zaterdag 22 juni 2019

Commentaar bij 'Leerdicht over het aanbieden van excuses' - Alain Delmotte

Commentaar bij ‘Leerdicht over het aanbieden van excuses’.

Toen ik voor het eerst deze tekst voorlas, verbaasde het me dat na de eerste zin gelach uit de zaal was te horen.

Veel van mijn teksten zijn meer dan eens doordrenkt met (zelf)spot en ironie. Zoals bevoordeeld in fragment 3 van dit leerdicht. Maar die eerste zin is dat niet. Integendeel: die zin is intriest, doorkerfd met een oppermachtige melancholie.

Deze tekst gaat over onze nalatigheid. Het tekort aan aandacht voor de dingen die om ons heen gebeuren maar waarbij we nauwelijks nog bij betrokken (willen - kunnen) worden. Dit zijn zowel de ander als de anderen, de details die onze omgeving mee bepalen en kleuren, de discrete gebaren, de kleine rituelen die ons tot mens en medemens zouden moeten maken. Een minimale basis aan verwondering.

Maar vervreemding overheerst. We beschikken niet meer of nauwelijks over het vermogen tot ‘aandacht’. We bezitten neurotisch aandoende fixaties: de routines die ons een leiband omdoen. We sluimeren constant. We houden ons niet meer aan rituelen, we zitten in conditioneringen vast. We leven van dag tot dag – dag in, dag uit: dagen die zich wezenlijk in tijdverlies laten omrekenen. Het nu wordt ons afgebeeld als een lapidair consumptieartikel terwijl het een indringende ontologische kwestie betreft. En dus een heel complexe zaak. Ik ervaar het nu als ‘een voorlopigheid’, niet als een absoluutheid. Het nu is wat ons overkomt – en dat is niet altijd als iets positief te ervaren. Het nu moet je afdwingen, wil je het in de diepte ondergaan. Het nu is een duel. Wie wint hangt van de omstandigheden af. En wie wint is vaak op langere termijn de verliezer.

Procedures namen steeds meer de plaats in van wat we vroeger ooit als wellevendheid of beschaafdheid omschreven. Brutaliteit in en met de taal wordt meer en meer toegestaan. In de eerste plaats in de politiek. De rest volgt.

Onze nalatigheid. Elke dag die we zomaar laten voorbijgaan is een overwinning van de routine, van het systeem waarin we hebben te roderen.

We moeten proberen er de aandacht weer bij te houden: dit lijkt me wat in feite leven in het nu zou moeten betekenen. We leven te weinig in het nu: we blijven beate, passieve toeschouwers van wat er om ons heen gebeurt. We worden er wezenlijk en onwezenlijk niet langer bij betrokken: zo langzamerhand worden selfies onze enige herinneringen. We zijn de toeristen van ons eigen leven geworden: en wat valt er in ons leven nog te bezichtigen?

Poëzie biedt noodweer.


© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback





vrijdag 21 juni 2019

Leerdicht over het aanbieden van excuses – Alain Delmotte

1.

Bied bij het opstaan je bed je spijtbetuigingen aan. Omdat het ook dit keer je slechte slaap een onderdak had te geven, je lichaamsgewicht aan nare en onbillijke dromen had te dragen.

Dank het omdat het je met die dromen toeliet om veilig op een matras te landen.

Beloof het voor vanavond liefde, overwegend, nauwelijks doorwegende liefde.


2.

Excuseer bij het ontbijt, voor je eerste hap, het brood: dat je het zomaar en brutaal doorslikken moet, het is de haast nietwaar.

Wees niet nalatig: vergeet de kruimels niet. Wees genadig: geef ze een kans tot een tweede leven. Schud het tafellaken uit het raam uit.

Briesjes en vogels zullen die kruimels graag zien komen.

Daar zijn ze al.


3.

Verschoon op het werk je loyale aanwezigheid.

Praat je ijver en werklust aan je collega’s goed – hoe zuur ze er ook bij staan te kijken.

Vraag hen om gratie en leg je neer bij hun koffiepauzes, hun roddels en hun mêlee.


4.

Zie door de vingers dat het op het middaguur regent.

Bij een toevallige opklaring vergoelijk je tegenover een zonnestraal dat je haar ongevraagd in je hoofd durft binnenhalen.


5.

Verdedig de chaos op het einde van je werkdag en doe naarstig aan overuren. Je trein zal je toch niet meer halen. Niemand die je mist.

Tenzij je eenzaamheid en die hou je altijd op zak.


6.

’s Avonds vraag je aan de avond je misschattingen te vergeven.

Dat je je weer van dag hebt vergist.

Dat het vandaag op geen enkel moment ‘nu’ was maar tiksgewijs straks-straks, straks-straks.


7.

Maar niet getreurd, avond, heel de tijd dat je duurt, mag je avond blijven.

Dat het voor altijd avond mag blijven en dat je je nergens nog voor iets hoeft te rechtvaardigen.

Wees volop het donker dat gestaag aan het worden is en dat zich als wijn doet smaken.


8.

Verontschuldig je verlangen om het gemis, de vervullingen die het steeds weer, onomkeerbaar moet ontberen.

Wijn moet het goedmaken en wijn vult zelf je glas voor de hoeveelste keer bij.


9.

Het is laat. Zwenk naar bed, zonder je bed in de ogen te durven kijken, met berouw om wat je het vanmorgen beloofde, het deed geloven.



© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback




donderdag 20 juni 2019

Commentaar bij 'Leerdicht over de kern van de catastrofe' - Alain Delmotte

Commentaar bij ‘Leerdicht over de kern van de catastrofe

Kort na zijn dood verschenen van E.M. Cioran (1911-1995) postuum nog enkele geschriften. Zo onder meer ‘Anthologie du portrait’ waarin een virtuoze inleiding van Cioran (in stilistisch prima conditie) en een verzameling in de loop der jaren genoteerde gesprekken onder de titel ‘Entretiens’- ‘Gesprekken’.

In deze vraaggesprekken had Cioran het vaak over ‘een komende catastrofe’. Je vraagt je voortdurend af over welke catastrofe hij het heeft. De atoombom, de derde wereldoorlog, nieuwe totalitaire regimes? De klimaatveranderingen en wat daarmee samenhangt?

Dat laatste zal het niet zijn: in Ciorans topjaren was het niet meteen een ‘hot item’. In mijn ‘Leerdicht over de kern van de catastrofe’ speelt de op ons afkomende ecologische drama’s tussen de regels wel een rol. Voor die drama’s zijn we in min of meerdere mate medeverantwoordelijk en dus niet meteen vrij te pleiten. Bijvoorbeeld door onze manier waarop we ondoordacht blijven consumeren. In dit leerdicht dik ik dat met het nodige sarcasme tot een schuldgevoel aan. Ik denk dat we best wel mogen aanvoelen dat we met een slecht geweten moeten zitten.

Maar er is meer aan de hand. Wie Cioran wat kent, weet dat met ‘catastrofe’ eerder iets van ‘mystieke’, ‘metafysische’ en ‘ontologische’ aard wordt bedoeld. Pas laat in de reeks interviews is er iemand die aan Cioran vraagt wat voor catastrofe hij eigenlijk voor ogen heeft. Cioran aarzelt en zegt dan: ’On ne peut plus être seul’. ‘Men kan niet meer alleen zijn.’ De interviewer gaat er niet verder op in. Het is me dan ook niet echt duidelijk wat Cioran wil aangeven.

Bedoelt hij dat ‘afzondering’ niet meer mogelijk is? Omdat de ruimte voor die spirituele (?) afzondering nergens nog te vinden is? Of bedoelt hij dat we niet meer over de innerlijke durf en kracht beschikken om die afzondering aan te kunnen?

Wat ik hieruit voor mezelf concludeer is dat voor Cioran – in Westerse zin - ‘het menselijke’ en ‘het menselijke zelf’ is aangetast, geërodeerd.

De ‘catastrofe’ heeft iets maken met het begrip ‘zijn’, met een gebrekkig geworden ‘zijn’: het ontologische failliet waarbinnen we ons bevinden, herleid het menselijk wezen tot een statistisch wezen. De catastrofe is die van het menselijk bestaan zelf. We zijn onwetend geworden over ‘het zijn’.

We worden meer en meer gereduceerd tot enkel ‘omhulsel’: onze kwetsbaarheid wordt weggecijferd. Voor poëzie is die kwetsbaarheid levensnoodzakelijk: het is de bron van haar taal, van onze talen. En zie: de taal wordt continu in haar binnenste geraakt. Het gevaar dreigt dat we niet meer in staat zullen zijn om volmondig te spreken, enkel nog om wat na te bauwen. Voor het gedicht zal dit wel de kern van de catastrofe zijn.


© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback




woensdag 19 juni 2019

Leerdicht over de kern van de catastrofe - Alain Delmotte

Leerdicht over de kern van de catastrofe

1.

De catastrofe neemt haar tijd, ze neemt je langzaam in beslag met tijd. Van je geboorte tot je dood, de catastrofe heeft alle tijd.

Daag je haar uit, je bekoopt het met een nog grotere catastrofe. Laat haar liever betijen, laat haar haar beloop, bemoei je er niet mee.

Wees blind: zo laat de catastrofe haar niet zien.

Overleg kan haar gestolen worden. Redevoering noch pamflet kan haar verjagen. Ze vond haar onderkomen in het woord. Ze belemmert je het vrije woord: het gegeven woord is de kern van elke catastrofe.


2.

Je kunt haar alles toevertrouwen: op een venijnige manier houdt ze het geheim. Ze is jouw geheim. Ze zwijgt en wat ze zwijgt is jouw reuma van de dag.

Al denk je daar anders over: je bent haar stoutmoedigste atout. Je hulpeloosheid is haar sterkte: voor jou wordt ze daarmee onoverkomelijk. Haar kiespijn doet je kniezen.


3.

Haar einddoel is de inertie. Waarvan je vermoedt dat ze tot lang na je dood blijft duren. Haar einddoel is jouw inertie.

4.

Vraag je kinderen, je kleinkinderen naar de kern van de catastrofe: rampzalig want zonder aarzelen wijzen ze jou aan – het is hun zekerheid.


© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback




dinsdag 18 juni 2019

Commentaar bij 'Leerdicht over hoe aan het gedicht te beginnen' - Alain Delmotte

Commentaar bij 'Leerdicht over hoe aan het gedicht te beginnen'

Ik schreef ooit een gedicht dat ik ‘Ode aan de beginregels’ heb genoemd en waarin ik het verlangen uit naar een gedicht dat ‘exclusief uit beginregels’ zou bestaan.

Ik las hier en daar dat dichters soms ervaren dat de eerste regel van een gedicht vanuit het ongewisse opduikt en dat de rest van het gedicht een kwestie van zwoegen is.

Dat zwoegen is er. Zeker. Maar ik vind dat au fond niet erg interessant: wegens te veel moeite. Dat ongewisse trekt me meer aan. Ik omschreef het als een soort (al)chemie tussen ‘huid, lust, en weerlicht’. In dat ongewisse vallen lichaam, taal en wereld samen en wellen vanuit de laagste trap van de extase en onze diepste psyché op. Aan het einde van ‘Ode aan de beginregels’ stel ik die extase (niet die psyché) in vraag. Ik merkte op dat ‘ontnuchtering heel vaak de enige verwondering is achteraf’. De meeste dichters (en ik reken me daar zelf bij) hebben inderdaad te korte beentjes om geniaal te zijn – om eens Louis Paul Boon te citeren. Gedichten worden heel vlug uiteengeklapte luchtballonnetjes, vrees ik.

In dit leerdicht doe ik de zaak nog eens over. Met dit verschil dat ik het niet langer over beginregels heb maar over ‘invallen’. Meteen de basis van mijn werkwijze: met invallen ga ik te werk, bouw ik de tekst op. Die invallen – waarover ik geen controle heb of wil - lijken soms ongerichte projectielen: ze hebben geen contexten. (Ik vraag me trouwens af of ze nood hebben aan contexten: ze komen op je af en daarmee basta.) In ieder geval probeer ik ze in een context te plaatsen. Zwoegen is voor mij het moeilijke, neurotische zoeken naar de juiste juxtapositie voor de bergen notities die ik her en der heb ‘opgevangen’.

Zeker: de ene notitie vloeit meer dan eens uit een andere voort, zodat er toch wel zoiets als een context of een geheel gevormd wordt. Maar voor een groot deel is dat niet zo. De notities die ik maak zijn erupties die nergens het begin van zijn en nergens een eindpunt van willen zijn. Het zijn kristallisaties, vertakkingen van een gemoed, van een humeur, van een reflexie, van een menszijn.

Over de mensheid – en dat zit volop in deze bundel - hou ik er geen edelmoedige gedachten op na. Het is geen misantropie, al heb ik voor dit gegeven toch wel enige sympathie – als het tenminste ook auteurs zijn, geen zuurpruimen. De mens is niet goed, niet slecht. In de meeste gevallen banaal: ik vind geen reden om dat de mensheid te verwijten omdat die banaliteit iedereen eigen is. Vaststelling: de mens is er. Hij ‘is’ er meestal heel vluchtig. In een ander leerdicht uit de bundel noteer ik dat de faam van een mens zijn sterfelijkheid is. We zijn te kortstondig om de eeuwigheid proberen te halen. Net als de dieren en de appelboompjes in mijn tuin. En de muggen, en de ratten.

Dit belet niet dat ik poëzie geen onzin vind. Al lijkt mijn houding in dit gedicht anti- of a-poëtisch. We moeten uitkijken over wat we schrijven, het steeds weer relativeren. Maar het nooit afschrijven of er de brui aan geven. Enkel inzien dat woorden eigenlijk vol schijnbewegingen zitten. Woorden kunnen o zo gemakkelijk prooien worden voor demagogen en ander kwaad volk. Een dichter moet volgens mij voor de woorden opkomen in het besef dat het maar woorden zijn: breekbaar, kwetsbaar, ziekjes. Dichters waken over de taal – dixit Auden.

Het is de aard van het beestje: poëzie is dubbelzinnig, dialectisch, niet vast te grijpen, bij momenten hulpeloos en dissident. Poëzie wordt geschreven vanuit een dissident veld.

Waarvan ik verder overtuigd bent: poëzie – ik loop hier Lautréamont achterna - heeft zich in iedereen een plaats gezocht en gevonden. Ze laat zich zien zoals we zijn: en dat zijn we, shit, haast nooit. Poëzie is van voor de woorden, van voor het verloop. De woorden komen te laat. De ervaring haalt het op de verwoording.

Wat de poëzie ons te bieden heeft, dat krijgen we niet, we moeten er constant op zoek naar gaan. Waar het voor mij op aankomt is de vitale dynamiek die deze zoektocht opwekt.
© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback




maandag 17 juni 2019

Leerdicht over hoe je aan het gedicht begint - Alain Delmotte



Leerdicht over hoe je aan het gedicht begint

1.

Er is geen beginnen aan. Het is klaar: het gedicht beschikt over kop noch staart! Bespaar je dus de moeite, hou het bij wat je invalt.

Laat het gedicht zelf het vuile werk doen. Laat het komen, onderga het.

Vervloek het nadien als louter toonbeeld van vergankelijkheid.


2.

Geloof: ga er in de eerste plaats van uit dat het hiernamaals wel, wellicht of niet bestaat, dat in ieder geval ook ontreddering in gebreke blijft.

Schrijf. Blijf geloven dat het hiernamaals zal worden wat je schrijft. Echt waar: de hemel is wat iemand overdrijft - als hij met een mondvol begeert.

Daarom: beperk je. Geniet van het nietszeggende immanente: dat zegt meer.


3.

Ga uit van een vermoeden aan taal. Hou daarin vol. Sluit de onrust die je zwijgen is af.

Vlug, vlug: betrap verwarring op een regel die je nu eens niet ontglipt. Pieker niet over de goede afloop ervan - dat lukt je niet, want het wordt geen gedicht: het gedicht begon nooit.

Ga helemaal lukraak. Wees er gerust in.


4.

Blijf in de buurt van het disparate: het loopt zo ontroerend verkeerd uit dat zelfs het gedicht het zo wilt.

(Waarschuwing: laat het gedicht je niets opdringen! Blijf mens - blijf kluns.)


5.

Toon je woede niet openlijk. Wring het, dwing het tussen de regels.

Zo koelt die woede nooit af.


6.

Trek je van sirenenzangen niets aan: stop was in je oren, gebruik je hersenen.

Besef dat zingen iets is uit je vorige levens.

Voor zingen ben je vandaag te schor geboren. Het gedicht is achterhaald: blijf doof.

(En troost je met de gedachte dat je met die stellingen geen rekening hoeft te houden: zing, maar hoor het niet zelf.)


7.

Geloof in wat je ogen voor je zien en heb alle redenen om aan te nemen dat je blind bent. Pronk met wat jezelf ontmoedigt. Delf het onderspit: dan pas zal het gedicht je misschien kunnen lukken.

Wacht daarvoor op betere tijden, al komen die nooit.

Voor grootse gedichten moet je wachten op grootse tijden: die zijn nu echter voorbij.


8.

Ultiem advies: ‘Er valt enkel klatergoud te rapen. Ontnuchter.’


9.

Elk begin is een valse start. Onthoud dat de woorden je meestal te vlug af zijn. Leg op tijd het gedicht weer je zwijgen op.

Nog voor je het de kans gaf zich te laten beginnen en nog voor je lezer het zich toe eigent, nog voor het gedicht jennend dichtklapt.


10.

Het hogere doet te veel hopen op het onverhoopte. Het lagere is niet pluis.

De middelmaat kreeg je klein. Hou je daarom aan de middelmaat en wees op die manier je middelmaat wraakzuchtig de baas.


11.

Besef dat je te moe bent geboren. Poëzie? Nooit raak je verder dan wat eraan voorafging.

Verzoen je.

En nogmaals: schrijf - dag in, dag uit - wat je invalt.

Maar val er niet in - val er niet over.

En uit.


© Alain Delmotte


Uit Warhoofds leerdichten 1, de gloednieuwe bundel van Alain Delmotte, een Gaia-Chapbook-uitgave.

Bestellen:
Warhoofds leerdichten 1 als E-Book(Gratis te downloaden)
Warhoofds leerdichten 1 als paperback





Warhoofds leerdichten 1 van Alain Delmotte

vrijdag 31 mei 2019

De Vallei-nr 40, jrg 9

In het nieuwste nummer van 'De Vallei', literair e-zine, is de redactie van De Schaal van Digther dit keer wel heel erg goed vertegenwoordigd.
Er zijn immers gedichten van de Digther-redactieleden Paul Rigolle, Alain Delmotte en Herlinda Vekemans terwijl Hugo Verstraeten met 'Dead Poets Society' in de rubriek 'De afsluiter' voor een treffende column zorgt. Voorts zijn er bijdragen van Jana Arns, Bert Bevers, Frank Pollet, René Hooyberghs, Mark Van Tongele (Poëzie) en Mikael Josephsen (in een vertaling van Romain John van de Maele), Niels Hav (vertaling Jan Baptist), Maria Rousseau, Annette*Akkerman, LeenRaats en Mike Jansen. De cover was, en is, van de zeer recent overleden Ben Klein.
De samenstelling van het nummer was voor wat betreft het proza in handen van hoofdredacteur François Vermeulen en Philippe Cailliau tekende verantwoordelijk voor de selectie van de dichters.

Het nummer is in pdf-vorm integraal na te lezen via de navolgende link:  
De Vallei, nr 40, jrg 9, mei 2019
De Vallei, literair e-zine


donderdag 30 mei 2019

De recensent als openbare aanklager - Alain Delmotte

In de poëziekrant van mei/juni 2019 las ik een recensie van Koen Vergeer over de bundel ‘Een goudvis’ van Arjen Duinker. Wat ik hier ter sprake wil brengen gaat niet meteen over die recensie maar over de intro van die recensie. Die luidt als volgt:

‘Gedichten moeten zonder vraagteken’, las ik onlangs bij Cees Nooteboom. En ik ben het roerend met hem eens. Gedichten met vragen zijn halve gedichten, die eigenlijk niets durven te zeggen. Want vragen, hoe lastig, onbeantwoordbaar of verontrustend ook, houden altijd het veilige midden. Het kan dan nog altijd twee kanten op, of meer. Gedichten die dingen beweren zijn effectiever, spannender, kunnen je veel directer raken en verbaasd, ontroerd of in vertwijfeling achterlaten.’

Deze zinnen laten zich verklaren in het licht van Duinkers bundel waarin elke zin eindigt met een vraagteken. Voor Vergeer is dat van het goede te veel: de bundel met al die vraagtekens erin heeft hem even aan het schrikken gebracht: zoiets kan en mag blijkbaar niet.

Ik kan hem voor een deel volgen. Deze bundel van Duinker (hoezeer ik ook van zijn werk hou) heeft mij ook niet kunnen bekoren. Zij het op andere gronden dan deze van Vergeer. Wat Vergeer in zijn intro schrijft, is voor mij dan weer te veel van het goede. Ik ben het roerend met Vergeer on-eens.

Het lijkt wel alsof Vergeer zich in deze paragraaf op een stellingoorlog voorbereidt. Hij dekt zich meteen in met een uitspraak van een van onze groten: Cees Nooteboom. Hoe en in welke context Nooteboom deze uitspraak heeft gemaakt weet ik niet. Ik hoop dat die als een persoonlijk poëticaal standpunt van Nooteboom is te interpreteren. Zo niet betreft het een bijzonder apodictisch statement – door Vergeer meteen als wapen, slogan en dogma geponeerd.

Waarmee het woord van één van onze groten tot autoritaire Wet wordt: gedichten tolereren geen vraagtekens – of het zijn maar halve gedichten. Waarmee alle mogelijke nuanceringen once and for all worden uitgesloten. (Probeer dat maar eens maatschappelijk te vertalen: waar komen we dan uit, denkt u?)

Vergeers argument is dat vragen zich altijd aan het veilige midden zouden houden. (Let op het woord ‘altijd’- ik vind dit wel gevaarlijk eenzijdig en absoluut klinken. Uitzonderingen worden hiermee – net als de nuanceringen van daarnet – ontoelaatbaar en onaanvaardbaar geacht.) Wat duidt dat ‘veilige midden‘ aan? Een plek waar het volgens Vergeer, ‘altijd’ twee of meer kanten op kan. Een plek waar veel openblijft: een schemerzone dus. Ik ken er die zo’n vage openheid nooit als ‘veilig’ zullen ervaren en het nooit als een midden zullen omschrijven. Eerder als een mistige plek kantje boord een afgrond.

Ik zou dus met evenveel bravoure en vrijblijvendheid als Vergeer kunnen stellen dat vragen ons nu net van het ‘veilige midden’ afhouden. Want dat ‘veilige midden’ zou wel eens één van onze vele verkeerde inschattingen kunnen zijn. Vragen kunnen illusies doorbreken: ook deze van de poëzie.

Wie bepaalt wat het terrein van de poëzie is? Wie weet te zeggen dat dit en dat, zus en zo specifiek en exclusief tot het domein van de poëzie behoort en al de rest niet? Waarom zou poëzie zichzelf niet in vraag mogen stellen?

Elke dichter bakent zijn terrein met een eigen poëtica af. Het is niet aan Nooteboom (hoe groot hij ook is) of Vergeer (die op een renommee als recensent kan rekenen) om dat te bepalen. Poëzie heeft geen nood aan juristen Als Nootebooms woord wet zou zijn, dan meet Vergeer zich de houding van een openbare aanklager aan.

Welke terreinen en domeinen mogen gedichten met Vergeers goddelijk goedvinden beheren? Volgens hem werken gedichten effectief als ze ‘dingen beweren’. Gedichten moeten de lezer direct raken, verbazen, ontroeren en hem of haar in vertwijfeling achterlaten.

Vertwijfeling? Alsof vragen dat niet zouden kunnen – ze kunnen trouwens niets anders: het is in hoofdzaak hun taak, kwaad en nut. Er zijn vragen die beroeren, ons direct in ons diepste kernen kunnen raken: als dat niet effectief is.

Wat ik in de aanklacht van Vergeer mis, is de kritische reflectie. Want dat kunnen vragen toch uitlokken: ze kunnen aanzetten tot nadenken. Waarom zou poëzie niet reflexief mogen zijn?

Ik ga meer voor gedichten die vragen stellen dan voor gedichten die ‘dingen beweren’ – het gedicht mag wel eens stilgelegd worden. Het gedicht mag wel zich eens wel de vraag laten stellen waar het aan toe is.

In mijn poëtica moeten gedichten geen ‘dingen beweren’. Maar dingen ‘bezweren’. Gedichten stellen ons in al hun taligheid iets voor. ‘Voorstellen’ in alle mogelijke betekenissen van het woord. ‘Beweren’ laat ik liever aan openbare aanklagers over. Niet aan gedichten.

Uiteraard mag Vergeer best eigen voorkeuren hebben. In het besef dat het maar een voorkeur blijft. Hier spreekt hij vanuit het voor mij irritante standpunt van ’het grote gelijk’. Vanuit de veralgemening. Vanuit een vooringenomenheid. Deze intro laat meteen een verdict horen: Duinker was bij voorbaat kansloos. Deze recensie is geen literaire kritiek maar een rechterlijke dwaling.

Vragen behoeden ons ervoor om zomaar wat dingen te beweren. Inderdaad, vragen remmen af. Zoals gesuggereerd: ze tasten het lyrische élan aan. Ze stellen zich snedig op. Maar kan er van daaruit niet een andere dynamiek ontstaan die het gedicht weer in de startblokken brengt? Een vraagteken is geen eindpunt maar een beginpunt. Zeg maar: een vertrekpunt.

En als vragen afschrikken is dat niet omdat ze vaak meer te zeggen hebben dan antwoorden die uitblijven?

Ik weet het: éénieder is vrij om te schrijven wat hij wil. Niemand wil ik een mening onthouden. Maar flagrante onzin moeten we te lijf gaan.

Ik beschouw Vergeer als een deskundig recensent maar deze slip of the tongue kon ik niet zomaar aan mij laten voorbijgaan. Hier ‘beweert’ hij maar wat loze dingen, slaat de bal mis, gaat uit de bocht en plaatst geen vraagtekens bij wat hij beweert. I rest in my case.


© Alain Delmotte


woensdag 29 mei 2019

Werkwoord - Bert Struyvé

negeer de aanzuigende werking van water
breek een golfbeweging met de scherpte van stenen
vierendeel stadspanden met schuimende koppen

voer tuinvogels voor het vestigingsklimaat
overvraag en vermijd de vraag naar een waarom
zigzag om een hoefijzer te ontwijken

beitel initialen nog nat in de oksels
ontvriend bomen die huidzweet gaan vertonen
hevel kuddegedrag over naar robotklonen

gezegend zijt gij..

kan jij de Heilige Antonius misschien vragen
waar je vruchtwater kunt vinden
om werkwoorden op voorhand te verdunnen?

de bijsluiter bij een werkwoord werkt niet, uitroepteken


© Bert Struyvé


dinsdag 28 mei 2019

Ik Vertrek - Bert Struyvé

Ik Vertrek *


Ver weg staren ze naar een plastic tafelkleed, een mobieltje
doorbreekt het dalmatiërpatroon van weerstippen.
Nergens hoogglans, geen scherf kan het licht breken.
Ze harken brood uit meegenomen kruimels. Behoedzaam

begint het wachten, ze horen de ringtoon, verstaan het niet
en dan ˂toch nog onverwacht˃ vallen alle steunbalken.

Het fundament breekt, het hoofd van de tafel kiest
in een reflex de verkeerde taal, zijn blik gericht op het raam
waar natte sneeuw een eigen weg zoekt.

En wij,
wij hebben alvast een serie hagelstenen voorbereid,
een serie die we nog even met rode konen in onze wintervuist houden.
De anonieme soldaat. Pas na de intro twitteren wij
een salvo en stenigen het gouden kalf.

Ver weg wenkt eveneens een tv, zwart met kamerantenne.
Ja, ik vertrek komt nu héél dichtbij.


© Bert Struyvé


* tv-programma


maandag 27 mei 2019

De einder - Bert Struyvé

De einder *


ooit stroomden de brede rivieren traag
door laag rivierland met ijle populieren
het had een doel, het gaf de einder aan

zij knipten kapsels als omgekeerde pannen
bewaarden landwegen tussen landerijen
zij plantten klassieke bomen vol met klompen
begroeven de zon in mistige dampen
en nog nergens een granaatappelboomgaard

nu twitter jij in termen van straatmeubilair
kiest cyberafkortingen bij gebrek aan woorden
dekt shinen af met Instagram en verdrinkt
in het algoritme van de zee in Google Earth

zij vochten met water en bleven staan, jij vindt
de einder sowieso te dichtbij maar het bord
EINDE HORIZON misschien weer té analoog


© Bert Struyvé


* vrij naar Herinnering aan Holland – H. Marsman 1936


zaterdag 25 mei 2019

Iedereen Dichter in Oostkerke





















Uitnodiging:
Op zoek naar de poëzie van de Westhoek
Iedereen dichter!

Zaterdag 1 juni 2019
Workshop: Schrijf je eigen gedicht!
Laat je inspireren door het poëtische dorp Oostkerke en schrijf samen met schrijfster Astrid Haerens je eigen gedicht!
Ervaring is niet nodig.
OC Volcraven, 15 uur, gratis

Met medewerking van Hugo Verstraeten, redacteur van De Schaal van Digther. Zoals bekend is Oostkerke ook de thuisbasis van Digther!

Je kunt Astrid Haerens volgen via www.iedereendichter.be. Check waar ze nog passeert!

Iedereen Dichter is een initiatief van Achthoek, het cultureel samenwerkingsverband in het noorden van de Westhoek: Nieuwpoort, De Panne, Houthulst,Veurne, Diksmuide, Alveringem, Koksijde en Lo-Reninge. In samenwerking met Poëziecentrum Gent.

Astrid Haerens was deze week nog in het nieuws dankzij "Dit is voor mijn lichaam", haar fijne nachtelijke plakactie met gedichten ten strijde tegen seksueel geweld. Dit in samenwerking met de "Partij voor de Poëzie".
Lees daarover hier het VRT-bericht.

Extern:  
Bericht op Poëzie Centraal
Astrid dicht de kloof met poëzie en houdt halt in Diksmuide.

'Dit is voor mijn lichaam' © Astrid Haerens




zondag 19 mei 2019

Het boek met Vragen - Philippe Cailliau

Ter nagedachtenis van Gerda Westerveld-Scholten,
overleden op 27.08.2016


Moeders gaan schoorvoetend heen.
Schuifelen zacht en mat, staren
verstild, oud voor het eerst,
moe voor altijd en ouder steeds.

Zo wordt, met wassen hand,
het boek der Vragen afgesloten.
Ontglipt ook het ontglipte.

En wij, die later zijn gekomen,
verbijsterd wachten wij en kneden
deeg voor als wij oud geworden zijn.
Met maskers ruwer dan de huid
vermoeden doet. En beide ogen
staar.

Wij zijn een platte steen
die meermaals kaatst op rustig water.
Versleten moeders weten dat zij
alle rimpelingen zijn.


© Philippe Cailliau


Uit ‘Omtrek van water’, gedichten 2016-2019. De bundel verschijnt
omstreeks medio 2020 bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer.


zaterdag 18 mei 2019

Spreker in dundruk - Philippe Cailliau

Dan, van bezwering naar bezwering,
van minzame zinnen naar verbale drift,
schichtig, het zoeklicht in de mond,
holt hij een hinkend woord voorbij.

Dagelijks wordt hem een droom
geleend, geript als een verhaal
dat ledigheid verjaagt.
De taalturbines stampen rusteloos.

Voortaan zal hij, zeewaardig reiziger,
de overvolle boten bergen, zal hij zijn
havens graven en zijn huizen bouwen.
Bij onguur weer zal hij de pannen dichten.

Is hij een code op geschept papier?
Vereeuwigd als een dundruk
met een harde kaft.
De spreker leest luidop
zijn typoscript, zijn blad vol blunders
die ontsnapten aan de aandacht
van een ingeoefend leven.


© Philippe Cailliau


Uit ‘Omtrek van water’, gedichten 2016-2019. De bundel verschijnt
omstreeks medio 2020 bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer.


vrijdag 17 mei 2019

Waterwees - Philippe Cailliau

Van kop tot teen is hij het vocht
van de natuur. Eden, cynisme en
spiraal. Begin en slot de winstkansen
van het verhaal. Een wees, een wees
die niemand ziet, alleen is zijn alleen:
een waterwees, een onderzeese
stiltestorm.

Een oude reus is hij, een roofbeest
ruikbaar in zijn zweet.
Zijn lichaamsdelen zijn gewrongen
tussen argwaan en ruw schuim.
De wees, een jager die de adem klieft.

Bedwelmend is zijn aangespoelde geur.
Een dag beginnen is ontsnappen
uit een kamer zonder deur – een wees
is een fragment.


© Philippe Cailliau


Uit ‘Omtrek van water’, gedichten 2016-2019. De bundel verschijnt
omstreeks medio 2020 bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer.


donderdag 16 mei 2019

Waterinsufficiëntie op spoed - Philippe Cailliau

Wat droog gemeen heeft met zijn natte
taal zijn schorre woorden. De droogte
offert heel gemeen vocht aan zichzelf.
Huid, nier en ader, trekkend tongbeen
zakken in hun zure droesem.

Het machteloze lijf is vanaf nu de
gastenkamer die om kokhals roept -
tot, als een kurk, bewegingen verstijven.

Infusen wakkeren het sponzen
van de nieren aan. Gezichten zullen
opgelucht weer ouder zijn geworden.
Eind goed.

Van hydratatie is de drank de drager
van het zoenoffer. Het speeksel als
de uitkomst van vertwijfeling plus hoop.

Het lichaam dat toch krimpt
kruipt uit de kuip.


© Philippe Cailliau


Uit ‘Omtrek van water’, gedichten 2016-2019. De bundel verschijnt
omstreeks medio 2020 bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer.


woensdag 15 mei 2019

Tot er ruimte is - Philippe Cailliau

Eilanden weten niet wanneer
ze zinken. Maar zakken doen
ze - zakken bijbelvast tussen
de wateren.

Bewoners glijden in hun aarde.
Het is een zeker glijden: met
diepe grimmigheid en schroom.

Overal kan woede liggen:
onder een dak, een steen,
zelfs onder serreglas.
Verdwijnt een leven
voor heel even in een mens.

Laat boosheid zakken
zoals eilanden dat doen. En
wacht met zinken in de aarde
tot er ruimte is. Tussen
de grassen en de graven.

Leven is geduldig kruipen
in een veld van muren.


© Philippe Cailliau


Uit ‘Omtrek van water’, gedichten 2016-2019. De bundel verschijnt
omstreeks medio 2020 bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer.


dinsdag 14 mei 2019

Water glijdt - Philippe Cailliau

Voel
waar er misschien grenzen zijn.
Waar water glijdt.

Hoe hemels moeilijk
is het denken over water stelen
uit een meer.

In het niemandsmeer is er het nemen,
komt overal dat stelen, er is
de hand die alles van de toekomst
in de hand heeft.

Zo grijpen wij het leven.

De hand die met de vingers
roept. Er zijn de woorden.
Er is het glijden in het natte,
er zijn de vinnen ook de kieuwen,
er is de hoop.


© Philippe Cailliau


Uit ‘Omtrek van water’, gedichten 2016-2019. De bundel verschijnt
omstreeks medio 2020 bij Uitgeverij Kleinood & Grootzeer.


woensdag 8 mei 2019

Dwaalhof van blije bijen

Aantekeningen bij De zee is een zij van Jan van meenen

Jan van meenen is met De zee is een zij aan zijn vierde dichtbundel toe. Aan deze nieuwe
bundel die net als zijn drie vorige verscheen bij Uitgeverij P gingen Aarzelend Gedicht (zijn knappe en louterende debuut uit 1998), Weerwerk (uit 2001) en Lichtgezichten (uit 2014) vooraf. Of dat niet een beetje weinig is - vier dichtbundels in twintig jaar - vroegen we hem naar aanleiding van de voorstelling van zijn nieuwe bundel op 23 februari 2019 in de Bib van Harelbeke.
Zijn antwoord typeert ten volle de dienstbaarheid van deze bescheiden dichter: Helemaal niet... Ik heb altijd het leven laten primeren. De poëzie is eigenlijk een soort bonus die mij in handen gevallen is en die rechtstreeks is ontstaan uit het feit dat ik jobshalve met jongeren in de lessen Nederlands en expressie aan de slag mocht gaan en waar ik dankbaar om ben.

Ook in zijn nieuwe bundel houdt Jan van meenen het bewust klein en opteert hij zonder enig voorbehoud voor wat je de draaglijke lichtheid van het bestaan kunt noemen. Bescheiden van opstelling, maar daarom niet minder adequaat. In Lichtgezichten, zijn vorige bundel, koos hij al volop voor de lichtgevende kant van de dingen. Ook De zee is een zij, die uit niet minder dan 70 gedichten bestaat, is een lijvige ode geworden aan het licht, aan ‘Zij die we Zij noemen’, de geliefde, de moeder, de kleinkinderen, de landschappen van Toscane en niet in het minst aan de zee. Als directe illustratie daarvan navolgend gedicht:

Op deze plek (uit de cyclus Twintig jaar later) 

Op deze plek wordt almaar liefgehad,
gestreeld, gestold en stilgelegd:

het is het vloeibare, het weifellicht
dat schroomt zich neer te leggen,

het is het luchtige, dat ons omzweeft,
het lieflijkste, het lijfelijkst strelende,

het is het huid aan huid
van sneeuw aan sneeuw,

het is het licht dat almaar zachter,
je lijf dat almaar lichter,
het is die helderheid,
het ach zo weinig
dat in het zoveel verdwijnt. 


De bundel bestaat uit vijf afdelingen waarin een duidelijke tijdlijn is aangebracht. In de eerste cyclus met als titel Aanvallig (wat hier vooral bekoorlijk betekent) is het volop lente. Het leven komt op gang. Onbekommerd nog, onbesuisd zelfs. Het frisse en het nieuwe staan centraal. Het eerste gedicht van de bundel is getiteld ‘De ochtend glundert’. Geen toeval. Er zijn gedichten voor Uma en Mira, kleindochters van de dichter. De moeder van de dichter zit fonkelogend in de tuin en er is de zee al die komt aangolven zoals het geval in het gedicht ‘Het was nu’.

Er was de zee met haar eindeloos aangolvend water,
haar wiergeur, haar zorgeloos dobberende scheepjes,

het was mei, het was mooi, het was nu,
morgen moest nog komen. 


In de tweede cyclus met als titel ‘Twintig jaar later’ gaat de tijd stapgewijs verder, maar langzaam nog, niet gehaast. De geliefde en het meer krijgen een warme prominente plaats in de gedichten. De realiteit sluipt maar heel langzaam binnen. Er is de voorjaarsroes. Eindeloos zon en water. De dichter vraagt zich in ‘La Cima’ af of ‘Hijgen de cipressen of zijn wij het?’ Het water is overrimpelend. Gedachten worden gedragen in een fles. Het gedicht Zomerlijk geeft mooi de sfeer weer waarin deze cyclus ademt

Niets zaliger dan ongedwongen, uitgeslapen
naar iets moois te liggen kijken
en niets te hoeven.

Uiteindelijk dan toch de luiken opengooien,
en alles binnenlaten, de kamer helder maken
als een bad dat zich vult met uit een rots
geslagen water. 


In de omvangrijke titelcyclus, de derde van de bundel De zee is een zij die drieëntwintig gedichten telt, is het volop zomer. De zee zwelt aan, verleidt, geldt hier als de eeuwige vrouwelijke metafoor van het bruisende overrompelende leven waarin de dichter en zijn geliefden worden ondergedompeld. Waaraan ze zichzelf met alle honger en levenskracht overgeven. Ironiserend, erotiserend. Vloeibaar. Een uitbarsting van vitaliteit.

Maar dat zomers, zelfs al zijn ze zoals verleden jaar verstikkend warm en wordt hun bestaan ontkend door roodaanlopende mannen met pruikenhaar, niet kunnen blijven duren, weten we. In de vierde cyclus ‘De bomen voorbij’ kan het heerlijke ‘nu’ niet worden gerekt. We stuiten op de regen en de verstilling. Herfst treedt in maar de schoonheid blijft. Het statige van de zwaan wordt een beeld dat beklijft. Is er een vrouwelijker symbool dan de zwaan? Neen, we denken het niet maar de dagelijkse realiteit is wel weer helemaal terug. In ‘Strandwandeling’ klinkt het: We zijn te mens om te vliegen.

De bundel eindigt niet toevallig met een afdeling die Verwintering getiteld is. Het leven deint uit, gaat voorbij, ja, sterft een stille dood zoals de moeder waarvan de dichter afscheid moet nemen en wiens stem overgaat in die van de dichter. Berusting steekt de kop op. Verzoening. Het allerlaatste gedicht heet niet voor niks ‘Ik denk dat ik mooi dood moet gaan’. Een korte kwinkslag van de dichter.

Of ik er nooit was, zo zal je me
missen, lekker niet dus, denk ik.

Het gras zal groeien en de regen verder
door het landschap schrijven
en alles mag – wat mij betreft –
bij het oude blijven.


Maar zover zijn we gelukkig nog lang niet. Wat er wel is, is dat doorheen alle afdelingen, doorheen alle gedichten van deze bundel een hoge muzikaliteit doorklinkt. Een gedicht moet altijd muzikaal zijn, is trouwens een van van meenen’s credo’s. Alliteraties troef in deze bundel, klankwendingen, nieuw bedachte werkwoorden als strelingstelen, zatdansen, gekstrelen en ver-ijzen, fijne vondsten te over in de Zee is een zij. ‘Languit in een landschap van laaiende lakens’ klinkt het in het gedicht ‘Zomerlijk’. En in het gedicht ‘Zee’ lees je ‘In lippen van licht zwemmen zwemmers zich weg’. Ook het klassieke middel van de dichter bij uitstek, het rijm, is aanwezig. Meer dan je vermoeden zou houdt Jan van meenen – een van zijn vroege leermeesters als Anton Van Wilderode indachtig - van eindrijm. Hij doet het een beetje stiekem, hij moffelt het een beetje weg. Tot je het pas goed merkt als je de gedichten luidop gaat lezen.

In ‘Thermae Palace’ een gedicht gesitueerd in Oostende” gaat dat zo:

Wijnwarm komt de zon het salon binnengluren
en poedert heel even een blos op haar glas,

zij ligt weer heel even naast hem in het gras:
een droom die wil blijven, een vuur dat blijft duren. 


De taal wordt eenmaal op smaak gebracht, net als de mooiste wijn volop geproefd zoals het geval van het gedicht ‘Del’.

Zeereep, del waarin achtergebleven
billenafdrukken van moeders, golven
slijpsel waar de zee in verzandt.

Zegge, akkermelkdistel,
de heupzwaai van helmgras,
niets in het verschiet


De tuin in het gedicht ‘Tuin bij Piccolo Casa’ is één feest van bloei en geur en kleur. Maar bovenal is dit tuingedicht een feest van taal. De vreugde van de taal die er in haar beste momenten en in vaardige handen van iemand als Jan van meenen in slaagt om de intensiteit van het leven niet alleen vast te leggen maar ze ook te herscheppen in de taal.

Zo’n tuin die kussenwijd de zwerfkat lommer biedt, verdwijnpijp
het duinkonijn, waarin de egel knort en schurkt en scharrelt:

dwaalhof van blije bijen, kraambed, keutelplek, waar vogels veren
op vingertoppen van verwilderd gestruik, uitbundig
uit de hand gelopen vreugde, 


Dwaalhof van blije bijen, ja, het kon zowaar een typering van de poëzie zijn van Jan van meenen. Taalgenoegen, lust mét en in de taal. Wijnbevlogen.
In ‘Schelp’ klinkt het:

Zo puur van paarlemoer, zo vrouwenbinnenkant is zij,
zo gekgestreeld, zo zatgedanst, zo broos als wat,
zo verloren hervonden, 


Wie zijn vorige bundel Lichtgezichten gelezen heeft herinnert zich tal van soorten licht. Maar ook in De zee is een zij treffen we het veelvuldig aan. Er is weifellicht, sneeuwballicht, lentekussenlicht… Er is krijtdamplicht, poedersuikerlicht, bevroren licht, inwit licht. ‘Het licht is er pluche, de gasten van was’. Jan van meenen lijkt wel gebiologeerd door het licht. Geen wonder ook dat hij voor de vele eigen motto’s die de gedichten meekrijgen ook af en toe grijpt naar andere dichters van het licht als Fernando Pessoa en Roger De Neef.

Maar in deze bundel gaat het natuurlijk ook over de zee en de metafoor van vloeiend, aan- en wegebbend water. Lichamelijkheid. Vrouwelijkheid. De zee is als thema nooit vreemd geweest in zijn poëzie. Al in Weerwerk staken een aantal zee-gedichten. En in Lichtgezichten zaten de geliefden in een bepaald gedicht op het topje van een duin en maten zich vleugels aan.

We weten dat Jan van meenen lang een getalenteerd fotograaf is geweest. Van professioneel niveau zelfs. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat bij deze dichter heel vaak initieel een visuele prikkel aan de oorsprong van een gedicht ligt. In gesprekken haast hij zich om zichzelf geen themadichter maar een fotografisch dichter te noemen. Die daarbij vooral, en bewust, kiest voor openheid en toegankelijkheid. Ik wil dat mijn geliefden voor wie ik in de eerste plaats schrijf mijn gedichten verstaan.

Of ie dan niet teveel het accent legt op de lieflijke kant van de dingen en de harde werkelijkheid van de wereld in zijn poëzie uit het oog verliest? Ook hier opteert hij voor een eigen stellingname. Ik voel mij niet geroepen om te prediken, een beetje naïef misschien, maar ik wil in mijn poëzie heel bewust de actualiteit en de wereldproblemen afhouden en kiezen voor het vorm geven van het geluksmodel. Ik wil met mijn gedichten snoepjes uitdelen om bij de lezer een glimlach op de lippen te toveren. Als dat af en toe lukt dan is dat het mooiste wat ik kan bereiken.

Een duidelijke stellingname maar ze belet niet dat er onderduims vaak ironie en goede luim in zijn gedichten steekt. Tussen de regels door deelt bijna achteloos ook wel ’s een flink prikje uit. Mooi is bijvoorbeeld het gedicht waarin hij op een milde manier afrekent met de visie van zijn vader die zo zijn eigen ideeën had over de poëtische activiteit van zoonlief en zich – zoals veel mensen trouwens - nauwelijks raad wist met woorden die dingen zeggen zonder ze te noemen.

Poëzie (zakelijk bekeken)

Zo’n boekje heb je toch wel erg snel uit, sneerde hij.
Hij hield niet van zuinige zinnen, mijn vader,
zelf kleurde hij het graag prozaïsch bont,
wist helemaal geen raad met woorden die dingen zeggen

zonder ze te noemen.
We liepen samen door de herfst, hij achteloos resoluut,
ik haperend in het wijnrood van de bomen.

En wat verdien je daar nou eigenlijk aan, vroeg hij me
vijftig stappen later fronsend, …
Veel erger kon me dat moment niet overkomen.

Ik zweeg ontzet, hij nam alweer het voortouw met
gestrekte pas, tussen de ruige stoppels
waar het koren was.

Een beeld dat ik sindsdien van hem bewaarde:
hij vlijmend ploeg, ik de gewonde aarde. 


In een ander gedicht ‘Voorjaarsroes’ heeft Jan het terloops over ‘remmen op de motor’ als hij het over ‘De auto heeft de lente in de lenden’ heeft. Wie zich laat onderdompelen in De zee is een zij beseft dat dat helemaal niet aan de orde is, dat remmen op de motor. Wijnbevlogen, vrij, lichtvoetig en ongeremd, zo blijft de dichter Jan Van Meenen in de wereld staan. Na lezing van deze nieuwe bundel is het duidelijk dat er niet meer moet getwijfeld te worden: De zee is een zij!


© Paul Rigolle

De zee is een zij’, Jan Van Meenen, Leuven, Uitgeverij P, ISBN 978-94-92330-72-0

Deze recensie is gebaseerd op de toelichting die Paul Rigolle gaf bij de voorstelling van de bundel op 23 februari 2019 in de Bib van Harelbeke.

Recensie Lichtgezichten op De Schaal van Digther
Jan van meenen bij De Schaal van Digther
















maandag 6 mei 2019

Digital soul - Jan-Paul Rosenberg

Het landschap nagebouwd tot schermenwand
waar dromers zichzelf ontdekken. Men neme het geduld
van een pixel, het grauw van een braakland waar de storm
nog ongeschonden onze stad in walst.

Men zegge amen, verlegge de grens naar het forensisch
knippen in gevallen vlees, leze het bloedeloze ingewand
en concludere: hora est. We wissen ons ras en ons geslacht
verlaten ongemerkt maar wel per ommegaande onze aarde.

Hyperrealistisch dringt
het tot de schermen door: een schets
verzachte grijsgedraaide continenten, oceanen
vol verlangen buitenaards getreden aquarel te zijn.

We schepen in, laten de herinnering aan uitgeroeide dieren
los in de ruïnes van de hemel, betrekken onze godenberg
op de aanpalende planeten, vervolmaken daar de kunst
te excelleren in het zuurstofloze zwalken om het zwart.


© Jan-Paul Rosenberg

Uit het typoscript in voorbereiding "Laatste foto van de vrede".

Jan-Paul Rosenberg was de winnaar van de negende editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd.
Hij is oprichter en directeur van de onafhankelijke literaire uitgeverij Stichting Achterland in Zeist.

zondag 5 mei 2019

Teloorgang van onze Heldere Leider (code rood) - Jan-Paul Rosenberg

Met zilver blazen we de regen uit
de lucht, slachten (bij wijze van offer) het paard
de wolken, op hun beurt, vullen ons hoofd met hallucinaties
van dode paarden. De ceremonie is een daverend succes.

Eén schreeuw van steen slechts
vanaf een haastig opgeworpen barricade slaat een bres
in het onwrikbaar pantser van zijn wet, maakt
zijn kleuren onleesbaar, onklaar.

Dan is het voorbij. Het wonder scheurt en wij
zijn de hypnose kwijt, happen naar de lucht, verliezen
de macht over onze gedachten, herinneren ons niets
– de dingen herinneren zich ons, wij

zingen ‘Voorwaarts!’ nog, zelfs nu
de vuist van onze storm van glas blijkt, Heldere Leider
lachend wegkomt met een valscherm dat in het afvallig
vacuüm van ons gecondenseerde denken openklapt.


© Jan-Paul Rosenberg

Uit het typoscript in voorbereiding "Laatste foto van de vrede".

Jan-Paul Rosenberg was de winnaar van de negende editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd.
Hij is oprichter en directeur van de onafhankelijke literaire uitgeverij Stichting Achterland in Zeist.

zaterdag 4 mei 2019

Naaktstudie van het firmament (2031 of later) - Jan-Paul Rosenberg

Largo, zoals een moeder haar kind baart,
spannen kleuren samen in het ochtendgrauw
drenkplaats voor de schilderes die niet de huid
maar slechts de geest van de mens wil verbeelden.

Meanderend toucheert ze, zwartig glanzend, wat ze ziet.
Scheur in het licht dat als een siervrucht openbreekt, zo
staan we blauwig om haar heen, verdrijven on the spot
het witte zonlicht terug achter de kim, begraven ons

met onze ogen naar beneden, denkbeeldig bewegen
we met onze wortels onze dampkring in, voorvoelen
wat we niet meer weten. Kijk, ons zicht verdwijnt
in de adembenemende leegte, fata morgana’s

uit een melkwegtuin, dwars door het duister
trilt een lied van versteende, maar giftige bloemen. En wij
raken aan het diep abstract geluk van kosmonauten, niets meer
te willen dan de ‘huid der tijd’ optillen, zien wat eronder leeft.


© Jan-Paul Rosenberg

Uit het typoscript in voorbereiding "Laatste foto van de vrede".

Jan-Paul Rosenberg was de winnaar van de negende editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd.
Hij is oprichter en directeur van de onafhankelijke literaire uitgeverij Stichting Achterland in Zeist.

vrijdag 3 mei 2019

Incubatie van de Apocalyps (de komst van de engel als voorbode) - Jan-Paul Rosenberg

Blokkeer de straat, supporters
de engel beukt met zijn vleugels
op de catacomben, stroomt binnen
stoot vertrouwde visoenen lek.

Hij ziet er jonger uit dan in de film of op de etiketten
van flacons met antirimpelcrème, pist tegen de boom
der kennis. Krachtvoer is wat hij belooft als losgeld
voor zijn losgeslagen aardse antipoden.

Achteraf stonden de dagen leeg
rondom de ingeslapen zee, maar met
getijden mee stroomde een zwart
waarin de ruimte openbrak.

Daar raast de engel, met zijn vuur en vlam
doopt hij de bokken, schapen, scheert terug
naar wrede, ongedeelde eeuwigheid en wacht
(immuun voor onze duisternis) de aftrap af.


© Jan-Paul Rosenberg

Uit het typoscript in voorbereiding "Laatste foto van de vrede".

Jan-Paul Rosenberg was de winnaar van de negende editie van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd.
Hij is oprichter en directeur van de onafhankelijke literaire uitgeverij Stichting Achterland in Zeist.

zondag 28 april 2019

Goed gecamoufleerd en in oorlogskleuren

Over 'Het dikke meisje en de ziener' van Philip Hoorne
Recensie: Frank Decerf

Philip Hoorne leeft in het struikgewas van de literaire jungle. Hij is goed gecamoufleerd en komt weinig tevoorschijn; hij werkt zonder al te veel rumoer aan zijn poëtisch oeuvre. Maar heel af en toe gaat hij tot de actie over. Dan tooit hij zich in oorlogskleuren, komt vanuit het
woud, gooit je een nieuwe bundel in het gezicht en trekt zich dan weer vliegensvlug terug. Deze keer trof hij mij met Het dikke meisje en de ziener. Ik heb het niet zo op dikke meisjes, maar de meisjes van Hoorne daar moet je altijd even bij stilstaan. De vaak verzwegen Philip Hoorne is een productieve auteur; dit is zijn zevende bundel. Wie zijn poëzie wél regelmatig leest, kent hem een beetje. Hem helemaal doorgronden is moeilijk of neigt naar zelfoverschatting. Hoorne is in wezen een woordgoochelaar met heel diepe mouwen. Hij tovert en zet ons steeds op het verkeerde been. Bij hem veel verrassende wendingen. Zijn gedichten zijn volgroeid en vrij van banaliteiten. Hij duffelt zijn verzen zeer goed in. Ze moeten elke aanval doorstaan. Wat banaal lijkt, wordt eigenlijk speciaal. Wat voorspelbaar schijnt, wordt een heerlijke verrassing. Hij creëert afstandelijke personages in een even afstandelijke setting. Alter ego’s die een cryptische boodschap meedragen. Hoorne voelt zich aangetrokken tot al wie geen contact wil. Hij doorboort het harnas van de oppervlakkigheid. Het absurde mag wel welig tieren. Hoorne staat – gewapend met zijn vakmanschap - ten dienste van de taal. Daarnaast hanteert hij vaak humor en ironie als bovenlaag voor verdere diepgang. Hij laat zijn lezer genieten van schijnbaar alledaagse situaties. Fruit doorstaat bijvoorbeeld een tragische eenzame opsluiting.


ANANAS


en zodoende belandde ananas in de gevangenis
alwaar een zoete blozende bewaker
hem in een koelcel bewaart

begrijp me niet verkeerd
ananas heeft niets misdaan
ananas ligt languit op zijn brits
ananas wordt driemaal per dag gelucht
ananas vervloekt de dag dat hij rijp is
voor de slacht

ananas maakt geen amok
ananas roept niet om zijn moeder
ananas knoopt geen lakens aan elkaar
ananas zit rustig zijn appetijt uit
en is elke dag een beetje meer
om op te eten


© Philip Hoorne


En toch is het poëtisch universum van Hoorne er ook een vol agressie en uitspattingen. Zijn muze zet constructies in elkaar die enkel op papier mogen of kunnen gedijen. De wreedste handelingen komen via tedere verwoording toch nog als aanvaardbaar over. Grimmigheid is in deze bundel een attractief winstpunt. Psychopathische hersenspinsels veroorzaken uiteindelijk meestal wel een goedkeurende glimlach. Philip Hoorne is de meester van de poëtische hypnose; zijn lezers zullen hem volgen. Zij weten nooit waar het zal eindigen. Dat is een sterkte die aanzet tot meer. Het verhalende karakter wentelt als een tornado. Deze poëzie zit vol schijnbewegingen. Het begint simpel, maar eens op die roetsjbaan, snel je naar een einde dat onvoorspelbaar was. Al bij al poëzie voor goedgemutste lezers die naast serieuze verzen ook voldoende luim kunnen appreciëren. Philip Hoorne leverde met Het dikke meisje en de ziener een mollige, fascinerende bundel.


Het dikke meisje en de ziener, Philip Hoorne, In de Knipscheer 2019, Haarlem, ISBN 9 789062 657551


© Frank Decerf


zondag 21 april 2019

Rolex - Joris Denoo



                                                                                                       ‘Time is on my side’

Meneer

U neukte mij in de nacht van vrijdag op zondag. Ik vond het heel fijn. Deze liefdesdaad vormde zelfs even een bron van vermaak, gedurende enkele seconden. Maar nu zit ik met een probleem. We zullen samen een kind hebben, na mijn quarantaine van de gebruikelijke dracht. Uw horloge ligt hier nog (u was zo attent dat af te leggen teneinde me niet te verwonden tijdens het liefdesspel), maar u heb ik sindsdien niet meer gezien. Daarom neem ik even de laptop ter hand om u te schrijven.

Hierbij volg ik slechts gedeeltelijk de BIN-normen van de briefschrijverij. Die zijn, zoals u weet, opgelegd door het Belgisch Instituut dat alles wil ‘normaliseren’, zeg maar: beveiligen. Nou, ik bied u alvast een platte tekst, zonder veel plichtplegingen. Wat ik verder met mijn gevoelens aanvang, daar zijn in geen enkel instituut woorden voor. En ik mag alvast hopen dat onze nakomeling nooit ofte nimmer een uniform of apenpakje zal dragen. Denk nu niet onmiddellijk dat ik driftkikkerig te werk ga. Nee. De lengte van deze brief bewijst het tegendeel. Wil u eventueel de andere metaforische richting uit: ik voel me momenteel zo koel als, nou, een kikker dus. De associatie met ‘kikkerdril’ laat ik hierbij in het midden van onze vijver. Allerlei vormen van humor zijn hier misplaatst.

Toch brengt die onvermijdelijke associatie me bij mijn volgende bedenking. Lees maar: overtuiging. Het kind dat u en ik samen hebben uitgelokt, wil ik wel degelijk geboren laten worden. Dat is, na de dans van de miljoenen waterkansen, een van de twee mogelijkheden. Het is leven of niet-leven. Wat is de mens toch een vrij wezen, nietwaar? Het wordt een mooie herinnering, die alsmaar groeien zal. De gedachten aan een universitaire opleiding voor onze uk zet ik vooralsnog even opzij. Maar ondertussen zullen zich het komende anderhalve decennium diverse onkosten voordoen. Het mag onze verse wereldburger aan niets ontbreken, voorwaar.

Terwijl ik naar uw horloge zit te kijken, zie ik de tijd voorbij tikken. Dure tijd. Time is money, honey. Uw polsslag zit er zelfs nog in. Hoe onachtzaam and yet toch zo symbolisch van u dat voorwerpje mij hier na te laten! Of kwam u graag nog eens terug naar de plaats van de moord? Beschikt u eventueel nog over het garantiebewijs?
Tja, dat u nu, net voor de herfst van uw leven aanbreekt, ik bedoel wel degelijk uw levensherfst, nog een nakomeling scoort! Het moet zoiets zijn als het plotse opduiken van een vliegtuig in het mariablauwe zomerzwerk van de vijftiende eeuw. Dat had u nooit verwacht, hé? U hield er totaal geen rekening mee. U liet alle profylactische bekommernissen gemakshalve aan mij over. U bent immers een man. Nou, weest u verder maar eens flink man. Ook bij u begon het ooit met een ijverige zaadcel. Iets substantieels van uzelf zal nu binnenkort mee de aarde helpen bevolken, deze blauwe plek in het heelal. Bidden we samen om body & soul, gevoel & rede. Een ietsje meer mag best.

Ik ben van plan binnenkort ochtendmisselijk te worden. In vroege treinen zal ik bijvoorbeeld onverwacht overgeven. Bedienden en scholieren zullen een halte te vroeg doen alsof ze ter bestemming zijn en een ander compartiment opzoeken. Een ietsepietsie uw schuld, vindt u niet? Ook zal ik een niet te onderdrukken neiging vertonen om ononderbroken bananen te vreten. Waarschijnlijk neem ik tevens grote hoeveelheden avocado’s tot mij. De vrouw van de Vivo om de hoek zal misschien als allereerste wat langer in mijn ogen kijken, dan naar mijn buik, daarna naar haar weegschaal voor gezond fruit en gezonde groenten. Opzwellen zal ik ondertussen gestaag.

Bij de eerste prenatale penalty’s wil ik evenmin nalaten u even op te bellen, weze het dag, weze het nacht. Dan wil ik geen voetbaltermen van u te horen krijgen. ‘Ze schoppen hem misschien half-do-od’, weet u wel. Het kan zich natuurlijk ook zo voordoen dat u mij af en toe frequenteert met lieflijkheden zoals daar zijn tulpen, pralines, oorbellen of een kijkboek met textielmotieven betreffende de wieg. Allerhande versnaperingen zullen te allen tijde in dank worden aanvaard. Allemaal kleine onkosten voor u en uw firma. Misschien rekent u zelfs kilometervergoeding aan, aan uzelf. À propos, u die naar eigen zeggen zo vlekkeloos en zo vlotjes eurogeconverteerd was tot ver na de komma: enig eurobenul van geboortepremie? Sojagedoe? Pamperaanschaf? Nadat ùw komma in mijn staathuishoudkunde juichend huishield, zijn ook die getalletjes beduidend hoor! Sigaretten, ten slotte, laat u bij visitatie echter maar beter achterwege: de allerlaatste heb ik gerookt toen u aan mijn wastafel uw lulletje met mijn rozenwater besprenkelde. Rozenwater dient om de ogen uit te wrijven, meneer. En blijft u verder maar van die verwijfde Dunhills af; u bewijst ook zonder dat het u voor de wind gaat. Overigens rookte ik die eigenlijk maar uit beleefdheid. U had ze me opgedrongen omdat u vond dat een vrouw die zelf haar sigaretjes piert ook andere stuff tot zich neemt, dus voor iedereen open staat en gezwind andermans koffer in duikt. Zo ging de breedheid in uw denken vaak de breeveertien op. U dacht als een douanier.
(Tiens, dat u dat halve pakje toch niet liet liggen, naast uw Rolex!)

Misschien vindt u het nu jammer dat ik niet tot de zovelen behoor die hun lijf als een kathedraal beschouwen. Ik zou (en dat hoopt u), in het licht daarvan, kunnen overgaan tot het wegmaken van mijn, pardon: ons vruchtvlees. Tot meerdere glorie van mijn lichaam, dat ongeschonden zou blijven. Ik verkies echter het totale leven, met zijn lusten en zijn lasten. Niet omdat het voor een stukje van u komt; wel omdat ik eraan toe ben. Hedendaagse vrouwen kopen onderweg wel eens een kind, weet u. Zelfs in het immer groter wordende holebi-compartiment van de samenleving speelt men meer en meer met gedachten aan wat jong bloed in de gelederen. Op dat lijfelijke vlak, meneer, kunt u dus op uw beide oren slapen. De beide ezelsoren der gemoedsrust. En ik op mijn linker- of rechterzij, mettertijd, als onze liefdesvrucht wat meer ruimte behoeft in mijn middenbeuk. Ach, een man weet vaak niet waarom.

Tiens: nooit hebben we samen gedanst en wellicht zullen we dat ook nimmer doen, meneer, die rechthoek van afgrijzen mee bevolken die ‘dansvloer’ heet. Nooit zult u in dat verband met uw kleffe vingers mijn monnikskapspier verkennen, noch mijn kont. Dat zag ik in den beginne wel eens zitten, nochtans, zonder kil gepotel dan natuurlijk. Misschien zag u me ooit als Assepoestertje? Had u mij met wat meer tijd beter willen leren kennen dan alleen maar de binnenkant van mijn kut? Dat kon: u had uw Rolex, ik beschikte over tijd. (Nu heb ik alleen nog uw Rolex). Maar met uw haastzaad in de pijplijn verliep het vaak anders; vooral nà de lozing kon u niet vlug genoeg wegwezen. De tijd drong plotseling vreselijk. U struikelde dan gewoonlijk over uw eigen ondergoed en de lift kon niet snel genoeg weer uw veilige plattegrond bereiken.

Nou, ondertussen zit ik dus wel met een portie kindervlees in mijn pijplijn. Yes, I put on weight, Esquire. Mijn schoentje begint te knellen. Negen maanden lang draag ik uw soortelijk gewicht. De tijd zal er een publiek geheim van maken. Het staat me dan vrij tot bekentenissen over te gaan, midden de kletstantes bijvoorbeeld tussen de groente- en fruitbakken. Hebt u dat ooit voorgehad, iets wat u zelf veroorzaakte maar waar u niet langer de hand in had?

Nee, ook uw sponsorpraat in verband met de ijshockeyclub van uw zoon – wie speelt nu godverdomme ijshockey in dit godgenagelde regenland!? – liet me al zo koud als het ijs waarvan ik hoop dat het te gelegener tijd de vier ledematen van uw wettelijk geregeld nageslacht zal breken. Evenmin kon ik medeleven betonen bij het heengaan van uw oude moeder, die ondanks uw geboorte nog lange jaren het levenslicht aanschouwen mocht, weliswaar aan bed gekluisterd. Neen, dat verscheiden deed me niets. Op moederleed van mannen staat gewoonlijk een vervaldatum. Ze rochelen even als een oude apotheker en verkopen daarna weer hun placebo’s als vanouds. Kan het ook zijn, meneer, dat u, die keren dat u vluchtig mijn boekenplank doorbladerde, eigenlijk op zoek was naar eventuele perversiteiten van mijn kant? U beperkte zich daarbij vaak tot de flapteksten. Vooral die serie goedkoop uitgegeven romannetjes trok uw bellettristische aandacht. Was u op zoek naar mijn vreemde of geheime voorkeuren? Hoopte u mettertijd en metterdaad misschien eens, om maar een voorbeeld te geven, aan weerskanten van mijn bilspleet een oog te tekenen, en dwars over diezelfde spleet een dik aangezette rode mond? Waarin dan uw purperen kardinaal – mits de nodige sterkte (à propos: neemt u nog ginseng?) – duchtig huis in zou houden? Vermoedde u een dergelijke passage ergens in een van mijn romannetjes, flauwtjes met een potlood aangevinkt? U vond die niet? Jammer. Ik moet u daarover helaas in het ongewisse laten, bij ontstentenis van uzelf hier ter plekke en in mijn verdere leven. Misschien moet u in dat verband te rade op het internet. (Ik hoop nu echt, tussen twee haakjes, dat deze brief u niet al te zeer opwindt. Sommige niet-vrouwen krijgen namelijk al copulatielust bij het simpele aanschouwen van een pannetje kikkerbillen).

Ik herinner me nog een scène, meneer. Niet in de dramatische betekenis van het woord – wees gerust, get on with your Life. Die speelde zich af enkele weken voor de zoveelste consummatie annex conceptie. We dronken iets in kaffaat De Blinde Fotograaf (: fake treincompartimenten, easylistening muzak, schaarse lichtplassen, namiddagsfeertje vooraleer Mannen Als U des avonds het algehele woeden der wereld weer zouden ondergaan, nou, kortom: wat gestolen en verstolen overspelige eilanderigheid, we hadden even de tijd, nietwaar, om wat bij te praten en eens niét in elkaar te schuiven. (I apologize for this overloaded sentence, Esquire). U zette en nam voortdurend uw overbodige leesbrilletje op en van uw neus. U kon niet beslissen wat we zouden drinken. Met de kleinere letters op de menukaart ondervond u de grootste moeite. U wou zelfs even iets eten, godgenageld, iets eten op dat unheimliche uur, tot het u te binnen schoot dat u al gegeten had. (Ik niet: ik zat al drie koffies lang op u te wachten, I skipped the part about food). Ik merkte dat u zag dat ik het doorhad: dat u uw ogen niet af kon houden van dat andere Verboden Koppel dat daar handenwriemelend aan elkaar zat te frunniken in naam van de liefde. Het Geheime Leger der Verliefden vindt een gedroomde drenkplaats in De Blinde Fotograaf. Het is een gigantisch groot leger, en toch denkt u, dacht u, daar een uitzonderlijk onderdeel van te zijn. U vergeleek voortdurend. U was verblind door de aanwezigheid van die andere deerne. Daardoor hebt u me toen gedegradeerd.

En toen, meneer, toen lijfde u zichzelf in het Leger van de Voorspelbare Mannen in: zij die menen dat eender welke schuinsmarcherende vrouw ook voor hèn schuinsmarcheren wil. En dat is niet waar. Dat moet ik met een hevig stilzwijgen tegenspreken. Wat meer is: op de man die zich in het gezelschap van die mooie vrouw mocht verheugen, was u stikjaloers. Ik zag het. En u zag dat ik het zag. Daarom wou u weg en wou u ook blijven. Daarom wou u naar mijn appartement en wou u tevens ter plekke krampachtig zitten praten. U wou alles. U wou misschien het liefst eerst die vrouw een vlugge beurt in de toiletten geven, dan het mannetje vermoorden, daarna mij met uw overbevolking teisteren, en dan te horen krijgen, van mij: ‘Jij bent de beste. It was wonderful’. Ja, ook dat is een gigantisch groot leger. Nou, dat speelde zich dus af in De Blinde Fotograaf, enkele weken voor… Herinnert u zich dat nog, meneer? Sedert die namiddag heb ik geen koffie meer gedronken. Ik kan niet meer, nooit meer, zelfs niet in het mekka van de mokka, ooit, met een volgende kerel als een kraan, neen. Ik voel me als Anna O., de bekende theetante die bij Sigmund Freud op de sofa ging liggen. What’s on a woman’s mind?

En toch liet ik me enkele weken later alweer door u voltanken, met a lovin’ spoonful vanuit uw lendenen vertrekkend. Lovin’ ? Nou, eerder lustful. De gevolgen zijn u ondertussen bekend, dankzij deze epistolaire inspanning van mijnentwege. (U laat toch elk woord goed tot u doordringen? Zoals uw zaad in mijn schoot uitwaaierde en vrucht begon te worden?)   

Ja, dat kind van ons, m/v. Laten we hopen dat het gelukkig wordt. U zal daar maar voor een heel klein stukje tussen gezeten hebben. Op zijn echte vaders zal het misschien vele winters en lentes moeten wachten. Nog iets: hoe zullen we het noemen? Ik bedoel: het kind, met name. Daar moeten we samen over beslissen, vind ik. Dat is het minste maar ook het enige wat ik kan doen. Voor wat, hoort wat. Wat mij betreft, voor u zich dingen in het hoofd haalt: mail me geen Bijbelse namen, geen mythische namen, geen namen uit tv-feuilletons, geen hypermoderne namen, geen retronamen, geen drie- of meerlettergrepige namen. Doodgewoon Jan bijvoorbeeld. Of Elke. Pam en Kim kunnen ook. Desnoods Maaike. Ook wel mooi. Een kort sms’je volstaat; uitvoeriger overleg is mogelijk aan een neutrale onderhandelingstafel, maar dan wel voor de zesde maand van de dracht. (Niét in de liefdesafspanning De Blinde Fotograaf, graag!) Mocht zich een meerlinggeval voordoen, dan wil ik zeker geen gelijkluidende benamingen voor de diverse eenheden. Ongerijmdheid, graag. Zelfs geen assonanties, begrijpt u? Er zijn grenzen aan bepaalde herinneringen. Gedeelde vreugd is dubbele vreugd. De achternaam van mijn eerstgeboren uk vormt natuurlijk geen enkel probleem. Dat wordt door mij geregeld.

Nou, u merkt, meneer: een nachtje neuken doe je nooit alleen. Wie de trein neemt, komt gewoonlijk ergens aan. Kwestie van het goeie perron te nemen. Ik hoop op uw Rolex geen al te grote vertraging af te moeten lezen. Vlucht u maar niet ijlings naar een van uw zwitserlanden, bijvoorbeeld. Precisie, graag. Schoon volk eerst. De tijd dringt, maar niet echt. Het getuigt overigens van een ongehoorde pretentie de tijd om uw pols vast te binden teneinde die aan banden te leggen en ondergeschikt te maken. Ik leg het onding ergens waar ik er niet elke dag mee geconfronteerd word. Zo wordt het geen paardje van Troje dat alsnog begint te galopperen in de hoop me op te winden en overhaaste besluiten te doen nemen. Het blinkt overigens zo opvallend dat ik u ervan verdenk het al vaker op vele andere plaatsen een tijdlang niét gedragen te hebben, klopt dat? Zoals uw Rolex hier tikt, zo tikte hij volgens mij op andere plaatsen. U kunt me ondertussen altijd bereiken op het nummer 000-0894929-07. Wij verblijven inmiddels, geheel de uwen:

Familiale groeten

Bärbel Vandermeeren en de baby in spe