maandag 26 oktober 2020

Het gat in een woord - De laureaten zijn bekend


Sinds dit weekend zijn de laureaten van de 12° editie van de Poemtata Poëziewedstrijd bekend. En daar zitten een aantal onverwachte namen tussen. De uitslag:

1ste prijs: Jacqueline Legierse
2de prijs: Rudy Dejonckheere
3de prijs: Anneke
Wasscher  

De 7 eervolle vermeldingen zijn in alfabetische volgorde:
Erika De Stercke, Amadeo Dierickx, Philippe Jacobs, Jenny Anna Linde, Herman Rohaert, Gérard Scharn en Wim Vandeleene.

Gezien de covid-perikelen, kan de organisatie nog geen evenement aankondigen waarop de laureaten nog uitgebreid gehuldigd worden. Maar dit komt nog wel, Poemtata houdt ons op de hoogte.

De jury bestond uit: Kristien De Vos, Sven De Scheemaeker en de dichters Christophe Vekeman en Dorien De Vylder.
 
Alle geselecteerde gedichten en die van de laureaten kunnen worden nagelezen in de gelegenheidsbundel Het gat in een woord. Maak €11 + €4 verzendkosten (B en NL) over op rek. van Vergauwe Paul/Poemtata: Iban BE67 9733 4770 1887- Bic : ARSPBE22 indien je de bundel met de post wil ontvangen. (B en Nl). 

Wanneer je de bundel zelf afhaalt in het Poëziecentrum, Vrijdagmarkt 36, 9000 Gent ontvang je een leuk poëziegeschenk! Gelieve in beide gevallen wel vooraf je bestelling door te mailen naar poemtatapoezie@gmail.com en te betalen via overschrijving. 

Geef toe: dit is alweer naar goeie Poemtata-traditie poëzie voor een prijsje! De bundel is beschikbaar omstreeks 15 december 2020. De opbrengst van de verkoop wordt door Poemtata volledig gebruikt om poëziemanifestaties voor volwassenen en kinderen te financieren.  

Alle info: Poemtata.be  

(P.R.)

 

 

 

zondag 25 oktober 2020

Winter neemt in woorden toe - Christiaan Germonpré

Winter neemt in woorden toe:
een tak lost een blad, rust in het geheugen.
Zo stapelen wij dood, eenzaam geluid,
ruimte binnen de grenzen van onze huid.

Het najaar verteert een vis;
meeuwen stuiven op het wak voor ons uit,
laten een spoor van verlangen na.
Het zilver in het onvoltooide verdrijft weldra
elke metafoor; alleen verte waait ons toe.

Muziek, vergetelheid ligt op het meer,
onaangetast; troost wordt in het netvlies
van de forel bewaard.

Wij dachten op tweespraak, verlies,
nu de tijd de trage gedachtengang van ijs openbaart.
Stilte wordt licht verschoven, keer op keer.


© Christiaan Germonpré
(°Roeselare, 07 september 1950 - Kortrijk, 13 oktober 2020)

Gisteren werd in Kortrijk met onder meer dit gedicht
in intieme kring afscheid genomen van Christiaan.
 




donderdag 22 oktober 2020

Breek uit je standbeeld - Bert Struyvé

maak een vliegtuig met alleen staanplaatsen
de thuishaven voor minder vluchten
maak ook je koffer leeg, de helft gebruik je niet
en de andere helft zit in je hoofd

misschien kan je scharnieren voor je botten
maken, die bij droogte niet gaan knerpen
in de kracht van smeerolie als afkoeling

laat je hoofd zwellen tot warmtebestendig
voel de branding door je hersenen dreunen
en relax van doodtij voor de eb inzet

ach, misschien ga je als geslaagde luchtfietser
de herinnering in, als je maar met een baton
de sirene tot muzikale echo weet te dirigeren

Joop Zoetemelk zei het al: Parijs is nog ver
schrijf het klein in de kantlijn van je bucketlist


© Bert Struyvé




woensdag 21 oktober 2020

Een druppel van verzet - Bert Struyvé

al stop je hem als herinnering
in de grond, ook een tong en een bot
kunnen ogen openen, net boven het zand
waar je in water schrijdend kunt waden

het is het einde van de veertiende maand
voorbij het douceurtje, meer dan
een lening, waarin zijn duizend bloemen zwemmen

geef hem de laatste like
aandacht ontluikt veel mensen
die toch al gewend zijn naar alles te knikken

of het gekweekt vlees is, vraagt iemand
ach, morgen zal het dak zich sluiten

er lekt dan niets meer naar boven


© Bert Struyvé




dinsdag 20 oktober 2020

Binnenhuisklimaat - Bert Struyvé

het is begonnen
toen de zon buiten met kracht scheen
achter de strak gemetselde muur
en het ijs binnen deed wat het kon

waar de bewoners zich vanouds veilig achtten
hoewel kruiend haaks
verbonden met scheuren die wegschieten

toen hun gebed niet aansloeg
de mond zich met water begon te vullen, begrip verdronk
en de huid zich in steeds meer warmte verloor
wilden de bewoners eigenlijk wel

dat
ja, wat eigenlijk?
een uitvergroting gedraagt zich zelden toegeeflijk

maar valt in het niet
bij het achteloos verkleinen van verandering
tussen duim en wijsvinger


© Bert Struyvé




maandag 19 oktober 2020

Een elegie voor het verglijden

Toen gisteren nog vandaag was - Nieuwe dichtbundel van Marleen de Crée

Dat hardnekkige en onzichtbare Corona-virus speelt tegenwoordig wel elke voorstelling van een nieuw boek of bundel parten. Ook de nieuwste dichtbundel ‘Toen gisteren nog vandaag was’ van Marleen De Crée, ondertussen een dichter met een oeuvre dat niet te geringschatten valt, kan niet op een gewone voorstelling rekenen. Maar geen nood hoor, het boek is er! En het moet, wat ons betreft geproefd en gelezen worden!

…/…

“Als dichters aan het zingen gaan, dan tintelen de bladeren gedurig na. Toen gisteren nog vandaag was,

het mos nog zong en – met dauw in het hart – op het leven lag te wachten, daar ontstond de partituur. Hier klinkt het lied van stilstaande klokken, brengt de getijden van de wijs. Marleen de Crée dicht buitengewoon standvastig een elegie voor het verglijden. Dat van het leven vooral het voelen overblijft, van de tover de huiver, over ieder verhaal ontegenzeggelijk een doek valt. De woorden zwenken terug naar zichzelf alsof / ze ooit over wolken waren gekomen, / over rollende lucht, onvast en ijl. Een cyclus waarin de zon het wit van het blad afknalt, als evenzoveel briefkaarten over bos, zand en van de regen vallende bladeren. Een cyclus als een requiem voor een vriendin, geen lacrimosa maar
het fijne waaien van een lied, / dun gefluister, oor tegen mond
. En daartussen, als een blauwe schaduw – ver¬hullend en verzwijgend – de buitenwereld met zijn soms dreigende, soms donkere en ongelukkige levens. De zorgen, het boos worden, het mededogen. Het is de zuivere aandacht die van deze poëzie de deuren wijd open zet. Elke aankomst baart in zich een vertrek.”

Een gedicht uit de bundel:

Bladtijd


dit is het blad van alle bladeren
die vallen bij regen, zweven op
de tonen van een avondlied
drupsgewijs en zwijgzaam.

dat ene blad, het mijne, een gedachte
met een gezicht dat droomt
van licht dat door de aderen
suist naar even stilstaan,

naar rust in een kleed van tijd,
een gezang in de vorm van duren,
toen uren en maten nog niet

door de bomen gleden, alles wit
was en een blad nog op het hart
kon wegen met een gevoel van spijt.


© Marleen de Crée


De bundel is een uitgave van Uitgeverij P en kan aldaar besteld
via overschrijving van 17 euro + 3,50 euro portkosten op
rek.nr. BE08 4310 5290 8113 (Uitgeverij P) 

Extern:
De aanstekelijke hoop in de lockdown van Marleen de Cree bij Poëzie Centraal 

 







 

Marleen de Crée (Bree, 1941) werd talrijke malen onderscheiden, o.a. met de Provinciale Prijs van Antwerpen voor Poëzie, de Maurice Gilliams- en de August Beernaertprijs (KANTL) en de Prijs van de Vlaamse Poëziedagen. Zij publiceerde een 25-tal dichtbundels en twee verzamelbundels. Haar gedichten werden opgenomen in talrijke tijdschriften, bloemlezingen en in bibliofiele projecten met grafici en fotografen. Haar poëzie werd vertaald in het Frans, Engels en Duits. 

…/…

(Foto Marleen de Crée: Paul Rigolle, 2018)


donderdag 15 oktober 2020

Dichter Christiaan Germonpré overleden

 I.M. Christiaan Germonpré (Roeselare 7/9/1950 - Kortrijk 13/10/2020)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

In Kortrijk waar hij sinds jaar en dag woonde en vrijwel zijn hele beroepsleven werkzaam was als medewerker van de Bib, nam dichter Christiaan Germonpré dinsdag 13/10/2020 laatst op een waardige en serene manier afscheid van een rijkgevuld en poëtisch leven.

Christiaan Germonpré debuteerde als dichter in het jaar 1978 met de bundel Voor de losprijs van warmte. Er volgden nog zeven dichtbundels waarvan zijn bundels Tweespraak (1990) en Onsterfelijk blauw (1995) die werden uitgegeven door het Poëziecentrum smaakmakend waren. Met Ik verzend mezelf als een ansichtkaart, uitgegeven door Facet, bracht hij in 1998 een selectie van de gedichten samen die hij schreef voor de jeugd. Daaruit werden er door Gerrit Komrij drie opgenomen in zijn bekende bloemlezing De Nederlandse kinderpoëzie in 1000 en enige gedichten. Ook in Hotel New Flanders staat een gedicht van Christiaan.

Van het jaar 1988 tot 2000 was Christiaan Germonpré redacteur van de bekende VWS-cahiers. Zelf schreef hij zeven van deze essays over de West-Vlaamse literatuur. Met Tussen hemel en aarde publiceerde hij in 1995 een studie over kermissen en circussen in Kortrijk. Belangrijk waren en zijn ook zijn vertalingen van het poëtisch werk van Hilde Domin en Rita Dove. Hij vertaalde voorts ook een groot aantal gedichten van Duitse auteurs zoals Karl Krolow, Ingeborg Bachmann, en Michael Krüger. Hij leverde tevens een hele resem artikels aan allerhande literaire tijdschriften. Peter Aspeslagh bezorgde voor Arhus en de Roeselaarse Auteurs een uitgebreide bibliografie en Julien Vermeulen schreef in het jaar 2002 een VWS-Cahier dat vakkundig inzoomde op het werk van Christiaan. De literaire productie van Christiaan Germonpré vertraagde toen, al in het jaar 2000, bij hem de meedogenloze ziekte MS werd vastgesteld. 

Even werd overwogen om het verzameld werk van hem uit te geven maar dat is er uiteindelijk niet van gekomen. Er schuilt veel stilte en inkeer in zijn poëzie, zonder gebruik van veel grote woorden, iets wat hem zelf in het dagelijks leven ook typeerde. Al kon zijn lach af en toe luid doorheen het huis galmen.

In mijn bibliotheek staan zijn gedichten blijvend (en beklijvend) tussen die van Gerlach en Gezelle. Ik herinner mij in Christiaan graag een man die, ondanks zijn ziekte, moedig als hij was, tot op het laatst gedreven en alert was en een bijzonder goed oog had voor nieuwe poëzie en publicaties. Daarover was het met hem altijd aardig en geregeld fel badineren (en soms ook wat ongegeneerd roddelen). Afspreken op de afrit Zwevegem aan het rondpunt van Cowboy Henk in het Zuiden van Kortrijk, af en toe op zondagmiddag in het Walle van Hugo Claus ‘tartaar van kalfsmuis met verse kikkerhammetjes en Poperingse hopscheuten' savoureren, het bladeren in fotoalbums over New York en Canada en gesprekken over leven en werk en de kat Wilma, het zijn enkele van de vele herinneringen die we blijvend koesteren.

De voltallige vriendenkring en het bestuur van de VWS bieden Chantal, de familie en de vele vrienden haar diepste gevoelens van deelneming aan.

.../...

Verbond

Wat je gade slaat, wordt opgespaard
Winterkou maakt de lorken gedachteloos.
In hun takken het stil gebaar, de afreis
van het roze in uitdeinend grijs.

We staan als bomen naast elkaar geplant,
zonder schaduw, als een eeuwig verbond
in de grootsprakerigheid van het heelal.
We zwijgen, hand in hand.

En hoe het vaderbeeld steeds in mij opduikt:
de harde handdruk, de afgewogen glimlach,
de nooit uitgesproken zinnen. Geluk

werd voorgelogen. Alleen nadrukkelijk gezag
ondermijnde mijn taal. Toch blijf jij
het voegwoord ‘en’ in mijn levensverhaal.

© Christiaan Germonpré

Uit Onsterfelijk blauw, Poëziecentrum, 1995

.../...

Hilde Sabbe die Christiaan in haar Kortrijkse jaren goed gekend heeft schreef op haar Facebookbladzijde een pakkend en typerend herinneringsbericht dat we hier graag met haar toestemming publiceren.

Ik moet een jaar of 24 geweest zijn toen ik hem voor het eerst ontmoette, boven in wat toen nog ‘t Salonske was op de hoek van de Kortrijkse Grote Markt. Ik at er vaak een dagschotel.

Die dag was er geen plaats meer vrij, maar Roland wees naar een tafeltje waar een jonge man met rossig haar en een vriendelijk gezicht alleen zat te eten. Of ik erbij mocht komen zitten? Hij verschoot van kleur, kuchte zenuwachtig maar noodde me toch tot aanschuiven. We deelden het middagmaal hoofdzakelijk in een wat ongemakkelijke stilte, want hij was verlegen als hij je niet kende, en introvert.

Bij een volgende ontmoeting leerde ik dat hij in de bieb werkte, en fraaie, vaak weemoedige gedichten schreef. Er groeide een warme vriendschap tussen ons. Ik hield van zijn beminnelijke zachtmoedigheid, en ik vermoed dat hij mij een soms wat roekeloze spring in ‘t veld vond. Maar elkaar vonden we altijd.

Twintig jaar geleden kreeg hij de vreselijke ziekte MS. Als ik hem in K bezocht - altijd minder dan ik van plan was of wilde- werd ik diep getroffen door de kalme waardigheid waarmee hij zijn lot droeg. Hij ging niet schelden of drinken, werd niet verbitterd, maar onderging het min of meer gelaten. Gelukkig kon hij altijd rekenen op de steun en aanwezigheid van zijn vrouw die ‘for better and worse’ letterlijk nam. Ze gaf zin aan zijn dagen, hoe lastig ook.

Nu is hij dood. De wereld is weer een beetje killer en schraler geworden.

Dag Christiaan, dankjewel voor alles.


Op zaterdag 24/10/2020 wordt in intieme kring en rekening houdend met beperkende Corona-maatregelen afscheid genomen van Christiaan.

.../...
Extern:
Christiaan Germonpré bij DBNL
Christiaan Germonpré bij Auteurslezingen
Bibliografie van Peter Aspeslagh voor Arhus en de Roeselaarse auteurs (pdf-bestand)

Condoleren kan via het Rouwcentrum Deseyne en wel via deze link.

Dit bericht verscheen in eerste instantie op 'Dun lied donkere draad', de blog van de VWS.

(Paul Rigolle)
 


dinsdag 13 oktober 2020

I.M. John Heuzel - Bezieler van Kruispunt

In Brugge is verleden week woensdag 7/10/2020 John Heuzel overleden. John was de bezieler van het literair tijdschrift Kruispunt dat in de periode 1959 - 2005 een aparte plaats verwierf in de literaire wereld. Het tijdschrift evolueerde tot een tijdschrift in boekvorm en publiceerde regelmatig themanummers: James Joyce en L.P. Boon werden uitvoerig bedacht evenals IJsland, Zeeland, de Samische literatuur en de Bretonse poëzie van de twintigste eeuw (een tweetalige bloemlezing van Jan Deloof). Vanaf het jaar 2001 had Kruispunt niet langer een werkgroep maar voor het eerst ook een heuse redactie François Boni, Mark Braet, Fa Claes, Jan Deloof, Theo Franssen, M.H. Huisman, Kees Klok, Francis I. Laleman, Dirk Rommens en Lauran Toorians. (Bron: Renaat Ramon, Geschreven tijd).

Voor de VWS-blog 'Dun lied donkere draad' schreef Hendrik Carette een herinneringstekst. Die is hier na te lezen.


Extern:
I.M. John Heuzel - Hendrik Carette - VWS
Herinneringen aan Kruispunt - Kees Klok
Geschreven tijd, Renaat Ramon. Literaire en semi-literaire tijdschriften
in West-Vlaanderen 1805-2005



zondag 11 oktober 2020

Brievenvriendschap - Pieter Drift

In het begin dachten we dat we minimaal tijdelijk onsterfelijk zouden worden. Een contradictio in terminis waar we geen last van hadden. Zeker zouden we nog een aantal generaties na ons gelezen worden. We vroegen ons alleen wel af of we onze brieven moesten bewaren of verbranden vlak voor onze dood. Aan de ene kant wilden we laten zien wat we allemaal geschreven hadden maar aan de andere kant wilden we niet dat iedereen onze roddel en achterklap zou aanschouwen.

Nu weet ik dat het een vraag was waar we ons niet mee bezig hadden hoeven houden. De kans dat ze ongelezen bij het oud papier terecht gaan komen is bijna een zekerheid. Wie gaat onze schrijfsels lezen? Voor ons van onschatbare waarde, zelfs nu ik ze al meer dan vijftien jaar niet meer ingekeken heb. De ordners staan voor passie en vriendschap. Mijn boeken- en muziekcollectie roept een soortgelijk gevoel op. Tegenwoordig streamen mensen muziek en dat is ook prettig maar een fysieke verzameling is meer. Mijn oog heeft het directe contact nodig.

Al jaren schreven wij geen brieven meer aan elkaar en daardoor was er iets verloren gegaan in onze vriendschap. Als we elkaar zagen was het goed maar toen we schreven was er meer. We bezochten elkaar, gaven elkaar een brief, gingen lezen wat de ander geschreven had en daarna begon het bezoek pas. Onze vriendschap zat in de brieven.

Vanmorgen lag er een rouwkaart in het halletje. De enige post van vandaag. Jouw dood was al aangekondigd maar nog niet op papier. Op de voorkant van de kaart stond een schilderij van Rothko. Heel donker met een volrood vlak op een derde van de onderkant. Ik klapte de kaart open en zag het citaat van Nietzsche dat jij altijd al op je rouwkaart had willen hebben: ‘Het voorrecht van de doden is dat ze niet meer behoeven te sterven’.

© Pieter Drift

Over de auteur
Pieter Drift (1967) studeerde in 1991 af aan de kunstacademie te Rotterdam. Hij etst, tekent en schrijft. Zie pieterdrift.nl. Samen met Willem Jakobs vormt hij sinds 2012 een kunstenaarsduo. Werk te vinden op jakobsdrift.nl. Publicaties in o.a. Extaze, Ballustrada, Tijdschrift Ei, De Optimist en Ambrozijn.


maandag 5 oktober 2020

De wereld heeft een naad

Toespraak van Herman Leenders bij de voorstelling van 'Twee Helften' van Tania Verhelst.

Beste Tania
Beste Paul
Beste sympathisanten van het werk van Tania Verhelst

In het allerlaatste nummer van het literaire tijdschrift Plebs, ik vermoed in 2014, zag ik voor het eerst werk van Tania Verhelst. Het nummer was helemaal aan haar werk gewijd en bestond uit sprookjesachtige verhalen geschreven met beelden en woorden, met woorden in de beelden. De beelden deden nog het meeste werk en de woorden waren nog geen zelfstandige gedichten. Linda Dejonghe had de bladen kunstig bijeengebonden met rood garen.

En nu in oktober 2020, zes jaar later, ligt hier dan de eerste bundel van Tania, een bundel waarin woorden de boventoon voeren en waterverfbeelden nog slechts de afdelingen scheiden. Een bundel die opnieuw begint met een verwijzing naar Alice in Wonderland, een figuur die zich verwondert over de wereld waarin ze terechtgekomen is.

De bundel heet ‘Twee helften’ en bevat ook enkele gedichten die eerder zijn opgemerkt in poëziewedstrijden of die ontstonden in het kader van het Brugse stadsdichterschap dat zij begin 2018 van mij heeft overgenomen en dat ze op haar heel eigen dynamische wijze heeft ingevuld met veel aandacht voor en betrokkenheid met haar publiek. Terwijl ik nog een beroep moest doen op andere kunstenaars om mijn gedichten zichtbaarheid te geven (wie wil er – zelfs gratis – een gedicht krijgen dat alleen maar uit saaie woorden bestaat?), kon Tania Verhelst haar eigen stadsgedichten verluchten (lucht geven). Zij schrijft niet alleen gedichten, zij geeft ze ook vorm. Ik benijd haar daarom, zeker als ik moederziel alleen in mijn schrijfkamer zit met niet meer dan een blad of een toetsenbord. Tania Verhelst, dames en heren, heeft geen schrijfkamer maar een atelier, met noorderlicht wellicht, waar het ruikt naar verf en inkt. Zij heeft, zo stel ik mij voor, een immense tekentafel en een draaikruk waarmee zij kan rondzwieren. Zij heeft kwasten, in alle formaten, waarmee zij kan strijken, zij heeft tubes waarin zij mag knijpen. Zij heeft bedreven handen. Zij heeft stiften en potloden voor alle mogelijke ondergronden. Juist!

En wat lees ik in het gedicht ‘over de vloeibaarheid van vriendschap’?

we tekenen lijnen op elkaars huid

Zij heeft dus ook stiften om op mensenhuid te schrijven. Ik voel al de tintelingen tot in mijn tenen, maar dan zegt zij:

we tekenen lijnen op elkaars huid: tot hier en niet verder
het zijn dezelfde lijnen waar de chirurg het mes in zet

Op internet lees ik dat Tania Verhelst in een ziekenhuis werkt. Toch maar oppassen met die Tania Verhelst.

Hier ligt dus een bundel die niet in twee helften uiteenvalt en die niet wordt samengebonden door rood garen. De lijm houdt de bladzijden samen en de gedichten houden de woorden samen. Dat is nodig want mensen blijken uiteen te vallen, zij blijken een naad te hebben, ze zijn niet compleet en intens op zoek naar een wederhelft. En als ze dan al een wederhelft gevonden hebben dan kan er van alles misgaan.

Neem bijvoorbeeld het mooie gedicht: bespiegelingen op een bruidstaart.

Pro memorie: een bruidstaart wordt traditiegetrouw geserveerd op een huwelijk. Een huwelijk wordt met beider instemming kerkelijk of burgerlijk ingezegend op een ogenblik dat het goed gaat tussen de wederhelften: en dat voor immer en altijd.

Aan het woord in dit gedicht is niet het bruidspaar maar de suikeren bruid die op de taart staat. Het suikeren bruidspaar is een afspiegeling van het eigenlijke bruidspaar, en het lot van het suikeren bruidspaar lijkt ook een voorafspiegeling van wat het echte bruidspaar te wachten staat:

straks gaat het licht uit en steekt een man wat sterren aan
zet hij het mes in onze tuin om wat Een is te verdelen
over duizend plastic borden en wij zouden kunnen huilen
maar wij lachen voor de foto’s
jij in je pak van drop en ik in mijn jurk van suiker

Met andere woorden van in den beginne, op de bruiloft al, gaat het mis, wordt versneden wat bij elkaar hoort. De suikeren wederhelften die

…hand in hand
schijnbaar dolgelukkig in het veel te felle licht
staan te smelten

Wat feestelijk is wordt door Tania in Wonderland - op z’n minst - in vraag gesteld. Het bruidspaar werd de zaal ingedragen – Les lacs du Connemara van Michel Sardou schalde door de luidsprekers terwijl de gasten met hun zweetoksels en met hun witte servieten zwaaiden - maar dan gaat onverbiddelijk het mes erin.

Net zoals de chirurg het mes zet op de lijnen die op je huid worden getekend.

De wereld heeft een naad, evenaar genaamd, een paasei heeft een naad, we hebben een haarscheiding, een dag bestaat uit twee helften (dag en nacht), net als onze hersenen en soms worden we van elkaar gescheiden door een (computer)scherm. .. En als we afgesneden zijn, hebben we fantoompijn of littekens.
God heeft de aarde en de mens gemaakt met een lasnaad. 3D was toen blijkbaar nog niet uitgevonden.

In het gedicht ‘tocht’ schrijft Tania Verhelst

…als je een bon uitknipt
komt er een gat voor in de plaats

Met die bon hoop je iets te winnen, maar je krijgt er wel een gat voor in de plaats. Vandaar dat het in een mensenleven kan tochten en dat je een teckel voor de deur moet leggen.

In een ander gedicht (‘wat er van het zilver is’) zegt de dichter over een huwelijk: de schaar (En wat doet een schaar? Juist: knippen!), de schaar “vliegt boven onze hoofden” en even verder in dit gedicht herinnert de ik zich een porseleinen pop die zijn ogen sloot als je hem neerlegde. De ‘ik’ deed dat zo vaak dat het mechaniekje niet meer werkte waarop de ‘ik’ dan maar zijn kop eraf schroefde: op die manier krijg je natuurlijk ook twee helften.

Wie enerzijds twee helften zegt, impliceert anderzijds ook snijden, knippen of uit elkaar trekken: dat zijn pendanten, het hoort bij elkaar. Wat samen is, wil de mens scheiden of in stukken snijden en wat gebroken is wil de mens lijmen of weer repareren. Maar na het knippen is het niet vanzelfsprekend om de twee helften weer aan elkaar te naaien (al dan niet met rood garen), om ze weer naadloos op elkaar te laten aansluiten: de kop en de porseleinen pop noch de wederhelften zullen ooit weer dezelfde zijn als voor de breuk.

Bloemen (ik citeer)

…staan op afgeknipte voet te sterven in hoog water

en wij maar zeggen hoe goed zij er niet uitzien, hoe goed wij er niet uitzien
tot onze kin in hoog water altijd op zoek naar een plot, een motief of een tandwiel

maar passen doen wij niet

De mens is net als een afgeknipte bloem in een vaas, ten gevolge van het doorknippen van de navelstreng op weg naar het onvermijdelijke einde, zoekend naar een manier om dat een zin te geven, proberend om een plaats in een verhaal te verwerven, proberend om zich in te passen in een groter geheel. Het tandwiel solliciteert naar een goede plaats in het raderwerk. Het tandwiel wil nuttig zijn en zoekt het andere tandwiel waarin het past en waarmee het kan functioneren. Zoals een stopcontact bestaat uit een vrouwtje en een mannetje. Geen stroom zonder elkaar.

“Ach, jullie zijn toch niet meer dan een pak kaarten”: zo citeert Tania in het begin van haar bundel Alice in Wonderland. In een titelloos gedicht schrijft Tania Verhelst, verwijzend naar de kaarten van Vrouw en Heer

…onder de gordel van elke helft is geen geslacht
en over de rand van de spiegel val je niet samen met die ander

De Vrouw en Heer van de speelkaarten hebben geen geslacht. Zij spiegelen zichzelf in complete perfectie, vallen volledig samen met zichzelf maar in geslachtloze eenzaamheid. Ze zijn hun eigen wederhelft.

In het gedicht ‘waar het stil is’ komt een stel voor waarvan de dichter zegt

ik ken geen stel dat elkaar zo graag ziet

Het gaat echter om een blind stel dat met witte stokken “als één dier met twee voelsprieten de stoep aftast”. Dus dat heel graag zien is in elk geval niet letterlijk te nemen. En dus lijkt het ironisch dat net deze mensen zo’n goed koppel zijn.

Maar tegelijkertijd is het ook waar: deze mensen zijn inderdaad één lichaam geworden “één dier met twee voelsprieten”, hun radertjes passen perfect in elkaar, ze zijn een mechaniek dat werkt, ze zijn elkaars spiegelbeeld.

In deze bundel van Tania Verhelst zitten nog wel meer verhalen. Ik heb er slechts één verteld, het verhaal dat mij het eerst opviel en het verhaal dat ook de titel van de bundel is geworden. Deze bundel zit vol beelden en observaties die je op een andere manier laten kijken naar jezelf, je partner, de wereld, die je vragen doen stellen, die je te denken geven. Het is een plezier om als een Alice in het werk van Tania Verhelst rond te dwalen, als in een tuin met vele hoeken en kanten. Ik raad jullie aan om dat ook te doen: je zult het je niet beklagen. Je mag het gazon betreden, maar a.u.b. pluk de bloemen niet, knip de gedichten niet uit.

Ik vouw mijn toespraak samen en verdeel de bladen voor altijd in twee helften, (de vouw gaat er nooit meer uit), een bovenkant en een onderkant. Straks loop ik weg met mijn staart die twee benen zijn geworden (een beeld van Tania). Het ene been wil naar links, het andere naar rechts. Ik zou Tania met een kus willen feliciteren, één op haar linkerwang en één op haar rechterwang maar omdat virussen luizen zijn die anderhalve meter ver kunnen springen, doen we dat maar beter niet. Er zijn in deze wereld zo al te weinig goede dichters. Koester haar.


© Herman Leenders

Guido Gezellehuis, Brugge, 3 oktober 2020 coronatijd

Digther-bericht: Voorstelling 'Twee Helften' in het Gezellehuis

'Twee helften' - Het debuut van Tania Verhelst

Tania Verhelst in het Gezellehuis (Zo 4/10/2020)

Zaterdag 3/10/2020 laatst werd in het Brugse Gezellehuis ‘Twee helften’ de debuutbundel van Tania Verhelst voorgesteld. De bundel is een uitgave van Uitgeverij De Zeef, stilaan hét adres voor debuterende dichters om thuis te komen. Het Gezellehuis was de aangewezen locatie voor de voorstelling want multitalent Tania Verhelst die behalve dichter ook plastisch kunstenaar en nog een paar dingen meer is, neemt immers momenteel ook het eerste officiële Stadsdichterschap van de Stad Brugge waar. Met die mooie witte open tent in de Gezelletuin kon alles zaterdag bovendien – met de zorgzame hand op het hart - volledig ‘corona-proof’ verlopen.


Herman Leenders leidde, spits en gevoelig zoals we dat van hem gewoon zijn, de bundel in. Collega-dichters Edward Hoornaert en stadsgenoot Wim Vandeleene, die net als Tania Verhelst deel uitmaken van het dichterscollectief Obsidiaan, lazen voor en er was muziek van Dirk Ooms en Bernard Dewulf. Uitgever en dichter Roel Richelieu Van Londersele overhandigde het eerste exemplaar aan een glunderende én uiteraard terecht heel gelukkige Tania Verhelst. Zij las enkele gedichten uit haar bundel en had tot slot nog een bevlogen dankwoordje voor ons bewaard. Onze cerebrale hemisfeer die zoals de meeste andere dingen niet toevallig ook al uit 'Twee helften' bestaat zag (én hoorde) dat het goed was!

Na de publicatie van haar corona-stadsgedicht 'als de tijd daar is' vroeg Tania Verhelst haar lezers en iedereen die dat wilde, verder te schrijven, beginnende met de mantra 'als de tijd daar is', met de belofte om elk vers van een beeld te voorzien.
Dit stadsdichtersproject van haar resulteerde in een mooie tentoonstelling die in het Gezellehuis nog tot 6 december 2020 kan worden bezocht. Wel reserveren vooraf!

De tekst van zijn inleiding, waarvan iedereen graag zag dat ze achteraf voor alle poëziefanaten bereikbaar bleef, werd ons achteraf door Herman Leenders bezorgd. De tekst is dan ook integraal via deze Digther-blogpost na te lezen. Waarvoor dank!


Extern:
* De wereld heeft een naad - Inleiding Herman Leenders
* Thuissite Uitgeverij De Zeef
* Expo ‘Als de tijd daar is’ – nog tot 6 december 2020
* Als de tijd daar is – Stadsdichtersproject van Tania Verhelst
* Dichterscollectief Obsidiaan
* Thuissite Tania Verhelst
* Thuissite Herman Leenders
* Thuissite Roel Richelieu Van Londersele

Foto's: van boven naar onder:
Tania Verhelst, Edward Hoornaert, Wim Vandeleene en enkele momentopnames uit de tentoonstelling.

(Paul Rigolle)















































vrijdag 2 oktober 2020

Twaalfde poëzieprijs Melopee - Editie 2020

De 21 genomineerde dichters en hun gedichten voor de 12° Editie van 2020 van de Melopee-poëzieprijs van de gemeente Laarne zijn al een tijdje bekend. Ook het gedicht ‘Passanten’ van Maarten Embrechts dat verleden jaar in augustus verscheen op De Schaal van Digther is een van de genomineerde gedichten en ook redactielid Paul Rigolle mag zich met genoegen bij “het zegmaar exquise clubje van de 21” ophouden.

De Melopee-poëzieprijs bekroont al voor de twaalfde keer “het meest beklijvende oorspronkelijke Nederlandstalige gedicht dat het voorbije jaar in één van de geselecteerde Vlaamse literaire tijdschriften” is verschenen. Voor de publieksprijs kun je zelf je stem uitbrengen. (Zie de link onderaan dit bericht).

Info over de vorige edities kun je ook nalezen via dit Schaal van Digther-Label.

Een professionele jury maakte de shortlist van 21 gedichten waaruit de uiteindelijke winnaar gekozen wordt. Die ontvangt een geldprijs van 2500 euro. Het winnende gedicht is een jaar lang te lezen op een grote banner aan de zijgevel van het oud-gemeentehuis in Laarne. De winnaar van de Publieksprijs ontvangt 750 euro. Vorig jaar ging de prijs naar Marc Tritsmans terwijl die van het publiek weggelegd was voor Paul Demets.

Hieronder de 21 genomineerde gedichten die in 2019 verschenen in een Vlaams literair tijdschrift:

Arachnofilie - Frederik Lucien De Laere (Het Liegend Konijn)
De caissière – Benno Barnard (Het Liegend Konijn)
De ene voodoo is de andere niet – Delphine Lecompte  (Het Liegend Konijn)
De teruggekeerde – Maarten Buser  (Het Liegend Konijn)
Fjiet – Arjen Duinker    (DWB)
IJs – Peter Theunynck    (Poëziekrant)
Ik bel mijn moeder – Jan Baeke  (Het Liegend Konijn)
Kamer – Frederik Bosmans   (Deus Ex Machina)
Klaarlichte dag – Paul Bogaert  (Het Liegend Konijn)
Log in, olla vogola! – Jan-Paul Rosenberg   (Deus Ex Machina)
Making the best of it #2 – Gaea Schoeters  (nY)
Merel– Paul Rigolle (De Vallei)
Moeder – Miriam Van hee   (Poëziekrant)
Ontluistering – Anna Enquist    (Het Liegend Konijn)
Over het fundamentalisme van elke openbaring – Filip Rogiers   (Het Liegend Konijn)
Passanten – Maarten Embrechts (De Schaal van Digther)
Transformatie – Marijke Hanegraaf  (Het Liegend Konijn)
Veeg die grijns van je gezicht – Nachoem M. Wijnberg   (DWB)
Vluchtelingenbrieven – Jan Geerts    (Deus Ex Machina)
Wij. hier. nu. ja– Maud Vanhauwaert   (Deus Ex Machina)
Zonder handen, zonder tanden – Tom Lanoye   (Poëziekrant)


De 21 gedichten kunnen nagelezen worden via deze mooie Melopee-Laarne-Link. (pdf-vorm)

Aan de prijs is ook een publieksprijs verbonden. Daarvoor kan u tot en met 1 november uw stem uitbrengen op uw favoriete gedicht via dit stemformulier!

De uitreiking van de Melopee Poëzieprijs gaat door in de Sint-Machariuskerk van Laarne op zondag 29 november 2020
 

Meer info: Laarne - Melopee Poëzieprijs en via deze Facebook-link

donderdag 1 oktober 2020

Uitgeverij Fluxenberg is de naam!

Dichter Johan Wambacq kondigt samen met zijn tweede dichtbundel de oprichting van de nieuwe uitgeverij Fluxenberg aan! Fluxenberg wordt een DIY-platform voor poëzie en andere kunsten.
Het is een samenscholing van Johan Wambacq (redacteur, dichter en initiatiefnemer), Jan Ducheyne (organisator van De Sprekende Ezels, dichter en medeplichtige en Bernard Van Eeghem (theatermaker, beeldend kunstenaar, dichter en medeplichtige).

Over het Waarom van Fluxenberg noteren we onder meer:

Er wordt oneindig veel meer literair werk geschreven dan uitgeverijen of tijdschriften kunnen publiceren. Goed zo! Een groot deel daarvan is nobele liefhebberij. Daarnaast blijft er een segment van waardevol werk dat nooit het licht ziet.
Sommige auteurs nemen hun toevlucht tot een publicatie ‘in eigen beheer’, maar deze uitgaven blijven meestal onzichtbaar. Fluxenberg biedt deze auteurs een professioneel platform, een vitrine waar de uitgaven net iets meer licht krijgen.


Een eerste uitgave is de nieuwe dichtbundel van Wambacq "Waar is mijn hoed?". De bundel is net verschenen!
Nog in het najaar verschijnt ‘Noodzakelijk kwaad – Onvoorwaardelijk Jan Ducheyne’ van dichter en duivel-doet-al en stalmeester van de Brusselse edities van De Sprekende Ezels, Jan Ducheyne.

Johan Wambacq was werkzaam bij de Beursschouwburg (1974-1990) en het Kaaitheater (1993-2015), beide in Brussel. Tussendoor kort in reclame en uitgeverij. Was 36 jaar lang uitgever van het theatertijdschrift Etcetera.
Als dichter debuteerde hij in Het Liegend Konijn (2004) Gedichten verschenen in De Volksverheffing, Poëziekrant en De Brakke Hond. Hij werd genomineerd in de Poëziewedstrijd Oostende (2007-2008 – tweede prijs – en 2013-2014), in de Poëzieprijs Melopee (Laarne) in 2010 en in de Turing Gedichtenwedstrijd 2015 en 2018. Wambacq publiceerde in 2009 Het paleis op de heide, een literaire documentaire over architect Maxime Brunfaut en diens sanatorium van Tombeek, een icoon van het modernisme in België. Rond het boek werd de tv-documentaire Publiek geheim – het sanatorium van Tombeek gemaakt (Canvas 2012). Voorts publiceerde Johan Wambacq in 2015 de bundel Seks, mystiek & urbanisatie, de gecondenseerde neerslag van ruim dertig jaar dichtwerk. ‘Gedichten die stralen van taalplezier’, schreef Maria Barnas in de Volkskrant en ze bedacht de bundel met vier sterren.

Extern:
Uitgeverij Fluxenberg
Johan Wambacq



woensdag 30 september 2020

herinneringsbrief - Hanna Kirsten

het virus hield zich stil
mos onder de sneeuw -
ver weg dachten wij
zwierf het rond

het chinees klokje
de sprookjesachtige magnolia
in maart in bloei

tot zo meteen de herinneringsbrief
van moeder natuur ons uiteendreef
in quarantaine hield

op het jaagpad, langs de berm,
in het open veld met de wilgen
langs de paaiplaats voor snoekbaars en karper -
fuut en blauwe reiger duiken onder

wij fietsen weer eigenwijs
alleen en zij aan zij
dekzand over de afgelegde weg


© Hanna Kirsten


Dit gedicht werd in het kader van het poëzieproject "Poëziepad van A tot Z"
geplaatst op de locatie 'Trekweg 21, Zwevegem' en onthuld op zondag 27 september 2020.




dinsdag 29 september 2020

De kennisboom voorbij - Rik Dereeper

Paradijselijke wortels vroegen geen beloning
om de kruin vol appeltjes te hangen. Dankzij
hoge takken kreeg de Schepper wind te horen,
zag Hij wuifplezier. De laagste takken reikten

naar piepjong gevogelte en uitgefloten zielen,
naar de kortgearmde fruitplukster en al te luie
lekkerbek; hij droomde van een houten ladder
uit de stam waarboven verre vruchten lonkten.

Door zo’n hemels ooft ontstonden klimaapjes,
gezonde tanden, zaadpithandel, bloesemwinst
van gaarden, apfelstrudel, cider, sproeistoffen

en bovenal laagstammigen voor hooggehakte
heksen. Met hun lingerie polijsten zij de schil
en krijsen: wie in appels bijt, krijgt gore schijt.


© Rik Dereeper


Dit gedicht van Rik Dereeper werd bekroond in de poëziewedstrijd
"Poëziepad van A tot Z". Het werd in het kader van het Poëziepad
dat de ouwe spoorwegbedding tussen Avelgem en Zwevegem verbindt,
geplaatst aan het oude station van Sint-Denijs en aldaar onthuld
op zondag 27 september 2020.

 



 



maandag 28 september 2020

Poëziepad van A tot Z - Het vervolg

Gisteren werd in Sint-Denijs, deelgemeente van Zwevegem, na vijf eerdere edities, een nieuw stukje “poëziepad van A tot Z” ingewandeld. Het weer liet het in de nasleep van Storm Odette wat afweten maar de gedichten mochten er zijn!

Ondanks het regenjassenweer viel er in Zuid-West-Vlaanderen een meer dan behoorlijke opkomst te noteren. Het project “Poëzie van A tot Z” plaatst sedert het jaar 2015 elk jaar twee gedichten langs de oude spoorwegbedding van Avelgem tot Zwevegem. De gematerialiseerde gedichten zijn telkens die van de laureaat van de jaarlijkse poëziewedstrijd en het gedicht van de curator en sinds dit jaar het gedicht van de gastdichter. Voor deze editie trad Lut de Block op als curator rond het thema “Zorg voor de aarde”. Als gastdichter had ze Hanna Kirsten uitgenodigd. De andere juryleden waren Joris Denoo, Philip Hoorne, Karlijn Sileghem en Barbara Delft.

Na de welkomstwoorden wanwege de organisatie Marnixring De Vlasschaard las Lut De Block het juryrapport van de wedstrijd van dit jaar. Er waren 161 inzendingen (111 uit Vlaanderen en 50 uit Nederland). Tot winnaar werd met eenparigheid van stemmen Rik Dereeper uit Rollegem uitgeroepen. Zijn gedicht ‘De kennisboom voorbij’ dat meteen ook onthuld werd prijkt nu op de locatie van het oude station van Sint-Denijs. Er was een tweede prijs voor Suzanne Van Leendert met het gedicht “Aanvalsplan” en een derde prijs voor Erika De Stercke met “Grond en groei”. Voorts waren er nog eervolle vermeldingen voor Siegert Vlaemynck, Jacqueline Booij, Isabelle Cauwels, Katrien De Nil, Chris de Valk, Liselotte De Vos, Jo Degroote, Hervé Deleu, Lucien Denissen, Marijke Hanegraaf, Hans Rothuizen, Mieke Stessens, Liesbeth Ulijn en Frank Van Den Houte. Voor deze laatste had de organisatie nog een prettig verjaardagscadeau voorzien. Frank werd gisteren immers excact 60 jaar. 

Na de proclamatie werd het nieuwe deeltraject van het Poëziepad ingewandeld. De tocht bracht ons na ongeveer 3 kilometer op de locatie “Trekweg 21” waar het gedicht “herinneringsbrief” van de gastdichter Hanna Kirsten werd onthuld. De komende dagen plaatsen we hier het winnende gedicht van Rik Dereeper en ook dat van de gastdichter Hanna Kirsten. Na de terugtocht werd gisteren vanwege de bekende Covid-perikelen meteen ook de Editie en het thema van 2021 voorgesteld. Curator is Joris Denoo die als gastdichter Paul Rigolle uitnodigde. Het thema van de zevende editie wordt “Halte”. Nadat Denoo zijn curatorschap voor volgend had toegelicht las Paul Rigolle ter introductie alvast enkele van zijn gedichten. Voor de editie 2021 kan een gedicht rond het thema worden ingezonden tot 28 februari 2021. Het reglement is na te lezen via deze link bij Azertyfactor.

Extern:
Facebookbladzijde Poëziepad van A tot Z
Hanna Kirsten bij Poëzie Centraal
Wedstrijd Poëziepad van A tot Z op de Azertyfactor-site
Over de bloemlezing - Poëziepad van A tot Z bij De Schaal van Digther

































dinsdag 22 september 2020

Orgelbouwer - Cornelius van Alsum

Orgelbouwer

Dan verwijdert de assistent de eerste pin.
Compenius pakt zelf de pijpen in.
Ossen gaan vele venijnige mijlen ver op stap:
Als vorsten zich verbonden voelen, gebeurt dat.

En terwijl knechten kisten hieven
Blijft een kamerheer de laatste toetsen gadeslaan:
Het gepeupel zou – wanneer we sliepen
Hij raakt goedgemutst de kwasten van zijn sjerp aan.

Vanuit Wolfenbüttel trekt de groep op
Naar de koning van Denemarken, machtig en rond.
Die woont in een zelf ontworpen slot,
En schept met grote hand tol aan de Sont.

Zijn hofhouding heeft jicht en staart spoken aan.
Heel binnenkort valt iemand in Praag uit een raam.  


© Cornelius van Alsum


© Vertaling Romain John van de Maele


Orgelbauer


Dann löst der Assistent den ersten Zapfen.
Die Pfeifen hüllt Compenius selber ein.
So viele böse Meilen Ochsenstapfen:
Sind Fürsten sich gewogen, muß es sein.

Und während Knechte Kisten hieven,
Bewacht ein Kämmerling die letzten Tasten:
Der Pöbel würde – wenn wir schliefen ...
Und wohlig streicht er seine Schärpenquasten.

Von Wolfenbüttel zieht der Troß
Zum Dänenkönig, mächtig und rund.
Der wohnt im selbstentworfenen Schloß,
Schöpft reichlich aus dem Zoll am Sund.

Sein Hofstaat hat die Gicht und sieht Gespenster.
Sehr bald fällt wer in Prag aus einem Fenster.


Het gedicht werd gepubliceerd in oda – Ort der Augen 2/2017 en in Palmbaum 65 (2017)


Noot van de vertaler:

In de slotkapel van Frederiksborg (Hillerød), ten noordwesten van Kopenhagen, staat een or-gel dat in 1610 door Esaias Compenius (1560-1617) werd gebouwd voor Juli-us von Braunschweig-Lüneburg (1528-1589). Het orgel werd opgesteld in Schloss Hessen nabij Wolfenbüttel. Na de dood van de hertog heeft zijn weduwe, Elisabeth von Braunschweig (1573-1625), het orgel in 1616 aan haar broer, koning Christian IV van Denemarken (1577-1648), geschonken. De Deense koning liet het plaatsen in het slot Frederiksborg. In 1626, na de dood van de hertogin van Braunschweig-Lüneburg, namen de Denen actief deel aan de Dertigjarige Oorlog, ter ondersteuning van Christian von Braunschweig-Wolfenbüttel (1599-1626), die na de dood van zijn vader door zijn oom Christian IV werd opgevoed.

Frederiksborg is gebouwd in de jaren 1600–1620 in Vlaamse renaissancestijl. Aan de bouw en het ontwerp hebben onder anderen Hans van Steenwinckel de Oude en zijn zonen Hans II van Steenwinckel en Laurens II van Steenwinckel deelgenomen (D.F. Slothouwer, Bouwkunst der Nederlandsche renaissance in Denemarken, Amsterdam, P.N. van Kampen & Zoon, 1924, p. 89-119.)

Bij de vertaling van het sonnet werd zoveel mogelijk getracht het oorspronkelijke metrum te benaderen en het structureel belangrijke eindrijm te behouden, maar het was niet mogelijk het oorspronkelijke rijmschema helemaal te volgen. Er hebben klankverschuivingen plaatsgevon-den zonder dat de inhoud geweld werd aangedaan.


© Vertaling Romain John van de Maele

maandag 21 september 2020

Geert Viaene laureaat van de Rinke Tolman-poëzieprijs

 


 

Geert Viaene is de laureaat van de tiende Rinke Tolman-poëzieprijs die vrijdag laatst in Soest werd uitgericht. De jury bestond uit Vrouwkje Tuinman (voorzitter) en twee bestuursleden van SLAS (Stichting Literaire Activiteiten Soest) Karin Haar en Mieke van de Lecq. Het thema van de wedstrijd was 'Zwerfkei' en de ingezonden gedichten mochten niet langer zijn dan 12 regels.

Hieronder het winnende gedicht:

OVERAL DUIKEN STUKJES VAN EEN LICHAAM OP

kijk uit waar je met je wandelschoenen landt, pas op
voor slangen, je ontdekt venusschelpen in de bergen

terwijl het lijkt alsof je adem haalt onder water stapelen
zwerfkeien zich op of rollen richting zee, je kan er uren

staren naar wieren die je in slaap wiegen, meisjesharen
bedekken een grillige drakenruggengraat in de sneeuw


© Geert Viaene


De tweede prijs ging naar Frank van den Houte (met het gedicht Steenhouwer)en de derde prijs was weggelegd voor het gedicht 'Moonie' van Joris Denoo. Voor de wedstrijd werden 227 gedichten ingestuurd. Zeven andere dichters werden genomineerd:


Elbrich Vreeling
Gino Dekeyzer
Karel Bogaerts
Leo Mesman
Marije Halman
Rob Boudestein
Suzanne van Leendert


De winnende gedichten zijn hier na te lezen. Op deze Slas-site zullen binnenkort ook de gedichten van de genomineerden na te lezen zijn.


Extern:
Meer info over de wedstrijd bij SLAS

 

 

zaterdag 5 september 2020

Karel Dierickx door de ogen van een dichter - Jo Gisekin

Toespraak van Jo Gisekin bij de opening van de tentoonstelling Karel Dierickx in de bibliotheek van Harelbeke op 3 september 2020.

Ik sta hier niet als kunsthistoricus, noch als kunstcriticus, want dat ben ik niet, ik sta hier als een bewonderaarster van Karel Dierickx als schilder, daarnaast als vriendin van Karel én ook van zijn vrouw, die ik sinds onheuglijke tijden mocht kennen. Later door het huwelijk
 met mijn man is deze vriendschap helemaal niet afgezwakt, wél integendeel.
Nu wil het toeval dat ik tijdens mijn jeugd - ik kom uit Machelen aan de Leie, een regio waar schilders met bosjes te vinden waren: Deurle, Latem, Afsnee - het geluk had enkele van die schilders van dichtbij te kennen: Hubert Malfait, Albert Saverys, Roger Raveel e.a. Allemaal waren het artiesten die op mij een blijvende stempel hebben gedrukt en over wie enkele saillante details in mijn geheugen opgeslagen zijn. Om er maar eentje te noemen, ik herinner mij bijvoorbeeld als kind dat Albert Saverys bij ons binnenviel en toen hij het schilderij met de bloemenruiker zag hangen dat hij mijn ouders bij hun verloving cadeau had gedaan, met zijn luide stem uitriep: ‘Breng mij ’ne keer ’ne grote patat, snij hem door, ik ga dien tableau ’ne keer opkuisen.’ Hij wreef met de aardappel over het schilderij van rechts naar links, van onder naar boven, de poetsbeurt was afgelopen en in zijn ogen was de bloemenruiker helemaal opgefleurd, ook al merkten wij eigenlijk geen verschil.

Karel Dierickx, die ik later leerde kennen via zijn huwelijk en die hier vandaag met een aantal van zijn werken aanwezig is, was ook een artiest van dat zuivere gehalte in zijn teken-, schilder- en beeldhouwwerken, zijn doen en laten, zijn levensstijl, ups en downs, zijn humor, dat alles blijft in ons geheugen gegrift. Van meet af aan beviel hij mij door zijn originaliteit, hij voelde kwetsbaar aan, ook in zijn fijne gestalte, sensibel en integer, hij kwam over als een rasechte artiest zonder dikdoenerij, een dichterlijke schilder, die door zijn werk bij mij een poëtische snaar raakte. Ooit heeft hij zelf de wens uitgedrukt: Lees mijn werk als een gedicht, en dat was voor mij zijn credo.

Als wij hier straks met ingetogen aandacht rondkijken, zullen we die dichterlijke toets in al zijn werken opmerken. In zijn donkerste werken vind je een sprankel licht, klein of mysterieus, iets ondefineerbaars dat het hart raakt, zoals een gedicht, dat je niet kan of hoeft te doorgronden, vibreert door dát precieze woord op de juiste plaats in het juiste vers. Als zeer jonge schilder, juist 22 was hij, werd hij laureaat van de Jeune Peinture Belge en het jaar daarop kreeg hij de Godecharleprijs die jonge schilders, beeldhouwers, architecten in hun jeugdige carrière wil stimuleren. Met andere woorden: al heel vroeg werd zijn talent opgemerkt en dat bleef zo zijn leven lang, in 1995 werd hij trouwens lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, een bijzondere eer en erkenning van zijn kunst.

Een van zijn vroege werkjes uit 1964, Dorpszicht, geschilderd op papier, trof ik aan in het boek Omgekeerde leugens, dat hier in de tentoonstelling ligt. Het stelt zijn huisje voor in het zuiden uit de tijd toen hij daar enkele jaren woonde en hij figuratief werkte. Hier is die stevige hand reeds merkbaar die hij in zijn latere werken zou aanhouden, met een mooi beheerst zuiders koloriet. Het schilderijtje valt trouwens op door zijn bijzondere expressie en het doet je meteen verlangen naar de Provence met een platanenpleintje voor de deur.

In dat boek, Omgekeerde leugens, staan aquarellen, waarvan er hier zes hangen bij het binnenkomen; ze zijn ontstaan uit de samenwerking tussen Karel en Jan Vanriet. Jan Vanriet is niet alleen een bekend schilder, maar ook dichter, en we weten dat Karel zich graag liet omringen door dichters. Beide artiesten inspireerden elkaar bij de genese van deze werken, ofwel startte de ene schilder op en maakte de andere het werk af, of omgekeerd. Dat was niet alleen een boeiend experiment, maar het leverde ook mooie uiteenlopende werken op, waar je bij een nader bekijken, soms, niet altijd, de toets van de ene of de andere artiest herkent.

Aan de Genève-suite getiteld Het verregende land is een anekdote verbonden die een tipje van de sluier licht van het karakter van Karel Dierickx, de onthechte man op sommige momenten, waar het zijn eigen werken betreft. In 1991 exposeerde hij deze tekeningen in Genève. Na afloop van de tentoonstelling werden ze, veilig en mooi ingepakt, keurig verzonden en thuis bij hem afgeleverd. Stel je voor, nooit heeft hij dat pak opengemaakt, opnieuw bekeken. Zijn vrouw heeft dat pak onlangs gevonden en nu hangen deze bijzondere tekeningen hier, voor het eerst hier, niemand heeft ze intussen ooit gezien. Het zijn merkwaardige, heel mooie werken, gemengde techniek op papier, Karel was trouwens een meester in het tekenen, wat hij heel belangrijk vond voorafgaand aan zijn schilderijen. Hoe desolaat en verregend deze tekeningen in somber en zwart, toch zijn ze van een schoonheid die ontroert door telkens een lichtgevende vibratie, een blauwe schemer, een gele of oranje sluier die het aardeland onder de regen doet vermoeden, vol melancholie, met daarboven een ijl kleur- en lichtspel in de wolken. Hij schept hier als het ware een nieuw land, een veronderstelling van een landschap zoals dat ook in zijn grote schilderijen te zien is, hij schept een nieuwe wereld: wat hij precies ziet schildert hij niet, hij toont zijn zienswijze van hetgeen open en bloot voor hem ligt in dat verregende land, of in een ander werk, in een marine of in een stilleven. Hij weet zo de werkelijkheid te overstijgen en met zijn eigen observatie iets nieuws te creëren dat de kijker nieuwsgierig maakt en prikkelt.

Op die manier leerde hij zijn studenten aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent, onder wie Wim Delvoye, Jan Van Imschoot en nog vele anderen, hoe je boven of achter de werkelijkheid moest leren kijken, hoe je een nieuwe esthetische belevenis kon creëren met vermoedens van het werkelijk zichtbare, met kleurnuances. Bij een dichter gaat het niet anders, uitgaan van wat hij observeert of voelt of aan den lijve ondervindt om het daarna om te scheppen tot iets nieuws, zodat de lezer de mogelijkheid krijgt zelf te interpreteren. Dat is het kleine mysterie, het boeiende in een goed gedicht.

Zo vind je bij Karel vaak schilderijen met dezelfde onderwerpen. Kijk eens naar de twee werken met als titel De Zee. Ze zijn zo verschillend van lichtinval, van coloriet, van verfaanzet, en zelfs van emotie, met kleurcontrasten licht en donker in de bewegingen van de golven, dikkere of eerder zuinige paletlagen, geen afgelijnde vormen, deze schilderijen vloeien als het ware uit buiten de lijsten zodat je een gevoel van oneindigheid krijgt. Het schilderij met als titel Zomers landschap of dat met als titel Het land van Rimbaud hebben in mijn ogen veel met elkaar gemeen. Karel moet zeker de geboortestreek van Rimbaud, Charleville, hebben bezocht en onder de indruk zijn geweest. Beide schilderijen spatten haast open in de ogen van de kijker door hun krachtige kleuren, die toetsen oranje en aubergine, en olijfgroen. Het zijn poëtische werken waar het landschap zich in volle glorie uitrolt.

Ik geloof het graag dat voor Karel Dierickx schilderen bijna een boetseren is, hoe hij met gevoelige vingertoppen penseelstreken laag over laag, mijmerend de verf aanbrengt. Hij hield niet op, hij zei zelf: Schilderen is voor mij een drug. Nooit ging hij mee met de ene of andere modestrekking, hij bleef zijn eigen zichzelf, maar toch in volle overtuiging van zijn kunnen. Diezelfde overtuigingskracht vinden we terug in zijn beeldhouwwerk met zijn voorliefde voor figuren, vogels of hoofden. Het beeldhouwen noemde hij een nevenactiviteit naast zijn teken- en schilderwerk, maar minderwaardig was het niet voor hem. Met dezelfde intensiteit en emotie als aan zijn schilderijen werkte hij aan zijn sculpturen.

Een van zijn topwerken in dat genre, Het mysterie van Sint-Jan, dat hier staat, werd in 2012 geëxposeerd in de Gentse Sint-Baafskathedraal, die lang geleden inderdaad Sint-Jan heette. Het is een assemblagesculptuur uit een gevonden stuk hout, beschilderd met rode verfstreken. Ik zou aanraden, neem het werk in u op, laat uw fantasie haar gang gaan: wijst het bovenste gedeelte op de onthoofding van Johannes de Doper, is het een doornenkroon, een bloedvlek op de borst ? Dat is het nu juist wat Karel beoogde met zijn kunst: de kijker aansporen tot inleven in zijn werk, met een eigen invulling.

Karel vernietigde vaak ook tekeningen of schilderijen, scheurde ze, sneed er stukken uit, waarop hij dan een nieuwe laag verf aanbracht. Het gebeurde zelfs dat hij een volmaakt afgewerkt schilderij helemaal uit de lijst sneed. Kijk maar naar de lijst die hier tentoongesteld is en waar hij zelf commentaar bij gaf: Ceci est une peinture. Hier krijg je dan de ludieke, speelse Karel met zijn fijne humor, in tegenstelling tot de weemoedige, bijwijlen sombere ingekeerde man.

En hiermee, dames en heren, wil ik graag eindigen. Ik heb getracht zo goed mogelijk weer te geven wat ik als kijker aanvoel bij de lezing van zijn werken, en hoe ze mij inspireren en nieuwe inzichten bijbrengen. Daarvoor ben ik hem dankbaar. Karel stond nieuwsgierig in het leven als authentiek schilder en observator van al wat rond hem leefde, die nooit op de voorgrond trad in een tijd dat de conceptuele kunst een hoge vlucht nam, waardoor hij voor sommige kunstcritici een tijd uit hun vizier verdween. Dat is gelukkig veranderd. In het buitenland was er al vroeg erkenning en waardering voor zijn werk, er waren tentoonstellingen in Frankrijk, Luxemburg, Genève, Münster en andere plaatsen, en toen hij was uitgekozen voor de biënnale van Venetië in 1984 kreeg hij in de Corriere della Sera een speciale vermelding: de krant sprak van un gruppo di bellissime pitture.

Ondanks het feit dat er nog heel wat enigma’s over hem als persoon en over zijn kunst blijven hangen, dat is het lot van de groten, zal hij heel velen die met ogen open en wars van vastgeroeste ideeën naar zijn werk willen kijken, blijven inspireren, blijven emotioneren. En wij zullen hem blijven gedenken als de integere, gedreven artiest uit het allerbeste canvas gesneden, die daarnaast ook een innemend man was met de bijzondere eigenschap van een trouwe vriend.

© Jo Gisekin


Nog tot en met 27 september 2020.
Bib Harelbeke, Eilandstraat 2, 8530 Harelbeke

Het (on)zichtbare op Facebook
Het (on)zichtbare - Digther-link