zondag 31 mei 2020

Plaza de Cibeles - Stijn De Man

we voelden aan het marmer van een Romeinse godin
we bespiedden elkaars gebaren, stralend,
raakten verstrengeld aan de fontein

jouw thuis was een portaal, een bel
op de tast vond ik steeds de weg
langs geparkeerde auto’s en onze koffiebar

Mijn nachten dreven ons uit elkaar
jaren nadien keerde ik terug naar het plein
ik wist wat ik zocht, het wende nooit


© Stijn De Man


vrijdag 29 mei 2020

maak de som van je huiselijk geluk - Anne Meerbergen

maak de som van je huiselijk geluk
neem evenveel eieren
denk aan je geliefden en breek ze

onverbiddelijk geel en wit gescheiden
troost het eiwit met een snuifje zout
zoek je zwartste chocolade
25 gram bitter geluk per persoon

laat smelten en wiegen die heupen
zie de dooiers in het donker glijden
wees kordaat en meng maar
paai met gembersnippers

pense à ta mère
bats les blancs en neige

verenig licht en donker
giet in je mooiste kommen
vertrouw alles aan de koelte toe

neem een stoel en waak
een nacht is lang



© Anne Meerbergen


Anne Meerbergen debuteerde in 2018 bij Uitgeverij P. met de bundel 'Aanmoederen'.
In september 2020 verschijnt eveneens bij Uitgeverij P 'Zeezuchten', 25 gedichten bij foto's van Eddy Verloes.  Nog in het najaar staat er een tentoonstelling met gedichten van Anne Meerbergen in de steigers bij werk van kunstenaar Paul J.J. Michiels.







What do you want to do ?
New mail

donderdag 28 mei 2020

soms hoop ik dat jij er niet bent - Anne Meerbergen

voor Raphaël De Bois

soms hoop ik dat jij er niet bent
dat het eten nog niet klaar staat
en ik niets van je hoor, geen bereik

dat ik het aangekoekte ontbijt en de leegte
van een drukke dag wegspoel, de messen
lepels en bekers een voor een verdrink

m’n handen en randen weer eigen maak
daarna groenten stoof en soep kook
en dat jij heel laat thuiskomt met blinkeringen

in je ogen en verfvegen op je kleren, je wang en hand
en dat we samen vergaan van de honger en alle ongemak
en dat ik weet dat het doek ginder langzaam droogt

dat jij het zinloze met kwast en verf hebt uitgeveegd



© Anne Meerbergen


Anne Meerbergen debuteerde in 2018 bij Uitgeverij P. met de bundel 'Aanmoederen'.
In september 2020 verschijnt eveneens bij Uitgeverij P 'Zeezuchten', 25 gedichten bij foto's van Eddy Verloes.  Nog in het najaar staat er een tentoonstelling met gedichten van Anne Meerbergen in de steigers bij werk van kunstenaar Paul J.J. Michiels.







woensdag 27 mei 2020

De slaper - Anne Meerbergen




















je slaapt, onder mijn vingers
vertrouwde huid, wij

tegenliggers van flanel
zoeken elkaars kanten

midden in de twijfelaar
schuiven naar onze randen

in de nacht blindelings
raad ik je wimpers

je raakt me met gesloten ogen


© Anne Meerbergen


Gedicht bij het gelijknamige werk van kunstenaar Raphaël De Bois, de man van Anne Meerbergen.
Het beeld 'De Slaper' en het gedicht zijn te zien in het park IJzerenberg te Winksele bij Leuven. Zie  www.ijzerenberg.be voor de openingsuren van het park.

Anne Meerbergen debuteerde in 2018 bij Uitgeverij P. met de bundel 'Aanmoederen'.
In september 2020 verschijnt eveneens bij Uitgeverij P 'Zeezuchten', 25 gedichten bij foto's van Eddy Verloes.  Nog in het najaar staat er een tentoonstelling met gedichten van Anne Meerbergen in de steigers bij werk van kunstenaar Paul J.J. Michiels.



woensdag 20 mei 2020

Jongens van achttien - Frank Van Den Houte

Guido Gezelle in Roeselare

hij loopt het belfort uit, de Zuidstraat in
klemt in zijn frêle arm een tas vol talen
de lokken op zijn alchemistenhoofd
verbergen nog het borrelen van woorden
en ook een Britse missionarisdroom

dit vult zijn brein wanneer hij jaren later
die weg aflegt met een soutane aan
om in de school van toen weer thuis te komen
zijn oude jasje hangt nog op de haak
hij lacht en legt er zijn kazuifel over

en hij is weer een jongen van achttien
zo oud als zij die hem vandaag bezoeken:
Gustaaf, de Karels, Hugo en Eugeen
om urenlang vol vuur en blij te praten
terwijl hij het brevier der vriendschap leest


© Frank Van Den Houte





zondag 17 mei 2020

Vingers - Twan Vet

Er huisden vuisten in de vingers – Menno Wigman

Van vuisten kun je vingers maken zegt het kind.
Met vingers raak je alles aan. Met vingers hou je
handen vast. Met vingers weet je dat je echt bestaat.

Van vingers kun je vuisten maken zegt de man.
Met vuisten sla je om je heen. Met vuisten bal je
door de dag. Met vuisten zou je haast vergeten
dat je ooit eens vingers had.


© Twan Vet


Twan Vet (°1998) is dichter, tekstschrijver en muzikant. Met het gedicht 'Ceci n'est pas une pipe', bereikte hij recent de top 100 van de Gedichtenwedstrijd. Stond in 2019 op het podium tijdens 'de Nacht van de Literatuur' in zijn thuisstad Amersfoort.

Alle info: https://www.twanvet.nl


www.twanvet.nl



zaterdag 16 mei 2020

Schrödingers schat - Twan Vet

Onze liefde is een krolse, vuurrode kater en alles kan nog:
kussen achter kinderwagens, bijna sterven van verdriet,
je houdt van mij en ook weer niet.

Alles is nog even niets en andersom.
Filosofen lopen vast, dichters stappen van
de brug, wetenschappers nemen woorden terug
door ons experiment dat liefde heet.

Onze liefde is een godenlichaam
én een lijk. En wij,

wij zijn dood en levend tegelijk
tot ik je in de ogen kijk.


© Twan Vet


Twan Vet (°1998) is dichter, tekstschrijver en muzikant. Met het gedicht 'Ceci n'est pas une pipe', bereikte hij heel recent de top 100 van de Gedichtenwedstrijd. Stond in 2019 op het podium tijdens 'de Nacht van de Literatuur' in zijn thuisstad Amersfoort.

Alle info: https://www.twanvet.nl


www.twanvet.nl



vrijdag 15 mei 2020

Apocalyps - Twan Vet

We zullen de wereld proper achterlaten als we vergaan – Dimitri Verhulst

Na jaren zwoegen kregen we het voor elkaar:
de aarde op, de mensen moe, het sterrenstelsel
op de schop. En het heelal keek rustig toe, wachtte af
tot wij stopten met bestaan –
niet morgen, dan vandaag.

En alles wat ons restte: tijd. Lege uren
om te denken wat we deden, wilden doen.
Niemand dacht aan wat er kwam, want
hoe denk je aan niets?

Maar toen: geen paniek. Integendeel.
De buurman harkte – voor het eerst in jaren –
zijn tuintje netjes bij elkaar. Iemand hing het
bordje met de straatnaam recht. Auto’s werden
kaarsrecht in parkeervakken gezet.

Gevels werden schoongespoten,
schuurtjes werden opgeruimd,
vuilniszakken stonden aan de straat.

En zo werden we, alles netjes en aan kant,
weggevaagd.


© Twan Vet


Twan Vet (°1998) is dichter, tekstschrijver en muzikant. Met het gedicht 'Ceci n'est pas une pipe', bereikte hij heel recent de top 100 van de Gedichtenwedstrijd. Stond in 2019 op het podium tijdens 'de Nacht van de Literatuur' in zijn thuisstad Amersfoort.

Alle info: https://www.twanvet.nl


www.twanvet.nl



donderdag 14 mei 2020

Inspiratiespotten - Twan Vet

Kijk, daar vliegt wat oud verdriet en
in die hoge boom bouwt de weemoed
langzaam maar gestaag een stevig nest.

De dood komt ’s nachts pas uit een scheur
of spleet, vliegt achteruit de wereld in en
zingt een lied dat niemand kent.

En nu, de lente, trekt een zwerm van
liefde door het firmament.

Ik lig in het hoge gras en wacht wat af.
Een oude verrekijker siert mijn borst
en in mijn hand papier en pen.

Ik zoek naar iets wat ik niet ken.
Ik turf al uren wat een ander ook al
hoorde, zag – zo gaat de dag voorbij.

Maar zie: daar breekt ineens met luid
gekrijs het geluk al uit het eerste ei.


© Twan Vet


Twan Vet (°1998) is dichter, tekstschrijver en muzikant. Met het gedicht 'Ceci n'est pas une pipe', bereikte hij heel recent de top 100 van de Gedichtenwedstrijd. Stond in 2019 op het podium tijdens 'de Nacht van de Literatuur' in zijn thuisstad Amersfoort.

Alle info: https://www.twanvet.nl




www.twanvet.nl



vrijdag 8 mei 2020

Afasie - René Hooyberghs

Weifelend baant het woord zich een weg
langs het tumultueuze struikelpad van zelfcensuur.
Het heeft nood aan een gids, een herder:
een mol wroet zich gejaagd een uitweg.

Tsunami, ja, tsunami. Bekoorlijk als een Oosterse
maîtresse klinkt het, ma tsu m’amie,
of verraderlijk als een ziekte: fluister maar eens het
zoete woord afasie. Kruiperig als een amfibie,

dreigend als een invasie. Tsunami, daarin werd ik verwekt.
Laag na laag heb ik de macht gegrepen, mezelf
tot Zeus gekroond, op het schild geheven
het luchtledige hoofd een schrijn van ijdelheid.


© René Hooyberghs


Uit ‘Het buikje van de kikker’, de vijfde dichtbundel van René Hooyberghs.


De bundel is pas recent verschenen bij uitgeverij C. de Vries-Brouwers.
Vanwege fel om zich heen grijpend Corona-oponthoud publiceert
De Schaal van Digther’ alsnog drie gedichten uit deze knappe bundel.
Een Digther-recensie verschijnt wellicht later. (P.R.)





donderdag 7 mei 2020

Haartooi - René Hooyberghs

Triomf van haar vel
vlekkeloos zwart
gespannen, het matte van kaviaar,
Jukbenen hoog geheven:

hier is zij zij en jij maar jij, zo zeker
van haar schoonheid,
zo ongenaakbaar mooi. En dan
de haartooi van gevlochten parels,

het eindeloos geduld van kapster
en gekapte, samenzwering tussen
bruid uit Dakar en heel haar continent.
Wie durft haar weerstaan, wie?


© René Hooyberghs


Uit ‘Het buikje van de kikker’, de vijfde dichtbundel van René Hooyberghs.


De bundel is pas recent verschenen bij uitgeverij C. de Vries-Brouwers.
Vanwege fel om zich heen grijpend Corona-oponthoud publiceert
De Schaal van Digther’ alsnog drie gedichten uit deze knappe bundel.
Een Digther-recensie verschijnt wellicht later. (P.R.)





woensdag 6 mei 2020

Een dageraad – René Hooyberghs

Het pleintje zont, het is zondagochtend
en de hitte is voor later.
De eerste marktkramers komen
en luiden de muziek van hun metalen

geraamten: een pleintje vol Stockhausen.
Drie straatvegers ontbijten op de bank,
een fleurig trio gehuld in het stadsuniform
van Van Beirendonck, hun blikken

veegkarretje vol verwachting. Een meisje jogt,
een buikige fietser in tricolore shirt wacht
op zijn maatje (straks komt de Koninck).
Kim Jong-un schudt de hand van Trump.


© René Hooyberghs


Uit ‘Het buikje van de kikker’, de vijfde dichtbundel van René Hooyberghs.


De bundel is pas recent verschenen bij uitgeverij C. de Vries-Brouwers.
Vanwege fel om zich heen grijpend Corona-oponthoud publiceert
De Schaal van Digther’ alsnog drie gedichten uit deze knappe bundel.
Een Digther-recensie verschijnt wellicht later. (P.R.)


dinsdag 5 mei 2020

Vierentwintig levensvragen in Coronatijd – Hendrik Carette

Wie een tijger berijdt is bang om af te stappen.
(Chinees spreekwoord)

- Wie was er eerst op deze aarde: Was het de Boeddha of was het Zarathoestra?

- Waren de Catharen in Occitanië zuivere christenen of waren het echte ketters?

- Hoe tragisch was het laatste levensjaar van Marguerite Yourcenar?

- Hoe vangt een zwarte kat een bruine rat?

- Hoe lang duren de witte nachten in St. Petersburg?

- Hoeveel vrijmetselaars zouden er nu leven in Japan en in China?

- Was de Brusselse vrouw Bloemardinne echt de dichteres Hadewijch?

- Hoeveel moedige eenzame Vlamingen dolen rond in Patagonië?

- Hoeveel Duitse U-boten liggen als wrakken op de bodems van de zeven zeeën?

- Was de Indiase politicus Mahatma Gandhi soms geen nationalist?

- Wie kan aan een heldere nachtelijke sterrenhemel de kometen en de sterren tellen?

- Wat was de ware reden voor de verbanning van Publius Ovidius Naso?

- Hoe groot is de aantrekkingskracht van een zwart gat in de kosmos?

- Hoe blauw is de Blauwe vinvis in een blauwe zee van onze blauwe planeet?

- Wat is de machtige symboliek van de witte walvis of Moby-Dick?

- Waren de laatste Neanderthalers niet onze eerste voorouders?

- Wanneer kan ik terug naar de Cotentin in Normandië?

- Wie kent de taal van de potvis die communiceert met zijn lot- en soortgenoten?

- Wie verklaart het onbegrip en de misverstanden in onze samenlevingen?

- Wat was de belangrijkste filosofische bedenking van Ludwig Wittgenstein?

- Wie luistert naar de vervaarlijke composities van Edgar Varèse?

- Wanneer begint het einde der tijden?

- Willen de heiligen en de helden nu opstaan?

- Waarom nog langer zwijgen?



© Hendrik Carette
Schaarbeek, 1-9 april 2020



donderdag 30 april 2020

Het schrift van de Indiaan - Paul Rigolle

Schrijven in tijden van Corona. Een antwoord aan Frans Deschoemaeker.

Dag Frans,

Veel dank voor jouw mooie ansichtkaart 'uit Wortegem-Petegem' van 25 maart 2020 en daarop aansluitend jouw mailbericht van 13 april 2020. In eerste instantie was het mijn bedoeling om hier in de buurt een even mooie landelijke prentbriefkaart op de kop te tikken om er jou – liefhebber en connaisseur van onder meer beschreven rariteiten - in deze donkere en bizarre coronatijden mee te verblijden. Helaas blijkt uit een inderhaast ingesteld particulier onderzoekje van mij dat mijn Bruegheldorp Zwevezele-Wingene, dat men steevast als Breugheldorp pleegt te schrijven, tegenwoordig op de prentbriefkaart-markt enkel de grootte heeft van een grote blinde vlek.

In Pinocchio, de nochtans excellente plaatselijke krantenzaak annex kantoorboek- en speelgoedhandel, bekeek men mij eerder scheef en, zo leek het mij even, met een lange neus, toen ik de vraag stelde. Van die vraag had men niet meteen terug. Het was duidelijk dat ze in jaren niet meer over de toonbank was gekomen. Een toonbank die tegenwoordig keurig en volgens de Corona-regels met plexiglas erg degelijk van het publiek wordt afgeschermd. Betaling kan – zoals wellicht ook bij jullie – enkel nog elektronisch. Voor wie dat wil, zijn er, om de cijfertoetsen te beroeren, wattenstaafjes die na gebruik keurig in een afvalbakje gedeponeerd moeten worden. Uiteraard is er ook geheel en al terecht de obligate spuitbus met ontsmettingsalchohol waarvan iedere klant voor en na het bezoek geacht wordt er oordeelkundig gebruik van te maken. Het zijn, zei ik al, bijzonder vreemde en nooit eerder meegemaakte tijden. Smetvrees neemt het stilaan van ons over. Wellicht betekent dat, dat we – de virologen knikken instemmend - hélemaal op de goeie weg zijn.

Niettemin hoop ik met jou dat we nu toch wel stilaan over de piek van de crisis heen zijn. Ik kreeg laatst nog een bemoedigende uitnodiging vanuit ons vertrouwde Boekenoord in Harelbeke voor de tentoonstelling “Ars Grafica III”. Die zou doorgaan van 5 tot 30 mei 2020. De vernissage op donderdag 7 mei 2020 leek mij een uitstekende gelegenheid om elkaar – al dan niet uitgerust met een mondmasker dat ons helemaal niet past of staat- weer ’s rendez-vous te geven. Temeer ook omdat de toelichting zou worden gegeven door Emiel Hoorne, ere-artistiek docent bij het KASK en een door mij gewaardeerd kunstenaar. Maar jammergenoeg heeft ook het bericht dat de tentoonstelling uiteindelijk toch wordt afgeblazen mij intussen bereikt. Het wordt dus, verstoken van hartverwarmende poëtische en kunstzinnige uitstapjes, stilaan nagelbijten. In ons eigen kot uiteraard – hoe een banale Maggie-uitspraak voor maanden vleugels kan krijgen - en intens hopend op betere en kiemvrijere tijden. Laten we daar samen naar uitkijken! Maar daarbij ook en vooral dankbaar zijn dat niemand uit onze nabije omgeving getroffen is door dit valse vuige virus. Ik zag gisteren een bijzonder imponerende getuigenis van acteur Axel Daeseleire die gelukkig uit zijn kunstmatige coma is ontwaakt en het allemaal nog kan navertellen. Er wacht hem wel een maandenlange revalidatie.

Ondertussen heb ik naar aanleiding van jouw Ansichtkaartje het boek ‘Ansichten’ van de Amerikaanse schrijfster Annie Prouxl dat ik zowat – het lijkt wel eeuwen - twee decennia geleden las, nog ’s uit mijn boekenkast opgediept. Daarin staat, zo herinnerde ik mij, een in mijn geheugen aangestreepte passage over “tumbleweed”, tuimelkruid ook nog stepperoller of amarant genoemd, die mij lief is. Daaruit dit fragmentje:

De laatste week van oktober: de bonen zaten nog aan de staken, de wind was als een vloedgolf die zich vanuit het westen over de aarde stortte. Het huis stond te schudden op zijn grondvesten. Loyal zat op de rand van zijn bed in het schrift van de Indiaan te schrijven…

En kijk, laat dit nu net de wens zijn die ik mij in deze Covid-quarantainetijden graag voor ogen hou en waarmee ik dit schrijven wil afronden. Dat ik, en dat ook jij, dat wij in deze barre onuitgegeven periode van onze geschiedenis soelaas mogen blijven vinden om onverdroten en met tussenpozen in het Schrift van de Indiaan te blijven schrijven!

Zeer graag tot een dezer, In Harelbeke of elders, Stay safe! We komen er doorheen!

Paul

Ps. Nog dit: jouw ansichtkaart past perfect in mijn ‘Klare fontein’-notitieboekje dat ik sinds begin dit jaar bij Pinocchio kocht (jawel!) en nu gebruik als alternerend ding voor mijn vroegere Moleskine-boekjes. Daarvan getuigt ook bijgaande foto.


© Paul Rigolle

#demanmetdeleesbril #schrijvenintijdenvanCorona

'Een ansichtkaart uit Wortegem-Petegem aan Paul Rigolle' van Frans Deschoemaeker lees je hier.




















Een ansichtkaart uit Wortegem-Petegem - Frans Deschoemaeker

Schrijven in tijden van Corona. Een ansichtkaart aan Paul Rigolle.

Woensdag 25 maart 2020, in de derde week van de Corona/Covid-19-crisis.  



















"Groeten uit Wortegem-Petegem met vijf dorpsgezichten uit de deelgemeenten; de Gotstraat te Wortegem, de abdij van Beaulieu te Petegem-aan-de-Schelde, het hoevegebouw van het domein de Ghellinck te Elsegem, het Dombos te Ooike en de Sint-Pietersstoelkerk te Moregem."


Dag Paul,

Ja, we beleven onwezenlijke tijden. Het zal nu gauw oorlog worden, zoude Reve verzucht hebben. Herinner jij je nog dat een paar jaar geleden vanwege de vogelgriep het pluimvee diende opgehokt te worden? Vandaag geldt die ophokplicht niet het pluimvee maar de bevolking zelve (blijf in uw kot!, zoals onze fijnbesnaarde minister van Volksgezondheid verordende). Al die geannuleerde feestjes en evenementen, al die afgesloten microfoons en dichtgedraaide tapkranen, al die niet eens opgebouwde podia, al die opgehokte artiesten en dichters, dat moet toch, na Corona, een ongehoorde uitbraak, een tsunami van nieuwe teksten gaan opleveren! Want nu hebben we volop de tijd, tussen onze vier muren, of uit de wind op ons terras, om te bezinnen, te herbronnen, te schrijven. Of werkt het zo niet? Zelf kreeg ik altijd al de grootste aanvechting tot schrijven als het leven riep, als ik het te druk had met andere dingen, en deksels goed wist dat ik niet de tijd zou vinden om de pen op het papier te krijgen.

Veel mensen schijnen te lijden onder deze gedwongen retraite. Zelf ondervind ik daar weinig last van. De tuin eist zijn rechten op, ik orden mijn archief, ik herschik mijn bibliotheek (om mij na tien minuten te verliezen in een vergeten boek; nu weer De taal der liefde/Lieve jongens. Wie leest Reve nog, behalve in tijden van Corona? Ik. Reve is onze grootste Decadent, en puur stilistisch gezien is dit door sommigen verguisde, maar door mij hoog gewaardeerde, tweeluik hiervan een meesterproef). En ik sleutel verder aan mijn nieuwe dichtbundel, die ik dit jaar nu toch echt tot een goed einde moet zien te brengen.

Een blik in het laboratorium van de dichter. Wat ligt daar momenteel allemaal ter werktafel? Een verhelderende tekst van Jos de Haes over zijn Ardennencyclus Le vieux moulin, een meanderende tekst van Julien Gracq uit zijn Carnets du grand chemin over de Semois, een toeristische brochure over het patrimonium van Gedinne en omstreken, een afschrift van mijn Brief uit het Ardense woud aan kunstbroeder Carette (8 juni 2010), een stuk of wat gedichten van Oscar-Vladislas de Lubicz-Milosz, een wandelkaart van het plateau van Croix Scaille. Wat al panorama’s en vergezichten ontrollen zich hier ter tafel! Alles is in gereedheid gebracht voor de reis rond mijn kot! Dit oordeelkundig samengebracht amalgaam van teksten (ik vergeet nog het essay over Félicien Rops van Huysmans) zou de vonk moeten ontsteken tot een donker gedicht (liever nog een donkere gedichtencyclus) over de grote god Pan. Maar het valt, zoals altijd, af te wachten wat er uiteindelijk uit de alambiek zal opborrelen. Als er überhaupt iets zal opborrelen. Je weet het nooit.

In wezen verandert Corona weinig aan mijn bestaan, dat ook in andere omstandigheden al aspecten van het kluizenaarsbestaan vertoonde. Al blijft het jammer dat ik nu enkel door middel van dat ellendig kleine schermpje de kleinkinderen kan zien, niet de trein kan nemen naar Brussel of op dit eigenste moment niet met Marie-Myriam naar het donkere hart van de provincie Namen kan rijden, en dat de bijeenkomsten van mijn leesgenootschap (gepaard aan nachtelijke conclaven in de bar van het hotel Leopold) tot nader order geannuleerd zijn.

En ja, zo onwezenlijk rustig als op de ansichtkaart liggen er dezer dagen onze Vlaamse Ardennen bij. Geen wielergekte, geen lelijke VIP-tenten, geen landschapsverbouwingen, geen helikopter boven de tuin op Palmzondag! Een rust die historisch (en ecologisch) zal worden genoemd in de annalen. Zelfs mijn dagelijkse autorit naar het kasteeldomein van Elsegem (centrale foto) waar ik mij met de hondjes Pistache en Pollux pleeg te vertreden, is nu tot een niet essentiële verplaatsing verordend, en bijgevolg illegaal.

En natuurlijk blijft het ook jammer dat al onze (vage) afspraken van dit voorjaar in het water gevallen zijn, beste Paul, maar ooit wordt alles weer anders, inmiddels blijven we in ons kot, en verblijf ik met warme groet.

Frans


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang.

"Het Schrift van de Indiaan", het antwoord van Paul Rigolle lees je hier.



zondag 26 april 2020

zwanenmeer - Francis Cromphout

aan elke zwaan zit een tweede zwaan
de zwaan van de lucht
vergroeid met de zwaan van het water

telkens zij met haar bek de spiegel doorbreekt
worden zij volmaakt als een vis
luchtbellen makend
die ons universum besturen

luchtbellen
die grafkamers zijn

diep onder dit oppervlak verscholen
verrijken zij zich met elk voorbije leven

met de hartslag van de dode
wordt alles daar voortdurend herhaald
tot het licht wordt in de andere grafkamers


© Francis Cromphout


Uit de cyclus “Je bent niet gestorven
voor J.C. (°1.1.1999 + 22.3.2017)






zaterdag 25 april 2020

tijdscapsule - Francis Cromphout

alles van jou gebeurt in het verleden
binnen de tijdscapsule van het voortschrijdend nu
naar de toekomst waar je niet meer zal zijn

alles van jou wat onze zintuigen bezocht
flarden van de herinnering
opduikend voortdurend
en weer weggeduwd
door andere gedeelde momenten

tot de zee in ons opzwelt
en ook de muziek geen troost meer brengt
noch de distractie van de abstractie


© Francis Cromphout


Uit de cyclus “Je bent niet gestorven
voor J.C. (°1.1.1999 + 22.3.2017)






vrijdag 24 april 2020

die witte wolk - Francis Cromphout

ik stap door deze straten
neem de beelden op
die ook jouw oog hebben bezocht
en ik voel mij jouw blik

het lief en leed dat bij jou binnendrong
is nu het mijne geworden
deze last is licht om dragen
zoals die witte wolk daar
die toen ook in je ogen dreef

zwaar is je afwezigheid
de leegte van lood
die al de tijd dat ik hier nog rondwaar
mijn stap zal vergezellen


© Francis Cromphout


Uit de cyclus “Je bent niet gestorven
voor J.C. (°1.1.1999 + 22.3.2017)


zaterdag 18 april 2020

Als iets dat vanbinnen brandt - Paul Rigolle

Voor de mensen van Calais en elders

(Dagboekgedicht op Wereldvluchtelingendag, 20/6/2019)


Als iemand die op een dag zijn dorp verlaat,
zo zul je opgetekend in de boeken staan.
Als iemand die. Als van een ander dat. Je bent
een vreemde nog. Je tracht en leeft je in,
ademt in, ademt uit. De taal loopt nog mank
in jou. Je zoekt wat hoogte in de toon. Hoe
iemand spreekt die wordt opgejaagd. Wijd open,
slag na val, into the wild, maisveld, het wild

zover je kijkt. Bedding van het spoor. Slaapzak.
Station. Parking. Bordkarton. Over schutting kruipt.
Met wat geluk ontloop je hem de nieuwe bedelstaf.
Rusteloos op weg en wie weet waarheen.
Het jaagpad, de spoorweg langs. De blote hemel
kent geen geheim voor jou. Niet weet wat komt.
Bekeken wordt alsof je zelf een dader bent.
Ergens ingenaaid van wat van jouw bezit nog rest.

Ze peilen en stellen vast bij jou of daar een hart
nog zit. Maar iets, iets dat vanbinnen brandt
blijft vuur. Een roep als een roffel in jouw borst,
is daar het eerste woord dat van een vreemde taal
te pronken en te kijken staat. Het drukt zich uit,
het laat zich horen. Op jouw stem draagt het
zichzelf de wereld in. Klinken doet het al alsof het
op een dag jouw nieuwste naam zal zijn.


© Paul Rigolle


Uit 'Het heimwee van de bladen naar het boek', een cyclus Dagboekgedichten.


Beeld: Za 7/3/2020 - Autostradeparking - 'Ergens tussen Oostende en Koksijde'





















vrijdag 17 april 2020

November in Banana Peel - Paul Rigolle

Give happy feet a chance

(Dagboekgedicht, Banana Peel, ma 24/11/2014)


Binnen broeit het tot alles
swingt en scat en ademt.
De contrabas hapert aan de hanebalken.

Piano neemt drummer mee
naar waar hij hem hebben wil.
Elk hoofd gaat aan de wandel.

Gelieve de lege glazen
naar de toog te brengen.


In het deurgat staat een man
met een Duvel in de hand.

Elke blik hier
is voorbestemd
om af te dwalen.

Give happy feet a chance
Stompin’ at the Savoy


Buiten in de wereld liggen in het dorp
de straten opgebroken. Een Volvo
staat in de weg. De slaap zal alles slaan.

Muziek neemt geen stellingen in.
Alleen wij zijn het en bekennen kleur.



© Paul Rigolle


Dagboeknotitie van maandag 24/11/2014 - Concert ‘Taste of Swing
@ Banana Peel met Ben Paterson, Jean Van Lint en Jan De Haas

Uit de cyclus dagboekgedichten:
"Het heimwee van de bladen naar het boek"

Banana Peel Blues & Jazz, Ruiselede
Banana Peel op Facebook



'A taste of Swing' - vlnr Ben Paterson, Jean Van Lint en Jan De Haas

















#NotitiesuitBananaPeel #dagboekgedichten

donderdag 16 april 2020

Alles voor de film - Paul Rigolle

Ik herinner me dat ik een camera kocht waarin een onontwikkelde film zat

Dagboekgedicht (vr 29/12/2000 - voor Jasper)


We spreken af. Terwijl ik met de dingen sleur
klimt hij de ladders op, timmert een hemel bij elkaar
en hangt er lampen in. Ik breng de wierook aan,
vrouwentongen, een kast uit eik en een gitaar.
Een gordijn vol bloemen hang ik voor het raam
en werp - alles voor de film! - zoveel ik dragen kan,

het nepfruit in de schaal. Een meisjeskamer
in een naamloos huis, dit is, zegt hij, wat hem
voor ogen staat. Daarin een man, daarin een vrouw.
En of het - muziek van misverstanden - tussen hen,
ooit iets worden kan, dat ziet hij later wel.
Nu is er, ingescheept en wel, gekunsteld
en geklaard, het licht dat op alles vallen moet.

Ik glimlach om de verbazing die openbloeit
op zijn gezicht en die ik herken van toen hij nog
een jongen was en wij samen keken naar de zee.
In één avond maakt het kunstlicht ons - een vader
en een zoon - als in een happy-end aan elkaar gelijk.



© Paul Rigolle


Uit de cyclus dagboekgedichten:
"Het heimwee van de bladen naar het boek"


















dinsdag 14 april 2020

Een mensenleven in al zijn geledingen

Frank Decerf over ‘De verschroeide hof van Eden’ van Daniël Van Hecke

Een bundel die goed in de hand ligt, is wel 'De verschroeide hof van Eden', de nieuwste en omvangrijke dichtbundel van Daniël Van Hecke. De auteur heeft er zijn werk van gemaakt. 
Hij heeft nagedacht, gesleuteld, gearbeid en voltooid. Bij Van Hecke geen oppervlakkige, luchtige mini-verhaaltjes die zich proberen voor te doen als poëzie. Deze gedichten zijn als volwassen karpers; met respect benaderen dus. De titel De verschroeide hof van Eden roept vragen op en het zwart van de kaft staart ons dreigend aan. Met deze stevige bundel zou je een medemens een flinke klap kunnen verkopen, maar Van Hecke verkiest dat te doen met woorden, met beeldspraak, met inzicht en met rechtlijnigheid.

Volgehouden engagement is de rode draad doorheen het literair oeuvre van deze Brugse auteur. Ook in ‘De verschroeide hof van Eden’ vindt de kenner wat hij zoekt. In twaalf cycli weet Van Hecke de lezer niet los te laten. Zijn titels zijn gebald en zijn bespiegelingen trefzeker. Filosofische analyses van wat voorbij is, van wat voorbijgaat, van wat voorbij blijft. Kortom een mensenleven in al zijn geledingen.

Een traject doorheen de essentiële ervaringen die een mens kunnen belonen, bepalen of vernietigen. De verbeelding krijgt bij deze auteur de vrije loop. Tijdens het lezen hoor je zijn stem. Je hoort de cadans van zijn kracht. Trefzekere beelden springen uit zijn gedichten naar voor. Maar Van Hecke blijft ook een nuchtere laborant. Zijn gedichten verwijzen onder andere naar klimaatconflicten, toekomstbedreigingen en gestoorde intermenselijke relaties. Hij maakt zeer functioneel gebruik van rijm. De dichter lardeert de bundel hier en daar met citaten uit het werk van gerenomeerde schrijvers en andere intelligentsia. Ook zijn er interessante verwijzingen naar historische personages en mythische figuren. Van Hecke centreert zijn gedichten; het doel daarvan is mij niet echt duidelijk.


Parenthesis


“Vader,” zei ze, “ik ga”
en toen ze dolde met de
nooit geziene vreemdeling
die uit haar bekken dronk
als uit een gouden schaal,

en toen ze wentelde als een
hemels lichaam om zijn as
en de verte kantelde en helde
en snoof als een stier

en de schreeuw in haar
uiteindelijk verstomde
en kabbelde als een bron
voor de stille wandelaar,

toen brak de avond aan
en terwijl het nieuwe in
haar woelde en gilde en
haar naar het leven stond,

doofde reeds het licht
en stortten de sterren
als dronken huurlingen in
het nu brakke water

en toen zei ze: “Vader,
hier ben ik”, keek hij
langs haar heen als een
te late, verstoten wolf.


© Daniël Van Hecke


Daniël Van Hecke schrijft bijna filmisch, maar ik lees bij hem wel steeds het scherpzinnige, het ironische en het relativerende. Voor de auteur blijft schrijven een vorm van zoeken. Schrijven is twijfelen. De opdracht bestaat erin om nooit op te geven. Hij legt zijn lezer op om na te denken, om zelf te analyseren en om, als het eventjes kan, zelf tot actie te komen. Van Hecke heeft als schrijver een missie, gelukkig is hij nooit de dichter-missionaris…

Het boek, dat 160 bladzijden telt, wordt afgesloten met een zeer interessante uitleidende tekst van collega Guy van Hoof.


© Frank Decerf


De verschroeide hof van Eden, Daniël Van Hecke, Uitgeverij C. de Vries – Brouwers, 2019 ISBN 978-90-5927-627-7


Van Daniël van Hecke (°1938) verschenen de verhalenbundels De ijsheilige, Metaalmoeheid, De sandalen van Herodotus, De vermomming en de romans De mutant, De vlucht - bekroond met de literaire prijs van de stad Brugge - gevolgd door De krater en De tranen van Pygmalion. Zijn teksten weerspiegelen de broze schijnvrede van onze Westerse enclave midden een mondiaal mijnenveld.
Dit geldt eveneens voor zijn poëziebundel De verschroeide hof van Eden die bij wijze van nawoord door dichter en recensent Guy van Hoof in een gebald maar trefzeker essay zijn plaats krijgt tussen de intrigerende romanpersonages.

(Bron: website Uitgeverij de Vries-Brouwers)

Extern:
Recensie bij Exit
Daniel Van Hecke bij Uitgeverij de Vries-Brouwers

donderdag 9 april 2020

Maandelijks - Miel Vanstreels

Een halve eeuw later
discuteren we
in dezelfde kroegen
nog altijd
over dezelfde vragen

want we zijn wel ouder
maar niet veel wijzer
geworden

en als iemand zich
na vijf of zes rondjes
tripel-zeker
aan hét antwoord
waagt

is er altijd wel iemand
die redelijk nuchter
om de rekening
vraagt


© Miel Vanstreels


dinsdag 7 april 2020

Binnenschippers met droeve ogen - Herlinda Vekemans

Er waren er die vooral met vlag en wimpel, naam en staat van hun schuit begaan waren
die meenden dat velen hun scheepje hoog en voornaam achtten
en er vanzelfsprekend vanuit gingen dat de kanalen altijd zouden blijven bestaan
dat sluizen en kanalen op de keper beschouwd hun eigendom waren
en die volhielden dat zij het wisten:
dat alle kanalen in de zee uitmonden

Er waren er ook die met hun te grote boten de kanalen wilden forceren
die met hun kielen in de modder vast kwamen te zitten en hun schuiten moesten verlaten
Er waren er zelfs die hun vaartuig ook op plaatsen zonder water voort probeerden te slepen
in de overtuiging dat zij het waren die zo nieuwe kanalen maakten

Slechts enkelen bleven traag en voorzichtig varen
hun droeve ogen voor ieders blik terneergeslagen
zowel het land als de zee voor hun schuiten
onbereikbaar


© Herlinda Vekemans


Uit het typoscript in wording ‘Appelblauwzeegroen’ van Digther-redactielid Herlinda Vekemans
Thuissite Herlinda Vekemans


zondag 5 april 2020

Aan tafel - Anne Verbanck

Met de tafel als drijfhout tussen ons in
als drenkelingen aangewezen op elkaar
dobberen we zonder houvast
gehavend in een oceaan van pijn
met je baard lijk jij een bebost stuk land
mij zo vreemd vertrouwd

zijn we ooit geliefden geweest
elkaars haven om op adem te komen
als we averij opliepen op zee
onze sappen vermengd tot een
toverformule voor onze innige omhelzingen
elke centimeter afstand was er een te veel

nu zijn we schiereilanden
gescheiden van elkaar door
een zee-engte als een buffer
tussen onze botsende belangen
schots en scheve ijsblokken op drift
weg van elkaar in dit ijstijdperk

als ik een reddingssloepje laat
uitvaren naar jou met een SOS wimpel
waar ik mijn excuses dwars overheen schrijf
red je me dan met jouw liefdeswoordjes
waarmee ik nog elke nacht in slaap val


© Anne Verbanck


zaterdag 4 april 2020

Altijd al thuis - Anne Verbanck

Altijd al heb ik me
thuis gevoeld bij woorden en
hun verbeeldingswereld
meer dan in het echte leven
dat mij de adem afsnijdt

ik kan niet anders dan
me terugtrekken uit lijfbehoud
de schrilheid van stemmen
en de hardheid van harten jagen
me mijn geheime kamer in.

gewichtloos hang ik daar
als een vleermuis genietend
van het duister fladder ik er rond.
de tijd slaat met mij op hol
ik laat me op sleeptouw nemen.


© Anne Verbanck


vrijdag 3 april 2020

Als beken die zich verenigen tot een stroom

Frank Decerf sprak met Jean-Paul Rosenberg winnaar van de PPO 2019-2020

Naar aanleiding van de Poëzieprijs van de stad Oostende, ging Frank Decerf, jurylid, in gesprek met de winnaar. Ook voor de 13 de editie gebeurde dat. Hieronder het resultaat van een interessante confrontatie met de laureaat Jean-Paul Rosenberg die eerder ook de Turing-prijs won.

Jean-Paul eerst en vooral proficiat met je winnend gedicht De winterzwemmer dat overal in de stad Oostende te zien en te lezen is. Waarom deed je mee aan de Poëzieprijs van de stad Oostende?

De Poëzieprijs van de stad Oostende staat binnen ons taalgebied bekend als een literaire prijs van gewicht. Er is een omvangrijk en sterk deelnemersveld en het leek me een mooie uitdaging om te zien hoe ver ik kon komen. Bij de editie 2011-2012 kreeg ik tot mijn verrassing een eervolle vermelding en in 2020 won ik tot mijn nog grotere verrassing de eerste prijs.

Kende je de stad Oostende al?

Eigenlijk alleen uit de boeken en de verhalen. Mijn vrouw was er als kind te gast in de zomer en mijn ouders vierden er hun huwelijksreis. Zelf was ik er echter nog nooit geweest. Inmiddels is daar gelukkig verandering in gekomen.

Hoe, waarom en wanneer zette je de eerste stappen in de literaire wereld? Waarom ben je beginnen schrijven?

Schrijven doe ik al sinds mijn tienerjaren, maar mijn eerste stappen in de literaire wereld zette ik zo’n tien jaar terug, met mijn gelijktijdig debuut in de tijdschriften Tzum en Meander. Kennelijk was mijn werk toen pas voldoende rijp was voor lezing buiten de eigen kring.

Kun je ons vertellen waarmee je nu bezig bent?

Als redacteur ben ik voornamelijk bezig met het samenstellen en publiceren van literaire bloemlezingen over Nederlandse steden, streken en provincies. Als dichter werk ik aan nieuwe poëzie, maar tegelijkertijd ook aan een bundel met gedichten van de afgelopen twee/drie jaar. Daarnaast ben ik actief in projecten op het grensvlak van poëzie en andere kunstvormen, zoals film, fotografie en muziek.

Je bent dus blijkbaar op vele vlakken actief. Mag ik je vragen wie je grote voorbeelden zijn/waren uit de hedendaagse literatuur en waarom?

Mijn grote voorbeelden en inspiratoren zijn te vinden in de volle breedte van het 
twintigste en eenentwintigste-eeuwse literaire landschap van Nederland, Vlaanderen en buiten ons taalgebied. Spirituele, observerende en experimentele dichters buitelen in mijn boekenkast door en over elkaar heen. Om er een paar te noemen: Lucebert, Paul van Ostaijen, Martinus Nijhoff, Menno Wigman, Delphine Lecompte, Sylvie Marie, Alfred Schaffer, J.A. Deelder, Ida Gerhardt, Hugo Claus, Pierre Kemp, Rutger Kopland, Ben Lerner, Wislawa Szymbosrka, Seamus Heaney, Pablo Neruda en ga zo maar verder. Stuk voor stuk betreft het mensen die van de taal iets magisch maken.

Ik begrijp wat je bedoelt. Wat publiceerde je tot op heden? Waar?

Tot op heden publiceerde ik poëzie in de bloemlezing Nog een lente, twee edities van de Bekroonde werken uit de tweejaarlijkse Poëziewedstrijd van de stad Oostende en vier van De honderd beste gedichten uit de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd, die ik in 2018 won. Ook verschenen mijn gedichten in literaire tijdschriften als Deus Ex Machina, Gierik & Nieuw Vlaams Tijdschrift, Tzum, Nynade, Meander, De Schaal van Digther, Contrabas, Ei, Re:pre-sent, Op ruwe planken en Krakatau.

Heb je een voorkeur voor een of ander genre of is dat niet relevant?

Voor mij is dat zonder meer de poëzie. In de Oudheid was er een scribent die de stelling poneerde dat wat hij ook schreef uiteindelijk altijd alleen maar een vers kon zijn. Bij die gedachte sluit ik mij volmondig aan.

Als het op het schrijven komt ben je dus dichter pur sang. Heb je nog andere artistieke talenten?

Talenten vind ik moeilijk te zeggen, maar ik heb veel interesse in visuele kunsten, theater en muziek. Op eigen kompas, maar ook met intrinsieke beoefenaars van deze genres heb ik inmiddels de nodige experimenten tot stand mogen brengen. Projecten, overigens, waarvan de poëzie steevast een wezenlijk bestanddeel vormt.

Wat zou je nog graag willen schrijven?

Naast individuele gedichten zou ik nog wel eens aan een lange, thematische cyclus willen bouwen, bij voorkeur rondom een relatief los en open uitgangspunt. Ik heb al wel ideeën hierover, maar de uitwerking nog niet paraat.

Heb je tijdens het schrijven een bepaalde routine? Een bepaalde dagindeling? Hoe ga je te werk?

Mijn schrijfmethodiek volgt een tamelijk gedisciplineerd pad: ik begin losjes met associaties, ideeën en observaties die zich als beken verenigen tot een stroom aan notities rondom een zekere kerngedachte die langzaam uitgroeit tot een gedicht. De tweede fase betreft een streng proces van schrappen en samenvoegen tot er iets ontstaat met enige coherentie en urgentie. Derde en laatste fase is het bijsnijden en afwerken tot een gedicht dat in potentie geschikt is voor publicatie en verzending naar de redactie van een tijdschrift of de jury van een poëziewedstrijd.

Blijft poëzie voor jou een doel op zich?

Voor mij wel. Poëzie vormt een wezenlijk bestanddeel van mijn leven. Het is een kunstvorm die mensen kan raken, inspireren, op nieuwe inzichten brengen, verbinden. Opmerkelijk is dat, hoewel voor velen poëzie in het dagelijks leven iets ‘op afstand’ is, mensen op scharniermomenten in hun leven toch vaak hun heil zoeken bij gedichten. Denk aan ogenblikken die zijn verbonden met dood, huwelijk of geboorte; daar waar het leven zijn cyclische krachten toont. Hieruit moet je dan toch wel concluderen dat poëzie een doel heeft en, zo niet nuttig, dan toch in ieder geval zinvol is.

Welke van je publicaties/gedichten vind jij het best? Waarom?

Moeilijk te zeggen, want alles wat ik schreef vloeit voort uit dezelfde bron en vertelt in essentie dezelfde verhalen. Als ik dan toch moet kiezen, dan zijn het misschien toch de gedichten die binnen het literaire circuit nadrukkelijk succes kenden, zoals Laatste foto van de vrede en De winterzwemmer, juist omdat ze een soort wijdingsproces hebben doorgemaakt en kennelijk voor andere mensen iets betekenen, op zijn minst voor de juryleden die ze bekroonden met een prijs. Voor mij zijn die gedichten ook verbonden met zoete herinneringen aan proclamaties, mooie avonden vol sfeer en poëzie.

Volg je de huidige lichting nieuwe en jonge dichters? Waarom wel/niet? 

Zeker. Ik lees graag recensies, koop vaak bundels, ook van jonge en/of onbekende dichters, en word vaak verrast door de kwaliteit en intensiteit van hun werk. Neem bijvoorbeeld Radna Fabias en Marieke Rijneveld. Puur vuurwerk is dat.

Radna Fabias passeerde ook heel succesvol langs de PPOostende, ze was immers winnares in 2016. Ben je zelf beïnvloed in jouw schrijven?

Absoluut. Door poëzie, maar eveneens door andere kunstvormen, natuur, landschap, historie, mythologie en architectuur. En door alledaagse, terloopse of zelfs banale uitingen van beeld en taal op radio, tv en billboards. Ook die hebben hun plaats en vinden onderdak in mijn verzen.

Men probeert schrijvers altijd wel in een hokje te plaatsen. Pas jij in een of ander literair hokje?

Dat is lastig te zeggen. Mijn werk heeft een spirituele dimensie, maar ook een zeer aardse; is tegelijkertijd traditioneel en experimenteel. Het doet een gooi naar de vitale traditie van het Interbellum, de vlam van de Vijftigers, de implosies van de hermetische traditie en de no-future van de Maximalen. Tegelijkertijd is het ook eigentijds, qua thema en stijl. Misschien moet ik het beantwoorden van deze vraag aan anderen overlaten…

U hebt dat recht natuurlijk. Laten we verder gaan. We leven in woelige tijden, hebben de maatschappelijke evoluties een invloed op jouw werk?

Zonder meer. Mijn gedichten worden bevolkt door allerlei postmoderne personages en dito maatschappelijke onderwerpen.

Wat stoort jou het meest in de literaire wereld?

Eigenlijk niet zoveel. Voor zover ik het kan overzien, gaat het er in het Nederlandse en Vlaamse literaire landschap vrij gemoedelijk aan toe. Soms zijn er polemieken die ‘het literair bedrijf’ geen goed doen. Dan vraag je je af waarom je zou ruzie maken in een wereld die al zo klein en kwetsbaar is. Of boze recensies schrijven: steek liever je energie in het bewieroken van werk dat je de moeite waard vindt, dan in het afbranden van iets dat je minder bevalt. Een beetje meer ambassadeurschap van de letteren richting de rest van de wereld kan geen kwaad, lijkt me. Ook mis ik een beetje de literaire subculturen en bewegingen, zoals die van de Tachtigers, de Vijftigers en zo. Misschien zijn die er trouwens wel maar zijn ze voor mij niet zichtbaar.

Wat mogen wij nog van jou verwachten?

Na het winnen van “Turing” en “Oostende” en publicaties in en aantal tijdschriften denk ik dat een logische volgende stap is om, zoals ik hierboven al meldde, naar een integrale dichtbundel toe te werken en deze gepubliceerd te krijgen. Ook zou ik het leuk vinden om mijn werk vaker voor te dragen. Ik houd van de interactie met publiek en geloof dat een gedicht het best tot zijn recht komt als je het deelt met anderen. Vanuit een soortgelijke saamhorigheidsgedachte hoop ik ook op een wat meer regelmatige samenwerking met kunstenaars uit andere disciplines, met het oogmerk verschillende kunstvormen onder een dak te brengen, voor een gezamenlijk feest ‘voor alle muzen’.

Bedankt Jean-Paul voor deze interessante babbel. Nog veel succes met je literaire carrière en we kijken zeker uit naar je verdere publicaties.



© Frank Decerf



donderdag 2 april 2020

Het boekje van de dichter - Joris Denoo

Joris Denoo - Brugge - Craenenburg - 28/5/2019 (Foto Paul Rigolle)





























"Het boekje van de dichter": Joris Denoo schrijft
de dingen neer. In Craenenburg en elders.

Alle boekjes van de Dichter



woensdag 1 april 2020

Corona - Antoon Van den Braembussche

+

De tijd heeft ons ingehaald.

Ongehoord.
Onzichtbaar.

In neerdwarrelende mist.
Ziekmakende verstuiving.

Corona.
Pneumonia.

Martervlucht voor besmetting.
Hamstergebaar van nooit geziene
Verontrusting.

Onderhuidse angst.

+

“Het ergste moet nog komen”,
zo spreekt de viroloog.

En wij turen,
wij turen wezenloos
naar exponentiële curves.

In onze huizen,
onze cocons vol smetvrees.

Ons oog verdwijnt in de bloedstraal,
het taboe van de aanraking.
De wereldwijde stilstand.
Het mondmasker van het ongeziene.

+

In overvolle ziekenzalen
in luidkeelse bedden
tast de dood in het rond.

Ongenadig.
Longnabij.

De zwaksten dolen.
Terwijl de dagen wegebben
in eenzaamheid.

Want wie ooit eenzaam was
verglijdt snel in ongenaakbaar zwijgen.

Versteend als het virus.
Ongeneeslijk.

+

Corona.
Utopia.

De lucht zuivert zich
in de slagaders van de stad.

Nog nooit was het digitale zozeer
een plek van mededogen.

Nog nooit heerste
in straten en pleinen zozeer
de stilte en het onuitsprekelijke.

Alsof de stilstand ons meer dan ooit
iets onvergetelijks leert:

de herademing in het ogenblik.


© Antoon Van den Braembussche


#DichtersinCoronatijden  #Coronagedicht


Meer gedichten van #DichtersinCoronatijden vind je op de Coronagedichten-site ('Verzamelplaats van gedichten in tijden van Corona').

zaterdag 28 maart 2020

sonnet over het schrijven - Tom Veys

© tekening Tom Veys



























ik wou dat ik goed kon schrijven
als Haruki Murakami met een sierlijke bocht
in elke letter of als Amélie Nothomb
in een eigen wereld ontstaan

Hebreeuws heb ik kort bestudeerd
met letters die soms een symbool verzinnen
Grieks spreekt tot mijn verbeelding en
in Latijn hou ik van de uitgangen

elk woord krijgt een plaats
is een boutade die een zin krijgt
wanneer je het geheel kan zien

afstand en tijd zijn relatief
nu schenk ik er veel aandacht aan
het zijn begrippen die misschien een leven kosten



© Tom Veys



vrijdag 27 maart 2020

Dagboek van een opa - Frank Decerf

Anno 2020

Ja, zo moet het gevoeld hebben;
de vertwijfeling die aan het bot knaagt,
de onzekerheid die achterdochtig maakt
en de radeloosheid steeds dichterbij brengt,
want specialisten verzamelen alle schrikgrafieken.

Ja, zo moet de sfeer geweest zijn;
angstig, onverschillig, simultaan aberrant
en nergens hoop op sleutels die openen,
wel in tegendeel sluiten en afzonderen.
Nergens boodschappen die daden uit woorden halen.

Ja, zo was het toen wellicht. Een kille tijd van afwachten
en door poreuze gordijnen gluren. Deurbellen die staken,
auto’s die verstandig slapen en elke wandelaar als vijand aanzien,
elke passant die in zich draagt het mogelijk gif dat mij gevangen zet .
De profiteurs van de straatstenen, als pauwen weer paraderend.

Dit dagboek getuigt geen heroïsch verzet
maar wel aanvaarding en onderwerping
en de les dat mensen enkel mensen nodig hebben,
zal na de lockdown weer vlug vergeten zijn.
Of niet soms COVID-19….?


© Frank Decerf


#DichtersinCoronatijden  #Coronagedicht

Ook Digther-redacteur Frank Decerf liet zich inspireren door de vreemde impact van deze verwarrende Corona-tijden. Bovenstaand gedicht stond enkele dagen geleden ook op de Coronagedichten-site ('Verzamelplaats van gedichten in tijden van Corona') die ondermeer ook door de Nederlandse Dichter des Vaderlands, Tsead Bruinja, werd opgezet.





donderdag 26 maart 2020

Stadsdichter in een spookstad - Gerard Scharn

lege straten lege pleinen opgebroken
wegen droge fonteinen kapotte tegels
als gebarsten puisten in de kop van jut

eenzaam staat een man op een plankier
het is een dichter uit het dodenrijk

hij roept tot wie het horen wil dat hij
een boodschap heeft maar zijn stem
verdwijnt als in een put zonder echo


© Gerard Scharn


#DichtersinCoronatijden   #Coronagedicht


Meer 'Coronagedichten' vind je op de site: Coronagedicht.nl 





woensdag 25 maart 2020

dichter ten tijde van corona - Gerard Scharn

een bloemist heeft alleen nog kransen
in zijn winkel staan twaalf wachtenden
in een rij er hangt een doodse stilte en een
briefje paars omrand graag gepast contant

in de lucht een kleiduif moederziel alleen
geen vliegtuig trekt zijn streep van noord
naar zuid op de hoek wacht een ambulance


© Gerard Scharn


#DichtersinCoronatijden   #Coronagedicht


Meer 'Coronagedichten' vind je op de site: Coronagedicht.nl 


dinsdag 24 maart 2020

Op de eerste rij wanneer het melancholie betreft

Alain Delmotte over HiEr, de nieuwe dichtbundel van Hugo Verstraeten

1.

Hugo Verstraeten (1954) is zowel schilder als literator. Als literator schrijft hij verhalen en sporadisch filosofisch getinte essays die voorlopig nog niet in boekvorm zijn verschenen. Hij lijkt me vooral een dichter te zijn. Weliswaar van de spaarzame soort. Hier en daar vinden we de schilder in zijn poëzie terug. In de laatste bundel lezen we gedichten
die op schilderwerken zijn geïnspireerd: Magritte, Da Vinci (en tussen de lijnen wellicht nog meer). De schilder herkennen we ook in de landschappen die hij in zijn gedichten oproept.

Hij publiceerde tot nog toe drie bundels: ‘Er zijn geen koningen meer’ (1994), ‘Verzamelde gezichten’ (1997) en recent, tweeëntwintig jaar later, ‘HiEr’. Op zich vertellen de twee eerste titels zowel een levensverhaal als het verhaal van een poëtische ontwikkeling.

Dat hij in zijn eerste publicatie vaststelt dat er geen koningen meer zijn, is een goede zaak voor zijn poëzie geweest. Dat sorteert een effect van loutering. Een narcistisch getint ‘ik’(altijd een groot gevaar in poëzie) ondergaat een ontnuchterende gedaanteverwisseling. In het titelgedicht lezen we: we weten niet wie we zijn -/we hebben dit nooit geweten. De dichter wordt hiermee om het even wie, iemand uit de zovelen, gelijkwaardig aan zovelen. De dichter heeft zich in zekere zin ‘gedemocratiseerd’ – zijn republiek is nu deze van de onwetendheid. Montaigne’s Que sais-je.

De titel van de tweede bundel ‘Verzamelde gezichten’ komt eerder woordspelig over, maar is in essentie niet vrijblijvend of triviaal. We kunnen er vele kanten mee uit. Voor de hand liggend lees ik in die ‘gezichten‘ het woord ‘gedichten’ af. En daarmee vermoed ik een verband met ‘l’épiphanie du visage’ van de filosoof Emmanuel Levinas. ‘Van het gelaat van de medemens gaat een ethisch appel uit’, is de wijsgerige kern van Levinas’ stelling. Oog in oog met de Ander, ongeveinsd gelijkwaardig aan de Ander. Er is geen andere uitweg. We lezen in de titelcyclus: ik sta in de morgen/als in een gezicht/met ogen. Mij lijkt het dus dat ‘gedicht’ zeker als metafoor (of als een allegorie) voor ‘het gezicht’ kan staan. Het gedicht wordt hierdoor meer dan tekst alleen. Het impliceert een gebaar: de taal van het gedicht wil ontmoeting genereren. Het gedicht wil iets aanreiken: het wil in dialoog gaan. Wat het spreekt is menselijke taal. Het richt zijn gezicht naar de Ander die, in dit geval, een lezer is. Ik schrijf wel degelijk ‘een lezer’, niet ‘de lezer’. ‘De lezer’ bestaat niet, die term is een veralgemening, is onpersoonlijk. ‘Een lezer’ is een individu dat kan staan voor vele lezers, tot iedereen die het gedicht leest, tot iedereen tot wie het gedicht zich richt.

Om misverstanden te voorkomen: dat dialogische impliceert niet dat de dichter de lezer naar de mond wil praten. Verstraeten is niet iemand die met zijn poëzie wil behagen, plezieren, verleiden. Hij biedt ons geen gemakkelijk te consumeren poëzie aan. Hij spaart de lezer niet. In ‘Hier’ staat een gedicht - ‘Vragenlijst’ genaamd - die de lezer scherpe vragen stelt: ‘Hoort u oms dingen die anderen niet horen?/ Ziet u dingen die anderen niet zien?// Zo ja, ga dan naar het volgend vers./ Zo neen, verlaat dan het gedicht.’ De dialoog die tot stand moet komen is er één tegen heug en meug. Het is er één in volle nooddruft. In het sterke gedicht ‘Schrijf me’ in dezelfde bundel wordt de spankracht die deze nooddruft bloot legt pregnant en hoogdringend weergegeven.

Het opvallende bij die twee eerste bundels is dat ze uitdrukkelijk gesitueerd worden met een plaats en een tijdstip. Dat wordt telkens expliciet weergegeven bovenaan het gedicht, de titel van het gedicht wordt precies secundair. Alsof de dag en het uur belangrijker is dan de titel van het gedicht – of het gedicht zelf: het gedicht werd nadrukkelijk op die plek (heel vaak dezelfde) en op een heel specifieke, niet te herhalen dag geschreven. Het gedicht draagt in zich de herinnering aan een ‘hier en nu’.

In de nieuwste bundel ‘Hier’ (typografisch als ‘HiEr’ vormgegeven) vallen die expliciete situeringen en tijdstippen weg. Verstraeten schrijft in zijn nawoord dat het woord ‘hier’ o.a. ook als het Franse woord ‘hier’ (gisteren) kan gelezen worden. Kortom: plaats en tijd vallen in het woord ‘hier’ samen. Waardoor het hier ‘een daar’ (Baudelaire had het over ‘…là-bas, là-bas…’) en het nu ‘een toen’ wordt. Wat er van die plaats en die tijd, van dat ‘hier’ overblijft zijn de woorden, de artefacten, de sporen in het gedicht. (‘Het spoor’ is een term die we rijkelijk in ‘Hier’ zullen aantreffen). Het ‘hier’ staat voor - zoals Verstraeten het zelf aangeeft in het laatste gedicht ‘Als ik aan doodgaan denk’ (en hij herhaalt in zijn nawoord): een kort verblijf in het onbestaande. De titel draagt in zich dus nogal wat ‘aardlagen’’ en ‘hinderlagen’. Vandaar wellicht wellicht de eigenreide typografische vormgeving van de titel: “HiEr’.

In zijn drie bundels komt het tijdsgegeven bijna obsessief terug. In de twee eerste bundels hadden de gedichten zoiets als een dagboek-gehalte. Dit lijkt in ‘Hier’ op het eerste gezicht niet het geval. Maar Verstraeten blijft een weg van gedicht tot gedicht gaan, dag na dag, jaar na jaar. Paul Rigolle in zijn inleiding bij de bundel, noteert dat de 54 gedichten in deze bundel ‘chronologisch naar hun ontstaan gerangschikt zijn.’ Dus toch nog iets van een dagboek? Hugo Verstraeten bouwt zijn bundels niet op in thematisch of formeel gelijklopende cycli. Natuurlijk komen dezelfde motieven wel weer naar boven: de compositie van de bundel steekt in de subtiele herhaling en/of variaties van die motieven en/of woordvelden (ik kom er straks op terug). ‘Hier’ vormt wel degelijk een coherent geheel.

In diezelfde inleiding citeert Rigolle iets uit een interview met Verstraeten wat ons wel wat over diens visie op poëzie vertelt: ‘Schrijven is een proces van betekenisverlening. Dit proces is nooit af en ligt nooit vast’. Er staat ‘schrijven’, maar had er ook niet ‘lezen’ kunnen staan? Naar mijn mening is het lezen van poëzie trouwens een vorm van schrijven. De lezer schrijft - bij het lezen - het gedicht mee door het gedicht betekenis te ‘verlenen’: slechts op die manier kan er m.i. tussen gedicht en lezer een dialoog ontstaan.

Laten we evenwel wat stilstaan bij het woord ‘betekenisverlening’. Ik kende het woord niet en meende eerst ‘betekenisverlenging’ te lezen – wat het ook had kunnen zijn. Ik vermoedde een neologisme: het staat immers niet in de Van Dale-uitgave waarover ik beschik. Even naar google en daar vond ik het als volgt beschreven: ‘Met betekenisgeving bedoelt men het geven van een betekenis aan informatie die via de zintuigen de hersenen binnenkomt. Hierbij is het belangrijk om verder te kijken dan alleen hetgeen wordt waargenomen, ofwel verder kijken dan 'het feitelijke'. Prikkels worden waargenomen door onze zintuigen en vervolgens gefilterd in de hersenen. Daarna start er een proces van 'betekenisverlening'. Men gaat dus bedenken wat de prikkel kan betekenen.’ Ik herken hier duidelijk elementen van het leesproces. En het schrijfproces dan? Wel, schrijven ervaar ik immers ook als een zoektocht naar betekenissen: het gedicht is niet altijd wat de dichter er rationeel mee wou uitdrukken: de zintuigelijke ervaringen hebben ook hun deel. Het gegeven taal is immers complex en bij momenten vervreemdend: bij het schrijven lijkt het er soms op dat in een soort extase (de laagste trap ervan) de woorden het van de dichter overnemen – het woord gaat eigen meerduidige wegen: de dichter voelt zich gedwongen om die te volgen. Een weg die leidt naar een geheel van betekenissen die de dichter zelf zal moeten exploreren. En hiermee wordt het bevestigd: schrijven en lezen is inderdaad ‘een kort verblijf in het onbestaande’.

2.

Slak

De piano herinnert zich
Hindemith. Het huis een woord
waarin ik niet meer woon.

Haar kleren zilverspoor
naar de naaktheid waarachter
zij zich verbergt

Verte staart langzaam in
de ogen. De spiegel luistert
naar de vuistslag van zwijgen.

De piano onder alle dingen
weer ding. De tijd vergist zich.
Uren zijn stenen waaraan

wij ons stoten.


Dit is het openingsgedicht uit de bundel ‘Hier’. De eerste vraag die ik me stelde bij dit gedicht was waarom dit gedicht de titel ‘slak’ meekreeg? De woorden ‘huis’ (slakkenhuis), ‘naakt’(- slak) en ‘zilverspoor’ leken me voor de hand liggende verwijzingen naar het sympathieke beestje genaamd ‘slak’. Pas later drong het tot me door dat er zich een slakkenhuis in het binnenoor bevindt en een cruciaal element vormt voor het functioneren van ons gehoor. (Gehoor - oor, oor-sprong - is een subtiel terugkerend gegeven in deze gedichten. Een dialoog impliceert luisteren.)

Het weekdier en het innerlijk orgaan worden talig uitgespeeld. Verder zoekwerk bracht me tot bij een gedicht van Stefan Hertmans: het titelgedicht van de bundel ‘Muziek voor de overtocht’, dat over Paul Hindemith gaat en waarin ‘de slak’ voortdurend wordt geëvoceerd. Hertmans noteert: ‘De drie sonates voor piano/lijken wel helemaal in de/’tijdmaat van een zeer langzame mars/geschreven’. Een verwijzing naar de trage manier waarop een slak zich voortbeweegt? Later in het gedicht wordt die mars een ‘marche funèbre’ genoemd. Nog een opvallende gelijkenis is volgende regel: ‘ideologie is niet het cultiveren/van het slijmspoor op de steen’, de steen die we in het gedicht ‘Slak’ in de voorlaatste regel van Verstraetens gedicht terugvinden. Bij zowel Hertmans en Verstraeten is er sprake van de ‘spiegel’.

Wat ik hiermee wil bewijzen? Wel ik deed hier even een proeve van ‘betekenisverlening’. Voor mij is trouwens de betekenis van het gedicht nooit definitief en nooit precies. Ik ging hier in dialoog met het gedicht. Of Hugo Verstraeten bekend is met het gedicht van Hertmans en er op zijn beurt er intertekstueel mee in dialoog is gegaan, weet ik niet. Het is ook niet belangrijk want het zijn twee verschillende gedichten. Het zou best kunnen dat beide dichters gewoon op dezelfde manier naar Hindemith luisteren. En ik moet toegeven dat ik met de muziek van Hindemith niet vertrouwd ben – dus mis ik misschien een link waarover Hertmans en Verstraeten wel beschikken en waaruit bijvoorbeeld het verband tussen de slak en deze muziek verklaard kan worden. Ik vermoed dat binnen een bepaalde piano-compositie van Hindemith iets van een bewegende slak wordt opgeroepen. Maar dat is dus hypothetisch.

Er is echter meer: het gedicht ‘Slak’ biedt ons allerlei invalswegen op de bundel in zijn geheel. We vinden er een paar centrale woorden en motieven in terug die binnen de bundel zijn geïntegreerd. De tijd, het huis (de kamers, de vensters), de woorden, de verte (de vergezichten), de ogen (waaraan uiteraard de begrippen ‘kijken’ en ‘zien’ kunnen gekoppeld worden), de spiegel, de dingen, de stenen. Een woord ontbreekt dat verder een belangrijke rol zal spelen: het woord ‘beeld’. (Er zijn er nog: het woord ‘sneeuw’ bijvoorbeeld. Maar ik beperk me.) Laten we even en aan de oppervlakte het ‘slakkenspoor’ van genoemde woorden volgen.

Het gegeven ‘tijd’(tijd die zoals gezegd met een plek verbonden wordt: ’plaatsbepaling van tijd is de schrijver./Is schrijven’) kennen we al uit de vorige bundels. Alleen komt die nu wel scherper uit de hoek, de tijd ‘likt weg’, het wordt urgenter, het einde loert, er wordt aan de dood gedacht. De dichters zijn: ‘boekhouders/van wat herinneringen, verzamelaars van hiaten’. Enkele gedichten evoceren herinneringen en de hiaten in die herinneringen: de vader, de moeder, een kalverliefde, jongensdromen, vakantieplekken, portretteringen, mislukte ambities, verlangens en zo meer: ze vormen een kluwen en een confusie. Van die ‘verwarring’ aan herinneringen wil de dichter ‘beelden’ capteren en bestendigen. ‘We zijn wat we achterlaten. Altijd/ een masker, altijd een spoor. Altijd/ Een begin van verwarring’. Dat capteren van een beeld heeft met ‘steen’ te maken: ‘De tijd is een steen’. Of elders: ‘Zoals elk beeld/in steen wil verdwijnen//en dan blijft’ of ‘beeld dat/zich weg hakt in marmer’. Dit reflecteren over de tijd en het beeld zorgt ervoor dat er in de bundel onderhuids iets elegisch klinkt. ‘(…) In het testament van de stenen/het heimwee erven.’ Verstraeten vinden we wel eens op ‘op de eerste rij wanneer het melancholie’ betreft. (De laatst geciteerde versregel haal ik uit gedicht ‘Naar Auschwitz willen’ en is uit zijn context gelicht. Het klinkt in werkelijkheid wranger dan het lijkt. Het is geen ironie.)

Omwille van dat ‘reflecteren’ hebben deze gedichten een introspectief karakter. De dichter kijkt wel eens in de spiegel: ‘Onderzoek op dit gezicht hoe oud/worden kan en of doodgaan/misschien enkel een mogelijkheid is’. Daarom wordt er van de spiegel in een ander gedicht weggekeken: de confrontatie wordt vermeden. Of het is hem niet altijd even duidelijk wat in de spiegel te zien is.

De dichter peilt in zichzelf zoals bijvoorbeeld in het gedicht H.V. (waarin we de initialen van de dichter herkennen). In andere gedichten mondt dit peilen soms op een eindpunt uit ‘(…) Er was geen weg, er was/geen doel. Hij hield enkel een richting aan/in het peilloze.

We vinden elementen van het huis (en de woordvelden die erbij horen) met regelmaat verspreid terug. Een huis bestaat uit muren, waarin de diepste intimiteit zich verborgen en stilzwijgend weet: ‘Wat muren verbergen, noem dit een huis. Stilleven/van woorden. Doortocht van hartstocht. Wat nagelaten/ berichten op een tafel.’ Is het huis een huis van zijn? Of een huis van wat is geweest en waarvan enkel nagelaten berichten, ‘sporen’ zijn overgebleven? Of is het een doorgangshuis: ‘Al was het nog een rand aan het niets, overgang naar iets/en alles daartussen wat muren verbergen’. Daar is die melancholie weer. ‘Zij huist in de tijd/en verandert van vel

In een huis zijn er ramen, waaien vensters open: wat spelingen tussen binnenkamers en buitenshuis toestaat. En begrippen als ‘in’ en ‘uit’, ‘afstand’ en ‘nabijheid’, ‘inzicht’ en ‘uitzicht’. In het huis bevinden zich ‘dingen’. Ze zijn aanwezig maar ze geven afwezigheid aan. Zo bijvoorbeeld wordt in ‘Slak’ de piano weer ding als ze niet meer wordt bespeeld: in het gehoor liet ze een spoor van klanken na. Zo vinden we heel wat dingen terug die een afwezige aanwezigheid in herinnering brengen, die een beeld hebben achtergelaten, nagelaten: ‘Alles is er nog. In de dingen./Beeld van een tafel, kamer waarin iemand het licht vergat.’ Dingen zwijgen en toch vertellen ze iets: ’zoals regenjassen op een stoel/hun verhaal doen’.

Het uitzicht impliceert een ‘verte’ en het kijken naar die verte: ‘oorsprong om halt in te houden/punt om in te blijven bestaan’. Ook die verten geven van afwezige aanwezigheid blijk, van leegte: ‘Ook te zien is een vrouw en een kind/Zij loopt voorop. Een gat in een landschap/ dat zich met verte vult’.

‘De verte opgerold/in zijn oog’ lezen we. Ik gaf het belang van het ‘oog’ uit de vorige bundels al aan. Kijken en hoe dat gebeurt: ‘Om naar een dorp te kijken. En hoe je dat doet./Met afstand en inzicht van ogen.’ Het geheim van de ogen: ze zien met inzicht het onzichtbare, het onbestaande. ‘Schrijf me//over het beeld van Brancusi waar je altijd naar kijkt/met de ogen dicht.’

Maar tenslotte mogen we niet vergeten dat gedichten met woorden worden geschreven, dat dichters pogen om met woorden te schrijven, te peilen, uit te beelden. We ontwaren hier het metapoëtische niveau van deze bundel. Woorden worden gekarakteriseerd. Ze zijn vluchtig:
Hugo Verstraeten, 2020
Woorden raakten/op je lippen zoek’. Er wordt getracht ze ontgrendelen. Om ze meer betekenis te ‘verlenen’. Hun betekenis te verlengen? In ieder geval: de dichter ‘haalt (…) oude woorden/open’. En die oude woorden rijten wonden open zoals in het al genoemde gedicht H.V.: ‘Hij blijft nooit langer dan/een woord zich vergeet in/een ander woord. Schrijft veel/rood door het bloed om/het nooit meer te stelpen-// schrijft de etter in de woorden/en houdt de wonden/open’. Dat ‘De mond schopt naar woorden’ verklaart het stamelen, ‘Woorden die je enkel kan stamelen’, ‘Een oorlog van zinnen’. Verstraeten is zich bewust dat woorden nooit volstaan en daarom nooit voldoen, dat er blinde vlekken in de woorden huizen: ze zitten nokvol zwijgen. Hij komt tot de volgende conclusie, tot de kern van de woorden en het schrijven‘(…) zich neerschrijvend, wit op wit,//een onbeschreven stilte’.

Nee, ik heb hier helemaal niet geprobeerd om de bundel te ontsluiten. Ik heb hem enkel even verkend. Ik gaf aan wat ik meen gelezen te hebben, hoe ik deze publicatie heb ervaren. Ik heb vooral geparafraseerd. Uiteindelijk hoop ik dat het de lezer dezes duidelijk zal zijn dat ‘Hier’ een erg gelaagde bundel is: doordacht, doorlucht, doorleefd. In vergelijking met zijn vorige bundels is het vakmanschap veel groter geworden. Een bundel meer dan de aandacht waard. Verstraeten haalde met brio het beste uit hemzelf. Opdracht volbracht - en het laat een slakkenspoor van heimwee achter.


© Alain Delmotte

HiEr, Hugo Verstraeten, Uitgeverij Partizaan, 2019, 64 pagina's, ISBN 9789492007841


H.V.

Hij meet de leegte uit
En verklaart haar bewoonbaar:

Plaatsbepaling van tijd is de schrijver.
Is het schrijven. Sprong in het gat
Dat hij is.

Hij blijft nooit langer dan
Een woord zich vergeet in
Een ander woord. Schrijft veel
Rood door het bloed om
Het nooit meer te stelpen-

Schrijft de etter in de woorden
En houdt de wonden
Open.


© Hugo Verstraeten

(uit HiEr)




zondag 22 maart 2020

Bijna lente - Astrid Arns

Hoor je, vraagt hij, hoe een tak onder mijn gewicht breekt?
Ik kus wijn van zijn lippen omdat ik geen antwoord wil geven.

Hij schrijft mijn naam op een muur, tot de regen het krijt wegveegt.
Rolt over gras als een deegroller over deeg.

We vermaken ons zonder verstoppertje te spelen,
nemen dit uur mee als een warme steen.
Zonder elkaar aan te kijken breken we uit een pantser,

stappen verder met het late licht in de rug tot waar een uitzicht ons treft
en laten onszelf achter.