vrijdag 6 februari 2026

Remedies tegen onverschilligheid

Op zaterdag 31 januari 2026 werd in de historische kapel van het Damse Oud Sint-Janshospitaal onder de titel "Remedies tegen onverschilligheid" de nieuwe dichtbundel van Geert Viaene voorgesteld. Er was muziek van Hannelore Devaere (harp) en dichter en muzikant Dennis Vercruysse zorgde voor mooie soundscapes bij de gedichten. Steven Van Der Heyden sprak de inleiding uit en stuurde ons daarvan de tekst die we hieronder met graagte, én met dank, publiceren. 


Inleiding bundel : Remedies tegen onverschilligheid van Geert Viaene - tekst van Steven Van Der Heyden
 
Dames en heren,

U kreeg zonet al een inkijk in de eerste broedkamer uit de cyclus ‘Belusting’, waar woord en klank elkaar versterken.
In deze ruimte ontmoeten we Mo — niet zomaar een personage, maar een gestalte van ons allemaal. Een mens die moet leren ademen in een wereld die kantelt, verkookt, verschuift. Een mens die opnieuw een plaats moet zoeken nu de natuur weer op volle kracht terugkeert en tijdperken beginnen te klonteren als tektonische platen die elkaar niet langer verdragen.

In de gedichten die volgen wordt niets gespaard: de zee kookt over, licht zwelt op, stenen verpulveren. Mo wordt uiteengerukt en opnieuw gevormd — een lichaam dat zich vastklampt, verandert, kromt, in elkaar schuift. Alles is beweging, alles staat onder spanning. En toch blijft er iets overeind: een instinct, een soort oervlam die weigert uit te doven.
De taal in deze gedichten ademt, pulseert.
De dichter schrijft met een scherp gehoor: woorden worden slagregen, schram, wervelwind. De klanken hakken, schuren, glijden. Het ritme jaagt je vooruit, vertraagt dan plots, alsof de tijd zelf blokkeert. En de beeldspraak — soms rauw, soms ontregelend mooi — tilt de wereld uit haar voegen en duwt ons midden in die metamorfose, recht naast Mo, in het zand, in de storm, in het verschroeiende licht.

De gedichten klinken als echo’s van een toekomst die zich al aandient, maar ook als herinneringen aan wat we misschien kwijtgeraakt zijn.
Sta me toe om nog een gedicht uit deze cyclus te brengen :

‘ De wereld levert zich over aan haar verbeelding’
 
Lina staat ongerept in dit betonnen braakland
haar armen strekken zich uit naar de hemel
zij is tegelijkertijd een zon-en wolkendrager
 
haar voeten verdwijnen in asfalt dat schroeit
zij overleeft tussen gitzwarte rubberwalmen
in een plasticeen tijdperk, zij moet vechten
 
 
tegen krachten die alles verdelgen, zij gaat
op zoek naar weerbare planten in besmette
tuinen, malse kleuren in een zee van nacht-
 
blauw, zij kiest gigantische distels in bloei
zij luistert naar de ganzen die overvliegen
zij klautert langs ingestorte wanden waar
 
vergroeide slijmdiertjes dooreen krioelen
opgekrulde lijven zinken dit ruimtepijn in
de zon begint te stranden, de wereld vat
 
haar verbeelding, weet hoeveel invloed
zij heeft op mensen, planten en dieren
zij is opgewonden als de wilde ganzen
 
Deze bundel ontvouwt zich als een tocht door een werkelijkheid die weigert eenduidig te zijn. De dichter is een geëngageerde waarnemer die conventionele structuren afbreekt om dichter bij de kern te komen, niet om te ontregelen om het ontregelen, maar om zijn wereld dieper te begrijpen. Laag na laag wordt die werkelijkheid blootgelegd: wat gespaard blijft in aanrakingen, wat onherroepelijk verloren gaat in bewegingen. Tussen vasthouden en loslaten bewaakt de dichter de fragiele zones waar betekenis ontstaat.

Tijdens deze reis worden de voetstappen van de dichter het metrum van zijn denken. Het lopen, het aftasten van terrein, bepaalt het ritme van de gedichten. Zo ontstaan rijke, zorgvuldig opgebouwde teksten met een uitgesproken, originele zeggingskracht, waarin beeld en gedachte elkaar voortstuwen. De poëzie is lichamelijk aanwezig: zij ademt, schuurt, en blijft in beweging.

De eerste cyclus, If I Had a Hammer, speelt zich af onder asfaltzwarte hemels, in een begrensd universum waar kinderen spelen achter grijze rookgordijnen. De beelden zijn onontkoombaar en confronterend; de link met Gaza is snel gelegd. Hier klinkt de woede en de machteloosheid van wie ziet en niet kan ingrijpen, van wie telt, herhaalt en toch vastloopt. Het is poëzie die weigert weg te kijken.

In Rode Sneeuw verschuift het perspectief naar een zinnelijke, organische ruimte. Lichamen, dieren en landschappen vloeien in elkaar over. De vraag dringt zich op wie de wonde stelpt in een wereld die zichzelf voortdurend hertekent. Het draagvlak kraakt, maar er leeft ook een hardnekkig vertrouwen dat het zich opnieuw kan afstemmen op verandering. Deze cyclus ademt zowel kwetsbaarheid als een diepgewortelde drang tot herstel.

Zeilen naar Archipel draagt een meer collectieve oorsprong in zich. De cyclus kreeg een gemeenschappelijke start: zowel ik als Geert maken deel uit van het dichterscollectief Obsidiaan, dat enkele jaren geleden een schrijfresidentie kreeg in het huis van de dichter te Watou. Tijdens een koude winterwandeling die wij samen ondernamen, werden de eerste zaadjes geplant. Dat gedeelde vertrekpunt vertaalt zich in een poëtische verkenning van eilanden, grenzen en verschuivende landschappen, waarin het persoonlijke en het mondiale elkaar voortdurend raken.
In Samenspraak keert de blik naar binnen én naar elkaar. Deze cyclus is een zoektocht naar onze oorsprong, naar wat mensen, dieren en elementen verbindt. Het spreken wordt hier aftastend, soms aarzelend, alsof taal zelf opnieuw moet leren luisteren.

Die beweging zet zich voort in Meer tederheid, waar de vraag centraal staat hoe samenspraak mogelijk wordt. Hoe kunnen stemmen elkaar bereiken zonder te overheersen, hoe kan nabijheid ontstaan in een wereld die steeds verder fragmenteert? Tederheid verschijnt hier niet als zwakte, maar als een noodzakelijke kracht, een vorm van weerstand tegen onverschilligheid.

Samen vormen deze cycli een poëtische tocht die niet belooft te genezen, maar wel remedies aanreikt: aandacht, verbeelding en een hardnekkige bereidheid om te blijven kijken, blijven spreken en blijven bewegen.
In de slotcyclus De Nieuwe Stad wordt de blik resoluut naar voren gericht. Hier verschijnt geen utopie in klassieke zin, maar een tastend, broos toekomstbeeld dat ontstaat uit puin, overstroming en oververhitting. De stad wordt niet ontworpen, maar opgebouwd in het ritme van lichamen die samenwerken, zorgen, delen en opnieuw leren wonen. Mens en landschap zijn niet langer tegenover elkaar geplaatst: water, planten, dieren en infrastructuur vormen één ademend geheel.
Deze cyclus verkent hoe samenleven eruit kan zien wanneer oude zekerheden zijn weggevallen. De dichter toont een stad die zichzelf afbreekt om opnieuw te kunnen ontstaan, waarin tederheid, wederkerigheid en verbeelding fungeren als bouwstenen. Arbeid, zorg en nabijheid worden collectieve handelingen; rituelen vervangen systemen, aandacht vervangt controle. Wat hier groeit is geen voltooide vorm, maar een voortdurend proces van aanpassen en afstemmen.

Eindigen doe ik graag met het gedicht :
 
 ‘Hoe kunnen we het roer omgooien’
 
een ijsschots drijft stroomopwaarts de Schelde
monding in, een grote, wortelloze, afgebroken
 
tand die zich afstoot tegen het slib, beukende
golfslagen vormen er eilanden van waarheid
 
de zon komt ongezien dichterbij, bovenop wit
glazuur ligt zwarte sneeuw, de walvis ademt
 
nog, hoor de noodkreet van het kalf, het klieft
de containerschepen moeiteloos in twee, hier
 
staan minimensjes op en neer te springen
het is moeilijk te zeggen of het van vreugde
 
is of uit paniek, de klip spoelt weg, beetje bij
beetje blaast de blauwgrijze rug zichzelf en
 
de beschaving op, voel plaatsvervangende
schaamte voor deze tere onderwaterballon
 
© Steven Van Der Heyden

De bundel is een uitgave van Uitgeverij P
Label Geert Viaene bij DSvD
Website Steven Van Der Heyden

Steven Van Der Heyden
foto c. Samira Chabchoub

Vlnr Hannelore Devaere, Geert
Viaene en Dennis Vercruysse
Foto: c. Samira Chabchoub
Geert Viaene signeert
Foto c. Samira Chabchoub


Foto Koen Demuynck die ook instond voor
de coverfoto van de bundel

Geert Viaene signeert
Foto Paul Rigolle

Ontwerp voor een voorstelling!





Geen opmerkingen: