donderdag 24 juli 2014

Een boottocht in Tübingen - Hendrik Carette


Opgedragen aan Jaak Fontier, de Hölderlin-vertaler


Op een ondiepe zijarm van de Neckar
ligt zij languit te zonnen en te soezen
op een schommelende gondelboot.

Een jongeman, misschien een theologiestudent
(haar jonge maar ernstige minnaar)
staat rechtop op de voorplecht
en roeit en gondelt langzaam voor haar
hoewel hij een student moet zijn aan het Stift.

Zij slaapt als een blonde Griekse godin
of doet alsof zij slaapt. De zon verdwaast
mij, maar ik zie haar niet als een waternimf
eerder als een superieure Diotima.

Ik zoek een passend vers en vind:
Sorglos schlummert die Brust und es ruhn
die strenge Gedanken.


En weer waan ik mij dicht bij zijn Umnachtung
onderaan die ronde gele toren
op dat drabbige water van de groenige Neckar.


© Hendrik Carette

donderdag 17 juli 2014

Vrede - Toon Vanlaere


Overtref me, zei het geluk.

In het huis hing de oorsprong van warmte.

Altijd was er vrede, ieder op zijn manier.

Wie naar binnen keek, zag twee mensen kraaknet.

Zij was een vrouw met een kransslagader.

Hij was goedgebouwd, open.

Alles gaven ze, ze keerden zelfs terug naar de overgave.

Zo berokkenden ze elkaar de liefde.

Zing voor me, vroeg de man.

Ze roomde de dampende melk af en antwoordde,

zag hoe langwerpig de tafel was, elke kant bekrast.



© Toon Vanlaere



zaterdag 7 juni 2014

maandag 2 juni 2014

Een stok achter het luchtledige - Alain Delmotte over Serge Pey



De Franse dichter Serge Pey (1950- sergepey.fr/) is meer dan een performer. Er is meer aan de hand met deze dichter. In zijn werk staat meer op het spel dan louter een ‘podiumprestatie’ – al is zijn act wel degelijk een prestatie. De lezingen van Pey zijn bezwerende rituelen. Sjamanistische archetypes. Anarchistische banvloeken. Hij tolt zich als een derwisj in de taal, tot de taal als extase wordt ervaren, de spraak de extase zelf wordt. Pey voert een oer-dans uit: poëzie moet voor hem in oorsprong een soort dans geweest zijn. Dansen is, zoals zingen, ouder dan de taal. Met Pey bevinden we ons in de grotten van Lascaux, lang voor de wanden er werden beschilderd.

De (politieke) fracturen tussen mens en wereld, ecologie en cultuur worden in zijn rauwe en genadeloze gezangen verwoord. Tegelijkertijd wordt de rebellie tegen die fracturen uitgeroepen. De articulatie is die van de kreet, de intonatie die van het verzet. Het gegeven orakel/oraliteit wordt ingezet als een soort levensbeschouwing, existentiële daadkracht. Poëzie vertegenwoordigt al het zijn. Meer dan het huis, is poëzie de stem van het zijn. De poëzie van Pey is ethisch dwingend. In de ultieme spankracht van sommige ‘acts’ (soms op de grens van het onhoudbare) laat zich verbetenheid en doorzetting aftekenen.

Pey is een nazaat van de late Artaud (‘Pour en finir avec le jugement de Dieu’), van de etno-poetics (wereldpoëzie), van ‘poésie/action’, van de beat-generation en andere orale tradities. Hij richtte zelf een eigen beweging op die hij ‘philosophie directe’ noemde. Je moet hem horen en zien om het te geloven. Onderstaand filmpje dateert uit 1994. Een lezing in een boekhandel in Nice. Pey is hier bijzonder indrukwekkend. In zijn hand houdt hij een stok vast waarop het gedicht in minimaal schrift (een eigenzinnige kalligrafie) staat opgetekend. Een artefact. Op zo’n stok – bâton genoemd - staan ook allerhande tekens en tekeningen. Pey’s poëzie reikt verder dan naar de taal alleen, reikt naar het punt waar de taal zich oplost in een universeel gebaar (waarin stem en tekst, artefact en act zijn gekristalliseerd).

De stok heeft alles van een fetisj. Zo’n stok is een boomtak die Pey tijdens wandelingen van de grond heeft opgeraapt. Hij is er stellig in: nooit hakt of zaagt hij een tak van een boom af. Elke tak heeft een eigen verhaal. Bijvoorbeeld de plek waar de tak is gevonden, de omstandigheden waarin Pey zich bevond, het toeval. Dat verhaal, die verhalen respecteert Pey en laat zijn tekst, zijn kalligrafie en zijn tekens in die verhalen inwerken. In oorsprong is Pey met dergelijke stokken begonnen als alternatief op het voorlezen met losse bladen, of uit een bundel. Hij vond dat maar niks. Inderdaad nogal wat dichters gaan daar klungelig mee om. In ieder geval heeft het voorlezen met zo’n stok een grote impact op de toehoorders. Van omhoog naar omlaag en zo in verschillende golven. Het heeft iets strijdvaardig. Is die stok een knuppel? Een samoerai- zwaard? De staf van Mozes? De staf waarmee, in zijn laatste levensjaren, Antonin Artaud rond-liep bewerend dat het de staf van Saint-Patrick was? De dichter als strijdvoerder: de inzet is een gevecht tegen onverschilligheid, tegen het reductionistische, tegen de ontkrachting van het menselijke.

Dit filmpje brengt die onverschilligheid ongewild in beeld en in klank. Pey bewijst hier wat voor ‘eenzaat’ hij als dichter is. Mensen lopen in de achtergrond over en weer, je hoort rumoer en krijsende kinderen, je vermoedt ergernis van het cliënteel bij Pey’s voordracht (maar ‘voordracht’ is het woord niet). Weinig omstanders lijken te luisteren, iemand wiegt met het hoofd met het staccato van Pey mee. Het pregnante van deze lezing is het feit dat Pey voet bij stuk houdt, zich van het gebeuren rond hem niets aantrekt. Hij spreekt en heel zijn fysiek wezen spreekt mee. Een gevecht in het luchtledige, tegen het luchtledige.

Vindplaats: http://www.youtube.com/watch?v=PVz4e0cLZew
Zie ook: http://www.sergepey.fr/

vrijdag 30 mei 2014

Adieu Pirotte

De voltallige Digther-redactie buigt deemoedig, zelfs, wat niet elke dag gebeurt, piëteitsvol het hoofd bij het overlijden van Jean-Claude Pirotte, die mooie Zaterdagsschilder en Zondagsschrijver. Niet in het minst redactielid Alain Delmotte die ooit in vergeten tijden voor "Facture Baroque" Pirotte vertaalde...

Alain Delmotte in een reactie over Pirotte: "Ik heb ooit Pirotte vertaald. Prachtige kerel. Mooie boeken. Ik vind helaas de vertalingen niet meer terug. Alle nummers van Facture Baroque ben ik kwijt. En bij die foto van de opdracht in mijn exemplaar van "La vallée de misère"... Zet er maar bij dat ik Pirotte ontmoet heb in het huis van Yourcenar en dat hij al meerdere whisky’s binnen had toen hij het boekje signeerde."


Extern:
Poësie et racbouni - La vallée de misère
Bericht Poëziecentrum bij het overlijden van Pirotte
Obiit bij Cobra

dinsdag 27 mei 2014

Apologie - Robie Van Outryve



(de schilder en ik)

vrij wil je schilderen
vrijer dan vroeger
vrijer dan wat je vrijpostig
aan de polsslag van de kleur verzon
om - hoe pathetisch ook -
te genezen van onmacht
en een weelde aan verweer
in de contouren
van aangeboren gemis

vredig wil je schilderen
vrediger dan vroeger
om met vrijgevochten vleugelslag
te zweven op de thermiek
van de verbeelding
en geruisloos neer te strijken
- doch niet als een gier -
op die vergeten plek
achter de donkerte
van je zwijgend woud

daar schilder je nu tussen
tekens toeval en tederheid
even onwennig als vroeger
vechtend tegen de beklemming
van het verlies terwijl je vredig
onrust bevredigt


Robie Van Outryve - april 2014


"Het verweer van de schilder"... Robie Van Outryve, schilder bij de gratie van het licht van de Somme, stelt nog tentoon in Montanus5 tot en met 9.06/2014.

"Een omweg om niet te vergeten!"
In-Kijk - Galerij Montanus.5, Montanusstraat 5, 8600 Diksmuide
www.montanusvijf.be

"Schilderend corrigeer ik vanuit het chaotische om te komen tot een organische ordening die laag op laag groeit"...

Dichters voor de Slegte!!!

zondag 25 mei 2014

De Triomfator - Alain Delmotte

1.

Hij zegt het zelf: het allerbeste werd uit het beste gehaald. Gul is hij nu geworden. Gul met het uitdelen van handtekeningen, schouderklopjes, interviews.

Valt hij over zijn woorden, dan worden zijn meningen vereerd. Uit zijn versprekingen sloeg hij munt.

Wat kan hem nu nog overkomen? Inderdaad, het beste heeft hij binnengerijfd, het beste heeft hij op zak, maar in wezen is hij nu wat hij al was: blut.

Vergissingen zijn iets voor later, meent de triomfator.

En hij bedoelt: later wordt nooit. Behalve meer.

2.

Wat hij zegt, wat hij doet, het moet voor hem in het openbaar: hij teert op wat hij scoort en hij teert op dat scoren weg.

Te redden valt hij niet meer.

3.

Als het applaus al lang is uitgedijd, duurt het in zijn gehoor eindeloos voort. Dat maakt hem doof.

En blind. Blind van de bewonderende blikken die er om hem heen niet langer zijn.

Ook op dagen van rampzalig falen, slepen zijn overwinningen hem in megalomane redeneringen mee.

Nee, triomferen valt tegen.

Wedden dat hij zich op een keer als kleinzielige zal laten zien.

© Alain Delmotte

De Vallei-editie XXI

Vandaag in de mailbox: De Vallei XXI. Samengesteld door Christina Guirlande. Naast een gedicht van Digther-redacteur Frank Decerf ook gedichten van Erna Schelstraete, Roel Richelieu Van Londersele, Ann Van Dessel, Martin Carrette, Cecile Van Camp, Erwin Steyaert, Yerna Van den Driessche, Christina Guirlande en Bruno Verleyen bij plastisch werk van Roland De Winter.

Niet onaardig ding hoor: dit pdf-bestand!

http://devallei.skynetblogs.be
http://static.skynetblogs.be/media/169074/2103848051.pdf

dinsdag 20 mei 2014

Kamermuziek

Aangetroffen

Ik geloof graag dat voor Valéry denken een vorm van kamermuziek was. Denken als een strijkkwartet: variëren op motieven, telkens schijnbaar een stapje verder zijn, maar in wezen draaien om een afwezig middelpunt.

Denken als tekenen, denken als zingen, denken als kamermuziek maken: het blijven wat machteloze beelden om het unieke van Valéry’s schrijven in zijn Cahiers te benoemen. Die Cahiers bevatten de dagelijkse, haast dwangmatig herhaalde openbaring van een bewustzijn. Het voortdurende verschijnen én bevestigen van een ik - een soeverein ik.

Bernard Dewulf over de Cahiers van Paul Valéry bij Deus Ex Machina – 18/5/2014


zondag 18 mei 2014

Korte geschiedenis van het knipperen met de ogen - Frank de Crits



Twee


korte geschiedenis van het knipperen met de ogen


eerst was er het oog dat knipperde
dan deed het onbeleefd onbeschoft dingen
onbeleefd onbeschoft deed het dingen
die de goegemeente helemaal niet bevielen
dan was er die gebroken knipoog
van het staren naar de ruimte
het storen van de oneindigheid
braad ze in olijfolie goed aan even sudderen
iemand:niemand doet iemand iets
de wimpers hadden wat anders te doen
zoals opgemaakt worden een ooglijn trekken
en kort knippen heb je dat ooit al eens
gezien man vrouw met zonder wimpers
afschuwelijk ze kunnen niet eens knipogen
ze zijn als muggen zonder vleugels hulpeloos
kikvorsen zonder poten
die zijn overheerlijk met
een paar teentjes look overdrijf niet
ze wenken misschien
een weinig verse room erover en dan
knabbelen kluiven ze smaken naar
de enige hen zo vettig
knipperen zei je en ogen wijken niet af
hou daar nu toch eens rekening mee
verwaarloos de wenkbrauwen
ze kunnen niet en nooit knipperen
ha er is een rookpluim aan de horizon cherokees
wimpers smelten
verduisteren de ogen als ze een meisje zien
meisje wordt gelukkig weldra vrouw
hoor hoor iedereen ik knipper niet met
mijn mooie ogen


© Frank de Crits


dinsdag 6 mei 2014

L'Espace du poème

'J’ai l’impression que, de plus en plus, l’humanité d’aujourd’hui vit dans le temps en non dans l’espace. L’espace est nié par les facilités de transport. L’espace est en train de rétrécir complètement et le temps domine. Ce qui est paradoxal, c’est que depuis que le temps domine, plus personne n’a de temps.

Vindplaats: Bernard Noël, in ‘L’espace du poème’ – entretiens avec Dominique Sampiero, P.OL. 1998

Rubriek: Citaat/Citaten

maandag 5 mei 2014

Zandloper

Op de agenda: Poëziecentrum - 17/5/2014 - De trage zandloper van het geluk

Over het literaire werk van Digther-redacteur Frank Decerf verscheen begin dit jaar bij VKH Torhout de monografie De trage zandloper van het geluk van de hand van dichter, essayist en criticus Guy van Hoof.
Op zaterdag 17 mei wordt het boekje ook nog 's in het Poëziecentrum voorgesteld. Inleider en interviewer van dienst is Paul Rigolle, zoals bekend ook al een Digther-adept.

Praktisch:
Datum + uur: zaterdag 17 mei om 15 uur
Locatie: Poëziecentrum, Vrijdagmarkt 36, 9000 Gent
Toegang: gratis
Reservatie noodzakelijk: hoof.guy.van@skynet.be
Een organisatie van VKH Torhout
Link Poëziecentrum

zondag 4 mei 2014

De tranen van de dichters - Hugo Verstraeten

De dichter likt zijn wonden en houdt ze open …(HV)

Al sedert de uitstap uit het aards paradijs liep het behoorlijk fout. Adam beet dan wel in de appel afkomstig van de boom van kennis van Goed en Kwaad, onze onschuld waren we kwijt, voorgoed. Eva had altijd al iets samenzweerderigs met duistere krachten: het occulte (cultuur) als tegenhanger van onze natuurlijke staat. We vielen niet meer samen met onze paradijselijke natuur en met onszelf. Paradise lost. Sedertdien proberen dichters de kloof die ontstond tussen henzelf en de wereld met taal te dichten. Symbolisch zegt de één. Tevergeefs beweert een ander. We lopen in de schaduw van wat ooit geweest is: het échte leven in de volheid van het ‘nu’. Zelfbewustzijn en een geweten vielen ons ten deel. Echter ook schuld en een niet nader te bepalen angst. Achter het spleen en het heimweezieke gevoel van onbehagen is de zon nog maar zelden te zien. Gezegend hij die al fluitend door dit leven wandelt. Want hem is het rijk der hemelen.

Herman De Coninck had gelijk: uit (over) puur geluk is nog nooit een goed gedicht geschreven. Verhalen over geluk - literair of niet - leiden hooguit tot een beleefde binnensmondse geeuw. Op het ogenblik dat ik dit schrijf is de nieuwste Brusselmans uit, de zoveelste. ‘Poppy en Eddie’ is het relaas van een op de klippen gelopen huwelijk, de eenzaamheid die er op volgt en de kanker die is vastgesteld bij de ex van de schrijver. Buiten wat geschuif met schuilnamen is het autobiografische nooit ver weg. Miserie als corebusiness van schrijvers die beseffen dat er een markt is voor ongeluk.

Waarom is de pen van de schrijver/dichter toch altijd gedrenkt in tranen? Van waar die vlucht uit de grijzigheid van het dagelijkse geluk? Waarom nemen gevoelens van (zelf)verlies en (zelf)vervreemding zo ’n pertinente plaats in binnen het oeuvre van schrijvers? Waarom getuigen zij zo vaak van verbrokkeling en discontinuïteit? Waar begint de werkelijkheid en stopt de mythe van de schrijver die zijn pen gebruikt als een mes om in onze huid te kerven?

Volgens Sigmund Freud is de dichter een geslaagd neuroticus, voor Rutger Kopland is er juist veel geestelijke gezondheid nodig om een gedicht te schrijven. Misschien verschillen zij van mening, misschien bedoelen zij hetzelfde. De uitspraak van Freud krijgt enig perspectief wanneer we haar toetsen aan een andere quote van hem, nl. dat het er in de psychotherapie op aan komt pathologisch lijden te vervangen door de gewone dagelijkse ellende. Allen. Neurotisch. Dus.

Uit de ouders welzijn & geluk is nooit een voldragen gedicht geboren. Soit. De Coninck zal daar als literaire goeroe wel enig uitzicht op hebben gehad. Mais chaque train peut cacher un autre: wie puur gelukkig is – lees verzoend is met zichzelf en met de wereld – schildert geen doeken, schrijft geen gedichten. Het engagement van deze lieden is het leven zelf. Daar hebben zij al de handen aan vol, laat staan er nog een pen of een borstel mee vast te houden. Voor hen is het leven lief en het lijden zacht. Zij lezen romans van Aster Berkhof en de kookboeken van Jeroen Meus. Het wat systematischer bestuderen van schrijversbiografieën kan interessante inzichten opleveren. Hoe verhouden de jeugdtrauma’ s van Claus zich bijvoorbeeld tot zijn latere werk? Tot zijn problematische partnerkeuzes? Geven zij een verklaring waarom elke uiting van emotie uit zijn werk ‘angstvallig’ is geweerd? Een goed deel van de poëzie van Eddy Van Vliet leest als een zoektocht, een positiebepaling van de zoon ten opzichte van de altijd afwezige vader (om maar twee tenoren uit het Vlaamse literaire landschap te noemen).

Schrijvers zijn dolende zielen op zoek naar hun verloren paradijzen:

…/ Hier liet ze mij gebeuren.
Ze gaf zich één keer en
zo fataal aan me bloot


dat ik nu nog naar
dit leven kruip
als naar haar schoot.

(HV Uit ‘Een moeder’ – Verzamelde gezichten 1997)


Leven is omgaan met verlies. Permanent gaan paradijzen verloren. Het paradijs van de moederschoot, het paradijs van de kindertijd, imaginair of niet. Het verlies van onze onschuld, van onze integriteit. De liefde die niet aan het ideaalbeeld kan beantwoorden, het leven zelf dat ons toch altijd weer uit de handen glipt. Zelfs de dood belooft geen paradijs meer met engelen en gouden lepels of maagden die ons op onze wenken bedienen. De dood is het volstrekte niets – het meest ultieme verlies. Geboren worden om dood te gaan, het vergt Sysiphusarbeid om met het absurde ervan om te gaan.

In het spanningsveld tussen het absurde en het leven dat desondanks dient geleefd te worden ontstaat kunst. Als de verantwoordelijkheid van de kunstenaar om te verzoenen wat in werkelijkheid niet verzoenbaar is. In de slipstream van het ‘desondanks’.

Het leven kondigt zich voor een kind toch niet aan als een probleem? Wij klitten toch aan dit leven als een oester aan haar schelp ? ‘Hechting’ is toch het antwoord, weg van de absurditeit?

De eenentwintigste eeuw lijkt wel de eeuw te worden die in het teken staat van binding, verbondenheid en solidariteit: hechting, daar gaat het om. ‘Hechting’ vertaalt nog het best als het ontwikkelen van een basisvertrouwen in zichzelf en in de wereld. Dit basisvertrouwen ontstaat in de vroegste kindertijd. De vorige eeuw met zijn neoliberale moraal van individualisme en zelfontplooiing heeft ons echter serieus uit koers geslagen. We zijn samen met de grote verhalen tegelijk de grotere verbanden kwijt. We hebben dan wel meer individuele vrijheid verworven maar weten niet goed wat daarmee aan te vangen. We zijn onveilig gehecht. Missen het gevoel opgenomen te zijn in iets wat ons overstijgt. Het paradijs zijn we sedert de Verlichting een zoveelste keer kwijtgeraakt. We drijven op een gevoel van existentiële leegte. Om Werner Schwab te citeren: ‘We worden ongevraagd het leven in gevogeld en kunnen zelfs niet vliegen.’

Zijn dichters onveilig gehecht?

Naar schatting is 50 % van de bevolking onveilig gehecht. Ik vermoed dat het overgrote deel van de dichters tot dit segment behoort. Met het verder uiteenvallen van het kerngezin en de hoger genoemde grotere verbanden valt te vrezen dat het percentage onveilig gehechte personen nog zal toenemen. We moeten ons bij die onveilige hechting niet direct extreme vormen van verwaarlozing voorstellen. Opvoeding is een subtiel interactioneel spel van betekenissen en betekenisgeving. Een spel van spiegelingen dat van persoon tot persoon, van tijd tot tijd, van situatie tot situatie kan verschillen. Opgroeien binnen één gezin betekent geenszins dat men dezelfde spiegelingen krijgt.

Wat vast staat is dat we onze identiteit voor een kapitaal deel ontlenen aan de blik van de ander: ‘ik‘ gezien door de ogen van de ander. De kwaliteit van onze vroegste relaties installeert een patroon waarmee we als volwassenen relaties en het leven in het algemeen bekijken en beleven. Volgens psycholoog Paul Verhaeghe ligt de identiteit van een pasgeborene besloten in de fantasieën en angsten van de moeder. De psychologische praktijk laat zien dat veel belangrijke en intieme (liefdes)relaties niet zelden gepaard gaan met macht en terreur. Ook de relaties tussen ouders en hun kinderen. Identiteit is altijd het tijdelijke resultaat van de wisselwerking tussen samenvallen (identificatie) en afstand nemen (separatie). Dit proces verloopt grotendeels onbewust en ontsnapt ten dele aan onze controle. Onze identiteit is geen eenmalige vastliggende status. Hij ontstaat als een puzzel die we aan anderen hebben ontleend. (Rimbaud: ‘Je est un autre’.) Daardoor ontstaat een gevoel van verbrokkeling en vervreemding: wie ben ik echt? Wat komt van mezelf, wat van een ander?

Het modernisme is bij uitstek de uiting van die verbrokkeling, van zelfvervreemding, van identiteitsverlies. Het legt de ervaring bloot van discontinuïteit en incongruentie: ik val niet meer samen met de wereld en met mezelf. Het verdriet van de dichters heeft met die verbrokkeling en met die dissociatie te maken. Hetzelfde kan echter van psychotische patiënten gezegd. Alleen is er bij schrijvers en kunstenaars in het algemeen het element van controle: de dichter is een psychoticus die zijn waanzin beheer(s)t. Daarom is elk gedicht nooit louter een psychogram van de allerindividueelste emoties. Dichters zijn niet op zoek om de werkelijkheid weer te geven zoals ze is. Ze geven die weer in geruststellende vaststellingen. Poëtisch. Volgens wetmatigheden die verankerd zitten in de taal. Onlangs stuurde een studente van me een reeks gedichten door, ondanks de waarschuwing dat ik eerlijk zou zijn in mijn repliek. De gedichten zijn zo uit een dagboek geplukt en van een hartverwarmende eerlijkheid. Alleen: het zijn geen gedichten, hoe eerlijk ook.

Identificatie en separatie: nabijheid en afstand nemen, we vinden ze, in wisselende verhoudingen, in elk gedicht terug. Het zijn twee assen, twee coördinaten waardoor veel combinaties, ‘stijlen’ of liever ‘perspectieven’ ontstaan. Er is afstand nodig (taal) om het gedicht te behoeden voor te veel tranerigheid. Er is tegelijk nabijheid nodig om ons te kunnen identificeren met wat in het gedicht gebeurt.

.../ Moeders wenen
uit hun benen. Hij was
de eerste traan.
/..
(HV uit: (zonder titel) – Verzamelde gezichten 1997)


Er wordt wat afgeweend in gedichten. Het is echter een gestructureerd wenen. De dichter likt zijn wonden en houdt ze tegelijk open. Het gedicht biedt geen oplossingen. Althans niet op het reële niveau. Het is een vlucht uit de realiteit. Elke dichter liegt zijn waarheid. Er is afstand voor nodig én nabijheid, in een paradoxale spanning. Over de noodzakelijke verhouding tussen beide wordt in elk gedicht beslist. Uit puur geluk is nog nooit een degelijk gedicht ontstaan. Uit puur ongeluk evenmin.

Hugo Verstraeten

zondag 27 april 2014

Niet ergens - Philippe Cailliau


Het is niet zo maar ergens
dat dromen kunnen sterven.
Gisteren viel je in bed in slaap
en bleef je leven. In de nacht
trilden de bomen in de storm.
Bronzen beefden.

Het ochtenduur stond vanaf toen
op scherp en ging voorbij.

Je droomt nu kilo’s van je ribben.
De zwaartekracht van leugens en
geheimen blijft vergeefs verborgen
voor genode gasten die nochtans in
jou niet verder kunnen binnenstappen
dan je regenjas.


©Philippe Cailliau

(Uit: Niets verloren, Kleinood & Grootzeer, september 2014)


donderdag 24 april 2014

Wintertuinen - Philippe Cailliau


Het sneeuwt. Elfen dansen
in verlichte wintertuinen
en scheppen zout weg.

Zij droomt een venijnige
grammatica die onder haar
donsdeken ligt te rijpen.

Bedekt met zonnepanelen,
met canvas is haar ziel.
Het is niet al goud.


©Philippe Cailliau

(Uit: Niets verloren, Kleinood & Grootzeer, september 2014)


dinsdag 22 april 2014

Clairmonde - Philippe Cailliau


Zo schuurt de dag voorbij de deur, de
ruggengraat waarmee jij reist in nachten
en in buiten. Zo zal de voedselberg
gekend zijn per voorbij seizoen en
wordt de droge mond geledigd
met een mes. De honger siert.
Voedzaam in het rijke slijk verborgen.

En alles is van jou, een hele spiegel, kom,
een bord met vragen uit de schaduwkant.
Je licht wat op wanneer je kookt, je voedt
de stieren van je stal. Je fluistert lieve
namen. Geen zwarigheid vind je daarin.

Ze noemen je gezond, Clairmonde, ook als
het masker van de zwangerschap wordt
opgezet om zo met kracht van wet
een stroom van bloedarmoede in te dijken.
Een wereld van verschil: verlichte aarde
voor het huis van ouders zonder kind.

Op je boerderij wil ieder wakker worden.
Overleven achter. Zwoegen heel wat trotse
paren die de zoetvijl over de passie laten gaan.
En zeisensmeders voelen zich de uitgelezen
gidsen van de naderende dood. Die niet adem
halen, die niet meer


©Philippe Cailliau

(Uit: Niets verloren, Kleinood & Grootzeer, september 2014)


zaterdag 19 april 2014

Het buikgevoel van de kenner?

"Maar overleeft goede poëzie dan enkel bij gratie van het buikgevoel van de poëziekenner? En bestaat niet het risico dat ook minder goede poëzie door het buikvlies glipt? Ik durf het te vermoeden. Hoe komt het trouwens, dat het 'net iets anders' in goede poëzie is terug te vinden? Is zoiets aangeboren? Is het omdat 'echte' dichters doorgaans veel poëzie lezen en op die manier de geheime ingrediënten leren zien en gebruiken? Bestaan er workshops voor? En worden die dan gegeven door 'echte' dichters? Moeilijk. Veel vragen roept die stelling van Lucas dus op. Vragen waarop de antwoorden wellicht zullen variëren tussen intuïtief geformuleerde meningen en niet terzake doende praatjes. Ook dat is uniek, net zoals een goed gedicht, of dat nu geschreven is door een echte dichter (ik laat de aanhalingstekens weg, maar jullie begrijpen wel wat ik bedoel) of een liefhebber die misschien wel geïnspireerd werd door de woorden van een docent die nog nooit een gedicht heeft gepubliceerd."

Rubriek: Citaat/Citaten

Vindplaats: "Sven Staelens in een Facebook-berichtop 18/4/2014 n.a.v. deze Facebookstatus van Lucas Hirsch: "Had een tijdje terug een discussie over het volgende: kan en mag je poëzieles/workshops geven als je als docent nog nooit een gedicht hebt geschreven dat uitgegeven/gepubliceerd is? Dat is toch hetzelfde als aan de universiteit lesgeven zonder universitaire graad? Wordt het anders niet een kwestie van de lamme die de blinde leidt?"

woensdag 16 april 2014

Het vanzelfsprekende gedicht

"Hoe dan ook, het is altijd mooi om Frosts gedicht weer eens te horen of te lezen. Frost, de Amerikaans Auden, is erg sterk in het vanzelfsprekende gedicht, de regels die er altijd al lijken te zijn geweest. Misschien is dat wel het kenmerk van een klassiek gedicht: het lijkt er altijd al te zijn geweest".

Rubriek: Citaat/Citaten

Vindplaats: "Huilen om Joost Prinsen" - Weblog de Contrabas

dinsdag 15 april 2014

De cirkel binnen - Philippe Cailliau


Nader
is nog niet nabij.

De cirkel kromt zich
om het huis dat doorbuigt
voor geboorten.

En ik, en ik
ik ben de grijze vader.
De cirkel binnen. Nader.
En nabij.


©Philippe Cailliau

(Uit: Niets verloren, Kleinood & Grootzeer, september 2014)