Tijd van dwang
(Horizon/Overamstel Uitgevers) van Peter Mangel Schots is een historische
roman, een familiesaga en een actueel verhaal in één.
Van 1942 tot 1945 verbleef Cel als dwangarbeider in
nazi-Duitsland. Hij maakte bombardementen mee, ontsnapte enkele keren nipt aan
de dood en nam de grote gebeurtenissen van de geschiedenis waar, van
collaboratie en verzet tot de laatste dagen van de concentratiekampen. Al die
tijd hield hij een dagboek bij.
Wanneer de wereld in 2020 op slot gaat, neemt Cels kleinzoon
Peter zijn intrek in het familiehuis waar hij als kind met zijn ouders en
grootouders samenwoonde. Daar leest hij voor het eerst het oorlogsdagboek van
zijn grootvader. Historische gebeurtenissen, herinneringen, oude foto’s en
verhalen komen als in een caleidoscoop een voor een voor het voetlicht.
Zoals in dit fragment: terwijl Cel honger en koude lijdt in
Stettin, moeten zijn vrouw Mima en zijn dochtertje in Hestenberg schuilen voor
de vliegende bommen.
*
Tegen het einde van het
jaar 1944 worden de aanvallen met de V1 en V2 heviger. Op zaterdag 16 december
vallen er in heel België meer dan zevenhonderd doden. De angst krijgt ook
Hestenberg in zijn greep na de dodelijke explosie aan het kruispunt, waar het
jongetje Marcel het leven liet. Wanneer de sirenes loeien kruipt Mima met haar
dochtertje in de inbouwkast onder de trap, een kelder hebben de
arbeidershuisjes in de Root niet. In die koude weken rond Nieuwjaar slaat het
luchtalarm bijna dagelijks aan. Voor de kleine Marja, die één jaar wordt, is
schuilen een routine geworden. Mima hoeft haar niet eens meer op te pakken, ze
heeft net leren lopen en zodra ze de sirenes hoort spoedt ze zich op haar
wankele peuterbeentjes naar de trapkast.
Nu en dan, wanneer het
luchtalarm vroegtijdig komt en het gepruttel van de bommotoren nog niet boven
de Root hangt, haast iedereen zich naar Roos, de jonge weduwe die op de hoek
van de straat een kruidenierswinkeltje uitbaat. Het enige huis dat een kelder
heeft. Op een middag in februari, een maand voor de vergeldingswapens eindelijk
zullen zwijgen, schuilen er alleen vrouwen en kinderen, sommige nog aan de
borst. De meeste buren zijn er tijdig geraakt. Mima met Marja, Fien met
Marieke, Lisette, Bertine en Dikke Moe met haar kroost van meerdere mannen. Ze
ontsteken een petroleumlamp die een flauwe licht verspreidt. Het valluik wordt
gesloten. Boven hen loeien de sirenes.
De nervositeit maakt hen babbelziek.
‘Zeg Roos, hoe zit het met uwen Engelsman?’
Onder de grond kunnen ze vragen stellen die het daglicht niet verdragen.
Gegniffel.
‘Ja, Roos, vertelt een keer.’
Enkele vrouwen blozen, maar de lamp geeft te weinig licht om dat zichtbaar te
maken. Dikke Moe heeft er geen last van.
‘Zeg, Roos, ge past toch op, hé? Of wilt ge dat uw kleinmannen er een ros
broerke bij krijgen?’
Hun lach is bevrijdend, een antidotum tegen de angst voor de bommen. Roos laat
zich niet van de wijs brengen.
‘Ge moogt gerust zijn. Hij heeft daar iets voor.’
‘Is ’t echt, Roos? Zo’n dinges?’
‘Een kapoot, is ’t waar?’
Naar een condoom verwijzen met de volkse benaming van een kapotjas is een
gebruik dat ook in die dagen al wijdverspreid is. Ik heb er zelf een kleine
herinnering aan, met weerhaken. Als twaalfjarige moet ik in de Latijnse les de
vervoeging van het werkwoord capere
opdreunen. Ik verhaspel de eerste persoon enkelvoud, in plaats van het correcte
capio zeg ik capó. Wat zegt ge, vraagt de leraar smalend, kapoot? De klas lacht
en ik weet niet waarom. Het bloed stijgt naar mijn wangen. Als twaalfjarigen zo
lachen kan dat maar met één ding te maken hebben, dat begreep ik wel. Een
condoom dus. De andere vrouwen in de kelder bij Roos hebben er nog nooit een in
hun handen gehad.
‘Hebt ge er een bij, Roos?’
‘Laat eens zien.’
‘Komaan, Roos, we zijn curieus.’
Roos diept er een op uit haar rokken. Ze laten het rubberen dingetje van hand
tot hand gaan.
‘Hoe voelt dat eigenlijk?’
‘Dat zoudt ge aan hem moeten vragen.’
‘En krijgt ’m dat helemaal vol?’
Het gelach overstemt de sirenes. De bommen zijn vergeten.
‘Zeg, mannen…’ Ook bij afwezigheid van mannen hebben de vrouwen de gewoonte om
hun gezelschap zo toe te spreken.
‘Zeg, mannen, nu zou ik toch wel ’s willen weten hoeveel dat daar in kan.’
Er staan altijd twee emmers gereed in de kelder. Een lege voor dringende
behoeften en een die gevuld is met drinkbaar pompwater. Joelend gieten de
vrouwen water in het condoom. Beetje bij beetje spant het rubber zich op als
een ballon. Tot het barst. Fien, die het condoom met vier vingers openspert,
heeft kletsnatte voeten. Hilariteit. Bertine heeft plots nood aan de andere
emmer.
En dan merken ze dat het alarm gestopt is.
‘Zeker twee liter’, zal Mima later met grote stelligheid aan haar dochter
vertellen.
*
Peter Mangel Schots (Lier, 1972) is
schrijver, dichter en literatuurdocent. Hij publiceerde twee dichtbundels en
een boek met verhalen over De Eenzame Uitvaart. Tijd van dwang is zijn debuutroman.
Website Peter Mangel Schots
Label Peter Mangel Schots op De Schaal van Digther
Tijd van dwang bij Uitgeverij Horizon/Overamstel uitgevers
Wikipedia-pagina Peter Mangel Schots

