In de naam van de vader, de moeder en een rondtollende steen
Auteur: Tania Verhelst — tekst: Jan Ducheyne, 1 mei 2026
Auteur: Tania Verhelst — tekst: Jan Ducheyne, 1 mei 2026
© Annika Cannaerts
*De Loekebeer woonde volgens de folklore in beerputten. Hij wordt voorgesteld als een soort weerwolf of kludde en trok nieuwsgierige kinderen de beerput in. De Korenpater lokte kinderen mee in het koren, sneed een grote teen af en liet het bloed in flessen lopen.
.../...
Voorpublicatie uit ‘Pasvormen’, de
debuutbundel van Annika Cannaerts. De bundel is een uitgave van Uitgeverij
Archipel en wordt op zaterdagavond 30 mei 2026 om 19.00 u. voorgesteld in
MadamFortuna Vzw, Sergeysselsstraat 20, 2140 Borgerhout (Antwerpen).
Inschrijven of de bundel bestellen kan via info@uitgeverij-archipel.be.
De avond wordt
ingeleid door Hilde Keteleer. Leen Verheyen gaat in gesprek met de auteur,
terwijl Sebastian Enriques Dierckx zorgt voor de muzikale omlijsting. Daarnaast
verwelkomen we gastdichters Marielle Matthee, Frederik De Cock en Christine van
den Hove
Met een zintuiglijke, beeldrijke taal schrijft Annika Cannaerts poëzie die
onderhuids werkt: beklemmend en onontkoombaar, maar tegelijk teder en helder.
In werelden van sneeuwbollen, ziekenhuiskamers, dierenlichamen en huiselijke
interieurs valt identiteit steeds opnieuw uiteen, terwijl herinneringen zich
herschrijven als een tweede huid.
Het werd een sprankelende voorstelling. Niet in het minst door de bruisende gedichten die Tania Verhelst voor een talrijk opgekomen publiek van vrienden en poëzieminnaars mocht voorlezen. Humor gelardeerd met licht absurde kantjes zijn een zeldzame weldaad in de poëzie. Die kunst verstaat Tania Verhelst als geen ander! Dichter Jan Ducheyne rolde voorts een charmerende en erg duidende inleiding uit over de nieuwe bundel. Eerlang verschijnt de inleidende tekst van Jan integraal op De Schaal van Digther. Waarvoor nu al veel dank! Voorts kozen drie literaire vrienden van Tania een gedicht uit 'In de naam van' en plaatsten daar een eigen gedicht of tekst tegenover. Zo kwamen respectievelijk Frederik Lucien De Laere, Siska Van Daele (van wie binnenkort de debuutroman 'Roerloos' verschijnt bij de Arbeiderspers!!!) en Tom Driesen aan het woord. De gitaar van Veerle D'Hoest maakte het geheel kompleet.
Fijne voorstelling van een wonderlijke bundel! Als
je't ons vraagt spreekt op dit vlak alleen de titel al boekdelen.
© Paul Rigolle voor DSvD
'In de naam van de vader, de moeder en een
rondtollende steen' is een uitgave van Uitgeverij De Zeef.
Een aantal gedichten uit de bundel verschenen eerder ook op De Schaal van Digther. Zie daarvoor deze link. Alle bijdragen aan de Schaal van Digther van Tania Verhelst vind je hier.
![]() |
| Werk van Piet Peere in de Magdalenakerk |
![]() |
| "Na de voorstelling" |
![]() |
| Roel Richelieu Van Londersele namens De Zeef |
![]() |
| Tom Driesen |
![]() |
| Siska Van Daele |
![]() |
![]() |
| Frederik Lucien De Laere |
![]() |
| Kom-Passie |
Vooraleer ik de bundel Spiegel van de ziel van Antoon Van den
Braembussche wat meer probeer te belichten, laat ik hem eerst zelf aan het
woord. Hij situeert zijn bundel op volgende manier: “‘Spiegel van de ziel’ kan
als een sluitstuk worden beschouwd van een mystieke trilogie, die begon met de
bundel Alles komt terug, die aan de eeuwige terugkeer van het gelijke
was gewijd, en De schaduw van Morandi, waarover de Nederlandse
criticus Johan Reijmerink schreef: ‘Wetend dat “het onzegbare onuitroeibaar
is”, heeft hij in deze nieuwe bundel het motto van Vasalis overtuigend gestand
gedaan: “Een dichter vertaalt. Geeft taal aan datgene uit zijn binnenwereld dat
zelf geen woorden heeft.” Van den Braembussche heeft aan het onuitsprekelijke
ingetogen, lichtgevende, loepzuivere woorden gegeven.’”
Laat me toch nog even een omweg maken. Ik vertrek vanuit de vraag: wat is
poëzie? Ik zal het daarbij niet over de formele kanten van de poëzie, d.w.z.
over de poëtica, hebben. Mijn vraag is ontologisch: wat is het wezen van de
poëzie? Wat maakt haar universeel?
In de bundel van Antoon lezen we evenwel:
Ik ben me ervan bewust dat het antwoord op de gestelde vraag enkel
persoonlijk, onvolledig en relatief zal zijn. Poëzie is een complex, vaak
dubbelzinnig gegeven, maar ik durf het in één woord samen te vatten: poëzie is
‘taalritualisatie’. Ik haal het woord bij Christine D’Haen, in een tekst waarin
ze het over James Joyce heeft.
Taal en ritueel. Rituelen appelleren aan de diepste wortels van ons
mens-zijn. Ze typeren de allereerste menselijke beschavingen. Het waren meestal
groepsgebeurtenissen. We weten het ondertussen wel: wat we thans kunstvormen
noemen, maakte toen deel uit van een geheel – het picturale, de enscenering, de
zang en de dans. De poëzie is de erfgename van de zang. Van de adem.
Bij een ritueel kwamen de deelnemers in het sacrale terecht. Ze beleefden en
herbeleefden het sacraal-mythische. Energieën en dynamieken werden opgewekt. Er
is sprake van transgressie, transformatie en trance. Men ging van een
overlevingsmodus naar een staat van exaltatie over. Initiaties, louteringen,
bezweringen en aanroepingen werden betracht. Er werd naar verbondenheid
gestreefd: met de gemeenschap, met de natuurlijke omgeving, met het kosmische.
Ik schreef ‘transgressie’ omdat er grenzen werden overschreden: die van de
werkelijkheid en die van de tijd. In een gedicht uit Antoons bundel met als
titel Black out staan drie regels die ik even uit hun context licht.
Ze schetsen volgens mij de kern van het ritueel gebeuren:
Algemeen genomen zijn we wellicht voor de absolute sacraliteit veel te kritisch geworden. Is de band tussen poëzie en het sacrale (het religieuze, het spirituele, het mystieke) dan verbroken? In begrippen als ‘trance’, ‘extase’ en ‘inspiratie’ komen mystiek en poëzie elkaar tegen. Volgens de Mexicaanse dichter Octavio Paz zou de mystieke ervaring een kanalisering van de poëtische ervaring zijn. Een wat te strikte uitspraak. Ik houd me liever aan wat Van Ostaijen poneerde: poëzie is de laagste trap van de extase. De processen die zich tijdens een ritueel voltrokken, kunnen we herkennen in het schrijfproces, zij het in mineur, minder geëxalteerd. Van de zang blijft de stem over. Het betreft de innerlijke stem, de stem die in de dichter spreekt en die de dichter zich eigen wil maken, een eigen vormgeving wil meegeven. Een stem overigens die zich in allen verscholen houdt. Iedereen kan een dichter zijn.
De poëzie vertegenwoordigt thans een soort tussenwereld die we eigenlijk niet meer in haar volheid als sacraliteit kunnen omschrijven, maar die de sporen ervan onuitwisbaar in zich draagt. In een recente nota schrijft Antoon: ‘Men kan zonder overdrijving beweren dat grote poëzie eruit bestaat een optimale balans te vinden tussen inspiratie en bewerking, tussen hartstocht en distantie, tussen extase en vormbewustzijn, tussen improvisatie en langzame perfectiedrang.’ Ik zou daaraan willen toevoegen dat de poëzie zich laat aanvoelen als een tussengebied waar roes en ontnuchtering, intuïtie en intellect, het profane en het gewijde, het lyrische en het lucide, het individuele en het collectieve met elkaar al dan niet dialectisch in conflict gaan of elkaar aanvullen.
Poëzie begint van zodra we worden geconfronteerd met ervaringen waarbij we
vaststellen dat er voor die ervaring geen woorden bestaan. Wanneer het
sprakeloze ons overvalt, daar begint de poëzie, daar begint onze nood aan
poëzie: momenten van verbijstering, verrukking, passie, vervreemding. Zou dit
de ware, paradoxale uitdaging van de poëzie zijn: woorden vinden voor het
sprakeloze? Waarbij en waarmee de poëzie een grenservaring wordt tussen spreken
en zwijgen? Elke dichter bouwt zich op het witte blad een eigen stilistisch
ritueel op waarbinnen de taal kan worden geregenereerd, herladen en daarmee
weer dichter bij het organische en het fysieke aansluit, dichter bij ‘de ziel’.
De woorden ontmoeten elkaar binnen de context van het gedicht en krijgen een
vrijgeleide. Het woord gaat dan over de schreef van zijn lexicale betekenissen.
Zoals Martinus Nijhoff het formuleerde: woorden zingen zich los van hun
betekenis.
Antoon gaat wat verder en koppelt er een ontmoeting aan:
Het gedicht is voor het woord een adem- en resonantieruimte, een klankbord,
waarbij het sprakeloze zo dicht mogelijk kan worden benaderd – totdat het woord
erin opgaat, stilte wordt en in zijn radicaliteit een ‘unio mystica’ is. Het
sprakeloze is een soort geheimschrift dat door de dichter moet worden
ontcijferd. Zo lezen we in de bundel:
In ‘Modus vivendi’ lezen we gedichten waarin dromen een blijvend verlangen zijn. Dromen die al onze verlangens in zich dragen, die voor ons een levensnoodzaak zijn:
Zoals in al zijn bundels
vormen kunst en kunstenaars de terugkerende lijn in ‘Spiegel van de ziel’:
Johan Clarysse, Paul Klee, fotograaf Christian Clauwers, Sofie Muller, Billie
Holiday, Leonard Cohen, Arvo Pärt. Gedichten zijn opgedragen aan Paul Rigolle,
Wittgenstein, Joannes Késenne, compagnon de route Gerrit Anquinet, poolreiziger
Sam Deltour en vriend Pierre Dumont – die op zijn manier ook grenzen heeft
overschreden. Aan elke cyclus gaat een citaat vooraf.
Opvallend is dat de Franse surrealistische en later communistische dichter Paul Éluard (1895–1952) geciteerd wordt en dat een gedicht aan hem is opgedragen. Het is vooral de liefdesdichter die de aandacht krijgt, niet de politieke dichter. Éluard schreef ooit een memorabele poëziebundel, een van de hoogtepunten van de surrealistische poëzie (en zelfs de slogan van de beweging): L’amour la poésie (1929). Zonder komma ertussen, want ze vormden een onverbrekelijk geheel. Poëzie is liefde en liefde is poëzie. Geliefde en gedicht vallen samen.
Al bij al stel ik vast dat deze bundel in het verlengde ligt van zijn vorige bundels. We herkennen de thematiek, die we ook in zijn essayistisch-filosofisch werk terugvinden. Maar ik moet bekennen dat Antoon ook tot iets anders in staat is. Recent verraste hij vriend en vijand met de publicatie van een bundel kindergedichten, kleurrijk geïllustreerd door Marieke Janssen. Gedichten voor kinderen van 5 tot 105 jaar. Hij gaf die uit onder zijn vroegere schuilnaam Tonko Brem. Een kort gedicht daaruit, ‘Toverformule’. Misschien niet het meest representatieve, maar wel het meest speelse:
De poëzie van Antoon staat niet los van de werkelijkheid. Zijn poëzie gaat vele wegen uit. Ook in deze bundel laat hij zich van een andere kant zien, met name in het gedicht ‘Nooit meer oorlog’ (dat eerder al in een Engelse vertaling verscheen) en dat de epiloog van de bundel vormt. Een rijmend gedicht waarin uitdrukking wordt gegeven aan de verontwaardiging over wat er in Gaza is gebeurd en nog altijd gebeurt. En dat ongewild vooruitloopt op wat er thans in Iran gaande is. En we vergeten Oekraïne niet. Het beschrijft hoe oorlog de menselijke ziel doet ontaarden en hoe machteloos dichters moeten toezien:
‘Desondanks’ lijkt me hier het
belangrijkste woord: desondanks alles moet er verder poëzie geschreven worden.
Onlangs las ik bij de Franse dichter Pierre Garnier het volgende: ‘Le mot n’est
pas un outil, c’est un être.’ ‘Het woord is geen gebruiksvoorwerp, maar een
zijn.’ De huidige situatie maakt het nog erger: het woord is opnieuw een te
misbruiken voorwerp geworden, waarbij het onderscheid tussen leugen en feit op
cynische, retorische wijze wegvalt. Hadden we dat al niet eerder meegemaakt?
Wat is oorlog? Onder meer dat
de taal de mond wordt dichtgesnoerd. In dergelijke oorlogstijden moeten
dichters blijvend de waakhonden van de taal zijn. Een wereld zonder enige vorm
van poëzie is een geamputeerde wereld, een niet-wereld.
Poëzie lezen, dames en heren,
dat zijn twee lichamen, twee innerlijkheden die elkaar ontmoeten: de ziel van
poëzie is een uitgestoken hand. Zo ook de poëzie van Antoon Van den
Braembussche.
![]() |
| Antoon Van Den Braembussche - Foto © Sammy Roelant |
![]() |
| De Snuffel- zo 26/4/2026 |
![]() | |
| 'Na de voorstelling' - Antoon Van Den Braembussche (l) en Alain Delmotte - Foto ©
|