zondag 1 maart 2026

Tijd van dwang - Debuutroman van Peter Mangel Schots

Tijd van dwang (Horizon/Overamstel Uitgevers) van Peter Mangel Schots is een historische roman, een familiesaga en een actueel verhaal in één.


Van 1942 tot 1945 verbleef Cel als dwangarbeider in nazi-Duitsland. Hij maakte bombardementen mee, ontsnapte enkele keren nipt aan de dood en nam de grote gebeurtenissen van de geschiedenis waar, van collaboratie en verzet tot de laatste dagen van de concentratiekampen. Al die tijd hield hij een dagboek bij.

Wanneer de wereld in 2020 op slot gaat, neemt Cels kleinzoon Peter zijn intrek in het familiehuis waar hij als kind met zijn ouders en grootouders samenwoonde. Daar leest hij voor het eerst het oorlogsdagboek van zijn grootvader. Historische gebeurtenissen, herinneringen, oude foto’s en verhalen komen als in een caleidoscoop een voor een voor het voetlicht.

Zoals in dit fragment: terwijl Cel honger en koude lijdt in Stettin, moeten zijn vrouw Mima en zijn dochtertje in Hestenberg schuilen voor de vliegende bommen.

*

Tegen het einde van het jaar 1944 worden de aanvallen met de V1 en V2 heviger. Op zaterdag 16 december vallen er in heel België meer dan zevenhonderd doden. De angst krijgt ook Hestenberg in zijn greep na de dodelijke explosie aan het kruispunt, waar het jongetje Marcel het leven liet. Wanneer de sirenes loeien kruipt Mima met haar dochtertje in de inbouwkast onder de trap, een kelder hebben de arbeidershuisjes in de Root niet. In die koude weken rond Nieuwjaar slaat het luchtalarm bijna dagelijks aan. Voor de kleine Marja, die één jaar wordt, is schuilen een routine geworden. Mima hoeft haar niet eens meer op te pakken, ze heeft net leren lopen en zodra ze de sirenes hoort spoedt ze zich op haar wankele peuterbeentjes naar de trapkast.

Nu en dan, wanneer het luchtalarm vroegtijdig komt en het gepruttel van de bommotoren nog niet boven de Root hangt, haast iedereen zich naar Roos, de jonge weduwe die op de hoek van de straat een kruidenierswinkeltje uitbaat. Het enige huis dat een kelder heeft. Op een middag in februari, een maand voor de vergeldingswapens eindelijk zullen zwijgen, schuilen er alleen vrouwen en kinderen, sommige nog aan de borst. De meeste buren zijn er tijdig geraakt. Mima met Marja, Fien met Marieke, Lisette, Bertine en Dikke Moe met haar kroost van meerdere mannen. Ze ontsteken een petroleumlamp die een flauwe licht verspreidt. Het valluik wordt gesloten. Boven hen loeien de sirenes.
De nervositeit maakt hen babbelziek.
‘Zeg Roos, hoe zit het met uwen Engelsman?’
Onder de grond kunnen ze vragen stellen die het daglicht niet verdragen.
Gegniffel.
‘Ja, Roos, vertelt een keer.’
Enkele vrouwen blozen, maar de lamp geeft te weinig licht om dat zichtbaar te maken. Dikke Moe heeft er geen last van.
‘Zeg, Roos, ge past toch op, hé? Of wilt ge dat uw kleinmannen er een ros broerke bij krijgen?’
Hun lach is bevrijdend, een antidotum tegen de angst voor de bommen. Roos laat zich niet van de wijs brengen.
‘Ge moogt gerust zijn. Hij heeft daar iets voor.’
‘Is ’t echt, Roos? Zo’n dinges?’
‘Een kapoot, is ’t waar?’
Naar een condoom verwijzen met de volkse benaming van een kapotjas is een gebruik dat ook in die dagen al wijdverspreid is. Ik heb er zelf een kleine herinnering aan, met weerhaken. Als twaalfjarige moet ik in de Latijnse les de vervoeging van het werkwoord capere opdreunen. Ik verhaspel de eerste persoon enkelvoud, in plaats van het correcte capio zeg ik capó. Wat zegt ge, vraagt de leraar smalend, kapoot? De klas lacht en ik weet niet waarom. Het bloed stijgt naar mijn wangen. Als twaalfjarigen zo lachen kan dat maar met één ding te maken hebben, dat begreep ik wel. Een condoom dus. De andere vrouwen in de kelder bij Roos hebben er nog nooit een in hun handen gehad.
‘Hebt ge er een bij, Roos?’
‘Laat eens zien.’
‘Komaan, Roos, we zijn curieus.’
Roos diept er een op uit haar rokken. Ze laten het rubberen dingetje van hand tot hand gaan.
‘Hoe voelt dat eigenlijk?’
‘Dat zoudt ge aan hem moeten vragen.’
‘En krijgt ’m dat helemaal vol?’
Het gelach overstemt de sirenes. De bommen zijn vergeten.
‘Zeg, mannen…’ Ook bij afwezigheid van mannen hebben de vrouwen de gewoonte om hun gezelschap zo toe te spreken.
‘Zeg, mannen, nu zou ik toch wel ’s willen weten hoeveel dat daar in kan.’
Er staan altijd twee emmers gereed in de kelder. Een lege voor dringende behoeften en een die gevuld is met drinkbaar pompwater. Joelend gieten de vrouwen water in het condoom. Beetje bij beetje spant het rubber zich op als een ballon. Tot het barst. Fien, die het condoom met vier vingers openspert, heeft kletsnatte voeten. Hilariteit. Bertine heeft plots nood aan de andere emmer.
En dan merken ze dat het alarm gestopt is.
‘Zeker twee liter’, zal Mima later met grote stelligheid aan haar dochter vertellen.

*

© Peter Mangel Schots


Peter Mangel Schots (Lier, 1972) is schrijver, dichter en literatuurdocent. Hij publiceerde twee dichtbundels en een boek met verhalen over De Eenzame Uitvaart. Tijd van dwang is zijn debuutroman.


Website Peter Mangel Schots
Label Peter Mangel Schots op De Schaal van Digther

Tijd van dwang bij Uitgeverij Horizon/Overamstel uitgevers
Wikipedia-pagina Peter Mangel Schots