zaterdag 8 december 2018

De stille zomer - Frans Deschoemaeker

Pimpelmezen die zich baden in het door een roestige putto boven het hoofd geheven waterbekkentje, op een hoge sokkel, in een perspectief van lindenkruinen. Hun woest gespetter in fel tegenlicht. In het wijd openstaande raam van de tuinkamer waar de prikkelende pittigheid van de vroege ochtend de studieuze geur ontmoet van boeken, pennen, inkten, verven, Italiaanse koffie uit het zilverkleurig kannetje.

Een atmosfeer in woorden tot tastbaarheid dwingen. Proberen met smaak te schrijven; over de gladde buik van een terracottakruik, de nerven in het hout, het korstmos op oude Bourgondische witsteen, de pontificale gang van de kat (die met grote minachting die mezen gadeslaat), over hoe een rookpluim zich verhoudt tot een beboste heuvelkam bij avondlijk strijklicht, ergens in oktober in de Elzas, ergens in de herinnering, en al de daaruit voortvloeiende bewegingen van ’t gemoed.

Hoe zeemleer aanvoelt, en hertogelijk brokaat, hoe koel de in de diepte van een colonnade wegijlende tegelvloer wel is, hoe de opkomende zon een borstkuras ontsteekt; dat wisten onze schilders haarfijn en zinnelijk te vatten in verf. Waarom zou het niet in inkt te vatten zijn?

Proberen met smaak te schrijven. Zo schrijven dat uit dat schrijven het plezier in het schrijven spreekt. Schrijven als levenskunst, als uiting van liefde voor het leven. De opdracht van de schrijver is niet grote voorvallen te vertellen, maar kleine interessant te maken, schreef Schopenhauer. Onder interessant versta ik graag: intens, geladen (gelaagd) en sensueel. Niets is, dat er niet om vraagt indringend, op zinnelijke wijze beschreven te worden, en zodoende begrepen te worden, aanwezigheid te verwerven. De geur van benzinestations in de zomernacht, langs alle autostrada’s naar het zuiden, verdient het zijn eindbestemming te vinden op de pagina’s van een mooi boek.


© Frans Deschoemaeker

Uit: De waterlelies van Montparnasse, een werk in gestadige voortgang



zondag 2 december 2018

Over Tijdrijder van Peter Theunynck




















Recensie: Frank Decerf

Met Tijdrijder, zijn achtste bundel, schenkt Peter Theunynck ons vooral intimistische poëzie. De bundel is opgedragen aan de ouders van de dichter. In de cyclus Tegen de tijd lezen we schijnbaar banale verzen, maar bij een nauwkeurige lezing ontdekt de lezer een subtiele gelaagdheid. We treffen geëngageerde boodschappen en anti-oorlogsgedichten aan. Gelukkig jaar is daar een voorbeeld van. Ode aan de ing vorm getuigt dan weer van intelligente humor.

In Wintertijd concentreert Theunynck zich vooral op de vergankelijkheid van het ouder worden. De dichter probeert de aftakeling een halt toe te roepen. In veel van de gedichten zorgt de herhaling voor een passende cadans. Korte zinnen houden de vorm strak.

Sluitingstijd is de derde cyclus van de bundel. In deze cyclus oefent de dichter zich om zich op de dood en het sterven voor te bereiden. Dit in een poging om het onomkeerbare af te wenden. De aankomende dreiging wordt in kaart gebracht. Theunynck gebruikt erg originele metaforen. Sterke beelden kenmerken de hele bundel. Beelden als… als de winter figuurzaagt in je lijf… of … de dorst had zijn oase gevonden. De act van het zingen is voor de dichter de beste remedie om het onheil de pas af te snijden. In het zingen neemt de dichter afstand van de ondergang. Zingen is een manier om het ongeluk af te houden: De dans is een tulp op hoge hakken… In Altijd spreekt de dichter zijn bewondering uit voor een hele resem figuren zoals Rik Wouters, Paul Verlaine, Ashraf, Remco Campert en nog vele anderen. Aspecten die hun leven bijzonder maakten en hen onderscheidden van de rest vinden in deze reeks hun vorm. De lezer, gewone sterveling, ontdekt andere facetten en leert de personages beter kennen.

GELUKKIG JAAR

Jonge jongens vuren de dans uit de tent.
Nu is de gewapende man aan het feest.

Achter de Eufraat droppen ze dakloze huizen
en vlammen om bloed te verwarmen.

Grondtroepen schrapen de hielen.
Het is enkel nog wachten op stevige zakken.

De mensen zijn moe. Ze mogen nog langer werken.
Sparen voor betere jachtbommenwerpers.

Nog nooit zoveel lichtjes. Nog nooit zoveel post.
Iedereen aan de joystick, maar waar is de vreugde?

In een uithoek een pandabeer op de schoot
van een meisje, moederend als een Maria.

De bundel sluit af met de cyclus Gestolde Tijd. Deze gedichten ontstonden na het lezen van “A history of the world in 100 objects” van N Mac Gregor. Theunynck kruipt hier in de huid van de archeoloog die veronderstellingen in persoonlijke wetten giet. Gestolde Tijd wordt een poëtische reis doorheen onze beschaving. Een persoonlijke interpretatie van de evolutie der dingen via invalshoeken en inzichten die zowel creativiteit als intelligentie bewijzen. Deze cyclus doet de lezer meermaals glimlachen.

In Tijdrijder zit veel compassie en dat maakt voor mij van Theunynck een heel humaan dichter; een auteur om naar op te kijken. Hij slijpt zijn arsenaal aan woorden tot een verfijnde en aparte taalmozaïek.


© Frank Decerf


Tijdrijder, Peter Theunynck, 2018,Wereldbibliotheek Amsterdam, ISBN 9 789028 427617