens kon ik voorspelbare beeldspraak of versregels vinden. In dit deel laat Ann Van Dessel de anekdotiek toe zonder storend te worden. Bij haar geen banaliteit.
EN NERGENS IS HAAST is de cyclus die deze puik uitgegeven bundel afsluit. Doorheen dit werk schraapt de dichteres aan haar taal tot elke ballast verdwijnt en de balans een sierlijk evenwicht tussen spielerei en hoogst persoonlijke woordassociaties vindt. Soms verdraaide invalshoeken die de semantiek versterken. Bij Van Dessel krijg je dubbele bodems die een glimlach op je lippen toveren. Het resultaat is beeldspraak en poëzie die getuigen van klasse, echtheid en spontaneïteit. Een kei in duren heeft misschien lang op zich laten wachten, misschien was dat ook beter zo. Het talent is gerijpt, klaar en ontegensprekelijk. In het nawoord van dit werk dankt de schrijfster de “goede mensen die mij hebben gesteund bij het tot stand komen van deze bundel”.
Ann Van Dessel lijkt mij een humane dichteres zonder hoogheidwaanzin. Ook volgende bundel moet mijn aanvoelen bewijzen. Ik wacht (on)geduldig af…
Een kei in duren, Ann Van Dessel
Uitgeverij P, Leuven,2012
ISBN 978-94-91455-03-2
www.annvandessel.com
Recensie: Frank Decerf (11/2012)
Een debuutbundel is altijd iets speciaals. Het is als een nieuwe relatie; wat zal het worden? Is het de moeite? Zal de opwinding blijven of is de oefening uiteindelijk veel te vermoeiend? Of moeten we geduldig zijn? Ann Van Dessel is dorpsdichteres van Haacht. Dorp? Toen ik jaren terug ten huize Karel Jonckheere een babbel met de grootmeester had, leek de omgeving niet op een dorp. Maar goed deze dorpsdichteres dus, heeft haar gedichten uitgespreid over 6 cycli.
MET ZWIJGEN GEWAPEND bevat vooral mijmeringen, nostalgische metaforen waarin een sterk persoonlijk vocabularium wordt gehanteerd. De dichteres heeft oog voor sociaal onrecht en beschrijft die situaties aan de hand van verrassende taalwendingen. Als de lezer de moeite doet om traag en beheerst te lezen, zullen de dubbele zinnigheden charmeren. Typografisch vermijdt Ann Van Dessel hoofdletters; een keuze. Ook buitenlandse oorden drijven haar om in de pen te kruipen en daarvan verslag te doen. De dichteres schuift anonieme personages naar voor die op hun beurt grenzen doorbreken en universeel worden. Dan weer worden de versregels filmische opnamen van tenger integere momenten.
In DE KANT VAN DE KERING lezen we kanttekeningen bij menselijke drama’s. Die fragmenten uit een bestaan zijn zo subtiel beschreven, zo fijn als de beste batik, streelzacht. De kern van de boodschap is uitgepuurd, spanning verhogend. De schrijfster houdt haar versregels kort. Zo bedwingt ze haar woorden tot duidelijk bericht, tot authentieke poëzie. Ze bereikt een vorm van apart zijn.
BANANENDOZEN bestreelt de kindertijd. Hier worden associaties opgeroepen die de onmogelijke terugkeer bewijzen, maar er wordt toch getracht de sentimenten terug te brengen. De dichteres wordt sjamaan.
vaart
ze fluit de school uit, stopt
haar jeugd in bananendozen onder
en trekt een huis om zich heen
de nieuwe gordijnen staan haar beeldig
wanneer ze ’s morgens het raam
op de wereld wijd open lacht
dan vouwt ze, groot als een mens,
de stad open en scheurt op de fiets
haar versgebakken leven door
Wat in heel wat poëziebundels aanwezig is, is de herinnering aan de vaderfiguur. In de cyclus DE ZON SLOEG IN is dit het geval. Het gemis, het verlorene en de hopeloosheid drijven de dichteres tot het schrijven van deze gedichten. Zij hoedt zich er voor niet melodramatisch te worden en nergens kon ik voorspelbare beeldspraak of versregels vinden. In dit deel laat Ann Van Dessel de anekdotiek toe zonder storend te worden. Bij haar geen banaliteit.
EN NERGENS IS HAAST is de cyclus die deze puik uitgegeven bundel afsluit. Doorheen dit werk schraapt de dichteres aan haar taal tot elke ballast verdwijnt en de balans een sierlijk evenwicht tussen spielerei en hoogst persoonlijke woordassociaties vindt. Soms verdraaide invalshoeken die de semantiek versterken. Bij Van Dessel krijg je dubbele bodems die een glimlach op je lippen toveren. Het resultaat is beeldspraak en poëzie die getuigen van klasse, echtheid en spontaneïteit. Een kei in duren heeft misschien lang op zich laten wachten, misschien was dat ook beter zo. Het talent is gerijpt, klaar en ontegensprekelijk. In het nawoord van dit werk dankt de schrijfster de “goede mensen die mij hebben gesteund bij het tot stand komen van deze bundel”.
Ann Van Dessel lijkt mij een humane dichteres zonder hoogheidwaanzin. Ook volgende bundel moet mijn aanvoelen bewijzen. Ik wacht (on)geduldig af…
Een kei in duren, Ann Van Dessel
Uitgeverij P, Leuven,2012
ISBN 978-94-91455-03-2
www.annvandessel.com
Recensie: Frank Decerf (11/2012)
zondag 11 november 2012
Aan alles vast
(Rubriek: Uit de toevloed)
Aan alles vast is de derde dichtbundel van Reine De Pelseneer (°1982), dichteres en schrijfster van een mooie reeks frele jeugdboeken. Na haar veelbelovend debuut Doorgrond uit 2005 en de bundel Omzicht uit 2007, allebei verschenen bij uitgeverij P, is Aan alles vast haar eerste bundel bij uitgeverij De Contrabas. Ook in haar nieuwe bundel krijgt het hele eigen timbre van de dichteres je al van bij de eerste verzen te pakken. Grip (tevens de titel van het eerste gedicht) krijgt ze wel en dat meteen! Van wemel dronken vangen vossen/vale muizen uit de lucht. Aan het eind van de bundel (“Drieëndertig doolhofjes van taal“ later) is die grip er nog altijd. En meer dan ooit! Vormvastheid, knappe beelden (“een spijker die verloren valt in een spelonk”) (“vaardig kladt kobalt de hemel vol”) (“er draalt in hem een hert van hinder”) en een ritmische stem die bijwijlen, of je dat nu wil of niet, zachtjes in het hoofd aan het zingen slaat, maken van Aan alles vast een meer dan gewone bundel. In drie cycli waarin telkens een ander personage aan het woord komt, beweegt de dichteres tussen los en vast. Een meisje, een man en een vrouw bevolken ieder met hun eigen aparte stem de respectievelijke cycli. Door een fijne druktechnische ingreep lees je de titels van de cycli bovendien in hun dubbele betekenis: (W)onderland, (F)luisterrijk en (W)achtbaan. Een bundel waarvan je niet meteen los komt!
Reine De Pelseneer is - meer dan jong en veelbelovend - nu al een bijzondere dichteres die voor mijn part meer dan enkel maar haar voet mag zetten naast de veel meer airplay-krijgende dichteressen van het moment!
Aan alles vast – Reine De Pelseneer
Uitgeverij De Contrabas, Utrecht 2011 – 48 p.
ISBN 978 90 79432 52 3 - €12,50
www.reinedepelseneer.be
Recensie: Paul Rigolle – (07/2012)
Gepubliceerd in Digther - "Uit de toevloed" - 2012/jrg 13-nr 1&2
Opvlucht
Een vrouw rijt in de zoom
van een lome ochtend alle strakte uit
elkaar. Ze draagt gedachten over
zachte hoeken naar het open raam
en als een zwerm stijgt de omhaal
naar haar op. ‘Glimlach! Want het leven
rondt zich gretig om je af!’
In de galm die groeit met het uur
rijpt de stad volmaakt als een vrucht.
De vrouw maakt zich klaar
voor de pluk.
©Reine De Pelseneer
Aan alles vast is de derde dichtbundel van Reine De Pelseneer (°1982), dichteres en schrijfster van een mooie reeks frele jeugdboeken. Na haar veelbelovend debuut Doorgrond uit 2005 en de bundel Omzicht uit 2007, allebei verschenen bij uitgeverij P, is Aan alles vast haar eerste bundel bij uitgeverij De Contrabas. Ook in haar nieuwe bundel krijgt het hele eigen timbre van de dichteres je al van bij de eerste verzen te pakken. Grip (tevens de titel van het eerste gedicht) krijgt ze wel en dat meteen! Van wemel dronken vangen vossen/vale muizen uit de lucht. Aan het eind van de bundel (“Drieëndertig doolhofjes van taal“ later) is die grip er nog altijd. En meer dan ooit! Vormvastheid, knappe beelden (“een spijker die verloren valt in een spelonk”) (“vaardig kladt kobalt de hemel vol”) (“er draalt in hem een hert van hinder”) en een ritmische stem die bijwijlen, of je dat nu wil of niet, zachtjes in het hoofd aan het zingen slaat, maken van Aan alles vast een meer dan gewone bundel. In drie cycli waarin telkens een ander personage aan het woord komt, beweegt de dichteres tussen los en vast. Een meisje, een man en een vrouw bevolken ieder met hun eigen aparte stem de respectievelijke cycli. Door een fijne druktechnische ingreep lees je de titels van de cycli bovendien in hun dubbele betekenis: (W)onderland, (F)luisterrijk en (W)achtbaan. Een bundel waarvan je niet meteen los komt!
Reine De Pelseneer is - meer dan jong en veelbelovend - nu al een bijzondere dichteres die voor mijn part meer dan enkel maar haar voet mag zetten naast de veel meer airplay-krijgende dichteressen van het moment!
Aan alles vast – Reine De Pelseneer
Uitgeverij De Contrabas, Utrecht 2011 – 48 p.
ISBN 978 90 79432 52 3 - €12,50
www.reinedepelseneer.be
Recensie: Paul Rigolle – (07/2012)
Gepubliceerd in Digther - "Uit de toevloed" - 2012/jrg 13-nr 1&2
Opvlucht
Een vrouw rijt in de zoom
van een lome ochtend alle strakte uit
elkaar. Ze draagt gedachten over
zachte hoeken naar het open raam
en als een zwerm stijgt de omhaal
naar haar op. ‘Glimlach! Want het leven
rondt zich gretig om je af!’
In de galm die groeit met het uur
rijpt de stad volmaakt als een vrucht.
De vrouw maakt zich klaar
voor de pluk.
©Reine De Pelseneer
dinsdag 6 november 2012
Aardbeien plukken
wij gingen aardbeien plukken
met de ladders op de schouders
stapten wij goedgemutst en welgezind
naar de velden vol geestdrift zongen wij
het lied voor de gelegenheid geschreven en op
muziek gezet door onze opperplukker: wépion:
“aardbeien hier aardbeien daar,
wij steken ze in onze mond
als ze maar komen uit onze grond”
aangekomen werden de roten verdeeld
en tijdens het werk viel iemand van de ladder
op de mulle aarde hij prikte zijn vingers aan de
enige aanwezige kleine fijne bosaardbei en schreide
© Frank Decrits
Gepubliceerd in Digther - 2012/jrg 13-nr 1&2
met de ladders op de schouders
stapten wij goedgemutst en welgezind
naar de velden vol geestdrift zongen wij
het lied voor de gelegenheid geschreven en op
muziek gezet door onze opperplukker: wépion:
“aardbeien hier aardbeien daar,
wij steken ze in onze mond
als ze maar komen uit onze grond”
aangekomen werden de roten verdeeld
en tijdens het werk viel iemand van de ladder
op de mulle aarde hij prikte zijn vingers aan de
enige aanwezige kleine fijne bosaardbei en schreide
© Frank Decrits
Gepubliceerd in Digther - 2012/jrg 13-nr 1&2
Abonneren op:
Posts (Atom)


